Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32010R1217

Verordening (EU) nr. 1217/2010 van de Commissie van 14 december 2010 betreffende de toepassing van artikel 101, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op bepaalde groepen onderzoeks- en ontwikkelingsovereenkomsten Voor de EER relevante tekst

OJ L 335, 18.12.2010, p. 36–42 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)
Special edition in Croatian: Chapter 08 Volume 004 P. 283 - 289

In force

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2010/1217/oj

18.12.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 335/36


VERORDENING (EU) Nr. 1217/2010 VAN DE COMMISSIE

van 14 december 2010

betreffende de toepassing van artikel 101, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op bepaalde groepen onderzoeks- en ontwikkelingsovereenkomsten

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EEG) nr. 2821/71 van de Raad van 20 december 1971 betreffende de toepassing van artikel 85, lid 3, van het Verdrag op groepen van overeenkomsten, besluiten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen (1),

Na bekendmaking van de ontwerpverordening,

Na raadpleging van het Adviescomité voor mededingingsregelingen en economische machtsposities,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EEG) nr. 2821/71 verleent de Commissie de bevoegdheid artikel 101, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (2) bij verordening toe te passen op bepaalde groepen van overeenkomsten, besluiten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen die onder artikel 101, lid 1, van het Verdrag vallen en die betrekking hebben op het onderzoek en de ontwikkeling van producten, technologieën of procedés tot aan het stadium van industriële toepassing alsmede op de exploitatie van de resultaten daarvan, met inbegrip van de bepalingen betreffende intellectuele-eigendomsrechten.

(2)

Artikel 179, lid 2, van het Verdrag bepaalt dat de Unie de ondernemingen, met inbegrip van kleine en middelgrote ondernemingen, stimuleert bij hun inspanningen op het gebied van hoogwaardig onderzoek en hoogwaardige technologische ontwikkeling, en hun streven naar onderlinge samenwerking ondersteunt. Deze verordening beoogt onderzoek en ontwikkeling te vergemakkelijken en tegelijk de mededinging afdoende te beschermen.

(3)

Verordening (EG) nr. 2659/2000 van de Commissie van 29 november 2000 betreffende de toepassing van artikel 81, lid 3, van het Verdrag op groepen onderzoeks- en ontwikkelingsovereenkomsten (3) omschrijft groepen onderzoeks- en ontwikkelingsovereenkomsten waarvan volgens de Commissie kon worden aangenomen dat zij gewoonlijk aan de voorwaarden van artikel 101, lid 3, van het Verdrag voldoen. Gelet op de over het geheel genomen positieve ervaring met de toepassing van die verordening, die op 31 december 2010 vervalt, en gelet op de verdere ervaring die sinds de vaststelling van die verordening is opgedaan, is het passend een nieuwe groepsvrijstellingsverordening vast te stellen.

(4)

Deze verordening dient aan twee vereisten te voldoen: zij moet een daadwerkelijke bescherming van de mededinging waarborgen en zij moet ondernemingen voldoende rechtszekerheid verschaffen. Bij het nastreven van deze doelstellingen moet rekening worden gehouden met de noodzaak het administratieve toezicht en de wetgeving zoveel mogelijk te vereenvoudigen. Beneden een bepaald niveau van marktmacht kan, met het oog op de toepassing van artikel 101, lid 3, van het Verdrag, over het algemeen worden aangenomen dat de positieve effecten van onderzoeks- en ontwikkelingsovereenkomsten zullen opwegen tegen de eventuele negatieve effecten ervan voor de mededinging.

(5)

Het is voor de toepassing van artikel 101, lid 3, van het Verdrag bij verordening niet noodzakelijk te omschrijven welke overeenkomsten onder artikel 101, lid 1, van het Verdrag kunnen vallen. Bij de individuele beoordeling van overeenkomsten in de zin van artikel 101, lid 1, van het Verdrag dient met verscheidene factoren rekening te worden gehouden, in het bijzonder met de structuur van de relevante markt.

(6)

Overeenkomsten met het oog op het gezamenlijk verrichten van onderzoek of de gezamenlijke ontwikkeling van de resultaten daarvan, tot aan, maar niet met inbegrip van, het stadium van industriële toepassing, vallen over het algemeen niet onder artikel 101, lid 1, van het Verdrag. Onder bepaalde omstandigheden echter, bijvoorbeeld wanneer de partijen overeenkomen op eenzelfde gebied geen andere onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten te ondernemen, waardoor zij afzien van de mogelijkheid een concurrentievoordeel ten opzichte van de andere partijen te behalen, kunnen deze overeenkomsten wel onder artikel 101, lid 1, vallen, en moeten zij daarom in de werkingssfeer van deze verordening worden opgenomen.

