Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32011D0140

2011/140/EU: Besluit van de Commissie van 20 juli 2010 betreffende steunmaatregel C 27/09 (ex N 34/B/09) Begrotingssubsidie voor France Télévisions die Frankrijk voornemens is ten uitvoer te leggen ten behoeve van France Télévisions (Kennisgeving geschied onder nummer C(2010) 4918) Voor de EER relevante tekst

OJ L 59, 4.3.2011, p. 44–62 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

In force

ELI: http://data.europa.eu/eli/dec/2011/140(1)/oj

4.3.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 59/44


BESLUIT VAN DE COMMISSIE

van 20 juli 2010

betreffende steunmaatregel C 27/09 (ex N 34/B/09) Begrotingssubsidie voor France Télévisions die Frankrijk voornemens is ten uitvoer te leggen ten behoeve van France Télévisions

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2010) 4918)

(Slechts de tekst in de Franse taal is authentiek)

(Voor de EER relevante tekst)

(2011/140/EU)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 108, lid 2, eerste alinea,

Gezien de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, en met name artikel 62, lid 1, onder a),

Na de belanghebbenden overeenkomstig de genoemde artikelen te hebben verzocht hun opmerkingen te maken (1), en gezien deze opmerkingen,

Overwegende hetgeen volgt:

I.   PROCEDURE

(1)

Bij brief van 23 januari 2009 hebben de Franse autoriteiten de Commissie in kennis gesteld van hun voornemen een begrotingstoewijzing ten belope van 450 miljoen EUR aan France Télévisions toe te kennen, welke al in de Franse begrotingswet voor 2009 was opgenomen. De Commissie verzocht bij schrijven van 13 maart 2009 om aanvullende inlichtingen, die Frankrijk bij schrijven van 25 mei 2009 verschafte. In diezelfde brief deelde Frankrijk mee tevens voornemens te zijn een duurzaam, meerjarig mechanisme in te voeren voor de overheidsfinanciering van France Télévisions, dat onder meer een jaarlijkse subsidie zou omvatten.

(2)

Bij brief van 1 september 2009 deelde de Commissie Frankrijk mee dat de voor 2009 goedgekeurde begrotingssubsidie verenigbaar was met de interne markt uit hoofde van artikel 106, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: „VWEU”), en stelde zij Frankrijk voorts in kennis van haar besluit de procedure van artikel 108, lid 2, VWEU in te leiden ten aanzien van het nieuwe mechanisme van overheidsfinanciering ten behoeve van France Télévisions voor de volgende jaren.

(3)

Frankrijk heeft op 7 oktober 2009 zijn opmerkingen toegezonden.

(4)

Het besluit van de Commissie tot inleiding van de procedure is bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie  (2). De Commissie heeft de belanghebbenden uitgenodigd hun opmerkingen over de desbetreffende steunmaatregel te maken.

(5)

De Commissie heeft opmerkingen van de belanghebbenden ontvangen. Zij heeft deze voor commentaar doorgezonden aan Frankrijk, dat bij brief van 15 januari 2010 heeft gereageerd.

(6)

Op 23 april, 19 mei en 22 juni 2010 heeft Frankrijk aanvullende gegevens aan de Commissie gezonden.

II.   GEDETAILLEERDE BESCHRIJVING VAN HET FINANCIERINGSMECHANISME

(7)

Het meerjarig financieringsmechanisme waarop dit besluit betrekking heeft, moet in de context worden gezien van de financiering van de openbaredienstopdrachten van France Télévisions, die de Commissie in haar besluiten van 10 december 2003 (3), 20 april 2005 (4), 16 juli 2008 (5) en 1 september 2009 (6) heeft onderzocht. Het mechanisme betreft echter een ander soort maatregel dan de maatregelen waarop de besluiten van 2003, 2005 en 2008 betrekking hebben. Met name vormen de begrotingssubsidies, die hieronder nader worden beschreven, een aanvulling op de openbare middelen die aan France Télévisions worden toegekend via de omroepbijdrage („contribution à l’audiovisuel public”, voorheen „redevance” genoemd), ten aanzien waarvan de Commissie op 20 april 2005 een besluit heeft vastgesteld en dat, als bestaande steun, niet door de nieuwe voorschriften wordt gewijzigd. Met deze twee soorten openbare middelen wordt beoogd de kosten van de openbaredienstopdracht van France Télévisions, waarvan de netto-inkomsten uit commerciële bron worden afgetrokken, te dekken.

II.1.   Voornaamste rechtsgronden

(8)

De belangrijkste bepalingen van het nieuwe financieringsmechanisme zijn vervat in Wet nr. 2009-258 van 5 maart 2009 betreffende audiovisuele communicatie en de nieuwe openbaredienstopdracht van de televisie. De aangemelde steun maakt deel uit van een bredere in de wet voorziene hervorming van de structuren en diensten van algemeen economisch belang in de openbare audiovisuele sector. Zo wijzigt de wet de bepalingen inzake de openbaredienstopdrachten van France Télévisions, en met name Wet nr. 86-1067 van 30 september 1986 betreffende de vrijheid van communicatie. Deze opdrachten worden nader gepreciseerd in de taakomschrijving en in de overeenkomst betreffende de doelstellingen en middelen van France Télévisions, welke bij de uitvoeringsbepalingen inzake de wet betreffende de vrijheid van communicatie zijn goedgekeurd. Wet nr. 2009-258 van 5 maart 2009 bevat voorts financiële bepalingen waarbij enerzijds de belastingwet wordt gewijzigd en anderzijds de opneming van een begrotingstoewijzing ten gunste van France Télévisions in de begrotingswet wordt vastgelegd.

II.2.   Activiteiten en financiering van de begunstigde onderneming France Télévisions

(9)

France Télévisions is een naamloze vennootschap naar Frans recht, die op grond van artikel 44-I van Wet nr. 86-1067 van 30 september 1986 betreffende de vrijheid van communicatie is opgericht. Volgens deze gewijzigde wet wordt met France Télévisions één enkele onderneming opgericht, waarin de onderscheiden rechtspersonen van de oorspronkelijk verschillende zenders worden ondergebracht. De onderneming valt onder het economisch en financieel toezicht van de Franse staat. Haar maatschappelijk kapitaal is verdeeld in aandelen op naam die alleen in het bezit van de staat mogen zijn. De raad van bestuur omvat behalve de voorzitter 14 leden met een mandaatsperiode van vijf jaar: twee parlementsleden, waarvan er een door de commissie voor culturele aangelegenheden van de Franse Nationale Assemblee en een door de commissie voor culturele aangelegenheden van de Senaat wordt benoemd, vijf vertegenwoordigers van de staat, vijf personen die door de Conseil Supérieur de l’Audiovisuel worden benoemd en twee personeelsvertegenwoordigers.

(10)

France Télévisions is de grootste groep in de Franse audiovisuele sector. De groep telt circa 11 000 medewerkers en omvat de zenders France 2, France 3, France 4, France 5 en France Ô, die het Europese grondgebied van Frankrijk bestrijken, alsook de onderneming RFO, waaronder de openbare radio- en televisieomroepen vallen die in de overzeese departementen of gebiedsdelen uitzenden. De groep omvat ook een reclamebedrijf, hoewel op dit ogenblik afstoting van die activiteit wordt bestudeerd, en ondernemingen die zich met diversificatieactiviteiten bezighouden. Enkele zenders van France Télévisions hebben een grote aanwezigheid in andere lidstaten, met name in België en Luxemburg.

(11)

De omzet van France Télévisions bedroeg in 2007, het laatste boekjaar vóór de aankondiging van de hervorming van de openbare audiovisuele sector, 2 927 miljard EUR, waarvan 64,2 % afkomstig was van omroepbijdragen, 28,1 % van reclame-inkomsten (reclame en sponsoring) en 7,7 % uit andere bronnen. Tussen 2003 en 2007 bleef het aandeel van de afzonderlijke componenten van de omzet betrekkelijk constant, en fluctueerden de inkomsten uit reclame en sponsoring binnen een marge van 30 % en 28 %. De groep als geheel behaalde van 2003 tot 2007 elk jaar een licht positief nettoresultaat, met een totaalbedrag voor de gehele periode van 99 miljoen EUR.

(12)

Sinds de aankondiging van de hervorming van de openbare audiovisuele sector in januari 2008, waardoor met name de reclame-inkomsten op termijn verdwijnen, is deze ontwikkeling omgekeerd. Het boekjaar 2008 was voor de groep France Télévisions deficitair met een nettotekort van [50-100] (7) miljoen EUR (waarvan [50-100] miljoen EUR voor de openbare dienst), hoofdzakelijk als gevolg van een sterke daling van de reclame-inkomsten die door een buitengewone kapitaalinjectie van 150 miljoen EUR, welke door de Commissie bij haar besluit van 16 juli 2008 was goedgekeurd, niet volledig kon worden opgevangen. In 2009, toen de hervorming van de openbare audiovisuele sector in werking was getreden, werd de daling van de reclame-inkomsten bijna volledig gecompenseerd door de uiteindelijk uitgekeerde begrotingssubsidie van 415 miljoen EUR die de Commissie bij besluit van 1 september 2009 had goedgekeurd, en vertoonde het nettoresultaat van France Télévisions een gering overschot ([10-20] miljoen EUR). De openbaredienstactiviteiten vertoonden echter een klein tekort van [0-5] miljoen EUR, terwijl het positieve resultaat aan de commerciële ondernemingen van de groep viel toe te schrijven.

(13)

Over de activiteiten en het beheer van France Télévisions in de jaren 2004-2008 en de positie van de onderneming vanuit het oogpunt van de hervorming van de openbare audiovisuele sector heeft de Franse Rekenkamer een vrij kritisch rapport opgesteld met de titel „France Télévisions et la nouvelle télévision publique” (France Télévisions en de nieuwe openbare televisie). Het rapport, waarnaar door enkele belanghebbenden in hun opmerkingen wordt verwezen, werd na beraad aangenomen en op 14 oktober 2009, dus na het besluit tot inleiding van de procedure, gepubliceerd. Het geeft aan dat de ruimte voor verbeteringen in het beheer en de resultaten van France Télévisions tot dusverre onbenut is gebleven, en het bevat aanbevelingen voor toekomstige verbeteringen in het kader van de hervorming.

II.3.   De openbaredienstopdrachten van France Télévisions

II.3.1.   Definitie van de openbaredienstopdracht in de wet

(14)

In artikel 43-11 van Wet nr. 86-1067 van 30 september 1986 in zijn gewijzigde vorm is de openbaredienstopdracht van France Télévisions vastgelegd, en ten aanzien daarvan wordt bepaald dat de publieke zenders „in het algemeen belang openbaredienstopdrachten vervullen. Zij bieden het publiek in al zijn onderdelen een geheel van programma’s en diensten aan die worden gekenmerkt door hun diversiteit en pluralisme, hun eisen op het gebied van kwaliteit en innovatie, en de inachtneming van de rechten van personen en van de in de grondwet verankerde democratische grondrechten. Zij zorgen voor een gediversifieerd programma-aanbod, dat de gebieden voorlichting/nieuws, cultuur, kennis, amusement en sport omvat. Zij bevorderen de democratische dialoog, de wisselwerking tussen verschillende delen van de bevolking alsook sociale integratie en burgerschap. Zij zetten zich in ten behoeve van sociale cohesie en de culturele verscheidenheid en de strijd tegen discriminatie, en bieden een programma aan dat de diversiteit van de Franse samenleving weerspiegelt. Zij bevorderen de Franse taal en, in voorkomend geval, streektalen en laten de diversiteit van het culturele en taalkundige erfgoed van Frankrijk tot zijn recht komen. Zij dragen bij aan de ontwikkeling en de verspreiding van intellectuele en artistieke scheppingen en van kennis op staatsburgerlijk, economisch, sociaal, wetenschappelijk en technisch gebied en aan de educatie op audiovisueel gebied en op het gebied van de media. Zij bevorderen het leren van vreemde talen. Zij dragen bij tot onderricht op milieugebied en op het gebied van duurzame ontwikkeling. Zij vergemakkelijken de toegang tot de door hen uitgezonden programma’s voor doven en slechthorenden met aangepaste voorzieningen. Zij zien toe op de eerlijkheid, onafhankelijkheid en het pluralisme van de informatieverstrekking en de pluralistische uitdrukking van de gedachten- en opiniestromingen met inachtneming van het beginsel van gelijke behandeling en van de aanbevelingen van de Conseil supérieur de l’Audiovisuel. De overheidsorganen op het gebied van de audiovisuele communicatie dragen, in het kader van de uitvoering van hun opdracht, bij aan audiovisuele activiteiten in het buitenland, aan het prestige van de francofonie en aan de verspreiding van de Franse taal en cultuur in de wereld. Zij zetten zich in voor de ontwikkeling van nieuwe diensten die hun programma-aanbod kunnen verrijken of aanvullen en van nieuwe technieken voor de productie en verspreiding van programma’s en diensten op het gebied van audiovisuele communicatie. Ieder jaar wordt bij het Parlement een verslag over de toepassing van de bepalingen van dit artikel ingediend”.

