EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32011R0142

Verordening (EU) nr. 142/2011 van de Commissie van 25 februari 2011 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en tot uitvoering van Richtlijn 97/78/EG van de Raad wat betreft bepaalde monsters en producten die vrijgesteld zijn van veterinaire controles aan de grens krachtens die richtlijn Voor de EER relevante tekst

OJ L 54, 26.2.2011, p. 1–254 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)
Special edition in Croatian: Chapter 03 Volume 044 P. 68 - 321

In force: This act has been changed. Current consolidated version: 14/12/2019

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2011/142/oj

26.2.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 54/1


VERORDENING (EU) Nr. 142/2011 VAN DE COMMISSIE

van 25 februari 2011

tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en tot uitvoering van Richtlijn 97/78/EG van de Raad wat betreft bepaalde monsters en producten die vrijgesteld zijn van veterinaire controles aan de grens krachtens die richtlijn

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1774/2002 (verordening dierlijke bijproducten) (1), met name artikel 5, lid 2, artikel 6, lid 1, eerste alinea, onder b) ii), en tweede alinea, en lid 2, tweede alinea, artikel 11, lid 2, eerste alinea, onder b) en c), en tweede alinea, artikel 15, lid 1, eerste alinea, onder b), d), e), h) en i), en tweede alinea, artikel 17, lid 2, artikel 18, lid 3, artikel 19, lid 4, eerste alinea, onder a), b) en c), en tweede alinea, artikel 20, leden 10 en 11, artikel 21, leden 5 en 6, artikel 22, lid 3, artikel 23, lid 3, artikel 27, eerste alinea, onder a), b), c) en e) tot en met h), en tweede alinea, artikel 31, lid 2, artikel 32, lid 3, artikel 40, artikel 41, lid 3, eerste en derde alinea, artikel 42, artikel 43, lid 3, artikel 45, lid 4, artikel 47, lid 2, en artikel 48, lid 2, lid 7, eerste alinea, onder a), en lid 8, eerste alinea, onder a), en tweede alinea,

Gezien Richtlijn 97/78/EG van de Raad van 18 december 1997 tot vaststelling van de beginselen voor de organisatie van de veterinaire controles voor producten die uit derde landen in de Gemeenschap worden binnengebracht (2), en met name artikel 16, lid 3,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EG) nr. 1069/2009 zijn dier- en volksgezondheidsvoorschriften vastgesteld voor dierlijke bijproducten en daarvan afgeleide producten. In die verordening is bepaald in welke omstandigheden dierlijke bijproducten moeten worden verwijderd, teneinde de verspreiding van risico's voor de volksgezondheid en de diergezondheid te voorkomen. Bovendien zijn in die verordening de voorwaarden vastgesteld waaronder dierlijke bijproducten gebruikt mogen worden in diervoeder en voor diverse andere doeleinden, zoals voor cosmetische producten, geneesmiddelen en technische toepassingen. Voorts bevat die verordening verplichtingen voor exploitanten om dierlijke bijproducten te hanteren in inrichtingen of bedrijven die aan officiële controles onderworpen worden.

(2)

Verordening (EG) nr. 1069/2009 bepaalt dat gedetailleerde voorschriften voor het hanteren van dierlijke bijproducten en afgeleide producten, zoals verwerkingsvoorschriften, hygiënevoorschriften en het standaardformaat voor de bewijsstukken waarvan zendingen van dierlijke bijproducten en afgeleide producten ten behoeve van de traceerbaarheid vergezeld moeten gaan, middels uitvoeringsmaatregelen worden vastgesteld.

(3)

De in deze verordening opgenomen gedetailleerde voorschriften voor het gebruik en de verwijdering van dierlijke bijproducten dienen te worden vastgesteld met het oog op de verwezenlijking van de doelstellingen van Verordening (EG) nr. 1069/2009, met name het duurzame gebruik van dierlijke producten en de handhaving van een hoog niveau van bescherming van de volksgezondheid en de diergezondheid in de Europese Unie.

(4)

Verordening (EG) nr. 1069/2009 is niet van toepassing op hele kadavers of delen van wilde dieren waarvan niet wordt vermoed dat zij met een op mens of dier overdraagbare ziekte zijn besmet of erdoor zijn aangetast, met uitzondering van voor commerciële doeleinden aangevoerde waterdieren. Zij is evenmin van toepassing op hele kadavers of delen van vrij wild die, overeenkomstig goede jachtpraktijken, na het doden niet worden verzameld. Dergelijke dierlijke bijproducten van de jacht dienen zodanig te worden verwijderd dat de overdracht van risico's wordt voorkomen, zoals bepaalde jachtpraktijken dat vereisen en overeenkomstig de goede praktijken die voor het jagersberoep zijn beschreven.

(5)

Verordening (EG) nr. 1069/2009 is van toepassing op dierlijke bijproducten voor de vervaardiging van jachttrofeeën. De vervaardiging van dergelijke trofeeën en de preparatie van dieren en delen van dieren met andere methoden, zoals plastinatie, dienen onder dusdanige voorwaarden te gebeuren dat geen risico's voor de gezondheid van mens en dier worden overgedragen.

(6)

Verordening (EG) nr. 1069/2009 is van toepassing op keukenafval en etensresten die afkomstig zijn van internationaal opererende vervoermiddelen, zoals afgeleide producten van voedingsmiddelen die worden opgediend aan boord van vliegtuigen of schepen die vanuit een derde land de Europese Unie binnenkomen. Keukenafval en etensresten vallen bovendien onder diezelfde verordening indien zij bestemd zijn voor vervoedering aan dieren, voor verwerking met een van de methoden die krachtens deze verordening zijn toegestaan of voor omzetting in biogas of voor compost. Krachtens Verordening (EG) nr. 1069/2009 is het verboden andere landbouwhuisdieren dan pelsdieren met keukenafval en etensresten te voederen. Keukenafval en etensresten mogen daarom overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1069/2009 verwerkt en vervolgens gebruikt worden op voorwaarde dat het afgeleide product niet aan dergelijke dieren vervoederd wordt.

(7)

Voor de samenhang van de wetgeving van de Unie wordt de term voedermiddelen van dierlijke oorsprong in deze verordening gedefinieerd op basis van de definitie van voedermiddelen die is vastgesteld in Verordening (EG) nr. 767/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende het in de handel brengen en het gebruik van diervoeders, tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1831/2003 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 79/373/EEG van de Raad, Richtlijn 80/511/EEG van de Commissie, Richtlijnen 82/471/EEG, 83/228/EEG, 93/74/EEG, 93/113/EG en 96/25/EG van de Raad en Beschikking 2004/217/EG van de Commissie (3).

(8)

Verordening (EG) nr. 1069/2009 verbiedt de verzending van dierlijke bijproducten en afgeleide producten van voor ziekte vatbare soorten vanuit agrarische bedrijven, inrichtingen, bedrijven of gebieden waarop wegens de aanwezigheid van een ernstige overdraagbare ziekte beperkende maatregelen van toepassing zijn. Teneinde in de Unie een hoog niveau van bescherming van de diergezondheid te waarborgen en ter bepaling van het toepassingsgebied van het verbod, dient de lijst van ziekten in de Terrestrial Animal Health Code (gezondheidscode voor landdieren) en de Aquatic Animal Health Code (gezondheidscode voor waterdieren) van de Werelddiergezondheidsorganisatie (hierna „OIE” genoemd) als de lijst van ernstige overdraagbare ziekten te worden aangewezen.

(9)

Aangezien verbranding en meeverbranding van bepaalde dierlijke bijproducten niet binnen de werkingssfeer van Richtlijn 2000/76/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 december 2000 betreffende de verbranding van afval (4) vallen, dienen in deze verordening passende voorschriften te worden vastgesteld ter voorkoming van gezondheidsrisico's als gevolg van dergelijke activiteiten, met inachtneming van de mogelijke gevolgen voor het milieu. Residuen van de verbranding of meeverbranding van dierlijke bijproducten of afgeleide producten dienen te worden gerecycleerd of verwijderd overeenkomstig de milieuwetgeving van de Unie, aangezien met name die wetgeving het gebruik in meststoffen van de fosfor uit as en de overhandiging van de as van gecremeerde gezelschapsdieren aan de eigenaars toelaat.

(10)

Producten van dierlijke oorsprong en levensmiddelen die dergelijke producten bevatten, dienen overeenkomstig Richtlijn 1999/31/EG van de Raad van 26 april 1999 betreffende het storten van afvalstoffen (5) naar een stortplaats te worden gebracht indien zij verwerkt zijn in de zin van Verordening (EG) nr. 852/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake levensmiddelenhygiëne (6), teneinde mogelijke gezondheidsrisico's te beperken.

(11)

Het verwijderen van dierlijke bijproducten en afgeleide producten via de afvalwaterstroom dient verboden te worden aangezien voor afvalwater geen eisen gelden die een afdoende beheersing van de risico's voor de volksgezondheid en de diergezondheid waarborgen. Er dienen passende maatregelen te worden genomen ter voorkoming van onaanvaardbare risico's als gevolg van een accidentele verwijdering van vloeibare dierlijke bijproducten, zoals bij het schoonmaken van vloeren en van apparatuur die voor de verwerking van de producten gebruikt wordt.

(12)

Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen (7) bevat bepaalde maatregelen ter bescherming van het milieu en de menselijke gezondheid. Artikel 2, lid 2, onder b), van die richtlijn bepaalt dat bepaalde producten van het toepassingsgebied van die richtlijn zijn uitgesloten voor zover zij al onder andere wetgeving van de Unie vallen, waaronder dierlijke bijproducten die onder Verordening (EG) nr. 1774/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 3 oktober 2002 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten (8) vallen, behalve die welke bestemd zijn om te worden verbrand of gestort of voor gebruik in een biogas- of composteerinstallatie. Die verordening is met ingang van 4 maart 2011 ingetrokken en vervangen door Verordening (EG) nr. 1069/2009. Met het oog op de samenhang van de wetgeving van de Unie moeten de processen waarmee dierlijke bijproducten en afgeleide producten in biogas en compost worden omgezet, voldoen aan de gezondheidsvoorschriften van deze verordening en aan de maatregelen ter bescherming van het milieu van Richtlijn 2008/98/EG.

(13)

De bevoegde autoriteit van een lidstaat moet toestemming kunnen geven voor alternatieve parameters voor de omzetting van dierlijke bijproducten in biogas en compost op grond van een validatie overeenkomstig een geharmoniseerd model. In dat geval moeten gistingsresiduen en compost in de hele Europese Unie in de handel gebracht kunnen worden. Bovendien moet de bevoegde autoriteit van een lidstaat toestemming kunnen verlenen voor bepaalde parameters voor specifieke dierlijke bijproducten, zoals keukenafval en etensresten en mengsels daarvan met bepaalde andere materialen, die in biogas of compost worden omgezet. Aangezien die toestemming niet volgens een geharmoniseerd model wordt verleend, mogen gistingsresiduen en compost alleen in de handel worden gebracht in de lidstaat waar toestemming voor de parameters is verleend.

(14)

Teneinde verontreiniging van levensmiddelen met ziekteverwekkers te voorkomen, dienen inrichtingen en bedrijven waar dierlijke bijproducten verwerkt worden hun activiteiten op grond van Verordening (EG) nr. 853/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 houdende vaststelling van specifieke hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong (9) op een andere locatie te verrichten dan slachthuizen of andere inrichtingen waar levensmiddelen verwerkt worden, tenzij de dierlijke bijproducten verwerkt worden onder omstandigheden die door de bevoegde autoriteit zijn goedgekeurd, dit om te voorkomen dat risico's voor de volksgezondheid en de diergezondheid overgedragen worden naar inrichtingen waar levensmiddelen verwerkt worden.

(15)

Verordening (EG) nr. 999/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 houdende vaststelling van voorschriften inzake preventie, bestrijding en uitroeiing van bepaalde overdraagbare spongiforme encefalopathieën (10) bepaalt dat de lidstaten jaarlijkse toezichtprogramma's uit moeten voeren met betrekking tot overdraagbare spongiforme encefalopathieën (TSE's). Kadavers van dieren die voor bepaalde soorten als voeder gebruikt worden met het oog op de bevordering van biodiversiteit, dienen in deze toezichtprogramma's te worden opgenomen in zoverre dat nodig is om ervoor te zorgen dat de programma's voldoende informatie verstrekken over de prevalentie van overdraagbare spongiforme encefalopathieën in een bepaalde lidstaat.

(16)

Om de biodiversiteit te bevorderen, staat Verordening (EG) nr. 1069/2009 toe dat met uitsterven bedreigde of beschermde aasetende vogelsoorten en andere soorten die in hun natuurlijke habitat leven, in de lidstaten gevoederd worden met bepaald categorie 1-materiaal. Dergelijke voederpraktijk dient te worden toegestaan voor bepaalde vleesetende soorten die worden genoemd in Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (11), alsook voor bepaalde soorten roofvogels die worden genoemd in Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand (12), om rekening te houden met de natuurlijke voedingspatronen van de betrokken soorten.

(17)

Verordening (EG) nr. 1069/2009 voorziet in een goedkeuringsprocedure voor alternatieve verwijderings- en verwerkingsmethoden voor dierlijke bijproducten of afgeleide producten. De Commissie kan dergelijke methoden goedkeuren na advies van de Europese Voedselautoriteit (hierna „EFSA” genoemd). Om de beoordeling van aanvragen door de EFSA te vergemakkelijken, moet een standaardformaat worden vastgesteld die indieners aangeeft welk soort bewijsstukken moet worden overgelegd. Overeenkomstig de Verdragen moeten de aanvragen voor alternatieve methoden in de officiële talen van de Unie kunnen worden ingediend, als vastgesteld in Verordening nr. 1 van de Raad van de Europese Economische Gemeenschap tot regeling van het taalgebruik in de Europese Economische Gemeenschap (13).

(18)

Overeenkomstig Verordening (EG) nr. 183/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 12 januari 2005 tot vaststelling van voorschriften voor diervoederhygiëne (14) moeten andere exploitanten van diervoederbedrijven dan primaire producenten bij de opslag en het vervoer van producten bepaalde hygiënevoorschriften naleven. Aangezien die voorschriften mogelijke risico's in dezelfde mate beperken, zijn de in deze verordening vastgestelde eisen inzake opslag en vervoer niet van toepassing op mengvoeders die van dierlijke bijproducten zijn afgeleid.

(19)

Teneinde wetenschap en onderzoek te bevorderen en ervoor te zorgen dat dierlijke bijproducten en afgeleide producten bij de diagnose van ziekten bij mens en dier optimaal benut worden, moet de bevoegde autoriteit gemachtigd zijn voorschriften vast te stellen voor monsters van dergelijk materiaal die bestemd zijn voor onderzoek, onderwijs en diagnose. Dergelijke voorschriften mogen echter niet worden vastgesteld voor monsters van ziekteverwekkers waarvoor bijzondere voorschriften zijn vastgesteld bij Richtlijn 92/118/EEG van de Raad van 17 december 1992 tot vaststelling van de veterinairrechtelijke en de gezondheidsvoorschriften voor het handelsverkeer en de invoer in de Gemeenschap van producten waarvoor ten aanzien van deze voorschriften geen specifieke communautaire regelgeving geldt als bedoeld in bijlage A, hoofdstuk I, van Richtlijn 89/662/EEG, en, wat ziekteverwekkers betreft, van Richtlijn 90/425/EEG (15).

(20)

Krachtens Richtlijn 97/78/EG zijn dierlijke bijproducten die bestemd zijn voor tentoonstellingen, mits zij niet voor afzet bestemd zijn, en dierlijke bijproducten die voor bijzondere studies of analyses bestemd zijn, vrijgesteld van veterinaire controles in de grensinspectiepost van binnenkomst in de Unie. Die richtlijn voorziet in de vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor die vrijstellingen. In deze verordening moeten passende voorwaarden worden vastgesteld voor de invoer van dierlijke bijproducten en afgeleide producten die voor tentoonstellingen en bijzondere studies of analyses bestemd zijn, zodat de binnenkomst van die producten in de Unie niet tot onaanvaardbare risico's voor de volkgezondheid of de diergezondheid leidt. Met het oog op de samenhang van de wetgeving van de Unie en de rechtszekerheid van de exploitanten moeten die voorwaarden en de uitvoeringsbepalingen voor Richtlijn 97/78/EG in deze verordening worden vastgesteld.

(21)

Dierlijke bijproducten moeten nadat zij zijn verzameld, worden gehanteerd onder passende voorwaarden die de overdracht van onaanvaardbare risico's voor de volksgezondheid of de diergezondheid uitsluiten. Inrichtingen of bedrijven waar bepaalde activiteiten worden verricht voordat dierlijke bijproducten verder worden verwerkt, moeten zodanig gebouwd zijn en werken dat die overdracht wordt voorkomen. Dit dient ook te gelden voor inrichtingen en bedrijven waar activiteiten met dierlijke bijproducten overeenkomstig de veterinaire wetgeving van de Unie plaatsvinden, afgezien van de hantering van dierlijke bijproducten voor curatieve doeleinden door particuliere dierenartsen.

(22)

Overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1069/2009 dienen exploitanten ervoor te zorgen dat dierlijke bijproducten en afgeleide producten in alle fasen van de keten van productie tot gebruik en verwijdering traceerbaar zijn, ter voorkoming van nodeloze verstoringen van de interne markt als gevolg van gebeurtenissen met feitelijke of mogelijke risico's voor de volksgezondheid of de diergezondheid. De traceerbaarheid moet bijgevolg niet alleen worden gewaarborgd door exploitanten die dierlijke bijproducten produceren, verzamelen of vervoeren, maar ook door exploitanten die dierlijke bijproducten of afgeleide producten verwijderen door verbranding of meeverbranding dan wel door ze naar stortplaatsen te brengen.

(23)

Recipiënten en vervoermiddelen die gebruikt worden voor dierlijke bijproducten of afgeleide producten dienen schoon te worden gehouden om verontreiniging te voorkomen. Wanneer zij gebruikt worden voor het vervoer van een bepaald materiaal, zoals een vloeibaar dierlijk bijproduct dat geen onaanvaardbaar gezondheidsrisico inhoudt, kunnen exploitanten hun maatregelen ter voorkoming van verontreiniging afstemmen op het feitelijke risico dat uit het betrokken materiaal voortvloeit.

(24)

De lidstaten moeten de mogelijkheid hebben het gebruik van het geïntegreerde veterinaire computersysteem Traces, dat werd ingesteld bij Beschikking 2004/292/EG van de Commissie van 30 maart 2004 betreffende de toepassing van het Traces-systeem en tot wijziging van Beschikking 92/486/EEG (16) (hierna „het Traces-systeem” genoemd), verplicht te maken voor exploitanten om te kunnen bewijzen dat zendingen van dierlijke bijproducten of afgeleide producten op de plaats van bestemming zijn aangekomen. Anders moet de aankomst van zendingen worden bewezen met een vierde exemplaar van het handelsdocument, dat aan de producent wordt teruggestuurd. De ervaring met beide mogelijkheden moet worden geëvalueerd nadat deze verordening een jaar lang is toegepast.

(25)

In Verordening (EG) nr. 853/2004 zijn bepaalde parameters gespecificeerd voor de behandeling van gesmolten vet, visolie en eiproducten die de mogelijke gezondheidsrisico's op gepaste wijze onder controle houden wanneer dergelijke producten voor andere doeleinden dan menselijke consumptie worden gebruikt. Die parameters dienen bijgevolg toegelaten te worden als alternatieven voor de behandelingen van dierlijke bijproducten die in deze verordening zijn opgenomen.

(26)

Biest en biestproducten moeten afkomstig zijn van rundveebeslagen die vrij zijn van bepaalde ziekten als bedoeld in Richtlijn 64/432/EEG van de Raad van 26 juni 1964 inzake veterinairrechtelijke vraagstukken op het gebied van het intracommunautaire handelsverkeer in runderen en varkens (17).

(27)

De verwijzingen naar Richtlijn 76/768/EEG van de Raad van 27 juli 1976 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake cosmetische producten (18), Richtlijn 96/22/EG van de Raad van 29 april 1996 betreffende het verbod op het gebruik, in de veehouderij, van bepaalde stoffen met hormonale werking en van bepaalde stoffen met thyreostatische werking, alsmede van β-agonisten (19) en Richtlijn 96/23/EG van 29 april 1996 inzake controlemaatregelen ten aanzien van bepaalde stoffen en residuen daarvan in levende dieren en in producten daarvan (20) moeten worden bijgewerkt en de verwijzing naar Richtlijn 2009/158/EG van de Raad van 30 november 2009 tot vaststelling van veterinairrechtelijke voorschriften voor het intracommunautaire handelsverkeer en de invoer uit derde landen van pluimvee en broedeieren (21) in de gezondheidsvoorschriften voor onverwerkte mest moet worden bijgewerkt.

(28)

Bepaald ingevoerd materiaal voor de productie van voeder voor gezelschapsdieren moet worden gehanteerd en gebruikt onder voorwaarden die zijn afgestemd op het risico dat dergelijk materiaal kan inhouden. Er dienen met name maatregelen te worden genomen om ervoor te zorgen dat het materiaal veilig naar de inrichtingen of bedrijven van bestemming kan worden gekanaliseerd, waar dergelijk materiaal, alsook categorie 3-materiaal in voeder voor gezelschapsdieren verwerkt wordt. Met betrekking tot de inrichtingen of bedrijven van bestemming moet de bevoegde autoriteit gemachtigd worden toe te staan dat ingevoerd materiaal samen met categorie 3-materiaal wordt opgeslagen, op voorwaarde dat het ingevoerde materiaal traceerbaar is.

(29)

Verordening (EG) nr. 1069/2009 noemt bepaalde afgeleide producten die overeenkomstig de voorschriften van bepaalde andere wetgeving van de Unie in de handel gebracht mogen worden. Die wetgeving bevat ook voorwaarden voor de invoer, het verzamelen en het vervoer van dierlijke bijproducten en afgeleide producten voor de vervaardiging van dergelijke afgeleide producten. Verordening (EG) nr. 1069/2009 is echter van toepassing wanneer in die andere wetgeving van de Unie geen voorwaarden zijn vastgelegd in verband met de risico's voor de volksgezondheid en de diergezondheid die dergelijke grondstoffen kunnen opleveren. Aangezien dergelijke voorwaarden niet zijn vastgesteld voor materiaal dat bepaalde stadia van verwerking heeft ondergaan voordat het aan de voorwaarden van die andere wetgeving van de Unie voldeed om in de handel gebracht te worden, dienen zij in deze verordening te worden vastgesteld. Er dienen met name bepalingen voor de invoer en het hanteren van dergelijk materiaal binnen de Unie onder strikte controle, alsook documentatievereisten te worden vastgesteld, teneinde de overdracht van mogelijke gezondheidsrisico's van dergelijk materiaal te voorkomen.

(30)

In deze verordening moeten met name passende gezondheidsvoorwaarden worden vastgesteld voor materiaal dat gebruikt wordt voor de vervaardiging van geneesmiddelen voor menselijk gebruik overeenkomstig Richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik (22), van geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik overeenkomstig Richtlijn 2001/82/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik (23), van medische hulpmiddelen overeenkomstig Richtlijn 93/42/EEG van de Raad van 14 juni 1993 betreffende medische hulpmiddelen (24), van medische hulpmiddelen voor in-vitrodiagnostiek overeenkomstig Richtlijn 98/79/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 oktober 1998 betreffende medische hulpmiddelen voor in-vitrodiagnostiek (25), van actieve implanteerbare medische hulpmiddelen overeenkomstig Richtlijn 90/385/EEG van de Raad van 20 juni 1990 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten inzake actieve implanteerbare medische hulpmiddelen (26) en van laboratoriumreagentia („de eindproducten”). Indien de uit dergelijk materiaal voortvloeiende risico's beperkt worden door zuivering, concentratie in het product dan wel door de voorwaarden waaronder zij worden gehanteerd of verwijderd, dienen uitsluitend de traceerbaarheidsvereisten van Verordening (EG) nr. 1069/2009 en van deze verordening van toepassing te zijn. In dat geval dienen de vereisten inzake de scheiding van dierlijke bijproducten van verschillende categorieën in de inrichting of het bedrijf waar de eindproducten vervaardigd worden, niet van toepassing te zijn; het latere gebruik van het materiaal voor andere doeleinden, met name de verwerking ervan in levensmiddelen of diervoeder, kan immers worden uitgesloten door juiste toepassing van de voorschriften door de exploitant, onder de verantwoordelijkheid van de bevoegde autoriteit. Zendingen van dergelijk materiaal die in de Unie worden ingevoerd, moeten aan de grensinspectiepost van binnenkomst veterinaire controles ondergaan overeenkomstig Richtlijn 97/78/EG, om na te gaan of de producten daadwerkelijk aan de eisen voldoen om in de Unie in de handel te worden gebracht.

(31)

Krachtens Richtlijn 2009/156/EG van de Raad van 30 november 2009 tot vaststelling van veterinairrechtelijke voorschriften voor het verkeer van paardachtigen en de invoer van paardachtigen uit derde landen (27) geldt een kennisgevingsplicht voor bepaalde ziekten waarvoor paardachtigen vatbaar zijn. Bloedproducten van paardachtigen die bestemd zijn voor andere doeleinden dan voeder, zoals bloedproducten die bestemd zijn voor geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik, moeten afkomstig zijn van paardachtigen die geen klinische tekenen van die ziekten vertonen, teneinde het risico op overdracht van deze ziekten te beperken.

(32)

Het in de handel brengen van verse huiden voor andere doeleinden dan menselijke consumptie moet mogelijk zijn, op voorwaarde dat zij voldoen aan de diergezondheidsvoorwaarden voor vers vlees die zijn vastgesteld op grond van Richtlijn 2002/99/EG van de Raad van 16 december 2002 houdende vaststelling van veterinairrechtelijke voorschriften voor de productie, de verwerking, de distributie en het binnenbrengen van voor menselijke consumptie bestemde producten van dierlijke oorsprong (28), aangezien die voorwaarden de mogelijke risico's afdoende beperken.

(33)

De gezondheidsvoorschriften van deze verordening voor het vervaardigen en in de handel brengen van wildtrofeeën en andere dierpreparaten die de mogelijke risico's elimineren, moeten bovenop de regels voor de bescherming van bepaalde in het wild levende diersoorten komen die zijn vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad van 9 december 1996 inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer (29) omdat die verordening een andere doelstelling nastreeft. Anatomisch geprepareerde dieren of dierlijke bijproducten die een procedé als plastinatie hebben ondergaan dat de mogelijke risico's even goed wegneemt, hoeven niet aan veterinairrechtelijke beperkende maatregelen worden onderworpen teneinde het gebruik van dergelijke preparaten, met name in het onderwijs, te vergemakkelijken.

(34)

Bijproducten van bijenteelt die in de handel worden gebracht, moeten vrij zijn van bepaalde ziekten waarvoor bijen vatbaar zijn en die zijn opgenomen in Richtlijn 92/65/EEG van de Raad van 13 juli 1992 tot vaststelling van de veterinairrechtelijke voorschriften voor het handelsverkeer en de invoer in de Gemeenschap van dieren, sperma, eicellen en embryo's waarvoor ten aanzien van de veterinairrechtelijke voorschriften geen specifieke communautaire regelgeving als bedoeld in bijlage A, onder I, van Richtlijn 90/425/EEG geldt (30).

(35)

Het Europees Parlement en de Raad hebben de Commissie verzocht om voor oleochemische producten in de productieketen een eindpunt te bepalen waarna die producten niet meer aan Verordening (EG) nr. 1069/2009 hoeven te voldoen. De beslissing omtrent dat eindpunt moet worden genomen zodra een beoordeling beschikbaar is van de mate waarin de oleochemische procedés mogelijke gezondheidsrisico's die alle categorieën verwerkt dierlijk vet met zich mee kunnen brengen, weg kunnen nemen.

(36)

In deze verordening moet verwezen worden naar Verordening (EU) nr. 206/2010 van de Commissie van 12 maart 2010 tot vaststelling van lijsten van derde landen en gebieden, of delen daarvan, waaruit bepaalde dieren en vers vlees in de Europese Unie mogen worden binnengebracht, en van de voorschriften inzake veterinaire certificering (31), voor zover het toegestaan moet worden uit die derde landen en gebieden bepaalde dierlijke bijproducten en afgeleide producten in de Unie in te voeren, aangezien die producten dezelfde risico's inhouden als die welke kunnen voortvloeien uit de invoer van levende dieren of vers vlees.

(37)

Er moet ook verwezen worden naar andere lijsten van derde landen waaruit bepaald materiaal van dierlijke oorsprong mag worden ingevoerd om, op grond van soortgelijke overwegingen betreffende de gezondheidsrisico's en met het oog op de samenhang van de wetgeving van de Unie, te bepalen uit welke derde landen dierlijke bijproducten van de respectieve soorten mogen worden ingevoerd. Dergelijke lijsten zijn vastgesteld bij Beschikking 2004/211/EG van de Commissie van 6 januari 2004 tot vaststelling van de lijst van derde landen en delen van hun grondgebied waaruit de lidstaten de invoer toestaan van levende paardachtigen en sperma, eicellen en embryo's van paarden en tot wijziging van de Beschikkingen 93/195/EEG en 94/63/EG (32), Verordening (EU) nr. 605/2010 van de Commissie van 2 juli 2010 tot vaststelling van de volks- en diergezondheidsvoorwaarden en de veterinaire certificeringsvoorschriften voor het binnenbrengen in de Europese Unie van rauwe melk en zuivelproducten, bestemd voor menselijke consumptie (33), Beschikking 2006/766/EG van de Commissie van 6 november 2006 tot vaststelling van de lijsten van derde landen en gebieden waaruit tweekleppige weekdieren, stekelhuidigen, manteldieren, mariene buikpotigen en visserijproducten mogen worden ingevoerd (34), Verordening (EG) nr. 798/2008 van de Commissie van 8 augustus 2008 tot vaststelling van een lijst van derde landen, gebieden, zones of compartimenten waaruit pluimvee en pluimveeproducten mogen worden ingevoerd in en doorgevoerd door de Gemeenschap, en van de voorschriften inzake veterinaire certificering (35) en Verordening (EG) nr. 119/2009 van de Commissie van 9 februari 2009 tot vaststelling van een lijst van derde landen of delen daarvan voor de invoer in of de doorvoer door de Gemeenschap van vlees van wilde leporidae, bepaalde niet-gedomesticeerde landzoogdieren en gekweekte konijnen en tot vaststelling van de voorschriften inzake de veterinaire certificering (36).

(38)

Aangezien afvalstoffen van de fotografische industrie, die gebruikmaakt van bepaalde dierlijke bijproducten zoals de wervelkolom van runderen, niet alleen risico's inhouden voor de volksgezondheid en de diergezondheid, maar ook voor het milieu, moeten deze afvalstoffen worden verwijderd of overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen (37) naar het derde land van oorsprong van de dierlijke bijproducten worden uitgevoerd.

(39)

In de voorschriften voor de doorvoer van bepaalde dierlijke bijproducten en afgeleide producten door de Europese Unie tussen de verschillende delen van het grondgebied van de Russische Federatie moet verwezen worden naar de lijst van grensinspectieposten die is vastgesteld bij Beschikking 2009/821/EG van de Commissie van 28 september 2009 tot opstelling van een lijst van erkende grensinspectieposten, tot vaststelling van bepaalde voorschriften voor door veterinaire deskundigen van de Commissie uitgevoerde inspecties en tot vaststelling van de veterinaire eenheden in Traces (38). Voor een dergelijke doorvoer dient het Gemeenschappelijk veterinair document van binnenkomst te worden gebruikt, dat is vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 136/2004 van de Commissie van 22 januari 2004 tot vaststelling van procedures voor de veterinaire controles in de grensinspectieposten van de Gemeenschap bij het binnenbrengen van producten uit derde landen (39).

(40)

In deze verordening moet worden bepaald dat de gezondheidscertificaten waarvan zendingen van dierlijke bijproducten en afgeleide producten vergezeld moeten gaan op het punt waar deze producten de Unie binnenkomen en de veterinaire controles worden uitgevoerd, worden afgegeven op basis van certificeringsbeginselen van dezelfde strekking als die van Richtlijn 96/93/EG van de Raad van 17 december 1996 inzake de certificering van dieren en dierlijke producten (40).

(41)

Met het oog op de consistentie van de wetgeving van de Unie moeten de officiële controles in de hele keten van dierlijke bijproducten en afgeleide producten worden verricht overeenkomstig de algemene verplichtingen inzake officiële controles die zijn vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 882/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake officiële controles op de naleving van de wetgeving inzake diervoeders en levensmiddelen en de voorschriften inzake diergezondheid en dierenwelzijn (41).

(42)

In deze verordening moeten dan ook uitvoeringsmaatregelen voor de uitvoering van Verordening (EG) nr. 1069/2009 worden vastgesteld.

(43)

Verordening (EG) nr. 1774/2002 wordt met ingang van 4 maart 2011 ingetrokken door Verordening (EG) nr. 1069/2009.

(44)

Nadat Verordening (EG) nr. 1774/2002 was vastgesteld heeft de Commissie een aantal uitvoeringsbesluiten vastgesteld, namelijk Verordening (EG) nr. 811/2003 (42) betreffende het verbod op hergebruik binnen dezelfde soort voor vis en de begraving en verbranding van dierlijke bijproducten, Beschikking 2003/322/EG (43) betreffende het voederen van bepaalde aasetende vogels met bepaald categorie 1-materiaal, Beschikking 2003/324/EG (44) inzake een afwijking van het verbod op hergebruik binnen dezelfde soort voor pelsdieren, Verordening (EG) nr. 79/2005 (45) betreffende melk en melkproducten, Verordening (EG) nr. 92/2005 (46) betreffende methoden voor de verwijdering of het gebruik van dierlijke bijproducten, Verordening (EG) nr. 181/2006 (47) betreffende andere biologische meststoffen en bodemverbeteraars dan mest, Verordening (EG) nr. 1192/2006 (48) betreffende lijsten van erkende bedrijven en Verordening (EG) nr. 2007/2006 (49) betreffende de invoer en doorvoer van bepaalde tussenproducten die afgeleid zijn van categorie 3-materiaal.

(45)

Bovendien is een aantal overgangsmaatregelen vastgesteld, met name Verordening (EG) nr. 878/2004 van de Commissie (50) betreffende de invoer en hantering van bepaalde dierlijke bijproducten die als categorie 1- of categorie 2-materiaal zijn ingedeeld, Beschikking 2004/407/EG van de Commissie (51) betreffende de invoer van bepaalde stoffen voor de productie van fotografische gelatine en Verordening (EG) nr. 197/2006 van de Commissie (52) betreffende de hantering en de verwijdering van voormalige voedingsmiddelen, om voor bepaalde specifieke toepassingen van dierlijke bijproducten naargelang het risico maatregelen vast te stellen.

(46)

Om de voorschriften van de Unie voor dierlijke bijproducten nog verder te vereenvoudigen, zoals het voorzitterschap van de Raad bij de vaststelling van Verordening (EG) nr. 1069/2009 had gevraagd, zijn die uitvoerings- en overgangsmaatregelen herzien. Zij moeten nu worden ingetrokken en voor zover nodig door deze verordening worden vervangen, om zo een samenhangend wettelijk kader voor dierlijke bijproducten en afgeleide producten te verkrijgen.