(7)

De bij deze verordening verleende vrijstelling dient slechts te gelden voor overeenkomsten waarvan met voldoende zekerheid kan worden aangenomen, dat zij aan de voorwaarden van artikel 101, lid 3, van het Verdrag voldoen.

(8)

Samenwerking op het gebied van onderzoek en ontwikkeling en ten aanzien van de exploitatie van de resultaten daarvan kan het meest bevorderlijk zijn voor de technische en economische vooruitgang wanneer de partijen hun complementaire vaardigheden, activa of activiteiten ten behoeve van die samenwerking inzetten. Dit kan ook het geval zijn wanneer de ene partij de onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten van een andere partij slechts financiert.

(9)

De gezamenlijke exploitatie van de resultaten kan als het logische gevolg van gezamenlijke onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten worden beschouwd. De exploitatie kan uiteenlopende vormen aannemen, zoals de vervaardiging van producten, de exploitatie van intellectuele-eigendomsrechten waarmee een wezenlijke bijdrage aan de technische of economische vooruitgang wordt geleverd, of het op de markt brengen van nieuwe producten.

(10)

In het algemeen kan worden aangenomen dat gebruikers baat hebben bij een toename van onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten en een grotere doeltreffendheid ervan doordat nieuwe of verbeterde producten of diensten op de markt worden gebracht, doordat die producten of diensten sneller worden gelanceerd, of doordat de nieuwe of verbeterde technologieën of procedés tot prijsverlagingen leiden.

(11)

Om de vrijstelling te rechtvaardigen dient de gezamenlijke exploitatie betrekking te hebben op producten, technologieën of procedés waarvoor de toepassing van de onderzoeks- en ontwikkelingsresultaten van doorslaggevende betekenis is. Bovendien dient in de onderzoeks- en ontwikkelingsovereenkomst te worden vastgelegd dat alle partijen vrije toegang krijgen tot de eindresultaten van de gezamenlijke onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten, met inbegrip van de mogelijk daaraan verbonden intellectuele-eigendomsrechten en knowhow, met het oog op verder onderzoek, ontwikkeling of exploitatie, zodra de eindresultaten beschikbaar zijn. De toegang tot de resultaten dient doorgaans niet te worden beperkt wanneer het gaat om gebruik van de resultaten voor verder onderzoek en ontwikkeling. Wanneer de partijen echter conform deze verordening hun exploitatierechten beperken, met name wanneer zij zich op het niveau van de exploitatie specialiseren, kan de toegang tot de resultaten met het oog op exploitatie dienovereenkomstig worden beperkt. Wanneer voorts academische instellingen, onderzoeksinstituten of ondernemingen die onderzoek en ontwikkeling als commerciële dienstverlening aanbieden zonder zich in de regel zelf met de exploitatie van de resultaten bezig te houden, aan onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten deelnemen, kunnen zij overeenkomen de resultaten hiervan uitsluitend voor verder onderzoek te gebruiken. Afhankelijk van hun mogelijkheden en commerciële behoeften kunnen de bijdragen van de partijen aan hun gezamenlijke onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten verschillen. Om rekening te houden met de verschillen in de waarde of de aard van de bijdragen van partijen of om die verschillen te compenseren, kan daarom in een onderzoeks- en ontwikkelingsovereenkomst die onder deze verordening valt, worden bepaald dat de ene partij een andere partij vergoedt voor het verkrijgen van toegang tot de resultaten ten behoeve van verder onderzoek of exploitatie. Die vergoeding dient echter niet zo te hoog zijn dat deze de toegang in werkelijkheid belemmert.

(12)

Evenzo dienen de partijen, wanneer de onderzoeks- en ontwikkelingsovereenkomst niet in een gezamenlijke exploitatie van de resultaten voorziet, in de onderzoeks- en ontwikkelingsovereenkomst vast te leggen dat zij elkaar wederzijds toegang verlenen tot hun bestaande knowhow voor zover deze knowhow onmisbaar is voor de exploitatie van de resultaten door de andere partijen. De in rekening gebrachte licentievergoedingen dienen niet zo hoog te zijn dat deze de toegang tot de knowhow voor de andere partijen in werkelijkheid belemmeren.