II.3.2.   Opneming van de openbaredienstverplichtingen in de activiteiten van France Télévisions

(15)

Wat de concrete omzetting van de openbaredienstopdrachten betreft, wordt in artikel 44, punt I, van Wet nr. 86-1067 van 30 september 1986 bepaald dat France Télévisions verplicht is televisie-uitzendingen en diensten op het gebied van audiovisuele communicatie te ontwikkelen en te programmeren die aan de in artikel 43-11 gedefinieerde openbaredienstopdrachten en de in artikel 48 van genoemde wet bedoelde voorwaarden voldoen.

(16)

In decreet nr. 2009-796 van 23 juni 2009 is de unieke taakomschrijving van France Télévisions vastgelegd. Hierin wordt het raamwerk van de activiteiten van de zenders van France Télévisions bepaald, met strenge programmeringseisen waardoor de onderneming, in veel gevallen tijdens „prime time”, verplicht is dagelijks culturele uitzendingen en muziekuitzendingen, met name van klassieke muziek, te verzorgen waarbij een verscheidenheid van Europese en regionale orkesten aan bod komt, en toneelstukken of populair-wetenschappelijke programma’s uit te zenden (artikelen 4 tot en met 7 van de taakomschrijving). Daarnaast is France Télévisions verplicht in al haar programma’s de Europese dimensie aan bod te laten komen, met name door reportages over levenswijzen of culturele gewoonten in andere lidstaten en door uitzendingen van religieuze aard waarin de godsdiensten die in Frankrijk het sterkst zijn vertegenwoordigd worden behandeld (artikelen 14 en 15 van de taakomschrijving). Ook moet een breed en evenwichtig kijkerspubliek worden opgebouwd waarin alle doelgroepen zijn vertegenwoordigd (artikel 18).

(17)

Daarnaast sluiten de staat en France Télévisions overeenkomstig artikel 53 van Wet nr. 86-1067 betreffende de vrijheid van communicatie meerjarenovereenkomsten over middelen en doelstellingen met een looptijd van drie tot vijf jaar, waarin met name, met inachtneming van de openbaredienstopdrachten van France Télévisions, het volgende wordt vastgelegd:

de prioritaire zwaartepunten van haar ontwikkeling;

de met het oog op de diversiteit en het vernieuwend karakter van de scheppingen aangegane verbintenissen;

de minimumbedragen die France Télévisions in Europese en oorspronkelijk Franstalige cinematografische en audiovisuele werken moet investeren als percentage van de ontvangsten en in absolute cijfers;

verbintenissen om deelname en burgerschap voor personen met een handicap en de aanpassing van alle televisieprogramma’s voor doven of slechthorenden te waarborgen;

verbintenissen om uitzending van televisieprogramma’s te waarborgen die, dankzij aangepaste voorzieningen, voor blinden of slechtzienden toegankelijk zijn;

de geraamde kosten van haar activiteiten in elk van de desbetreffende jaren en de gehanteerde kwantitatieve en kwalitatieve indicatoren betreffende de uitvoering en de resultaten;

het bedrag van de aan France Télévisions toe te wijzen openbare middelen, waarbij wordt aangegeven welke middelen hoofdzakelijk voor de uitbreiding van de programmabudgets zijn bestemd;

het geraamde bedrag van de eigen inkomsten, waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen reclame en sponsoring;

de economische vooruitzichten voor betaaldiensten;

in voorkomend geval, de kans op herstel van het financiële evenwicht.

(18)

De openbaredienstverplichtingen van France Télévisions zijn momenteel opgenomen in de overeenkomst over middelen en doelstellingen 2007-2010 met de titel „France Télévisions, le premier bouquet de chaînes gratuites de l’ère numérique” van 24 april 2007, die door de bevoegde ministers en de voorzitter van de raad van bestuur van France Télévisions is ondertekend. In het hoofdstuk inzake doelstelling I.2 „Bevorderen van de eigen waarden van de publieke dienst” van de overeenkomst zijn doelstellingen vastgelegd, in concrete acties onderverdeeld, die voorzien zijn van kwalitatieve en kwantitatieve indicatoren die op de volgende gebieden moeten worden bereikt:

bevorderen van de toegang van een breder publiek tot culturele programma’s met het oog op de democratisering van de cultuur door de uitzending van minstens één cultureel programma in „prime time”;

het weergeven van het pluralisme in de informatieverstrekking en het publieke debat;

het aanbieden van een grote verscheidenheid aan sporten, waarbij de nadruk ligt op de sporten die op de particuliere zenders het minst aan bod komen;

het weergeven van de diversiteit en het verbeteren van de zichtbaarheid van alle geledingen van de Franse samenleving;

het bevorderen van de verdediging van de Franse en Europese culturele identiteit, het inzicht in de werking van de Unie en haar verworvenheden en het leren van vreemde talen.

(19)

De overeenkomst omvat voorts een meerjarige financiële strategie, die een aanpassingsclausule bevat volgens welke de staat en de groep — naargelang van de ontwikkeling van de reclame-inkomsten — de behoefte aan overheidsmiddelen in onderling overleg zullen vastleggen, waarbij het overschot dat niet voor de vermindering van deze behoefte aan overheidsmiddelen wordt gebruikt, prioritair dient om de uitgaven voor audiovisuele schepping te dekken.

(20)

Na de hervorming is de thans geldende overeenkomst over middelen en doelstellingen met een wijzigingsakte („avenant”) voor de periode 2009-2012 aangevuld. In deze wijzigingsakte, waarvan de financiële bepalingen hieronder nader worden beschreven, worden de identiteitswaarden van de openbaredienstverlening door France Télévisions nog verder versterkt en worden voor een aantal van de in overweging 18 genoemde gebieden nieuwe kwantitatieve indicatoren vastgelegd voor de elk jaar te bereiken resultaten.

II.3.3.   Invoering van nieuwe, innoverende audiovisuele diensten

(21)

In de nieuwe taakomschrijving van France Télévisions is de invoering voorzien van een reeks innoverende diensten ter uitbreiding van het journalistieke aanbod, zoals het online zetten van communicatiediensten, audiovisuele mediadiensten op aanvraag en aanvullingen op de programma-inhoud die haar programma’s verrijken. Ook in de wijzigingsakte bij de overeenkomst over middelen en doelstellingen wordt de invoering van innoverende diensten voorzien, met name video-on-demand die gratis dan wel tegen betaling wordt aangeboden, persoonlijke mobiele televisie, uitzending via internet, mobiele applicaties en regionale of thematische kanalen via internet.

II.3.4.   Externe controle van de openbaredienstverplichtingen, met inbegrip van de invoering van nieuwe diensten

(22)

Overeenkomstig artikel 53 van Wet nr. 86-1067 van 30 september 1986 keurt de raad van bestuur van France Télévisions het ontwerp van overeenkomst over middelen en doelstellingen goed, en overlegt hij over de jaarlijkse uitvoering ervan; de resultaten van dit overleg zijn openbaar. Vóór ondertekening worden de overeenkomsten over middelen en doelstellingen alsook de eventuele wijzigingsakten daarbij aan de commissie voor culturele aangelegenheden van de Nationale Assemblee en aan de dienovereenkomstige commissie van de Senaat alsook aan de „Conseil Supérieur de l’Audiovisuel” voorgelegd. De commissies kunnen binnen een termijn van zes weken advies uitbrengen.

(23)

Daarnaast dient de bestuursvoorzitter van France Télévisions jaarlijks bij de commissie voor culturele aangelegenheden van de Nationale Assemblee en aan de dienovereenkomstige commissie van de Senaat een rapport in over de uitvoering van de overeenkomst over middelen en doelstellingen. Bij deze gelegenheid legt hij tevens rekenschap af over de activiteit en de werkzaamheden van de binnen de onderneming opgerichte programma-adviesraad, die uit televisiekijkers bestaat en die tot taak heeft adviezen en aanbevelingen over de programma’s uit te brengen.

(24)

Voorts is met betrekking tot het bij decreet voorgeschreven voorontwerp van de taakomschrijving van 10 tot 24 november 2008 een openbare raadpleging gehouden, waarna ongeveer 15 entiteiten bijdragen hebben ingezonden die tot wijzigingen in de oorspronkelijke tekst hebben geleid; vervolgens heeft de „Conseil supérieur de l’audiovisuel” zijn advies uitbracht. Wat de externe controle op de uitvoering ervan betreft, wordt in artikel 48 van de wet van 30 september 1986 bepaald dat de „Conseil supérieur de l’audiovisuel” bij de commissies voor culturele aangelegenheden van de Franse Nationale Assemblee en van de Senaat een jaarlijks verslag indient. Dit verslag wordt tevens aan het Ministerie van Cultuur en Communicatie toegezonden.

(25)

Deze parlementaire commissies kunnen, net als de „Conseil supérieur de l’audiovisuel”, derden horen. In feite kunnen belanghebbenden hun mening aangaande de openbare audiovisuele sector in deze fora regelmatig onder de aandacht te brengen.

II.4.   Financiële compensatie voor de geleidelijke vermindering en het uiteindelijk verdwijnen van reclameboodschappen

(26)

Met het oog op een vrijere programmering van het publiekeomroepstelsel die minder afhankelijk is van commerciële verplichtingen, is in artikel 53, punt VI van gewijzigde Wet nr. 86-1067 van 30 september 1986 betreffende de vrijheid van communicatie de vermindering en vervolgens het verdwijnen van reclamespots vastgelegd: „De tussen 20.00 uur en 6.00 uur uitgezonden programma’s van de in artikel 44, punt I, genoemde nationale televisiediensten, hun regionale en lokale programma’s uitgezonderd, bevatten geen reclameboodschappen, behalve voor goederen of diensten die onder hun generieke naam worden gepresenteerd. Deze bepaling geldt ook voor programma’s die tussen 6.00 uur en 20.00 uur door deze diensten worden uitgezonden, vanaf de beëindiging van de uitzending via analoge aardse kanalen door de in punt I genoemde televisiediensten in het gehele Europese grondgebied van Frankrijk. Zij geldt niet voor reclamecampagnes van algemeen belang”.

(27)

De uitzending via analoge aardse kanalen door de televisiediensten wordt uiterlijk op 30 november 2011 beëindigd. Afgezien van reclame voor goederen en diensten zonder aanduiding van het handelsmerk zijn afwijkingen voor de uitzending van reclameboodschappen vastgelegd voor de overzeese departementen en gebiedsdelen en Nieuw-Caledonië, aangezien daar geen duidelijk te ontvangen particulier televisieaanbod via aardse kanalen aanwezig is.

(28)

In artikel 53 van gewijzigde Wet nr. 86-1067 betreffende de vrijheid van communicatie is bepaald dat de staat France Télévisions financiële compensatie verleent voor de vermindering en het vervolgens verdwijnen van reclamespots in het kader van de toepassing van de wet, overeenkomstig de in iedere begrotingswet vastgelegde voorwaarden. Hiertoe heeft de Franse staat binnen de rubriek „Media” van de algemene begroting een nieuw programma toegevoegd onder de naam „Bijdrage aan de financiering van de openbare audiovisuele sector”. Ter indicatie: de Franse autoriteiten ramen dat het aandeel van de overheidssubsidie dat de opbrengst van de omroepbijdragen aanvult in 2010 circa 460 miljoen EUR, in 2011 circa 500 miljoen EUR en in 2012 circa 650 miljoen EUR zal bedragen.

(29)

Frankrijk verklaart dat de overheidsfinanciering die uit de begrotingssubsidie voortvloeit elk jaar zal worden bepaald op basis van de kosten van de door France Télévisions verrichte openbaredienstopdrachten, vermeerderd met de opbrengst van de omroepbijdragen en verminderd met de inkomsten uit commerciële activiteiten die blijven bestaan. In dit verband hebben de Franse autoriteiten een prognose van de kosten en ontvangsten van de openbare dienst van France Télévisions toegezonden, die is opgesteld op basis van het businessplan 2009-2012. Deze prognose wordt hieronder samengevat.

Tabel 1

Prognose van de kosten en inkomsten van de openbare dienst van France Télévisions 2010-2012

(miljoen EUR)

 

2010

2011

2012

 

Begroting

Begrotingsprognose

Begrotingsprognose

A. Openbare middelen

[2 500-3 000]

[2 500-3 000]

[2 500-3 000]

B. Overige inkomsten (reclame, sponsoring, enz.)

[300-600]

[300-600]

[300-600]

C. Brutokosten van de openbare dienst

[3 500-3 000]

[3 500-3 000]

[3 500-3 000]

D. Nettokosten van de openbare dienst (C + B)

[3 000-2 500]

[3 000-2 500]

[3 000-2 500]

Verschil nettokosten van de openbare dienst — openbare middelen (D + A)

[– 50-50]

[– 50-50]

[– 50-50]

Bron: Opmerkingen van Frankrijk van 15 januari 2010.

(30)

Uit bovenstaande tabel blijkt een verwacht tekort dat overeenkomt met de niet-gedekte nettokosten van de openbare dienst van France Télévisions in 2010 en 2011. Naar wordt verwacht zal dit tekort in 2012 gedeeltelijk zijn vervangen door een gering overschot van [30-50] miljoen EUR, dat wil zeggen [0-5] % van de nettokosten van de openbare dienst. Het voor 2012 verwachte overschot — in zoverre het ook werkelijk wordt bereikt, wat veronderstelt dat de inkomsten en de kosten zich precies zo ontwikkelen als voorzien — is lager dan het verwachte gecumuleerde tekort voor 2010 en 2011. Overeenkomstig de lopende overeenkomst over middelen en doelstellingen moeten overschotten die niet ter vermindering van de behoefte aan overheidsmiddelen worden aangewend, in de eerste plaats aan de bevordering van audiovisuele schepping worden besteed. Aangezien dit „scheppen” normaal gesproken voor de programmering is bestemd, mogen met eventuele overschotten geen commerciële activiteiten worden gefinancierd.