(47)

Verordening (EG) nr. 1069/2009 is met ingang van 4 maart 2011 van toepassing en daarom moet deze verordening vanaf diezelfde datum van toepassing zijn. Bovendien moet een overgangsperiode worden vastgesteld om de belanghebbenden de kans te geven zich aan de nieuwe voorschriften van deze verordening aan te passen en bepaalde producten in de handel te brengen die zijn geproduceerd overeenkomstig de gezondheidsvoorschriften van de Unie die vóór de inwerkingtreding van deze verordening van toepassing waren, en om de continuïteit van de invoer te waarborgen wanneer de in deze verordening vastgestelde vereisten van toepassing worden.

(48)

Het in de handel brengen en de uitvoer van bepaalde in Verordening (EG) nr. 878/2004 opgenomen producten moeten overeenkomstig de nationale regelgeving blijven plaatsvinden; gezien de risico's van de beperkte hoeveelheid materiaal waar het om gaat, kan dit in afwachting van een eventuele harmonisering namelijk nog op nationaal niveau worden geregeld. In afwachting van de goedkeuring van maatregelen voor het verzamelen en verwijderen van bepaalde beperkte hoeveelheden producten van dierlijke oorsprong uit de detailhandel op basis van aanvullende bewijsstukken, moet de bevoegde autoriteit het verzamelen en verwijderen van dergelijke producten op een andere wijze kunnen blijven toestaan, op voorwaarde dat de volksgezondheid en diergezondheid in dezelfde mate gewaarborgd worden.

(49)

Overeenkomstig het verzoek van het Europees Parlement bij het akkoord over Verordening (EG) nr. 1069/2009 in eerste lezing en gelet op de meer specifieke suggesties van het Parlement om bepaalde technische problemen aan te pakken, werd op 27 september 2010 een ontwerp van deze verordening ter discussie aan de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid van het Parlement voorgelegd.

(50)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

Onderwerp en toepassingsgebied

Deze verordening bevat uitvoeringsmaatregelen:

a)

voor de volksgezondheidsvoorschriften en veterinairrechtelijke voorschriften voor dierlijke bijproducten en afgeleide producten van Verordening (EG) nr. 1069/2009;

b)

betreffende bepaalde monsters en producten die overeenkomstig artikel 16, lid 1, onder e) en f), van Richtlijn 97/78/EG van veterinaire controles in grensinspectieposten zijn vrijgesteld.

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze verordening gelden de definities in bijlage I.

Artikel 3

Eindpunt in de productieketen van bepaalde afgeleide producten

Overeenkomstig artikel 5, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1069/2009 mogen de volgende afgeleide producten, voor zover zij niet zijn ingevoerd, zonder beperkingen in de handel gebracht worden.

a)

biodiesel die aan de eisen voor de verwijdering en het gebruik van afgeleide producten in bijlage IV, hoofdstuk IV, afdeling 3, punt 2, onder b), voldoet;

b)

verwerkt voeder voor gezelschapsdieren dat aan de eisen inzake verwerkt voeder voor gezelschapsdieren in bijlage XIII, hoofdstuk II, punt 7, onder a), voldoet;

c)

hondenkluiven die aan de specifieke eisen voor hondenkluiven in bijlage XIII, hoofdstuk II, punt 7, onder b), voldoen;

d)

huiden van hoefdieren die aan de specifieke eisen voor het eindpunt voor die producten in bijlage XIII, hoofdstuk V, onder C, voldoen;

e)

wol en haar die aan de specifieke eisen voor het eindpunt voor die producten in bijlage XIII, hoofdstuk VII, onder B, voldoen;

f)

veren en dons die aan de specifieke eisen voor het eindpunt voor die producten in bijlage XIII, hoofdstuk VII, onder C, voldoen;

g)

bont dat aan de voorwaarden in bijlage XIII, hoofdstuk VIII, voldoet.

Artikel 4

Ernstige overdraagbare ziekten

De door de OIE in artikel 1.2.3 van de Terrestrial Animal Health Code, uitgave 2010, en hoofdstuk 1.3 van de Aquatic Animal Health Code, uitgave 2010, genoemde ziekten worden voor de toepassing van de algemene veterinairrechtelijke beperkende maatregelen, als bepaald in artikel 6, lid 1, onder b) ii), van Verordening (EG) nr. 1069/2009, als ernstige overdraagbare ziekten beschouwd.

HOOFDSTUK II

VERWIJDERING EN GEBRUIK VAN DIERLIJKE BIJPRODUCTEN EN AFGELEIDE PRODUCTEN

Artikel 5

Beperkingen op het gebruik van dierlijke bijproducten en afgeleide producten

1.   Exploitanten uit de in bijlage II, hoofdstuk I, genoemde lidstaten houden zich aan de in dat hoofdstuk vastgestelde voorschriften betreffende het voederen van pelsdieren met bepaalde producten die zijn afgeleid van kadavers of delen van dieren van dezelfde soort.

2.   Exploitanten houden zich aan de in bijlage II, hoofdstuk II, vastgestelde beperkingen betreffende het voederen van landbouwhuisdieren met groenvoer afkomstig van land waarop bepaalde organische meststoffen of bodemverbeteraars zijn gebruikt.

Artikel 6

Verwijdering door verbranding of meeverbranding

1.   De bevoegde autoriteit zorgt ervoor dat verbranding en meeverbranding van dierlijke bijproducten en afgeleide producten uitsluitend plaatsvinden:

a)

in verbrandings- en meeverbrandingsinstallaties waaraan overeenkomstig Richtlijn 2000/76/EG een exploitatievergunning is verleend, of

b)

in geval van bedrijven die overeenkomstig Richtlijn 2000/76/EG geen exploitatievergunning nodig hebben, in bedrijven die door de bevoegde autoriteit erkend zijn om dierlijke bijproducten of afgeleide producten door verbranding te verwijderen of, als het om afval gaat, door meeverbranding te verwijderen of te hergebruiken, overeenkomstig artikel 24, lid 1, onder b) of c), van Verordening (EG) nr. 1069/2009.

2.   De bevoegde autoriteit erkent de in lid 1, onder b), bedoelde verbrandings- en meeverbrandingsinstallaties overeenkomstig artikel 24, lid 1, onder b) en c), van Verordening (EG) nr. 1069/2009 alleen als zij voldoen aan de eisen van bijlage III bij deze verordening.

3.   Exploitanten van verbrandings- en meeverbrandingsinstallaties leven de algemene eisen inzake verbranding en meeverbranding in bijlage III, hoofdstuk I, na.

4.   Exploitanten van verbrandings- en meeverbrandingsinstallaties met een hoge capaciteit leven de eisen van bijlage III, hoofdstuk II, na.

5.   Exploitanten van verbrandings- en meeverbrandingsinstallaties met een lage capaciteit leven de eisen van bijlage III, hoofdstuk III, na.

Artikel 7

Overbrenging van bepaald categorie 1- en categorie 3-materiaal naar stortplaatsen

In afwijking van artikel 12 en artikel 14, onder c), van Verordening (EG) nr. 1069/2009 kan de bevoegde autoriteit toestemming geven voor de verwijdering van het volgende categorie 1- en categorie 3-materiaal door overbrenging naar een toegelaten stortplaats:

a)

ingevoerd voeder voor gezelschapsdieren of voeder voor gezelschapsdieren dat is vervaardigd uit geïmporteerd materiaal, afkomstig van categorie 1-materiaal als bedoeld in artikel 8, onder c), van Verordening (EG) nr. 1069/2009;

b)

categorie 3-materiaal als bedoeld in artikel 10, onder f) en g), van Verordening (EG) nr. 1069/2009, op voorwaarde dat:

i)

dergelijk materiaal niet in contact is geweest met dierlijke bijproducten als bedoeld in de artikelen 8 en 9 en artikel 10, onder a) tot en met e), en onder h) tot en met p), van die verordening;

ii)

op het moment waarop het bestemd is voor verwijdering:

het in artikel 10, onder f), van die verordening genoemde materiaal verwerkt is in de zin van artikel 2, lid 1, onder m), van Verordening (EG) nr. 852/2004, en

het in artikel 10, onder g), van die verordening genoemde materiaal verwerkt is overeenkomstig bijlage X, hoofdstuk II, bij deze verordening of overeenkomstig de specifieke eisen inzake voeder voor gezelschapsdieren in bijlage XIII, hoofdstuk II, bij deze verordening, en

iii)

de verwijdering van dergelijk materiaal geen gevaar oplevert voor de volksgezondheid of de diergezondheid.

Artikel 8

Eisen voor verwerkingsbedrijven en andere inrichtingen

1.   Exploitanten zien erop toe dat verwerkingsbedrijven en andere inrichtingen onder hun controle de volgende in bijlage IV, hoofdstuk I, vastgestelde eisen naleven:

a)

de algemene voorschriften inzake verwerking in afdeling 1;

b)

de eisen inzake de behandeling van afvalwater in afdeling 2;

c)

de specifieke eisen voor de verwerking van categorie 1- en categorie 2-materiaal in afdeling 3;

d)

de specifieke eisen voor de verwerking van categorie 3-materiaal in afdeling 4.

2.   De bevoegde autoriteit erkent verwerkingsbedrijven en andere inrichtingen alleen als zij voldoen aan de voorwaarden van bijlage IV, hoofdstuk I.

Artikel 9

Eisen inzake hygiëne en verwerking voor verwerkingsbedrijven en andere inrichtingen

Exploitanten zien erop toe dat inrichtingen en bedrijven onder hun controle de volgende in bijlage IV vastgestelde eisen naleven:

a)

de eisen inzake hygiëne en verwerking in hoofdstuk II;

b)

de standaardverwerkingsmethoden als beschreven in hoofdstuk III, indien dergelijke methoden in de inrichting of het bedrijf toegepast worden;

c)

de alternatieve verwerkingsmethoden als beschreven in hoofdstuk IV, indien dergelijke methoden in de inrichting of het bedrijf toegepast worden.

Artikel 10

Eisen inzake de omzetting van dierlijke bijproducten en afgeleide producten in biogas en compost

1.   Exploitanten zien erop toe dat inrichtingen en bedrijven onder hun controle de volgende in bijlage V vastgestelde eisen voor de omzetting van dierlijke bijproducten en afgeleide producten in biogas en compost naleven:

a)

de eisen voor biogas- en composteerinstallaties in hoofdstuk I;

b)

de eisen inzake hygiëne voor biogas- en composteerinstallaties in hoofdstuk II;

c)

de standaardomzettingsparameters in hoofdstuk III, afdeling 1;

d)

de normen voor gistingsresiduen en compost in hoofdstuk III, afdeling 3;

2.   De bevoegde autoriteit erkent biogas- en composteerinstallaties alleen als zij voldoen aan de eisen van bijlage V.

3.   De bevoegde autoriteit mag toestaan dat alternatieve omzettingsparameters voor biogas- en composteerinstallaties worden gebruikt, mits de eisen van bijlage V, hoofdstuk III, afdeling 2, in acht worden genomen.

HOOFDSTUK III

AFWIJKINGEN VAN BEPAALDE VOORSCHRIFTEN VAN VERORDENING (EG) Nr. 1069/2009

Artikel 11

Bijzondere voorschriften inzake voor onderzoek en diagnose bestemde monsters

1.   De bevoegde autoriteit mag toestemming geven voor het vervoer, het gebruik en de verwijdering van voor diagnose en onderzoek bestemde monsters onder voorwaarden die garanderen dat de risico's voor de volksgezondheid en de diergezondheid onder controle blijven.

De bevoegde autoriteit ziet er met name op toe dat exploitanten de in bijlage VI, hoofdstuk I, vastgestelde eisen naleven.

2.   De exploitanten nemen de bijzondere voorschriften inzake voor onderzoek en diagnose bestemde monsters in bijlage VI, hoofdstuk I, in acht.

3.   Exploitanten mogen voor diagnose en onderzoek bestemde monsters, bestaande uit de volgende dierlijke bijproducten en afgeleide producten, naar een andere lidstaat zenden zonder de bevoegde autoriteit van de lidstaat van oorsprong overeenkomstig artikel 48, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1069/2009 op de hoogte te brengen en zonder dat de bevoegde autoriteit van de lidstaat van bestemming via het Traces-systeem in kennis gesteld wordt van de zending en die aanvaardt overeenkomstig artikel 48, leden 1 en 3, van die verordening:

a)

categorie 1- en categorie 2-materiaal en vleesbeendermeel of dierlijk vet dat afgeleid is van categorie 1- en categorie 2-materiaal;

b)

verwerkte dierlijke eiwitten.

Artikel 12

Bijzondere voorschriften inzake handelsmonsters en demonstratiemateriaal

1.   De bevoegde autoriteit mag toestemming geven voor het vervoer, het gebruik en de verwijdering van handelsmonsters en demonstratiemateriaal onder voorwaarden die garanderen dat de risico's voor de volksgezondheid en de diergezondheid onder controle blijven.

De bevoegde autoriteit ziet er met name op toe dat exploitanten de in bijlage VI, hoofdstuk I, afdeling 1, punten 2, 3 en 4, vastgestelde eisen naleven.

2.   De exploitanten nemen de bijzondere voorschriften inzake handelsmonsters en demonstratiemateriaal in bijlage VI, hoofdstuk I, afdeling 2, in acht.

3.   Exploitanten mogen handelsmonsters, bestaande uit de volgende dierlijke bijproducten en afgeleide producten, naar een andere lidstaat zenden zonder de bevoegde autoriteit van de lidstaat van oorsprong overeenkomstig artikel 48, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1069/2009 op de hoogte te brengen en zonder dat de bevoegde autoriteit van de lidstaat van bestemming via het Traces-systeem in kennis gesteld wordt van de zending en die aanvaardt overeenkomstig artikel 48, leden 1 en 3, van die verordening:

a)

categorie 1- en categorie 2-materiaal en vleesbeendermeel of dierlijk vet dat afgeleid is van categorie 1- en categorie 2-materiaal;

b)

verwerkte dierlijke eiwitten.

Artikel 13

Bijzondere vervoederingsvoorschriften

1.   Exploitanten mogen de volgende dieren voederen met categorie 2-materiaal, op voorwaarde dat het afkomstig is van dieren die niet zijn gedood of gestorven als gevolg van de aanwezigheid of vermoede aanwezigheid van een op mens of dier overdraagbare ziekte, met inachtneming van de algemene eisen van bijlage VI, hoofdstuk II, afdeling 1, en alle andere voorwaarden die eventueel door de bevoegde autoriteit worden opgelegd:

a)

dierentuindieren;

b)

pelsdieren;

c)

honden in erkende kennels of meutes;

d)

honden en katten in asielen;

e)

maden en wormen die als visaas worden gebruikt.

2.   Exploitanten mogen de volgende dieren voederen met categorie 3-materiaal, met inachtneming van de algemene eisen van bijlage VI, hoofdstuk II, afdeling 1, en alle andere voorwaarden die eventueel door de bevoegde autoriteit worden opgelegd:

a)

dierentuindieren;

b)

pelsdieren;

c)

honden in erkende kennels of meutes;

d)

honden en katten in asielen;

e)

maden en wormen die als visaas worden gebruikt.

Artikel 14

Voederen van bepaalde diersoorten in en buiten voederstations en in dierentuinen

1.   De bevoegde autoriteit mag toestaan dat categorie 1-materiaal bestaande uit hele kadavers of delen van kadavers van dieren die gespecificeerd risicomateriaal bevatten, vervoederd wordt:

a)

in voederstations, aan met uitsterven bedreigde of beschermde aasetende vogelsoorten en andere soorten die in hun natuurlijke habitat leven, om de biodiversiteit te bevorderen, mits de in bijlage VI, hoofdstuk II, afdeling 2, vastgestelde voorwaarden in acht worden genomen;

b)

buiten voederstations, eventueel zonder dat de dode dieren eerst worden verzameld, als voeder voor de in bijlage VI, hoofdstuk II, afdeling 2, punt 1, onder a), bedoelde wilde dieren, mits de in afdeling 3 van dat hoofdstuk vastgestelde voorwaarden in acht worden genomen.

2.   De bevoegde autoriteit mag toestaan dat categorie 1-materiaal bestaande uit hele kadavers of delen van dieren die gespecificeerd risicomateriaal bevatten, alsook materiaal afkomstig van dierentuindieren aan dierentuindieren worden vervoederd, mits de voorwaarden van bijlage VI, hoofdstuk II, afdeling 4, in acht worden genomen.

Artikel 15

Bijzondere voorschriften inzake verzameling en verwijdering

Indien de bevoegde autoriteit toestaat dat dierlijke bijproducten worden verwijderd overeenkomstig artikel 19, lid 1, onder a), b), c) en e), van Verordening (EG) nr. 1069/2009, vindt die verwijdering plaats met inachtneming van de volgende bijzondere voorschriften van bijlage VI, hoofdstuk III:

a)

de bijzondere voorschriften voor de verwijdering van dierlijke bijproducten van afdeling 1;

b)

de voorschriften voor de verbranding en begraving van dierlijke bijproducten in afgelegen gebieden van afdeling 2;

c)

de voorschriften voor de verbranding en begraving van bijen en bijproducten van bijenteelt van afdeling 3;

HOOFDSTUK IV

TOELATING VAN ALTERNATIEVE METHODEN

Artikel 16

Standaardformaat voor aanvragen om toelating van alternatieve methoden

1.   Aanvragen om toelating van alternatieve methoden voor het gebruik of de verwijdering van dierlijke bijproducten of afgeleide producten, als bedoeld in artikel 20, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1069/2009, worden door de lidstaten of door betrokken partijen ingediend overeenkomstig het in bijlage VII vastgestelde standaardformaat.

2.   De lidstaten wijzen nationale contactpunten aan met het oog op de verstrekking van informatie over de bevoegde autoriteit die de aanvragen om toelating van alternatieve methoden voor het gebruik of de verwijdering van dierlijke bijproducten beoordeelt.

3.   De Commissie maakt een lijst van nationale contactpunten op haar website bekend.

HOOFDSTUK V

VERZAMELING, VERVOER, IDENTIFICATIE EN TRACEERBAARHEID

Artikel 17

Eisen inzake handelsdocumenten en gezondheidscertificaten, identificatie, verzameling en vervoer van dierlijke bijproducten en traceerbaarheid

1.   Exploitanten zien erop toe dat dierlijke bijproducten en afgeleide producten:

a)

voldoen aan de eisen inzake verzameling, vervoer en identificatie van bijlage VIII, hoofdstukken I en II;

b)

tijdens het vervoer vergezeld gaan van handelsdocumenten of gezondheidscertificaten overeenkomstig de eisen van bijlage VIII, hoofdstuk III.

2.   Exploitanten die dierlijke bijproducten of afgeleide producten verzenden, vervoeren of ontvangen, houden een administratie van die zendingen bij en bewaren de desbetreffende handelsdocumenten of gezondheidscertificaten overeenkomstig de eisen van bijlage VIII, hoofdstuk IV.

3.   Exploitanten houden zich aan de voorschriften voor het merken van bepaalde afgeleide producten van bijlage VIII, hoofdstuk V.

HOOFDSTUK VI

REGISTRATIE EN ERKENNING VAN INRICHTINGEN EN BEDRIJVEN

Artikel 18

Eisen betreffende de erkenning van een of meerdere inrichtingen en bedrijven die op dezelfde locatie dierlijke bijproducten hanteren

De bevoegde autoriteit mag erkenning verlenen aan meerdere inrichtingen of bedrijven die op eenzelfde locatie dierlijke bijproducten hanteren, mits de risico's voor de volksgezondheid en de diergezondheid onmogelijk tussen de bedrijven kunnen worden overgedragen door hun ligging en de wijze waarop de dierlijke bijproducten en afgeleide producten in de betrokken inrichtingen of bedrijven gehanteerd worden.

Artikel 19

Eisen inzake bepaalde erkende inrichtingen en bedrijven waar dierlijke bijproducten en afgeleide producten gehanteerd worden

Exploitanten zien erop toe dat de door de bevoegde autoriteit erkende inrichtingen en bedrijven onder hun controle de eisen in de volgende hoofdstukken van bijlage IX bij deze verordening naleven wanneer zij een of meer van de volgende in artikel 24, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1069/2009 bedoelde activiteiten verrichten:

a)

hoofdstuk I, wanneer zij voeder voor gezelschapsdieren vervaardigen als bedoeld in artikel 24, lid 1, onder e), van die verordening;

b)

hoofdstuk II, wanneer zij dierlijke bijproducten opslaan als bedoeld in artikel 24, lid 1, onder i), van die verordening en wanneer zij dierlijke bijproducten na het verzamelen ervan hanteren met de volgende in artikel 24, lid 1, onder h) genoemde handelingen:

i)

sorteren;

ii)

snijden;

iii)

koelen;

iv)

invriezen;

v)

zouten;

vi)

conserveren met andere procedés;

vii)

verwijderen van huiden of verwijderen van specifiek risicomateriaal;

viii)

handelingen waarbij dierlijke bijproducten worden gehanteerd en die verricht worden in overeenstemming met de voorschriften van de veterinaire wetgeving van de Unie;

ix)

ontsmetting/pasteurisatie van dierlijke bijproducten die bestemd zijn voor omzetting in biogas of compost, voordat een dergelijke omzetting of compostering in een andere inrichting of een ander bedrijf plaatsvindt overeenkomstig bijlage V;

x)

zeven;

c)

hoofdstuk III, wanneer zij afgeleide producten opslaan voor bepaalde voorgenomen doeleinden als bedoeld in artikel 24, lid 1, onder j) van die verordening.

Artikel 20

Eisen inzake bepaalde geregistreerde inrichtingen en bedrijven waar dierlijke bijproducten en afgeleide producten gehanteerd worden

1.   Exploitanten van geregistreerde bedrijven of inrichtingen of andere geregistreerde exploitanten hanteren dierlijke bijproducten en afgeleide producten overeenkomstig de in bijlage IX, hoofdstuk IV, vastgestelde voorwaarden.

2.   Geregistreerde exploitanten die dierlijke bijproducten of afgeleide producten vervoeren, nemen met name de in bijlage IX, hoofdstuk IV, punt 2, vastgestelde voorschriften in acht, tenzij het gaat om vervoer tussen bedrijfsruimten van dezelfde exploitant.

3.   De leden 1 en 2 zijn niet van toepassing op:

a)

erkende exploitanten voor wie het vervoer van dierlijke bijproducten of afgeleide producten een nevenactiviteit vormt;

b)

exploitanten die geregistreerd zijn voor vervoersactiviteiten overeenkomstig Verordening (EG) nr. 183/2005.

4.   De bevoegde autoriteit mag de volgende exploitanten vrijstellen van de kennisgevingsplicht van artikel 23, lid 1, onder a), van Verordening (EG) nr. 1069/2009:

a)

exploitanten die jachttrofeeën of andere preparaten als bedoeld in bijlage XIII, hoofdstuk VI, voor niet-commerciële of privédoeleinden hanteren of vervaardigen;

b)

exploitanten die voor onderzoek en diagnose bestemde monsters voor educatieve doeleinden hanteren of verwijderen.

HOOFDSTUK VII

IN DE HANDEL BRENGEN

Artikel 21

Verwerking en in de handel brengen van dierlijke bijproducten en afgeleide producten voor vervoedering aan landbouwhuisdieren met uitzondering van pelsdieren

1.   Exploitanten nemen de volgende eisen in acht inzake het in de handel brengen, met uitzondering van invoer, van dierlijke bijproducten en afgeleide producten die bestemd zijn voor vervoedering aan landbouwhuisdieren met uitzondering van pelsdieren, overeenkomstig artikel 31, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1069/2009, als vastgesteld in bijlage X bij deze verordening.

a)

de algemene eisen inzake verwerking en het in de handel brengen van hoofdstuk I;

b)

de specifieke eisen voor verwerkte dierlijke eiwitten en andere afgeleide producten van hoofdstuk II;

c)

de eisen voor bepaald visvoeder en visaas in hoofdstuk III.

2.   De bevoegde autoriteit mag toestemming verlenen voor het in de handel brengen, met uitzondering van invoer, van melk, melkproducten en melkderivaten die overeenkomstig artikel 10, onder e), f) en h), van Verordening (EG) nr. 1069/2009 als categorie 3-materiaal zijn ingedeeld en die niet verwerkt zijn overeenkomstig de algemene eisen van bijlage X, hoofdstuk II, afdeling 4, deel I, bij deze verordening, mits dat materiaal voldoet aan de eisen voor de afwijking betreffende het in de handel brengen van melk die verwerkt is overeenkomstig nationale normen zoals vermeld in deel II van die afdeling.

Artikel 22

In de handel brengen en gebruik van organische meststoffen en bodemverbeteraars

1.   Exploitanten houden zich aan de eisen voor het in de handel brengen, met uitzondering van invoer, van organische meststoffen en bodemverbeteraars en het gebruik van dergelijke producten, met name het gebruik ervan op het land, overeenkomstig artikel 15, lid 1, onder i), en artikel 32, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1069/2009, als vastgesteld in bijlage XI bij deze verordening.

2.   Er gelden geen diergezondheidsvoorwaarden voor het in de handel brengen, met inbegrip van invoer, van guano van wilde zeevogels.

3.   De bevoegde autoriteit van de lidstaat waar een organische meststof of bodemverbeteraar, die geproduceerd is op basis van vleesbeendermeel dat afgeleid is van categorie 2-materiaal of van verwerkte dierlijke eiwitten en die bestemd is om op het land te worden uitgereden, staat een of meer stoffen toe die met dat materiaal moeten worden vermengd, overeenkomstig artikel 32, lid 1, onder d), van Verordening (EG) nr. 1069/2009, op grond van de criteria die zijn vastgesteld in bijlage XI, hoofdstuk II, afdeling 1, punt 3, bij deze verordening.

4.   In afwijking van artikel 48, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1069/2009 mogen de bevoegde autoriteiten van een lidstaat van oorsprong en een lidstaat van bestemming met een gemeenschappelijke grens de verzending van mest toestaan tussen agrarische bedrijven in grensgebieden van die twee lidstaten overeenkomstig in een bilaterale overeenkomst vastgelegde passende voorwaarden ter beheersing van eventuele risico's voor de volksgezondheid en de diergezondheid, zoals verplichtingen voor de betrokken exploitanten om een adequate administratie bij te houden.

5.   Overeenkomstig artikel 30, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1069/2009 bevorderen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, indien nodig, de ontwikkeling, de verspreiding en het gebruik van nationale gidsen voor goede landbouwpraktijken voor de toepassing van organische meststoffen en bodemverbeteraars op het land.

Artikel 23

Tussenproducten

1.   Tussenproducten die in de Unie worden ingevoerd of door de Unie worden doorgevoerd, voldoen aan de voorwaarden ter beheersing van eventuele risico's voor de volksgezondheid en de diergezondheid in bijlage XII.

2.   Tussenproducten die vervoerd zijn naar een in bijlage XII, punt 3, bedoelde inrichting of bedoeld bedrijf mogen gehanteerd worden zonder verdere beperkingen krachtens Verordening (EG) nr. 1069/2009 of krachtens deze verordening, op voorwaarde dat:

a)

de inrichting of het bedrijf adequate voorzieningen heeft voor de ontvangst van de tussenproducten, die de overdracht van op mens of dier overdraagbare ziekten voorkomen;

b)

de tussenproducten geen risico vormen voor de overdracht van op mens of dier overdraagbare ziekten, omdat zij zijn gezuiverd of omdat de dierlijke bijproducten in de tussenproducten andere behandelingen hebben ondergaan, vanwege de concentratie van dierlijke bijproducten in het tussenproduct of vanwege passende maatregelen op het gebied van de bioveiligheid voor de hantering van de tussenproducten;

c)

de inrichting of het bedrijf een administratie bijhoudt van de hoeveelheid ontvangen materiaal, de categorie van het materiaal, indien van toepassing, en de inrichting, het bedrijf of de exploitant aan wie zij hun producten geleverd hebben, en

d)

ongebruikte tussenproducten of andere overschotten van de inrichting of het bedrijf, zoals vervallen producten, worden verwijderd overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1069/2009.

3.   De exploitant of eigenaar van de inrichting of het bedrijf van bestemming van tussenproducten of zijn vertegenwoordiger gebruikt en/of verzendt de tussenproducten uitsluitend voor verdere menging, coating, assemblage, verpakking of etikettering.

Artikel 24

Voeder voor gezelschapsdieren en andere afgeleide producten

1.   Het in artikel 8, onder a), b), d) en e), van Verordening (EG) nr. 1069/2009 genoemde categorie 1-materiaal mag niet gebruikt worden voor de vervaardiging van afgeleide producten die bestemd zijn om door mensen of dieren geconsumeerd of op hen toegepast te worden, afgezien van de in de artikelen 33 en 36 van die verordening bedoelde afgeleide producten.

2.   Wanneer een dierlijk bijproduct of een afgeleid product gebruikt kan worden voor vervoedering aan landbouwhuisdieren of voor andere in artikel 36, onder a), van Verordening (EG) nr. 1069/2009 genoemde doeleinden, wordt het dierlijke bijproduct of het afgeleide product in de handel gebracht, met uitzondering van invoer, overeenkomstig de specifieke eisen voor verwerkte dierlijke eiwitten van bijlage X, hoofdstuk II, bij deze verordening, mits bijlage XIII bij deze verordening geen specifieke eisen aan dergelijke producten stelt.

3.   Exploitanten houden zich aan de eisen inzake het in de handel brengen, met uitzondering van invoer, van voeder voor gezelschapsdieren, als bedoeld in artikel 40 van Verordening (EG) nr. 1069/2009, die in bijlage XIII, hoofdstukken I en II, bij deze verordening zijn vastgesteld.

4.   Exploitanten houden zich aan de eisen inzake het in de handel brengen, met uitzondering van invoer, van afgeleide producten, als bedoeld in artikel 40 van Verordening (EG) nr. 1069/2009, die in bijlage XIII, hoofdstuk I en de hoofdstukken III tot en met XII, bij deze verordening zijn vastgesteld.

HOOFDSTUK VIII

INVOER, DOORVOER EN UITVOER

Artikel 25

Invoer, doorvoer en uitvoer van dierlijke bijproducten en afgeleide producten

1.   Het invoeren in en doorvoeren door de Unie van de volgende dierlijke bijproducten is verboden:

a)

niet-verwerkte mest;

b)

onbehandelde veren en delen van veren en onbehandeld dons;

c)

bijenwas in de vorm van honingraat.

2.   Voor het invoeren in en doorvoeren door de Unie van de volgende producten gelden geen veterinairrechtelijke voorschriften:

a)

wol die en haar dat machinaal gewassen is of met een ander procedé is behandeld zodat er geen onaanvaardbare risico's meer aanwezig zijn;

b)

bont dat gedurende minimaal twee dagen gedroogd is bij een omgevingstemperatuur van 18 °C en een vochtigheid van 55 %.

3.   Exploitanten nemen de volgende specifieke eisen in acht inzake de invoer in en doorvoer door de Unie van bepaalde dierlijke bijproducten en afgeleide producten, als bedoeld in artikel 41, lid 3, en artikel 42 van Verordening (EG) nr. 1069/2009, die zijn opgenomen in bijlage XIV:

a)

de specifieke eisen inzake het invoeren en het doorvoeren van categorie 3-materiaal en afgeleide producten voor een ander gebruik in de voederketen dan als voeder voor gezelschapsdieren of pelsdieren, vermeld in hoofdstuk I van die bijlage;

b)

de specifieke eisen inzake het invoeren en het doorvoeren van dierlijke bijproducten en afgeleide producten voor gebruik buiten de voederketen van landbouwhuisdieren, vermeld in hoofdstuk II van die bijlage;

Artikel 26

In de handel brengen, met inbegrip van invoer, en uitvoer van bepaald categorie 1-materiaal

De bevoegde autoriteit mag toestemming verlenen voor het in de handel brengen, met inbegrip van de invoer, en de uitvoer van huiden van dieren die een illegale behandeling hebben ondergaan als gedefinieerd in artikel 1, lid 2, onder d), van Richtlijn 96/22/EG of artikel 2, onder b), van Richtlijn 96/23/EG, van ingewanden van herkauwers met of zonder inhoud en van beenderen en beenderproducten die wervelkolom en schedel bevatten, mits aan de volgende eisen wordt voldaan:

a)

het gaat niet om categorie 1-materiaal dat afkomstig is van de volgende dieren:

i)

dieren die verdacht worden van besmetting met een TSE overeenkomstig Verordening (EG) nr. 999/2001;

ii)

dieren waarvan officieel bevestigd is dat zij met een TSE besmet waren;

iii)

dieren die in het kader van TSE-uitroeiingsmaatregelen zijn gedood;

b)

het materiaal is niet bestemd voor de volgende toepassingen:

i)

vervoedering;

ii)

gebruik op land dat bestemd is voor de vervoedering van landbouwhuisdieren;

iii)

de vervaardiging van:

cosmetische producten als gedefinieerd in artikel 1, lid 1, van Richtlijn 76/768/EEG;

actieve implanteerbare medische hulpmiddelen als gedefinieerd in artikel 1, lid 2, onder c), van Richtlijn 90/385/EEG;

medische hulpmiddelen als gedefinieerd in artikel 1, lid 2, onder a), van Richtlijn 93/42/EEG;

medische hulpmiddelen voor in-vitrodiagnostiek als gedefinieerd in artikel 1, lid 2, onder b), van Richtlijn 98/79/EG;

geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik als gedefinieerd in artikel 1, punt 2, van Richtlijn 2001/82/EG;

geneesmiddelen als gedefinieerd in artikel 1, punt 2, van Richtlijn 2001/83/EG.

c)

het materiaal wordt met een etiket en overeenkomstig de specifieke eisen voor bepaalde verplaatsingen van dierlijke bijproducten in bijlage XIV, hoofdstuk IV, afdeling 1, bij deze verordening ingevoerd;

d)

het materiaal wordt overeenkomstig de nationale voorschriften inzake gezondheidscertificering ingevoerd.

Artikel 27

Invoer en doorvoer van voor onderzoek en diagnose bestemde monsters

1.   De bevoegde autoriteit mag toestemming geven voor de invoer en de doorvoer van voor onderzoek en diagnose bestemde monsters, die afgeleide producten of dierlijke bijproducten, waaronder de in artikel 25, lid 1, bedoelde, bevatten, onder voorwaarden die ervoor zorgen dat de risico's voor de volksgezondheid en de diergezondheid onder controle blijven.

Die voorwaarden omvatten ten minste het volgende:

a)

de bevoegde autoriteit van de lidstaat van bestemming heeft vooraf toestemming gegeven om de zending binnen te brengen, en

b)

de zending wordt rechtstreeks van het punt van binnenkomst in de Unie naar de geautoriseerde gebruiker gezonden.

2.   Exploitanten bieden voor onderzoek en diagnose bestemde monsters die bedoeld zijn om via een andere lidstaat dan de lidstaat van bestemming te worden ingevoerd, aan een in bijlage I bij Beschikking 2009/821/EG opgenomen erkende grensinspectiepost van de Unie aan. Overeenkomstig hoofdstuk I van Richtlijn 97/78/EG zijn de veterinaire controles aan de grensinspectiepost niet van toepassing op deze voor onderzoek en diagnose bestemde monsters. De bevoegde autoriteit van de grensinspectiepost stelt de bevoegde autoriteit van de lidstaat van bestemming via het Traces-systeem in kennis van de binnenkomst van de voor onderzoek en diagnose bestemde monsters.

3.   Exploitanten die voor onderzoek en diagnose bestemde monsters hanteren, nemen de in bijlage XIV, hoofdstuk III, afdeling 1, bij deze verordening vastgestelde bijzondere eisen voor de verwijdering van voor onderzoek en diagnose bestemde monsters in acht.