(13)

De bij deze verordening verleende vrijstelling dient uitsluitend te worden toegekend voor onderzoeks- en ontwikkelingsovereenkomsten die de betrokken ondernemingen niet de mogelijkheid bieden de mededinging voor een wezenlijk deel van de betrokken producten, diensten of technologieën uit te schakelen. Overeenkomsten tussen concurrenten waarvan het gezamenlijke marktaandeel voor de producten, diensten of technologieën die door de resultaten van onderzoek en ontwikkeling kunnen worden verbeterd of vervangen, op het moment dat de overeenkomst wordt gesloten, een bepaald niveau overschrijdt, dienen van de vrijstelling te worden uitgesloten. Er geldt echter geen vermoeden dat onderzoeks- en ontwikkelingsovereenkomsten onder artikel 101, lid 1, van het Verdrag vallen of dat zij niet aan de voorwaarden van artikel 101, lid 3, van het Verdrag voldoen wanneer de in deze verordening vastgestelde marktaandeeldrempel wordt overschreden of wanneer niet aan andere in deze verordening gestelde voorwaarden is voldaan. In deze gevallen dient een individuele beoordeling van de onderzoeks- en ontwikkelingsovereenkomst plaats te vinden op grond van artikel 101 van het Verdrag.

(14)

Om bij een gemeenschappelijke exploitatie van de resultaten een daadwerkelijke mededinging te behouden, dient te worden bepaald dat de vrijstelling niet langer geldt wanneer het gezamenlijke marktaandeel van de partijen voor de producten, diensten en technologieën die het resultaat van gemeenschappelijk onderzoek en ontwikkeling zijn, te groot wordt. De vrijstelling dient, ongeacht de marktaandelen van de partijen, nog enige tijd na de aanvang van de gezamenlijke exploitatie te blijven gelden totdat de marktaandelen gestabiliseerd zijn, met name na de invoering van een geheel nieuw product, zodat een minimumperiode van rendement op de betrokken investeringen wordt gewaarborgd.

(15)

Deze verordening dient geen vrijstelling te verlenen voor overeenkomsten welke beperkingen bevatten die voor het bereiken van de positieve effecten van een onderzoeks- en ontwikkelingsovereenkomst niet onmisbaar zijn. Overeenkomsten die bepaalde soorten ernstige mededingingsbeperkingen, zoals beperkingen van de vrijheid van de partijen om onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten te verrichten op een gebied waarop de overeenkomst geen betrekking heeft, de vaststelling van de prijzen die aan derden worden berekend, de beperking van de productie of verkoop alsmede de beperking van de passieve verkoop van contractproducten of contracttechnologieën in gebieden of aan afnemers die aan andere partijen zijn voorbehouden, dienen, ongeacht het marktaandeel van de partijen, in beginsel van de in deze verordening vervatte vrijstelling worden uitgesloten. In dit verband gelden beperkingen inzake toepassingssfeer niet als productie- of verkoopbeperkingen en evenmin als territoriale beperkingen of beperkingen ten aanzien van de klantenkring.

(16)

De beperking van het marktaandeel, de uitsluiting van bepaalde overeenkomsten en de in deze verordening vervatte voorwaarden garanderen doorgaans dat de overeenkomsten waarvoor de groepsvrijstelling geldt, de partijen niet in staat stellen voor een wezenlijk deel van de betrokken producten of diensten de mededinging uit te schakelen.

(17)

Het valt niet uit te sluiten dat er concurrentieverstorende afschermingseffecten optreden wanneer eenzelfde partij verscheidene onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten financiert die door concurrenten worden uitgevoerd met betrekking tot dezelfde contractproducten of -technologieën, met name wanneer zij het exclusieve recht verkrijgt om de resultaten ten aanzien van derden te exploiteren. Daarom dient de in deze verordening vervatte vrijstelling alleen voor dergelijke tegen betaling verrichte onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten te gelden indien het gezamenlijke marktaandeel van alle bij deze onderling verbonden overeenkomsten betrokken partijen - dat wil zeggen de financier en alle uitvoerders van onderzoek en ontwikkeling - niet meer dan 25 % bedraagt.

(18)

Overeenkomsten tussen ondernemingen die geen concurrerende fabrikanten van producten, technologieën of procedés zijn welke door de resultaten van de onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten kunnen worden verbeterd, gesubstitueerd of vervangen, zullen slechts in uitzonderlijke omstandigheden de daadwerkelijke mededinging op het gebied van onderzoek en ontwikkeling uitschakelen. Deze overeenkomsten dienen derhalve, ongeacht het marktaandeel, voor de deze verordening vervatte vrijstelling in aanmerking te komen en in uitzonderlijke omstandigheden dient de vrijstelling te worden ingetrokken.

(19)

De Commissie kan de vrijstelling overeenkomstig artikel 29, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag (4) intrekken wanneer zij in een bepaald geval van oordeel is, dat een overeenkomst waarop de in deze verordening vervatte vrijstelling van toepassing is, toch gevolgen heeft die onverenigbaar zijn met artikel 101, lid 3, van het Verdrag.