(31)

Er zij op gewezen dat het in hoofdstuk V van de wijzigingsakte bij de thans geldende overeenkomst over middelen en doelstellingen vervatte businessplan 2009-2012 in de plaats komt van de financiële bepalingen van de overeenkomst van april 2007, rekening houdend met de in het kader van de hervorming ingevoerde nieuwe regels en de financiële gevolgen ervan. Volgens het businessplan zullen de algemene brutokosten van de openbaredienstverlening in de periode 2010-2012 dalen, door een vermindering van de exploitatiekosten ten opzichte van de aanvankelijke overeenkomst, een daling van de uitzendkosten en de benutting van de synergetische effecten van de gemeenschappelijke onderneming, ondanks het feit dat de hervorming nieuwe kostenelementen met zich brengt.

(32)

Wat de inkomsten betreft zullen de geplande overheidsmiddelen onvoldoende toenemen om de rekeningen voor de periode 2010-2012 geheel in evenwicht te brengen; zij blijven, zoals uit tabel 1 valt af te lezen, lager dan de brutokosten van de openbare dienst, zodat het financiële evenwicht in de prognoses elk jaar afhangt van de commerciële inkomsten. Daarom wordt in het businessplan aangegeven dat het in het belang van de onderneming en de staat is dit evenwicht sneller te bereiken dan voorzien, en wordt, gezien de positieve of negatieve risico’s, de noodzaak van een nauwgezette en regelmatige controle benadrukt.

II.5.   Maximumniveau van de overheidsmiddelen

(33)

In artikel 44 van gewijzigde Wet nr. 86-1067 betreffende de vrijheid van communicatie is voorts bepaald: „Overheidsmiddelen die aan organen van de openbare audiovisuele sector worden toegewezen als compensatie voor hun openbaredienstverplichtingen mogen het bedrag van de kosten die in verband met de nakoming van die verplichtingen worden gemaakt, niet overschrijden”. Deze bepaling vloeit voort uit de door Frankrijk aangegane verbintenis om het beginsel dat overcompensatie van openbaredienstverplichtingen moet worden voorkomen, uitdrukkelijk in de wet op te nemen in het kader van de procedure die heeft geleid tot het verenigbaarheidsbesluit van de Commissie van 20 april 2005 betreffende het gebruik van de omroepbijdragen (8).

(34)

Met het oog op de inachtneming van deze verbintenis werd in artikel 2 van decreet nr. 2007-958 van 15 mei 2007 inzake de financiële betrekkingen tussen de staat en de organen van de publieke sector van de audiovisuele communicatie, de formulering van artikel 53 van de wet van 30 september 1986 overgenomen, waarin wordt bepaald dat met de directe en indirecte ontvangsten uit de openbaredienstopdracht rekening moet worden gehouden en dat de kosten in verband met de uitvoering van de openbaredienstverplichtingen afzonderlijk moeten worden geboekt. In artikel 3 van het decreet wordt bepaald dat France Télévisions en haar dochterondernemingen bij al hun commerciële activiteiten de marktvoorwaarden in acht moeten nemen en dat door een externe firma jaarlijks een verslag over de nakoming van deze verplichting moet worden ingediend bij de bevoegde minister, de Nationale Assemblee en de Senaat.

(35)

De Commissie heeft de verslagen over de uitvoering van de artikelen 2 en 3 van het decreet voor de boekjaren 2007 en 2008 (de verslagen overeenkomstig artikel 3 van het decreet zijn gecertificeerd, wat 2007 betreft door de accountantskantoren PriceWaterhouseCoopers en KPMG en voor 2008 door het consultantsbureau Rise Conseil) alsook het ontwerp-verslag uit hoofde van artikel 2 voor het jaar 2009 ontvangen en onderzocht.

II.6.   Nieuwe heffingen in het kader van de hervorming van de openbare audiovisuele sector

(36)

Bij Wet nr. 2009-258 van 5 maart 2009 werd ook de belastingwet gewijzigd met de invoering van een nieuwe belasting op reclame en elektronische communicatie.

II.6.1.   Belasting op reclameboodschappen

(37)

Boek I, deel 1, titel II van de „Code général des impôts” (algemeen wetboek van belastingen) bevat thans een hoofdstuk VII septies, waarin wordt bepaald dat iedere in Frankrijk gevestigde aanbieder van televisieomroepdiensten belasting moet betalen. De belasting wordt vastgelegd op basis van het bedrag, btw niet meegerekend, dat door adverteerders voor de uitzending van hun reclamespots wordt betaald aan de desbetreffende belastingplichtigen of makers van reclameboodschappen, verminderd met de overeenkomstig artikel 302 bis KC van de belastingwet betaalde bedragen, die televisieomroepen en -zenders, die voor ondersteuning door het „Centre National de la Cinématographie” in aanmerking komen, voor de uitzending van audiovisuele werken moeten betalen. Op deze bedragen wordt een forfaitaire verlaging van 4 % toegepast. De belasting wordt berekend door een percentage van 3 % toe te passen op het gedeelte van het bedrag van de jaarlijkse betalingen (btw niet meegerekend) van iedere televisiedienst dat een bedrag van 11 miljoen EUR overschrijdt.

(38)

Voor televisiediensten die niet via analoge aardse kanalen worden uitgezonden bedraagt dit percentage echter 1,5 % in 2009, 2 % in 2010 en 2,5 % in 2011. Bij wijze van overgangsmaatregel zal voor alle belastingplichtigen, tot het jaar waarin in Europees Frankrijk de uitzending via analoge aardse kanalen wordt stopgezet, het percentage maximaal 50 % bedragen van de stijging ten opzichte van 2008 van de heffingsgrondslag voor het kalenderjaar waarvoor de belasting verschuldigd is. De belasting kan in ieder geval niet minder dan 1,5 % van de heffingsgrondslag bedragen. Voor aanbieders van televisieomroepdiensten waarvan het dagelijkse aantal kijkers buiten Europees Frankrijk meer dan 90 % van het totale kijkerspubliek bedraagt, wordt echter het voor de berekening van de belasting in aanmerking te nemen bedrag verminderd met de bedragen die zijn betaald voor de uitzending van voor de Europese of mondiale markt bestemde reclameboodschappen, vermenigvuldigd met de jaarlijkse kijkcijfers die buiten Europees Frankrijk zijn behaald.

II.6.2.   Belasting op elektronische communicatie

(39)

In titel II van het eerste deel van boek I van de „Code général des impôts” is nu een hoofdstuk VII octies opgenomen, waarin een belasting wordt ingesteld die moet worden betaald door iedere aanbieder van elektronische communicatie die zijn diensten in Frankrijk verricht en die reeds voorwerp is geweest van een voorafgaande aangifte bij de Franse regelgevende autoriteit voor elektronische communicatie. De belasting wordt berekend op basis van het bedrag (btw niet meegerekend) van de abonnementen en andere bedragen die door gebruikers zijn betaald voor de diensten op het gebied van elektronische communicatie welke door de aanbieders van elektronische communicatie worden geleverd, verminderd met het bedrag van de afschrijvingen die in de loop van het afgesloten boekjaar zijn geboekt uit hoofde van het jaar waarin de belasting verschuldigd is geworden, voor zover deze betrekking hebben op materieel en uitrusting die na de inwerkingtreding van de wet door de providers zijn aangekocht voor de elektronische communicatienetwerken en -infrastructuur op het nationale grondgebied en waarvan de afschrijvingsperiode ten minste gelijk is aan tien jaar. De belasting wordt berekend door toepassing van een percentage van 0,9 % op het gedeelte van de heffingsgrondslag dat de 5 miljoen EUR overschrijdt.

III.   REDENEN VOOR HET INLEIDEN VAN DE PROCEDURE

(40)

In haar besluit tot inleiding van de formele onderzoeksprocedure stelde de Commissie dat de compensatie die vanaf 2010 is voorgenomen, staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU zou kunnen zijn waarvan de verenigbaarheid met de interne markt moet worden onderzocht in het licht van artikel 106, lid 2, VWEU, overeenkomstig de voor de openbare omroep geldende beginselen en regels.

(41)

Ten aanzien van de aanwezigheid van een openbare dienst met duidelijk in een officieel besluit vastgelegde taken die is onderworpen aan een adequaat controlemechanisme ten aanzien waarvan geen twijfels bestaan, concludeerde de Commissie, zoals zij ook in haar besluiten van december 2003, april 2005, juli 2008 en september 2009 heeft gedaan, dat de openbaredienstopdrachten van France Télévisions duidelijk zijn vastgelegd in officiële besluiten die door de Franse staat zijn opgesteld of onderschreven, overeenkomstig bepalingen die een onafhankelijk toezicht op France Télévisions voorschrijven.

(42)

Wat echter de evenredigheid van de financiële compensatie betreft die Frankrijk voornemens is te verlenen ten aanzien van de nettokosten van de openbare dienst, overigens rekening houdend met de gevolgen van de steun, uitte de Commissie haar twijfels over twee kwesties:

enerzijds over het risico van overcompensatie van de nettokosten van de openbare dienst voor 2012 en, waarschijnlijk, voor 2010 en 2011, terwijl de Commissie voor deze jaren niet over even gedetailleerde gegevens beschikte als die welke door de Franse autoriteiten voor 2009 zijn verstrekt, en

anderzijds de mogelijkheid dat er een bestemmingsverband bestaat tussen de inkomsten uit de belasting op reclame en elektronische communicatie en de aan France Télévisions uit te keren steun en, indien zou komen vast te staan dat een dergelijk verband bestaat, over de negatieve gevolgen hiervan en de verenigbaarheid ervan met het Verdrag, met name in het kader van een afweging van de gevolgen van de hervorming van de financiering van France Télévisions voor de mededinging, welke afweging ontbrak.

(43)

Voorts wees de Commissie de Franse autoriteiten erop dat zij op 2 juli 2009 haar goedkeuring had gehecht aan de Mededeling betreffende de toepassing van de regels inzake staatssteun op de publieke omroep (9) (hierna: „de omroepmededeling”), die vanaf het tijdstip van publicatie op de aangemelde steun van toepassing was en verzocht de Franse autoriteiten in hun opmerkingen met deze herziene mededeling rekening te houden.

IV.   OPMERKINGEN VAN BELANGHEBBENDEN

(44)

In haar opmerkingen van 2 november 2009 benadrukt de „Société des auteurs et compositeurs dramatiques” (SACD) het belang van de verplichtingen die op France Télévisions rusten om de schepping van audiovisueel erfgoed te ondersteunen. Volgens de vereniging was dit belang eind 2008 versterkt door een interprofessionnele overeenkomst, die in een nog op te stellen overeenkomst inzake doelstellingen zou worden opgenomen. In 2010 zal France Télévisions 19 % van de omzet zoals opgenomen in de heffingsgrondslag van 2009 aan de schepping van audiovisueel erfgoed moeten besteden, een aandeel dat in 2012 tot 20 % zal worden verhoogd (420 miljoen EUR). Het dienovereenkomstige aandeel van TF1 bedraagt daarentegen maximaal 12,5 %, en dat van M6 en de digitale aardse televisiezenders niet meer dan 11 %. De aandacht voor film zal eveneens toenemen, met jaarlijks gemiddeld meer dan 1,2 % tot 2012. De afschaffing van reclame zou gepaard gaan met een stijging van de programmakosten op het gebied van werken van eigen, niet ingevoerde, productie, hetgeen getuigt van het streven naar een kwalitatief hoogwaardige, innoverende openbare dienst.

(45)

De „Fédération Française des Télécommunications et des Communications Électroniques” (FFTCE) stelt in haar opmerkingen van 30 oktober 2009 dat de afschaffing van reclame als zodanig niet aan de openbaredienstopdracht van France Télévisions bijdraagt. De onderneming Iliad, die geen lid is van de FFTCE, heeft zich bij dit standpunt aangesloten. Aangezien reclame geen vast onderdeel uitmaakt van de openbaredienstopdracht, zou iedere subsidie die uitsluitend is bedoeld als compensatie voor gederfde inkomsten zonder dat rekening wordt gehouden met de feitelijke opdracht, zonder meer moet worden beschouwd als staatssteun die een inbreuk op artikel 106, lid 2, en artikel 107, VWEU, vormt. Deze compensatie is bedoeld om de met de openbare dienst samenhangende kosten dekken, die gescheiden moeten worden geboekt. De hoogte van de subsidie is echter kennelijk voor de komende jaren vastgesteld op basis van de raming van de gederfde reclame-inkomsten, wat de concurrentie met particuliere omroepen in een moeilijk marktklimaat ernstig schaadt. Terwijl de totale reclameomzet van France Télévisions in een zwakke markt ongetwijfeld minder dan 500 miljoen EUR zou hebben bedragen, hebben de Franse autoriteiten zich ertoe verbonden in 2009 de onderneming louter voor de stopzetting van de reclame na 20.00 uur 450 miljoen EUR te betalen. Ook in de toekomst zouden de uitgekeerde subsidies veel meer bedragen dan de reclame-inkomsten die de onderneming zonder de hervorming zou hebben gehad.

