Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32010R0691

Verordening (EU) nr. 691/2010 van de Commissie van 29 juli 2010 tot vaststelling van een prestatieregeling voor luchtvaartnavigatiediensten en netwerkfuncties en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2096/2005 tot vaststelling van de gemeenschappelijke eisen voor de verlening van luchtvaartnavigatiediensten Voor de EER relevante tekst

OJ L 201, 3.8.2010, p. 1–22 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)
Special edition in Croatian: Chapter 07 Volume 012 P. 196 - 217

No longer in force, Date of end of validity: 31/12/2014; opgeheven door 32013R0390

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2010/691/oj

3.8.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 201/1


VERORDENING (EU) Nr. 691/2010 VAN DE COMMISSIE

van 29 juli 2010

tot vaststelling van een prestatieregeling voor luchtvaartnavigatiediensten en netwerkfuncties en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2096/2005 tot vaststelling van de gemeenschappelijke eisen voor de verlening van luchtvaartnavigatiediensten

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gelet op het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gelet op Verordening (EG) nr. 549/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 10 maart 2004 tot vaststelling van het kader voor de totstandkoming van het gemeenschappelijke Europese luchtruim („de kaderverordening”) (1), en met name op artikel 11,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Krachtens Verordening (EG) nr. 549/2004 moeten uitvoeringsvoorschriften worden vastgesteld voor de prestatieregeling voor luchtvaartnagivatiediensten en netwerkfuncties.

(2)

De prestatieregeling moet bijdragen tot de duurzame ontwikkeling van het systeem voor luchtvervoer door het verbeteren van de algemene efficiëntie van de luchtvaartnavigatiediensten op prestatiekerngebieden zoals veiligheid, milieu, capaciteit en kostenefficiëntie, overeenkomstig de in het prestatiekader van het masterplan inzake luchtverkeersbeveiliging aangemerkte gebieden, en dat alles met het oog op de prioritaire veiligheidsdoelstellingen.

(3)

De prestatieregeling moet indicatoren en bindende doelen voor prestatiekerngebieden bevatten, waardoor de geëiste veiligheidsniveaus ten volle worden bereikt en gehandhaafd, en moet tegelijkertijd het stellen van prestatiedoelen op andere prestatiekerngebieden mogelijk maken.

(4)

De prestatieregeling moet worden uitgewerkt en toegepast met een langetermijnvisie op de maatschappelijke doelstellingen van hoog niveau.

(5)

De prestatieregeling moet luchtvaartnavigatiediensten volgens een gate-to-gateprincipe, met inbegrip van luchthavens, benaderen om de algemene prestaties van het netwerk te verbeteren.

(6)

Bij de voorbereiding en de monitoring van het prestatieplan moet gedegen rekening worden gehouden met de interdependenties tussen de nationale niveaus en de niveaus van de functionele luchtruimblokken enerzijds en het netwerkniveau anderzijds, alsook met de interdependenties tussen de prestatiedoelen, en dat alles met het oog op de prioritaire veiligheidsdoelstellingen.

(7)

De prestatieplannen moeten een weerslag bevatten van de door de lidstaten voor de duur van de referentieperiode aangegane verbintenis om de doelstellingen van het gemeenschappelijke Europese luchtruim en het evenwicht tussen de behoeften van alle luchtruimgebruikers en de levering van diensten door de verleners van luchtvaartnavigatiediensten te bereiken.

(8)

Nationale toezichthoudende autoriteiten spelen een sleutelrol bij het implementeren van de prestatieregeling. De lidstaten moeten daarom zorgen dat zij in staat zijn om die extra verantwoordelijkheden doeltreffend uit te oefenen.

(9)

De prestatieplannen moeten een beschrijving bevatten van de maatregelen, zoals stimuleringsregelingen, gericht op het begeleiden van de belanghebbende partijen naar het verbeteren van de prestaties op nationaal niveau, het niveau van de luchtruimblokken en Europees niveau.

(10)

In omstandigheden die niet te voorzien waren op het moment van het aannemen van de prestatieplannen, die onoverkomelijk zijn en ontsnappen aan de controle van de lidstaten en de entiteiten waarvoor de prestatiedoelen gelden, moet het invoeren van passende waarschuwingsmechanismen het mogelijk maken om adequate maatregelen te implementeren, die gericht zijn op het in stand houden van de veiligheidsvoorwaarden en de continuïteit van de dienstverlening.

(11)

Er moeten doeltreffende raadplegingen van de belanghebbende partijen op nationaal niveau en/of op het niveau van de functionele luchtruimblokken, alsook op het niveau van de Europese Unie plaatsvinden.

(12)

Met het oog op de doeltreffendheid van militaire missies zijn de civiel-militaire samenwerking en coördinatie van het grootste belang bij het nastreven van de prestatiedoelen.

(13)

Het prestatieplan mag geenszins afbreuk doen aan de bepalingen van artikel 13 van Verordening (EG) nr. 549/2004, die erop gericht zijn essentiële belangen op het gebied van het veiligheidsbeleid of het defensiebeleid te beschermen.

(14)

Prestatiekernindicatoren moeten worden geselecteerd vanwege hun specifieke en meetbare karakter en omdat ze de toewijzing van verantwoordelijkheid voor het bereiken van prestatiedoelen mogelijk maken. De bijbehorende doelen moeten haalbaar, realistisch en tijdig zijn en erop gericht zijn de duurzame prestaties van luchtvaartnavigatiediensten doeltreffend te sturen.

(15)

Het implementeren van bindende prestatiedoelen ondersteund met stimuleringsmaatregelen die van financiële aard kunnen zijn, vergt een gepaste aansluiting bij Verordening (EG) nr. 1794/2006 van de Commissie van 6 december 2006 tot vaststelling van een gemeenschappelijk heffingenstelsel voor luchtvaartnavigatiediensten (2).

(16)

De ontwikkeling en de tenuitvoerlegging van prestatiekernindicatoren en van prestatiedoelen vereisen de gepaste consistentie met de beveiligingsdoelen en -standaarden vastgesteld in Verordening (EG) nr. 216/2008 van het Europese Parlement en de Raad van 20 februari 2008 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels op het gebied van burgerluchtvaart en tot oprichting van een Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart, houdende intrekking van Richtlijn 91/670/EEG van de Raad, Verordening (EG) nr. 1592/2002 en Richtlijn 2004/36/EG (3), en de uitvoeringsbepalingen daarvan, samen met de maatregelen die door de Europese Unie zijn genomen voor het bereiken en handhaven van die doelen.

(17)

Tijdens de referentieperioden moet een doeltreffend proces voor de monitoring van de prestaties worden geïntroduceerd om te verzekeren dat de prestaties zo evolueren dat de doelen bereikt kunnen worden en dat indien nodig passende maatregelen kunnen worden vastgesteld.

(18)

Bij het vaststellen van EU-wijde prestatiedoelen voor de eerste referentieperiode, moet de Commissie terdege rekening houden met de feitelijke financiële situatie van de verleners van luchtvaartnavigatiediensten, in het bijzonder als gevolg van de kostenbesparende maatregelen die met name sinds 2009 al werden genomen, alsook van mogelijk te veel of te weinig geïnde en-routeheffingen die over te dragen zijn van voorgaande jaren. Er moet ook terdege rekening worden gehouden met de al geboekte vooruitgang door de bestaande functionele luchtruimblokken.

(19)

Op grond van artikel 11, lid 1, van Verordening (EG) nr. 549/2004 moet deze verordening ook van toepassing zijn op de in artikel 6 van Verordening (EG) nr. 551/2004 van het Europees Parlement en de Raad (4) bedoelde netwerkfuncties voor luchtverkeersbeveiliging, door middel van een daarvoor bestemde wijziging van de onderhavige verordening.

(20)

De in deze verordening vastgestelde maatregelen zijn in overeenstemming met de opinie van het Single Sky-comité,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

Onderwerp en toepassingsgebied

1.   Bij deze verordening worden de nodige maatregelen vastgesteld voor de verbetering van de algemene prestaties van de luchtvaartnavigatiediensten en netwerkfuncties in de regio’s van ICAO EUR en AFI waar de lidstaten verantwoordelijk zijn voor het verlenen van luchtvaartnavigatiediensten om te voorzien in de behoeften van alle luchtruimgebruikers.

2.   Met het oog op het stellen van doelen is deze verordening van toepassing op de luchtvaartnavigatiediensten die worden geleverd door de overeenkomstig artikel 8 van Verordening (EG) nr. 550/2004 van het Europees Parlement en de Raad (5) aangewezen verleners van luchtverkeersdiensten en door de overeenkomstig artikel 9, lid 1, van die verordening aangewezen verleners van meteorologische diensten.

3.   De lidstaten kunnen besluiten deze verordening niet toe te passen op naderingsluchtverkeersnavigatiediensten die worden verleend op luchthavens met minder dan 50 000 commerciële luchtvervoersbewegingen per jaar. Zij stellen de Commissie daarvan in kennis. Wanneer geen van de luchthavens in een lidstaat de drempel van 50 000 commerciële luchtvervoersbewegingen haalt, zijn de prestatiedoelen ten minste van toepassing op de luchthaven met de meeste commerciële luchtvervoersbewegingen.

4.   Wanneer een lidstaat oordeelt dat het geheel of een gedeelte van zijn naderingsluchtverkeersnavigatiediensten onderworpen is aan marktomstandigheden, moet hij, overeenkomstig de in artikel 1, lid 6, van Verordening (EG) nr. 1794/2006 vastgestelde procedures en met de steun van de nationale toezichthoudende autoriteit, niet later dan 12 maanden voor het begin van elke referentieperiode nagaan of aan de in bijlage 1 van die verordening vastgestelde voorwaarden is voldaan. Wanneer de lidstaat vaststelt dat aan die voorwaarden is voldaan, kan hij, ongeacht het aantal uitgevoerde commerciële luchtvervoersbewegingen, besluiten bepaalde kosten op grond van die verordening niet vast te stellen en geen bindende doelen voor de kosteneffectiviteit van die diensten toe te passen.

5.   Op grond van artikel 11, lid 6, onder c), ii), van Verordening (EG) nr. 549/2004 en artikel 15, lid 2, onder a) en b), van Verordening (EG) nr. 550/2004, en onverminderd artikel 4, lid 2, van de onderhavige verordening, is het stellen van kosteneffectiviteitsdoelen van toepassing op alle vastgestelde kosten die verhaalbaar zijn op luchtruimgebruikers.

6.   De lidstaten kunnen deze verordening ook toepassen:

a)

in het luchtruim dat onder hun verantwoordelijkheid valt in andere ICAO-regio’s, op voorwaarde dat zij de Commissie en de andere lidstaten daarvan in kennis stellen, en onverminderd de rechten en plichten van de lidstaten op grond van het in 1944 in Chicago ondertekende Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart (het „Verdrag van Chicago”);

b)

op verleners van luchtvaartnavigatiediensten die de toestemming hebben gekregen om luchtvaartnavigatiediensten te verlenen zonder certificaat, overeenkomstig artikel 7, lid 5, van Verordening (EG) nr. 550/2004.

7.   In afwijking van de voorzieningen betreffende de bescherming van informatie van Richtlijn 2003/42/EG van het Europees Parlement en de Raad (6) en de Uitvoeringsverordeningen (EG) nr. 1321/2007 (7) en (EG) nr. 1330/2007 (8) van de Commissie, gelden de in hoofdstuk V vastgestelde verplichtingen inzake informatieverstrekking voor nationale autoriteiten, verleners van luchtvaartnavigatiediensten, luchthavenbeheerders, luchthavencoördinatoren en luchtvaartmaatschappijen onder de in bijlage IV vastgestelde voorwaarden.

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze verordening gelden de definities van artikel 2 van Verordening (EG) nr. 549/2004.