(20)

De mededingingsautoriteit van een lidstaat kan ingevolge artikel 29, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1/2003 de vrijstelling voor zijn grondgebied of een deel daarvan intrekken, indien zij in een bepaald geval van oordeel is, dat een overeenkomst waarop de in deze verordening vervatte vrijstelling van toepassing is, toch met artikel 101, lid 3, van het Verdrag onverenigbare gevolgen heeft op het grondgebied van die lidstaat of op een gedeelte daarvan, voor zover dit grondgebied alle kenmerken van een afzonderlijke geografische markt vertoont.

(21)

De vrijstelling zou bijvoorbeeld overeenkomstig artikel 29 van Verordening (EG) nr. 1/2003 kunnen worden ingetrokken wanneer een onderzoeks- en ontwikkelingsovereenkomst de mogelijkheid voor derden om op het betrokken gebied onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten te verrichten aanzienlijk beperkt als gevolg van de geringe onderzoekscapaciteit die elders beschikbaar is, wanneer de onderzoeks- en ontwikkelingsovereenkomst wegens de bijzondere aanbodstructuur de toegang van derden tot de markt voor de contractproducten of contracttechnologieën aanmerkelijk beperkt, wanneer de contractpartijen zonder objectief gerechtvaardigde reden de resultaten van hun gezamenlijke onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten niet exploiteren ten aanzien van derden, wanneer de contractproducten of contracttechnologieën in de gehele interne markt of op een wezenlijk deel daarvan geen daadwerkelijke mededinging ondervinden van producten, technologieën of procedés die door de gebruikers op grond van hun kenmerken, hun prijs en het gebruik waarvoor zij bestemd zijn als gelijkaardig worden beschouwd, of wanneer de onderzoeks- en ontwikkelingsovereenkomst de mededinging op het gebied van innovatie zou beperken of de daadwerkelijke mededinging op het gebied van onderzoek en ontwikkeling op een bepaalde markt zou uitschakelen.

(22)

Aangezien onderzoeks- en ontwikkelingsovereenkomsten dikwijls voor langere tijd worden gesloten, vooral wanneer de samenwerking tevens de exploitatie van de resultaten omvat, dient de geldigheidsduur van deze verordening op twaalf jaar te worden vastgesteld,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Definities

1.   Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

a)   „onderzoeks- en ontwikkelingsovereenkomst”: een overeenkomst tussen twee of meer partijen die betrekking heeft op de voorwaarden waaronder deze partijen:

b)   „overeenkomst”: een overeenkomst, een besluit van een ondernemingsvereniging of een onderling afgestemde feitelijke gedraging;

c)   „onderzoek en ontwikkeling”: de verwerving van knowhow ten aanzien van producten, technologieën of procedés en de uitvoering van theoretische analyses, systematische studies of experimenten, met inbegrip van experimentele productie en technische tests van producten of procedés, de inrichting van de daartoe benodigde installaties en de verwerving van intellectuele-eigendomsrechten op de resultaten;

d)   „product”: een goed of een dienst, daaronder begrepen zowel intermediaire goederen of diensten als eindgoederen of -diensten;

e)   „contracttechnologie”: een technologie of werkwijze die uit de gezamenlijke onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten voortvloeit;

f)   „contractproduct”: een product dat uit de gezamenlijke onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten voortvloeit of met gebruikmaking van de contracttechnologieën wordt vervaardigd;

g)   „exploitatie van de resultaten”: productie of distributie van de contractproducten of de toepassing van de contracttechnologieën dan wel de toekenning of licentiëring van intellectuele-eigendomsrechten alsmede het doorgeven van de knowhow die voor het vervaardigen van de producten of de toepassing van de technologieën noodzakelijk is;

h)   „intellectuele-eigendomsrechten”: intellectuele-eigendomsrechten, met inbegrip van industriële-eigendomsrechten, auteursrecht en naburige rechten;

i)   „knowhow”: een geheel van niet-geoctrooieerde praktische informatie, voortvloeiend uit ervaring en proeven, welke geheim, wezenlijk en geïdentificeerd is;

j)   „geheim” in samenhang met knowhow: de omstandigheid dat de knowhow niet algemeen bekend of gemakkelijk toegankelijk is;

k)   „wezenlijk” in samenhang met knowhow: de omstandigheid dat de knowhow van betekenis en nuttig is voor de vervaardiging van de contractproducten of de toepassing van de contracttechnologieën;