(46)

Wat de dienst van algemeen economisch belang betreft, voegt de FFTCE hier nog aan toe dat de verplichtingen die France Télévisions als lid van de Europese Unie van Radiotelevisie (ERU) uit hoofde van de statuten van die Unie heeft, al bestonden en zonder de in de Franse wetgeving vervatte verplichtingen ook zouden gelden. De — overigens vaag geformuleerde — beperkingen die door de wet worden opgelegd zouden niet wezenlijk verschillen van de beperkingen die uit de statuten van de ERU voortvloeien en waaraan ook TF1 en Canal + als leden zijn onderworpen, zodat verlening van een compenserende subsidie op grond van de wet als staatssteun moet worden beschouwd.

(47)

Tot slot is de FFTCE van mening dat de nieuwe belasting op de omzet van aanbieders van elektronische communicatie die met de hervorming van de openbare audiovisuele sector is ingevoerd, voor de financiering van France Télévisions wordt gebruikt. Afgezien van het feit dat in de verklaringen werd bevestigd dat er van een bestemmingsverband sprake is, varieert het bedrag van de subsidie door veranderingen in de heffingsgrondslag en het belastingtarief. De invoering van een dergelijke belasting vormt een inbreuk op artikel 12 van richtlijn 2002/20/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 betreffende de machtiging voor elektronische-communicatienetwerken en -diensten (10) omdat de lidstaten aan de aanbieders alleen de daarin vastgelegde omzetbelasting mogen opleggen.

(48)

In haar opmerkingen van 2 november 2009 stelt de „Association des chaînes privées” dat het inefficiënte beheer van France Télévisions, waarvan de Rekenkamer talrijke voorbeelden heeft gegeven, het inflatoire effect op de markt voor programmaproductie en de verwerving van rechten verergert. Aangezien er geen analytische boekhouding is, zorgt het gebrek aan kostenbeheersing voor onzekerheden ten aanzien van de bepaling van de te financieren kosten van de openbaredienstopdracht en bestaat er een ernstig gevaar van overcompensatie. Er is een groot aantal aanwijzingen dat de nieuwe belasting voor France Télévisions bestemd is en dat de opneming ervan in de staatsbegroting slechts tot doel heeft deze aan de controle van de Commissie onttrekken. Aldus worden de concurrenten van France Télévisions ertoe verplicht de steun te financieren, wat tot concurrentievervalsing leidt die door de onvoldoende differentiatie tussen de programma’s van de diverse gevestigde zenders nog wordt verergerd.

(49)

De Europese Radio-unie (UER) stelt in haar opmerkingen van 2 november 2009 dat iedere meerjarenraming van de kosten en ontvangsten van de publieke omroep die door Frankrijk wordt voorgelegd per definitie toekomstgericht is. Met de ramingen wordt gezorgd voor een duidelijk financieel perspectief op lange termijn waarover een aanbieder moet beschikken om de continuïteit van de dienst in volledige onafhankelijkheid te kunnen waarborgen. De correctie van eventuele afwijkingen van de ramingen moet door ex-post mechanismen worden gewaarborgd. Het besluit van de Commissie moet betrekking hebben op de parameters voor de berekening vooraf en op deze mechanismen, zonder het daadwerkelijke bedrag van de toekomstige compensatie te beperken door alleen de geraamde kosten en ontvangsten te valideren; de Commissie zou anders de jaarlijkse bedragen van een steunregeling vaststellen en controleren, in plaats van de regeling zelf. Voorts heeft de UER haar bezorgdheid geuit over het feit dat de Commissie tracht het geraamde bedrag van de efficiëntieverbeteringen en synergieën voor de komende jaren te becijferen, aangezien de efficiëntie waarmee een dienst van algemeen economisch belang wordt verricht overeenkomstig artikel 106, lid 2, VWEU niet onder de controlebevoegdheid van de Commissie valt.

(50)

In haar opmerkingen van 2 november 2009 verklaart de „Association of Commercial TV in Europe” (ACT) verheugd te zijn over het besluit van Frankrijk om de reclame op de publieke omroep aanzienlijk te verminderen. Volgens ACT is aan twee in het Altmark-arrest (11) genoemde voorwaarden niet voldaan en vormt de voorgenomen bijdrage uit de begroting dus steun. Niettemin is ACT van mening dat indien het systeem van financiering van de steun door middel van een belasting op de reclame-inkomsten van de concurrenten als conform het EU-recht wordt beschouwd, de voordelen van terugtrekking uit de reclamemarkt veel minder groot zouden zijn, terwijl een dergelijk systeem in bepaalde opzichten tot meer distorsies zou kunnen leiden dan de traditionele duale systemen van financiering uit openbare en commerciële bron.

(51)

ACT is van oordeel dat de openbaredienstverplichtingen van France Télévisions sinds 1994 niet wezenlijk zijn veranderd en grotendeels dezelfde zijn gebleven als die van andere particuliere omroepen. Daarnaast zijn de ramingen van de compensatie van het verlies aan reclame-inkomsten tot 2012 te betalen bedragen vaag en houden zij geen rekening met de vermindering van de daarmee samenhangende investeringskosten, noch met de mogelijke daling van de kosten van een minder aan de eisen van adverteerders onderworpen programmering, noch met de verwachte synergieën. Het mechanisme van aanpassing van de overheidsinkomsten en de reclame-inkomsten aan de kosten, waarin de overeenkomst over middelen en doelstellingen voorziet, moet worden gecontroleerd, waarbij met name rekening moet worden gehouden met de schommelingen van de inkomsten uit commerciële bron, omdat de Commissie anders niet over betrouwbare informatie zou beschikken om de daadwerkelijke kosten van de verleende dienst te bepalen of eventueel vast te stellen dat er van overcompensatie sprake is. Deze verificatie zou worden verricht zonder dat de onderneming over een analytische boekhouding beschikt, zoals de Rekenkamer heeft vastgesteld.

(52)

Tot slot is de ACT van oordeel dat de steun in feite wordt gefinancierd door de nieuwe belasting die met de hervorming is ingevoerd en dat met de op audiovisuele reclame geheven belasting in Frankrijk een model voor de financiering van de publieke omroep door de concurrenten is ingevoerd dat in andere landen is afgeschaft. Echter, het steunmechanisme houdt juist de middelen van France Télévisions in stand, ondanks het feit dat steeds duidelijker zou blijken dat de adverteerders hun vraag niet volledig naar de concurrerende zenders verleggen. Bovendien zou zo’n mechanisme de toegangsdrempels tot de Franse markt verhogen.

(53)

In haar opmerkingen van 2 november 2009 stelt France Télévisions dat het aangemelde mechanisme haar geen enkel economisch voordeel ten opzichte van haar concurrenten verschaft. Weliswaar wordt het verlies aan reclame-inkomsten gecompenseerd, maar daartegenover heeft de staat de onderneming een beperking opgelegd die voor geen enkele particuliere marktdeelnemer geldt: stopzetting van de reclame. Wanneer deze stopzetting een feit is zal iedere concurrentiedistorsie op deze markt verdwijnen, terwijl ook de druk op de concurrenten ten aanzien van sponsoring, gezien de geringe aanwezigheid daarvan, eveneens te verwaarlozen zal zijn. Wat de aankoop van zogenoemde audiovisuele „premiumrechten” betreft zou France Télévisions over geen enkele exclusiviteitsovereenkomst met de grote Amerikaanse aanbieders beschikken, terwijl TF1 96 van de 100 hoogste kijkcijfers, en in 2008 18 van de 20 hoogste kijkcijfers zou hebben gehad. Voorts moet France Télévisions investeren in audiovisuele schepping met kwaliteitseisen die onverenigbaar zijn met de door de commerciële zenders beoogde kijkcijfers. Op het gebied van de verkoop van programmarechten heeft de onderneming slechts een marginale aanwezigheid.

(54)

France Télévisions vindt bovendien dat, aangezien het bedrag dat jaarlijks aan haar wordt toegewezen allereerst, nauwkeurig en objectief van de kosten van haar verplichtingen zal afhangen, met een correctie achteraf in geval van een afwijking ten opzichte van de werkelijke kosten, het mechanisme aan de in het arrest-Altmark genoemde tweede voorwaarde voldoet. Aan de vierde in dit arrest genoemde voorwaarde zou eveneens zijn voldaan, aangezien de synergieën die in het verleden niet geheel konden worden benut, met de vernieuwing van de juridische structuur en de statuten, in het vervolg wel volledig zouden worden benut; de vierde voorwaarde vereist namelijk niet dat de dienst tegen zo laag mogelijke kosten moet worden verricht, maar dat de kosten overeenkomen met de kosten van een gemiddelde, goed geleide onderneming.

(55)

Wat de voorwaarden voor verenigbaarheid van het aangemelde mechanisme met de interne markt betreft, stelt France Télévisions dat, aangezien het mechanisme gedurende een groot jaren van kracht zal zijn, de nettokosten van de openbare dienst niet met voldoende zekerheid kunnen worden vastgesteld om de Commissie in staat te stellen overcompensatie door controle vooraf uit te sluiten. Hoewel gelet op de indicatieve ramingen voor 2010 tot 2012 niet valt uit te sluiten dat een redelijke winst wordt gemaakt of een reserve van maximaal 10 % van de jaarlijkse uitgaven aan de openbare dienst wordt gevormd, zullen de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen waarin een controle achteraf wordt voorgeschreven in ieder geval een evenredige financiering kunnen waarborgen. Aangezien echter schommelingen van de programmakosten van redactionele keuzen afhangen, is France Télévisions van oordeel dat zij alleen verplicht is de door de wet opgelegde openbaredienstverplichtingen te vervullen en dat het Frankrijk vrijstaat de inhoud daarvan te bepalen. Uit deze verplichtingen vloeit overigens ook een kijkcijferverplichting voort, die met de stopzetting van de reclamespots niet is verminderd. In tegendeel: er moeten juist meer programma’s worden aangekocht.

(56)

In haar opmerkingen van 2 november 2009 stelt „Métropole Télévisions” (M6) dat het geplande financieringsmechanisme staatssteun vormt in de zin van artikel 107, VWEU, met name omdat aan de tweede en de vierde voorwaarde van het arrest-Altmark niet is voldaan: een compensatie die gebaseerd is op een raming van gederfde reclame-inkomsten, welke naar hun aard — en in de praktijk — fluctueren, kan immers niet worden geacht gebaseerd te zijn op objectieve en transparante parameters voor de berekening van de kosten van de openbare dienst. Bovendien is de berekeningsgrondslag niet die van de kosten van een gemiddelde, goed geleide onderneming, maar die van France Télévisions, een onderneming die volgens talrijke aanwijzingen inefficiënt wordt beheerd, wat voor de samenleving hogere kosten van de openbare dienst met zich brengt.

(57)

Wat de verenigbaarheid met de interne markt betreft, is M6 van oordeel dat het beoogde financieringsmechanisme onwettig is omdat het op structurele wijze overcompensatie van de kosten van de openbare dienst in de hand werkt. Overeenkomstig Richtlijn 2006/111/EG van de Commissie van 16 november 2006 betreffende de doorzichtigheid in de financiële betrekkingen tussen lidstaten en openbare bedrijven en de financiële doorzichtigheid binnen bepaalde ondernemingen (12) moet Frankrijk de kosten en opbrengsten van de dienst van algemeen belang op grond van consequent toegepaste beginselen inzake kostprijsadministratie, correct toerekenen. Zoals de Rekenkamer heeft opgemerkt, zou France Télévisions niet over dit soort boekhoudinstrumenten beschikken. Er is dus geen enkel objectief element dat als basis voor de berekening van het bedrag van de compensatie zou kunnen dienen. Aangezien de uitkering wordt berekend op basis van de reclame-inkomsten, die geen deel uitmaken van de openbaredienstopdracht en bij de berekening van de kosten daarvan niet in aanmerking mogen worden genomen, zou dit onvermijdelijk tot overcompensatie leiden. Ook het feit dat de ramingen van de gederfde inkomsten willekeurig zijn en een kostenanalyse ontbreekt maakt overcompensatie onvermijdelijk.

(58)

Het feit dat de nieuwe belasting in het financieringsinstrument wordt betrokken versterkt het negatieve effect van de steun op de markten voor de verwerving van audiovisuele rechten — waar het slechte beheer van France Télévisions, door overheidssubsidies beschermd, de kosten van de concurrenten opdrijft — en op de reclameactiviteit, die France Télévisions naar het gebied van sponsoring zal verleggen, zonder dat M6, dat een ander kijkersprofiel heeft, het door France Télévisions achtergelaten vacuüm kan opvullen. Derhalve zou alleen financiering achteraf gerechtvaardigd zijn. Het mechanisme zou dus structureel onwettig zijn, door het ontbreken van onafhankelijke controlevoorzieningen achteraf waardoor overcompensatie daadwerkelijk kan worden voorkomen op basis van reële cijfers. Volgens M6 worden deze controles in Frankrijk niet doeltreffend uitgevoerd.