Daarnaast zijn de volgende definities van toepassing:

a)   „luchthavenbeheerder”: het „beheersorgaan van een luchthaven” zoals gedefinieerd in Verordening (EEG) nr. 95/93 van de Raad van 18 januari 1993 betreffende gemeenschappelijke regels voor de toewijzing van „slots” op communautaire luchthavens (9);

b)   „data”: kwalitatieve, kwantitatieve en andere relevante informatie over luchtvaartnavigatieprestaties verzameld en systematisch verwerkt door, of in opdracht van, de Commissie met het oog op de implementatie van de prestatieregeling;

c)   „prestatie-indicatoren”: de indicatoren die worden gebruikt voor de monitoring, benchmarking en beoordeling van prestaties;

d)   „prestatiekernindicatoren”: de prestatie-indicatoren die worden gebruikt voor het stellen van prestatiedoelen;

e)   „commerciële luchtvervoersbewegingen”: de som van de starts en de landingen waarbij tegen vergoeding of betaling van huur passagiers, vracht of post worden vervoerd, berekend als een gemiddelde van de drie jaar voorafgaand aan de vaststelling van het prestatieplan, ongeacht de maximale startmassa en het aantal gebruikte passagierszitplaatsen;

f)   „bindend doel”: een prestatiedoel dat door de lidstaten is aangenomen als deel van een prestatieplan op nationaal niveau of op niveau van de luchtruimblokken en waarvoor een stimuleringsregeling geldt die voorziet in beloningen, ontradende maatregelen en/of corrigerende actieplannen;

g)   „luchtvaartmaatschappij”: een luchtvervoersonderneming met een geldige exploitatievergunning die door een lidstaat is afgegeven overeenkomstig het recht van de Europese Unie;

h)   „vertegenwoordiger van de luchtruimgebruikers”: een rechtspersoon of entiteit die de belangen van een of meer categorieën van gebruikers van luchtvaartnavigatiediensten vertegenwoordigt;

i)   „bepaalde kosten”: kosten zoals gedefinieerd in artikel 15, lid 2, onder a) en b), van Verordening (EG) nr. 550/2004;

j)   „nationale autoriteiten”: de regelgevende autoriteiten op nationaal niveau of op het niveau van de luchtruimblokken die hun kosten kunnen verhalen op de luchtruimgebruikers wanneer die kosten voortvloeien uit het verlenen van luchtvaartnavigatiediensten overeenkomstig artikel 5, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1794/2006;

k)   „cultuur van billijkheid”: een cultuur waarbij „front line operators” of anderen niet worden gestraft voor acties, nalatigheden of beslissingen van hen die in overeenstemming zijn met hun ervaring en training, maar waarbij grove nalatigheid, opzettelijke overtredingen en destructieve acties niet worden getolereerd;

l)   „luchthavencoördinator”: de functie die in het leven is geroepen in gecoördineerde luchthavens overeenkomstig Verordening (EEG) nr. 95/93;

m)   „prestatiemonitoring”: het ononderbroken proces van het verzamelen en analyseren van gegevens om de reële output van een systeem te toetsen aan vooraf gedefinieerde doelen.

Artikel 3

Prestatiebeoordelingsorgaan

1.   Wanneer de Commissie beslist om een prestatiebeoordelingsorgaan aan te wijzen om de tenuitvoerlegging van de prestatieregeling te ondersteunen, zal een dergelijke toewijzing voor een vaste termijn zijn in overeenstemming met de referentieperioden.

2.   Het prestatiebeoordelingsorgaan heeft de gepaste competentie en onpartijdigheid om de taken die het van de Commissie heeft gekregen, onafhankelijk uit te voeren, in het bijzonder bij de toepasselijke prestatiekernindicatoren.

3.   Het prestatiebeoordelingsorgaan ondersteunt de Commissie bij de tenuitvoerlegging van de prestatieregeling, in het bijzonder bij de volgende taken:

a)

het verzamelen, onderzoeken, valideren en verspreiden van relevante gegevens over prestaties;

b)

het definiëren van nieuwe of het aanpassen van bestaande prestatiekerngebieden in overeenstemming met de gebieden die zijn aangemerkt in het prestatiekader van het masterplan inzake luchtverkeersbeveiliging (ATM-masterplan), zoals bedoeld in artikel 8, lid 1, en de bijbehorende prestatiekernindicatoren;

c)

voor de tweede referentieperiode en daarna, het definiëren van de gepaste prestatiekernindicatoren om in alle prestatiekerngebieden de prestaties van de netwerkfuncties en van de luchtvaartnavigatiediensten, zowel in en-routediensten als in naderingsluchtverkeersdiensten te dekken;

d)

het opstellen of het herzien van EU-wijde prestatiedoelen;

e)

het vaststellen van de drempels voor het activeren van de waarschuwingsmechanismen als bedoeld in artikel 9, lid 3;

f)

het beoordelen van de consistentie van de aangenomen prestatieplannen, inclusief prestatiedoelen, met de EU-wijde doelen;

g)

in voorkomend geval, het beoordelen van de consistentie van de krachtens artikel 18, lid 3, vastgestelde waarschuwingsdrempels met de in artikel 9, lid 3, bedoelde EU-wijde waarschuwingsdrempels;

h)

in voorkomend geval, het beoordelen van de herziene prestatiedoelen of de corrigerende maatregelen die door de betrokken lidstaten zijn genomen;

i)

het monitoren, benchmarken en beoordelen van de prestaties van luchtvaartnavigatiediensten, op nationaal niveau of op dat van de functionele luchtruimblokken, en op het niveau van de Europese Unie;

j)

het monitoren, benchmarken en beoordelen van de prestaties van de netwerkfuncties;

k)

het continu beoordelen van de algemene prestaties van het ATM-netwerk, inclusief het voorbereiden van de jaarverslagen voor het Single Sky-comité;

l)

het beoordelen van de mate waarin de prestatiedoelen zijn bereikt aan het einde van elke referentieperiode met het oog op het voorbereiden van de volgende periode.

4.   Op verzoek van de Commissie zal het prestatiebeoordelingsorgaan ad-hocinformatie of -rapporten verstrekken over prestatiegerelateerde kwesties.

5.   Het prestatiebeoordelingsorgaan kan bij de Commissie verslag uitbrengen en aanbevelingen indienen inzake verbeteringen aan de regeling.

6.   Wat de relaties met de nationale toezichthoudende autoriteiten betreft, geldt het volgende:

a)

om zijn taak van continue monitoring van de algemene prestaties van het ATM-netwerk uit te oefenen, ontvangt het prestatiebeoordelingsorgaan van de nationale toezichthoudende autoriteiten de noodzakelijke informatie over de prestatieplannen op nationaal niveau of op het niveau van de functionele luchtruimblokken;

b)

het prestatiebeoordelingsorgaan ondersteunt de nationale toezichthoudende autoriteiten, op hun vraag, met een onafhankelijke beoordeling van prestatieproblemen op nationaal niveau of op dat van de functionele luchtruimblokken, zoals feitelijke vergelijkingen tussen verleners van luchtvaartnavigatiediensten die in soortgelijke omstandigheden opereren (benchmarking), analysen van prestatieveranderingen tijdens de voorgaande 5 jaar of analysen van prognoses;

c)

de nationale toezichthoudende autoriteiten kunnen de hulp van het prestatiebeoordelingsorgaan inroepen om reeksen richtwaarden te definiëren voor het stellen van doelen op nationaal niveau of op dat van de functionele luchtruimblokken, met inachtneming van de Europese dimensie. Dergelijke waarden zijn beschikbaar voor nationale toezichthoudende autoriteiten, leveranciers van luchtvaartnavigatiediensten, luchthavenoperatoren en luchtruimgebruikers.

7.   Het prestatiebeoordelingsorgaan werkt in voorkomend geval samen met het Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart voor de in lid 3 vermelde taken voor zover die verband houden met de veiligheid, om de consistentie te garanderen met de doelen en standaarden die zijn vastgesteld en geïmplementeerd overeenkomstig Verordening (EG) nr. 216/2008.

8.   Om zijn taak van continue monitoring van de algemene prestaties van het netwerk voor luchtverkeersbeveiliging uit te oefenen, ontwikkelt het prestatiebeoordelingsorgaan gepaste werkregelingen met de leveranciers van luchtvaartnavigatiediensten, luchthavenoperatoren, luchthavencoördinatoren en luchtvaartmaatschappijen.

Artikel 4

Nationale toezichthoudende autoriteiten

1.   De nationale toezichthoudende autoriteiten zijn verantwoordelijk voor de uitwerking, op nationaal niveau of op het niveau van de functionele luchtruimblokken, van de prestatieplannen, het prestatietoezicht en de monitoring van prestatieplannen en -doelen. Zij voeren die taken onpartijdig, onafhankelijk en op transparante wijze uit.

2.   De lidstaten zorgen ervoor dat de nationale toezichthoudende autoriteiten beschikken over of toegang hebben tot de nodige middelen en mogelijkheden op alle prestatiekerngebieden om de in deze verordening vastgestelde taken uit te voeren met inbegrip van de onderzoeksbevoegdheden voor de uitvoering van de in artikel 19 bedoelde taken.

3.   Wanneer een lidstaat meer dan één nationale toezichthoudende autoriteit heeft, meldt zij aan de Commissie welke nationale toezichthoudende autoriteit verantwoordelijk is voor de nationale coördinatie en voor de relaties met de Commissie voor de tenuitvoerlegging van deze verordening.

Artikel 5

Functionele luchtruimblokken

1.   De lidstaten stimuleren een nauwe samenwerking tussen hun nationale toezichthoudende autoriteiten om een prestatieplan op het niveau van de functionele luchtruimblokken tot stand te brengen.

2.   Wanneer lidstaten beslissen om een prestatieplan met betrekking tot functionele luchtruimblokken vast te stellen:

a)

zorgen zij dat het prestatieplan overeenstemt met het model in bijlage II;

b)

melden zij aan de Commissie welke nationale toezichthoudende autoriteit of nationaal toezichthoudend orgaan verantwoordelijk is voor de coördinatie binnen het functionele luchtruimblok en voor de relaties met de Commissie voor de implementatie van het prestatieplan;

c)

nemen zij gepaste maatregelen om ervoor te zorgen dat:

i)

één doel wordt gedefinieerd voor elke prestatiekernindicator;

ii)

de in artikel 11, lid 3, onder d), van Verordening (EG) nr. 549/2004 bedoelde maatregelen worden vastgesteld en toegepast tijdens de referentieperiode wanneer de doelen niet worden gehaald. Daarvoor moeten de jaarwaarden in het prestatieplan worden gebruikt;

iii)

de consequenties die verbonden zijn aan het bereiken of het niet-bereiken van de doelen op gepaste wijze worden toegewezen binnen het functionele luchtruimblok;

d)

dragen zij een gedeelde verantwoordelijkheid voor het bereiken van de prestatiedoelen voor het functionele luchtruimblok zijn vastgesteld;

e)

zorgen zij, indien geen gemeenschappelijke heffingszone is vastgesteld in de zin van artikel 4 van Verordening (EG) 1794/2006, voor een aggregatie van de nationale kosteneffectiviteitsdoelen en geven zij ter informatie een totaalcijfer als bewijs van de kostenbesparende inspanningen op het niveau van de functionele luchtruimblokken.

3.   Wanneer de lidstaten van een functioneel luchtruimblok geen prestatieplan met doelen op het niveau van het functionele luchtruimblok vaststellen, informeren zij de Commissie over de geaggregeerde prestatiedoelen als bewijs van de consistentie op het niveau van het functionele luchtruimblok met de EU-wijde prestatiedoelen.

Artikel 6

Coördinatie met het Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart (EASA)

Krachtens artikel 13 bis van Verordening (EG) nr. 549/2004 en overeenkomstig Verordening (EG) nr. 216/2008, coördineert de Commissie waar nodig samen met de EASA:

a)

de veiligheidsaspecten van de prestatieregeling, met inbegrip van het opstellen, herzien en ten uitvoer brengen van prestatiekernindicatoren voor de veiligheid en van de EU-wijde veiligheidsprestatiedoelen, alsook het formuleren van voorstellen voor gepaste acties en maatregelen na de activering van een waarschuwingsmechanisme;

b)

de consistentie van de prestatiekernindicatoren en -doelen op het gebied van veiligheid met de tenuitvoerlegging van het Europees programma voor de veiligheid van de luchtvaart zoals dat door de Europese Unie wordt aangenomen.