l)   „geïdentificeerd” in samenhang met knowhow: de omstandigheid dat de knowhow dusdanig voldoende uitvoerig is beschreven dat kan worden nagegaan of deze aan de criteria inzake het geheim en wezenlijk zijn voldoet;

m)   „gezamenlijk” in samenhang met de ingevolge een onderzoeks- en ontwikkelingsovereenkomst verrichte activiteiten: de omstandigheid dat de taken:

n)   „specialisatie op het niveau van onderzoek en ontwikkeling”: de omstandigheid dat elk van de partijen bij de door de onderzoeks- en ontwikkelingsovereenkomst bestreken onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten is betrokken en dat zij de onderzoeks- en ontwikkelingstaken onderling verdelen op de door hen meest passend geachte wijze; tegen betaling verrichte onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten zijn hieronder niet begrepen;

o)   „specialisatie op het niveau van de exploitatie”: de omstandigheid dat de partijen individuele taken, zoals productie of distributie, onderling verdelen of elkaar beperkingen opleggen ten aanzien van de exploitatie van de resultaten, zoals beperkingen betreffende bepaalde gebieden, klanten of toepassingen; situaties waarin slechts een partij de contractproducten vervaardigt en distribueert op basis van een door de andere partijen verleende exclusieve licentie zijn hieronder mede begrepen;

p)   „tegen betaling verrichte onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten”: onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten die door een partij worden verricht en door een financier worden gefinancierd;

q)   „financier”: een partij die tegen betaling verrichte onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten financiert doch zelf geen van die activiteiten verricht;

r)   „concurrerende onderneming”: een daadwerkelijke of potentiële concurrent;

s)   „daadwerkelijke concurrent”: een onderneming die producten, technologieën of procedés levert die kunnen worden verbeterd, gesubstitueerd of vervangen door het contractproduct of de contracttechnologie op de relevante geografische markt;

t)   „potentiële concurrent”: een onderneming die, zonder de onderzoeks- en ontwikkelingsovereenkomst, op grond van realistische overwegingen en niet louter als theoretische mogelijkheid, in geval van een geringe maar duurzame verhoging van de relatieve prijzen wellicht binnen een termijn van ten hoogste drie jaar de vereiste extra investeringen zou doen of andere noodzakelijke omschakelingskosten zou maken om producten, technologieën of procedés te leveren die door het contractproduct of de contracttechnologie op de relevante geografische markt zouden kunnen worden verbeterd, gesubstitueerd of vervangen;

u)   „relevante productmarkt”: de relevante markt voor de producten die door de contractproducten kunnen worden verbeterd, gesubstitueerd of vervangen;

v)   „relevante technologiemarkt”: de relevante markt voor de technologieën of procedés die door de contracttechnologieën kunnen worden verbeterd, gesubstitueerd of vervangen.

2.   Voor de toepassing van deze verordening omvatten de begrippen „onderneming” en „partij” de respectieve daarmee verbonden ondernemingen.

Onder „verbonden ondernemingen” wordt verstaan:

a)

ondernemingen waarin een partij bij de onderzoeks- en ontwikkelingsovereenkomst direct of indirect:

i)

de bevoegdheid heeft meer dan de helft van de stemrechten uit te oefenen,

ii)

de bevoegdheid heeft meer dan de helft van de leden van de raad van toezicht, van de raad van bestuur of van de krachtens de wet tot vertegenwoordiging bevoegde organen te benoemen, of

iii)

het recht heeft de zaken van de onderneming te beheren;

b)

ondernemingen die ten aanzien van een partij bij de onderzoeks- en ontwikkelingsovereenkomst direct of indirect over de onder a) genoemde rechten of bevoegdheden beschikken;

c)

ondernemingen waarin een onder b) bedoelde onderneming direct of indirect over de onder a) genoemde rechten of bevoegdheden beschikt;

d)

ondernemingen waarin een partij bij de onderzoeks- en ontwikkelingsovereenkomst gezamenlijk met een of meer van de onder a), b) of c) bedoelde ondernemingen, of waarin twee of meer van de laatstbedoelde ondernemingen gezamenlijk over de onder a) genoemde rechten of bevoegdheden beschikken;

e)

ondernemingen waarin over de onder a) genoemde rechten of bevoegdheden gezamenlijk wordt beschikt door:

i)

partijen bij de onderzoeks- en ontwikkelingsovereenkomst of de respectieve daarmee verbonden ondernemingen als bedoeld onder a) tot en met d), of

ii)

een of meer van de partijen bij de onderzoeks- en ontwikkelingsovereenkomst of een of meer van de daarmee verbonden ondernemingen als bedoeld onder a) tot en met d), en een of meer derden.