Artikel 28

Invoer en doorvoer van handelsmonsters en demonstratiemateriaal

1.   De bevoegde autoriteit mag toestemming verlenen voor de invoer en de doorvoer van handelsmonsters overeenkomstig de in bijlage XIV, hoofdstuk III, afdeling 2, punt 1, opgenomen bijzondere voorschriften.

2.   Exploitanten die handelsmonsters hanteren, nemen de in bijlage XIV, hoofdstuk III, afdeling 2, punten 2 en 3, vastgestelde bijzondere voorschriften voor de hantering en verwijdering van handelsmonsters in acht.

3.   De bevoegde autoriteit mag toestemming verlenen voor de invoer en de doorvoer van demonstratiemateriaal overeenkomstig de in bijlage XIV, hoofdstuk III, afdeling 3, opgenomen bijzondere voorschriften.

4.   Exploitanten die demonstratiemateriaal hanteren, nemen de in bijlage XIV, hoofdstuk III, afdeling 3, opgenomen voorwaarden inzake verpakking, hantering en verwijdering van demonstratiemateriaal in acht.

Artikel 29

Specifieke eisen voor bepaalde verplaatsingen van dierlijke bijproducten tussen de verschillende delen van het grondgebied van de Russische Federatie

1.   De bevoegde autoriteit verleent toestemming voor specifieke verplaatsingen van zendingen van dierlijke bijproducten die afkomstig zijn van en bestemd zijn voor de Russische Federatie, rechtstreeks dan wel via een ander derde land, over de weg dan wel per spoor door de Unie, tussen erkende grensinspectieposten van de Unie die zijn opgenomen in bijlage I bij Beschikking 2009/821/EG, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a)

de zending is in de grensinspectiepost van binnenkomst in de Unie door de veterinaire dienst van de bevoegde autoriteit verzegeld met een zegel dat van een volgnummer is voorzien;

b)

de documenten die de zending vergezellen, als bedoeld in artikel 7 van Richtlijn 97/78/EG, worden op elke bladzijde door de officiële dierenarts van de bevoegde autoriteit waaronder de grensinspectiepost valt, voorzien van het stempel „ALLEEN VOOR DOORVOER DOOR DE EU NAAR RUSLAND”;

c)

aan de procedurevoorschriften van artikel 11 van Richtlijn 97/78/EG is voldaan;

d)

de officiële dierenarts van de grensinspectiepost van binnenkomst heeft op het in bijlage III bij Verordening (EG) nr. 136/2004 vastgestelde Gemeenschappelijk veterinair document van binnenkomst verklaard dat de zending mag worden doorgevoerd.

2.   Het lossen of opslaan van dergelijke zendingen op het grondgebied van een lidstaat overeenkomstig artikel 12, lid 4, of artikel 13 van Richtlijn 97/78/EG is niet toegestaan.

3.   De bevoegde autoriteit verricht op gezette tijden controles om na te gaan of de aantallen zendingen en de hoeveelheden producten die het grondgebied van de Unie binnengekomen zijn en verlaten hebben, met elkaar in overeenstemming zijn.

Artikel 30

Lijsten van inrichtingen en bedrijven in derde landen

Er worden lijsten van inrichtingen en bedrijven in derde landen in het Traces-systeem ingevoerd overeenkomstig de technische specificaties die de Commissie op haar website bekendmaakt.

Elke lijst wordt regelmatig bijgewerkt.

Artikel 31

Modellen van gezondheidscertificaten en verklaringen voor de invoer en doorvoer

Zendingen dierlijke bijproducten en afgeleide producten die bedoeld zijn voor invoer in of doorvoer door de Unie, gaan op het punt van binnenkomst in de Unie waar de veterinaire controles overeenkomstig Richtlijn 97/78/EG plaatsvinden, vergezeld van gezondheidscertificaten en verklaringen volgens de modellen in bijlage XV bij deze verordening.

HOOFDSTUK IX

OFFICIËLE CONTROLES

Artikel 32

Officiële controles

1.   De bevoegde autoriteit neemt de nodige maatregelen ter controle van de volledige keten van verzameling, vervoer, gebruik en verwijdering van dierlijke bijproducten en afgeleide producten, als bedoeld in artikel 4, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1069/2009.

Die maatregelen worden uitgevoerd volgens de beginselen voor officiële controles in artikel 3 van Verordening (EG) nr. 882/2004.

2.   De in lid 1 bedoelde officiële controles omvatten controles op het bijhouden van een administratie en andere documenten zoals vereist door deze verordening.

3.   De bevoegde autoriteit voert de volgende officiële controles uit als bedoeld in artikel 45, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1069/2009, overeenkomstig de in bijlage XVI bij deze verordening vastgestelde eisen.

a)

officiële controles in verwerkingsbedrijven zoals aangegeven in hoofdstuk I;

b)

officiële controles van andere activiteiten in het kader waarvan dierlijke bijproducten gehanteerd worden, zoals aangegeven in hoofdstuk III, afdelingen 1 tot en met 9.

4.   De bevoegde autoriteit controleert de zegels die op zendingen dierlijke bijproducten of afgeleide producten worden aangebracht.

Wanneer de bevoegde autoriteit een zegel aanbrengt op een dergelijke zending die naar een plaats van bestemming wordt vervoerd, moet zij de bevoegde autoriteit van de plaats van bestemming daarover inlichten.

5.   De bevoegde autoriteit stelt de in artikel 47, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1069/2009 bedoelde lijsten van inrichtingen, bedrijven en exploitanten op volgens het in bijlage XVI, hoofdstuk II, bij deze verordening vastgestelde formaat.

6.   De bevoegde autoriteit van de lidstaat van bestemming beslist binnen twintig kalenderdagen na de datum van ontvangst van een in een officiële taal van die lidstaat ingediende aanvraag van een exploitant betreffende bepaald categorie 1-materiaal, categorie 2-materiaal en vleesbeendermeel of dierlijk vet dat is afgeleid van categorie 1- en categorie 2-materiaal, of het desbetreffende materiaal wordt aanvaard dan wel geweigerd.

7.   Exploitanten dienen een aanvraag voor de in lid 6 bedoelde toestemming in volgens het standaardformaat in bijlage XVI, hoofdstuk III, afdeling 10.

Artikel 33

Hernieuwde erkenning van bedrijven en inrichtingen na de verlening van een tijdelijke erkenning

1.   Wanneer een voor de verwerking van categorie 3-materiaal erkend bedrijf vervolgens een tijdelijke erkenning voor de verwerking van categorie 1- of categorie 2-materiaal verkrijgt overeenkomstig artikel 24, lid 2, onder b) ii), van Verordening (EG) nr. 1069/2009, mag dat bedrijf pas weer categorie 3-materiaal gaan verwerken nadat het door de bevoegde autoriteit opnieuw voor de verwerking van categorie 3-materiaal is erkend overeenkomstig artikel 44 van die verordening.

2.   Wanneer een voor de verwerking van categorie 2-materiaal erkend bedrijf vervolgens een tijdelijke erkenning voor de verwerking van categorie 1-materiaal verkrijgt overeenkomstig artikel 24, lid 2, onder b) ii), van Verordening (EG) nr. 1069/2009, mag dat bedrijf pas weer categorie 2-materiaal gaan verwerken nadat het door de bevoegde autoriteit opnieuw voor de verwerking van categorie 2-materiaal is erkend overeenkomstig artikel 44 van die verordening.

HOOFDSTUK X

SLOTBEPALINGEN

Artikel 34

Beperkingen op het in de handel brengen van bepaalde dierlijke bijproducten en afgeleide producten in verband met de volksgezondheid of de diergezondheid

De bevoegde autoriteit mag het in de handel brengen van de volgende dierlijke bijproducten en afgeleide producten om andere met de volksgezondheid of de diergezondheid verband houdende redenen dan de voorschriften die in de wetgeving van de Unie, met name Verordening (EG) nr. 1069/2009 en deze verordening, zijn vastgesteld, niet verbieden of beperken.

a)

verwerkte dierlijke eiwitten en andere afgeleide producten als bedoeld in bijlage X, hoofdstuk II;

b)

voeder voor gezelschapsdieren en andere afgeleide producten als bedoeld in bijlage XIII;

c)

dierlijke bijproducten en afgeleide producten die worden ingevoerd in of doorgevoerd door de Unie, als bedoeld in bijlage XIV.

Artikel 35

Intrekking

1.   De volgende handelingen worden ingetrokken:

a)

Verordening (EG) nr. 811/2003;

b)

Beschikking 2003/322/EG;

c)

Beschikking 2003/324/EG;

d)

Verordening (EG) nr. 878/2004;

e)

Beschikking 2004/407/EG;

f)

Verordening (EG) nr. 79/2005;

g)

Verordening (EG) nr. 92/2005;

h)

Verordening (EG) nr. 181/2006;

i)

Verordening (EG) nr. 197/2006;

j)

Verordening (EG) nr. 1192/2006;

k)

Verordening (EG) nr. 2007/2006.

2.   Verwijzingen naar de ingetrokken handelingen gelden als verwijzingen naar deze verordening.

Artikel 36

Overgangsmaatregelen

1.   Exploitanten mogen gedurende een overgangsperiode tot en met 31 december 2011 organische meststoffen en bodemverbeteraars in de handel brengen die vóór 4 maart 2011 overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1774/2002 en Verordening (EG) nr. 181/2006 geproduceerd zijn:

a)

mits zij zijn geproduceerd op basis van:

i)

vleesbeendermeel dat is afgeleid van categorie 2-materiaal, of

ii)

verwerkte dierlijke eiwitten;

b)

ook indien zij niet gemengd zijn met een stof die het mengsel voor vervoederingsdoeleinden moet uitsluiten.

2.   Zendingen van dierlijke bijproducten en afgeleide producten die vergezeld gaan van een gezondheidscertificaat of een handelsdocument dat, of een verklaring die volgens het toepasselijke model in bijlage X bij Verordening (EG) nr. 1774/2002 is opgesteld en ondertekend, worden nog gedurende een overgangsperiode tot en met 31 januari 2012 voor invoer in de Unie aanvaard, op voorwaarde dat die certificaten, verklaringen of documenten vóór 30 november 2011 werden opgesteld en ondertekend.

3.   In afwijking van artikel 14 van Verordening (EG) nr. 1069/2009 mogen de lidstaten gedurende een overgangsperiode tot en met 31 december 2012 toestemming verlenen voor het verzamelen, vervoeren en verwijderen van categorie 3-materiaal dat uit producten van dierlijke oorsprong bestaat, of van levensmiddelen die producten van dierlijke oorsprong bevatten, die om commerciële redenen of ten gevolge van gebreken bij de productie of bij de verpakking of andere gebreken die geen enkel risico op de volksgezondheid of de diergezondheid vormen, niet langer bestemd zijn voor menselijke consumptie, als bedoeld in artikel 10, onder f), van die verordening, op een andere wijze dan door verbranding of begraving ter plaatse, als bedoeld in artikel 19, lid 1, onder d), van die verordening, mits de eisen voor andere vormen van verwijdering van bijlage VI, hoofdstuk IV, in acht worden genomen.

Artikel 37

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 4 maart 2011.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 25 februari 2011.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)  PB L 300 van 14.11.2009, blz. 1.

(2)  PB L 24 van 30.1.1998, blz. 9.

(3)  PB L 229 van 1.9.2009, blz. 1.

(4)  PB L 332 van 28.12.2000, blz. 91.

(5)  PB L 182 van 16.7.1999, blz. 1.

(6)  PB L 139 van 30.4.2004, blz. 1.

(7)  PB L 312 van 22.11.2008, blz. 3.

(8)  PB L 273 van 10.10.2002, blz. 1.

(9)  PB L 139 van 30.4.2004, blz. 55.

(10)  PB L 147 van 31.5.2001, blz. 1.

(11)  PB L 206 van 22.7.1992, blz. 7.

(12)  PB L 20 van 26.1.2010, blz. 7.

(13)  PB 17 van 6.10.1958, blz. 385/58.

(14)  PB L 35 van 8.2.2005, blz. 1.

(15)  PB L 62 van 15.3.1993, blz. 49.

(16)  PB L 94 van 31.3.2004, blz. 63.

(17)  PB 121 van 29.7.1964, blz. 1977/64.

(18)  PB L 262 van 27.9.1976, blz. 169.

(19)  PB L 125 van 23.5.1996, blz. 3.

(20)  PB L 125 van 23.5.1996, blz. 10.

(21)  PB L 343 van 22.12.2009, blz. 74.

(22)  PB L 311 van 28.11.2001, blz. 67.

(23)  PB L 311 van 28.11.2001, blz. 1.

(24)  PB L 169 van 12.7.1993, blz. 1.

(25)  PB L 331 van 7.12.1998, blz. 1.

(26)  PB L 189 van 20.7.1990, blz. 17.

(27)  PB L 192 van 23.7.2010, blz. 1.

(28)  PB L 18 van 23.1.2003, blz. 11.

(29)  PB L 61 van 3.3.1997, blz. 1.

(30)  PB L 268 van 14.9.1992, blz. 54.

(31)  PB L 73 van 20.3.2010, blz. 1.

(32)  PB L 73 van 11.3.2004, blz. 1.

(33)  PB L 175 van 10.7.2010, blz. 1.

(34)  PB L 320 van 18.11.2006, blz. 53.

(35)  PB L 226 van 23.8.2008, blz. 1.

(36)  PB L 39 van 10.2.2009, blz. 12.

(37)  PB L 190 van 12.7.2006, blz. 1.

(38)  PB L 296 van 12.11.2009, blz. 1.

(39)  PB L 21 van 28.1.2004, blz. 11.

(40)  PB L 13 van 16.1.1997, blz. 28.

(41)  PB L 165 van 30.4.2004, blz. 1.

(42)  PB L 117 van 13.5.2003, blz. 14.

(43)  PB L 117 van 13.5.2003, blz. 32.

(44)  PB L 117 van 13.5.2003, blz. 37.

(45)  PB L 16 van 20.1.2005, blz. 46.

(46)  PB L 19 van 21.1.2005, blz. 27.

(47)  PB L 29 van 2.2.2006, blz. 31.

(48)  PB L 215 van 5.8.2006, blz. 10.

(49)  PB L 379 van 28.12.2006, blz. 98.

(50)  PB L 162 van 30.4.2004, blz. 62.

(51)  PB L 151 van 30.4.2004, blz. 11.

(52)  PB L 32 van 4.2.2006, blz. 13.


BIJLAGE I

DEFINITIES ALS BEDOELD IN ARTIKEL 2

Voor de toepassing van deze verordening gelden de volgende definities:

1.   „pelsdieren”: dieren die voor de productie van bont worden gehouden of gefokt en die niet voor menselijke consumptie worden gebruikt;

2.   „bloed”: vers volledig bloed;

3.   „voedermiddelen”: voedermiddelen als gedefinieerd in artikel 3, lid 2, onder g), van Verordening (EG) nr. 767/2009 die van dierlijke oorsprong zijn, daaronder begrepen verwerkte dierlijke eiwitten, bloedproducten, gesmolten vet, eiproducten, visolie, vetderivaten, collageen, gelatine en gehydrolyseerde eiwitten, dicalciumfosfaat, tricalciumfosfaat, melk, melkproducten, melkderivaten, biest, biestproducten en centrifuge- en separatorslib;

4.   „bloedproducten”: producten afkomstig van bloed of bloedfracties, uitgezonderd bloedmeel; daaronder begrepen gedroogd/ingevroren/vloeibaar plasma, gedroogd volledig bloed, gedroogde/ingevroren/vloeibare rode bloedcellen of fracties daarvan en mengsels;

5.   „verwerkte dierlijke eiwitten”: dierlijke eiwitten die volledig zijn verkregen uit categorie 3-materiaal en die in overeenstemming met bijlage X, hoofdstuk II, afdeling 1, zijn behandeld (met inbegrip van bloedmeel en vismeel) om ze geschikt te maken voor rechtstreeks gebruik als voedermiddel of om anderszins gebruikt te worden in diervoeder (voeder voor gezelschapsdieren daaronder begrepen) of in organische meststoffen of bodemverbeteraars; hieronder vallen echter niet bloedproducten, melk, melkproducten, melkderivaten, biest, biestproducten, centrifuge- en separatorslib, gelatine, gehydrolyseerde eiwitten en dicalciumfosfaat, eieren en eiproducten, met inbegrip van eierschalen, tricalciumfosfaat en collageen;

6.   „bloedmeel”: verwerkte dierlijke eiwitten die verkregen zijn uit de warmtebehandeling van bloed of bloedfracties overeenkomstig bijlage X, hoofdstuk II, afdeling 1;

7.   „vismeel”: verwerkte dierlijke eiwitten geproduceerd uit waterdieren, behalve zeezoogdieren;

8.   „gesmolten vet”: vet dat afkomstig is van de verwerking van:

9.   „visolie”: olie uit verwerkte waterdieren of olie uit verwerkte vis voor menselijke consumptie, die een exploitant voor andere doeleinden dan menselijke consumptie bestemd heeft;

10.   „bijproducten van bijenteelt”: honing, bijenwas, koninginnengelei, propolis of pollen, niet bestemd voor menselijke consumptie;

11.   „collageen”: uit eiwit bestaande producten afkomstig van huiden, beenderen en pezen van dieren;

12.   „gelatine”: natuurlijk, oplosbaar eiwit, gelerend of niet-gelerend, verkregen door gedeeltelijke hydrolyse van collageen uit beenderen, huiden, ligamenten en pezen van dieren;

13.   „kanen”: het eiwithoudende residu van het smeltproces, na gedeeltelijke afscheiding van vet en water;

14.   „gehydrolyseerde eiwitten”: polypeptiden, peptiden, aminozuren en mengsels daarvan, verkregen door hydrolyse van dierlijke bijproducten;

15.   „wit water”: een mengsel van melk, melkproducten of melkderivaten met water, dat opgevangen wordt bij het spoelen van uitrusting voor zuivelproducten, met inbegrip van recipiënten die voor zuivelproducten gebruikt worden, voordat deze wordt gereinigd en ontsmet.

16.   „blikvoeder voor gezelschapsdieren”: warmtebehandeld voeder voor gezelschapsdieren in een hermetisch gesloten recipiënt;

17.   „hondenkluiven”: producten voor gezelschapsdieren om op te kauwen, vervaardigd van ongelooide huiden van hoefdieren of ander dierlijk materiaal;

18.   „smaakgevende ingewanden”: een vloeibaar of gedehydrateerd afgeleid product van dierlijke oorsprong dat wordt gebruikt om de smaak van voeder voor gezelschapsdieren te verbeteren;

19.   „voeder voor gezelschapsdieren”: voor gezelschapsdieren bedoeld voeder, hondenkluiven daaronder begrepen, dat:

20.   „verwerkt voeder voor gezelschapsdieren”: voeder voor gezelschapsdieren, niet zijnde rauw voeder voor gezelschapsdieren, dat is verwerkt overeenkomstig bijlage XIII, hoofdstuk II, punt 3;

21.   „rauw voeder voor gezelschapsdieren”: voeder voor gezelschapsdieren dat bepaald categorie 3-materiaal bevat dat geen andere behandeling heeft ondergaan dan koelen of vriezen om de conservering te waarborgen;

22.   „keukenafval en etensresten”: alle voedselresten, met inbegrip van afgewerkte bak- en braadolie afkomstig van restaurants, cateringfaciliteiten en keukens, met inbegrip van centrale keukens en keukens van huishoudens;

23.   „gistingsresiduen”: residuen die het resultaat zijn van de verwerking van dierlijke bijproducten in een biogasinstallatie;

24.   „inhoud van het maag-darmkanaal”: de inhoud van het maag-darmkanaal van zoogdieren en loopvogels;

25.   „vetderivaten”: afgeleide producten van gesmolten vet die, wat gesmolten vet van categorie 1- en categorie 2-materiaal betreft, verwerkt zijn overeenkomstig bijlage XIII, hoofdstuk XI;

26.   „guano”: een natuurlijk product dat bestaat uit uitwerpselen van vleermuizen of wilde zeevogels en dat niet gemineraliseerd is;

27.   „vleesbeendermeel”: dierlijke eiwitten die afkomstig zijn van categorie 1- of categorie 2-materiaal dat is verwerkt volgens een van de in bijlage IV, hoofdstuk III, beschreven verwerkingsmethoden;

28.   „behandelde huiden”: andere afgeleide producten van onbehandelde huiden dan hondenkluiven, die:

29.   „onbehandelde huiden”: alle huidweefsels en onderhuidse weefsels die geen andere behandeling hebben ondergaan dan koelen, uitsnijden of invriezen;

30.   „onbehandelde veren en delen van veren”: veren en delen van veren die niet:

31.   „onbehandelde wol”: wol die niet:

32.   „onbehandeld haar”: haar dat niet:

33.   „onbehandeld varkenshaar”: varkenshaar dat niet:

34.   „tentoonstellingsmateriaal”: dierlijke bijproducten of afgeleide producten die bestemd zijn voor tentoonstelling of artistieke activiteiten;

35.   „tussenproduct”: afgeleide product:

36.   „laboratoriumreagens”: een verpakt product dat klaar is voor gebruik, dat dierlijke bijproducten of afgeleide producten bevat en dat bestemd is om afzonderlijk of in combinatie met stoffen van niet-dierlijke oorsprong in een laboratorium te worden gebruikt als reagens of reagensproduct dan wel als kalibratie- of controlemateriaal voor het opsporen, meten, onderzoeken of produceren van andere stoffen;

37.   „in-vitrodiagnosticum”: een verpakt product, klaar om te worden gebruikt, dat een bloedproduct of een ander dierlijk bijproduct bevat en dat afzonderlijk of in combinatie wordt gebruikt als reagens, reagensproduct, kalibratiemateriaal, kit of anderszins en dat bestemd is om in vitro te worden gebruikt bij onderzoek van monsters van menselijke of dierlijke oorsprong, met als enige of belangrijkste doel de diagnose van een fysiologische toestand, een gezondheidstoestand, een ziekte of een genetische anomalie of om de veiligheid en de compatibiliteit met reagentia te bepalen; dit omvat geen donororganen of donorbloed;

38.   „voor onderzoek en diagnose bestemde monsters”: dierlijke bijproducten en afgeleide producten die bestemd zijn voor: onderzoek in het kader van diagnostische activiteiten of analyse ter bevordering van de wetenschappelijke en technologische vooruitgang in het kader van educatieve of onderzoeksactiviteiten;

39.   „handelsmonsters”: dierlijke bijproducten of afgeleide producten die bestemd zijn voor bijzondere onderzoeken of analyses met het oog op de uitvoering van een productieprocedé of de ontwikkeling van diervoeders of andere afgeleide producten, met inbegrip van het testen van machines, voor gebruik in een inrichting of bedrijf waar:

40.   „meeverbranding”: hergebruik of verwijdering van dierlijke bijproducten of afgeleide producten, indien het afval betreft, in een meeverbrandingsinstallatie;

41.   „verstoking”: een procedé waarbij brandstof wordt geoxideerd teneinde de energiewaarde van de dierlijke bijproducten of afgeleide producten te benutten, indien het geen afval betreft;

42.   „verbranding”: de verwijdering van dierlijke bijproducten of afgeleide producten, indien het afval betreft, in een verbrandingsinstallatie, als gedefinieerd in artikel 3, punt 4, van Richtlijn 2000/76/EG;

43.   „residuen van verbranding en meeverbranding”: residuen als gedefinieerd in artikel 3, punt 13, van Richtlijn 2000/76/EG, die geproduceerd worden door verbrandings- of meeverbrandingsinstallaties waarin dierlijke bijproducten of afgeleide producten behandeld worden;

44.   „kleurcodering”: het systematische gebruik van kleuren als vastgesteld in bijlage VIII, hoofdstuk II, punt 1, onder c), voor het aangeven van de in deze verordening bedoelde informatie op het oppervlak of een deel van het oppervlak van een verpakking, recipiënt of voertuig, of op een daarop aangebracht etiket of symbool;

45.   „tussenhandelingen”: andere handelingen dan opslag, als bedoeld in artikel 19, onder b);

46.   „looiing”: het verharden van huiden door middel van plantaardige looimiddelen, chroomzouten of andere stoffen als aluminiumzouten, ijzer(III)zouten, silicaten, aldehyden en chinonen of andere synthetische verhardingsstoffen;

47.   „taxidermie”: de kunst van het prepareren, opzetten en opstellen van dierenhuiden zodat zij er levensecht uitzien, zonder dat onaanvaardbare risico’s voor de volksgezondheid en de diergezondheid via de opgestelde huid kunnen worden overgedragen;

48.   „handelsverkeer”: goederenverkeer tussen de lidstaten als bedoeld in artikel 28 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie;

49.   „verwerkingsmethoden”: de in bijlage IV, hoofdstukken III en IV, beschreven methoden;

50.   „partij”: een eenheid productie die in één bedrijf is vervaardigd met uniforme productieparameters, zoals de oorsprong van het materiaal, of een aantal van dergelijke eenheden wanneer deze direct na elkaar in één bedrijf zijn vervaardigd en voor het vervoer tezamen zijn opgeslagen als één geheel;

51.   „hermetisch gesloten recipiënt”: een bergingsmiddel dat zo is ontworpen en vervaardigd dat het volledig afgesloten is voor micro-organismen;

52.   „biogasinstallatie”: een installatie waarin dierlijke bijproducten of afgeleide producten ten minste een deel van het materiaal uitmaken dat onder anaerobe omstandigheden biologisch wordt afgebroken;

53.   „verzamelcentra”: bedrijfsruimten, met uitzondering van verwerkingsbedrijven, waarin de in artikel 18, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1069/2009 bedoelde dierlijke bijproducten verzameld worden om te worden gebruikt voor het voederen van de in dat artikel genoemde dieren;

54.   „composteerinstallatie”: een installatie waarin dierlijke bijproducten en afgeleide producten ten minste een deel van het materiaal uitmaken dat onder aerobe omstandigheden biologisch wordt afgebroken;

55.   „meeverbrandingsinstallatie”: een vaste of mobiele installatie die in hoofdzaak bestemd is voor de opwekking van energie of de fabricage van materiële producten, als gedefinieerd in artikel 3, punt 5, van Richtlijn 2000/76/EG;

56.   „verbrandingsinstallatie”: een vaste of mobiele technische eenheid en inrichting die specifiek bestemd is voor de thermische behandeling van afval, als gedefinieerd in artikel 3, punt 4, van Richtlijn 2000/76/EG;

57.   „bedrijf voor de productie van voeder voor gezelschapsdieren”: bedrijfsruimten en voorzieningen waar voeders voor gezelschapsdieren of smaakgevende ingewanden worden geproduceerd, als bedoeld in artikel 24, lid 1, onder e), van Verordening (EG) nr. 1069/2009;

58.   „verwerkingsbedrijf”: bedrijfsruimten en voorzieningen voor de verwerking van dierlijke bijproducten als bedoeld in artikel 24, lid 1, onder a), van Verordening (EG) nr. 1069/2009, waar dierlijke bijproducten worden verwerkt overeenkomstig bijlage IV en/of bijlage X.


BIJLAGE II

BEPERKINGEN OP HET GEBRUIK VAN DIERLIJKE BIJPRODUCTEN

HOOFDSTUK I

Hergebruik van pelsdieren binnen dezelfde soort

1.

In Estland, Letland en Finland mogen de volgende pelsdieren gevoederd worden met vleesbeendermeel of met andere producten die verwerkt zijn overeenkomstig bijlage IV, hoofdstuk III, en die afgeleid zijn van kadavers of gedeelten daarvan van dieren van dezelfde soort:

a)

vossen (Vulpes vulpes);

b)

wasbeerhonden (Nycteroites procynides).

2.

In Estland en Letland mogen pelsdieren van de Amerikaanse nerts (Mustela vison) gevoederd worden met vleesbeendermeel of met andere producten die verwerkt zijn overeenkomstig bijlage IV, hoofdstuk III, en die afgeleid zijn van kadavers of gedeelten daarvan van dieren van dezelfde soort.

3.

Het voederen als bedoeld in de punten 1 en 2 is onderworpen aan de volgende voorwaarden:

a)

het voederen mag uitsluitend plaatsvinden op bedrijven:

i)

die door de bevoegde autoriteit geregistreerd zijn op grond van een aanvraag waarbij documentatie wordt verstrekt waaruit blijkt dat er geen redenen zijn om aan te nemen dat in de populatie van de diersoort waarop de aanvraag betrekking heeft, TSE-verwekkers aanwezig zijn;

ii)

waar een adequaat bewakingssysteem voor TSE’s bij pelsdieren met regelmatige laboratoriumtests van monsters op TSE’s wordt toegepast;

iii)

dat passende garanties biedt dat de dierlijke bijproducten, het vleesbeendermeel en alle andere producten die overeenkomstig bijlage IV, hoofdstuk III, zijn verwerkt en die van die dieren of hun nageslacht zijn afgeleid, niet in de voedselketen of de voederketen van andere dieren dan pelsdieren komen;

iv)

dat voor zover bekend geen contacten heeft gehad met een bedrijf waar een TSE-uitbraak vermoed wordt of bevestigd is;

v)

waarvan de exploitant ervoor zorgt dat:

pelsdierkarkassen die bestemd zijn voor het voederen van dieren van dezelfde soort gescheiden van niet voor dat doel toegelaten karkassen worden behandeld en verwerkt;

pelsdieren die gevoederd worden met vleesbeendermeel of andere producten die overeenkomstig bijlage IV, hoofdstuk III, verwerkt zijn en die afgeleid zijn van dieren van dezelfde soort gescheiden worden gehouden van dieren die niet gevoederd worden met producten die afkomstig zijn van dieren van dezelfde soort;

het bedrijf de eisen van bijlage VI, hoofdstuk II, afdeling 1, punt 2, en bijlage VIII, hoofdstuk II, punt 2, onder b) ii), naleeft.

b)

de exploitant van het bedrijf ziet erop toe dat vleesbeendermeel en andere producten die afkomstig zijn van één soort en bestemd zijn voor vervoedering aan dezelfde soort:

i)

verwerkt zijn in een verwerkingsbedrijf dat overeenkomstig artikel 24, lid 1, onder a), van Verordening (EG) nr. 1069/2009 is erkend, uitsluitend door toepassing van een van de verwerkingsmethoden 1 tot en met 5 of verwerkingsmethode 7, als beschreven in bijlage IV, hoofdstuk III, bij deze verordening;

ii)

vervaardigd zijn van gezonde dieren die voor de pelsproductie zijn gedood.

c)

in geval van een bekend of vermoed contact met een bedrijf waar een TSE-uitbraak vermoed wordt of bevestigd is, moet de exploitant van het bedrijf onmiddellijk:

i)

de bevoegde autoriteit van dat contact in kennis stellen;

ii)

de verzending van pelsdieren naar ongeacht welke bestemming zonder schriftelijke toestemming van de bevoegde autoriteit staken.

HOOFDSTUK II

Voederen van landbouwhuisdieren met groenvoer

Voor het laten grazen van landbouwhuisdieren op land, of het voederen ervan met groenvoer afkomstig van dat land, waarop organische meststoffen en bodemverbeteraars gebruikt zijn, gelden de volgende voorwaarden:

a)

de wachttijd van ten minste 21 dagen als genoemd in artikel 11, lid 1, onder c), van Verordening (EG) nr. 1069/2009 moet in acht zijn genomen;

b)

er zijn uitsluitend organische meststoffen en bodemverbeteraars gebruikt die in overeenstemming zijn met artikel 32, leden 1 en 2, van Verordening (EG) nr. 1069/2009 en met bijlage XI, hoofdstuk II, bij deze verordening.

Die voorwaarden zijn echter niet van toepassing indien uitsluitend de volgende organische meststoffen of bodemverbeteraars op het land gebruikt zijn:

a)

mest en guano;

b)

inhoud van het maag-darmkanaal, melk, melkproducten, melkderivaten, biest en biestproducten, waarvan de bevoegde autoriteit meent dat zij geen risico op verspreiding van een ernstige dierziekte inhouden.


BIJLAGE III

VERWIJDERING EN HERGEBRUIK

HOOFDSTUK I

ALGEMENE EISEN INZAKE VERBRANDING EN MEEVERBRANDING

Afdeling 1

Algemene voorschriften

1.

Exploitanten van verbrandings- en meeverbrandingsinstallaties als bedoeld in artikel 6, lid 1, onder b), van deze verordening zien erop toe dat de volgende hygiënische omstandigheden in de bedrijven onder hun controle worden gewaarborgd:

a)

dierlijke bijproducten en afgeleide producten worden zo snel mogelijk na aankomst verwijderd, overeenkomstig de door de bevoegde autoriteit vastgestelde voorschriften. In afwachting van de verwijdering worden de producten correct opgeslagen, overeenkomstig de door de bevoegde autoriteit vastgestelde voorschriften;

b)

de installaties zijn uitgerust met adequate voorzieningen voor de reiniging en ontsmetting van gebruikte recipiënten en voertuigen, met name in een daarvoor aangewezen ruimte waaruit afvalwater wordt verwijderd overeenkomstig de wetgeving van de Unie, om het risico van verontreiniging te voorkomen;

c)

de installaties staan op een verharde vloer met een goede waterafvoer;

d)

de installaties zijn voorzien van adequate voorzieningen ter bescherming tegen schadelijke dieren als insecten, knaagdieren en vogels. Hiertoe wordt een gedocumenteerd bestrijdingsprogramma gebruikt.

e)

het personeel heeft toegang tot adequate voorzieningen voor persoonlijke hygiëne, zoals toiletten, kleedruimten en wasbakken, indien dat nodig is om besmettingsrisico’s te voorkomen;

f)

voor alle delen van de ruimten worden reinigingsprocedures vastgelegd en gedocumenteerd. Voor de reiniging moeten geschikt materiaal en geschikte schoonmaakmiddelen worden verstrekt;

g)

de controle op de hygiëne omvat regelmatige inspectie van de omgeving en de apparatuur. De inspectieschema’s en resultaten moeten worden gedocumenteerd en moeten ten minste twee jaar worden bewaard.

2.

De exploitant van de verbrandings- of meeverbrandingsinstallatie treft in samenhang met de inontvangstneming van dierlijke bijproducten en afgeleide producten alle nodige voorzorgsmaatregelen om directe risico’s voor de gezondheid van mens of dier te voorkomen of zo veel als praktisch haalbaar is te beperken.

3.

Dieren mogen geen toegang hebben tot de installaties, de te verbranden of mee te verbranden dierlijke bijproducten en afgeleide producten, of de as van verbrande of meeverbrande dierlijke bijproducten.

4.

Indien de verbrandings- of meeverbrandingsinstallatie op een veehouderij gelegen is:

a)

moet de verbrandings- of meeverbrandingsinstallatie volledig fysiek worden gescheiden van de dieren en hun voeder en strooisel, zo nodig door een omheining;

b)

moet de apparatuur uitsluitend voor werkzaamheden in de verbrandingsinstallatie en niet elders op het bedrijf worden gebruikt, of anders eerst worden gereinigd en ontsmet;

c)

moet het personeel dat in de installatie werkt andere bovenkleding en schoenen aantrekken alvorens met vee of veevoeder in aanraking te komen.

5.

Te verbranden of mee te verbranden dierlijke bijproducten en afgeleide producten en as moeten worden opgeslagen in afgedekte, correct geïdentificeerde en, zo nodig, lekvrije recipiënten.

6.

Dierlijke bijproducten die niet volledig zijn verbrand, moeten opnieuw worden verbrand of op een andere wijze worden verwijderd dan door storting op een toegelaten stortplaats, overeenkomstig de artikelen 12, 13 en 14 van Verordening (EG) nr. 1069/2009, naargelang het artikel dat van toepassing is.