Artikel 7

Duur van de referentieperioden

1.   De eerste referentieperiode voor de prestatieregeling loopt van 2012 tot en met 2014. De volgende referentieperioden bedragen vijf kalenderjaren, tenzij anders wordt beslist door middel van een wijziging van deze verordening.

2.   Dezelfde referentieperiode geldt voor de EU-wijde prestatiedoelen en de prestatieplannen en -doelen op nationaal niveau en op dat van de functionele luchtruimblokken.

Artikel 8

Prestatiekerngebieden en prestatiekernindicatoren

1.   Met het oog op het definiëren van doelen wordt de mogelijke toevoeging en aanpassing van andere prestatiekerngebieden op grond van artikel 11, lid 4, onder b), van Verordening (EG) nr. 549/2004 door de Commissie beslist volgens de in artikel 5, lid 3, van die verordening bedoelde procedure.

2.   Met het oog op het definiëren van doelen geldt voor elk prestatiekerngebied één of een beperkt aantal prestatiekernindicatoren. De prestaties van de luchtvaartnavigatiediensten worden beoordeeld aan de hand van bindende doelen voor elke prestatiekernindicator.

3.   De prestatiekernindicatoren voor het vaststellen van EU-wijde doelen, geselecteerd voor elk prestatiekerngebied, zijn opgenomen in bijlage I, deel 1.

4.   De prestatiekernindicatoren voor het vaststellen van de prestatiedoelen voor de nationale of functionele luchtruimblokken zijn opgenomen in bijlage I, deel 2.

5.   De prestatiekernindicatoren worden niet gewijzigd tijdens een referentieperiode. Wijzigingen worden vastgesteld door middel van een wijziging van deze verordening, ten laatste zes maanden voor het vaststellen van nieuwe EU-wijde prestatiedoelen.

6.   In aanvulling op de in dit artikel bedoelde prestatiekerngebieden en prestatiekernindicatoren kunnen lidstaten, op nationaal niveau of op dat van de functionele luchtruimblokken, beslissen om, voor hun eigen prestatietoezicht en/of als onderdeel van hun prestatieplannen, extra prestatie-indicatoren en bijbehorende doelen te ontwikkelen en te gebruiken naast die welke zijn vastgesteld in bijlage I, deel 2. Die aanvullende indicatoren en doelen moeten bijdragen tot het verwezenlijken van de EU-wijde doelen, en de daaruit voortvloeiende doelen op nationaal niveau of op het niveau van de functionele luchtruimblokken. Ze kunnen bijvoorbeeld de civiel-militaire of de meteorologische dimensie van het prestatieplan integreren en beschrijven. Die aanvullende indicatoren en doelstellingen kunnen vergezeld gaan van gepaste stimuleringsmaatregelen op nationaal niveau of op dat van de functionele luchtruimblokken.

HOOFDSTUK II

DE VOORBEREIDING VAN PRESTATIEPLANNEN

Artikel 9

EU-wijde prestatiedoelen

1.   De Commissie stelt EU-wijde prestatiedoelen vast volgens de in artikel 5, lid 3, van Verordening (EG) nr. 549/2004 bedoelde procedure, rekening houdend met de relevante input van nationale toezichthoudende autoriteiten en na raadpleging van de belanghebbende partijen als bedoeld in artikel 10 van die verordening, van andere relevante organisaties waar gepast en van het Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart voor wat de veiligheidsaspecten van de prestaties betreft.

2.   De EU-wijde doelen worden ten laatste vijftien maanden voor het begin van de referentieperiode voorgesteld door de Commissie en ten laatste twaalf maanden vóór het begin van de referentieperiode vastgesteld.

3.   Samen met de EU-wijde prestatiedoelen, stelt de Commissie voor elke prestatiekernindicator alarmdrempels vast, bij overschrijding waarvan de waarschuwingsmechanismen als bedoeld in artikel 18 kunnen worden geactiveerd. Waarschuwingsdrempels voor de prestatiekernindicator voor kosteneffectiviteit moeten zowel de verkeers- als de kostenevolutie dekken.

4.   De Commissie moet elk EU-wijd prestatiedoel onderbouwen met een beschrijving van de veronderstellingen en de redeneringen waarvan is uitgegaan bij het vaststellen van die doelen, zoals het gebruik van de input van nationale toezichthoudende autoriteiten en andere feitelijke gegevens, verkeersprognoses en, in voorkomend geval, de verwachte niveaus van de als efficiënt aangemerkte bepaalde kosten voor de Europese Unie.

Artikel 10

Uitwerking van prestatieplannen

1.   De nationale toezichthoudende autoriteiten ontwikkelen, op nationaal niveau of op het niveau van de functionele luchtruimblokken, prestatieplannen met doelen die consistent zijn met de EU-wijde prestatiedoelen en met de in bijlage III vastgestelde beoordelingscriteria. Er is slechts één prestatieplan per lidstaat of per functioneel luchtruimblok wanneer de betrokken lidstaten beslissen om een prestatieplan op het niveau van een functioneel luchtruimblok vast te stellen overeenkomstig artikel 5, leden 1 en 2.

2.   Om de voorbereiding van de prestatieplannen te ondersteunen zorgen de nationale toezichthoudende autoriteiten ervoor dat:

a)

de verleners van luchtvaartnavigatiediensten informatie verschaffen over relevante elementen van hun bedrijfsplannen, die werden voorbereid in samenhang met de EU-wijde doelen;

b)

de belanghebbende partijen in overeenstemming met artikel 10 van Verordening (EG) nr. 549/2004 worden geraadpleegd over de prestatieplannen en -doelen. De belanghebbende partijen moeten ten minste drie weken voor de raadplegingsvergadering gepaste informatie ontvangen.

3.   De prestatieplannen moeten in het bijzonder bestaan uit:

a)

de verkeersprognose, uitgedrukt in diensteenheden voor elk jaar van de referentieperiode, met verantwoording van de gebruikte cijfers;

b)

de bepaalde kosten voor luchtvaartnavigatiediensten zoals vastgesteld door de lidsta(a)t(en) in overeenstemming met de bepalingen van artikel 15, lid 2, onder a) en b), van Verordening (EG) nr. 550/2004;

c)

een beschrijving van de investeringen die nodig zijn om de prestatiedoelen te bereiken met een beschrijving van hun relevantie in relatie tot het Europese masterplan inzake luchtverkeersbeveiliging en hun coherentie met de belangrijkste gebieden en richtingen voor vooruitgang en verandering zoals daarin beschreven;

d)

de prestatiedoelen in elk relevant prestatiekerngebied, vastgesteld voor elke prestatiekernindicator, voor de volledige duur van de referentieperiode, met jaarlijkse waarden ten behoeve van monitoring en stimulering;

e)

een beschrijving van de civiel-militaire dimensie van het plan met uiteenzetting van de prestaties van de toepassing van flexibel gebruik van het luchtruim (FUA — flexible use of airspace) om de capaciteit te vergroten met inachtneming van de doeltreffendheid van militaire missies, en indien dat nodig wordt geacht, relevante prestatie-indicatoren en -doelen die verenigbaar zijn met de indicatoren en doelen van het prestatieplan;

f)

een beschrijving en verantwoording van de wijze waarop de onder d) bedoelde prestatiedoelen overeenstemmen met en bijdragen tot de EU-wijde prestatiedoelen;

g)

een duidelijke identificatie van de verschillende entiteiten die verantwoordelijk zijn voor het bereiken van de doelen, en hun specifieke bijdrage;

h)

een beschrijving van de stimuleringsmechanismen die moeten worden toegepast op de verschillende verantwoordelijke entiteiten om het bereiken van de doelen binnen de referentieperiode aan te moedigen;

i)

de door de nationale toezichthoudende entiteiten genomen maatregelen met het oog op de monitoring van het bereiken van de prestatiedoelen;

j)

een beschrijving van de resultaten van de raadpleging van de belanghebbende partijen, met inbegrip van de door de deelnemers aangebrachte onderwerpen en de overeengekomen acties.

4.   De prestatieplannen zijn gebaseerd op het in bijlage II vastgestelde model en kunnen, als de lidstaten daartoe beslissen overeenkomstig artikel 8, lid 6, extra indicatoren met bijbehorende doelen bevatten.

Artikel 11

Stimuleringsregelingen

1.   De stimuleringsregelingen die door de lidstaten worden vastgesteld in het kader van hun prestatieplan, moeten aan de volgende algemene principes beantwoorden:

a)

ze zijn doeltreffend, proportioneel en geloofwaardig en worden niet gewijzigd tijdens de referentieperiode;

b)

ze worden geïmplementeerd op een niet-discriminerende en transparante basis om verbeteringen in de prestaties van de dienstverlening te ondersteunen;

c)

ze maken deel uit van de regelgeving die vooraf bij alle belanghebbende partijen bekend is en zijn toepasbaar gedurende de gehele referentieperiode;

d)

ze stimuleren het gedrag van entiteiten waarvoor doelen worden gesteld, met het oog op het bereiken van hoogwaardige prestaties en het bereiken van de bijbehorende doelen.

2.   De stimuleringsmaatregelen voor veiligheidsdoelen zijn erop gericht het bereiken en handhaven van de vereiste veiligheidsdoelen aan te moedigen en tegelijkertijd prestatieverbeteringen op andere prestatiekerngebieden mogelijk te maken. Ze zijn niet financieel van aard en omvatten actieplannen met termijnen en/of bijbehorende maatregelen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 2096/2005 van de Commissie van 20 december 2005 tot vaststelling van gemeenschappelijke eisen voor de verlening van luchtvaartnavigatiediensten (10) en/of de voorschriften ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 216/2008.

3.   De stimuleringmaatregelen voor kosteneffectiviteitsdoelen zijn van financiële aard en zijn onderworpen aan de desbetreffende bepalingen van artikel 11, leden 1 en 2, van Verordening (EG) nr. 1794/2006. Ze bestaan uit een risicodelingsmechanisme op nationaal niveau of op dat van de functionele luchtruimblokken.

4.   De stimuleringsmaatregelen voor capaciteitsdoelen kunnen van financiële of van een andere aard zijn, zoals corrigerende actieplannen met termijnen en bijbehorende maatregelen, die bonussen en boetes kunnen omvatten, vastgesteld door lidstaten. Wanneer de stimuleringsmaatregelen van financiële aard zijn, zijn ze onderworpen aan de bepalingen van artikel 12 van Verordening (EG) nr. 1794/2006.

5.   De stimuleringsmaatregelen voor milieudoelen zijn erop gericht het bereiken van de vereiste milieuprestatieniveaus aan te moedigen en tegelijkertijd prestatieverbeteringen op andere prestatiekerngebieden mogelijk te maken. Ze zijn van financiële of niet-financiële aard en worden vastgesteld door de lidstaten met inachtneming van de lokale omstandigheden.

6.   Daarnaast kunnen de lidstaten, op nationaal niveau of op dat van de functionele luchtruimblokken, stimuleringsmaatregelen voor luchtruimgebruikers opstellen of goedkeuren, zoals bepaald in artikel 12 van Verordening (EG) nr. 1794/2006.

HOOFDSTUK III

DE VASTSTELLING VAN PRESTATIEPLANNEN

Artikel 12

Initiële vaststelling van prestatieplannen

Op voorstel van de nationale toezichthoudende autoriteiten stellen de lidstaten, op nationaal niveau of op dat van de functionele luchtruimblokken, ten laatste zes maanden na vaststelling van de EU-wijde doelstellingen, hun prestatieplannen met bindende prestatiedoelstellingen vast en delen zij die mee aan de Commissie.