(59)

In haar opmerkingen van 2 november 2009 plaatst Télévision Française 1 (TF1) de hervorming van de financiering van France Télévisions in de context van structurele veranderingen op de reclamemarkt, waar internet snel groeit. Zo maakte in 2008 de televisie slechts circa 11 % uit van de 33 miljard EUR aan reclame-uitgaven van adverteerders. Tussen januari en september 2009 is de reclameomzet van de digitale aardse televisiezenders met circa 60 % gestegen, tegenover een daling van ongeveer 8 % bij de drie gevestigde particuliere zenders. In 2008 beliepen de door TF1 betaalde belastingen en heffingen 60 % van het bedrijfsresultaat. Meerjarige contracten voor de verwerving van rechten, de prijsinflatie en de rigide kosten, waaronder de programmakosten, als gevolg van de verplichtingen inzake de productie en uitzending van Franse en Europese werken, maken echter 30 % van de totale daling uit, waardoor TF1 naar eigen zeggen nauwelijks nog manoeuvreerruimte heeft. Door de invoering van de nieuwe audiovisuele belasting zouden de concurrentieverstoringen op de markt nog verder worden versterkt.

(60)

De potentiële verlegging van de vraag van adverteerders naar TF1 is de officiële doelstelling van de belasting op audiovisuele reclame. In feite is in 2009 de verwachte verschuiving van 350 miljoen EUR aan reclameomzet naar de drie etherkanalen uitgebleven, hun reclameomzet is bovendien 450 miljoen EUR onder de ramingen gebleven. Bovendien zou de omvang van deze verlegging hoe dan ook beperkt zijn door de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die, als omgezet EU-recht, de tijd die per zenduur aan reclame mag worden besteed tot ten hoogste 12 minuten beperken, mits het daggemiddelde van zes minuten per uur niet wordt overschreden.

(61)

Volgens TF1 is de belasting in twee opzichten staatssteun: ten eerste omdat France Télévisions na 30 november 2011 (op deze datum moet zij stoppen met het uitzenden van reclamespots, op de inkomsten waaruit de heffingsgrondslag is gebaseerd) geen belasting meer hoeft te betalen en ten tweede omdat de opbrengst van deze belasting voor France Télévisions is bestemd, aangezien uit talrijke verklaringen van regeringsleden en parlementsleden tijdens debatten over het wetsontwerp blijkt dat de belasting voor de financiering van de steun is bestemd. Nog afgezien van de vraag of de steun zelf rechtmatig is, zou de belastingregeling inzake de financiering ervan bij de beoordeling van de steun in aanmerking moeten worden genomen.

(62)

TF1 meent dat het aan soortgelijke verplichtingen is onderworpen als France Télévisions, waarvan de programma’s zich nauwelijks van de zijne onderscheiden. Hoewel TF1 positief oordeelt over de herziening van de overeenkomst over middelen en doelstellingen en van de taakomschrijving, na de hervorming van de openbare audiovisuele sector, is de zender, zich baserend op het advies van de Rekenkamer, van oordeel dat het aanbod van de publieke omroep onvoldoende geïndividualiseerd is en onderstreept hij dat de kwantitatieve omroepverplichtingen in de voormalige taakomschrijvingen 10 % van de programmaschema’s uitmaakten.

(63)

Voorts is volgens TF1 de kostenbeheersing en de kwaliteit van het beheer van France Télévisions eveneens ontoereikend, waardoor de openbare dienst niet tegen de laagste kosten voor de gemeenschap wordt geleverd en een risico van overcompensatie met zich brengt. De Commissie moet in dit verband dan ook een onderzoek instellen naar de groei van de winst uit de commerciële activiteiten, de synergieën die sinds 2009 uit de oprichting van één onderneming, France Télévisions, moeten zijn voortgevloeid en de afname van de druk op de kosten van programmaschema’s door een geringere afhankelijkheid van de adverteerders.

V.   OPMERKINGEN VAN FRANKRIJK

(64)

In de opmerkingen die de Franse autoriteiten op 7 oktober 2009 aan de Commissie hebben toegezonden en naderhand hebben toegelicht over de toepassing van artikel 106, lid 2, VWEU, verwijzen zij met name naar de twijfels die de Commissie heeft geuit over de evenredigheid van de overheidsfinanciering en het risico van overcompensatie enerzijds en over het in aanmerking nemen van de door de hervorming van de openbare audiovisuele sector ingevoerde nieuwe belasting anderzijds, met het oog op de beoordeling van de verenigbaarheid van de aangemelde maatregel met de interne markt.

V.1.   Evenredigheid van de financiering en controle achteraf van het risico van overcompensatie

(65)

Frankrijk verduidelijkt dat het bij de aangemelde maatregel niet om compensatie voor de derving van reclame-inkomsten van de groep France Télévisions gaat, alhoewel hier in de geraamde bedragen die ter indicatie zijn overgelegd rekening mee is gehouden, maar om een financiering waarmee de kosten van de uitvoering van de openbaredienstopdracht moeten worden gedekt. Verwacht wordt dat de financieringsbehoeften zullen evolueren naargelang van de veranderingen inzake de programmakosten, fluctuaties van de reclame-inkomsten en de uitzendmiddelen.

(66)

Frankrijk wijst erop dat voor een validering vooraf van de afwezigheid van eventuele risico’s van overcompensatie moet worden nagegaan of er wetgevende en bestuursrechtelijke controlemechanismen bestaan, overeenkomstig de jurisprudentie en de besluitvormingspraktijk van de Commissie, en niet aan de hand van geraamde indicatieve subsidie- en kostenbedragen. De indicatieve bedragen worden ter illustratie gegeven, in het licht van het door de toezichthouders en France Télévisions goedgekeurde businessplan. De methode voor de berekening van de subsidie berust niet op de raming van de daling van de reclame-inkomsten van France Télévisions. De berekening zal veeleer gebaseerd zijn op een algemene formule, zodat het gecombineerde bedrag van de bijdrage aan de openbare audiovisuele sector en de begrotingstoewijzing, in overeenstemming met de verplichtingen van Frankrijk en de op grond van wetgevende en bestuursrechtelijke in het leven geroepen mechanismen voor controle achteraf, elk jaar evenredig is met de kosten van de openbaredienstopdracht van France Télévisions, verminderd met de reclame-inkomsten.

(67)

Voorts wijst Frankrijk erop dat een aantal van de nieuwe, innoverende audiovisuele diensten die in de omroepmededeling worden genoemd, al in de nieuwe taakomschrijving van France Télévisions en in de gewijzigde overeenkomst over doelstellingen en middelen zijn vastgelegd en dat ten aanzien hiervan de bovengenoemde regelmatige controles en voorafgaand overleg reeds hebben plaatsgevonden en ook in de toekomst zullen plaatsvinden. Frankrijk is van oordeel dat alle belangrijke nieuwe diensten in de toekomst in de overeenkomst over middelen en doelstellingen moeten worden behandeld, waarop dezelfde controles worden toegepast.

(68)

Gelet op het feit dat de omroepmededeling na de inleiding van deze procedure in werking is getreden, verbindt Frankrijk zich er verder toe, het mechanisme voor financiële controle achteraf zodanig aan te passen dat het voldoet aan de nieuwe regels inzake financiële controle die in de mededeling zijn vervat. Zo zal artikel 2 van decreet nr. 2007-958 van 15 mei 2007 worden gewijzigd, met als doel:

erop toe te zien dat het verslag over de gescheiden boekhouding dat moet worden opgesteld om de afwezigheid van overcompensatie te controleren, net als het in artikel 3 voorgeschreven verslag door een externe firma wordt gecontroleerd en aan de voor communicatie verantwoordelijke minister en aan de Nationale Assemblee en de Senaat wordt toegezonden, nadat de keuze van de externe firma aan de minister voor communicatie is voorgelegd;

het functionele mechanisme te verbeteren dat dient om eventuele overcompensatie of kruissubsidie die aan de hand van deze gescheiden boekhouding aan het licht zou komen en die noch met artikel 53 van Wet nr. 86-1067 van 30 september 1986 betreffende de vrijheid van communicatie, noch met de omroepmededeling van de Commissie verenigbaar is, daadwerkelijk terug te vorderen.

(69)

Ook verplichten de Franse autoriteiten zich ertoe om, met het oog op een betere informatieverstrekking aan de Commissie, gedurende de eerste jaren van de hervorming die met Wet nr. 2009-258 van 5 maart 2009 werd ingeluid, voor de jaren 2010 tot en met 2013 aan de Commissie voor te leggen:

de verslagen overeenkomstig de artikelen 2 en 3 van bovengenoemd, gewijzigd decreet, en wel uiterlijk zes maanden nadat de algemene vergaderingen de rekeningen hebben goedgekeurd, met inbegrip van de gegevens over de ontwikkeling van de marktaandelen in de reclamesector sinds 2007;

de openbare documenten over de follow-up van de uitvoering van de openbaredienstopdracht door France Télévisions, dat wil zeggen het jaarlijks verslag van de „Conseil supérieur de l’audiovisuel” over de afzonderlijke zenders (overeenkomstig artikel 18 van wet nr. 86-1067 van 30 september 1986) en het verslag van de door de parlementaire commissies (commissies voor culturele zaken en financiën van de Nationale Assemblee en de Senaat) gehouden hoorzittingen van de bestuursvoorzitter van France Télévisions betreffende de jaarlijkse uitvoering van de overeenkomst over middelen en doelstellingen (zoals bepaald in artikel 53 van genoemde wet).

V.2.   Inaanmerkingneming van de met de hervorming van de openbare audiovisuele sector ingevoerde nieuwe belasting

(70)

Frankrijk stelt dat het in zijn aanmelding geen rekening heeft gehouden met de nieuwe belasting op reclame en elektronische communicatie. Weliswaar is deze belasting bij dezelfde wet ingevoerd als die welke de hervorming regelt, maar zij zou buiten het bestek van de aangemelde maatregel vallen.

(71)

Frankrijk verduidelijkt dat openbare verklaringen die zijn afgelegd vóór de stemming over de wet waarnaar in het besluit tot inleiding van de procedure wordt verwezen en die later door de bepalingen van deze wet zijn weerlegd, niet volstaan om, op grond van het EU-recht, te concluderen dat er sprake is van een dwingend bestemmingsverband tussen de belasting en de financiering van de steun. Volgens het Franse recht wordt deze belasting geheven ten behoeve van de algemene staatsbegroting, dragen zij bij tot de financiering van het geheel van openbare uitgaven en beantwoorden zij aan het universaliteitsbeginsel en het beginsel van budgettaire eenheid, die deel uitmaken van het geheel van grondwettelijke voorschriften op het gebied van de openbare financiën. Krachtens artikel 36 van de wet van 1 augustus 2001 betreffende de begrotingswetten kan de volledige of gedeeltelijke toewijzing van overheidsmiddelen aan een rechtspersoon alleen plaatsvinden indien hiertoe een uitdrukkelijke bepaling in de begrotingswet is opgenomen, hetgeen hier niet het geval is.

(72)

Frankrijk onderstreept voorts dat er geen plannen zijn om een bestemmingsverband tussen genoemde belasting en de financiering van France Télévisions vast te leggen. Frankrijk licht toe dat, indien een dergelijke verandering van de regeling zou worden overwogen, het overeenkomstig de bepalingen van artikel 108, lid 3, VWEU een nieuwe aanmelding bij de Commissie zou indienen.

VI.   BEOORDELING VAN DE STEUNMAATREGEL

VI.1.   De vraag of sprake is van staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU

(73)

In artikel 107, lid 1, VWEU wordt bepaald: „Behoudens de afwijkingen waarin dit Verdrag voorziet, zijn steunmaatregelen van de staten of in welke vorm ook met staatsmiddelen bekostigd, die de mededinging door begunstiging van bepaalde ondernemingen of bepaalde producties vervalsen of dreigen te vervalsen, onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt, voor zover deze steun het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloedt”. Deze toepassingsvoorwaarden worden hieronder behandeld.

VI.1.1.   Staatsmiddelen

(74)

De begrotingstoewijzingen waarop deze aanmelding betrekking heeft worden jaarlijks in de wet tot vaststelling van de begroting van de Franse staat vastgelegd. Het gaat derhalve om maatregelen waarmee overheidsmiddelen zijn gemoeid.

VI.1.2.   Selectief economisch voordeel

(75)

Het subsidiemechanisme ter aanvulling van de overheidsmiddelen die aan France Télévisions ter beschikking worden gesteld is selectief omdat France Télévisions er de enige begunstigde van is. De jaarlijkse begrotingssubsidie voor exploitatiekosten, waarmee met name wordt beoogd de voortzetting van de activiteiten van de onderneming mogelijk te maken, beschermt de onderneming tegen de derving van reclame-inkomsten waarmee tot dusverre de uitgaven en investeringen van France Télévisions ten dele werden gefinancierd. Hierdoor kan France Télévisions een kijkdichtheid bereiken die zonder de begrotingssubsidie niet mogelijk was geweest. De onderneming ontvangt aldus een economisch voordeel dat zij anders, of, omdat het een subsidie betreft, onder de marktvoorwaarden die voor haar concurrenten van de particuliere sector gelden, niet had kunnen verkrijgen.