Afdeling 2

Bedrijfsvoorschriften

Verbrandings- en meeverbrandingsinstallaties worden zodanig ontworpen, uitgerust, gebouwd en geëxploiteerd dat, zelfs in de meest ongunstige omstandigheden, het bij het proces ontstane gas op beheerste en homogene wijze wordt verhit tot een temperatuur van 850 °C gedurende ten minste 2 seconden of tot een temperatuur van 1 100 °C gedurende 0,2 seconde, gemeten dichtbij de binnenwand of op een door de bevoegde autoriteit toegestaan ander representatief punt van de verbrandings- of meeverbrandingskamer.

Afdeling 3

Residuen van verbranding en meeverbranding

1.

Het ontstaan van residuen van verbranding en meeverbranding en de schadelijkheid ervan worden tot een minimum beperkt. Deze residuen moeten, in voorkomend geval, overeenkomstig de toepasselijke wetgeving van de Unie in de installatie zelf of daarbuiten hergebruikt worden of op een toegelaten stortplaats worden verwijderd.

2.

Vervoer en tussentijdse opslag van droge residuen, met inbegrip van stof, vinden op zodanige wijze plaats dat verspreiding in het milieu voorkomen wordt, bijvoorbeeld in gesloten recipiënten.

Afdeling 4

Meting van de temperatuur en andere parameters

1.

Er wordt gebruikgemaakt van technieken ter bewaking van de parameters en omstandigheden die relevant zijn voor het verbrandings- of meeverbrandingsproces.

2.

De door de bevoegde autoriteit verleende erkenning of de daaraan gehechte voorwaarden dienen temperatuurmeetvoorschriften te bevatten.

3.

Gecontroleerd wordt of alle automatische bewakingsapparatuur naar behoren functioneert; jaarlijks wordt een verificatietest uitgevoerd.

4.

De temperatuurmeetresultaten worden op passende wijze geregistreerd en gepresenteerd, zodat de bevoegde autoriteit volgens door haar vast te stellen procedures kan controleren of de in deze verordening vastgestelde bedrijfsvoorschriften worden nageleefd.

Afdeling 5

Abnormaal bedrijf

In geval van een defect of van abnormale bedrijfsomstandigheden van een verbrandings- of meeverbrandingsinstallatie vermindert de exploitant de activiteit van de installatie zo spoedig mogelijk of legt hij de installatie stil totdat normaal bedrijf opnieuw mogelijk is.

HOOFDSTUK II

VERBRANDINGS- EN MEEVERBRANDINGSINSTALLATIES MET EEN HOGE CAPACITEIT

Afdeling 1

Specifieke bedrijfsvoorschriften

Verbrandings- of meeverbrandingsinstallaties waar uitsluitend dierlijke bijproducten en afgeleide producten worden verwerkt met een capaciteit van meer dan 50 kg per uur (installaties met een hoge capaciteit) en die overeenkomstig Richtlijn 2000/76/EG geen exploitatievergunning behoeven, voldoen aan de volgende voorwaarden:

a)

elke verbrandings- of meeverbrandingsstraat van installaties is uitgerust met ten minste één hulpbrander. Deze brander wordt automatisch ingeschakeld wanneer de temperatuur van de verbrandingsgassen na de laatste toevoer van verbrandingslucht tot onder 850 °C of 1 100 °C zakt, naargelang het geval. Hij wordt ook tijdens de inwerkingstelling en de stillegging van de installatie gebruikt teneinde ervoor te zorgen dat de temperatuur van 850 °C of 1 100 °C, naargelang het geval, gedurende bedoelde werkzaamheden steeds wordt gehandhaafd zolang zich onverbrand materiaal in de verbrandings- of meeverbrandingskamer bevindt;

b)

wanneer dierlijke bijproducten of afgeleide producten in continubedrijf in de verbrandings- of meeverbrandingskamer worden binnengebracht, is de installatie voorzien van een automatisch systeem dat voorkomt dat dierlijke bijproducten of afgeleide producten bij de inwerkingstelling worden binnengebracht nog voor de temperatuur 850 °C of 1 100 °C, naargelang het geval, is bereikt en wanneer de temperatuur niet gehandhaafd blijft.

c)

De exploitant moet de verbrandingsinstallatie zo exploiteren dat een verbrandingsniveau wordt bereikt waarbij de totale hoeveelheid organische koolstof in de slakken en de bodemas minder bedraagt dan 3 %, of hun gloeiverlies minder bedraagt dan 5 %, van het droge gewicht van het materiaal. Zo nodig wordt het materiaal met passende technieken voorbehandeld.

Afdeling 2

Lozing van afvalwater

1.

Terreinen van installaties met een hoge capaciteit, met de bijbehorende terreinen voor de opslag van dierlijke bijproducten, zijn zodanig ontworpen dat het ongeoorloofd en accidenteel vrijkomen van verontreinigende stoffen in bodem, oppervlaktewater en grondwater wordt voorkomen.

2.

Er wordt voorzien in opvangcapaciteit voor van het terrein van de installatie wegvloeiend verontreinigd regenwater en voor verontreinigd water dat afkomstig is van overlopen of brandbestrijding.

Zo nodig zorgt de exploitant ervoor dat dergelijk regenwater en water kan worden onderzocht en gezuiverd alvorens het, indien nodig, wordt verwijderd.

HOOFDSTUK III

VERBRANDINGS- EN MEEVERBRANDINGSINSTALLATIES MET EEN LAGE CAPACITEIT

Verbrandings- en meeverbrandingsinstallaties waar uitsluitend dierlijke bijproducten en afgeleide producten worden verwerkt met een maximumcapaciteit van minder dan 50 kg dierlijke bijproducten per uur of per partij (installaties met een lage capaciteit) en die overeenkomstig Richtlijn 2000/76/EG geen exploitatievergunning behoeven, worden:

a)

uitsluitend gebruikt voor de verwijdering van:

i)

dode gezelschapsdieren als bedoeld in artikel 8, onder a) iii), van Verordening (EG) nr. 1069/2009, of

ii)

categorie 1-materiaal als bedoeld in artikel 8, onder b), e) en f), categorie 2-materiaal als bedoeld in artikel 9 en categorie 3-materiaal als bedoeld in artikel 10 van die verordening;

b)

uitgerust met een hulpbrander indien categorie 1-materiaal als bedoeld in artikel 8, onder b), van Verordening (EG) nr. 1069/2009 in de installatie met lage capaciteit wordt binnengebracht;

c)

zodanig geëxploiteerd dat de dierlijke bijproducten volledig tot as worden gereduceerd.


BIJLAGE IV

VERWERKING

HOOFDSTUK I

EISEN INZAKE VERWERKINGSBEDRIJVEN EN BEPAALDE ANDERE BEDRIJVEN EN INRICHTINGEN

Afdeling 1

Algemene voorschriften

1.

Verwerkingsbedrijven voldoen aan de volgende eisen voor verwerking door sterilisatie onder druk of door gebruikmaking van een van de in artikel 15, lid 1, onder b), van Verordening (EG) nr. 1069/2009 bedoelde verwerkingsmethoden:

a)

verwerkingsbedrijven mogen zich niet op hetzelfde terrein bevinden als slachthuizen of andere inrichtingen die erkend of geregistreerd zijn overeenkomstig Verordening (EG) nr. 852/2004 of Verordening (EG) nr. 853/2004, tenzij de risico's voor de volksgezondheid en de diergezondheid als gevolg van de verwerking van dierlijke bijproducten, die van die slachthuizen of andere inrichtingen afkomstig zijn, door de inachtneming van minstens de volgende voorwaarden tot een minimum worden beperkt:

i)

het verwerkingsbedrijf moet fysiek van het slachthuis of de andere inrichting gescheiden zijn, zo nodig door het verwerkingsbedrijf te huisvesten in een gebouw dat volledig van het slachthuis of de andere inrichting is gescheiden;

ii)

het volgende moet in het verwerkingsbedrijf worden geïnstalleerd en gebruikt:

een transportsysteem dat het verwerkingsbedrijf met het slachthuis of de andere inrichting verbindt en niet kan worden omzeild;

afzonderlijke ingangen, ontvangstruimten, apparatuur en uitgangen voor zowel het verwerkingsbedrijf als het slachthuis of de inrichting;

iii)

er moeten maatregelen worden genomen ter voorkoming van de verspreiding van risico's door toedoen van het personeel dat in het verwerkingsbedrijf en in het slachthuis of de andere inrichting werkt;

iv)

onbevoegden en dieren mogen geen toegang hebben tot het verwerkingsbedrijf.

In afwijking van de punten i) tot en met iv) mag de bevoegde autoriteit voor verwerkingsbedrijven die categorie 3-materiaal verwerken andere dan de in deze punten vastgestelde voorwaarden toestaan, die de beperking beogen van de risico's voor de volksgezondheid en de diergezondheid, inclusief de risico's als gevolg van de verwerking van categorie 3-materiaal dat afkomstig is van niet op hetzelfde terrein gelegen bedrijven die overeenkomstig Verordening (EG) nr. 852/2004 of Verordening (EG) nr. 853/2004 zijn erkend of geregistreerd.

De lidstaten stellen de Commissie en de andere lidstaten in het kader van het in artikel 52, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1069/2009, genoemde Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid in kennis van het gebruik dat door hun bevoegde autoriteiten van deze afwijking wordt gemaakt;

b)

het verwerkingsbedrijf moet bestaan uit een reine en een onreine zone, die adequaat gescheiden moeten zijn. De onreine zone moet een overdekte ruimte hebben voor de levering van de dierlijke bijproducten en moet zo gebouwd zijn dat hij gemakkelijk te reinigen en te ontsmetten is. De vloeren moeten zo zijn aangelegd dat vloeistoffen gemakkelijk kunnen wegvloeien;

c)

het verwerkingsbedrijf moet voorzien zijn van geschikte voorzieningen, inclusief toiletten, kleedruimten en wasbakken voor het personeel;

d)

het verwerkingsbedrijf moet installaties met voldoende capaciteit voor de productie van warm water en voor het opwekken van stoom hebben voor het verwerken van dierlijke bijproducten;

e)

zo nodig moet de onreine zone installaties hebben om het volume van de dierlijke bijproducten te verkleinen en een installatie om de fijngemaakte dierlijke bijproducten in de verwerkingsinstallatie te laden;

f)

wanneer een warmtebehandeling vereist is, moeten alle installaties voorzien zijn van:

i)

meetapparatuur om de temperatuur en de tijdsduur te volgen en, indien van toepassing voor de gebruikte verwerkingsmethode, op kritische punten de druk te controleren;

ii)

registreertoestellen om de resultaten van deze metingen continu te registreren zodat deze toegankelijk blijven voor eigen en officiële controles;

iii)

een adequaat veiligheidssysteem om te voorkomen dat de bijproducten onvoldoende worden verhit;

g)

om herverontreiniging van het afgeleide product door binnenkomende dierlijke bijproducten te voorkomen, moet het gedeelte van het bedrijf waar het te verwerken binnenkomende materiaal wordt gelost, duidelijk gescheiden zijn van het gedeelte voor de verwerking van dat product en de opslag van het afgeleide product.

2.

Het verwerkingsbedrijf moet beschikken over adequate voorzieningen voor het reinigen en ontsmetten van de open en de afsluitbare recipiënten waarin de dierlijke bijproducten zijn ontvangen, alsmede van de vervoermiddelen waarin zij zijn vervoerd, schepen uitgezonderd.

3.

Het verwerkingsbedrijf moet beschikken over adequate voorzieningen om de wielen van de voertuigen en, indien nodig, de overige onderdelen van het voertuig te ontsmetten bij het verlaten van de onreine zone van het bedrijf.

4.

Alle verwerkingsbedrijven moeten uitgerust zijn met een afvalwaterlozingsinstallatie die voldoet aan de door de bevoegde autoriteit overeenkomstig de wetgeving van de Unie vastgestelde eisen.

5.

Het verwerkingsbedrijf moet over een eigen laboratorium beschikken of gebruikmaken van de diensten van een extern laboratorium. Het laboratorium moet zo zijn uitgerust dat de noodzakelijke analyses kunnen worden uitgevoerd en moet door de bevoegde autoriteit erkend zijn op basis van een beoordeling van het vermogen van het laboratorium om die analyses uit te voeren; het moet op basis van internationaal erkende normen geaccrediteerd zijn of regelmatig door de bevoegde autoriteit gecontroleerd worden ter beoordeling van het vermogen van het laboratorium om voornoemde analyses uit te voeren.

6.

Als het op basis van een risicobeoordeling, gezien de hoeveelheid producten die wordt behandeld, nodig is dat de bevoegde autoriteit regelmatig of permanent aanwezig is, moeten de verwerkingsbedrijven beschikken over een adequaat uitgeruste afsluitbare ruimte die uitsluitend door de inspectiedienst mag worden gebruikt.

Afdeling 2

Afvalwaterbehandeling

1.

Categorie 1-verwerkingsbedrijven en andere bedrijfsruimten waar gespecificeerd risicomateriaal wordt verwijderd, slachthuizen en categorie 2-verwerkingsbedrijven beschikken als eerste fase van de afvalwaterbehandeling over een voorbehandelingsproces voor het opvangen en verzamelen van dierlijk materiaal.

De apparatuur voor het voorbehandelingsproces bestaat uit sifons of zeven met een poriegrootte of maaswijdte van maximaal 6 mm in de eindfase van het proces of uit soortgelijke systemen die vaste deeltjes van 6 mm of meer in het afvalwater tegenhouden.

2.

Afvalwater uit bedrijfsruimten als bedoeld in punt 1 moet een voorbehandelingsproces doorlopen zodat het gefilterd uit de bedrijfsruimten wordt afgevoerd. Vast dierlijk materiaal uit afvalwater wordt niet vermalen, geweekt of op enige andere wijze verwerkt of onder druk gezet om het voorbehandelingsproces te vergemakkelijken.

3.

Al het dierlijke materiaal dat wordt opgevangen bij het voorbehandelingsproces in bedrijfsruimten als bedoeld in punt 1 wordt, naargelang het geval, als categorie 1- of categorie 2-materiaal verzameld en vervoerd en overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1069/2009 verwijderd.

4.

Afvalwater dat het voorbehandelingsproces in bedrijfsruimten als bedoeld in punt 1 heeft doorlopen en afvalwater van andere bedrijfsruimten waar dierlijke bijproducten worden gehanteerd of verwerkt, wordt overeenkomstig de wetgeving van de Unie en zonder beperkingen overeenkomstig deze verordening behandeld.

5.

In aanvulling op punt 4 mag de bevoegde autoriteit exploitanten verplichten om afvalwater van de onreine zone van verwerkingsbedrijven en van bedrijven of inrichtingen die tussenhandelingen met categorie 1- of categorie 2-materiaal uitvoeren of categorie 1- of categorie 2-materiaal opslaan, onder zodanige voorwaarden te behandelen dat de risico's van ziekteverwekkers worden beperkt.

6.

Onverminderd de punten 1 tot en met 5 is het verwijderen van dierlijke bijproducten, inclusief bloed en melk, of afgeleide producten, via de afvalwaterstroom verboden.

Categorie 3-materiaal bestaande uit centrifuge- en separatorslib mag wel via de afvalwaterstroom worden verwijderd, op voorwaarde dat het een in bijlage X, hoofdstuk II, afdeling 4, deel III, bedoelde behandeling voor centrifuge- en separatorslib heeft ondergaan.

Afdeling 3

Specifieke eisen voor de verwerking van categorie 1- en categorie 2-materiaal

Verwerkingsbedrijven die categorie 1- en categorie 2-materiaal verwerken, moeten zodanig zijn gelegen dat tussen ontvangst van de grondstof en verzending van het afgeleide product de absolute scheiding van categorie 1-materiaal van categorie 2-materiaal gewaarborgd is, tenzij een mengsel van categorie 1- en categorie 2-materiaal als categorie 1-materiaal is verwerkt.

Afdeling 4

Specifieke eisen voor de verwerking van categorie 3-materiaal

Naast de in afdeling 1 vermelde algemene voorschriften gelden ook de volgende bepalingen:

1.

Verwerkingsbedrijven die categorie 3-materiaal verwerken, zijn niet op hetzelfde terrein gelegen als verwerkingsbedrijven die categorie 1- of categorie 2-materiaal verwerken, tenzij zij zich in een volledig afzonderlijk gebouw bevinden.

2.

De bevoegde autoriteit mag evenwel toestaan dat categorie 3-materiaal wordt verwerkt op een terrein waar categorie 1- of categorie 2-materiaal wordt gehanteerd of verwerkt indien versleping voorkomen wordt door:

a)

de ligging van de bedrijfsruimten, met name de voorzieningen voor de ontvangst van de grondstoffen en de wijze waarop deze verder worden gehanteerd;

b)

de ligging en het beheer van de apparatuur die voor de verwerking wordt gebruikt, inclusief de opstelling en het beheer van afzonderlijke verwerkingslijnen of van reinigingsprocedures die verspreiding van mogelijke risico's voor de volksgezondheid en de diergezondheid uitsluiten, en

c)

de ligging en het beheer van de ruimten voor de tijdelijke opslag van de eindproducten.

3.

Verwerkingsbedrijven die categorie 3-materiaal verwerken, zijn uitgerust met een installatie waarmee zij de aanwezigheid van vreemde bestanddelen, zoals verpakkingsmateriaal of metaal, in de dierlijke bijproducten of afgeleide producten kunnen opsporen, indien het verwerkte materiaal voor vervoedering bestemd is. Dergelijke vreemde bestanddelen worden vóór of tijdens het verwerkingsproces verwijderd.

HOOFDSTUK II

EISEN INZAKE HYGIËNE EN VERWERKING

Afdeling 1

Algemene hygiënevoorschriften

Naast de in artikel 25 van Verordening (EG) nr. 1069/2009 vastgestelde algemene hygiënevoorschriften beschikken verwerkingsbedrijven over een gedocumenteerd plagenbestrijdingsprogramma voor de uitvoering van de bepalingen in artikel 25, lid 1, onder c), van die verordening betreffende de voorzieningen ter bescherming tegen schadelijke dieren zoals insecten, knaagdieren en vogels.

Afdeling 2

Algemene voorschriften inzake de verwerking

1.

Er moeten nauwkeurig geijkte meters/registreertoestellen worden gebruikt om de verwerking continu te controleren. Er wordt een administratie bijgehouden met de data waarop de meters/registreertoestellen zijn geijkt.

2.

Materiaal dat mogelijk niet de gespecificeerde warmtebehandeling heeft ondergaan, zoals materiaal dat bij het opstarten van het verwerkingsproces wordt afgevoerd of uit kooktoestellen is gelekt, moet opnieuw door het warmtebehandelingsproces worden geleid of worden verzameld en opnieuw worden verwerkt of worden verwijderd overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1069/2009.

Afdeling 3

Verwerkingsmethoden voor categorie 1- en categorie 2-materiaal

Tenzij de bevoegde autoriteit verwerkingsmethode 1 (sterilisatie onder druk) verplicht stelt, wordt categorie 1- en categorie 2-materiaal verwerkt met een van de in hoofdstuk III beschreven methoden 2, 3, 4 en 5.

Afdeling 4

Verwerking van categorie 3-materiaal

1.

Voor iedere in hoofdstuk III beschreven verwerkingsmethode omvatten de kritische controlepunten die bepalend zijn voor de bij de verwerking toegepaste warmtebehandeling:

a)

de deeltjesgrootte van de grondstof;

b)

de bij de warmtebehandeling bereikte temperatuur;

c)

de druk, indien op de grondstof uitgeoefend;

d)

de duur van de warmtebehandeling of het verwerkingsdebiet van een continuprocedé. Voor ieder kritisch controlepunt moeten minimumnormen voor het verwerkingsproces worden gespecificeerd.

2.

In het geval van chemische behandelingen die door de bevoegde autoriteit zijn toegestaan als verwerkingsmethode 7 overeenkomstig hoofdstuk III, onder G, is ook de gerealiseerde pH-bijstelling een kritisch controlepunt dat bepalend is voor de bij de verwerking toegepaste chemische behandeling.

3.

De verzamelde gegevens worden ten minste twee jaar bewaard om aan te tonen dat voor ieder kritisch controlepunt de minimumwaarden voor verwerking worden toegepast.

4.

Categorie 3-materiaal wordt verwerkt met een van de verwerkingsmethoden 1 tot en met 5 of met verwerkingsmethode 7 of, indien het materiaal afkomstig is van waterdieren, met een van de verwerkingsmethoden 1 tot en met 7, zoals beschreven in hoofdstuk III.

HOOFDSTUK III

STANDAARDVERWERKINGSMETHODEN

A.   Verwerkingsmethode 1 (sterilisatie onder druk)

Verkleining

1.

Als de deeltjesgrootte van de te verwerken dierlijke bijproducten meer dan 50 mm bedraagt, worden de dierlijke bijproducten met behulp van adequate apparatuur zo verkleind dat de deeltjes na de verkleining niet groter zijn dan 50 mm. De doeltreffendheid van de apparatuur wordt dagelijks gecontroleerd en de staat ervan geregistreerd. Indien uit de controles blijkt dat er deeltjes voorkomen die groter zijn dan 50 mm, wordt de verwerking stopgezet en worden er herstelwerkzaamheden verricht voordat de verwerking wordt hervat.

Tijd, temperatuur en druk

2.

Dierlijke bijproducten met een deeltjesgrootte van ten hoogste 50 mm moeten ononderbroken gedurende ten minste 20 minuten bij een (absolute) druk van ten minste 3 bar worden verhit tot een kerntemperatuur van meer dan 133 °C. De druk moet worden opgewekt door de sterilisatieruimte luchtledig te maken en stoom te injecteren („verzadigde stoom”); de warmtebehandeling kan als enig procedé worden toegepast of vóór of na de sterilisatie plaatsvinden.

3.

De verwerking kan worden uitgevoerd in een batch- of continuprocedé.

B.   Verwerkingsmethode 2

Verkleining

1.

Als de deeltjesgrootte van de te verwerken dierlijke bijproducten meer dan 150 mm bedraagt, worden de dierlijke bijproducten met behulp van adequate apparatuur zo verkleind dat de deeltjes na de verkleining niet groter zijn dan 150 mm. De doeltreffendheid van de apparatuur wordt dagelijks gecontroleerd en de staat ervan geregistreerd. Indien uit de controles blijkt dat er deeltjes voorkomen die groter zijn dan 150 mm, wordt de verwerking stopgezet en worden er herstelwerkzaamheden verricht voordat de verwerking wordt hervat.

Tijd, temperatuur en druk

2.

Na de verkleining moeten de dierlijke bijproducten zodanig worden verhit dat zij gedurende ten minste 125 minuten een kerntemperatuur boven 100 °C, gedurende ten minste 120 minuten een kerntemperatuur boven 110 °C en gedurende ten minste 50 minuten een kerntemperatuur boven 120 °C bereiken.

De kerntemperatuurwaarden mogen achtereenvolgens of in een overlappende combinatie van de aangegeven perioden worden bereikt.

3.

De verwerking moet worden uitgevoerd in een batchprocedé.

C.   Verwerkingsmethode 3

Verkleining

1.

Als de deeltjesgrootte van de te verwerken dierlijke bijproducten meer dan 30 mm bedraagt, worden de dierlijke bijproducten met behulp van adequate apparatuur zo verkleind dat de deeltjes na de verkleining niet groter zijn dan 30 mm. De doeltreffendheid van de apparatuur wordt dagelijks gecontroleerd en de staat ervan geregistreerd. Indien uit de controles blijkt dat er deeltjes voorkomen die groter zijn dan 30 mm, wordt de verwerking stopgezet en worden er herstelwerkzaamheden verricht voordat de verwerking wordt hervat.

Tijd, temperatuur en druk

2.

Na de verkleining moeten de dierlijke bijproducten zodanig worden verhit dat zij gedurende ten minste 95 minuten een kerntemperatuur boven 100 °C, gedurende ten minste 55 minuten een kerntemperatuur boven 110 °C en gedurende ten minste 13 minuten een kerntemperatuur boven 120 °C bereiken.

De kerntemperatuurwaarden mogen achtereenvolgens of in een overlappende combinatie van de aangegeven perioden worden bereikt.

3.

De verwerking kan worden uitgevoerd in een batch- of continuprocedé.

D.   Verwerkingsmethode 4

Verkleining

1.

Als de deeltjesgrootte van de te verwerken dierlijke bijproducten meer dan 30 mm bedraagt, worden de dierlijke bijproducten met behulp van adequate apparatuur zo verkleind dat de deeltjes na de verkleining niet groter zijn dan 30 mm. De doeltreffendheid van de apparatuur wordt dagelijks gecontroleerd en de staat ervan geregistreerd. Indien uit de controles blijkt dat er deeltjes voorkomen die groter zijn dan 30 mm, wordt de verwerking stopgezet en worden er herstelwerkzaamheden verricht voordat de verwerking wordt hervat.

Tijd, temperatuur en druk

2.

Na de verkleining worden de dierlijke bijproducten in een ketel met toegevoegd vet gebracht en zodanig verhit dat zij gedurende ten minste 16 minuten een kerntemperatuur boven 100 °C, gedurende ten minste 13 minuten een kerntemperatuur boven 110 °C, gedurende ten minste 8 minuten een kerntemperatuur boven 120 °C en gedurende ten minste 3 minuten een kerntemperatuur boven 130 °C bereiken.

De kerntemperatuurwaarden mogen achtereenvolgens of in een overlappende combinatie van de aangegeven perioden worden bereikt.

3.

De verwerking kan worden uitgevoerd in een batch- of continuprocedé.

E.   Verwerkingsmethode 5

Verkleining

1.

Als de deeltjesgrootte van de te verwerken dierlijke bijproducten meer dan 20 mm bedraagt, worden de dierlijke bijproducten met behulp van adequate apparatuur zo verkleind dat de deeltjes na de verkleining niet groter zijn dan 20 mm. De doeltreffendheid van de apparatuur wordt dagelijks gecontroleerd en de staat ervan geregistreerd. Indien uit de controles blijkt dat er deeltjes voorkomen die groter zijn dan 20 mm, wordt de verwerking stopgezet en worden er herstelwerkzaamheden verricht voordat de verwerking wordt hervat.

Tijd, temperatuur en druk

2.

Na de verkleining worden de dierlijke bijproducten verhit totdat zij coaguleren en vervolgens geperst zodat vet en water uit het eiwitmateriaal worden verwijderd. Daarna wordt het eiwitmateriaal zodanig verhit dat het gedurende ten minste 120 minuten een kerntemperatuur boven 80 °C en gedurende ten minste 60 minuten een kerntemperatuur boven 100 °C bereikt.

De kerntemperatuurwaarden mogen achtereenvolgens of in een overlappende combinatie van de aangegeven perioden worden bereikt.

3.

De verwerking kan worden uitgevoerd in een batch- of continuprocedé.

F.   Verwerkingsmethode 6 (voor dierlijke bijproducten van categorie 3 die uitsluitend afkomstig zijn van waterdieren of aquatische ongewervelden)

Verkleining

1.

De dierlijke bijproducten worden verkleind tot een deeltjesgrootte van maximaal:

a)

50 mm bij warmtebehandeling overeenkomstig punt 2, onder a), of

b)

30 mm bij warmtebehandeling overeenkomstig punt 2, onder b).

Vervolgens worden zij met mierenzuur gemengd om de pH te verlagen tot 4,0 of minder. Het mengsel wordt in afwachting van een nieuwe behandeling gedurende 24 uur opgeslagen.

Tijd, temperatuur en druk

2.

Na de verkleining moet het mengsel worden verhit tot:

a)

een kerntemperatuur van ten minste 90 °C gedurende ten minste 60 minuten, of

b)

een kerntemperatuur van ten minste 70 °C gedurende ten minste 60 minuten.

Bij het gebruik van een continusysteem wordt het product mechanisch door de verhittingsinstallatie doorgevoerd met zodanige snelheid dat de cyclus van de warmtebehandeling zowel qua tijd als temperatuur toereikend is.

3.

De verwerking kan worden uitgevoerd in een batch- of continuprocedé.

G.   Verwerkingsmethode 7

1.

Elke door de bevoegde autoriteit toegestane verwerkingsmethode waarvoor de exploitant aan de betrokken autoriteit het volgende heeft aangetoond:

a)

de identificatie van de relevante gevaren van de grondstoffen, in het licht van de oorsprong van die grondstoffen en van de mogelijke risico's met betrekking tot de diergezondheidsstatus van de lidstaat of het gebied of de zone waar de methode zal worden toegepast;

b)

de mate waarin de verwerkingsmethode voornoemde gevaren kan beperken tot een niveau dat geen noemenswaardig risico voor de volksgezondheid en de diergezondheid inhoudt;

c)

de dagelijkse bemonstering van het eindproduct gedurende een periode van 30 productiedagen, overeenkomstig de volgende microbiologische normen:

i)

materiaalmonsters die onmiddellijk na de behandeling worden genomen:

Clostridium perfringens: geen in 1 g;

ii)

materiaalmonsters die tijdens de opslag of bij de uitslag van de producten worden genomen:

 

Salmonella: geen in 25 g: n = 5, c = 0, m = 0, M = 0,

 

Enterobacteriaceae: n = 5, c = 2, m = 10, M = 300 in 1 g,

waarbij:

n

=

aantal te testen monsters;

m

=

drempelwaarde voor het aantal bacteriën; het resultaat wordt als bevredigend beschouwd als het aantal bacteriën in geen enkel monster groter dan m is;

M

=

maximumwaarde voor het aantal bacteriën; het resultaat wordt als onbevredigend beschouwd als het aantal bacteriën in een of meer monsters gelijk aan of groter dan M is, en

c

=

aantal monsters waarvoor de bacterietelling een resultaat tussen m en M te zien mag geven en waarbij de monsters nog als aanvaardbaar worden beschouwd als het resultaat van de bacterietelling voor de overige monsters niet groter dan m is.

2.

De gegevens inzake de kritische controlepunten waaruit moet blijken dat een verwerkingsbedrijf aan de microbiologische normen voldoet, worden geregistreerd en bewaard, zodat de exploitant en de bevoegde autoriteit het functioneren van het bedrijf kunnen controleren. De te registreren en controleren informatie moet gegevens bevatten betreffende de deeltjesgrootte en eventueel de kritische temperatuur, de absolute tijd, het drukprofiel, het verwerkingsdebiet en de vetrecyclage.

3.

In afwijking van punt 1 kan de bevoegde autoriteit het gebruik toestaan van verwerkingsmethoden die vóór de datum van inwerkingtreding van deze verordening zijn goedgekeurd overeenkomstig bijlage V, hoofdstuk III, bij Verordening (EG) nr. 1774/2002.

4.

De bevoegde autoriteit verbiedt de toepassing van de in de punten 1 en 3 bedoelde verwerkingsmethoden tijdelijk of definitief indien zij aanwijzingen heeft dat een van de in punt 1, onder a) en b), bedoelde omstandigheden in belangrijke mate is veranderd.

5.

De bevoegde autoriteit stelt de bevoegde autoriteit van een andere lidstaat op verzoek in kennis van de informatie waarover zij ten aanzien van de punten 1 en 2 voor een toegestane verwerkingsmethode beschikt.

HOOFDSTUK IV

ALTERNATIEVE VERWERKINGSMETHODEN

Afdeling 1

Algemene bepalingen

1.

Materiaal dat afkomstig is van de verwerking van categorie 1- en categorie 2-materiaal, met uitzondering van biodiesel die geproduceerd wordt overeenkomstig afdeling 2, onder D, van dit hoofdstuk, wordt permanent gemerkt overeenkomstig de voorschriften voor het merken van bepaalde afgeleide producten in bijlage VIII, hoofdstuk V.

2.

De bevoegde autoriteit van een lidstaat stelt op verzoek de resultaten van officiële controles ter beschikking van de bevoegde autoriteit van een andere lidstaat wanneer een alternatieve methode voor het eerst in die lidstaat wordt gebruikt, teneinde de algemene toepassing van de nieuwe alternatieve methode te vergemakkelijken.

Afdeling 2

Verwerkingsnormen

A.   Alkalische hydrolyse

1.   Grondstoffen

Voor dit procedé mogen dierlijke bijproducten van alle categorieën worden gebruikt.

2.   Verwerkingsmethode

Bij alkalische hydrolyse worden de volgende verwerkingsnormen in acht genomen:

a)

er wordt een natriumhydroxide (NaOH)- of kaliumhydroxide (KOH)-oplossing (of een combinatie daarvan) gebruikt in een hoeveelheid die bij benadering molair gelijkwaardig is met het gewicht, de soort en de samenstelling van de af te breken dierlijke bijproducten.

Indien de dierlijke bijproducten een hoog gehalte aan vet hebben, dat de base neutraliseert, wordt de toegevoegde base zodanig aangepast dat de hierboven genoemde molaire gelijkwaardigheid wordt bereikt;

b)

de dierlijke bijproducten worden in een vat van een staallegering geplaatst. De afgemeten hoeveelheid base wordt in vaste vorm of als oplossing toegevoegd zoals beschreven onder a);

c)

het vat wordt gesloten en het mengsel van dierlijke bijproducten en base wordt bij een (absolute) druk van ten minste 4 bar verhit tot een kerntemperatuur van minimaal 150 °C gedurende ten minste:

i)

drie uur zonder onderbreking;

ii)

zes uur zonder onderbreking in het geval van behandeling van dierlijke bijproducten als bedoeld in artikel 8, lid 1, onder a) i) en ii), van Verordening (EG) nr. 1069/2009.

Materiaal dat is afgeleid van categorie 1-materiaal van herkauwers die zijn gedood in het kader van TSE-uitroeiingsmaatregelen en die ofwel niet op TSE's getest hoeven te worden ofwel met negatief resultaat zijn getest overeenkomstig artikel 6, lid 1, van Verordening (EG) nr. 999/2001, kan evenwel verwerkt worden overeenkomstig punt i), of

iii)

één uur zonder onderbreking in het geval van dierlijke bijproducten die uit vis- of pluimveemateriaal bestaan;

d)

de verwerking wordt uitgevoerd in een batchprocedé en het materiaal in het vat wordt constant dooreengemengd om het afbraakproces te bevorderen, totdat de weefsels zijn opgelost en de beenderen en tanden zacht zijn geworden, en

e)

de dierlijke bijproducten worden zodanig behandeld dat gelijktijdig aan de eisen met betrekking tot tijd, temperatuur en druk wordt voldaan.

B.   Hydrolyse bij verhoogde druk en temperatuur

1.   Grondstoffen

Voor dit procedé mag categorie 2- en categorie 3-materiaal worden gebruikt.

2.   Verwerkingsmethode

Bij hydrolyse bij verhoogde druk en temperatuur worden de volgende verwerkingsnormen in acht genomen:

a)

de dierlijke bijproducten worden ononderbroken gedurende ten minste 40 minuten bij een (absolute) druk van ten minste 12 bar verhit tot een kerntemperatuur van ten minste 180 °C, welke temperatuur wordt bereikt door de indirecte toevoer van stoom naar de biolytische reactor;

b)

de verwerking wordt uitgevoerd in een batchprocedé en het materiaal in het vat wordt constant dooreengemengd, en

c)

de dierlijke bijproducten worden zodanig behandeld dat gelijktijdig aan de eisen met betrekking tot tijd, temperatuur en druk wordt voldaan.

C.   Biogasproductie door middel van hydrolyse bij verhoogde druk

1.   Grondstoffen

Voor dit procedé mogen dierlijke bijproducten van alle categorieën worden gebruikt.