Artikel 13

Beoordeling van prestatieplannen en herziening van doelen

1.   De Commissie beoordeelt de prestatieplannen, hun doelen en in het bijzonder hun consistentie met en gepaste bijdrage tot de EU-wijde prestatiedoelen op basis van de in bijlage III vastgestelde criteria en voldoende rekening houdend met eventuele contextuele wijzigingen die zich hebben voorgedaan tussen de datum van vaststelling van de EU-wijde doelen en de datum van de beoordeling van het prestatieplan.

2.   Wanneer wordt geoordeeld dat de prestatiedoelen in een prestatieplan consistent zijn met en adequaat bijdragen tot de EU-wijde doelen, dan brengt de Commissie de lidst(a)t(en) daarvan op de hoogte, ten laatste vier maanden na ontvangst van het plan.

3.   Indien wordt geoordeeld dat een of meer prestatiedoelen in een prestatieplan niet consistent zijn met noch adequaat bijdragen tot de EU-wijde doelen, kan de Commissie, ten laatste vier maanden na ontvangst van het plan en volgens de in artikel 5, lid 2, van Verordening (EG) nr. 549/2004 bedoelde procedure, beslissen om de betrokken lidst(a)t(en) aan te bevelen een of meer herziene prestatiedoelen vast te stellen. Een dergelijke beslissing wordt genomen na overleg met de betrokken lidst(a)t(en) en identificeert duidelijk welk(e) doel(en) moet(en) worden herzien en waarop het oordeel van de Commissie is gebaseerd.

4.   In voorkomend geval moet(en) de betrokken lidst(a)t(en) ten minste twee maanden na het uitvaardigen van de aanbeveling, rekening houdend met de standpunten van de Commissie, herziene prestatiedoelen aannemen en gepaste maatregelen voor het bereiken van de desbetreffende doelen vaststellen, en de Commissie daarvan op de hoogte stellen.

Artikel 14

Beoordeling van de herziene prestatiedoelen en vaststelling van corrigerende maatregelen

1.   Binnen twee maanden na ontvangst beoordeelt de Commissie, op basis van de in bijlage III vastgestelde criteria, de herziene prestatiedoelstellingen en in het bijzonder hun consistentie met en adequate bijdrage tot de EU-wijde prestatiedoelen.

2.   Wanneer de in artikel 13, lid 4, bedoelde herziene doelen consistent zijn met en adequaat bijdragen tot de EU-wijde doelen, brengt de Commissie de lidst(a)t(en) daarvan op de hoogte, ten laatste twee maanden na ontvangst van de herziene doelen.

3.   Wanneer de herziene prestatiedoelen en de gepaste maatregelen nog steeds niet consistent zijn met noch adequaat bijdragen tot de EU-wijde doelen, kan de Commissie ten laatste twee maanden na ontvangst van de herziene doelen en volgens de in artikel 5, lid 3, van Verordening (EG) nr. 549/2004 bedoelde procedure, beslissen dat de betrokken lidst(a)t(en) corrigerende maatregelen moet(en) nemen.

4.   Een dergelijke beslissing identificeert duidelijk welke doel(en) moet(en) worden herzien en waarop het oordeel van de Commissie is gebaseerd. In de beslissing kan worden aangegeven welk prestatieniveau voor die doelen wordt verwacht om de betrokken lidst(a)t(en) in de gelegenheid te stellen de gepaste corrigerende maatregelen te nemen, en/of kunnen kan suggesties voor dergelijke gepaste maatregelen worden opgenomen.

5.   Ten laatste twee maanden na de beslissing van de Commissie worden de corrigerende maatregelen die de betrokken lidst(a)t(en)) heeft (hebben) vastgesteld, meegedeeld aan de Commissie, samen met de elementen die aantonen hoe de consistentie met de beslissing van de Commissie wordt verzekerd.

Artikel 15

Prestatieplannen en prestatiedoelen die worden vastgesteld na het begin van de referentieperiode

Prestatieplannen of corrigerende maatregelen die na het begin van de referentieperiode worden vastgesteld bij de tenuitvoerlegging van de in de artikelen 13 en 14 beschreven procedures, gelden retroactief vanaf de eerste dag van de referentieperiode.

Artikel 16

Herziening van de EU-wijde doelen

1.   De Commissie kan beslissen om de EU-wijde doelen te herzien volgens de in artikel 5, lid 3, van Verordening (EG) nr. 549/2004 bedoelde procedure:

a)

vóór het begin van de referentieperiode, wanneer zij substantiële bewijzen heeft dat de initiële gegevens, veronderstellingen en redeneringen waarvan is uitgegaan bij het vaststellen van de initiële EU-wijde doelen niet langer geldig zijn;

b)

tijdens de referentieperiode, als gevolg van de toepassing van een waarschuwingsmechanisme zoals bedoeld in artikel 18.

2.   Een herziening van de EU-wijde doelen kan een wijziging van de bestaande prestatieplannen tot gevolg hebben. In dat geval kan de Commissie beslissen het in de hoofdstukken II en III van deze verordening vastgestelde tijdschema dienovereenkomstig bij te stellen.

HOOFDSTUK IV

MONITORING VAN HET BEREIKEN VAN PRESTATIES

Artikel 17

Continue monitoring en rapportage

1.   De nationale toezichthoudende autoriteiten, op nationaal niveau en op dat van de functionele luchtruimblokken, en de Commissie monitoren de tenuitvoerlegging van de prestatieplannen. Indien tijdens de referentieperiode doelen niet worden bereikt, nemen de nationale toezichthoudende autoriteiten de gepaste in het prestatieplan vastgestelde maatregelen om de situatie te corrigeren. Daarvoor gebruiken ze de jaarwaarden in het prestatieplan.

2.   Wanneer de Commissie een significante en aanhoudende prestatiedaling vaststelt in een lidstaat of een functioneel luchtruimblok, met een impact op andere landen die deelnemen aan het gemeenschappelijke Europese luchtruim en/of op het volledige Europese luchtruim, kan zij de betrokken lidstaten en de betrokken toezichthoudende autoriteit of het betrokken toezichthoudend orgaan op nationaal niveau of op het niveau van de functionele luchtruimblokken verzoeken passende maatregelen voor het bereiken van de in hun prestatieplan vastgelegde doelen vast te stellen, toe te passen en aan de Commissie mee te delen.

3.   De lidstaten rapporteren aan de Commissie over de monitoring door hun toezichthoudende autoriteiten op nationaal niveau of op dat van de functionele luchtruimblokken ten minste jaarlijkse en telkens wanneer de prestatiedoelen niet bereikt dreigen te worden. De Commissie rapporteert ten minste één keer per jaar aan het Single Sky-comité over het bereiken van de prestatiedoelen.

Artikel 18

Waarschuwingsmechanismen

1.   Wanneer, door omstandigheden die niet te voorzien waren bij de start van de periode en die tegelijkertijd onoverkomelijk zijn en buiten de controle van de lidstaten vallen, (een) waarschuwingsdrempel(s) zoals beschreven in artikel 9, lid 3, wordt/worden bereikt op het niveau van de Europese Unie, evalueert de Commissie de situatie in overleg met de lidstaten via het Single Sky-comité en formuleert zij binnen drie maanden voorstellen voor gepaste acties die de herziening kunnen inhouden van de EU-wijde prestatiedoelen en bijgevolg de herziening van de prestatiedoelen op nationaal niveau of op dat van de functionele luchtruimblokken.

2.   Wanneer, door omstandigheden die niet te voorzien waren bij de start van de periode en die tegelijkertijd onoverkomelijk zijn en buiten de controle van de lidstaten en van de entiteiten waarvoor de prestatiedoelen gelden, vallen, (een) waarschuwingsdrempel(s) zoals bedoeld in artikel 9, lid 3, wordt/worden bereikt op nationaal niveau of op dat van de functionele luchtruimblokken, evalueert de betrokken nationale toezichthoudende autoriteit of het betrokken nationaal toezichthoudend orgaan de situatie in overleg met de Commissie en kan zij binnen drie maanden voorstellen voor gepaste maatregelen formuleren die de herziening kunnen inhouden van de prestatiedoelen op nationaal niveau of op het niveau van de functionele luchtruimblokken.

3.   De lidstaten kunnen, op nationaal niveau of op dat van de functionele luchtruimblokken, beslissen om waarschuwingsdrempels vast te stellen die afwijken van de in artikel 9, lid 3, bedoelde drempels, ten einde rekening te houden met plaatselijke omstandigheden en specificiteiten. In dat geval worden die drempels vastgesteld in de prestatieplannen en zijn ze consistent met de drempels die zijn vastgesteld op grond van artikel 9, lid 3. De afwijkingen worden gedocumenteerd met een gedetailleerde verantwoording. Wanneer die drempels worden geactiveerd, is de in lid 2 vastgestelde procedure van toepassing.

4.   Wanneer de tenuitvoerlegging van een waarschuwingsmechanisme resulteert in de herziening van prestatieplannen en -doelen, ondersteunt de Commissie een dergelijke herziening via een gepaste bijstelling van het tijdschema dat van toepassing is overeenkomstig de in de hoofdstukken II en III van deze verordening vastgestelde procedure.

Artikel 19

Vergemakkelijking van de monitoring van de naleving

De verleners van luchtvaartnavigatiediensten faciliteren de inspecties en onderzoeken door de Commissie en de nationale toezichthoudende autoriteit(en) die verantwoordelijk zijn voor het toezicht daarop, door een erkende entiteit die in hun naam optreedt, of door EASA wanneer dat relevant is, met inbegrip van bezoeken ter plaatse. Onverminderd de bevoegdheden op het vlak van toezicht die zijn toegewezen aan de nationale toezichthoudende autoriteiten en EASA, zijn die gemachtigde personen bevoegd:

a)

met betrekking tot alle prestatiekerngebieden, de relevante documenten en al het andere materiaal dat van belang is voor de vaststelling van prestatieplannen en -doelen, te onderzoeken;

b)

afschriften van of uittreksels uit deze documenten te nemen;

c)

ter plaatse om een mondelinge toelichting te verzoeken.

Dergelijke inspecties en onderzoeken worden uitgevoerd overeenkomstig de procedures die gelden in de lidstaat waarin zij worden uitgevoerd.

HOOFDSTUK V

VERZAMELEN, VALIDEREN, ONDERZOEKEN, EVALUEREN EN VERSPREIDEN VAN INFORMATIE OVER LUCHTRUIMNAVIGATIEPRESTATIES VOOR HET GEMEENSCHAPPELIJKE EUROPESE LUCHTRUIM

Artikel 20

Verzameling en validatie van gegevens voor de prestatiebeoordeling

1.   Naast de gegevens die al worden verzameld door de Commissie via andere EU-instrumenten en die ook gebruikt kunnen worden voor prestatie-evaluatie, garanderen de nationale autoriteiten, de verleners van luchtvaartnavigatiediensten, luchthavenoperatoren, luchthavencoördinatoren en luchtvaartmaatschappijen het aanleveren aan de Commissie van de in bijlage IV vermelde gegevens overeenkomstig de in die bijlage vastgestelde bepalingen.

2.   De nationale autoriteiten kunnen die taak van informatieverschaffing geheel of gedeeltelijk delegeren of reorganiseren tussen hun nationale toezichthoudende autoriteiten, verleners van luchtvaartnavigatiediensten, luchthavenoperatoren en luchthavencoördinatoren, om rekening te houden met plaatselijke eigenheden en bestaande rapporteringskanalen.

3.   De leveranciers van gegevens nemen de nodige maatregelen met het oog op het verzekeren van de kwaliteit, de validatie en de tijdige overdracht van de gegevens, met inbegrip van bewijzen van hun kwaliteitscontroles en valideringsprocessen, toelichtingen bij specifieke vragen van de Commissie over de kwaliteit van de gegevens en, in voorkomend geval, actieplannen om de kwaliteit van de gegevens te verbeteren. De gegevens worden gratis verstrekt en, in voorkomend geval, in elektronische vorm in het door de Commissie opgegeven formaat.