(76)

De Commissie merkt voorts op dat Frankrijk geen opmerkingen heeft gemaakt waarmee het in het besluit tot inleiding van de procedure vervatte oordeel wordt betwist dat de beoogde toewijzingen niet aan alle criteria van het arrest-Altmark zouden voldoen en de onderneming derhalve een economisch voordeel zouden verschaffen dat staatssteun inhoudt (13). Daarnaast merkt zij op dat, ongeacht de ontwikkelingen in beheer en resultaten van France Télévisions in de komende jaren, haar standpunt dat aan de vierde voorwaarde niet is voldaan op dit moment wordt gestaafd door het verslag van de Franse Rekenkamer over France Télévisions, dat in oktober 2009 na het besluit tot inleiding van de procedure werd gepubliceerd.

(77)

Kortom, uit het voorgaande vloeit voort dat de alleen voor de groep France Télévisions bestemde begrotingssubsidies uit de financiële middelen van de Franse staat, deze onderneming een selectief voordeel verschaffen.

VI.1.3.   Vervalsing van de mededinging en ongunstige beïnvloeding van het handelsverkeer tussen de lidstaten

(78)

France Télévisions is actief op het gebied van de productie en de uitzending van programma’s die zij commercieel exploiteert, met name door tegen betaling reclamespots voor adverteerders en gesponsorde programma’s uit te zenden, haar zendrechten door te verkopen of dit soort rechten aan te kopen. Deze commerciële activiteiten worden uitgeoefend in concurrentie met andere zenders zoals TF1, M6 en Canal+, met name in Frankrijk, waar de groep France Télévisions volgens de Franse autoriteiten de grootste audiovisuele groep is. In 2010 lag het marktaandeel van France Télévisions rond 10 %, waarmee de groep nog de derde aanbieder op de Franse markt zou zijn.

(79)

Tot het tijdstip waarop de commerciële reclame wordt stopgezet, eind 2011, zal France Télévisions, zij het met beperkingen ten aanzien van de uitzendslots voor reclameboodschappen, actief blijven op de Franse markt voor commerciële televisiereclame en met de andere zenders concurreren. Ook na 2011 zal France Télévisions, in concurrentie met andere in Frankrijk actieve omroepen, aan adverteerders haar diensten op het gebied van reclame voor producten onder hun generieke naam evenals voor gesponsorde uitzendingen kunnen aanbieden. Ook al zullen de concurrenten van France Télévisions ten volle van de vrijwel volledige terugtrekking van France Télévisions uit de reclamemarkt kunnen profiteren, toch zal France Télévisions op deze markt aanwezig blijven. Ten opzichte van de volumen en marktaandelen van de vaste concurrenten in 2007 en op basis van de ramingen van de reclameontvangsten en sponsoring van France Télévisions die door de Franse autoriteiten zijn overgelegd, zou France Télévisions in 2012 namelijk nog 3,3 % van de markt in handen hebben, tegenover meer dan 50 % voor TF1 en 20 % voor M6.

(80)

France Télévisions zal een kijkdichtheid kunnen bereiken die zonder de begrotingstoewijzing in kwestie niet haalbaar zou zijn; dit kan ongunstige gevolgen hebben voor de kijkcijfers van de overige omroepen en dus voor hun commerciële activiteiten, wat tot vervalsing van de concurrentievoorwaarden zou leiden. In ieder geval zal France Télévisions ook op de markten voor de aankoop en verkoop van mediarechten actief blijven en, dankzij de genoemde steun, haar onderhandelingsmacht kunnen behouden. Dat de investeringen in de programmering dankzij de begrotingstoewijzingen gehandhaafd blijven, beïnvloedt derhalve de mate waarin France Télévisions op deze markten als koper of verkoper kan optreden.

(81)

Uit het bovenstaande vloeit voort dat de begrotingstoewijzingen die alleen aan de groep France Télévisions zijn toegekend uit de begrotingsmiddelen van de Franse staat de concurrentie op het gebied van de commerciële omroep in Frankrijk en in zekere mate ook in andere lidstaten waar de programma’s van France Télévisions worden uitgezonden, vervalsen of op zijn minst dreigen te vervalsen.

(82)

De markten voor de verkoop en aankoop van audiovisuele programma’s en zendrechten waarop France Télévisions actief is hebben een internationale dimensie zelfs wanneer bij de verwerving een territoriale begrenzing geldt, die over het algemeen tot één lidstaat beperkt is. Daarnaast worden de programma’s die France Télévisions dankzij de staatssteun kan blijven uitzenden, ook in andere lidstaten, zoals België en Luxemburg, ontvangen. France Télévisions zendt ook via internet programma’s uit, die buiten Frankrijk toegankelijk zijn.

(83)

Derhalve kunnen de voorgenomen begrotingssubsidies de concurrentie vervalsen en het handelsverkeer tussen lidstaten ongunstig beïnvloeden.

VI.1.4.   Conclusie betreffende de aanwezigheid van staatssteun

(84)

Gelet op het voorgaande vormen de begrotingssubsidies die Frankrijk voornemens is aan France Télévisions uit te keren staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU, die op zijn verenigbaarheid met de interne markt moet worden getoetst.

VI.2.   Verenigbaarheid overeenkomstig artikel 106, lid 2, VWEU

(85)

Artikel 106, lid 2, VWEU bepaalt: „De ondernemingen belast met het beheer van diensten van algemeen economisch belang of die het karakter dragen van een fiscaal monopolie, vallen onder de regels van de Verdragen, met name onder de mededingingsregels, voor zover de toepassing daarvan de vervulling, in feite of in rechte, van de hun toevertrouwde bijzondere taak niet verhindert. De ontwikkeling van het handelsverkeer mag niet worden beïnvloed in een mate die strijdig is met het belang van de Unie”.

(86)

In haar omroepmededeling zet de Commissie de beginselen uiteen die zij bij de toepassing van artikel 107 en van artikel 106, lid 2, VWEU op overheidsfinanciering voor openbare omroepen heeft gevolgd. Zo heeft de beoordeling van de Commissie betrekking op twee aspecten:

de aanwezigheid van een duidelijke en precieze definitie, in een formeel besluit, van de openbaredienstopdracht, met inbegrip van het berichten van belangrijke nieuwe diensten en de aanwezigheid van doeltreffende controles door een van de omroep onafhankelijk orgaan;

de transparantie en evenredigheid van de financiering door de overheid van de voor deze opdracht vereiste compensatie zonder dat deze de nettokosten van de openbaredienstopdracht overschrijdt, en die eveneens aan een doeltreffende controle wordt onderwerpen.

VI.2.1.   Duidelijke en precieze omschrijving in een formeel besluit van de openbaredienstopdracht, die aan doeltreffende controle wordt onderworpen

(87)

Zoals hierboven reeds is aangegeven, heeft de Commissie in haar besluit tot inleiding van de procedure, om de daarin uiteengezette redenen, geen twijfels geuit over de deugdelijkheid van de definitie en het mandaat van de openbaredienstopdracht dat France Télévisions door formele besluiten is verleend, noch ten aanzien van de deugdelijkheid van de externe controle, waarmee zoals hierboven is aangeduid wordt nagegaan of France Télévisions haar opdracht naar behoren vervult. De Commissie was dan ook van mening dat de relevante bepalingen van gewijzigde Wet nr. 86-1067 van 30 september 1986 (artikelen 43-11, 44, 48 en 53) en van de decreten of formele besluiten waarbij deze ten uitvoer worden gelegd, met name betreffende de taakomschrijving (decreet nr. 2009-796 van 23 juni 2009) en de overeenkomst over middelen en doelstellingen, in overeenstemming waren met de uitvoeringsbepalingen van artikel 106, lid 2, VWEU betreffende de beoordeling van steun aan publieke omroepdiensten welke in de omroepmededeling zijn vastgelegd.

(88)

Deze conclusie stemde overeen met de conclusies waartoe de Commissie, op grond van de toen geldende mededeling, in haar besluiten van 2003 en 2005 betreffende France 2 en France 3 en in haar besluiten van 2008 en 2009 betreffende France Télévisions reeds was gekomen.

(89)

Ten overvloede moeten de overwegend algemene opmerkingen van een aantal belanghebbenden worden onderzocht die de gelijkenis tussen de programmering van de openbare zenders en die van de concurrenten in grote lijnen bevestigen; dit wordt feitelijk tegengesproken door andere partijen en verandert niets aan deze beoordeling.

(90)

In gewijzigde Wet nr. 86-1067 inzake de vrijheid van communicatie worden de openbaredienstverplichtingen van France Télévisions in brede, kwalitatieve zin maar toch nauwkeurig vastgelegd. Volgens deze bepalingen moet France Télévisions zich op een breed publiek richten met een gediversifieerd programma-aanbod, dat, met inachtneming van het pluralisme, de democratische, sociale, burgerrechtelijke en culturele behoeften van de samenleving dekt. Het feit dat sommige concurrenten zich, wegens hun lidmaatschap van de ERU, aan de statuten van deze organisatie moeten houden zoals door de FFTCE wordt onderstreept, belet niet dat in officiële Franse besluiten specifieke openbaredienstverplichtingen zijn vastgelegd, die in tegenstelling tot de verplichtingen die uit het lidmaatschap van de ERU voortvloeien, alleen voor France Télévisions gelden.

(91)

Overigens zijn de verplichtingen van France Télévisions voor zover nodig, ook opgenomen in de taakomschrijving en in de overeenkomst over middelen en doelstellingen, vergezeld van nauwkeurige en gekwantificeerde indicatoren, iets wat voor haar concurrent niet geldt. De overheidsmiddelen die aan France Télévisions ter beschikking worden gesteld zijn bedoeld om de doelstellingen te verwezenlijken en de in het algemeen belang vastgelegde openbaredienstopdrachten na te komen, terwijl de toekenning van particuliere middelen aan de concurrerende zenders louter uit winstbejag geschiedt. Evenzo impliceert het feit dat de aanbieders bij de uitoefening van hun activiteiten op grond van voorschriften of vrijwillig onderschreven richtsnoeren aan beperkingen zijn gebonden niet, dat het aanbod van publieke en particuliere omroepen feitelijk uniform is. Deze in de wet vastgelegde openbaredienstverplichtingen worden bovendien, anders dan die welke uit het lidmaatschap van de ERU voortvloeien, regelmatig aan externe controles, en met name parlementaire controles, onderworpen.

(92)

Daarnaast wijst de SACD erop dat France Télévisions zich, in vergelijking met haar concurrenten die aanzienlijk minder verplichtingen hebben, sterker inzet voor het scheppen van films en audiovisuele werken in de Franse taal. In de opmerkingen van SACD wordt weliswaar niet uiteengezet of geïllustreerd waarom eventueel uit andere lidstaten geïmporteerde, niet-Franse werken van geringere kwaliteit zouden zijn dan die welke door France Télévisions zullen worden gefinancierd. Desondanks houdt de dwingende verplichting om, zowel in absolute termen als ten opzichte van de concurrenten, een groter aantal Franse producties tot stand te brengen nauw verband met de sociale en culturele behoeften van de Franse samenleving, waaraan de programmering van France Télévisions uit hoofde van haar verplichtingen inzake het verrichten van diensten van algemeen belang moet voldoen.

(93)

Gelet op de door Frankrijk verstrekte informatie moet deze positieve beoordeling van de definitie van en de controle op de openbaredienstopdracht van France Télévisions worden uitgebreid naar de mechanismen voor de invoering van belangrijke nieuwe audiovisuele diensten in de zin van de omroepmededeling die na het besluit tot inleiding van deze procedure van kracht is geworden. Deze diensten, waarmee het programma-aanbod naar andere media of formats wordt doorgegeven, zijn opgenomen in de taakomschrijving en in de overeenkomst over middelen en doelstellingen van France Télévisions, waarin overigens de in de wet vastgelegde opdracht van algemeen economisch belang wordt toegelicht en omgezet. Deze documenten worden, zoals hierboven is aangegeven, bij decreet goedgekeurd, zodat zowel op de reeds geplande nieuwe diensten als op de eventueel toekomstige diensten dezelfde specifieke procedures voor raadpleging vooraf en de jaarlijkse controle op de uitvoering van genoemde opdrachten van toepassing zijn.

(94)

Kortom, zowel de definitie van de openbaredienstopdracht van France Télévisions als de controlemechanismen die daarop betrekking hebben zijn in overeenstemming met de in de omroepmededeling vervatte regels en beginselen welke op hun beurt op de jurisprudentie van de Europese rechtscolleges zijn gebaseerd.

VI.2.2.   Evenredigheid en transparantie van de overheidsfinanciering

(95)

Het is de bedoeling dat het door Frankrijk aangemelde financieringsmechanisme, waaronder de jaarlijkse subsidie ter compensatie van de afname en de uiteindelijke afschaffing van de reclameboodschappen valt, langdurig blijft bestaan en dus ook na de wettelijk voor de afschaffing van reclamespots vastgelegde datum (november 2011) van kracht blijft.

(96)

De jaarlijkse overheidsfinanciering zal bestaan uit, enerzijds, toewijzing van een deel van de inkomsten uit de omroepbijdragen (voorheen „redevance” genoemd) en, anderzijds, de jaarlijkse subsidie overeenkomstig wet nr. 2009-258 van 5 maart 2009. Aan de reeds bestaande, door de Commissie in haar besluit van 20 april 2005 goedgekeurde steun, die door het voorgenomen mechanisme niet wordt gewijzigd, wordt dus een begrotingssubsidie toegevoegd waarvan het bedrag ieder jaar in de begrotingswet voor het lopende begrotingsjaar zal worden vastgelegd. In zijn opmerkingen geeft Frankrijk aan dat het bedrag van de jaarlijkse subsidie voor het begin van elk begrotingsjaar op basis van de verwachte nettokosten van de openbare omroep vooraf wordt vastgesteld.