2.   Verwerkingsmethode

Bij biogasproductie door middel van hydrolyse bij verhoogde druk worden de volgende verwerkingsnormen in acht genomen:

a)

de dierlijke bijproducten worden eerst verwerkt volgens verwerkingsmethode 1 (sterilisatie onder druk) zoals beschreven in hoofdstuk III, in een erkend verwerkingsbedrijf;

b)

na het onder a) bedoelde procedé wordt het ontvette materiaal gedurende ten minste 20 minuten bij een (absolute) druk van ten minste 25 bar en een temperatuur van ten minste 220 °C behandeld, waarbij de verhitting in twee stappen plaatsvindt, eerst door de rechtstreekse injectie van stoom en vervolgens indirect in een coaxiale warmtewisselaar;

c)

de verwerking wordt uitgevoerd in een batch- of continuprocedé en het materiaal in het vat wordt constant dooreengemengd;

d)

de dierlijke bijproducten worden zodanig behandeld dat gelijktijdig aan de eisen met betrekking tot tijd, temperatuur en druk wordt voldaan,;

e)

het daarvan afkomstige materiaal wordt vervolgens met water gemengd en in een biogasreactor anaeroob vergist (omzetting in biogas);

f)

voor categorie 1-grondstoffen verloopt het volledige procedé op dezelfde plaats en in een gesloten systeem; het tijdens het proces geproduceerde biogas wordt in dezelfde installatie snel verbrand bij een minimumtemperatuur van 900 °C en vervolgens snel afgekoeld („geblust”).

D.   Biodieselproductie

1.   Grondstoffen

Voor dit procedé mag een vetfractie afkomstig van dierlijke bijproducten van alle categorieën worden gebruikt.

2.   Verwerkingsmethode

Bij biodieselproductie worden de volgende verwerkingsnormen in acht genomen:

a)

tenzij gebruik wordt gemaakt van visolie die, of gesmolten vet dat geproduceerd is overeenkomstig respectievelijk sectie VIII of sectie XII van bijlage III bij Verordening (EG) nr. 853/2004, wordt de vetfractie afkomstig van dierlijke bijproducten eerst verwerkt:

i)

in het geval van categorie 1- of categorie 2-materiaal, volgens verwerkingsmethode 1 (sterilisatie onder druk) als beschreven in hoofdstuk III, en

ii)

in het geval van categorie 3-materiaal, volgens een van de verwerkingsmethoden 1 tot en met 5 of met verwerkingsmethode 7 of, in het geval van materiaal dat is afgeleid van vis, verwerkingsmethoden 1 tot en met 7 zoals beschreven in hoofdstuk III;

b)

het verwerkte vet wordt dan met gebruikmaking van een van de volgende methoden verwerkt:

i)

het verwerkte vet wordt van het eiwit gescheiden; bij vet van herkauwers worden de onoplosbare verontreinigingen verwijderd tot een maximumgehalte van 0,15 gewichtsprocent overblijft, waarna het verwerkte vet achtereenvolgens wordt veresterd en omgeësterd.

Verestering is echter niet vereist voor verwerkt vet afkomstig van materiaal van categorie 3. Voor de verestering wordt de pH verlaagd tot minder dan 1 door de toevoeging van zwavelzuur (H2SO4) of een gelijkwaardig zuur en het mengsel wordt, terwijl het krachtig wordt dooreengemengd, gedurende ten minste 2 uur tot 72 °C verhit.

Omestering wordt uitgevoerd door de pH te verhogen tot ongeveer 14 met kaliumhydroxide of met een gelijkwaardige base bij 35 °C tot 50 °C gedurende ten minste 15 minuten. De omestering moet tweemaal worden uitgevoerd onder de in dit punt beschreven omstandigheden met gebruikmaking van een nieuwe baseoplossing. Dit proces wordt gevolgd door raffinage van de producten, waaronder vacuümdistillatie bij 150 °C, waarna biodiesel ontstaat;

ii)

een procedé waarbij gebruik wordt gemaakt van vergelijkbare door de bevoegde autoriteit goedgekeurde procesparameters.

E.   Brookesvergassing

1.   Grondstoffen

Voor dit procedé mag categorie 2- en categorie 3-materiaal worden gebruikt.

2.   Verwerkingsmethode

Bij brookesvergassing worden de volgende verwerkingsnormen in acht genomen:

a)

de naverbrandingskamer wordt met aardgas gestookt;

b)

de dierlijke bijproducten worden in de primaire kamer van de vergasser geladen en de deur wordt gesloten. De primaire kamer heeft geen branders, maar wordt verhit door warmteoverdracht door geleiding van de naverbrander, die onder de primaire kamer gelegen is. De enige lucht die in de primaire kamer wordt binnengelaten, is afkomstig van drie inlaatkleppen op de hoofddeur om de efficiëntie van het proces te vergroten;

c)

de dierlijke bijproducten worden vervluchtigd tot complexe koolwaterstoffen en de daarbij vrijkomende gassen gaan van de primaire kamer door een nauwe opening boven in de achterwand naar de meng- en kraakzones, waar zij uiteenvallen in hun bestanddelen. Ten slotte gaan de gassen naar de naverbrandingskamer, waar zij in de vlam van een aardgasbrander bij luchtovermaat worden verbrand;

d)

elke proceseenheid beschikt over twee branders en twee secundaire ventilatoren voor het geval een brander of ventilator uitvalt. De secundaire kamer is ontworpen voor een minimale verblijftijd van twee seconden bij een minimumtemperatuur van 950 °C onder alle verbrandingscondities;

e)

bij het verlaten van de secundaire kamer gaan de afvalgassen door een barometrische demper onder in de schoorsteen, waar zij worden afgekoeld en met omgevingslucht worden verdund, zodat in de primaire en secundaire kamer een constante druk gehandhaafd blijft;

f)

het proces vindt plaats in een cyclus van 24 uur, het laden, verwerken, afkoelen en verwijderen van de as inbegrepen. Aan het einde van de cyclus wordt de overblijvende as met behulp van een vacuümextractiesysteem uit de primaire kamer in gesloten zakken gedaan, die vervolgens worden verzegeld alvorens te worden vervoerd;

g)

de vergassing van ander materiaal dan dierlijke bijproducten is niet toegestaan.

F.   Verstoking van dierlijk vet in een thermische ketel

1.   Grondstoffen

Voor dit procedé mag een vetfractie afkomstig van dierlijke bijproducten van alle categorieën worden gebruikt.

2.   Verwerkingsmethode

Bij de verstoking van dierlijk vet in een thermische ketel worden de volgende verwerkingsnormen in acht genomen:

a)

tenzij gebruik wordt gemaakt van visolie die, of gesmolten vet dat geproduceerd is overeenkomstig respectievelijk sectie VIII of sectie XII van bijlage III bij Verordening (EG) nr. 853/2004, wordt de vetfractie van dierlijke bijproducten eerst verwerkt:

i)

in het geval van vetfractie van categorie 1- en categorie 2-materiaal dat bestemd is voor verstoking in een andere installatie:

voor vetfractie afkomstig van de verwerking van herkauwers die met negatief resultaat zijn getest overeenkomstig artikel 6, lid 1, van Verordening (EG) nr. 999/2001 en van de verwerking van andere dieren dan herkauwers die op TSE's moeten worden getest, volgens een van de verwerkingsmethoden 1 tot en met 5 als beschreven in hoofdstuk III;

voor vetfractie afkomstig van de verwerking van andere herkauwers, volgens verwerkingsmethode 1 als beschreven in hoofdstuk III, en

ii)

in het geval van categorie 1- en categorie 2-materiaal dat bestemd is voor verstoking in hetzelfde bedrijf en in het geval van categorie 3-materiaal, volgens een van de verwerkingsmethoden 1 tot en met 5 of met verwerkingsmethode 7; indien het materiaal afgeleid is van vis, volgens de verwerkingsmethoden 1 tot en met 7 als beschreven in hoofdstuk III;

b)

de vetfractie wordt van het eiwit gescheiden; in het geval van vet van herkauwers dat bestemd is voor verstoking in een ander bedrijf worden de onoplosbare verontreinigingen verwijderd tot een maximumgehalte van 0,15 gewichtsprocent overblijft;

c)

na het onder a) en b) beschreven proces wordt het vet:

i)

in een stoomketel verdampt en bij een minimumtemperatuur van 1 100 °C gedurende ten minste 0,2 seconde verbrand, of

ii)

met gebruikmaking van gelijkwaardige door de bevoegde autoriteit goedgekeurde procesparameters verwerkt;

d)

de verstoking van ander materiaal van dierlijke oorsprong dan dierlijk vet is niet toegestaan;

e)

vet afkomstig van categorie 1- en categorie 2-materiaal wordt verstookt in hetzelfde bedrijf waar het vet gesmolten wordt, teneinde de opgewekte energie voor de verwerkingsprocessen te gebruiken. De bevoegde autoriteit mag echter het vervoer van dit vet voor verstoking naar andere bedrijven toestaan mits:

i)

het bedrijf van bestemming toestemming voor de verstoking heeft;

ii)

strenge voorwaarden worden toegepast voor de scheiding tussen verbranding en de verwerking van levensmiddelen of diervoeders in een erkend bedrijf op dezelfde locatie;

f)

de verstoking overeenkomstig de wetgeving van de Unie ter bescherming van het milieu plaatsvindt, met name overeenkomstig de in die wetgeving vastgestelde normen inzake de beste beschikbare technieken voor de controle en de bewaking van emissies.

G.   Thermomechanische biobrandstofproductie

1.   Grondstoffen

Voor dit procedé mogen mest, de inhoud van het maag-darmkanaal en categorie 3-materiaal worden gebruikt.

2.   Verwerkingsmethode

Bij thermomechanische biobrandstofproductie worden de volgende verwerkingsnormen in acht genomen:

a)

de dierlijke bijproducten worden in een converter geladen en vervolgens gedurende een periode van acht uur bij een temperatuur van 80 °C behandeld. Tijdens deze periode wordt het materiaal voortdurend in grootte verkleind onder gebruikmaking van geschikte mechanische verkleiningsapparatuur;

b)

het materiaal wordt vervolgens gedurende ten minste twee uur bij een temperatuur van 100 °C behandeld;

c)

de deeltjesgrootte van het resulterende materiaal mag niet groter zijn dan 20 mm;

d)

de dierlijke bijproducten worden zodanig behandeld dat gelijktijdig aan de onder a) en b) vastgestelde eisen met betrekking tot tijd, temperatuur en druk wordt voldaan;

e)

tijdens de warmtebehandeling van het materiaal wordt het verdampte water continu uit de luchtruimte boven de biobrandstof afgezogen en door een condensor van roestvrij staal geleid. Het condenswater wordt gedurende ten minste één uur op een temperatuur van minstens 70 °C gehouden voordat het als afvalwater wordt geloosd;

f)

na de warmtebehandeling van het materiaal wordt de resulterende biobrandstof uit de converter verwijderd en via een volledig overdekte en afgesloten transportband automatisch vervoerd naar een verbrandings- of meeverbrandingsinstallatie op hetzelfde terrein;

g)

De verwerking moet worden uitgevoerd in een batchprocedé.

Afdeling 3

Verwijdering en gebruik van afgeleide producten

1.

Producten afkomstig van de verwerking van:

a)

categorie 1-materiaal worden:

i)

verwijderd overeenkomstig artikel 12, onder a) of b), van Verordening (EG) nr. 1069/2009;

ii)

verwijderd door begraving op een toegelaten stortplaats;

iii)

omgezet in biogas, mits de gistingsresiduen worden verwijderd overeenkomstig punt i) of ii), of

iv)

verder verwerkt tot vetderivaten voor andere gebruiksdoeleinden dan vervoedering;

b)

categorie 2- en categorie 3-materiaal worden:

i)

verwijderd overeenkomstig punt 1, onder a) i) of ii), al dan niet na verwerking overeenkomstig artikel 12, onder a) en b), van Verordening (EG) nr. 1069/2009;

ii)

verder verwerkt tot vetderivaten voor andere gebruiksdoeleinden dan vervoedering;

iii)

als organische meststof of bodemverbeteraar gebruikt, of

iv)

tot compost verwerkt of omgezet in biogas.

2.

Materiaal dat verwerkt is met gebruikmaking van:

a)

alkalische hydrolyse als omschreven in afdeling 2, onder A, mag in een biogasinstallatie worden omgezet en daarna bij een minimumtemperatuur van 900 °C snel verbrand en vervolgens snel afgekoeld („geblust”) worden; indien het in artikel 8, onder a) en b), van Verordening (EG) nr. 1069/2009 genoemde materiaal als grondstof wordt gebruikt, vindt de omzetting in biogas in een gesloten systeem plaats, op dezelfde locatie als de verwerking;

b)

het biodieselproductieproces mag:

i)

in het geval van biodiesel en residuen van de destillatie van biodiesel, zonder enige beperking op grond van deze verordening, gebruikt worden als brandstof (eindpunt);

ii)

in het geval van kaliumsulfaat, voor de productie van afgeleide producten die bestemd zijn om op het land te worden uitgereden, gebruikt worden;

iii)

in het geval van glycerine:

afkomstig van categorie 1- of categorie 2-materiaal dat is verwerkt met gebruikmaking van verwerkingsmethode 1 als beschreven in hoofdstuk III, worden omgezet in biogas;

afkomstig van categorie 3-materiaal, voor vervoedering worden gebruikt.

3.

Afval zoals slib, filterinhoud, as en gistingsresiduen dat van de verwerking van dierlijke bijproducten overeenkomstig deze afdeling afkomstig is, wordt verwijderd overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1069/2009 en deze verordening.


BIJLAGE V

OMZETTING VAN DIERLIJKE BIJPRODUCTEN EN AFGELEIDE PRODUCTEN IN BIOGAS EN COMPOST

HOOFDSTUK I

EISEN VOOR INSTALLATIES

Afdeling 1

Biogasinstallaties

1.

Een biogasinstallatie moet beschikken over een pasteurisatie-/ontsmettingstoestel, dat niet overgeslagen kan worden voor de dierlijke bijproducten of afgeleide producten, waarvan de maximale deeltjesgrootte 12 mm bedraagt alvorens dit toestel binnen te gaan; dit toestel is uitgerust met:

a)

apparatuur waarmee kan worden bewaakt of de temperatuur van 70 °C gedurende een uur wordt bereikt;

b)

registreertoestellen die de onder a) bedoelde bewakingsresultaten continu registreren, en

c)

een adequaat veiligheidssysteem om te voorkomen dat het te verwerken materiaal onvoldoende wordt verhit.

2.

In afwijking van punt 1 is een pasteurisatie-/ontsmettingstoestel niet verplicht voor biogasinstallaties die alleen worden gebruikt voor de omzetting van:

a)

categorie 2-materiaal dat verwerkt is volgens verwerkingsmethode 1, zoals beschreven in bijlage IV, hoofdstuk III;

b)

categorie 3-materiaal dat is verwerkt volgens een van de verwerkingsmethoden 1 tot en met 5 of met verwerkingsmethode 7 of, indien het materiaal afkomstig is van waterdieren, volgens een van de verwerkingsmethoden 1 tot en met 7, zoals beschreven in bijlage IV, hoofdstuk III;

c)

categorie 3-materiaal dat al in een andere erkende installatie is gepasteuriseerd of ontsmet;

d)

dierlijke bijproducten die onverwerkt als grondstof mogen worden gebruikt overeenkomstig artikel 13, onder e) ii), van Verordening (EG) nr. 1069/2009 en deze verordening;

e)

dierlijke bijproducten die de in bijlage IV, hoofdstuk IV, afdeling 2, onder A, beschreven alkalische hydrolyse hebben ondergaan;

f)

de volgende dierlijke bijproducten, mits dit door de bevoegde autoriteit wordt toegestaan:

i)

de in artikel 10, onder f), van Verordening (EG) nr. 1069/2009 bedoelde dierlijke bijproducten, die verwerkt zijn in de zin van artikel 2, lid 1, onder m), van Verordening (EG) nr. 852/2004 op het tijdstip waarop zij voor andere doeleinden dan menselijke consumptie worden bestemd;

ii)

de in artikel 10, onder g), van Verordening (EG) nr. 1069/2009 bedoelde dierlijke bijproducten, of

iii)

dierlijke bijproducten die in biogas zijn omgezet, mits de gistingsresiduen daarna overeenkomstig deze verordening worden gecomposteerd, verwerkt of verwijderd.

3.

Indien de biogasinstallatie zich op of naast bedrijfsterreinen bevindt waar landbouwhuisdieren worden gehouden en de installatie ook andere producten dan alleen mest, melk of biest van deze dieren gebruikt, dient de installatie zich op een zekere afstand te bevinden van de plaats waar de dieren worden gehouden.

Die afstand moet zodanig zijn dat de biogasinstallatie geen onaanvaardbaar risico voor de overdracht van op mens of dier overdraagbare ziekten inhoudt.

In ieder geval moet de biogasinstallatie volledig fysiek van de dieren en hun voeder en strooisel worden gescheiden, zo nodig door een omheining.

4.

Elke biogasinstallatie moet beschikken over een eigen laboratorium of gebruikmaken van een extern laboratorium. Het laboratorium moet zo zijn uitgerust dat het de noodzakelijke analyses kan uitvoeren en moet door de bevoegde autoriteit erkend zijn; het moet op basis van internationaal erkende normen geaccrediteerd zijn of regelmatig door de bevoegde autoriteit gecontroleerd worden.

Afdeling 2

Composteerinstallaties

1.

Een composteerinstallatie moet beschikken over een gesloten composteerreactor of gesloten ruimte waardoor de ingevoerde dierlijke bijproducten of afgeleide producten moeten worden geleid; dit toestel is uitgerust met:

a)

apparatuur om de temperatuur als functie van de tijd te meten;

b)

registreertoestellen die de onder a) bedoelde meetresultaten, zo nodig continu, registreren;

c)

een adequaat veiligheidssysteem om te voorkomen dat het verwerkte materiaal onvoldoende wordt verhit.

2.

In afwijking van punt 1 mogen andere soorten composteersystemen worden toegestaan, mits:

a)

zij op zodanige wijze worden beheerd dat de vereiste tijd- en temperatuurparameters voor al het materiaal in het systeem worden bereikt en zo nodig continu worden bewaakt, of

b)

zij uitsluitend het in afdeling 1, punt 2, bedoelde materiaal omzetten, en

c)

zij aan alle andere toepasselijke bepalingen van deze verordening voldoen.

3.

Indien de composteerinstallatie zich op of naast bedrijfsterreinen bevindt waar landbouwhuisdieren worden gehouden en de installatie ook andere producten dan alleen mest, melk of biest van deze dieren gebruikt, dient de installatie zich op een zekere afstand te bevinden van de plaats waar de dieren worden gehouden.

Die afstand moet zodanig zijn dat de composteerinstallatie geen onaanvaardbaar risico voor de overdracht van op mens of dier overdraagbare ziekten inhoudt.

In ieder geval moet de composteerinstallatie volledig fysiek van de dieren en hun voeder en strooisel worden gescheiden, zo nodig door een omheining.

4.

Elke composteerinstallatie moet beschikken over een eigen laboratorium of gebruikmaken van een extern laboratorium. Het laboratorium moet zo zijn uitgerust dat het de noodzakelijke analyses kan uitvoeren en moet door de bevoegde autoriteit erkend zijn; het moet op basis van internationaal erkende normen geaccrediteerd zijn of regelmatig door de bevoegde autoriteit gecontroleerd worden.

HOOFDSTUK II

HYGIËNE-EISEN VOOR BIOGAS- EN COMPOSTEERINSTALLATIES

1.

Dierlijke bijproducten moeten zo spoedig mogelijk na aankomst in de biogas- of composteerinstallatie worden omgezet. Tot de behandeling moeten zij adequaat worden opgeslagen.

2.

Open en afsluitbare recipiënten en voertuigen die voor het vervoer van onbehandeld materiaal worden gebruikt, worden in een daarvoor aangewezen gedeelte gereinigd en ontsmet.

De plaats van dat gedeelte wordt zo gekozen of dat gedeelte wordt zo ontworpen dat er geen gevaar bestaat voor verontreiniging van behandelde producten.

3.

Er moeten systematisch preventieve maatregelen tegen vogels, knaagdieren, insecten en ander ongedierte worden getroffen.

Hiertoe dient een gedocumenteerd bestrijdingsprogramma te worden gebruikt.

4.

Voor alle delen van de ruimten worden reinigingsprocedures gedocumenteerd en vastgelegd. Voor de reiniging moeten geschikt materiaal en geschikte schoonmaakmiddelen worden verstrekt.

5.

De controle op de hygiëne omvat regelmatige inspectie van de omgeving en de apparatuur. De inspectieschema’s en -resultaten moeten worden gedocumenteerd.

6.

De installaties en apparatuur moeten goed worden onderhouden en de meetapparatuur moet regelmatig worden geijkt.

7.

Gistingsresiduen en compost moeten in de biogas- of composteerinstallatie zodanig worden gehanteerd en opgeslagen dat herverontreiniging wordt voorkomen.

HOOFDSTUK III

OMZETTINGSPARAMETERS

Afdeling 1

Standaardomzettingsparameters

1.

Categorie 3-materiaal dat als grondstof in een biogasinstallatie met een pasteurisatie-/ontsmettingstoestel wordt gebruikt, moet aan de volgende minimumeisen voldoen:

a)

maximale deeltjesgrootte vóór het invoeren in de installatie: 12 mm;

b)

minimumtemperatuur van al het materiaal in de installatie: 70 °C, en

c)

minimumtijd dat het materiaal zonder onderbreking in de installatie is: 60 minuten.

Melk, melkproducten, melkderivaten, biest en biestproducten van categorie 3 mogen echter zonder pasteurisatie/ontsmetting als grondstof in een biogasinstallatie worden gebruikt, indien zij volgens de bevoegde autoriteit geen risico opleveren voor de verspreiding van een ernstige op mens of dier overdraagbare ziekte.

De in de eerste alinea, onder b) en c), vastgestelde minimumeisen zijn ook van toepassing op categorie 2-materiaal dat zonder voorafgaande verwerking in een biogasinstallatie wordt omgezet overeenkomstig artikel 13, onder e) ii), van Verordening (EG) nr. 1069/2009.

2.

Categorie 3-materiaal dat als grondstof in een composteerinstallatie wordt gebruikt, moet aan de volgende minimumeisen voldoen:

a)

maximale deeltjesgrootte vóór het invoeren in de composteerreactor: 12 mm,

b)

minimumtemperatuur van al het materiaal in de reactor: 70 °C, en

c)

minimumtijd zonder onderbreking: 60 minuten.

De in de eerste alinea, onder b) en c), vastgestelde minimumeisen zijn ook van toepassing op categorie 2-materiaal dat zonder voorafgaande verwerking tot compost wordt verwerkt overeenkomstig artikel 13, onder e) ii), van Verordening (EG) nr. 1069/2009.

Afdeling 2

Alternatieve omzettingsparameters voor biogas- en composteerinstallaties

1.

De bevoegde autoriteit mag het gebruik van parameters die afwijken van de in hoofdstuk I, afdeling 1, punt 1, vermelde parameters en de standaardomzettingsparameters toestaan, mits de aanvrager bewijst dat die parameters de biologische risico’s afdoende beperken. Dit bewijs omvat een validatie, die wordt uitgevoerd overeenkomstig de volgende punten:

a)

identificatie en analyse van mogelijke gevaren, waaronder het effect van het uitgangsmateriaal, gebaseerd op een volledige omschrijving van de omzettingscondities en -parameters;

b)

een risicobeoordeling die evalueert hoe de onder a) bedoelde specifieke omzettingscondities in normale en atypische situaties in de praktijk worden bereikt;

c)

validatie van het voorgenomen proces door het meten van de vermindering van de levensvatbaarheid/infectiviteit van:

i)

endogene indicatororganismen tijdens het proces, waarbij de indicator:

consistent in hoge aantallen in de grondstof aanwezig is;

niet minder hittebestendig voor de dodelijke aspecten van het omzettingsproces is, maar ook niet significant resistenter dan de ziekteverwekkers voor de bewaking waarvan hij wordt gebruikt;

vrij gemakkelijk te kwantificeren en vrij gemakkelijk te identificeren en te bevestigen is, of

ii)

een goed gekarakteriseerd testorganisme of -virus, tijdens de behandeling, dat in een geschikt testlichaam in de grondstoffen is gebracht;

d)

de validatie van het voorgenomen proces, als bedoeld onder c), moet aantonen dat het proces de volgende algehele risicovermindering bereikt:

i)

voor warmte- en chemische processen:

een vermindering met 5 log10 van Enterococcus faecalis of Salmonella Senftenberg (775W, H2S-negatief);

een vermindering van de infectiviteitstiter van hittebestendige virussen zoals parvovirus met ten minste 3 log10, wanneer zij als een relevant gevaar worden geïdentificeerd, en

ii)

wat chemische processen betreft ook:

een vermindering van resistente parasieten zoals eieren van Ascaris spp. met ten minste 99,9 % (3 log10) van de levensvatbare stadia;

e)

opstelling van een volledig controleprogramma, waaronder procedures voor de bewaking van het functioneren van het proces als bedoeld onder c);

f)

maatregelen voor de continue bewaking van en het continue toezicht op de in het controleprogramma vastgestelde relevante procesparameters bij het gebruik van de installatie.

Er moeten dossiers met de bijzonderheden van de relevante procesparameters die in een biogas- of composteerinstallatie worden gebruikt, alsook van andere kritische controlepunten worden aangelegd en bijgehouden, zodat de eigenaar, exploitant of hun vertegenwoordiger en de bevoegde autoriteit het functioneren van de installatie kunnen bewaken.

De exploitant moet de dossiers op verzoek ter beschikking van de bevoegde autoriteit stellen. Op verzoek moeten gegevens over een overeenkomstig dit punt toegestaan proces aan de Commissie worden verstrekt.

2.

In afwijking van punt 1 kan de bevoegde autoriteit in afwachting van de vaststelling van de in artikel 15, lid 2, onder a) ii), van Verordening (EG) nr. 1069/2009 bedoelde voorschriften de toepassing van andere specifieke eisen toestaan dan in dit hoofdstuk zijn vastgesteld, mits zij een gelijkwaardig effect hebben wat de vermindering van ziekteverwekkers betreft, voor:

a)

keukenafval en etensresten, indien gebruikt als enig dierlijk bijproduct in een biogas- of composteerinstallatie, en

b)

mengsels van keukenafval en etensresten met het volgende materiaal:

i)

mest;

ii)

inhoud van het maag-darmkanaal gescheiden van het maag-darmkanaal;

iii)

melk;

iv)

melkproducten;

v)

melkderivaten;

vi)

biest;

vii)

biestproducten;

viii)

eieren;

ix)

eiproducten;

x)

dierlijke bijproducten als bedoeld in artikel 10, onder f), van Verordening (EG) nr. 1069/2009, die zijn verwerkt in de zin van artikel 2, lid 1, onder m), van Verordening (EG) nr. 852/2004.

3.

Wanneer het in punt 2, onder b), genoemde materiaal of in artikel 10, onder g), van Verordening (EG) nr. 1069/2009 bedoelde afgeleide producten de enige grondstoffen van dierlijke oorsprong zijn die in een biogas- of composteerinstallatie worden behandeld, mag de bevoegde autoriteit toestaan dat andere specifieke eisen worden gebruikt dan in dit hoofdstuk zijn vastgesteld, mits zij:

a)

van mening is dat dat materiaal geen risico op verspreiding van ernstige op mens of dier overdraagbare ziekten inhoudt;

b)

van mening is dat de gistingsresiduen of de compost niet-verwerkt materiaal zijn en exploitanten verplicht deze te hanteren overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1069/2009 en deze verordening.

4.

Exploitanten mogen gistingsresiduen en compost in de handel brengen indien deze producten zijn geproduceerd volgens parameters die door de bevoegde autoriteit zijn toegestaan:

a)

overeenkomstig punt 1;

b)

overeenkomstig de punten 2 en 3, uitsluitend in de lidstaten waar die parameters zijn toegestaan.

Afdeling 3

Normen voor gistingsresiduen en compost

1.

a)

Representatieve monsters van de gistingsresiduen of de compost, die tijdens of onmiddellijk na de omzetting in de biogasinstallatie of de compostering in de composteerinstallatie worden genomen om het proces te bewaken, moeten aan de volgende normen voldoen:

 

Escherichia coli: n = 5, c = 1, m = 1 000, M = 5 000 in 1 g;

of

 

Enterococcaceae: n = 5, c = 1, m = 1 000, M = 5 000 in 1 g;

en

b)

representatieve monsters van de gistingsresiduen of de compost, die tijdens de opslag of bij de uitslag uit de betrokken installaties worden genomen, moeten aan de volgende normen voldoen:

Salmonella: geen in 25 g: n = 5, c = 0, m = 0, M = 0.

Voor a) en b) geldt:

n

=

aantal te testen monsters;

m

=

drempelwaarde voor het aantal bacteriën; het resultaat wordt als bevredigend beschouwd als het aantal bacteriën in geen enkel monster groter dan m is;

M

=

maximumwaarde voor het aantal bacteriën; het resultaat wordt als onbevredigend beschouwd als het aantal bacteriën in een of meer monsters gelijk aan of groter dan M is, en

c

=

aantal monsters waarvoor de bacterietelling een resultaat tussen m en M te zien mag geven en waarbij het monster nog als aanvaardbaar wordt beschouwd als het resultaat van de bacterietelling voor de overige monsters niet groter dan m is.

2.

Gistingsresiduen of compost, die niet voldoen aan de in deze afdeling vastgestelde eisen, worden opnieuw omgezet of gecomposteerd en in het geval van Salmonella gehanteerd of verwijderd overeenkomstig de instructies van de bevoegde autoriteit.


BIJLAGE VI

BIJZONDERE VOORSCHRIFTEN INZAKE ONDERZOEK, VERVOEDERING EN VERZAMELING EN VERWIJDERING

HOOFDSTUK I

BIJZONDERE VOORSCHRIFTEN INZAKE MONSTERS VOOR ONDERZOEKS- EN ANDERE DOELEINDEN

Afdeling 1

Voor onderzoek en diagnose bestemde monsters

1.

Exploitanten zorgen ervoor dat zendingen voor onderzoek en diagnose bestemde monsters vergezeld gaan van een handelsdocument waarin het volgende wordt vermeld:

a)

de omschrijving van het materiaal en de diersoort van oorsprong;

b)

de categorie waartoe het materiaal behoort;

c)

de hoeveelheid materiaal;

d)

de plaats van oorsprong en de plaats van verzending van het materiaal;

e)

de naam en het adres van de afzender;

f)

de naam en het adres van de geadresseerde en/of de gebruiker.

2.

Gebruikers die voor onderzoek en diagnose bestemde monsters hanteren, treffen alle nodige maatregelen om te voorkomen dat op mens of dier overdraagbare ziekten worden verspreid zolang zij het materiaal onder hun controle hanteren, met name door de toepassing van goede laboratoriumpraktijken.

3.

Elk daaropvolgend gebruik van voor onderzoek en diagnose bestemde monsters voor andere doeleinden dan in bijlage I, punt 38, worden genoemd, is verboden.

4.

Tenzij zij voor referentiedoeleinden worden bewaard, worden voor onderzoek en diagnose bestemde monsters en producten die afkomstig zijn van het gebruik van dergelijke monsters, verwijderd:

a)

als afval door verbranding of meeverbranding;

b)

in het geval van dierlijke bijproducten of afgeleide producten als bedoeld in artikel 8, onder a) iv), c) en d), artikel 9 en artikel 10 van Verordening (EG) nr. 1069/2009 die deel uitmaken van celculturen, laboratoriumsets of laboratoriummonsters, door een behandeling onder voorwaarden die op zijn minst gelijkwaardig zijn aan de gevalideerde methode voor stoomautoclaven (1) en vervolgens door verwijdering als afval of afvalwater overeenkomstig de toepasselijke wetgeving van de Unie;

c)

door sterilisatie onder druk gevolgd door verwijdering of gebruik overeenkomstig de artikelen 12 tot en met 14 van Verordening (EG) nr. 1069/2009.

5.

Gebruikers die voor onderzoek en diagnose bestemde monsters hanteren, houden een register van ontvangen zendingen van die monsters bij.

Het register bevat de in punt 1 bedoelde informatie, alsook de verwijderingsdatum en -methode van de monsters en de eventuele afgeleide producten.

6.

In afwijking van de punten 1, 4 en 5 kan de bevoegde autoriteit toestaan dat de voor onderzoek en diagnose bestemde monsters voor educatieve doeleinden op een andere wijze gehanteerd en verwijderd worden, die onaanvaardbare risico’s voor de volksgezondheid en de diergezondheid uitsluit.

Afdeling 2

Handelsmonsters en demonstratiemateriaal

1.

Handelsmonsters en demonstratiemateriaal mogen uitsluitend worden vervoerd, gebruikt en verwijderd overeenkomstig afdeling 1, punten 1 tot en met 4 en 6.

2.

Tenzij de handelsmonsters voor referentiedoeleinden worden bewaard, worden zij na de voltooiing van de bijzondere studies of analyses:

a)

terug naar de lidstaat van oorsprong gezonden;

b)

naar een andere lidstaat of een derde land gezonden, indien de bevoegde autoriteit van de lidstaat of het derde land van bestemming daartoe vooraf toestemming heeft gegeven, of

c)

verwijderd of gebruikt overeenkomstig de artikelen 12, 13 en 14 van Verordening (EG) nr. 1069/2009.

3.

Na afloop van de tentoonstelling of na de artistieke activiteit wordt demonstratiemateriaal teruggezonden naar de lidstaat van oorsprong, verzonden of verwijderd, overeenkomstig punt 2.

HOOFDSTUK II

BIJZONDERE VERVOEDERINGSVOORSCHRIFTEN

Afdeling 1

Algemene voorschriften

Categorie 2- en categorie 3-materiaal als bedoeld in artikel 18, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1069/2009 mag worden vervoederd aan de onder a), d), f), g) en h), van dat lid genoemde dieren met inachtneming van de volgende voorwaarden, naast de voorwaarden die door de bevoegde autoriteit zijn vastgesteld overeenkomstig lid 1 van dat artikel:

1.

de dierlijke bijproducten worden naar de gebruikers of naar verzamelcentra vervoerd overeenkomstig bijlage VIII, hoofdstuk I, afdelingen 1 en 3;

2.

verzamelcentra worden door de bevoegde autoriteit geregistreerd, mits zij:

a)

voldoen aan de eisen die gesteld worden aan bedrijven die tussenhandelingen verrichten als bedoeld in bijlage IX, hoofdstuk II, en

b)

uitgerust zijn met adequate faciliteiten voor de destructie van ongebruikt materiaal of dit materiaal naar een erkend verwerkingsbedrijf, dan wel naar een erkende verbrandings- of meeverbrandingsinstallatie sturen, overeenkomstig deze verordening;

3.

de lidstaten mogen toestaan dat een categorie 2-verwerkingsbedrijf als verzamelcentrum wordt gebruikt;

4.

exploitanten van verzamelcentra die eindgebruikers ander materiaal dan dierlijke bijproducten van waterdieren en aquatische ongewervelden leveren, moeten ervoor zorgen dat het een van de volgende behandelingen ondergaat:

a)

denaturering met een oplossing van een kleurstof. De oplossing moet een zodanige concentratie hebben dat de verkleuring van het behandelde materiaal duidelijk zichtbaar is en niet verdwijnt wanneer het behandelde materiaal wordt ingevroren of gekoeld; het volledige oppervlak van alle stukken materiaal moet met de oplossing behandeld worden door onderdompeling van het materiaal in de oplossing of door de oplossing daarop te spuiten of op een andere manier daarop aan te brengen;

b)

sterilisatie, dat wil zeggen koken of stomen onder druk totdat elk stuk materiaal volledig doorgekookt is, of

c)

elke andere hantering of behandeling die is toegestaan door de bevoegde autoriteit die voor de exploitant verantwoordelijk is.