4.   De Commissie beoordeelt de kwaliteit en valideert de gegevens die werden overgemaakt overeenkomstig lid 1. Wanneer de gegevens niet geschikt zijn voor de prestatiebeoordeling, kan de Commissie, in samenwerking met de lidstaten en in het bijzonder met de nationale toezichthoudende autoriteiten, passende maatregelen nemen om de kwaliteit van de gegevens te beoordelen en te verbeteren.

5.   Voor de toepassing van deze verordening worden de in lid 1 bedoelde prestatiegegevens die al zijn meegedeeld aan Eurocontrol, geacht te zijn meegedeeld aan de Commissie. Wanneer dat niet het geval is, maken de Commissie en Eurocontrol de nodige afspraken om ervoor te zorgen dat dergelijke gegevens beschikbaar worden gesteld aan de Commissie onder dezelfde voorwaarden als beschreven in lid 3.

6.   Wanneer significante nieuwe gegevenseisen worden geïdentificeerd of gegevens van onvoldoende kwaliteit worden verwacht, kan de Commissie proefstudies gelasten die op vrijwillige basis door de lidstaten worden uitgevoerd alvorens nieuwe gegevenseisen worden geïntroduceerd door middel van een wijziging van deze verordening. Dergelijke proefstudies worden uitgevoerd om de uitvoerbaarheid van de relevante gegevensverzameling te beoordelen, rekening houdend met de voordelen die verbonden zijn aan de beschikbaarheid van de gegevens in verhouding tot de verzamelingskosten en de belasting van respondenten.

Artikel 21

Verspreiding van informatie

1.   De Commissie verspreidt algemene informatie voor de uitvoering van de in artikel 11 van Verordening (EG) nr. 549/2004 vastgestelde doelen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europese Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (11), en met name artikel 4, en overeenkomstig artikel 18 van Verordening (EG) nr. 550/2004.

2.   De in artikel 3, lid 3, onder a), opgenomen informatie is vrij beschikbaar voor de betrokken belanghebbende partijen, met name in elektronische vorm.

3.   De in artikel 3, lid 3, onder k), bedoelde jaarverslagen worden openbaar gemaakt. Een verwijzing naar die verslagen wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie. De Commissie kan beslissen om andere algemene informatie op regelmatige basis te aan de betrokken belanghebbende partijen te verstrekken, met name in elektronische vorm.

4.   De doelen in artikel 9 bedoelde EU-wijde en een verwijzing naar de in hoofdstuk III bedoelde vastgestelde prestatieplannen worden openbaar gemaakt en bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.

5.   Individuele toegang tot specifieke informatie, zoals gevalideerde gegevens en statistieken, wordt verleend aan de leverancier van gegevens op wie de informatie en activiteiten rechtstreeks betrekking hebben.

HOOFDSTUK VI

SLOTBEPALINGEN

Artikel 22

Beroep

De lidstaten zorgen ervoor dat uit hoofde van deze verordening genomen besluiten naar behoren met redenen zijn omkleed en onderworpen zijn aan een passende herzienings- en/of beroepsprocedure.

Artikel 23

Overgangsmaatregelen

Indien de lidstaten beslissen om een prestatieplan met doelen op het niveau van de functionele luchtruimblokken vast te stellen in de loop van de eerste referentieperiode, zorgen zij ervoor dat:

a)

het plan de nationale plannen vervangt vanaf 1 januari van een van de jaren van de referentieperiode;

b)

het plan niet langer duurt dan de resterende looptijd van de referentieperiode;

c)

het plan aantoont dat zijn prestatiedoelen ten minste even ambitieus zijn als de consolidatie van de voormalige nationale doelen.

Artikel 24

Herziening van de regeling

De Commissie herziet de doeltreffendheid van het proces tegen 1 juli 2013. Tegen het einde van 2014 en op regelmatige tijdstippen daarna herziet de Commissie de prestatieregeling, en in het bijzonder de impact, de doeltreffendheid en de reikwijdte van die regeling, daarbij terdege rekening houdend met het werk dat op dat gebied door ICAO wordt geleverd.

Artikel 25

Wijzigingen van Verordening (EG) nr. 2096/2005

Verordening (EG) nr. 2096/2005 wordt als volgt gewijzigd:

1)

Punt 2.2 van bijlage I wordt vervangen door:

„2.2.   Organisatiebeheer

Een verlener van luchtvaartnavigatiediensten stelt een bedrijfsplan op voor een periode van minimaal vijf jaar. Het bedrijfsplan:

a)

beschrijft de algemene doelstellingen van de verlener van luchtvaartnavigatiediensten en zijn strategie om die te bereiken in overeenstemming met de algemene plannen op lange termijn van de dienstverlener en met de relevante eisen van de Europese Unie die voor de ontwikkeling van infrastructuur of andere technologie van belang zijn;

b)

omvat passende prestatiedoelen voor de veiligheid, de capaciteit, het milieu en de kosteneffectiviteit waar van toepassing.

De informatie onder a) en b) moet consistent zijn met het prestatieplan op nationaal niveau en op het niveau van de luchtruimblokken als bedoeld in artikel 11 van Verordening (EG) nr. 549/2004 en, wat de veiligheidsdata betreft, consistent met het State Safety Programme als bedoeld in norm 2.27.1 van ICAO bijlage 11, wijziging 47B-A van 20 juli 2009, zoals van toepassing.

Een verlener van luchtvaartnavigatiediensten moet veiligheids- en zakelijke rechtvaardigingen voor grote investeringsprojecten voorleggen, inclusief, waar relevant, de geschatte impact op de passende prestatiedoelen als bedoeld in punt 2.2, onder b), en ter identificatie van investeringen die voortvloeien uit de wettelijke eisen die samenhangen met de tenuitvoerlegging van SESAR.

Een verlener van luchtvaartnavigatiediensten stelt een jaarplan voor het komende jaar op, waarin de elementen van het bedrijfsplan nader worden uitgewerkt en wijzigingen worden aangegeven.

Het jaarplan omvat de volgende bepalingen betreffende het niveau en de kwaliteit van de diensten, zoals het verwachte niveau van de capaciteit, de veiligheid, het milieu en de kosteneffectiviteit waar van toepassing:

a)

informatie over de tenuitvoerlegging van nieuwe infrastructuur of andere ontwikkelingen en een verklaring over de wijze waarop ze zullen bijdragen tot de verbetering van de prestaties van de verlener van luchtvaartnavigatiediensten, met inbegrip van het niveau en de kwaliteit van de diensten;

b)

prestatie-indicatoren die consistent zijn met het prestatieplan op nationaal niveau of op het niveau van de functionele luchtruimblokken als bedoeld in artikel 11 van Verordening (EG) nr. 549/2004, aan de hand waarvan het prestatieniveau en de kwaliteit van de diensten redelijkerwijs kunnen worden beoordeeld;

c)

informatie over de maatregelen om de in het veiligheidsplan van de verlener van luchtvaartnavigatiediensten geconstateerde veiligheidsrisico’s te beperken, met inbegrip van veiligheidsindicatoren voor de monitoring van het veiligheidsrisico en, in voorkomend geval, van de geschatte kostprijs van de risicobeperkende maatregelen;

d)

de verwachte financiële situatie op korte termijn van de dienstverlener, alsmede eventuele wijzigingen van of gevolgen voor het bedrijfsplan.

De verlener van luchtvaartnavigatiediensten stelt de inhoud van het prestatiedeel van het bedrijfsplan en van het jaarverslag desgevraagd ter beschikking van de Commissie, onder de voorwaarden die door de nationale toezichthoudende autoriteit zijn vastgesteld overeenkomstig de nationale wetgeving.”.

2)

Punt 9 van bijlage I wordt vervangen door:

„9.   EISEN INZAKE HET JAARVERSLAG

Een verlener van luchtvaartnavigatiediensten moet de betrokken nationale toezichthoudende autoriteit een jaarverslag van zijn activiteiten kunnen voorleggen. Dat verslag omvat, onverminderd artikel 12 van Verordening (EG) nr. 550/2004, de financiële resultaten alsmede de operationele prestaties en andere belangrijke activiteiten en ontwikkelingen, met name op veiligheidsgebied.

Het jaarverslag omvat ten minste:

een beoordeling van het niveau van de verleende diensten;

de prestaties van de verlener van luchtvaartnavigatiediensten in vergelijking met de in het bedrijfsplan vastgestelde prestatiedoelen, waarbij de werkelijke prestatie wordt afgezet tegen het jaarplan met gebruikmaking van de in het jaarplan vastgestelde prestatie-indicatoren;

een uitleg voor de verschillen ten opzichte van de doelen en de identificatie van maatregelen voor het wegwerken van eventuele leemten tijdens de referentieperiode als bedoeld in artikel 11 van Verordening (EG) nr. 549/2004;

de ontwikkelingen in de operaties en de infrastructuur;

de financiële resultaten, voor zover zij niet afzonderlijk worden gepubliceerd overeenkomstig artikel 12, lid 1, van Verordening (EG) 550/2004;

informatie over de formele overlegprocedure met de gebruikers van zijn diensten;

informatie over het personeelsbeleid.

De verlener van luchtvaartnavigatiediensten stelt de inhoud van het jaarverslag desgevraagd te beschikking van de Commissie en maakt de inhoud ook beschikbaar voor het publiek, onder de voorwaarden die door de nationale toezichthoudende autoriteit zijn vastgesteld overeenkomstig de nationale wetgeving.”.

Artikel 26

Inwerkingtreding

1.   Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

2.   Hoofdstuk V is van toepassing met ingang van 1 januari 2011. De eerste referentieperiode begint op 1 januari 2012.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 29 juli 2010.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)  PB L 96 van 31.3.2004, blz. 1.

(2)  PB L 341 van 7.12.2006, blz. 3.

(3)  PB L 79 van 19.3.2008, blz. 1.

(4)  PB L 96 van 31.3.2004, blz. 20.

(5)  PB L 96 van 31.3.2004, blz. 10.

(6)  PB L 167 van 4.7.2003, blz. 23.

(7)  PB L 294 van 13.11.2007, blz. 3.

(8)  PB L 295 van 14.11.2007, blz. 7.

(9)  PB L 14 van 22.1.1993, blz. 1.

(10)  PB L 335 van 21.12.2005, blz.13.

(11)  PB L 145 van 31.5.2001, blz. 43.


BIJLAGE I

PRESTATIEKERNINDICATOREN (PKI’s)

Deel 1:   Voor de vaststelling van EU-wijde doelen

1.   PRESTATIEKERNINDICATOREN VOOR DE VEILIGHEID

a)

De eerste EU-wijde veiligheids-PKI is het minimumniveau van de eerste prestatiekernindicator voor de veiligheid in deel 2, punt 1, onder a), voor respectievelijk verleners van luchtvaartnavigatiediensten en nationale toezichthoudende autoriteiten.

b)

De tweede EU-wijde veiligheids-PKI is het toepassingspercentage van de ernstclassificatie in het risicoanalyse-instrument zoals gedefinieerd in deel 2, punt 1, onder b), in staten waar deze verordening van toepassing is, met het oog op een geharmoniseerde rapportage over de ernstbeoordeling betreffende overschrijding van de minimale separatieafstand (Separation Minima Infringement), personen op start- of landingsbanen (Runway Incursions) en specifieke technische ATM-incidenten (ATM Specific Technical Events).

c)

De derde EU-wijde veiligheids-PKI is het minimumniveau voor het meten van de billijke cultuur aan het einde van de referentieperiode zoals gedefinieerd in deel 2, punt 1, onder c).

Er zijn geen EU-wijde doelen voor bovenvermelde prestatiekernindicatoren in de eerste referentieperiode. Tijdens de eerste referentieperiode gebruikt de Commissie de verzamelde gegevens om bovenvermelde prestatiekernindicatoren te valideren en te evalueren ten einde te garanderen dat veiligheidsrisico’s adequaat worden geïdentificeerd, beperkt en beheerst. Op basis daarvan stelt de Commissie indien nodig nieuwe prestatiekernindicatoren voor de veiligheid vast, door middel van een wijziging van deze bijlage.