(97)

Dit blijkt ook uit de ramingen die de Franse autoriteiten aan de Commissie hebben overgelegd als antwoord op de twijfels die zij in het besluit tot inleiding van de procedure had geuit. De Commissie merkt op dat volgens de Franse autoriteiten de prognoses in het businessplan louter indicatief van aard zijn en is het ermee eens dat het voor een onderneming die met een openbaredienstopdracht is belast en die daarvoor meerjarige uitgaven moet doen, nuttig is daartoe over een financieel kader te kunnen beschikken dat is opgenomen in het businessplan zoals vervat in de wijzigingsakte bij de overeenkomst over middelen en doelstellingen. Niettemin blijft het indicatieve totaal van de overheidsmiddelen dat daarin is opgenomen, hoewel het om een lager bedrag gaat, in overeenstemming met de verwachte brutokosten voor het verrichten van deze dienst voor de periode tussen 2010 en 2012.

(98)

Rekening houdende met de relatieve voorspelbaarheid van de brutokosten, die minder volatiel zijn dan de inkomsten uit commerciële activiteiten op basis waarvan de nettokosten worden bepaald, bevestigen de indicatieve cijfers van het businessplan a priori het argument van Frankrijk betreffende het doorslaggevende karakter van het criterium van de nettokosten van de openbare dienst voor de vaststelling van het jaarlijkse subsidiebedrag in de toekomst. Derhalve vormt de verplichting tot financiële compensatie door de staat, die bij Wet nr. 2009-258 van 5 maart 2009 is ingevoerd, het ontstaansfeit van de aangemelde begrotingssubsidie zonder het bedrag daarvan afhankelijk te stellen van een mogelijke raming van de omvang van de door de afschaffing van de reclame gederfde reclame-inkomsten.

(99)

Deze aanpak lijkt objectief gezien gerechtvaardigd omdat het vaststellen van het bedrag van de subsidie, ten opzichte van de reclame-inkomsten die zouden zijn verworven indien de reclame niet wettelijk was afgeschaft, bijvoorbeeld door het bedrag vast te stellen op het niveau van de inkomsten voordat de hervorming werd aangekondigd en toegepast, eventueel aangepast aan de ontwikkeling van de markt voor televisiereclame, door het duurzame karakter van de subsidie steeds willekeuriger zou worden. Indien het bedrag van de subsidie aldus ten opzichte van hypothetische inkomsten zou worden berekend, zou een sterkere daling van de brutokosten van de openbare dienst dan voorzien, bijvoorbeeld als gevolg van toekomstige synergieën bij de oprichting van France Télévisions als één enkele onderneming, een risico van overcompensatie met overheidsmiddelen kunnen inhouden.

(100)

De wijze van berekening van de jaarlijkse subsidie aan de hand van de kosten van de openbare dienst, minus de netto-inkomsten uit de commerciële activiteiten die blijven bestaan, strookt overigens met de verbintenis van Frankrijk welke thans is omgezet in artikel 44 van gewijzigde Wet nr. 86-1067 betreffende de vrijheid van communicatie en artikel 2 van het decreet inzake de financiële betrekkingen tussen de staat en de organen van de publieke audiovisuele sector, in die zin dat de overheidsmiddelen die aan France Télévisions worden toegewezen, de nettokosten van de uitvoering van de openbaredienstverplichtingen die ten laste van de onderneming komen niet overschrijden. Zoals de Franse autoriteiten in herinnering brengen, zijn deze verbintenis en de bovengenoemde bepalingen volledig van toepassing op de aangemelde begrotingssubsidie en op het mechanisme inzake de jaarlijkse overheidsfinanciering waarvan de subsidie voortaan integrerend deel zal uitmaken.

(101)

Daarom lijkt de wijze van berekening van de jaarlijkse subsidie aan de hand van de nettokosten van de openbare dienst (waarop de netto-inkomsten uit commerciële activiteiten die zullen blijven bestaan in mindering worden gebracht) evenredig in de zin van de omroepmededeling van de Commissie.

(102)

In dit verband kunnen de opmerkingen van belanghebbenden die het tegendeel beweren deze conclusie niet ontkrachten:

de opmerkingen van de FFTCE, namelijk dat een compensatie voor gederfde reclame-inkomsten die geen deel uitmaken van de openbaredienstopdracht, niet onder de financiering van die opdracht valt, kunnen niet worden aanvaard, evenmin als de opmerkingen van M6 over de fluctuerende en derhalve onnauwkeurige aard van de ramingen van de gederfde inkomsten uit commerciële activiteiten; het jaarlijkse bedrag van de subsidie moet vooraf worden vastgesteld op basis van de nettokosten van de openbare dienst van France Télévisions, en de ramingen van het bedrag die door Frankrijk voor 2010, 2011 en 2012 zijn verstrekt zijn overigens louter indicatief;

de argumentatie van M6, volgens welke de afwezigheid van een analytische boekhouding bij France Télévisions, die door de Franse Rekenkamer werd gemeld, structureel tot overcompensatie zou leiden omdat de subsidie gebaseerd zou zijn op niet-objectieve kostencomponenten is, net als de opmerkingen van TF1 over de overcompensatie van ongecontroleerde of slecht beheerde kosten, ongegrond; ten eerste noemde de Rekenkamer in oktober 2009 de afwezigheid van beheersinstrumenten die, op het niveau van de groep France Télévisions, de instrumenten voor de analytische boekhouding van de dochterondernemingen samenvoegen, en niet het ontbreken van genoemde beheersinstrumenten; er bestaat voor iedere onderneming van de groep France Télévisions een analytische boekhouding;

ten tweede gaat het bij het onderzoek inzake de verenigbaarheid van de compensatie met de interne markt, in tegenstelling tot het onderzoek naar het bestaan van een economisch voordeel voor France Télévisions, niet om de vraag welke kosten het verrichten van de dienst van algemeen belang met zich zou kunnen meebrengen voor een gemiddelde, goed geleide onderneming in de bewuste sector, maar om de vraag welke kosten France Télévisions daadwerkelijk zal maken, de inkomstendaling in de toekomst meegerekend; zoals hierboven is aangetoond zal het totaalbedrag aan overheidsmiddelen dat aan France Télévisions zal worden uitgekeerd a priori lager zijn dan de kosten die voor het verrichten van de openbare dienst worden gemaakt, en dit bedrag zal zodanig worden vastgesteld dat er, na aftrek van de netto commerciële inkomsten, geen sprake is van overcompensatie.

(103)

Deze opmerkingen, die met betrekking tot de vaststelling vooraf van het jaarlijkse subsidiebedrag ongegrond zijn, houden bovendien geen rekening met het bestaan van mechanismen voor de controle achteraf. Zoals hieronder wordt aangetoond, wordt de jaarlijkse voorafgaande vaststelling van de hoogte van de subsidie voor het begrotingsjaar overeenkomstig de begrotingswet gevolgd door een controle achteraf, die eventueel tot terugvordering kan leiden.

(104)

In de omroepmededeling is bepaald dat de lidstaten zorgen voor passende mechanismen om te garanderen dat geen overcompensatie plaatsvindt; daartoe zorgen zij voor een regelmatige en daadwerkelijke controle op het gebruik van de overheidsmiddelen. De doeltreffendheid van de controles zoals aangegeven in de mededeling moet voortvloeien uit de door een onafhankelijke instantie te verrichten regelmatige controles, tezamen met mechanismen voor de terugbetaling van eventuele overcompensatie of de juiste toewijzing, in het volgende begrotingsjaar, van eventuele reserves die niet meer bedragen dan 10 % van de jaarlijkse kosten van de openbare dienst, enerzijds, of van vermeende kruissubsidiëring, anderzijds.

(105)

In artikel 44 van gewijzigde Wet nr. 86-1067 van 30 september 1986 is bepaald: „Overheidsmiddelen die aan organen van de openbare audiovisuele sector worden toegewezen voor de vervulling van hun openbaredienstverplichtingen mogen het bedrag van de kosten die in verband met de vervulling van die verplichtingen worden gemaakt, niet overschrijden”. Deze bepaling vloeit voort uit de door Frankrijk aangegane verbintenis om het beginsel van niet-overcompensatie van openbaredienstverplichtingen dat is ingevoerd in het kader van de procedure welke tot het verenigbaarheidsbesluit van de Commissie van 20 april 2005 betreffende het gebruik van de omroepbijdragen heeft geleid, uitdrukkelijk in de wet op te nemen (14).

(106)

Artikel 2 van decreet nr. 2007-958 van 15 mei 2007 inzake de financiële betrekkingen tussen de staat en de organen van de publieke sector van de audiovisuele communicatie bevat dezelfde formulering als artikel 53 van de wet van 30 september 1986; hierin wordt bepaald dat met „de directe en indirecte inkomsten van de openbaredienstopdracht” rekening moet worden gehouden en dat de kosten van de openbaredienstopdracht door middel van gescheiden rekeningen worden vastgesteld. In artikel 3 van het decreet wordt bepaald dat France Télévisions en haar dochterondernemingen bij al hun commerciële activiteiten de normale marktvoorwaarden in acht moeten nemen en dat door een externe firma een jaarlijks verslag over de nakoming van deze verplichting moet worden opgesteld dat bij de bevoegde minister, de Nationale Assemblee en de Senaat wordt ingediend. Laatstgenoemde bepaling behoort eveneens tot de door Frankrijk gedane toezeggingen die de Commissie heeft opgenomen in haar besluit van 20 april 2005, dat in overweging 7 wordt genoemd.

(107)

Het Gerecht van de Unie heeft geoordeeld dat zowel de bepalingen inzake het beginsel dat overcompensatie moet worden voorkomen als de bepalingen betreffende controle en verificatie van de voorwaarden die door France Télévisions op haar commerciële activiteiten worden toegepast, volledig tegemoet komen aan de bezwaren die de Commissie heeft geuit in het kader van de procedure die tot het besluit van 20 april 2005 (15) heeft geleid. Voorts bevestigde het Gerecht de passendheid van de controles achteraf op de inachtneming van deze verbintenissen (16).

(108)

De Commissie heeft de verslagen over de uitvoering van de artikelen 2 en 3 van het decreet voor de boekjaren 2007 en 2008 (de verslagen overeenkomstig artikel 3 van het decreet zijn, wat 2007 betreft, gecertificeerd door de accountantskantoren PriceWaterhouseCoopers en KPMG en voor 2008 door het consultantsbureau Rise Conseil) alsook het ontwerp-verslag uit hoofde van artikel 2 voor 2009 ontvangen en onderzocht. Volgens de conclusies van deze verslagen bedroegen de aan de groep France Télévisions toegekende overheidsmiddelen niet hoger waren dan de nettokosten van de openbaredienstverplichtingen waarmee France Télévisions is belast en heeft de onderneming bij al haar commerciële activiteiten de normale marktvoorwaarden in acht genomen. Hierdoor wordt derhalve eventuele kruissubsidiëring tussen commerciële activiteiten en activiteiten in het kader van de openbare dienst uitgesloten. De verslagen laten voorts zien dat de kosten en middelen van de openbaredienstopdracht van de verschillende zenders van France Télévisions in tegenstelling tot wat met name M6 beweert, wel degelijk met de bestaande boekhoudinstrumenten kunnen worden vastgesteld.

(109)

De controle achteraf van de overeenkomstig decreet nr. 2007-958 uitgetrokken overheidsmiddelen worden op de aangemelde begrotingssubsidie toegepast. Sedert de invoering van deze controle is het totaalbedrag van de aan France Télévisions toegewezen overheidsmiddelen niet voldoende geweest om de nettokosten van de nakoming van de openbaredienstverplichtingen te dekken, zodat van eventuele overcompensatie geen sprake was. Wat de in het businessplan vervatte en in tabel 1 opgenomen kosten- en inkomstenramingen op de middellange termijn betreft, wordt voor 2012 met een gering overschot rekening gehouden dat, indien het zou worden bevestigd en niet nodig zou zijn om de voor 2010 en 2011 verwachte tekorten aan te vullen, normaal gesproken met voorrang voor uitgaven ten behoeve van audiovisuele producties zou worden bestemd.

(110)

In ieder geval verplicht Frankrijk zich ertoe om artikel 2 van decreet nr. 2007-958 van 15 mei 2007 aan te passen aan de in 2009 door de omroepmededeling ingevoerde vernieuwingen, om teneinde:

erop toe te zien dat het jaarlijks verslag over de gescheiden boekhouding, net als het in artikel 3 voorgeschreven verslag, door een externe instantie wordt gecontroleerd, en aan de Nationale Assemblee en de Senaat wordt toegezonden nadat de keuze van deze externe instantie ter goedkeuring is voorgelegd aan de minister voor Communicatie;

het functionele mechanisme te verbeteren dat dient om eventuele overcompensatie of kruissubsidie die aan de hand van deze gescheiden boekhouding aan het licht zou komen en die noch met artikel 53 van Wet nr. 86-1067 van 30 september 1986 betreffende de vrijheid van communicatie noch met de omroepmededeling verenigbaar is, daadwerkelijk terug te vorderen.