Afdeling 2

Voederen van bepaalde soorten in voederstations

1.

De bevoegde autoriteit mag onder de volgende voorwaarden toestaan dat het in artikel 18, lid 2, onder b), van Verordening (EG) nr. 1069/2009 genoemde categorie 1-materiaal in voederstations vervoederd wordt aan de hieronder genoemde met uitsterven bedreigde en beschermde soorten:

a)

het materiaal wordt vervoederd aan:

i)

een van de hieronder vermelde aasetende vogelsoorten in de volgende lidstaten:

Lidstaat

Diersoorten

Bulgarije

lammergier (Gypaetus barbatus)

monniksgier (Aegypius monachus)

aasgier (Neophron percnopterus)

vale gier (Gyps fulvus)

steenarend (Aquila chrysaetos)

keizerarend (Aquila heliaca)

zeearend (Haliaeetus albicilla)

zwarte wouw (Milvus migrans)

rode wouw (Milvus milvus)

Griekenland

lammergier (Gypaetus barbatus)

monniksgier (Aegypius monachus)

aasgier (Neophron percnopterus)

vale gier (Gyps fulvus)

steenarend (Aquila chrysaetos)

keizerarend (Aquila heliaca)

zeearend (Haliaeetus albicilla)

zwarte wouw (Milvus migrans)

Spanje

lammergier (Gypaetus barbatus)

monniksgier (Aegypius monachus)

aasgier (Neophron percnopterus)

vale gier (Gyps fulvus)

steenarend (Aquila chrysaetos)

Spaanse keizerarend (Aquila adalberti)

zwarte wouw (Milvus migrans)

rode wouw (Milvus milvus)

Frankrijk

lammergier (Gypaetus barbatus)

monniksgier (Aegypius monachus)

aasgier (Neophron percnopterus)

vale gier (Gyps fulvus)

steenarend (Aquila chrysaetos)

zeearend (Haliaeetus albicilla)

zwarte wouw (Milvus migrans)

rode wouw (Milvus milvus)

Italië

lammergier (Gypaetus barbatus)

monniksgier (Aegypius monachus)

aasgier (Neophron percnopterus)

vale gier (Gyps fulvus)

steenarend (Aquila chrysaetos)

zwarte wouw (Milvus migrans)

rode wouw (Milvus milvus)

Cyprus

monniksgier (Aegypius monachus)

vale gier (Gyps fulvus)

Portugal

monniksgier (Aegypius monachus)

aasgier (Neophron percnopterus)

vale gier (Gyps fulvus)

steenarend (Aquila chrysaetos)

Slowakije

steenarend (Aquila chrysaetos)

keizerarend (Aquila heliaca)

zeearend (Haliaeetus albicilla)

zwarte wouw (Milvus migrans)

rode wouw (Milvus milvus)

ii)

een van de in bijlage II bij Richtlijn 92/43/EEG genoemde vleesetende diersoorten, in speciale beschermingszones die door die richtlijn zijn vastgesteld, of

iii)

een van de in bijlage I bij Richtlijn 2009/147/EG genoemde Falconiformes of Strigiformes, in speciale beschermingszones die door die richtlijn zijn vastgesteld;

b)

de bevoegde autoriteit heeft de voor het voederstation verantwoordelijke exploitant een vergunning afgegeven.

De bevoegde autoriteit geeft dergelijke vergunningen af indien:

i)

het voederen niet als alternatieve manier dient voor de verwijdering van gespecificeerd risicomateriaal of van gestorven herkauwers die dergelijk materiaal bevatten, waaraan een TSE-risico verbonden is;

ii)

er een adequaat TSE-bewakingssysteem als bedoeld in Verordening (EG) nr. 999/2001 met regelmatige laboratoriumtests van monsters op TSE’s wordt toegepast;

c)

de bevoegde autoriteit zorgt voor de coördinatie met alle andere bevoegde autoriteiten die belast zijn met het toezicht op de aan de erkenning verbonden eisen;

d)

de bevoegde autoriteit heeft zich er, op basis van een beoordeling van de specifieke situatie van de betrokken soorten en hun habitat, van vergewist dat de staat van instandhouding erop zal vooruitgaan;

e)

de door de bevoegde autoriteit afgegeven vergunning:

i)

vermeldt uitdrukkelijk op welke soorten zij betrekking heeft;

ii)

beschrijft uitvoerig de locatie van het voederstation in het geografische gebied waar het voederen plaatsvindt, en

iii)

wordt onmiddellijk ingetrokken wanneer:

er een verband met de verspreiding van TSE’s vermoed wordt of bevestigd is, totdat het risico kan worden uitgesloten, of

niet aan de voorschriften van deze verordening wordt voldaan;

f)

de voor het voederen verantwoordelijke exploitant:

i)

reserveert een ingesloten gebied voor het voederen waartoe uitsluitend dieren van de in stand te houden soorten toegang hebben, indien nodig met omheiningen of andere middelen die overeenstemmen met de natuurlijke voedingspatronen van de betrokken soorten;

ii)

zorgt ervoor dat in aanmerking komende kadavers van runderen en ten minste 4 % van de in aanmerking komende kadavers van schapen en geiten die als voeder bestemd zijn, vóór de vervoedering met een negatief resultaat zijn getest in het kader van het TSE-bewakingssysteem dat wordt uitgevoerd overeenkomstig bijlage III bij Verordening (EG) nr. 999/2001 en, indien van toepassing, overeenkomstig een besluit dat is vastgesteld overeenkomstig artikel 6, lid 1 ter, tweede alinea, van die verordening, en

iii)

houdt een administratie bij waarin ten minste het aantal, de aard, het geschatte gewicht en de oorsprong van de karkassen van de voor vervoedering gebruikte dieren, de datum van vervoedering, de plaats van vervoedering en, indien van toepassing, de uitslagen van de TSE-tests worden bijgehouden.

2.

Wanneer een lidstaat bij de Commissie een aanvraag indient om te worden opgenomen in de lijst als bedoeld in punt 1, onder a), gaat de aanvraag vergezeld van:

a)

een gedetailleerde motivering van de uitbreiding van de lijst met bepaalde soorten aasetende vogels in de betrokken lidstaat, inclusief een toelichting van de redenen waarom dergelijke vogels met categorie 1-materiaal in plaats van met categorie 2- en categorie 3-materiaal moeten worden gevoederd;

b)

een toelichting van de maatregelen die zullen worden genomen om naleving van punt 1 te garanderen.

Afdeling 3

Voederen van wilde dieren buiten voederstations

De bevoegde autoriteit mag toestaan dat categorie 1-materiaal afkomstig van hele kadavers of delen van kadavers van dieren die gespecificeerd risicomateriaal bevatten, buiten voederstations aan de in punt 1, onder a), van afdeling 2 genoemde wilde dieren vervoederd wordt, zo nodig zonder dat de dode dieren eerst worden verzameld, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:

1.

de bevoegde autoriteit heeft zich er, op basis van een beoordeling van de specifieke situatie van de betrokken soorten en hun habitat, van vergewist dat de staat van instandhouding erop zal vooruitgaan;

2.

de bevoegde autoriteit specificeert in de vergunning de bedrijven of beslagen binnen een bepaald geografisch voedergebied onder de volgende voorwaarden:

a)

het voedergebied omvat geen gebieden waar aan intensieve veehouderij wordt gedaan;

b)

landbouwhuisdieren in bedrijven of beslagen in het voedergebied worden door een officiële dierenarts regelmatig gecontroleerd op TSE’s en op ziekten die op mens of dier kunnen worden overgedragen;

c)

het voederen wordt onmiddellijk opgeschort indien:

i)

er een verband met de verspreiding van TSE’s in een bedrijf of beslag vermoed wordt of bevestigd is, totdat het risico kan worden uitgesloten;

ii)

de uitbraak van een ernstige op mens of dier overdraagbare ziekte in een bedrijf of beslag vermoed wordt of bevestigd is, totdat het risico kan worden uitgesloten, of

iii)

niet aan de voorschriften van deze verordening wordt voldaan;

d)

de bevoegde autoriteit specificeert in de vergunning:

i)

passende maatregelen die moeten worden genomen om te voorkomen dat dode dieren TSE’s en overdraagbare ziekten overdragen op mens of dier, zoals maatregelen met betrekking tot het voedingspatroon van de in stand te houden soorten, seizoensgebonden voederbeperkingen, verplaatsingsbeperkingen voor landbouwhuisdieren en andere maatregelen die ten doel hebben mogelijke risico’s op de overdracht van een op mens of dier overdraagbare ziekte te beheersen, zoals maatregelen ten aanzien van diersoorten die in het voedergebied aanwezig zijn, maar die niet met de dierlijke bijproducten worden gevoederd;

ii)

de verantwoordelijkheden van de personen of entiteiten in het voedergebied die aan het voederen meewerken of voor landbouwhuisdieren verantwoordelijk zijn, in het licht van de in punt i) bedoelde maatregelen;

iii)

de voorwaarden waaronder de in artikel 53 van Verordening (EG) nr. 1069/2009 bedoelde sancties aan de in punt ii) bedoelde personen of entiteiten worden opgelegd indien de in punt i) bedoelde maatregelen niet worden genomen;

e)

indien gevoederd wordt zonder dat de dode dieren eerst worden verzameld, worden het waarschijnlijke sterftecijfer van landbouwhuisdieren in het voedergebied en de waarschijnlijke voederbehoeften van de wilde dieren geschat als basis voor de beoordeling van het mogelijke risico op de overdracht van ziekten.

Afdeling 4

Voederen van dierentuindieren met categorie 1-materiaal

De bevoegde autoriteit mag onder de volgende voorwaarden toestaan dat categorie 1-materiaal afkomstig van hele kadavers of delen van kadavers van dieren die gespecificeerd risicomateriaal bevatten, alsook materiaal afkomstig van dierentuindieren aan dierentuindieren worden vervoederd:

a)

de bevoegde autoriteit heeft aan de voor het voederen verantwoordelijke exploitant een vergunning afgegeven. De bevoegde autoriteit geeft dergelijke vergunningen af indien:

i)

het voederen niet als alternatieve manier dient voor de verwijdering van gespecificeerd risicomateriaal of van gestorven herkauwers die dergelijk materiaal bevatten, waaraan een TSE-risico verbonden is;

ii)

wanneer categorie 1-materiaal afkomstig van hele kadavers of delen van kadavers van runderen die gespecificeerd risicomateriaal bevatten, gebruikt wordt, een adequaat TSE-bewakingssysteem als bedoeld in Verordening (EG) nr. 999/2001 met regelmatige laboratoriumtests van monsters op TSE’s wordt toegepast;

b)

de door de bevoegde autoriteit afgegeven vergunning wordt onmiddellijk geschorst wanneer:

i)

er een verband met de verspreiding van TSE’s vermoed wordt of bevestigd is, totdat het risico kan worden uitgesloten, of

ii)

niet aan de voorschriften van deze verordening wordt voldaan;

c)

de voor het voederen verantwoordelijke exploitant:

i)

slaat het als voeder bestemde materiaal op en vervoedert het in een ingesloten, omheind gebied zodat geen andere vleesetende dieren dan de dierentuindieren waarvoor de vergunning is afgegeven bij het voeder kunnen komen;

ii)

zorgt ervoor dat als voeder bestemde herkauwers opgenomen zijn in het TSE-bewakingsprogramma dat wordt uitgevoerd overeenkomstig bijlage III bij Verordening (EG) nr. 999/2001 en, in voorkomend geval, overeenkomstig een besluit dat is vastgesteld overeenkomstig artikel 6, lid 1 ter, tweede alinea, van die verordening;

iii)

houdt een administratie bij waarin ten minste het aantal, de aard, het geschatte gewicht en de oorsprong van de kadavers van de voor vervoedering gebruikte dieren, de uitslagen van de TSE-tests en de datum van vervoedering worden bijgehouden.

HOOFDSTUK III

BIJZONDERE VOORSCHRIFTEN INZAKE VERZAMELING EN VERWIJDERING

Afdeling 1

Bijzondere voorschriften voor de verwijdering van dierlijke bijproducten

1.

Indien de bevoegde autoriteit toestaat dat dierlijke bijproducten ter plaatse worden verwijderd overeenkomstig artikel 19, lid 1, onder a), b), c) en e), van Verordening (EG) nr. 1069/2009, mag die verwijdering worden uitgevoerd:

a)

door verbranding of begraving op het bedrijf waar de dierlijke bijproducten zijn ontstaan;

b)

op een toegelaten stortplaats, of

c)

door verbranding of begraving op een plaats waar het risico voor de volksgezondheid, de diergezondheid en het milieu tot een minimum beperkt is, mits die plaats op zodanige afstand is gelegen dat de bevoegde autoriteit de preventie van risico’s voor de volksgezondheid, de diergezondheid en het milieu kan waarborgen.

2.

Dierlijke bijproducten die op de in artikel 19, lid 1, onder b), c) en e), van Verordening (EG) nr. 1069/2009 bedoelde locaties worden verbrand, moeten worden verbrand:

a)

op een zorgvuldig gebouwde brandstapel, waarbij de dierlijke bijproducten tot as worden gereduceerd;

b)

zonder de menselijke gezondheid in gevaar te brengen;

c)

zonder het gebruik van procedés of methoden die het milieu zouden kunnen schaden, met name doordat zij leiden tot risico’s voor water, lucht, bodem, fauna en flora of door geluids- of geurhinder;

d)

onder voorwaarden die garanderen dat alle resulterende as door begraving op een toegelaten stortplaats wordt verwijderd.

3.

Dierlijke bijproducten die op de in artikel 19, lid 1, onder a), b), c) en e), van Verordening (EG) nr. 1069/2009 bedoelde locaties worden begraven, moeten worden begraven:

a)

op zodanige wijze dat vleesetende of allesetende dieren er niet bij kunnen komen;

b)

op een toegelaten stortplaats of op een andere locatie, zonder dat de gezondheid van de mens in gevaar wordt gebracht en zonder het gebruik van procedés of methoden die het milieu zouden kunnen schaden, met name doordat zij leiden tot risico’s voor water, lucht, bodem, fauna en flora of door geluids- of geurhinder.

4.

Bij verwijdering overeenkomstig artikel 19, lid 1, onder a), b), c) en e), van Verordening (EG) nr. 1069/2009 moet bij de verplaatsing van de dierlijke bijproducten van de plaats van oorsprong naar de plaats van verwijdering aan de volgende voorwaarden worden voldaan:

a)

de dierlijke bijproducten worden vervoerd in veilige, lekvrije recipiënten of voertuigen;

b)

het laden en lossen van de dierlijke bijproducten vindt plaats onder toezicht van de bevoegde autoriteit, indien van toepassing;

c)

de wielen van voertuigen worden ontsmet wanneer zij de locatie van oorsprong verlaten;

d)

de voor het vervoer van de dierlijke bijproducten gebruikte recipiënten en voertuigen worden na het lossen van de dierlijke bijproducten grondig gereinigd en ontsmet, en

e)

er wordt, in voorkomend geval, voorzien in passende begeleiding van de voertuigen, controle op lekkage en dubbele afdekking.

Afdeling 2

Verbranding en begraving van dierlijke bijproducten in afgelegen gebieden

Het in artikel 19, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1069/2009 bedoelde maximumpercentage mag niet meer bedragen dan:

a)

10 % van de runderpopulatie van de betrokken lidstaat;

b)

25 % van de schapen- en geitenpopulatie van de betrokken lidstaat;

c)

10 % van de varkenspopulatie van de betrokken lidstaat, en

d)

een percentage van de populatie van andere diersoorten dat door de bevoegde autoriteit wordt vastgesteld op grond van een beoordeling van de mogelijke risico’s voor de volksgezondheid en de diergezondheid als gevolg van de verwijdering van dieren van die soorten door verbranding of begraving ter plaatse.

Afdeling 3

Verbranding en begraving van bijen en bijproducten van bijenteelt

Voor bijen en bijproducten van bijenteelt kan de bevoegde autoriteit verwijdering door verbranding of begraving ter plaatse als bedoeld in artikel 19, lid 1, onder f), van Verordening (EG) nr. 1069/2009 toestaan, mits alle noodzakelijke maatregelen zijn getroffen om ervoor te zorgen dat de verbranding of begraving geen gevaar voor de volksgezondheid en de diergezondheid of het milieu vormt.

HOOFDSTUK IV

ANDERE VORMEN VAN VERWIJDERING

In afwijking van artikel 14 van Verordening (EG) nr. 1069/2009 kunnen de lidstaten toestaan dat het in artikel 10, onder f), van die verordening genoemde categorie 3-materiaal wordt verzameld, vervoerd en verwijderd op een andere wijze dan door verbranding of begraving ter plaatse, op voorwaarde dat:

a)

het volume van het materiaal van de inrichting of het bedrijf waar het materiaal wordt verzameld, ongeacht de soorten waarvan het materiaal afkomstig is, niet meer dan 20 kg per week bedraagt;

b)

het materiaal zodanig wordt verzameld, vervoerd en verwijderd dat er geen onaanvaardbare risico’s voor de volksgezondheid en de diergezondheid ontstaan;

c)

de bevoegde autoriteit regelmatig controles uitvoert, inclusief controles van de door de exploitanten bijgehouden administratie, in de inrichtingen of bedrijven waar het materiaal wordt verzameld, teneinde ervoor te zorgen dat de bepalingen van deze afdeling worden nageleefd.

De lidstaten kunnen besluiten het onder a) bedoelde volume te verhogen tot maximaal 50 kg per week, mits zij de Commissie en de overige lidstaten in het kader van het in artikel 52, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1069/2009 genoemde Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid een uitvoerige motivering verstrekken, met vermelding van de aard van de activiteiten waarvoor het volume wordt verhoogd, de diersoort waarvan de dierlijke bijproducten afkomstig zijn en een toelichting van de redenen waarom het volume moet worden verhoogd, in het licht van de passende structuur voor de hantering en verwijdering van dierlijke bijproducten en afgeleide producten op hun grondgebied, als bedoeld in artikel 4, lid 4, van die verordening.


(1)  CEN TC/102 – Sterilisatoren voor medische doeleinden - EN 285:2006 + A2:2009 - Sterilisatie - Stoomsterilisatoren - Grote sterilisatoren, referentie bekendgemaakt in PB C 293 van 2.12.2009, blz. 39.


BIJLAGE VII

STANDAARDFORMAAT VOOR AANVRAGEN VOOR ALTERNATIEVE METHODEN

HOOFDSTUK I

Taalregeling

1.

Aanvragen om toelating van een alternatieve methode voor het gebruik of de verwijdering van dierlijke bijproducten of afgeleide producten als bedoeld in artikel 20, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1069/2009 („aanvragen”) worden ingediend in een van de officiële talen van de Europese Unie als bedoeld in artikel 1 van Verordening no. 1 van 1958.

2.

Betrokkenen die hun aanvraag in een andere taal dan het Engels indienen, moeten de officiële vertaling van hun aanvraag, die door de EFSA wordt verstrekt, vóór de beoordeling valideren.

De in artikel 20, lid 5, van Verordening (EG) nr. 1069/2009 genoemde termijn gaat in zodra de betrokken partij de officiële vertaling van de aanvraag heeft gevalideerd.

HOOFDSTUK II

Inhoud van de aanvragen

1.

De aanvragen bevatten alle nodige informatie over de hieronder genoemde punten, zodat de EFSA de veiligheid van de voorgestelde alternatieve methode kan beoordelen:

a)

de categorieën dierlijke bijproducten waarop de alternatieve methode zal worden toegepast, met gebruikmaking van de in de artikelen 8, 9 en 10, van Verordening (EG) nr. 1069/2009 genoemde categorieën;

b)

de identificatie en de typering van het risicomateriaal overeenkomstig de volgende beginselen:

materiaal dat een significant risico inhoudt, wordt afzonderlijk geïdentificeerd. Voor elk materiaal wordt de kans op blootstelling van mens en dier onder normale omstandigheden en in abnormale of noodsituaties beoordeeld. In geval van een significante blootstelling wordt het potentiële risico beoordeeld;

c)

de vermindering van de risico's van ziekteverwekkers overeenkomstig de volgende beginselen:

 

de mate waarin het proces het risico voor de volksgezondheid en de diergezondheid kan verminderen, wordt geraamd op basis van directe metingen.

 

Indien geen directe meetresultaten beschikbaar zijn, kan een beroep worden gedaan op modellen of extrapolatie van andere processen. Om aan te tonen dat het risico effectief verminderd wordt, moet het geïdentificeerde gevaar (bv. Salmonella) worden gekwantificeerd, zowel in het inputmateriaal (grondstof) als in het resulterende outputmateriaal. Voor de toepassing van dit hoofdstuk omvat outputmateriaal alle eindproducten en bijproducten die op basis van het proces worden geproduceerd.

 

Ramingen moeten gestaafd worden met bewijsmateriaal. Dergelijk bewijsmateriaal omvat – voor metingen – informatie over de gebruikte werkwijze (gevoeligheid en betrouwbaarheid van de toegepaste methoden), aard van de geanalyseerde monsters en bewijs dat de monsters representatief waren (relevante reële monsters en aantal uitgevoerde tests).

 

Indien een andere methode dan prionmeting is gebruikt, moet de geschiktheid van de toegepaste methode worden toegelicht. Er moet een evaluatie van de validiteit worden gegeven, met vermelding van de onzekerheden;

d)

de beheersing van de risico's overeenkomstig de volgende beginselen:

 

de waarschijnlijke doeltreffendheid van de technische maatregelen die ervoor moeten zorgen dat de risico's worden beheerst, moet worden geanalyseerd.

 

Die analyse moet de normale bedrijfsomstandigheden en abnormale of noodsituaties, met inbegrip van een defect tijdens het proces, omvatten.

 

Er moeten bewakings- en toezichtsprocedures worden gespecificeerd die nagaan of de risico's worden beheerst.

 

Indien de risico's niet volledig kunnen worden beheerst, is een beoordeling van alle mogelijke risico's geboden;

e)

de identificatie van onderling afhankelijke processen overeenkomstig de volgende beginselen:

 

mogelijke indirecte gevolgen die van invloed kunnen zijn op het vermogen van een bepaald proces om de risico's te verminderen, moeten worden geëvalueerd.

 

Indirecte gevolgen kunnen voortvloeien uit het vervoer, de opslag en de veilige verwijdering van eindproducten en bijproducten van een proces;

f)

het voorgenomen eindgebruik van de eindproducten en bijproducten overeenkomstig de volgende beginselen:

 

het voorgenomen eindgebruik van eindproducten en bijproducten van een proces moet worden gespecificeerd.

 

De waarschijnlijke risico's moeten worden berekend op basis van de overeenkomstig punt c) geraamde mogelijke risicovermindering voor de gezondheid van mens en dier.

2.

De aanvragen worden ingediend met schriftelijke bewijsstukken, met name een stroomdiagram waarop de werking van het proces wordt weergegeven, het in punt 1, onder c), bedoelde bewijsmateriaal, alsook andere bewijzen ter ondersteuning van de toelichting die binnen het in punt 1 vastgestelde kader wordt verstrekt.

3.

De betrokken partijen vermelden in hun aanvraag een contactadres, met inbegrip van hun naam en volledige adres, een telefoon- en/of faxnummer en/of het e-mailadres van een bepaalde contactpersoon die optreedt in de hoedanigheid of in naam van de betrokken partij.


BIJLAGE VIII

VERZAMELING, VERVOER EN TRACEERBAARHEID

HOOFDSTUK I

VERZAMELING EN VERVOER

Afdeling 1

Voertuigen en recipiënten

1.

Vanaf het in artikel 4, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1069/2009 genoemde beginpunt in de productieketen moeten dierlijke bijproducten en afgeleide producten worden verzameld en vervoerd in gesloten nieuwe verpakkingen of afgedekte lekvrije recipiënten of voertuigen.

2.

Voertuigen en recipiënten die opnieuw gebruikt kunnen worden en alle opnieuw te gebruiken uitrusting of apparatuur die in contact komen met andere dierlijke bijproducten of afgeleide producten dan afgeleide producten die in de handel worden gebracht overeenkomstig Verordening (EG) nr. 767/2009 en die worden opgeslagen en vervoerd overeenkomstig bijlage II bij Verordening (EG) nr. 183/2005, moeten schoon worden gehouden.

Tenzij zij bestemd zijn voor het vervoeren van bijzondere dierlijke bijproducten of afgeleide producten op zodanige wijze dat er geen gevaar voor versleping bestaat, moeten zij met name:

a)

schoon en droog zijn voor gebruik, en

b)

voor zover nodig na elk gebruik gereinigd, gespoeld en/of ontsmet te worden om versleping te voorkomen.

3.

Recipiënten die opnieuw gebruikt kunnen worden, moeten specifiek bestemd worden voor het vervoer van een bepaald dierlijk bijproduct of afgeleid product, voor zover dat nodig is om versleping te voorkomen.

Recipiënten die opnieuw kunnen worden gebruikt, mogen evenwel worden gebruikt, mits de bevoegde autoriteit voor dat gebruik toestemming heeft verleend:

a)

voor het vervoeren van verschillende dierlijke bijproducten of afgeleide producten, mits zij na elk gebruik worden gereinigd en ontsmet zodat versleping wordt voorkomen;

b)

voor het vervoer van de in artikel 10, onder f), van Verordening (EG) nr. 1069/2009 bedoelde dierlijke bijproducten of afgeleide producten na het gebruik ervan voor het vervoer van voor menselijke consumptie bestemde producten, onder omstandigheden die versleping voorkomen.

4.

Verpakkingsmateriaal moet overeenkomstig de wetgeving van de Unie worden verwijderd door verbranding of volgens een andere methode.

Afdeling 2

Temperatuuromstandigheden

1.

Dierlijke bijproducten die bestemd zijn voor de productie van voedermiddelen of rauw voeder voor gezelschapsdieren moeten tijdens het vervoer op een geschikte temperatuur worden gehouden om alle mogelijke risico’s voor de diergezondheid en de volksgezondheid te voorkomen; in het geval van dierlijke bijproducten op basis van vlees en vleesproducten die bestemd zijn voor andere gebruiksdoelen dan menselijke consumptie, is dit bij een maximumtemperatuur van 7 °C, tenzij de bijproducten als voeder worden gebruikt overeenkomstig bijlage II, hoofdstuk I.

2.

Onverwerkt categorie 3-materiaal dat bestemd is voor de productie van voedermiddelen of voeders voor gezelschapsdieren moet gekoeld, ingevroren of na inkuiling vervoerd en opgeslagen worden, tenzij het:

a)

wordt verwerkt binnen 24 uur nadat het is verzameld of nadat het uit de koel- of vriesruimte is gehaald, indien het daaropvolgende vervoer plaatsvindt met een vervoermiddel waarin de opslagtemperatuur gehandhaafd blijft;

b)

in het geval van melk, melkproducten of melkderivaten die geen van de in bijlage X, hoofdstuk II, afdeling 4, deel I, genoemde behandelingen hebben ondergaan, in geïsoleerde gekoelde recipiënten wordt vervoerd, tenzij de risico’s op andere manieren kunnen worden beperkt door de kenmerken van het materiaal.

3.

De koelwagens die voor het vervoer gebruikt worden, moeten zo ontworpen zijn dat gedurende de gehele vervoerperiode de temperatuur op een geschikt niveau kan worden gehandhaafd en dat de temperatuur kan worden gecontroleerd.

Afdeling 3

Afwijking voor het verzamelen en vervoeren van categorie 3-materiaal dat bestaat uit melk, melkproducten en melkderivaten

Afdeling 1 is niet van toepassing op het verzamelen en vervoeren van categorie 3-materiaal dat bestaat uit melk, melkproducten en melkderivaten door exploitanten van melkverwerkingsinrichtingen die zijn erkend overeenkomstig artikel 4 van Verordening (EG) nr. 853/2004, wanneer zij producten ontvangen die zij tevoren hadden geleverd en die naar hen worden teruggezonden, met name door hun afnemers.

Afdeling 4

Afwijking voor het verzamelen en vervoeren van mest

In afwijking van afdeling 1 mag de bevoegde autoriteit het verzamelen en vervoeren van mest tussen twee plaatsen op hetzelfde agrarische bedrijf of tussen landbouwers en gebruikers in dezelfde lidstaat toestaan onder andere voorwaarden die garanderen dat er geen onaanvaardbare risico’s voor de volksgezondheid en de diergezondheid zijn.

HOOFDSTUK II

IDENTIFICATIE

1.

Alle nodige maatregelen moeten worden getroffen om ervoor te zorgen dat:

a)

zendingen dierlijke bijproducten en afgeleide producten identificeerbaar zijn en tijdens het verzamelen op de plaats van oorsprong van de dierlijke bijproducten alsook tijdens het vervoer gescheiden en identificeerbaar blijven;

b)

een merkstof voor de identificatie van dierlijke bijproducten en afgeleide producten van een specifieke categorie alleen wordt gebruikt voor de categorie waarvoor het gebruik daarvan krachtens deze verordening wordt voorgeschreven, of overeenkomstig punt 4 wordt vastgesteld;

c)

zendingen dierlijke bijproducten en afgeleide producten van een lidstaat naar een andere lidstaat worden verzonden in verpakkingen, recipiënten of voertuigen die als volgt duidelijk zichtbaar en, op zijn minst voor de duur van het vervoer, met een onuitwisbare kleurcode gemarkeerd zijn om de in deze verordening bedoelde informatie op het oppervlak of een deel van het oppervlak van een verpakking, recipiënt of voertuig dan wel op een daarop aangebracht etiket of symbool aan te geven:

i)

voor categorie 1-materiaal, met de kleur zwart;

ii)

voor categorie 2-materiaal (met uitzondering van mest en de inhoud van het maag-darmkanaal), met de kleur geel;

iii)

voor categorie 3-materiaal, met de kleur groen met een hoog gehalte aan blauw om ervoor te zorgen dat zij duidelijk kan worden onderscheiden van de andere kleuren;

iv)

voor ingevoerde zendingen, met de kleur die voor het respectieve materiaal in de punten i), ii) en iii) wordt genoemd, vanaf het moment waarop de zending voorbij de grensinspectiepost van eerste binnenkomst in de Unie is gekomen.

2.

Tijdens het vervoer en de opslag moet op de verpakking, de recipiënt of het voertuig een etiket worden aangebracht waarop:

a)

duidelijk de categorie dierlijke bijproducten of afgeleide producten wordt aangegeven, en

b)

de volgende woorden zijn afgedrukt, zodanig dat deze op de verpakking, de recipiënt of het voertuig, naargelang het geval, zichtbaar en leesbaar zijn:

i)

voor categorie 3-materiaal: „Niet voor menselijke consumptie“;

ii)

voor categorie 2-materiaal (met uitzondering van mest en de inhoud van het maag-darmkanaal), en van categorie 2-materiaal afgeleide producten: „Niet voor dierlijke consumptie“; indien categorie 2-materiaal echter bestemd is voor het voederen van dieren, als bedoeld in artikel 18, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1069/2009 onder de in of krachtens dat artikel vastgestelde voorwaarden, moet op het etiket worden aangegeven: „Voeder voor …“, gevolgd door de naam van de specifieke diersoorten voor het voederen waarvan het materiaal bestemd is;

iii)

voor categorie 1-materiaal en van categorie 1-materiaal afgeleide producten, indien bestemd voor:

verwijdering: „Uitsluitend geschikt voor verwijdering“;

de vervaardiging van voeder voor gezelschapsdieren: „Uitsluitend geschikt voor de vervaardiging van voeder voor gezelschapsdieren“;

de vervaardiging van een in artikel 36 van Verordening (EG) nr. 1069/2009 bedoeld afgeleid product: „Uitsluitend geschikt voor de vervaardiging van afgeleide producten. Niet geschikt voor menselijke of dierlijke consumptie, noch voor gebruik op het land“;

iv)

voor melk, melkproducten, melkderivaten, biest en biestproducten: „Niet voor menselijke consumptie“;

v)

voor gelatine die is geproduceerd op basis van categorie 3-materiaal: „Gelatine geschikt voor diervoeding“;

vi)

voor collageen die is geproduceerd van categorie 3-materiaal: „Collageen geschikt voor diervoeding“;

vii)

voor rauw voeder voor gezelschapsdieren: „Voeder uitsluitend voor gezelschapsdieren“;

viii)

voor vis en daarvan afgeleide producten die bestemd zijn als visvoer en vóór hun verzending behandeld en verpakt worden, de duidelijke en leesbare vermelding van de naam en het adres van de diervoederfabriek van oorsprong, en:

voor vismeel afkomstig van wilde vis, de woorden „Bevat uitsluitend vismeel van wilde vis – geschikt voor vervoedering aan alle soorten gekweekte vis“;

voor vismeel afkomstig van gekweekte vis, de woorden „Bevat uitsluitend vismeel van gekweekte vis van de soorten […] – uitsluitend geschikt voor vervoedering aan andere soorten gekweekte vis“;

voor vismeel afkomstig van wilde en gekweekte vis, de woorden „Bevat vismeel van wilde en gekweekte vis van de soorten […] – uitsluitend geschikt voor vervoedering aan andere soorten gekweekte vis“;

ix)

voor bloedproducten van paardachtigen die bestemd zijn voor andere doeleinden dan vervoedering: „Bloed en bloedproducten van paardachtigen. Niet voor menselijke of dierlijke consumptie“;

x)

voor horens, hoeven en ander materiaal voor de productie van organische meststoffen en bodemverbeteraars als bedoeld in bijlage XIV, hoofdstuk II, afdeling 12: „Niet voor menselijke of dierlijke consumptie“;

xi)

voor organische meststoffen en bodemverbeteraars: „Organische meststoffen of bodemverbeteraars – landbouwhuisdieren niet laten grazen en gewassen niet als groenvoer gebruiken binnen 21 dagen na gebruik“;

xii)

voor materiaal dat wordt gebruikt als voeder overeenkomstig bijlage VI hoofdstuk II, afdeling 1, de naam en het adres van het verzamelcentrum, alsmede de vermelding „Niet voor menselijke consumptie“;

xiii)

voor mest en de inhoud van het maag-darmkanaal: „Mest“;

xiv)

voor tussenproducten, op de buitenverpakking: „Uitsluitend geschikt voor geneesmiddelen/geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik/medische hulpmiddelen/actieve implanteerbare medische hulpmiddelen/medische hulpmiddelen voor in-vitrodiagnostiek/laboratoriumreagentia“;

xv)

voor voor onderzoek en diagnose bestemde monsters: „Voor onderzoek en diagnose“, in plaats van de onder a) vastgestelde tekst;

xvi)

voor handelsmonsters: „Handelsmonster niet voor menselijke consumptie“, in plaats van de onder a) vastgestelde tekst;

xvii)

voor demonstratiemateriaal: „Demonstratiemateriaal niet voor menselijke consumptie“, in plaats van de onder a) vastgestelde tekst.

c)

Het onder b) xi) bedoelde etiket is echter niet vereist voor de volgende organische meststoffen en bodemverbeteraars:

i)

in voorverpakte verpakkingen met een gewicht van maximaal 50 kg die bestemd zijn voor gebruik door de eindgebruiker, of

ii)

in bigbags met een maximumgewicht van 1 000 kg, mits:

zij zijn toegestaan door de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar de organische meststof of bodemverbeteraar op het land zal worden uitgereden;

op die bigbags is aangegeven dat zij niet mogen worden gebruikt op land waartoe landbouwhuisdieren toegang hebben.