2.   MILIEU-INDICATOR

2.1.

Voor de eerste referentieperiode:

 

De eerste EU-wijde milieu-PKI is de gemiddelde horizontale en-routevluchtefficiëntie, gedefinieerd als volgt:

de indicator voor de gemiddelde horizontale en-routevluchtefficiëntie is het verschil tussen de lengte van het en-routegedeelte van het reële traject en het optimale traject dat, gemiddeld, de grote cirkel is;

„en route” wordt gedefinieerd als de afstand die wordt gevlogen buiten een cirkel van 40 zeemijl rond de luchthaven;

de vluchten die voor deze indicator in aanmerking worden genomen, zijn:

a)

alle commerciële IFR-vluchten (Instrumental Flight Rules — instrumentvliegvoorschriften) binnen het Europese luchtruim;

b)

wanneer een vlucht vertrekt of aankomt buiten het Europese luchtruim, wordt enkel het gedeelte binnen het Europese luchtruim in aanmerking genomen;

circulaire vluchten en vluchten waarvan de afstand van de grote cirkel minder dan 80 zeemijl tussen naderingsluchtverkeerszones bedraagt, worden uitgesloten.

 

De tweede EU-wijde milieu-PKI is het doeltreffende gebruik van de civiel-militaire luchtruimstructuren, bv. CDR’s (Conditional Routes). Voor de eerste referentieperiode wordt deze indicator gemonitored door de Commissie. Het stellen van doelen start vanaf de tweede referentieperiode.

2.2.

Vanaf de tweede referentieperiode wordt een derde EU-wijde milieu-PKI ontwikkeld gericht op milieukwesties die verband houden met specifieke luchtvaartnavigatiediensten in luchthavens.

3.   CAPACITEITSINDICATOR

3.1.

Voor de eerste referentieperiode:

 

De EU-wijde capaciteits-PKI is het aantal minuten en-route-ATFM-vertraging (Air Traffic Flow Management — luchtverkeersstroombeheer) per vlucht, gedefinieerd als volgt:

a)

de en-route-ATFM-vertraging is de vertraging die wordt berekend door de centrale ATFM-eenheid zoals gedefinieerd in Verordening (EU) nr. 255/2010 van de Commissie van 25 maart 2010 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake de regeling van luchtverkeersstromen (1) en wordt uitgedrukt als het verschil tussen de starttijd die is aangevraagd door de luchtvaartmaatschappij in het laatst ingediende vliegplan en de berekende door de centrale ATFM-eenheid toegewezen starttijd;

b)

de indicator geldt voor alle IFR-vluchten binnen het Europese luchtruim en betreft de ATFM-vertragingsoorzaken;

c)

de indicator wordt berekend voor het volledige kalenderjaar.

 

Ter voorbereiding van de ontwikkeling van een tweede EU-wijde capaciteits-PKI verzamelt, consolideert en monitored de Commissie vanaf de eerste referentieperiode:

a)

het totaal van de ATFM-vertragingen die zijn toe te schrijven aan de luchtvaartnavigatiediensten in het naderingsluchtverkeer en in luchthavens;

b)

de extra tijd in de taxifase bij vertrek (Taxi-Out-Phase);

c)

voor luchthavens met meer dan 100 000 commerciële bewegingen per jaar de extra tijd voor ASMA (Arrival Sequencing and Metering Area).

3.2.

Vanaf de tweede referentieperiode wordt een tweede EU-wijde capaciteits-PKI ontwikkeld op basis van de in punt 3.1 beschreven monitoring, gericht op specifieke luchtvaartnavigatiedienstengerelateerde capaciteitskwesties in luchthavens.

4.   KOSTENEFFECTIVITEITSINDICATOR

4.1.

Voor de eerste referentieperiode:

De EU-wijde kosteneffectiviteits-PKI is het gemiddelde, vastgestelde EU-wijd eenheidstarief voor en-routeluchtvaartnavigatiediensten, dat als volgt wordt gedefinieerd:

a)

de indicator is het resultaat van de verhouding tussen de bepaalde kosten en het geraamde verkeer, uitgedrukt in diensteenheden, die voor de betrokken periode op EU-niveau wordt verwacht, zoals vervat in de uitgangspunten van de Commissie voor de vaststelling van EU-wijde doelen krachtens artikel 9, lid 4;

b)

de indicator wordt uitgedrukt in euro en in reële termen;

c)

de indicator wordt vastgesteld voor elk jaar van de referentieperiode.

Voor de eerste referentieperiode worden de kosten en eenheidstarieven voor naderingsluchtverkeersnavigatiediensten verzameld, geconsolideerd en gemonitored door de Commissie overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1794/2006.

4.2.

Vanaf de tweede referentieperiode omvat de tweede EU-wijde kosteneffectiviteits-PKI het gemiddelde voor de Europese Unie vastgestelde eenheidstarief voor naderingsluchtverkeersnavigatiediensten.

Deel 2:   Voor de vaststelling van doelen op nationaal niveau of op het niveau van de functionele luchtruimblokken (FAB)

1.   PRESTATIEKERNINDICATOREN VOOR DE VEILIGHEID

a)

De eerste veiligheids-PKI op nationaal/FAB-niveau omvat de doeltreffendheid van het veiligheidsbeheer zoals gemeten volgens een methodologie die is gebaseerd op het ATM Safety Maturity Survey Framework. Deze indicator wordt gezamenlijk ontwikkeld door de Commissie, de lidstaten, EASA en Eurocontrol, en vastgesteld door de Commissie vóór de eerste referentieperiode. Tijdens die eerste referentieperiode controleren en publiceren de nationale toezichthoudende autoriteiten deze prestatiekernindicatoren, en kunnen de lidstaten overeenkomstige doelen vaststellen.

b)

De tweede veiligheids-PKI op nationaal/FAB-niveau is de toepassing van de ernstclassificatie van het risicoanalyse-instrument voor een geharmoniseerde rapportage over de ernstbeoordeling betreffende overschrijding van de minimale separatieafstand (Separation Minima Infringement), personen op start- of landingsbanen (Runway Incursions) en specifieke technische ATM-incidenten (ATM Specific Technical Events) in alle luchtverkeersleidingscentra en luchthavens met meer dan 150 000 commerciële luchtvervoersbewegingen per jaar, die onder deze verordening vallen (ja/neen-waarde). De ernstclassificatie wordt gezamenlijk ontwikkeld door de Commissie, de lidstaten, EASA en Eurocontrol, en vastgesteld door de Commissie vóór de eerste referentieperiode. Tijdens die eerste referentieperiode controleren en publiceren de nationale toezichthoudende autoriteiten deze prestatiekernindicatoren, en kunnen de lidstaten overeenkomstige doelen vaststellen.

c)

De derde veiligheids-PKI op nationaal/FAB-niveau is de rapportage over billijke cultuur. Deze maatregel wordt gezamenlijk ontwikkeld door de Commissie, de lidstaten, EASA en Eurocontrol, en vastgesteld door de Commissie vóór de eerste referentieperiode. Tijdens de eerste referentieperiode controleren en publiceren de nationale toezichthoudende autoriteiten die maatregel, en kunnen de lidstaten overeenkomstige doelen vaststellen.

2.   MILIEU-INDICATOR

2.1.

Voor de eerste referentieperiode geldt geen verplichte milieu-PKI op nationaal/FAB-niveau.

Onverminderd de lokale milieuvoorschriften werken de lidstaten ook samen met de Commissie voor de vaststelling van een milieu-PKI gericht op specifieke luchtvaartnavigatiedienstengerelateerde milieukwesties in luchthavens, die vanaf de tweede referentieperiode ten uitvoer wordt gelegd.

2.2.

Voor de tweede referentieperiode is de milieu-PKI op nationaal/FAB-niveau de ontwikkeling van een nationaal/FAB-verbeteringsproces voor het routeontwerp vóór het einde van de referentieperiode, met inbegrip van het doeltreffende gebruik van de civiel-militaire luchtruimstructuren (bv. CDR’s).

3.   CAPACITEITSINDICATOR

3.1.

Voor de eerste referentieperiode:

De capaciteits-PKI op nationaal/FAB-niveau is het aantal minuten en-route-ATFM-vertraging per vlucht. De definitie luidt als volgt:

a)

de indicator wordt gedefinieerd zoals in deel 1, punt 3.1;

b)

de indicator wordt vastgesteld voor elk jaar van de referentieperiode.

Ter voorbereiding van de ontwikkeling van een tweede capaciteits-PKI op nationaal/FAB-niveau rapporteren de lidstaten vanaf de eerste referentieperiode:

a)

het totaal van de ATFM-vertragingen die zijn toe te schrijven aan de luchtvaartnavigatiediensten in het naderingsluchtverkeer en in luchthavens;

b)

de extra tijd in de taxifase bij vertrek (Taxi-Out-Phase);

c)

voor luchthavens met meer dan 100 000 commerciële bewegingen per jaar de extra tijd voor ASMA (Arrival Sequencing and Metering Area).

3.2.

Vanaf de tweede referentieperiode wordt een tweede capaciteits-PKI op nationaal/FAB-niveau ten uitvoer gelegd, die gericht is op de specifieke capaciteitskwesties in het naderingsluchtverkeer en in luchthavens.

4.   KOSTENEFFECTIVITEITSINDICATOR

4.1.

Voor de eerste referentieperiode is de kosteneffectiviteits-PKI op nationaal/FAB-niveau het op nationaal/FAB-niveau vastgestelde eenheidstarief voor en-routeluchtvaartnavigatiediensten, gedefinieerd als volgt:

a)

de indicator is het resultaat van de verhouding tussen de bepaalde kosten en het geraamde verkeer, zoals opgenomen in de prestatieplannen overeenkomstig artikel 10, lid 3, onder a) en b);

b)

de indicator wordt uitgedrukt in de nationale munteenheid en in reële termen;

c)

de indicator wordt vastgesteld voor elk jaar van de referentieperiode.

Bovendien rapporteren de staten hun kosten en eenheidstarieven voor naderingsluchtverkeersnavigatiediensten overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1794/2006 en verantwoorden ze aan de Commissie eventuele afwijkingen van de ramingen.

4.2.

Vanaf de tweede referentieperiode wordt een tweede capaciteits-PKI op nationaal/FAB-niveau: het (de) op nationaal/FAB-niveau vastgestelde eenheidstarief (eenheidstarieven) voor naderingsluchtverkeersnavigatiediensten.


(1)  PB L 80 van 26.3.2010, blz. 10.


BIJLAGE II

MODEL VOOR PRESTATIEPLANNEN

De prestatieplannen op nationaal niveau of op dat van de functionele luchtruimblokken moeten gebaseerd zijn op de volgende structuur.

1.   INLEIDING

1.1.   Een beschrijving van de situatie (opzet van het plan, behandelde entiteiten, plan op nationaal niveau of op dat van de functionele luchtruimblokken enz.)

1.2.   Een beschrijving van het macro-economische scenario voor de referentieperiode met inbegrip van algemene ramingen (verkeersprognose, trend eenheidstarief enz.)

1.3.   Een beschrijving van de resultaten van de raadpleging van de belanghebbende partijen ter voorbereiding van het prestatieplan (belangrijkste door de deelnemers vermelde bekommernissen en zo mogelijk overeengekomen compromissen).