Artikel 2

Vrijstelling

1.   Overeenkomstig artikel 101, lid 3, van het Verdrag en onverminderd de bepalingen van deze verordening, wordt artikel 101, lid 1, van het Verdrag buiten toepassing verklaard voor onderzoeks- en ontwikkelingsovereenkomsten.

Deze vrijstelling is van toepassing voor zover bedoelde overeenkomsten beperkingen van de mededinging inhouden die onder artikel 101, lid 1, van het Verdrag vallen.

2.   De in lid 1 bedoelde vrijstelling is van toepassing op onderzoeks- en ontwikkelingsovereenkomsten die bepalingen bevatten betreffende de toekenning of licentiëring van intellectuele-eigendomsrechten aan een of meer partijen of aan een door de partijen opgerichte entiteit die de gezamenlijke onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten, de tegen betaling verrichte onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten of de gezamenlijke exploitatie verricht, mits die bepalingen niet het voornaamste onderwerp van die overeenkomsten vormen, maar daarmee rechtstreeks verband houden en noodzakelijk zijn voor de tenuitvoerlegging.

Artikel 3

Voorwaarden voor vrijstelling

1.   De in artikel 2 bedoelde vrijstelling is van toepassing onder de in de leden 2 tot en met 5 vervatte voorwaarden.

2.   De onderzoeks- en ontwikkelingsovereenkomst moet bepalen dat alle partijen volledige toegang moeten krijgen tot de eindresultaten van de gezamenlijke onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten of tegen betaling verrichte onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten, met inbegrip van de mogelijk daaruit voortvloeiende intellectuele-eigendomsrechten en knowhow, met het oog op verder onderzoek, ontwikkeling of exploitatie, zodra de eindresultaten beschikbaar zijn. Wanneer de partijen hun exploitatierechten beperken in overeenstemming met deze verordening, met name wanneer zij zich op het niveau van de exploitatie specialiseren, kan de toegang tot de resultaten met het oog op exploitatie dienovereenkomstig worden beperkt. Voorts kunnen onderzoekinstituten, academische instellingen of ondernemingen die onderzoek en ontwikkeling als commerciële dienstverlening aanbieden zonder zich gewoonlijk met de exploitatie van de resultaten daarvan bezig te houden, overeenkomen de resultaten hiervan uitsluitend voor verder onderzoek te gebruiken. In de onderzoeks- en ontwikkelingsovereenkomst kan worden bepaald dat de partijen elkaar vergoeden voor het verkrijgen van toegang tot de resultaten ten behoeve van verder onderzoek of exploitatie, waarbij de vergoeding evenwel niet zo hoog mag zijn dat zij de toegang in werkelijkheid belemmert.

3.   Onverminderd lid 2 moet de onderzoeks- en ontwikkelingsovereenkomst, wanneer de overeenkomst uitsluitend voorziet in gezamenlijke onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten of tegen betaling verrichte onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten, bepalen dat aan elke partij toegang moet worden verleend tot de bestaande knowhow van de andere partijen, indien deze knowhow onmisbaar is voor de exploitatie van de resultaten. In de onderzoeks- en ontwikkelingsovereenkomst kan worden bepaald dat de partijen elkaar vergoeden voor het verkrijgen van toegang tot hun bestaande knowhow, waarbij de vergoeding evenwel niet zo hoog mag zijn dat zij deze toegang in werkelijkheid belemmert.

4.   Gezamenlijke exploitatie mag alleen betrekking hebben op resultaten die door intellectuele-eigendomsrechten worden beschermd of die knowhow vormen en die onmisbaar zijn voor de vervaardiging van de contractproducten of de toepassing van de contracttechnologieën.

5.   Partijen die zijn belast met de vervaardiging van de contractproducten door middel van specialisatie op het niveau van de exploitatie moeten ertoe worden verplicht de orders voor de levering van de contractproducten van de andere partijen uit te voeren, behalve wanneer de onderzoeks- en ontwikkelingsovereenkomst tevens voorziet in gezamenlijke distributie in de zin van artikel 1, lid 1, onder m), i) of ii), of wanneer de partijen zijn overeengekomen dat alleen de partij die de contractproducten vervaardigt, deze mag distribueren.

Artikel 4

Marktaandeeldrempel en duur van de vrijstelling

1.   Wanneer de partijen geen concurrerende ondernemingen zijn, geldt de in artikel 2 bedoelde vrijstelling voor de duur van de onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten. Wanneer de resultaten gezamenlijk worden geëxploiteerd, blijft de vrijstelling gelden gedurende een periode van zeven jaar vanaf het tijdstip waarop de contractproducten of contracttechnologieën voor het eerst in de interne markt in de handel worden gebracht.