(111)

Frankrijk lijkt derhalve over passende mechanismen te beschikken om regelmatige en doeltreffende controle op het gebruik van de overheidsmiddelen uit te oefenen en, zoals in de omroepmededeling is bepaald, overcompensatie en kruissubsidiëring te voorkomen.

(112)

Gezien het bovenstaande moet ervan worden uitgegaan dat de mogelijke beperkingen van de concurrentie als gevolg van de aanwezigheid van France Télévisions op de commerciële markten waarop de onderneming na de voltooiing van de hervorming nog actief zal zijn, uiteindelijk zeer gering zullen zijn. Deze aanwezigheid zal waarschijnlijk zeer bescheiden zijn en het valt te verwachten dat de hervorming ertoe leidt dat de vraag naar reclame op televisie, zij het gedeeltelijk, naar de concurrenten van France Télévisions wordt verlegd.

(113)

Zoals valt te lezen in een brief die door zeven particuliere televisie- en radiozenders openbaar is gemaakt, zal de volledige doorvoering van de hervorming totdat de reclamespots bij France Télévisions zijn verdwenen: „de media van de particuliere sector de veerkracht geven die zij nodig hebben”, terwijl de handhaving van reclame: „voor alle Franse media zeer schadelijke gevolgen zou hebben en de economische vooruitzichten van de betrokkenen aanmerkelijk zou veranderen…” (17).

(114)

Met andere woorden, de gedeeltelijke terugtrekking van France Télévisions en de heroriëntatie van de structuur van haar inkomsten (uit commerciële activiteiten of overheidsmiddelen) naar de uitzending van programma’s die aan haar taakopdracht van algemeen belang beantwoorden, zonder rechtstreekse financiële compensatie voor de kijkdichtheid, vermindert de potentiële concurrentiebeperkingen op de markten waar France Télévisions actief is. Deze terugtrekking creëert een ruimte die zou kunnen worden ingenomen door nieuwe aanbieders of door marktdeelnemers met een geringe aanwezigheid op de reclamemarkt en zou de concurrentie mettertijd een nieuwe impuls geven.

(115)

Op grond van de bovenstaande gegevens en de door Frankrijk aangegane verbintenissen kan worden geconcludeerd dat de overheidsfinanciering tot doel zal hebben France Télévisions in de gelegenheid te stellen de door de onderneming voor de vervulling van haar verplichtingen gemaakte nettokosten te dekken, en dat deze financiering tot die kosten beperkt moet blijven en onderworpen zal blijven aan controles achteraf die aan de criteria van de omroepmededeling voldoen. Aangezien France Télévisions bovendien haar aanwezigheid op concurrerende markten nog verder zal beperken, zal de voorgenomen steun de ontwikkeling van het handelsverkeer niet beïnvloeden in een mate die strijdig is met het belang van de Unie, zodat aan de voorwaarden van artikel 106, lid 2, VWEU is voldaan.

(116)

Frankrijk verbindt zich er daarnaast toe, tot 2013, dat wil zeggen tot de voltooiing van de hervorming van de openbare audiovisuele sector, jaarlijks aan de Commissie verslag uit te brengen, zodat de aspecten van de uitvoering van de hervorming die met het oog op de staatssteunregels het belangrijkst zijn, namelijk de jaarlijkse compensatie en de mechanismen voor controle achteraf, de voorwaarden die door France Télévisions op haar commerciële activiteiten worden toegepast, de ontwikkeling van de positie van de onderneming op deze markt en de uitvoering van de overeenkomst over middelen en doelstellingen, gevolgd kunnen worden.

(117)

Gelet op de omvang van de hervorming, van de vernieuwingen ten aanzien van de financiering van de openbare opdracht van France Télévisions, de gevolgen ervan voor de ontwikkeling van de kosten en inkomsten van France Télévisions alsook het onzekere economische klimaat van de markten, dat gevolgen heeft voor de inkomsten uit commerciële activiteiten van France Télévisions en haar concurrenten, biedt deze verplichting de Commissie de mogelijkheid de uitvoering van de hervorming en de nakoming van de door Frankrijk in het kader van deze procedure aangegane verplichtingen van zeer nabij te volgen.

(118)

In haar besluit tot inleiding van de procedure had de Commissie twijfels geuit over het eventuele bestaan van een bestemmingsverband tussen de toewijzing van de ontvangsten uit de nieuwe belasting op reclame en elektronische communicatie en de subsidie die vanaf 2010 jaarlijks aan France Télévisions wordt betaald. Indien een dergelijk verband zou kunnen worden vastgesteld, zou deze heffing als integrerend onderdeel van de steun moet worden beschouwd en op zijn verenigbaarheid met de interne markt moeten worden getoetst. Hoewel het bestaan van een bestemmingsverband, gezien de datum waarop Wet nr. 2009-258 van 5 maart 2009 betreffende de openbare audiovisuele sector van kracht werd, voor 2009 kon worden uitgesloten, geven de verklaringen van de hoogste Franse autoriteiten voor de daaropvolgende jaren nog steeds aanleiding tot twijfel.

(119)

Uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie, die in het arrest van 22 december 2008 in de prejudiciële zaak Régie Networks (C-333/07) (punt 99) is bevestigd, blijkt dat „om een heffing als een integrerend onderdeel van een steunmaatregel te kunnen aanmerken er krachtens de relevante nationale regeling een dwingend bestemmingsverband moet bestaan tussen de betrokken heffing en steun, in die zin dat de opbrengst van de heffing noodzakelijkerwijs voor de financiering van de steun wordt bestemd en een rechtstreekse invloed heeft op de omvang ervan, en bijgevolg op de beoordeling van de verenigbaarheid van deze steun met de gemeenschappelijke markt” (18). Beide toepassingsvoorwaarden waaraan volgens het Hof moet worden voldaan, te weten de relevante nationale regeling en de rechtstreekse invloed op de omvang van de steun, worden hieronder behandeld.

(120)

Overeenkomstig de Franse wetgeving en krachtens artikel 36 van de wet van 1 augustus 2001 betreffende de begrotingswetten kan de toewijzing van ten behoeve van de staat ingesteld middelen aan een andere rechtspersoon alleen voorvloeien uit een bepaling in de begrotingswet. In de begrotingswet moet derhalve uitdrukkelijk zijn voorgeschreven dat de opbrengst van de bij Wet nr. 2009-258 van 5 maart 2009 ingevoerde heffing op reclame en elektronische communicatie geheel of gedeeltelijk voor de financiering van France Télévisions wordt gebruikt. Deze bepaling is tot nog toe niet vastgesteld. Frankrijk heeft zich ertoe verbonden om, overeenkomstig de bepalingen van artikel 108, lid 3, VWEU, ieder voornemen tot wijziging van de regeling bij de Commissie te zullen aanmelden. Onder deze voorwaarden kan uit hoofde van het nationaal recht geen dwingend bestemmingsverband tussen de aangemelde steun en de nieuwe heffing in de zin van de jurisprudentie van het Hof van Justitie worden vastgesteld.

(121)

Bovendien lijkt het doorslaggevende criterium voor het bepalen van de hoogte van de jaarlijkse begrotingssubsidie, tezamen met het voorgenomen bedrag van de aan de publieke audiovisuele sector toe te wijzen middelen, het bedrag te zijn van de nettokosten van de openbare opdracht van France Télévisions en niet dat van de opbrengst van de nieuwe belasting. De verwachte kosten van de openbaredienstopdracht worden echter overeenkomstig artikel 53 van gewijzigde Wet nr. 86-1067 van 30 september 1986 betreffende de vrijheid van communicatie in de vorm van voorafgaande ramingen in de overeenkomst over middelen en doelstellingen opgenomen, en de in het ontwerp van begrotingswet opgenomen jaarlijkse begrotingssubsidie wordt dienovereenkomstig aan de verwachte nettokosten aangepast; eventuele afwijkingen van de werkelijke waarden ten opzichte van de ramingen moeten worden vastgesteld en, indien nodig, achteraf in het kader van het verslag overeenkomstig artikel 2 van decreet nr. 2007-958 van 15 mei 2007 inzake de financiële betrekkingen tussen de staat en de organen van de openbare sector van de audiovisuele communicatie, gecorrigeerd worden. Aangezien de kosten onafhankelijk van de opbrengst van de geïnde belasting worden gemaakt, kan de belastingopbrengst geen rechtstreekse invloed op het bedrag van de steun hebben. Ook zijn de aanvankelijk door de Franse regering vastgestelde heffingspercentages in de door het parlement goedgekeurde definitieve versie van de wet kennelijk verlaagd, zonder dat dit tot een dienovereenkomstige, evenredige verlaging van de subsidie voor France Télévisions heeft geleid.

(122)

Gelet op het voorgaande maakt de bij Wet nr. 2009-258 van 5 maart 2009 ingevoerde heffing op reclame en elektronische communicatie geen deel uit van de steun en mag deze derhalve, in tegenstelling tot wat sommige belanghebbenden (ACT, FFTCE, Association des Chaînes Privées, M6 en TF1) beweren, niet bij het onderzoek naar de verenigbaarheid met de interne markt worden betrokken.

(123)

Deze conclusie doet geen afbreuk aan de verenigbaarheid van genoemde heffing en de daarop betrekking hebbende specifieke bepalingen — als onderscheiden maatregelen — met het recht van de Unie, en met name, wat de belasting op elektronische communicatie betreft, in het licht van de vragen die zijn onderzocht in het kader van inbreukprocedure nr. 2009/5061, van Richtlijn 2002/20/EG of van Richtlijn 2002/21/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake een gemeenschappelijk regelgevingskader voor elektronischecommunicatienetwerken en -diensten (19).

(124)

De Commissie neemt voorts nota van het feit dat Frankrijk heeft verklaard dat de betrokken heffing niet onder de in het kader van deze procedure onderzochte aanmelding valt.

VII.   CONCLUSIE

(125)

Gezien het bovenstaande komt de Commissie tot de slotsom dat de jaarlijkse begrotingssubsidie ten behoeve van France Télévisions, die op de hierboven beschreven wijze is uitgevoerd, op grond van artikel 106, lid 2, VWEU verenigbaar met de interne markt kan worden verklaard overeenkomstig de voor de publieke omroepdiensten geldende beginselen en regels,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

De staatssteun die Frankrijk voornemens is aan France Télévisions te verlenen in de vorm van een jaarlijkse begrotingssubsidie overeenkomstig artikel 53, punt VI, van gewijzigde Wet nr. 86-1067 betreffende de vrijheid van communicatie van 30 september 1986, is op grond van artikel 106, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie verenigbaar met de interne markt.

De tenuitvoerlegging van deze steun wordt derhalve goedgekeurd.

Artikel 2

Dit besluit is gericht tot de Franse Republiek.

Gedaan te Brussel, 20 juli 2010.

Voor de Commissie

Joaquín ALMUNIA

Vicevoorzitter


(1)  PB C 237 van 2.10.2009, blz. 9.

(2)  Vgl. voetnoot 1.

(3)  Beschikking 2004/838/EG van de Commissie (PB L 361 van 8.12.2004, blz. 21).

(4)  Besluit C(2005) 1166 definitief (PB C 235 van 30.9.2005).

(5)  Besluit C(2008) 3506 definitief (PB C 242 van 23.9.2008).

(6)  Besluit 2009/C 237/06 (PB C 237 van 2.10.2009, blz. 9).

(7)  Bedrijfsgeheim.

(8)  Zie Besluit C(2005) 1166 definitief, overwegingen 65-72.

(9)  PB C 257 van 27.10.2009, blz. 1.

(10)  PB L 108 van 24.4.2002, blz. 21.

(11)  Arrest van het Hof van Justitie van 24 juli 2003, zaak C-280/00, Altmark Trans, Jurispr. 2003, blz. I-7747, punten 88-93.

(12)  PB L 318 van 17.11.2006, blz. 17.

(13)  Zie besluit tot inleiding van de procedure, punten 68-75.

(14)  Zie Besluit C(2005) 1166 definitief, overwegingen 65-72.

(15)  Arrest van 11 maart 2009 in zaak T-354/05, TF1/Commissie, Jurispr. 2009, blz. II-00471, punten 205-209.

(16)  Zie in dit verband het arrest van 1 juli 2010 in gevoegde zaken T-568/08 en T-573/08, M6 en TF1/Commissie, met name punt 115 e.v. (nog niet gepubliceerd).

(17)  Brief van de bestuursvoorzitters van TF1, M6, Canal +, Next Radio TV, NRJ, RTL en Locales TV aan de president van de Franse Republiek van 21 juni 2010, op 24 juni 2010 gepubliceerd op: http://www.latribune.fr/technos-medias/publicite/20100623trib0a00523461/france-televisions-les-medias-prives-insistent-pour-mettre-fin-a-la-publicite-.html.

(18)  Arrest van 22 december 2008, Jurispr. 1999, blz. I-10807. Zie ook arrest van 15 juni 2006, Air Liquide Industries Belgium, C-393/04 en C 41/05, Jurispr. 2006, blz. I-5293, punt 46.

(19)  PB L 108 van 24.4.2002, blz. 33.


Top