2.   PRESTATIEDOELEN OP NATIONAAL NIVEAU EN/OF OP NIVEAU VAN DE FUNCTIONELE LUCHTRUIMBLOKKEN

2.1.   Prestatiedoelen in elk prestatiekerngebied, vastgesteld voor elke prestatiekernindicator, voor de volledige duur van de referentieperiode, met jaarlijkse waarden ten behoeve van monitoring en stimulering:

a)   Veiligheid

—   doeltreffendheid van het veiligheidsbeheer: nationale/FAB-doelen zoals gedefinieerd overeenkomstig bijlage I, deel 2, punt 1, onder a), voor elk jaar van de referentieperiode (optioneel tijdens de eerste referentieperiode);

—   toepassing van de ernstclassificatie in het risicoanalyse-instrument: nationale/FAB-doelen zoals gedefinieerd overeenkomstig bijlage I, deel 2, punt 1, onder b), voor elk jaar van de referentieperiode (ja/neen-waarden);

—   billijke cultuur: nationale/FAB-doelen zoals gedefinieerd overeenkomstig bijlage I, deel 2, punt 1, onder c), voor elk jaar van de referentieperiode (optioneel tijdens de eerste referentieperiode).

b)   Capaciteit

aantal minuten en-route-ATFM-vertraging per vlucht.

c)   Milieu

beschrijving van het nationale/FAB-verbeteringsproces voor het routeontwerp (optioneel tijdens de eerste referentieperiode).

d)   Kosteneffectiviteit

de bepaalde kosten voor en-route- en naderingsluchtverkeersnavigatiediensten die zijn vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van artikel 15, lid 2, onder a), en artikel 15, lid 2, onder b), van Verordening (EG) nr. 550/2004 en krachtens de bepalingen van Verordening (EG) nr. 1794/2006 voor elk jaar van de referentieperiode;

een raming van de en-routediensteenheden voor elk jaar van de referentieperiode;

daaruit voortvloeiend, de vastgestelde eenheidstarieven voor de referentieperiode;

een beschrijving en verantwoording van het rendement van de verleners van luchtvaartnavigatiediensten ten opzichte van het daadwerkelijke risico;

een beschrijving van de investeringen die nodig zijn om de prestatiedoelen te bereiken met een beschrijving van hun relevantie in relatie tot het Europese ATM-masterplan en hun coherentie met de belangrijkste gebieden en richtingen voor vooruitgang en verandering zoals daarin beschreven.

2.2.   Een beschrijving van en toelichting bij de consistentie van de prestatiedoelen met de EU-wijde prestatiedoelen.

2.3.   Een beschrijving van en toelichting bij de overdrachten van de jaren voor de referentieperiode.

2.4.   Een beschrijving van de door de lidstaten gebruikte parameters bij het vaststellen van risicodeling en stimuleringsmaatregelen.

3.   BIJDRAGE VAN ELKE VERANTWOORDELIJKE ENTITEIT

3.1.   De individuele prestatiedoelen voor elke verantwoordelijke entiteit.

3.2.   Een beschrijving van de op elke entiteit toe te passen stimuleringsmechanismen om het bereiken van de doelen binnen de referentieperiode aan te moedigen.

4.   MILITAIRE DIMENSIE VAN HET PLAN

Een beschrijving van de civiel-militaire dimensie van het plan met uiteenzetting van de prestaties van de toepassing van flexibel gebruik van het luchtruim (FUA — flexible use of airspace) om de capaciteit te vergroten met inachtneming van de doeltreffendheid van militaire missies, en indien dat nodig wordt geacht, relevante prestatie-indicatoren en -doelen in overeenstemming met de indicatoren en doelen van het prestatieplan.

5.   ANALYSE VAN GEVOELIGHEID EN VERGELIJKING MET VOORGAANDE PRESTATIEPLANNEN

5.1.   Gevoeligheid voor externe hypothesen.

5.2.   Een vergelijking met het voorgaande prestatieplan (niet van toepassing voor de eerste referentieperiode).

6.   TENUITVOERLEGGING VAN HET PRESTATIEPLAN

Een beschrijving van de maatregelen die door de nationale toezichthoudende autoriteiten ten uitvoer zijn gelegd, zoals:

monitoringsmechanismen om te garanderen dat de veiligheidsprogramma’s en bedrijfsplannen van de luchtvaartnavigatiediensten ten uitvoer worden gelegd;

maatregelen voor het toezicht op en de rapportage over de tenuitvoerlegging van de prestatieplannen inclusief de te volgen aanpak wanneer doelen tijdens de referentieperiode niet worden bereikt.


BIJLAGE III

PRINCIPES VOOR DE BEOORDELING VAN DE CONSISTENTIE TUSSEN DE EU-WIJDE DOELEN EN DE DOELEN OP NATIONAAL NIVEAU OF OP HET NIVEAU VAN DE LUCHTRUIMBLOKKEN

De Commissie gebruikt de volgende beoordelingscriteria.

1.   Algemene criteria

a)

De naleving van de eisen met betrekking tot de voorbereiding en goedkeuring van het prestatieplan en in het bijzonder de beoordeling van de in het prestatieplan vervatte rechtvaardigingen.

b)

Een analyse van de feiten rekening houdend met de algemene situatie van elke individuele staat.

c)

De onderlinge verbanden tussen alle prestatiedoelen.

d)

De prestatiestandaarden aan het begin van de referentieperiode en de daaruit voortvloeiende ruimte voor verbetering.

2.   Veiligheid

a)   Doeltreffendheid van het veiligheidsbeheer: de extra marge voor zowel verleners van luchtvaartnavigatiediensten als nationale toezichthoudende autoriteiten, gebruikt in het prestatieplan en beoordeeld door de Commissie, is gelijk aan of hoger dan de scores van de overeenkomstige EU-wijde indicator aan het einde van de referentieperiode (optioneel voor de eerste referentieperiode).

b)   Toepassing van de ernstclassificatie van het risicoanalyse-instrument: de consistentie van de lokale prestatiekernindicator als gedefinieerd in bijlage I, deel 2, punt 1, onder b), met de EU-wijde indicator voor elk jaar van de referentieperiode.

c)   Billijke cultuur: het niveau van het prestatiedoel op nationaal/FAB-niveau aan het einde van de referentieperiode op basis van de prestatiekernindicator als gedefinieerd in bijlage I, deel 2, punt 1, onder c), is gelijk aan of hoger dan het EU-wijde doel als gedefinieerd in bijlage I, deel 1, punt 1, onder c) (optioneel voor de eerste referentieperiode).

3.   Milieu

Routeontwerp: niet van toepassing tijdens de eerste referentieperiode. Tijdens de tweede referentieperiode, de beoordeling van het proces voor routeontwerp gehanteerd in het prestatieplan.

4.   Capaciteit

Vertragingsniveau: een vergelijking van het verwachte niveau van en-route-ATFM-vertraging dat is gebruikt in de prestatieplannen met een referentiewaarde die is verkregen op basis van het capaciteitsplanningsproces van Eurocontrol;

5.   Kosteneffectiviteit

a)   Trend van het eenheidstarief: de beoordeling of wordt verwacht dat de ingediende vastgestelde eenheidstarieven evolueren in overeenstemming met het EU-wijde kosteneffectiviteitsdoel en dat ze op een adequate manier bijdragen tot het bereiken van het bovenvermelde doel, zowel voor de gehele referentieperiode als voor elk jaar apart.

b)   Vastgesteld niveau van het eenheidstarief: de vergelijking van de ingediende lokale eenheidstarieven met het gemiddelde eenheidstarief van de lidstaten of FAB’s waarvoor vergelijkbare operationele en economische omstandigheden gelden als gedefinieerd door de Commissie.

c)   Rendement: een beoordeling van het rendement van de verleners van luchtvaartnavigatiediensten ten opzichte van het daadwerkelijke risico.

d)   Hypothesen voor verkeersprognoses: een vergelijking van de prognoses voor lokale diensteneenheden die zijn gebruikt in het prestatieplan met een referentieprognose, zoals de verkeersprognoses van de Eurocontrol Statistics and Forecast Service (STATFOR).

e)   Economische hypothesen: de controle of de inflatiehypothesen die zijn gebruikt in het prestatieplan, in overeenstemming zijn met een referentieprognose, zoals de prognoses van het IMF (Internationaal Monetair Fonds)/Eurostat.


BIJLAGE IV

LIJST VAN DE VOOR DE UITVOERING VAN DEZE VERORDENING TE VERSTREKKEN GEGEVENS

1.   DOOR DE NATIONALE AUTORITEITEN

1.1.   Specificaties voor gegevensreeksen

De nationale autoriteiten verstrekken ten behoeve van prestatiebeoordelingen de volgende gegevens:

a)

informatie nodig om te beantwoorden aan de prestatiekernindicator voor veiligheid als bedoeld in bijlage I, deel 2, punt 1, onder a);

b)

het State Safety Programme als bedoeld in norm 2.27.1 van ICAO bijlage 11, wijziging 47-B van 20 juli 2009.

Daarnaast garanderen de nationale autoriteiten dat de volgende gegevens beschikbaar zijn ten behoeve van prestatiebeoordelingen:

c)

gegevens gebruikt en berekend door de centrale ATFM-eenheid zoals gedefinieerd in Verordening (EU) nr. 255/2010 inzake ATFM zoals vliegplannen voor het algemene luchtverkeer onder IFR-regels, werkelijke routing, bewakingsgegevens, luchtverkeersbeveiligingsvertragingen en route en in luchthavens, vrijstellingen van maatregelen voor het beheer van luchtverkeersstromen, naleven van luchtverkeersbeheerslots, frequentie van conditional routegebruik;

d)

ATM-gerelateerde veiligheidsincidenten zoals gedefinieerd in de Eurocontrol Safety Regulatory Requirement — ESARR 2, Editie 3.0 — getiteld „Reporting and Assessment of Safety Occurrences in ATM”;

e)

veiligheidsrapporten, als bedoeld in de artikelen 6, 7 en 14 van Verordening (EG) nr. 1315/2007 van de Commissie (1) en rapporten van de nationale veiligheidsinstanties over de oplossing van geïdentificeerde veiligheidsgebreken die het voorwerp uitmaken van corrigerende actieplannen;

f)

informatie over veiligheidsaanbevelingen en corrigerende acties ondernomen op basis van ATM-gerelateerde incidentanalyse/onderzoek overeenkomstig Richtlijn 94/56/EG van de Raad (2) inzake het onderzoek van ongevallen en incidenten en Richtlijn 2003/42/EG inzake de melding van voorvallen in de burgerluchtvaart;

g)

informatie over de aanwezige elementen om de toepassing van een billijke cultuur aan te moedigen;

h)

gegevens ter ondersteuning van de taken als bedoeld in artikel 4, lid 1, onder m) en n), van Verordening (EG) nr. 2150/2005 van de Commissie van 23 december 2005 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels voor een flexibel gebruik van het luchtruim (3).

1.2.   Frequentie en termijnen voor gegevensverstrekking

De in punt 1.1, onder a), b), d), e), g) en h), bedoelde gegevens worden jaarlijks verstrekt.

De in punt 1.1, onder c) en f), bedoelde gegevens worden maandelijks beschikbaar gesteld.

2.   DOOR DE VERLENERS VAN LUCHTVAARTNAVIGATIEDIENSTEN

Dit deel is van toepassing op verleners van de in artikel 1, lid 2, bedoelde luchtvaartnavigatiediensten. In individuele gevallen kunnen de nationale autoriteiten verleners van luchtvaartnavigatiediensten die beneden de in dat artikel 1, lid 2, vastgestelde drempelwaarde blijven, ook in aanmerking nemen. Ze stellen de Commissie daarvan in kennis.

2.1.   Specificaties voor gegevensreeksen

De verleners van luchtvaartnavigatiediensten verstrekken ten behoeve van prestatiebeoordelingen de volgende gegevens:

a)

gegevens vermeld in de Eurocontrol Specificatie getiteld „Eurocontrol Specification for Economic Information Disclosure”, Editie 2.6 van 31 december 2008 met als referentie Eurocontrol-SPEC-0117;

b)

jaarverslagen en het prestatiegerelateerde deel van de bedrijfsplannen en het jaarplan dat door de verlener van luchtvaartnavigatiediensten is opgesteld overeenkomstig bijlage I, punt 2.2 en punt 9, van de verordening tot vaststelling van de gemeenschappelijke eisen;

c)

informatie om te voldoen aan de in bijlage I, deel 2, punt 1, onder a), bedoelde veiligheids-PKI;

d)

informatie over de aanwezige elementen om de toepassing van een billijke cultuur te stimuleren.