2.   Wanneer twee of meer van de partijen concurrerende ondernemingen zijn, geldt de in artikel 2 bedoelde vrijstelling gedurende de in lid 1 van dit artikel genoemde periode, mits op het tijdstip waarop de onderzoeks- en ontwikkelingsovereenkomst wordt gesloten:

a)

in het geval van de in artikel 1, lid 1, onder a), i), ii) of iii), bedoelde onderzoeks- en ontwikkelingsovereenkomsten, het gezamenlijke marktaandeel van de partijen bij een onderzoeks- en ontwikkelingsovereenkomst op de relevante product- en technologiemarkt niet meer dan 25 % bedraagt, of

b)

in het geval van de in artikel 1, lid 1, onder a), iv), v) of vi), bedoelde onderzoeks- en ontwikkelingsovereenkomsten, het gezamenlijke marktaandeel van de financier en alle partijen waarmee de financier onderzoeks- en ontwikkelingsovereenkomsten heeft gesloten, ten aanzien van dezelfde contractproducten of contracttechnologieën, op de relevante product- en technologiemarkt niet meer dan 25 % bedraagt.

3.   Na het verstrijken van de in lid 1 bedoelde periode blijft de vrijstelling gelden zolang het gezamenlijke marktaandeel van de partijen op de relevante product- en technologiemarkt niet meer dan 25 % bedraagt.

Artikel 5

Hardcore beperkingen

De in artikel 2 bedoelde vrijstelling geldt niet voor onderzoeks- en ontwikkelingsovereenkomsten die, als zodanig of in combinatie met andere factoren waarover de partijen controle hebben, direct of indirect een van de volgende punten tot doel hebben:

a)

de vrijheid van de partijen te beperken om zelfstandig of in samenwerking met derden onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten te verrichten op een gebied dat geen verband houdt met dat waarop de onderzoeks- en ontwikkelingsovereenkomst betrekking heeft, dan wel, na de voltooiing van de gezamenlijke onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten of de tegen betaling verrichte onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten, op het gebied waarop de overeenkomst betrekking heeft of een daarmee verband houdend gebied;

b)

de productie of de verkoop te beperken, met uitzondering van:

i)

de vaststelling van productiedoelstellingen wanneer de gezamenlijke exploitatie van de resultaten tevens de gezamenlijke vervaardiging van de contractproducten omvat,

ii)

de vaststelling van verkoopdoelstellingen wanneer de gezamenlijke exploitatie van de resultaten tevens de gezamenlijke distributie van de contractproducten of de gezamenlijke licentiëring van de contracttechnologieën omvat in de zin van artikel 1, lid 1, onder m), i) of ii),

iii)

praktijken in de vorm van specialisatie op het niveau van de exploitatie, en

iv)

de beperking van de vrijheid van de partijen om met de contractproducten of contracttechnologieën concurrerende producten, technologieën of procedés te vervaardigen, te verkopen, toe te kennen of te licentiëren gedurende de periode waarvoor de partijen zijn overeengekomen de resultaten gezamenlijk te exploiteren;

c)

de prijzen vast te stellen bij de verkoop van het contractproduct of de licentiëring van de contracttechnologieën aan derden, met uitzondering van de vaststelling van de prijzen die aan directe afnemers in rekening worden gebracht of de vaststelling van licentievergoedingen die aan directe licentienemers in rekening worden gebracht wanneer de gezamenlijke exploitatie van de resultaten tevens de gezamenlijke distributie van de contractproducten dan wel de gezamenlijke licentiëring van de contracttechnologieën omvat in de zin van artikel 1, lid 1, onder m), i) of ii);

d)

het gebied te beperken waarop, of de klantenkring te beperken waaraan, de partijen de contractproducten passief mogen verkopen of de contracttechnologieën passief in licentie mogen geven, met uitzondering van de verplichting om een andere partij een exclusieve licentie te verlenen op de resultaten;

e)

de actieve verkoop van de contractproducten of de contracttechnologieën te verbieden of te beperken in gebieden of aan klanten die niet uitsluitend aan een van de partijen zijn toegewezen door middel van specialisatie op het niveau van de exploitatie;

f)

de partijen te verbieden te voldoen aan de vraag van gebruikers in de onderscheiden aan de partijen toegewezen gebieden of van gebruikers die anderszins door middel van specialisatie op het niveau van de exploitatie aan de partijen zijn toegewezen, en die de contractproducten in andere gebieden binnen de interne markt in de handel zouden brengen;

g)

de partijen te verplichten het voor gebruikers of wederverkopers moeilijk te maken de contractproducten van andere wederverkopers binnen de interne markt af te nemen.