3.

De lidstaten mogen systemen opzetten of voorschriften vaststellen voor de kleurcodering van verpakkingen, recipiënten of voertuigen die worden gebruikt voor het vervoer van dierlijke bijproducten en afgeleide producten die van hun grondgebied afkomstig zijn en op hun grondgebied blijven, mits die systemen of voorschriften niet leiden tot verwarring met het in punt 1, onder c), bedoelde kleurcoderingssysteem.

4.

De lidstaten kunnen systemen opzetten of voorschriften vaststellen voor het merken van dierlijke bijproducten die van hun grondgebied afkomstig zijn en op hun grondgebied blijven, mits die systemen of voorschriften niet in strijd zijn met de in hoofdstuk V van deze bijlage vastgestelde voorschriften voor het merken van afgeleide producten.

5.

In afwijking van de punten 3 en 4 kunnen de lidstaten gebruikmaken van de in die punten bedoelde systemen of voorschriften voor dierlijke bijproducten die van hun grondgebied afkomstig zijn maar niet bedoeld zijn om op hun grondgebied te blijven, als de lidstaat of het derde land van bestemming zijn instemming heeft betuigd.

6.

Hierbij geldt echter het volgende:

a)

de punten 1 en 2 zijn niet van toepassing op de identificatie van categorie 3-materiaal dat bestaat uit melk, melkproducten en melkderivaten door exploitanten van melkverwerkingsinrichtingen die zijn erkend overeenkomstig artikel 4 van Verordening (EG) nr. 853/2004, wanneer zij producten ontvangen die zij tevoren hadden geleverd en die naar hen worden teruggezonden, met name door hun afnemers;

b)

de bevoegde autoriteit mag, in afwijking van de punten 1 en 2, toestaan dat mest die wordt vervoerd tussen twee plaatsen op hetzelfde agrarische bedrijf of tussen agrarische bedrijven en gebruikers in dezelfde lidstaat, op een andere wijze wordt geïdentificeerd;

c)

mengvoeders als gedefinieerd in artikel 3, lid 2, onder h), van Verordening (EG) nr. 767/2009 die vervaardigd zijn op basis van dierlijke bijproducten of afgeleide producten en die als voeder worden verpakt en in de handel gebracht worden overeenkomstig artikel 4 van Verordening (EG) nr. 767/2009 hoeven niet geïdentificeerd te worden overeenkomstig punt 1 en hoeven geen etiket te krijgen overeenkomstig punt 2.

HOOFDSTUK III

HANDELSDOCUMENTEN EN GEZONDHEIDSCERTIFICATEN

1.

Tijdens het vervoer moeten de dierlijke bijproducten en de afgeleide producten vergezeld gaan van een handelsdocument dat is opgesteld overeenkomstig het in dit hoofdstuk vastgestelde model of, wanneer deze verordening dat voorschrijft, een gezondheidscertificaat.

Een dergelijk document of certificaat is evenwel niet vereist indien:

a)

afgeleide producten van categorie 3-materiaal en organische meststoffen en bodemverbeteraars binnen dezelfde lidstaat door detailhandelaars worden geleverd aan eindgebruikers die geen exploitant zijn;

b)

melk, melkproducten en melkderivaten van categorie 3 worden verzameld en teruggezonden naar exploitanten van melkverwerkingsinrichtingen, die erkend zijn overeenkomstig artikel 4 van Verordening (EG) nr. 853/2004, indien die exploitanten producten van met name hun afnemers ontvangen die zij tevoren hadden geleverd;

c)

mengvoeders als gedefinieerd in artikel 3, lid 2, onder h), van Verordening (EG) nr. 767/2009 die zijn vervaardigd op basis van dierlijke bijproducten of afgeleide producten, in de handel worden gebracht met een verpakking en etikettering overeenkomstig artikel 4 van Verordening (EG) nr. 767/2009.

2.

Het handelsdocument moet ten minste in drievoud worden opgemaakt (een origineel en twee afschriften). Het origineel gaat samen met de zending naar de eindbestemming. De ontvanger moet het bewaren. De producent en de vervoerder bewaren ieder een afschrift.

De lidstaten kunnen eisen dat bewijs wordt geleverd dat de zendingen zijn aangekomen, via het Traces-systeem of met een vierde exemplaar van het handelsdocument dat door de ontvanger naar de producent wordt teruggezonden.

3.

Gezondheidscertificaten moeten door de bevoegde autoriteit afgegeven en ondertekend worden.

4.

Dierlijke bijproducten en afgeleide producten moeten vanaf het in artikel 4, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1069/2009 genoemde beginpunt van de productieketen tijdens het vervoer in de Europese Unie vergezeld gaan van een handelsdocument dat is opgesteld overeenkomstig het in punt 6 vastgestelde model.

In aanvulling op de toestemming om de informatie bekend te maken via een alternatief systeem als bedoeld in artikel 21, lid 3, tweede alinea, van Verordening (EG) nr. 1069/2009 kan de bevoegde autoriteit ook toestaan dat op haar grondgebied vervoerde dierlijke bijproducten en afgeleide producten vergezeld gaan van:

a)

een ander handelsdocument, in papieren of in elektronische vorm, op voorwaarde dat een dergelijk handelsdocument de in opmerking f) van punt 6 van dit hoofdstuk bedoelde informatie bevat;

b)

een handelsdocument waarin de hoeveelheid van het materiaal is uitgedrukt als het gewicht of volume van het materiaal of als het aantal verpakkingen.

5.

Registers en aanverwante handelsdocumenten of gezondheidscertificaten worden ten minste twee jaar bewaard, zodat zij aan de bevoegde autoriteit kunnen worden overgelegd.

6.

Model voor een handelsdocument

Opmerkingen

a)

Handelsdocumenten worden overeenkomstig het model in dit hoofdstuk opgesteld.

Op elk document worden, in de in het model aangegeven volgorde, de verklaringen opgenomen die voor het vervoer van dierlijke bijproducten en afgeleide producten zijn vereist.

b)

Het wordt opgesteld in een van de officiële talen van de lidstaat van oorsprong en, zo nodig, van de lidstaat van bestemming.

Het mag echter ook in andere officiële talen van de Unie worden opgesteld, indien het vergezeld is van een officiële vertaling of indien dit vooraf met de bevoegde autoriteit van de lidstaat van bestemming is overeengekomen.

c)

Het originele exemplaar van elk handelsdocument bestaat uit één tweezijdig blad of, indien nodig, een formulier waarvan alle bladen duidelijk één ondeelbaar geheel vormen.

d)

Indien voor de identificatie van de bestanddelen van de zending extra bladen aan het handelsdocument worden gehecht, worden deze bladen beschouwd als deel uitmakend van het originele document en wordt op elk blad de handtekening van de voor de zending verantwoordelijke persoon geplaatst.

e)

Indien het handelsdocument, inclusief de onder d) bedoelde extra bladen, meer dan één bladzijde beslaat, wordt elke bladzijde onderaan genummerd – (bladzijdenummer) van (totaal aantal bladzijden) – en wordt elke bladzijde bovenaan voorzien van het codenummer van het document dat door de verantwoordelijke persoon is toegekend.

f)

Het originele exemplaar van het handelsdocument wordt ingevuld en ondertekend door de verantwoordelijke persoon.

Op het handelsdocument moeten de volgende gegevens worden vermeld:

i)

de datum waarop het materiaal op het bedrijf is verzameld;

ii)

een omschrijving van het materiaal, met inbegrip van:

de identificatie van het materiaal op basis van de in de artikelen 8, 9 en 10 van Verordening (EG) nr. 1069/2009 genoemde categorieën;

de diersoort en een specifieke verwijzing naar het toepasselijke punt in artikel 10 van Verordening (EG) nr. 1069/2009 in geval van categorie 3-materiaal en daarvan afgeleide producten die voor vervoedering bestemd zijn, en

indien van toepassing, het oormerknummer van het dier;

iii)

de hoeveelheid materiaal, uitgedrukt in volume, gewicht of aantal verpakkingen;

iv)

de plaats van oorsprong van het materiaal, vanwaar het materiaal wordt verzonden;

v)

de naam en het adres van de vervoerder van het materiaal;

vi)

de naam en het adres van de ontvanger en, indien van toepassing, diens erkennings- of registratienummer, dat werd toegekend op grond van Verordening (EG) nr. 1069/2009 dan wel Verordening (EG) nr. 852/2004, (EG) nr. 853/2004 of (EG) nr. 183/2005, naargelang het geval;

vii)

indien van toepassing, het erkennings- of registratienummer van de inrichting of het bedrijf van oorsprong, dat werd toegekend op grond van Verordening (EG) nr. 1069/2009 dan wel Verordening (EG) nr. 852/2004, (EG) nr. 853/2004 of (EG) nr. 183/2005, naargelang het geval, en de aard en de methoden van de behandeling.

g)

De kleur van de handtekening van de verantwoordelijke persoon moet verschillen van die van de gedrukte tekst.

h)

Het referentienummer van het document en het lokale referentienummer worden voor dezelfde zending slechts één keer toegekend.

Handelsdocument

Voor het vervoer van niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten binnen de Europese Unie overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1069/2009

Image

Image

HOOFDSTUK IV

ADMINISTRATIE

Afdeling 1

Algemene bepalingen

1.

De in artikel 22, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1069/2009 bedoelde administratie voor andere dierlijke bijproducten en afgeleide producten dan de in artikel 3, lid 2, onder h), van Verordening (EG) nr. 767/2009 gedefinieerde, van dierlijke bijproducten of afgeleide producten vervaardigde mengvoeders die in de handel worden gebracht overeenkomstig artikel 4 van Verordening (EG) nr. 767/2009, moet bestaan uit:

a)

een omschrijving van:

i)

de diersoort in geval van categorie 3-materiaal en daarvan afgeleide producten die bestemd zijn voor gebruik als voedermiddelen, en, indien van toepassing, in het geval van hele karkassen en koppen, het oormerknummer;

ii)

de hoeveelheid materiaal;

b)

voor de administratie die bijgehouden wordt door een persoon die dierlijke bijproducten of afgeleide producten verzendt, de volgende informatie:

i)

de datum waarop het materiaal op het bedrijf is verzameld;

ii)

de naam en het adres van de vervoerder en van de ontvanger en, indien van toepassing, hun erkennings- of registratienummer;

c)

voor de administratie die bijgehouden wordt door een persoon die dierlijke bijproducten of afgeleide producten vervoert, de volgende informatie:

i)

de datum waarop het materiaal op het bedrijf is verzameld;

ii)

de plaats van oorsprong van het materiaal, vanwaar het materiaal wordt verzonden;

iii)

de naam en adres van de ontvanger en, indien van toepassing, zijn erkennings- of registratienummer;

d)

voor de administratie die bijgehouden wordt door een persoon die dierlijke bijproducten of afgeleide producten ontvangt, de volgende informatie:

i)

de datum van ontvangst van het materiaal;

ii)

de plaats van oorsprong van het materiaal, vanwaar het materiaal wordt verzonden;

iii)

naam en adres van de vervoerder.

2.

In afwijking van punt 1 zijn exploitanten niet verplicht de in punt 1, onder a), b) i), c) i) en iii), en d) ii) en iii), bedoelde gegevens afzonderlijk bij te houden, indien zij een kopie van het in hoofdstuk III vastgestelde handelsdocument voor iedere zending bewaren en deze gegevens ter beschikking stellen in samenhang met de andere gegevens die krachtens punt 1 vereist zijn.

3.

Exploitanten van verbrandings- en meeverbrandingsinstallaties houden een administratie bij van de hoeveelheden en de categorie dierlijke bijproducten en afgeleide producten die zijn verbrand of meeverbrand, naargelang van het geval, en de datum waarop die activiteiten zijn uitgevoerd.

Afdeling 2

Aanvullende eisen in geval van gebruik voor bijzondere vervoederingsdoeleinden

Naast de overeenkomstig afdeling 1 te registreren gegevens houden exploitanten ook de volgende gegevens in verband met het desbetreffende materiaal bij, indien dierlijke bijproducten worden gebruikt voor bijzondere vervoederingsdoeleinden overeenkomstig bijlage VI, hoofdstuk II:

1.

voor eindgebruikers, de hoeveelheid die is gebruikt, de dieren waarvoor het bestemd is en de datum van gebruik;

2.

voor verzamelcentra:

i)

de gehanteerde of behandelde hoeveelheid overeenkomstig bijlage VI, hoofdstuk I, afdeling 1, punt 4;

ii)

de naam en het adres van elke eindgebruiker die het materiaal gebruikt;

iii)

de bedrijfsruimten waarnaar het materiaal voor gebruik gebracht is;

iv)

de verzonden hoeveelheid, en

v)

de datum van verzending van het materiaal.

Afdeling 3

Eisen voor bepaalde pelsdieren

De exploitant van het in bijlage II, hoofdstuk I, bedoelde landbouwbedrijf houdt een administratie bij die ten minste het volgende omvat:

a)

het aantal pelzen en karkassen van dieren die met materialen afkomstig van dezelfde soort zijn gevoederd, en

b)

elke zending, teneinde de traceerbaarheid van het materiaal te waarborgen.

Afdeling 4

Eisen voor het uitrijden van bepaalde organische meststoffen en bodemverbeteraars

De persoon die verantwoordelijk is voor land waarop andere organische meststoffen en bodemverbeteraars worden uitgereden dan de in bijlage II, hoofdstuk II, tweede alinea, bedoelde materialen, en waartoe landbouwhuisdieren toegang hebben of dat voor vervoederingsdoeleinden voor landbouwhuisdieren wordt gemaaid, houdt gedurende ten minste twee jaar een administratie bij van:

1.

de hoeveelheden gebruikte organische meststoffen en bodemverbeteraars;

2.

de datum waarop en de plaatsen waar de organische meststoffen en bodemverbeteraars op het land zijn uitgereden;

3.

de data waarop het land mocht worden begrazen of waarop het land voor de productie van groenvoer voor diervoeder mocht worden gemaaid na het uitrijden van de organische meststof of bodemverbeteraar.

Afdeling 5

Eisen voor dierlijke bijproducten van waterdieren en vervoedering aan vissen

Verwerkingsbedrijven die vismeel of andere voeders afkomstig van waterdieren produceren, moeten de volgende gegevens bijhouden:

a)

de dagelijks geproduceerde hoeveelheden;

b)

de diersoorten van oorsprong en of de waterdieren in het wild gevangen of in aquacultuur gekweekt zijn.

c)

voor vismeel afkomstig van gekweekte vis dat bestemd is voor vervoedering aan gekweekte vis van een andere soort, de wetenschappelijke naam van de diersoort van oorsprong.

Afdeling 6

Eisen voor verbranding en begraving van dierlijke bijproducten

In geval van verbranding of begraving van dierlijke bijproducten overeenkomstig artikel 19, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1069/2009 houdt de voor die verbranding of begraving verantwoordelijke persoon een administratie bij van:

a)

de hoeveelheden, categorieën en soorten dierlijke bijproducten die worden verbrand of begraven;

b)

de datum en plaats van verbranding en begraving.

Afdeling 7

Eisen voor fotografische gelatine

Exploitanten van de in bijlage XIV, hoofdstuk II, afdeling 11, erkende fotografische fabrieken houden een administratie bij van de aankoop en het gebruik van fotografische gelatine en de verwijdering van overschotten en restanten daarvan.

HOOFDSTUK V

MERKEN VAN BEPAALDE AFGELEIDE PRODUCTEN

1.

In verwerkingsbedrijven voor de verwerking van categorie 1- of categorie 2-materiaal worden afgeleide producten op zodanige wijze permanent gemerkt met glyceroltriheptanoaat (GTH) dat:

a)

GTH wordt toegevoegd aan afgeleide producten die een voorafgaande sanerende warmtebehandeling bij een kerntemperatuur van ten minste 80 °C hebben ondergaan en daarna tegen herverontreiniging beschermd blijven;

b)

alle afgeleide producten, homogeen in de stof verdeeld, een minimumconcentratie van ten minste 250 mg GTH per kg vet bevatten.

2.

De exploitanten van de in punt 1 bedoelde verwerkingsbedrijven beschikken over een systeem voor de monitoring en registratie van parameters op basis waarvan zij aan de bevoegde autoriteit kunnen aantonen dat de vereiste homogene minimumconcentratie van GTH wordt bereikt.

Dat monitoring- en registratiesysteem omvat de bepaling van het gehalte aan intact GTH als triglyceride in een gereinigd petroleumether 40-70-extract van GTH uit met regelmatige tussenpozen genomen monsters.

3.

Het merken met GTH is niet vereist voor:

a)

vloeibare afgeleide producten die bestemd zijn voor biogas- of composteerinstallaties;

b)

afgeleide producten die gebruikt worden om pelsdieren te voederen overeenkomstig bijlage II, hoofdstuk I;

c)

biodiesel geproduceerd overeenkomstig bijlage IV, hoofdstuk IV, afdeling 2, onder D;

d)

overeenkomstig artikel 12, onder a) ii) en b) ii), artikel 13, onder a) ii) en b) ii), en artikel 16, onder e), van Verordening (EG) nr. 1069/2009 verkregen afgeleide producten, indien deze producten:

i)

via een gesloten transportsysteem dat niet overgeslagen kan worden en dat door de bevoegde autoriteit is goedgekeurd, uit het verwerkingsbedrijf worden vervoerd voor:

onmiddellijke directe verbranding of meeverbranding;

onmiddellijk gebruik volgens een voor dierlijke bijproducten van categorie 1 en 2 goedgekeurde methode overeenkomstig bijlage IV, hoofdstuk IV, of

ii)

bestemd zijn voor onderzoek en andere specifieke doeleinden als bedoeld in artikel 17 van Verordening (EG) nr. 1069/2009, na toestemming door de bevoegde autoriteit.


BIJLAGE IX

EISEN VOOR BEPAALDE ERKENDE EN GEREGISTREERDE INRICHTINGEN EN BEDRIJVEN

HOOFDSTUK I

VERVAARDIGING VAN VOEDER VOOR GEZELSCHAPSDIEREN

Inrichtingen of bedrijven die voeder voor gezelschapsdieren vervaardigen als bedoeld in artikel 24, lid 1, onder e), van Verordening (EG) nr. 1069/2009 beschikken over adequate voorzieningen:

a)

om het binnenkomende materiaal volkomen veilig op te slaan en te behandelen, en

b)

om ongebruikte dierlijke bijproducten te verwijderen die na de vervaardiging van de producten overeenkomstig deze verordening overblijven, of zij moeten dit materiaal overeenkomstig de artikelen 12, 13 en 14 van Verordening (EG) nr. 1069/2009 en deze verordening naar een verbrandingsinstallatie, een meeverbrandingsinstallatie, een verwerkingsbedrijf of, als het gaat om categorie 3-materiaal, naar een biogas- of composteerinstallatie zenden.

HOOFDSTUK II

HANTERING VAN DIERLIJKE BIJPRODUCTEN NA DE VERZAMELING ERVAN

De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op de opslag van dierlijke bijproducten als bedoeld in artikel 24, lid 1, onder i), van Verordening (EG) nr. 1069/2009 en op de volgende handelingen die de hantering van dierlijke bijproducten na het verzamelen ervan omvatten, als bedoeld in artikel 24, lid 1, onder h), van die verordening:

a)

sorteren;

b)

snijden;

c)

koelen;

d)

invriezen;

e)

zouten of andere conserveringsprocedés;

f)

verwijderen van huiden;

g)

verwijdering van gespecificeerd risicomateriaal;

h)

handelingen waarbij dierlijke bijproducten worden gehanteerd en die verricht worden in overeenstemming met de voorschriften van de veterinaire wetgeving van de Unie, zoals postmortemkeuringen of het nemen van monsters;

i)

ontsmetting/pasteurisatie van dierlijke bijproducten die bestemd zijn voor omzetting in biogas of compost, voordat een dergelijke omzetting of compostering in een andere inrichting of een ander bedrijf plaatsvindt overeenkomstig bijlage V bij deze verordening;

j)

zeven.

Afdeling 1

Algemene eisen

1.

Bedrijfsruimten en voorzieningen waar tussenhandelingen worden uitgevoerd, moeten ten minste voldoen aan de volgende eisen:

a)

zij zijn adequaat gescheiden van hoofdwegen waarlangs verontreiniging kan worden verspreid, en van andere bedrijfsruimten zoals slachthuizen. De ligging van de installaties waarborgt dat respectievelijk categorie 1- en categorie 2-materiaal vanaf de ontvangst tot de verzending volledig gescheiden blijven van categorie 3-materiaal, tenzij dit in volledig gescheiden gebouwen gebeurt;

b)

het bedrijf heeft een overdekte ruimte voor de ontvangst en verzending van dierlijke bijproducten, tenzij de dierlijke bijproducten afgevoerd worden door installaties die de verspreiding van risico’s voor de volksgezondheid en de diergezondheid voorkomen, zoals gesloten buizen voor vloeibare dierlijke bijproducten;

c)

het bedrijf is zo gebouwd dat het eenvoudig kan worden gereinigd en ontsmet. Vloeren moeten zo aangelegd zijn dat vloeistoffen gemakkelijk wegvloeien;

d)

het bedrijf is voorzien van adequate toiletten, kleedruimen, wasbakken voor het personeel en zo nodig, kantoorruimte die beschikbaar gesteld kan worden aan het personeel dat officiële controles uitvoert;

e)

het bedrijf is voorzien van adequate voorzieningen die beschermen tegen schadelijke dieren zoals insecten, knaagdieren en vogels;

f)

waar dit vereist is om de doelstellingen van deze verordening te bereiken, beschikken bedrijven over adequate opslagfaciliteiten met regelbare temperatuur en voldoende capaciteit waarin dierlijke bijproducten op geschikte temperaturen bewaard kunnen worden en die zo ontworpen zijn dat deze temperaturen gecontroleerd en geregistreerd kunnen worden.

2.

Het bedrijf beschikt over adequate voorzieningen voor het reinigen en ontsmetten van de (open of afsluitbare) recipiënten waarin dierlijke bijproducten worden geleverd, en van de voertuigen waarin zij worden vervoerd, schepen uitgezonderd. Er wordt gezorgd voor adequate voorzieningen voor het ontsmetten van voertuigwielen.

Afdeling 2

Hygiëne-eisen

1.

Het sorteren van dierlijke bijproducten gebeurt zo dat elk gevaar voor verspreiding van dierziekten wordt voorkomen.

2.

Gedurende de opslag worden dierlijke bijproducten gescheiden van andere goederen gehanteerd en opgeslagen, en wel zo dat elke verspreiding van ziekteverwekkers wordt voorkomen.

3.

Dierlijke bijproducten worden adequaat, mede op de juiste temperatuur, opgeslagen totdat zij verder worden verzonden.

Afdeling 3

Verwerkingsnormen voor ontsmetting en pasteurisatie

Ontsmetting en pasteurisatie als bedoeld onder i) van de inleidende alinea van dit hoofdstuk wordt uitgevoerd overeenkomstig de in bijlage V, hoofdstuk I, afdeling 1, punt 1, beschreven verwerkingsnormen of overeenkomstig alternatieve omzettingsparameters die overeenkomstig hoofdstuk III, afdeling 2, punt 1, van die bijlage zijn toegestaan.

HOOFDSTUK III

EISEN VOOR DE OPSLAG VAN AFGELEIDE PRODUCTEN

Afdeling 1

Algemene eisen

Bedrijfsruimten en voorzieningen moeten minstens aan de volgende eisen voldoen:

1.

bedrijfsruimten en voorzieningen waarin afgeleide producten van categorie 3-materiaal worden opgeslagen, zijn niet op hetzelfde terrein gelegen als bedrijfsruimten waarin afgeleide producten van categorie 1 of categorie 2-materiaal worden opgeslagen, tenzij versleping wordt voorkomen door de ligging en het beheer van de bedrijfsruimten, zoals door opslag in volledig gescheiden gebouwen;

2.

het bedrijf:

a)

heeft een overdekte ruimte voor de ontvangst en verzending van afgeleide producten, tenzij de afgeleide producten:

i)

afgevoerd worden door installaties die de verspreiding van risico’s voor de volksgezondheid en de diergezondheid voorkomen, zoals gesloten buizen voor vloeibare producten, of

ii)

aangeleverd worden in verpakkingen, zoals bigbags, of in afgedekte lekvrije recipiënten of vervoermiddelen;

b)

is zo gebouwd dat het eenvoudig kan worden gereinigd en ontsmet. Vloeren moeten zo aangelegd zijn dat vloeistoffen gemakkelijk wegvloeien;

c)

is voorzien van adequate voorzieningen met inbegrip van toiletten, kleedruimten en wasbakken voor het personeel;

d)

is voorzien van adequate voorzieningen ter bescherming tegen schadelijke dieren zoals insecten, knaagdieren en vogels;

3.

het bedrijf beschikt over adequate voorzieningen voor het reinigen en ontsmetten van de (open of afsluitbare) recipiënten waarin de afgeleide producten worden geleverd, en van de voertuigen, met uitzondering van schepen, waarin zij worden vervoerd;

4.

de afgeleide producten worden adequaat opgeslagen totdat zij verder worden verzonden.

Afdeling 2

Specifieke eisen voor de opslag van bepaalde soorten melk, melkproducten en melkderivaten

1.

Om ervoor te zorgen dat er geen gevaar voor de gezondheid van mens of dier ontstaat, vindt de opslag van de producten als bedoeld in bijlage X, hoofdstuk II, afdeling 4, deel II, plaats bij een geschikte temperatuur in een daarvoor erkende of geregistreerde opslaginrichting of erkend of geregistreerd opslagbedrijf of in een speciaal daarvoor bestemde, afzonderlijke opslagruimte in een erkende of geregistreerde opslaginrichting of een erkend of geregistreerd opslagbedrijf.

2.

Tijdens de opslag of bij de uitslag van de eindproducten genomen monsters moeten ten minste voldoen aan de microbiologische normen van bijlage X, hoofdstuk I.

HOOFDSTUK IV

GEREGISTREERDE EXPLOITANTEN

1.

Exploitanten van geregistreerde bedrijven of inrichtingen of andere geregistreerde exploitanten hanteren dierlijke bijproducten en afgeleide producten overeenkomstig de volgende voorwaarden:

a)

de bedrijfsruimten zijn zo gebouwd dat zij zo nodig doeltreffend kunnen worden gereinigd en ontsmet;

b)

de bedrijfsruimten zijn voorzien van adequate voorzieningen ter bescherming tegen schadelijke dieren als insecten, knaagdieren en vogels;

c)

de installaties en apparatuur worden voor zover van toepassing in hygiënische toestand gehouden;

d)

dierlijke bijproducten en afgeleide producten worden zodanig opgeslagen dat verontreiniging wordt voorkomen.

2.

De exploitanten houden een administratie bij die voor de bevoegde autoriteit toegankelijk is.

3.

Geregistreerde exploitanten die dierlijke bijproducten of afgeleide producten vervoeren, tenzij het gaat om vervoer tussen bedrijfsruimten van dezelfde exploitant, nemen met name het volgende in acht:

a)

zij beschikken over informatie betreffende de identificatie van hun voertuigen, aan de hand waarvan het gebruik van de voertuigen voor het vervoer van dierlijke bijproducten of afgeleide producten kan worden gecontroleerd;

b)

zij reinigen en ontsmetten hun voertuigen, indien van toepassing;

c)

zij nemen alle overige maatregelen die nodig zijn om verontreiniging en verspreiding van op mens of dier overdraagbare ziekten te voorkomen.


BIJLAGE X

VOEDERMIDDELEN

HOOFDSTUK I

ALGEMENE EISEN VOOR HET VERWERKEN EN IN DE HANDEL BRENGEN

Microbiologische normen voor afgeleide producten

De onderstaande microbiologische normen gelden voor afgeleide producten.

Monsters die worden genomen tijdens de opslag van de eindproducten bij het verwerkingsbedrijf of bij uitslag van die producten uit dat bedrijf, moeten aan de volgende normen voldoen:

 

Salmonella: geen in 25 g: n = 5, c = 0, m = 0, M = 0,

 

Enterobacteriaceae: n = 5, c = 2, m = 10, M = 300 in 1 g,

waarbij:

n

=

aantal te testen monsters;

m

=

drempelwaarde voor het aantal bacteriën; het resultaat wordt als bevredigend beschouwd als het aantal bacteriën in geen enkel monster groter dan m is;

M

=

maximumwaarde voor het aantal bacteriën; het resultaat wordt als onbevredigend beschouwd als het aantal bacteriën in een of meer monsters gelijk aan of groter dan M is, en

c

=

aantal monsters waarvoor de bacterietelling een resultaat tussen m en M te zien mag geven en waarbij het monster nog als aanvaardbaar wordt beschouwd als het resultaat van de bacterietelling voor de overige monsters niet groter dan m is.

De in dit hoofdstuk beschreven microbiologische normen zijn echter niet van toepassing op gesmolten vet en visolie afkomstig van de verwerking van dierlijke bijproducten, wanneer de bij dezelfde verwerking verkregen dierlijke eiwitten onderworpen zijn aan bemonstering om naleving van deze normen te waarborgen.

HOOFDSTUK II

SPECIFIEKE EISEN VOOR VERWERKTE DIERLIJKE EIWITTEN EN ANDERE AFGELEIDE PRODUCTEN

Afdeling 1

Specifieke eisen voor verwerkte dierlijke eiwitten

A.   Grondstoffen

Alleen dierlijke bijproducten bestaande uit categorie 3-materiaal of van dergelijke dierlijke bijproducten afgeleide producten, die niet genoemd worden in artikel 10, onder n), o) en p), van Verordening (EG) nr. 1069/2009, mogen worden gebruikt voor de vervaardiging van verwerkte dierlijke eiwitten.

B.   Verwerkingsnormen

1.

Verwerkte dierlijke eiwitten die afkomstig zijn van zoogdieren moeten behandeld zijn met verwerkingsmethode 1 (sterilisatie onder druk) als beschreven in bijlage IV, hoofdstuk III.

Hierbij geldt echter het volgende:

a)

varkensbloed of varkensbloedfracties voor de vervaardiging van bloedmeel mogen in plaats daarvan met een van de verwerkingsmethoden 1 tot en met 5 of met verwerkingsmethode 7, als beschreven in bijlage IV, hoofdstuk III, zijn behandeld, mits in het geval van verwerkingsmethode 7 een kerntemperatuur van ten minste 80 °C is bereikt;

b)

verwerkte dierlijke eiwitten afkomstig van zoogdieren:

i)

mogen behandeld worden met een van de verwerkingsmethoden 1 tot en met 5 of met verwerkingsmethode 7, als beschreven in bijlage IV, hoofdstuk III, mits zij vervolgens worden verwijderd of worden verstookt als brandstof;

ii)

mogen, indien zij uitsluitend bestemd zijn voor gebruik in voeder voor gezelschapsdieren, behandeld worden met een van de verwerkingsmethoden 1 tot en met 5 of met verwerkingsmethode 7, als beschreven in bijlage IV, hoofdstuk III, mits zij:

worden vervoerd in speciale recipiënten die niet gebruikt worden voor het vervoer van dierlijke bijproducten of voeder voor landbouwhuisdieren, en

rechtstreeks van een verwerkingsbedrijf voor categorie 3-materiaal worden verzonden naar het bedrijf voor de productie van voeder voor gezelschapsdieren, dan wel naar een erkend opslagbedrijf, vanwaar zij rechtstreeks worden verzonden naar een bedrijf voor de productie van voeder voor gezelschapsdieren.

2.

Verwerkte dierlijke eiwitten van andere dieren dan zoogdieren, uitgezonderd vismeel, moeten met een van de verwerkingsmethoden 1 tot en met 5 of met verwerkingsmethode 7, als beschreven in bijlage IV, hoofdstuk III, behandeld zijn.

3.

Vismeel moet:

a)

met een van de in bijlage IV, hoofdstuk III, beschreven verwerkingsmethoden behandeld zijn, of

b)

behandeld zijn met een methode die waarborgt dat het product voldoet aan de microbiologische normen voor afgeleide producten van hoofdstuk I van deze bijlage.

C.   Opslag

1.

Verwerkte dierlijke eiwitten moeten worden verpakt en opgeslagen in nieuwe of gesteriliseerde zakken of worden opgeslagen in adequate bakken voor bulkgoederen of in opslagloodsen.

Er worden toereikende maatregelen getroffen om de condensvorming in bakken en liften of op transportbanden zoveel mogelijk te beperken.

2.

Producten op transportbanden en in liften en bakken worden beschermd tegen incidentele verontreiniging.

3.

Apparatuur voor de behandeling van verwerkte dierlijke eiwitten wordt schoon en droog gehouden en moet geschikte inspectiepunten hebben zodat de apparatuur op reinheid kan worden gecontroleerd.

Alle opslagfaciliteiten moeten, voor zover noodzakelijk, regelmatig worden geleegd en gereinigd om verontreiniging te voorkomen.

4.

Verwerkte dierlijke eiwitten moeten droog worden gehouden.

Lekken en condensvorming in de opslagruimte moeten worden voorkomen.

Afdeling 2

Specifieke eisen voor bloedproducten

A.   Grondstof

Alleen bloed als bedoeld in artikel 10, onder a) en b) i), van Verordening (EG) nr. 1069/2009 mag voor de vervaardiging van bloedproducten worden gebruikt.

B.   Verwerkingsnormen

Bloedproducten moeten:

a)

met een van de verwerkingsmethoden 1 tot en met 5 of met verwerkingsmethode 7, als beschreven in bijlage IV, hoofdstuk III, behandeld zijn, of

b)

behandeld zijn met een andere methode die waarborgt dat het bloedproduct voldoet aan de microbiologische normen voor afgeleide producten van hoofdstuk I van deze bijlage.

Afdeling 3

Specifieke eisen voor gesmolten vet, visolie en vetderivaten van categorie 3-materiaal

A.   Grondstoffen

1.   Gesmolten vet

Alleen ander categorie 3-materiaal dan categorie 3-materiaal als bedoeld in artikel 10, onder i), j), n), o) en p), van Verordening (EG) nr. 1069/2009 mag worden gebruikt voor de vervaardiging van gesmolten vet.

2.   Visolie

Alleen categorie 3-materiaal als bedoeld in artikel 10, onder i) en j), van Verordening (EG) nr. 1069/2009 en categorie 3-materiaal afkomstig van waterdieren als bedoeld in artikel 10, onder e) en f), van die verordening mag worden gebruikt voor de vervaardiging van visolie.

B.   Verwerkingsnormen

Tenzij gebruik wordt gemaakt van visolie die, of gesmolten vet dat geproduceerd is overeenkomstig respectievelijk sectie VIII of sectie XII van bijlage III bij Verordening (EG) nr. 853/2004, wordt gesmolten vet geproduceerd met een van de verwerkingsmethoden 1 tot en met 5 of verwerkingsmethode 7, en visolie met:

a)

een van de verwerkingsmethoden 1 tot en met 7, als beschreven in bijlage IV, hoofdstuk III, of

b)

met een andere methode die waarborgt dat het product voldoet aan de microbiologische normen voor afgeleide producten van hoofdstuk I van deze bijlage.

Gesmolten vet van herkauwers moet zo worden gezuiverd dat het maximumgehalte aan nog resterende onoplosbare verontreinigingen niet meer dan 0,15 gewichtsprocent bedraagt.

Vetderivaten afkomstig van categorie 3-gesmolten vet of van categorie 3-visolie worden vervaardigd volgens een van de in bijlage IV, hoofdstuk III, beschreven verwerkingsmethoden.