Artikel 6

Uitgesloten beperkingen

De in artikel 2 bedoelde vrijstelling geldt niet voor de volgende in onderzoeks- en ontwikkelingsovereenkomsten vervatte verbodsbepalingen:

a)

het verbod om na voltooiing van de onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten de geldigheid aan te vechten van de intellectuele-eigendomsrechten van de partijen in de interne markt die relevant zijn voor de onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten, of om na het verstrijken van de onderzoeks- en ontwikkelingsovereenkomst de geldigheid aan te vechten van intellectuele-eigendomsrechten van de partijen in de interne markt waarmee de resultaten van de onderzoeks- en ontwikkelingactiviteiten worden beschermd; dit doet geen afbreuk aan de mogelijkheid om in beëindiging van de onderzoeks- en ontwikkelingsovereenkomst te voorzien ingeval een van de partijen de geldigheid van deze intellectuele-eigendomsrechten aanvecht;

b)

het verbod om aan derden licenties te verlenen voor de vervaardiging van de contractproducten of de toepassing van de contracttechnologieën, tenzij de overeenkomst voorziet in de exploitatie van de resultaten van de gezamenlijke onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten of de tegen betaling verrichte onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten door ten minste één van de partijen en deze exploitatie ten aanzien van derden in de interne markt plaatsvindt.

Artikel 7

Toepassing van de marktaandeeldrempel

Voor de toepassing van de in artikel 4 vervatte marktaandeeldrempel gelden de volgende regels:

a)

het marktaandeel wordt berekend op grond van de waarde van de verkopen op de markt; ingeval geen gegevens betreffende de waarde van de verkopen op de markt beschikbaar zijn, kan voor de bepaling van het marktaandeel van de partijen gebruik worden gemaakt van ramingen die zijn gebaseerd op andere betrouwbare marktinformatie, waaronder de omvang van de verkopen op de markt;

b)

het marktaandeel wordt berekend op grond van gegevens die betrekking hebben op het voorafgaande kalenderjaar;

c)

het marktaandeel van de in artikel 1, lid 2, tweede alinea, onder e), bedoelde ondernemingen wordt in gelijke delen toegerekend aan elke onderneming die over de in die alinea, onder a), genoemde rechten of bevoegdheden beschikt;

d)

wanneer het in artikel 4, lid 3, bedoelde marktaandeel aanvankelijk niet meer dan 25 % bedraagt, maar vervolgens boven dat niveau stijgt zonder 30 % te overschrijden, blijft de in artikel 2 bedoelde vrijstelling van toepassing gedurende twee opeenvolgende kalenderjaren volgende op het jaar waarin de grens van 25 % voor het eerst is overschreden;

e)

wanneer het in artikel 4, lid 3, bedoelde marktaandeel aanvankelijk niet meer dan 25 % bedraagt, maar vervolgens 30 % overschrijdt, blijft de in artikel 2 bedoelde vrijstelling van toepassing gedurende een periode van een kalenderjaar volgend op het jaar waarin het niveau van 30 % voor het eerst is overschreden;

f)

het onder d) en e) bepaalde kan niet zodanig worden gecombineerd dat dit tot een langere periode van twee kalenderjaren zou leiden.

Artikel 8

Overgangsperiode

Het verbod van artikel 101, lid 1, van het Verdrag geldt gedurende de periode van 1 januari 2011 tot en met 31 december 2012 niet voor op 31 december 2010 reeds van kracht zijnde overeenkomsten die niet aan de in deze verordening gestelde voorwaarden voor vrijstelling, maar wel aan de in Verordening (EG) nr. 2659/2000 gestelde voorwaarden voor vrijstelling voldoen.

Artikel 9

Geldigheidsduur

Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2011.

Zij vervalt op 31 december 2022.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 14 december 2010.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)  PB L 285 van 29.12.1971, blz. 46.

(2)  Sinds 1 december 2009 is artikel 81 van het EG-Verdrag artikel 101 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie („VWEU”). Beide artikelen zijn in wezen identiek. Voor zover van toepassing, dienen in deze verordening de verwijzingen naar artikel 101 VWEU te worden gelezen als verwijzingen naar artikel 81 van het EG-Verdrag. Bij het VWEU zijn ook enkele wijzigingen in de terminologie aangebracht, zoals de vervanging van „Gemeenschap” door „Unie” en de vervanging van „gemeenschappelijke markt” door „interne markt”. In deze verordening wordt de terminologie van het VWEU gebruikt.

(3)  PB L 304 van 5.12.2000, blz. 7.

(4)  PB L 1 van 4.1.2003, blz. 1.


Top