C.   Hygiëne-eisen

Als het gesmolten vet of de visolie in eindverpakking wordt geleverd, moeten nieuwe recipiënten worden gebruikt of recipiënten die gereinigd zijn en, indien nodig, ontsmet zijn om verontreiniging te voorkomen, en moeten alle voorzorgen worden genomen om herverontreiniging te voorkomen.

Als die producten bestemd zijn voor levering via bulkvervoer, moeten de leidingen, pompen, bulktanks, alsmede alle bulkcontainers of tankwagens die worden gebruikt voor het vervoer van de producten vanuit de productie-inrichting hetzij rechtstreeks naar het schip of naar opslagtanks op het land, hetzij rechtstreeks naar inrichtingen, vóór gebruik schoon zijn.

Afdeling 4

Specifieke eisen voor melk, biest en bepaalde andere van melk of biest afgeleide producten

Deel I

Algemene eisen

A.   Grondstof

Alleen melk als bedoeld in artikel 10, onder e), van Verordening (EG) nr. 1069/2009, met uitzondering van centrifuge- of separatorslib, en melk als bedoeld in artikel 10, onder f) en h), van Verordening (EG) nr. 1069/2009 mag worden gebruikt voor de vervaardiging van melk, melkproducten en melkderivaten.

Biest mag uitsluitend worden gebruikt als het afkomstig is van levende dieren die geen symptomen vertoonden van een via biest op mens of dier overdraagbare ziekte.

B.   Verwerkingsnormen

1.

Melk moet een van de volgende behandelingen ondergaan:

1.1.

sterilisatie met een F0  (1) -waarde van ten minste 3;

1.2.

UHT (2) in combinatie met:

a)

een daarop volgende fysieke behandeling, door:

i)

een droogprocedé, in het geval van melk die bestemd is als voeder voor dieren gecombineerd met extra verhitting tot 72 °C of meer, of

ii)

verlaging van de pH tot minder dan 6 gedurende ten minste een uur;

b)

de voorwaarde dat de melk, het melkproduct of melkderivaat ten minste 21 dagen voor verzending is geproduceerd en dat in de lidstaat van oorsprong gedurende deze periode geen mond-en-klauwzeer is vastgesteld;

1.3.

HTST (3) tweemaal toegepast;

1.4.

HTST in combinatie met:

a)

een daarop volgende fysieke behandeling, door:

i)

een droogprocedé, in het geval van melk die bestemd is als voeder voor dieren gecombineerd met extra verhitting tot 72 °C of meer, of

ii)

verlaging van de pH tot minder dan 6 gedurende ten minste een uur;

b)

de voorwaarde dat de melk, het melkproduct of melkderivaat ten minste 21 dagen voor verzending is geproduceerd en dat in de lidstaat van oorsprong gedurende deze periode geen mond-en-klauwzeer is vastgesteld.

2.

Melkproducten en melkderivaten moeten ten minste een van de in punt 1 bedoelde behandelingen ondergaan of worden bereid met melk die overeenkomstig punt 1 is behandeld.

3.

Wei die wordt gebruikt als voeder voor dieren van soorten die gevoelig zijn voor mond-en-klauwzeer en die wordt geproduceerd van melk die een behandeling overeenkomstig punt 1 heeft ondergaan:

a)

mag pas 16 uur na het stremmen van de melk worden afgetapt en alleen naar veehouderijen worden vervoerd als de pH lager dan 6,0 is, of

b)

moet ten minste 21 dagen vóór verzending zijn geproduceerd, waarbij gedurende die periode geen geval van mond-en-klauwzeer in het land van oorsprong is geconstateerd.

4.

Behalve aan de in de punten 1, 2 en 3 vermelde eisen moeten melk, melkproducten en melkderivaten aan de volgende eisen voldoen:

4.1.

na de verwerking moeten de nodige voorzorgsmaatregelen worden getroffen om te voorkomen dat het product wordt verontreinigd;

4.2.

het eindproduct moet voorzien zijn van een etiket waarop vermeld staat dat het categorie 3-materiaal bevat en niet bestemd is voor menselijke consumptie, en het moet:

a)

in nieuwe recipiënten worden verpakt, of

b)

in bulk worden vervoerd in containers of andere vervoermiddelen die vóór gebruik grondig zijn gereinigd en ontsmet.

5.

Rauwe melk moet worden geproduceerd onder omstandigheden die adequate garanties bieden ten aanzien van de diergezondheid.

6.

Biest en biestproducten moeten:

6.1.

zijn verkregen van runderen die worden gehouden in een bedrijf waar alle rundveebeslagen zijn erkend als officieel tuberculosevrij, officieel brucellosevrij en officieel vrij van endemische runderleukose, als omschreven in artikel 2, lid 2, onder d), f) en j), van Richtlijn 64/432/EEG;

6.2.

ten minste 21 dagen vóór verzending zijn geproduceerd, waarbij gedurende die periode geen geval van mond-en-klauwzeer in het land van oorsprong is geconstateerd;

6.3.

één HTST-behandeling hebben ondergaan (3);

6.4.

voldoen aan de eisen van punt 4.

Deel II

Afwijking voor het in de handel brengen van melk die overeenkomstig nationale normen is verwerkt

1.

De in de punten 2 en 3 vastgestelde eisen zijn van toepassing op de verwerking, het gebruik en de opslag van melk, melkproducten en melkderivaten die onder de definitie van categorie 3-materiaal vallen, als bedoeld in artikel 10, onder e), van Verordening (EG) nr. 1069/2009, met uitzondering van centrifuge- of separatorslib en melk als bedoeld in artikel 10, onder f) en h), van die verordening, die niet zijn verwerkt overeenkomstig deel 1 van deze afdeling.

2.

De bevoegde autoriteit staat melkverwerkingsinrichtingen die zijn erkend of geregistreerd overeenkomstig artikel 4 van Verordening (EG) nr. 853/2004 om melk, melkproducten en melkderivaten voor de in punt 3 bedoelde doeleinden te leveren op voorwaarde dat de betrokken inrichting de traceerbaarheid van de producten garandeert.

3.

Melk, melkproducten en melkderivaten mogen worden geleverd en gebruikt als voedermiddelen:

a)

in de betrokken lidstaat en in grensoverschrijdende gebieden wanneer de betrokken lidstaten dit onderling overeen zijn gekomen, in het geval van afgeleide producten, met inbegrip van wit water, die in aanraking zijn geweest met rauwe melk en/of gepasteuriseerde melk overeenkomstig bijlage III, sectie IX, hoofdstuk II, punt II.1, onder a) of b), bij Verordening (EG) nr. 853/2004, indien die afgeleide producten een van de volgende behandelingen hebben ondergaan:

i)

UHT;

ii)

een sterilisatie waarbij een Fc-waarde van ten minste 3 wordt bereikt of die is uitgevoerd bij een temperatuur van ten minste 115 °C gedurende 15 minuten of een gelijkwaardige tijd-temperatuurcombinatie;

iii)

pasteurisatie of sterilisatie anders dan bedoeld in punt ii), gevolgd door:

voor melkpoeder, melkpoederproducten of melkpoederderivaten, een droogprocedé;

voor een aangezuurd melkproduct, een procedé waarbij de pH gedurende ten minste één uur tot minder dan 6 wordt verlaagd;

b)

in de betrokken lidstaat,

i)

indien het gaat om afgeleide producten, met inbegrip van wit water, die in aanraking zijn geweest met melk die alleen gepasteuriseerd is overeenkomstig bijlage III, sectie IX, hoofdstuk II, punt II.1, onder a), bij Verordening (EG) nr. 853/2004, en wei, afkomstig van niet-warmtebehandelde melkproducten, die pas 16 uur na het stremmen van de melk is afgetapt en die alleen als voeder mag worden geleverd als de pH minder dan 6,0 bedraagt, op voorwaarde dat de afgeleide producten worden verzonden naar een beperkt aantal toegelaten veehouderijen, dat is vastgesteld op grond van de risicobeoordeling voor best- en worse-casescenario’s die door de betrokken lidstaat is uitgevoerd bij de opstelling van de rampenplannen voor epizoötieën, met name mond-en-klauwzeer;

ii)

indien het gaat om rauwe producten, met inbegrip van wit water dat in aanraking is geweest met rauwe melk en andere producten waarvoor de onder a) en b) i), bedoelde behandelingen niet kunnen worden gegarandeerd, op voorwaarde dat zij worden verzonden naar een beperkt aantal toegelaten veehouderijen, dat is vastgesteld op grond van de risicobeoordeling voor best- en worse-casescenario’s die door de betrokken lidstaat wordt uitgevoerd bij de opstelling van de rampenplannen voor epizoötieën, met name mond-en-klauwzeer, mits de op de toegelaten veehouderijen aanwezige dieren alleen kunnen worden verplaatst:

rechtstreeks naar een slachthuis in dezelfde lidstaat, of

naar een ander agrarisch bedrijf in dezelfde lidstaat, waarvoor de bevoegde autoriteit garandeert dat voor mond-en-klauwzeer vatbare dieren het bedrijf alleen kunnen verlaten, hetzij rechtstreeks naar een slachthuis in dezelfde lidstaat, hetzij, indien de dieren verzonden zijn naar een agrarisch bedrijf dat de in punt ii) bedoelde producten niet vervoedert, na een wachttijd van 21 dagen na aankomst van de dieren.

4.

De bevoegde autoriteit mag toestemming verlenen voor de levering van biest die niet voldoet aan de in deel I, onder B, punt 6, vastgestelde voorwaarden, van een landbouwer aan een andere landbouwer binnen dezelfde lidstaat voor vervoederingsdoeleinden, onder omstandigheden waarmee de overdracht van gezondheidrisico’s wordt voorkomen.

Deel III

Bijzondere eisen voor centrifuge- en separatorslib

Categorie 3-materiaal bestaande uit centrifuge- of separatorslib moet een warmtebehandeling hebben ondergaan van ten minste 60 minuten bij 70 °C of ten minste 30 minuten bij 80 °C, voordat het in de handel mag worden gebracht om aan landbouwhuisdieren te vervoederen.

Afdeling 5

Specifieke eisen voor gelatine en gehydrolyseerde eiwitten

A.   Grondstoffen

Alleen dierlijke bijproducten bestaande uit categorie 3-materiaal of van dergelijke dierlijke bijproducten afgeleide producten, die niet genoemd worden in artikel 10, onder m), n), o) en p), van Verordening (EG) nr. 1069/2009, mogen worden gebruikt voor de productie van gelatine en gehydrolyseerde eiwitten.

B.   Verwerkingsnormen voor gelatine

1.

Tenzij de gelatine geproduceerd is overeenkomstig bijlage III, sectie XIV, bij Verordening (EG) nr. 853/2004, moet de gelatine geproduceerd worden via een proces waarbij categorie 3-materiaal met een zuur of een base wordt behandeld en vervolgens een of meer keren wordt gespoeld.

Daarna wordt de pH aangepast. De gelatine wordt geëxtraheerd door de grondstoffen een keer of verschillende keren na elkaar te verhitten; het extract wordt dan gezuiverd door middel van filtratie en sterilisatie.

2.

Na de in punt 1 bedoelde bewerkingen kan de gelatine worden gedroogd en vervolgens eventueel worden verwerkt tot poeder of tot blaadjes.

3.

Het is verboden andere conserveringsmiddelen te gebruiken dan zwaveldioxide en waterstofperoxide.

C.   Overige eisen voor gelatine

Gelatine moet onder bevredigende hygiënische omstandigheden worden voorzien van een onmiddellijke verpakking, worden verpakt, opgeslagen en vervoerd.

In het bijzonder geldt het volgende:

a)

er moet een ruimte zijn voor de opslag van materiaal voor onmiddellijke verpakking en ander verpakkingsmateriaal;

b)

het aanbrengen van de onmiddellijke verpakking en de verpakking moet plaatsvinden in een ruimte of op een plaats die voor dat doel bestemd is.

D.   Verwerkingsnormen voor gehydrolyseerde eiwitten

Gehydrolyseerde eiwitten moeten worden vervaardigd via een productieproces dat adequate maatregelen omvat om verontreiniging zoveel mogelijk te beperken. Van herkauwers afgeleide gehydrolyseerde eiwitten hebben een molecuulmassa van minder dan 10 000 dalton.

Naast de in de eerste alinea genoemde eisen moeten gehydrolyseerde eiwitten die volledig of gedeeltelijk van huiden van herkauwers afkomstig zijn, worden vervaardigd in een verwerkingsfabriek die uitsluitend gehydrolyseerde eiwitten produceert; tijdens het productieproces moeten de categorie 3-grondstoffen worden voorbewerkt door pekelen, kalken en grondig wassen, gevolgd door blootstelling van het materiaal aan:

a)

een pH van meer dan 11 gedurende meer dan 3 uur bij een temperatuur van meer dan 80 °C, gevolgd door een warmtebehandeling bij meer dan 140 °C gedurende 30 minuten bij meer dan 3,6 bar, of

b)

een pH van 1 tot 2, gevolgd door een pH van meer dan 11, gevolgd door een warmtebehandeling bij 140 °C gedurende 30 minuten bij 3 bar.

Afdeling 6

Specifieke eisen voor dicalciumfosfaat

A.   Grondstoffen

Alleen dierlijke bijproducten bestaande uit categorie 3-materiaal of van dergelijke dierlijke bijproducten afgeleide producten, die niet genoemd worden in artikel 10, onder m), n), o) en p), van Verordening (EG) nr. 1069/2009 mogen worden gebruikt voor de productie van dicalciumfosfaat.

B.   Verwerkingsnormen

1.

Dicalciumfosfaat moet worden vervaardigd via een proces dat uit de volgende drie stappen bestaat:

a)

eerst wordt al het beendermateriaal dat bestaat uit categorie 3-materiaal fijn gemalen, met heet water ontvet en behandeld met verdund zoutzuur (bij een minimumconcentratie van 4 % en een pH van minder dan 1,5) gedurende ten minste twee dagen;

b)

vervolgens wordt de verkregen fosfaatoplossing na de procesfase als bedoeld onder a) behandeld met kalk, wat resulteert in een neerslag van dicalciumfosfaat met een pH tussen 4 en 7;

c)

ten slotte wordt dit neerslag van dicalciumfosfaat gedurende 15 minuten met lucht gedroogd bij een inlaattemperatuur van 65 °C tot 325 °C en een eindtemperatuur tussen 30 °C en 65 °C.

2.

Indien dicalciumfosfaat uit ontvette beenderen wordt geproduceerd, moet het geproduceerd worden uit beenderen als bedoeld in artikel 10, onder a), van Verordening (EG) nr. 1069/2009.

Afdeling 7

Specifieke eisen voor tricalciumfosfaat

A.   Grondstoffen

Alleen dierlijke bijproducten bestaande uit categorie 3-materiaal of van dergelijke dierlijke bijproducten afgeleide producten, die niet genoemd worden in artikel 10, onder m), n), o) en p), van Verordening (EG) nr. 1069/2009 mogen worden gebruikt voor de productie van tricalciumfosfaat.

B.   Verwerkingsnormen

Tricalciumfosfaat moet worden vervaardigd via een proces waarbij:

a)

al het beendermateriaal dat bestaat uit categorie 3-materiaal fijn wordt gemalen en in tegenstroom met heet water wordt ontvet (botsplinters van minder dan 14 mm);

b)

het materiaal gedurende 30 minuten continu met stoom wordt verhit bij 145 °C en 4 bar;

c)

de eiwithoudende vloeistof door centrifugering van het hydroxyapatiet (tricalciumfosfaat) wordt gescheiden;

d)

het tricalciumfosfaat wordt gedroogd in een wervelbed met lucht bij 200 °C en vervolgens wordt gegranuleerd.

Afdeling 8

Specifieke eisen voor collageen

A.   Grondstoffen

Alleen dierlijke bijproducten bestaande uit categorie 3-materiaal of van dergelijke dierlijke bijproducten afgeleide producten, die niet genoemd worden in artikel 10, onder m), n), o) en p), van Verordening (EG) nr. 1069/2009, mogen worden gebruikt voor de productie van collageen.

B.   Verwerkingsnormen

1.

Tenzij het collageen geproduceerd is overeenkomstig de eisen voor collageen in bijlage III, sectie XV, bij Verordening (EG) nr. 853/2004, moet het geproduceerd worden volgens een procedé waarbij onverwerkt categorie 3-materiaal wordt gewassen, de pH met een zuur of base wordt bijgesteld, het materiaal een of meer keren gespoeld en vervolgens gefiltreerd en geëxtrudeerd wordt.

Na deze behandeling mag het collageen eventueel worden gedroogd.

2.

Het is verboden andere conserveringsmiddelen te gebruiken dan krachtens de wetgeving van de Unie is toegestaan.

C.   Andere criteria

Collageen moet onder bevredigende hygiënische omstandigheden worden voorzien van een onmiddellijke verpakking, worden verpakt, opgeslagen en vervoerd. In het bijzonder geldt het volgende:

a)

er moet een ruimte zijn voor de opslag van materiaal voor onmiddellijke verpakking en ander verpakkingsmateriaal;

b)

het aanbrengen van de onmiddellijke verpakking en de verpakking moet plaatsvinden in een ruimte of op een plaats die voor dat doel bestemd is.

Afdeling 9

Specifieke eisen voor eiproducten

A.   Grondstoffen

Alleen dierlijke bijproducten als bedoeld in artikel 10, onder e), f) en k) ii), van Verordening (EG) nr. 1069/2009 mogen voor de vervaardiging van eiproducten worden gebruikt.

B.   Verwerkingsnormen

Eiproducten moeten:

a)

met een van de verwerkingsmethoden 1 tot en met 5 of verwerkingsmethode 7, als beschreven in bijlage IV, hoofdstuk III, behandeld zijn,

b)

behandeld zijn volgens een andere methode met parameters die ervoor zorgen dat het product voldoet aan de microbiologische normen voor afgeleide producten in hoofdstuk I, of

c)

behandeld zijn overeenkomstig de voorschriften voor eieren en eiproducten in bijlage III, sectie X, hoofdstukken I, II en III, bij Verordening (EG) nr. 853/2004.

Afdeling 10

Specifieke eisen voor bepaald categorie 3-materiaal

Categorie 3-materiaal dat bestaat uit producten van dierlijke oorsprong, of voedingsmiddelen die producten van dierlijke oorsprong bevatten, die niet langer voor menselijke consumptie bestemd zijn om commerciële redenen of wegens productieproblemen, verpakkingsgebreken of andere problemen die geen risico voor de volksgezondheid of de diergezondheid inhouden, als bedoeld in artikel 10, onder f), van Verordening (EG) nr. 1069/2009, mogen in de handel worden gebracht voor vervoedering aan landbouwhuisdieren, mits:

a)

het materiaal niet bestaat uit of in aanraking geweest is met materiaal van dierlijke oorsprong dat geen verwerking heeft ondergaan:

i)

overeenkomstig deze verordening;

ii)

als gedefinieerd in artikel 2, lid l, onder m), van Verordening (EG) nr. 852/2004;

b)

alle nodige voorzorgsmaatregelen getroffen zijn om verontreiniging van het materiaal te voorkomen.

HOOFDSTUK III

EISEN VOOR BEPAALD VISVOEDER EN VISAAS

1.

Voor voeder voor gekweekte vis of andere aquacultuurdieren bestemde dierlijke bijproducten van vissen of aquatische ongewervelden en afgeleide producten daarvan voldoen aan de volgende eisen:

a)

zij worden gescheiden van niet voor dat doel toegelaten materiaal gehanteerd en verwerkt;

b)

zij zijn afkomstig:

i)

van voor commerciële doeleinden aangevoerde wilde vis of andere waterdieren, met uitzondering van zeezoogdieren, of van dierlijke bijproducten van wilde vis afkomstig van bedrijven die visproducten voor menselijke consumptie vervaardigen, of

ii)

van gekweekte vis, op voorwaarde dat zij vervoederd worden aan gekweekte vis van een andere soort;

c)

zij worden verwerkt in een verwerkingsbedrijf volgens een methode die een microbiologisch veilig product waarborgt, ook ten aanzien van ziekteverwekkers bij vissen.

2.

Om onaanvaardbare risico’s van op mens of dier overdraagbare ziekten te voorkomen kan de bevoegde autoriteit voorwaarden vaststellen voor het gebruik van waterdieren en van aquatische en terrestrische ongewervelden:

a)

als voeder voor gekweekte vis of aquatische ongewervelden, wanneer de dierlijke bijproducten niet verwerkt zijn overeenkomstig punt 1, onder c);

b)

als visaas, met inbegrip van aas voor aquatische ongewervelden.


(1)  F0 is de berekende dodende werking op sporen van bacteriën. Een F0-waarde van 3,00 betekent dat het koudste punt in het product voldoende is verhit om dezelfde dodende werking te verkrijgen als 121 °C (250 °F) in drie minuten met verwaarloosbare verhittings- en afkoeltijd.

(2)  UHT = ultrahogetemperatuurbehandeling bij 132 °C gedurende ten minste één seconde.

(3)  HTST = kortstondige pasteurisatie bij hoge temperatuur (High Temperature Short Time – HTST), namelijk bij 72 °C gedurende ten minste 15 seconden, of een equivalente pasteurisatiebehandeling die volstaat om een negatieve reactie op de fosfatasetest te veroorzaken.


BIJLAGE XI

ORGANISCHE MESTSTOFFEN EN BODEMVERBETERAARS

HOOFDSTUK I

EISEN VOOR NIET-VERWERKTE MEST, VERWERKTE MEST EN VAN VERWERKTE MEST AFGELEIDE PRODUCTEN

Afdeling 1

Niet-verwerkte mest

1.

Handelsverkeer in niet-verwerkte mest van andere soorten dan pluimvee en paardachtigen tussen lidstaten is, naast instemming van de lidstaat van bestemming als bedoeld in artikel 48, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1069/2009, onderworpen aan de volgende voorwaarden:

a)

handelsverkeer in niet-verwerkte mest van andere soorten dan pluimvee en paardachtigen is verboden, tenzij deze mest:

i)

afkomstig is uit een gebied waarvoor geen beperkingen gelden in verband met een ernstige overdraagbare ziekte, en

ii)

bestemd is om, onder controle van de bevoegde autoriteit, te worden uitgereden op de gronden van eenzelfde agrarisch bedrijf, gelegen aan weerszijden van de grens tussen twee lidstaten;

b)

de bevoegde autoriteit van de lidstaat van bestemming mag echter, met inachtneming van de herkomst van de mest, de bestemming van de mest en gezondheidsoverwegingen, specifieke toestemming verlenen om het volgende op haar grondgebied binnen te brengen:

i)

mest bestemd voor:

verwerking in een bedrijf voor de vervaardiging van afgeleide producten voor toepassingen buiten de voederketen, of

omzetting in biogas of compost overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1069/2009 en bijlage V bij deze verordening, met het oog op de vervaardiging van de in afdeling 2 van dit hoofdstuk bedoelde producten.

In dat geval houdt de bevoegde autoriteit bij het verlenen van de bedoelde toestemming rekening met de oorsprong van de mest, of

ii)

mest die bestemd is om op een agrarisch bedrijf te worden uitgereden, op voorwaarde dat de bevoegde autoriteit van de lidstaat van oorsprong zijn instemming met een dergelijk handelsverkeer heeft betuigd;

c)

in de gevallen als bedoeld onder b) moet het begeleidend handelsdocument van de zending mest voorzien zijn van een gezondheidsverklaring volgens het in punt 3 beschreven model.

2.

Handelsverkeer in niet-verwerkte mest van pluimvee tussen lidstaten is, naast instemming van de lidstaat van bestemming als bedoeld in artikel 48, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1069/2009, onderworpen aan de volgende voorwaarden:

a)

de mest moet afkomstig zijn uit een gebied waarvoor geen beperkingen gelden in verband met de ziekte van Newcastle of aviaire influenza;

b)

bovendien mag niet-verwerkte mest die afkomstig is van tegen de ziekte van Newcastle ingeënte koppels, niet worden verzonden naar een gebied dat overeenkomstig artikel 15, lid 2, van Richtlijn 2009/158/EG is erkend als „gebied waar niet tegen de ziekte van Newcastle wordt ingeënt”, en

c)

het begeleidend handelsdocument van de zending mest moet voorzien zijn van een gezondheidsverklaring volgens het in punt 3 beschreven model.

3.

Model van de gezondheidsverklaring die bij het handelsdocument moet worden gevoegd:

Image

Image

4.

Onverwerkte mest van paardachtigen mag worden verhandeld tussen lidstaten, op voorwaarde dat de lidstaat van bestemming toestemming heeft gegeven voor het handelsverkeer als bedoeld in artikel 48, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1069/2009 en op voorwaarde dat de mest niet afkomstig is van een bedrijf waarvoor veterinairrechtelijke beperkingen gelden in verband met kwade droes, vesiculaire stomatitis, miltvuur of rabiës overeenkomstig artikel 4, lid 5, van Richtlijn 2009/156/EG.

5.

Overeenkomstig artikel 48, lid 1, onder c) ii), van Verordening (EG) nr. 1069/2009 kan de bevoegde autoriteit van de lidstaat van bestemming van exploitanten die niet-verwerkte mest uit een andere lidstaat verzenden, verlangen dat zij:

a)

nadere informatie verstrekken over een voorgenomen verzending, zoals een nauwkeurige geografische aanduiding van de plaats waar de mest moet worden gelost, en

b)

de mest opslaan voordat deze op het land wordt uitgereden.

6.

De bevoegde autoriteit mag de verzending toestaan van mest die wordt vervoerd tussen twee plaatsen op hetzelfde agrarische bedrijf overeenkomstig de voorwaarden ter beheersing van eventuele gezondheidsrisico's, zoals verplichtingen voor de betrokken exploitanten om een adequate administratie bij te houden.

Afdeling 2

Guano van vleermuizen, verwerkte mest en afgeleide producten van verwerkte mest

Het in de handel brengen van verwerkte mest, afgeleide producten van verwerkte mest en guano van vleermuizen is, naast de instemming van de lidstaat van bestemming als bedoeld in artikel 48, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1069/2009, aan de volgende voorwaarden onderworpen:

a)

zij zijn afkomstig van een bedrijf voor afgeleide producten voor toepassingen buiten de voederketen, van een biogas- of composteerinstallatie of van een bedrijf voor de vervaardiging van organische meststoffen en bodemverbeteraars;

b)

zij hebben een warmtebehandeling ondergaan waarbij gedurende ten minste 60 minuten een temperatuur van ten minste 70 °C is aangehouden en zij hebben een behandeling ondergaan waarbij sporenvormers en toxinevorming worden onderdrukt, wanneer deze als een relevant gevaar worden geïdentificeerd;

c)

de bevoegde autoriteit mag echter het gebruik van andere gestandaardiseerde procesparameters dan de onder b) genoemde toestaan, mits de aanvrager bewijst dat dergelijke parameters ervoor zorgen dat de biologische risico's tot een minimum worden beperkt.

Dit bewijs omvat een validatie, die als volgt wordt uitgevoerd:

i)

identificatie en analyse van mogelijke gevaren, waaronder het effect van het uitgangsmateriaal, gebaseerd op een volledige omschrijving van de verwerkingscondities, en een risicobeoordeling die evalueert hoe de specifieke verwerkingscondities in normale en atypische situaties in de praktijk worden bereikt;

ii)

validatie van het voorgenomen proces

ii-1)

door het meten van de vermindering van de levensvatbaarheid/infectiviteit van endogene indicatororganismen tijdens het proces, waarbij de indicator:

consistent in hoge aantallen in de grondstof aanwezig is,

niet minder hittebestendig voor de dodelijke aspecten van het behandelingsproces is, maar ook niet significant resistenter dan de ziekteverwekkers voor de bewaking waarvan hij wordt gebruikt,

vrij gemakkelijk te kwantificeren en vrij gemakkelijk te identificeren en te bevestigen is, of

ii-2)

door het meten van de vermindering van de levensvatbaarheid/infectiviteit, tijdens de behandeling, van een goed gekarakteriseerd testorganisme of -virus, dat in een geschikt testlichaam in de grondstoffen is gebracht;

iii)

de in punt ii) bedoelde validatie moet bewijzen dat het proces de volgende algehele risicovermindering bereikt:

voor warmte- en chemische processen een vermindering van Enterococcus faecalis met ten minste 5 log10 en een vermindering van de infectiviteitstiter van hittebestendige virussen zoals Parvovirus, wanneer zij als een relevant gevaar worden geïdentificeerd, met ten minste 3 log10,

voor chemische processen ook een vermindering van resistente parasieten zoals eieren van Ascaris spp. met ten minste 99,9 % (3 log10) van de levensvatbare stadia;

iv)

opstelling van een volledig controleprogramma, waaronder procedures voor de bewaking van het proces;

v)

maatregelen voor de continue bewaking van en het continue toezicht op de in het controleprogramma vastgestelde relevante procesparameters bij het gebruik van de installatie.

Er worden dossiers met de bijzonderheden van de relevante in een installatie gebruikte procesparameters en van andere kritische controlepunten aangelegd en bijgehouden, zodat de eigenaar, exploitant of hun vertegenwoordiger en de bevoegde autoriteit het functioneren van de installatie kunnen bewaken. Op verzoek moeten gegevens over een overeenkomstig dit punt toegestaan proces aan de Commissie worden verstrekt;

d)

representatieve monsters van de mest, die tijdens of onmiddellijk na de verwerking in het bedrijf worden genomen om het proces te bewaken, moeten aan de volgende normen voldoen:

 

Escherichia coli: n = 5, c = 5, m = 0, M = 1 000 in 1 g,

of

 

Enterococcaceae: n = 5, c = 5, m = 0, M = 1 000 in 1 g,

en

 

representatieve monsters van de mest, die tijdens de opslag bij het productiebedrijf of de biogas- of composteerinstallatie of bij de uitslag van die mest uit de betrokken bedrijven worden genomen, moeten aan de volgende normen voldoen:

Salmonella: geen in 25 g: n = 5, c = 0, m = 0, M = 0,

waarbij:

n

=

aantal te testen monsters;

m

=

drempelwaarde voor het aantal bacteriën; het resultaat wordt als bevredigend beschouwd als het aantal bacteriën in geen enkel monster groter dan m is;

M

=

maximumwaarde voor het aantal bacteriën; het resultaat wordt als onbevredigend beschouwd als het aantal bacteriën in een of meer monsters gelijk aan of groter dan M is, en

c

=

aantal monsters waarvoor de bacterietelling een resultaat tussen m en M te zien mag geven en waarbij het monster nog als aanvaardbaar wordt beschouwd als het resultaat van de bacterietelling voor de overige monsters niet groter dan m is.

Verwerkte mest en verwerkte producten uit mest die niet aan de in dit punt vermelde normen voldoen, worden als niet-verwerkt beschouwd;

e)

zij moeten zo opgeslagen worden dat verontreiniging of secundaire besmetting en vochtigheid na behandeling tot een minimum worden beperkt. Daarom moeten verwerkte mest en verwerkte producten uit mest:

i)

opgeslagen worden in goed afgesloten en geïsoleerde silo's of adequate opslagloodsen, of

ii)

opgeslagen worden in deugdelijk gesloten verpakkingen zoals plastic zakken of bigbags.

HOOFDSTUK II

EISEN VOOR BEPAALDE ORGANISCHE MESTSTOFFEN EN BODEMVERBETERAARS

Afdeling 1

Productievoorwaarden

1.

Andere organische meststoffen en bodemverbeteraars dan mest, de inhoud van maag-darmkanaal, compost, melk, melkproducten, melkderivaten, biest, biestproducten en gistingsresiduen van de omzetting van dierlijke bijproducten of afgeleide producten in biogas, worden vervaardigd:

a)

door toepassing van methode 1 (sterilisatie onder druk) indien categorie 2-materiaal als grondstof wordt gebruikt;

b)

door gebruik van dierlijke eiwitten die uit categorie 3-materiaal zijn geproduceerd overeenkomstig bijlage X, hoofdstuk II, afdeling 1, of materiaal dat een andere behandeling heeft ondergaan, indien dat materiaal overeenkomstig deze verordening als organische meststof en bodemverbeteraar mag worden gebruikt, of

c)

door toepassing van een van de verwerkingsmethoden 1 tot en met 7 als bedoeld in bijlage IV, hoofdstuk III, indien als grondstof categorie 3-materiaal wordt gebruikt dat niet voor de productie van verwerkte dierlijke eiwitten wordt gebruikt.

2.

Organische meststoffen en bodemverbeteraars die bestaan uit of vervaardigd zijn van vleesbeendermeel van categorie 2-materiaal of verwerkte dierlijke eiwitten, worden in een geregistreerde inrichting of geregistreerd bedrijf gemengd met een minimumhoeveelheid van een stof die toegestaan is door de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar het product op het land zal worden uitgereden, die voldoende is om het mengsel voor vervoederingsdoeleinden uit te sluiten.

3.

De bevoegde autoriteit geeft toestemming voor de in punt 2 bedoelde stof op grond van de volgende criteria:

a)

de stof bestaat uit kalk, mest, urine, compost of gistingsresiduen van de omzetting van dierlijke bijproducten in biogas of andere stoffen, zoals minerale meststoffen, die niet gebruikt worden in diervoeders en die het mengsel volgens goede landbouwpraktijken voor vervoederingsdoeleinden uitsluiten;

b)

de stof wordt bepaald op grond van een beoordeling van het klimaat en de bodemgesteldheid voor het gebruik van het mengsel als meststof, op aanwijzingen dat de stof het mengsel onaantrekkelijk maakt voor dierlijke consumptie of anderszins doeltreffend uitsluit dat het product verkeerdelijk voor voederdoeleinden wordt gebruikt, en overeenkomstig de in de wetgeving van de Unie of, indien van toepassing, de nationale wetgeving vastgelegde eisen voor de bescherming van het milieu, in het bijzonder de bescherming van de bodem en het grondwater.

De bevoegde autoriteit stelt op verzoek de lijst van de toegestane stoffen beschikbaar aan de Commissie en andere lidstaten.

4.

De in punt 2 gestelde eisen zijn echter niet van toepassing:

a)

op organische meststoffen en bodemverbeteraars in voorverpakte verpakkingen met een gewicht van maximaal 50 kg die bestemd zijn voor gebruik door de eindgebruiker, of

b)

op organische meststoffen en bodemverbeteraars in bigbags met een maximumgewicht van 1 000 kg, indien op de verpakkingen of bigbags is aangegeven dat de producten niet mogen worden gebruikt op land waartoe landbouwhuisdieren toegang hebben, mits de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar de organische meststof of bodemverbeteraar op het land zal worden uitgereden, op grond van een beoordeling van de waarschijnlijkheid dat de materialen terechtkomen bij agrarische bedrijven met landbouwhuisdieren of op land waartoe landbouwhuisdieren toegang hebben, het gebruik van die bigbags heeft toegestaan.

5.

Producenten van organische meststoffen en bodemverbeteraars moeten waarborgen dat, voordat deze producten in de handel worden gebracht, ziekteverwekkers zijn vernietigd overeenkomstig:

bijlage X, hoofdstuk I, indien het gaat om verwerkte dierlijke eiwitten of afgeleide producten van categorie 2- of categorie 3-materiaal;

bijlage V, hoofdstuk III, afdeling 3, indien het compost en gistingsresiduen van de omzetting van dierlijke bijproducten of afgeleide producten in biogas betreft.

Afdeling 2

Opslag en vervoer

Na verwerking of omzetting worden organische meststoffen en bodemverbeteraars adequaat opgeslagen en vervoerd:

a)

in bulk, onder de juiste omstandigheden die verontreiniging voorkomen;