2.2.   Frequentie en termijnen voor gegevensverstrekking

De in artikel 2, onder a), bedoelde gegevens voor jaar (n) worden jaarlijks verstrekt vóór 15 juli van jaar (n + 1), uitgezonderd de prognoses, die worden verstrekt tegen 1 november van jaar (n + 1). Het eerste referentiejaar (n) is 2010.

De in artikel 2, onder b) en c), bedoelde gegevens worden jaarlijks verstrekt.

3.   DOOR DE LUCHTHAVENOPERATOREN

Dit deel geldt voor luchthavenoperatoren die diensten verlenen in communautaire luchthavens met meer dan 150 000 commerciële luchtvervoersbewegingen per jaar en voor alle gecoördineerde luchthavens en luchthavens met bemiddeling met meer dan 50 000 commerciële luchtvervoersbewegingen per jaar. In individuele gevallen kunnen de lidstaten luchthavens die onder die drempel vallen, ook in aanmerking nemen. Ze stellen de Commissie daarvan in kennis.

3.1.   Definities

Voor deze specifieke bijlage gelden de volgende definities.

a)   „Luchthavenidentificatie”: de beschrijving van de luchthaven door middel van de 4-letterige ICAO-standaardcode zoals gedefinieerd in ICAO Doc. 7910 (Editie 120 — juni 2006).

b)   „Coördinatieparameters”: de coördinatieparameters zoals gedefinieerd in Verordening (EEG) nr. 95/93.

c)   „Opgegeven luchthavencapaciteit”: de coördinatieparameters die worden opgegeven in de vorm van een beschrijving van het maximale aantal slots per tijdseenheid (blokperiode) dat door de coördinator kan worden toegewezen. De duur van de blokken kan variëren; bovendien kunnen verschillende blokken met een verschillende duur opeen geplaatst worden om de concentratie van vluchten binnen een bepaalde tijdspanne te beheersen. Het gebruik van opgegeven capaciteitswaarden voor het hele seizoen betekent dat de seizoenscapaciteit van de luchthaveninfrastructuur in een vroeg stadium wordt vastgelegd.

d)   „Vliegtuigregistratie”: de alfanumerieke tekens die overeenstemmen met de eigenlijke registratie van het luchtvaartuig.

e)   „Vliegtuigtype”: een codeaanduiding voor het luchtvaartuigtype (tot 4 lettertekens) zoals aangegeven in de ICAO-richtlijnen.

f)   „Vluchtnummer”: een groep alfanumerieke tekens, gebruikt om een vlucht te identificeren.

g)   „Gecodeerd luchtvaartterrein van vertrek” en „Gecodeerd luchtvaartterrein van aankomst”: de code van de luchthaven volgens de 4-letterige ICAO- of de 3-letterige IATA-luchthavencode.

h)   „Out-Off-On-In time stamps”: de volgende gegevens tot op de dichtstbijzijnde minuut:

geplande vertrektijd („off-block”);

werkelijke „off-block” tijd;

werkelijke vertrektijd;

werkelijke landingstijd;

geplande aankomsttijd („in-block”);

werkelijke „in-block” tijd.

i)   „Geplande vertrektijd („off-block””): de datum en tijd waarop een vlucht voor vertrek van de vertrekstandplaats staat ingepland.

j)   „Werkelijke off-block tijd”: de werkelijke datum en tijd waarop het luchtvaartuig zijn parkeerplaats heeft verlaten (weggeduwd of op eigen kracht).

k)   „Werkelijke vertrektijd”: de datum en tijd waarop een luchtvaartuig loskomt van de startbaan („wheels-up”).

l)   „Werkelijke landingstijd”: de werkelijke datum en tijd dat het luchtvaartuig geland is („touch down”).

m)   „Geplande aankomsttijd („in-block””): de datum en tijd waarop een vlucht voor aankomst op de aankomststandplaats staat ingepland.

n)   „Werkelijke in-block tijd”: de werkelijke datum en tijd waarop de parkeerremmen zijn geactiveerd op de aankomststandplaats.

o)   „Vliegvoorschriften”: voorschriften die worden gebruikt bij het uitvoeren van een vlucht. „IFR” voor luchtvaartuigen die vliegen volgens instrumentvliegvoorschriften zoals gedefinieerd in bijlage 2 bij het Verdrag van Chicago of „VFR” voor luchtvaartuigen die vliegen volgens zichtvliegvoorschriften zoals gedefinieerd in dezelfde bijlage. Operationeel luchtverkeer (OAT — Operational Air Traffic) voor staatsluchtvaartuigen die niet onderworpen zijn aan de voorschriften gedefinieerd in bijlage 2 van het Verdrag van Chicago.

p)   „Vluchttype”: „IFR” voor luchtvaartuigen die vliegen volgens instrumentvliegvoorschriften zoals gedefinieerd in bijlage 2 bij het Verdrag van Chicago uit 1944 (tiende editie — juli 2005) of „VFR” voor luchtvaartuigen die vliegen volgens zichtvliegvoorschriften zoals gedefinieerd in dezelfde bijlage.

q)   „Luchthavenaankomstslot” en „Luchthavenvertrekslot”: een luchthavenslot dat is toegewezen aan een aankomstvlucht of een vertrekvlucht zoals gedefinieerd in Verordening (EEG) nr. 95/93.

r)   „Landingsbaancode” en „Startbaancode”: de ICAO-code voor de gebruikte landings-/startbaan (bv. 10L).

s)   „Aankomststandplaats”: de code voor de eerste parkeerpositie waar het luchtvaartuig bij aankomst werd geparkeerd.

t)   „Vertrekstandplaats”: de code voor de laatste parkeerpositie waar het luchtvaartuig vóór het vertrek uit de luchthaven werd geparkeerd.

u)   „Vertragingsoorzaken”: standaardcodes van IATA voor vertragingen zoals gedefinieerd in bijlage 2 van Digest — Annual 2008 Delays to Air Transport in Europe (ECODA) (4) met de duur van de vertraging. Wanneer verschillende oorzaken aan de vlucht kunnen worden toegeschreven, wordt de lijst met vertragingsoorzaken verstrekt.

v)   „IJsverwijderings- of ijsbestrijdingsinformatie”: aanduiding of aan ijsverwijdering of ijsbestrijding werd gedaan en zo ja, waar (vóór het verlaten van de vertrekstandplaats of op een afgelegen plaats na het vertrek van de standplaats, m.a.w. na „off-block”).

w)   „Operationele annulering”: een voor aankomst of vertrek geplande vlucht waarvoor het volgende geldt:

de vlucht ontving een luchthavenslot, en

de vlucht werd bevestigd door de luchtvaartmaatschappij de dag vóór de uitvoering en/of was opgenomen in de dagelijkse lijst van vluchtschema’s die de dag voor de uitvoering door de luchthavenbeheerder was opgesteld, maar

de effectieve landing of het effectieve vertrek vond nooit plaats.

3.2.   Specificaties voor gegevensreeksen

3.2.1.

De luchthavenbeheerders van gecoördineerde luchthavens en luchthavens met bemiddeling verstrekken de volgende gegevens:

luchthavenidentificatie;

opgegeven luchthavencapaciteit;

alle coördinatieparameters met betrekking tot luchtvaartnavigatiediensten;

gepland kwaliteitsniveau van de dienstverlening (vertraging, stiptheid enz.) verbonden aan de luchthavencapaciteitsverklaring, indien van toepassing;

gedetailleerde beschrijving van de indicatoren die worden gebruikt voor het vaststellen van het geplande kwaliteitsniveau van de dienstverlening, indien van toepassing.

3.2.2.

De luchthavenbeheerders verstrekken ten behoeve van prestatiebeoordelingen de volgende operationele gegevens voor elke vlucht die landt of vertrekt:

vliegtuigregistratie;

vliegtuigtype;

vluchtnummer;

gecodeerd luchtvaartterrein van vertrek en van bestemming;

Out-Off-On-In time stamps;

vluchtrichtlijnen en vluchttype;

luchthavenaankomstslot en -vertrekslot, indien beschikbaar;

landingsbaancode en startbaancode;

aankomst- en vertrekstandplaats;

vertragingsoorzaken, indien beschikbaar (enkel voor vertrekkende vluchten);

ijsverwijderings- en ijsbestrijdingsinformatie, indien beschikbaar.

3.2.3.

De luchthavenbeheerders verstrekken ten behoeve van prestatiebeoordelingen de volgende operationele gegevens voor elke operationele annulering:

vluchtnummer;

vliegtuigtype;

geplande luchthaven van vertrek en van bestemming;

luchthavenaankomstslot en -vertrekslot, indien beschikbaar;

reden voor de annulering.

3.2.4.

De luchthavenbeheerders kunnen ten behoeve van prestatiebeoordelingen het volgende verstrekken:

vrijwillige rapporten over de achteruitgang of verstoring van de luchtvaartnavigatiediensten op luchthavens;

vrijwillige rapporten over veiligheidsincidenten met betrekking tot de luchtvaartnavigatiediensten;

vrijwillige rapporten over tekortkomingen in naderingsluchtverkeerscapaciteit;

vrijwillige rapporten over consultatievergaderingen met verleners van luchtvaartnavigatiediensten en staten.

3.3.   De frequentie en termijnen voor gegevensverstrekking

De in punt 3.2.1 bedoelde gegevens worden twee keer per jaar verstrekt in overeenstemming met de timing als bedoeld in artikel 6 van Verordening (EEG) nr. 95/93.

De in de punten 3.2.2 en 3.2.3 bedoelde gegevens worden maandelijks verstrekt binnen een maand na het einde van de vluchtmaand.

De in punt 3.2.4 bedoelde rapporten kunnen op elk moment worden verstrekt.

4.   DOOR DE LUCHTHAVENCOÖRDINATOREN

4.1.   Specificaties voor gegevensreeksen

De luchthavencoördinatoren verstrekken ten behoeve van prestatiebeoordelingen de volgende gegevens:

de in artikel 4, lid 8, van Verordening (EEG) nr. 95/93 bedoelde gegevens.

4.2.   Frequentie en termijnen voor gegevensverstrekking

De gegevens worden twee keer per jaar verstrekt, in overeenstemming met de timing als bedoeld in artikel 6 van Verordening (EEG) nr. 95/93.

5.   DOOR DE LUCHTVAARTMAATSCHAPPIJEN

Dit deel is van toepassing op luchtvaartmaatschappijen die binnen het Europese luchtruim meer dan 35 000 vluchten per jaar organiseren, berekend als het gemiddelde van de drie voorgaande jaren.

5.1.   Definities

5.1.1.

Voor deze specifieke bijlage gelden dezelfde definities als die van bijlage IV 3.1, aangevuld met:

a)   „Brandstofverbruik”: de daadwerkelijke hoeveelheid brandstof die werd verbruikt tijdens de vlucht (gate-to-gate).

b)   „Feitelijk vertrekgewicht”: het daadwerkelijke gewicht van het vliegtuig in metrieke ton vóór het starten van de motor.

5.2.   Specificaties voor gegevensreeksen

5.2.1.

De luchtvaartmaatschappijen verstrekken ten behoeve van prestatiebeoordelingen de volgende gegevens voor elke vlucht die ze organiseren binnen het geografische toepassingsgebied van deze verordening:

vliegtuigregistratie;

vluchtnummer;

vluchtrichtlijnen en vluchttype;

gecodeerde luchthaven van vertrek en van bestemming;

landingsbaancode en startbaancode, indien beschikbaar;

aankomst- en vertrekstandplaats, indien beschikbaar;

Out-Off-On-In time stamps, zowel geplande als feitelijke;

vertragingsoorzaken;

ijsverwijderings- en ijsbestrijdingsinformatie, indien beschikbaar.

5.2.2.

De luchtvaartmaatschappijen verstrekken ten behoeve van prestatiebeoordelingen de in bijlage IV, punt 3.2.3, bedoelde gegevens voor elke operationele annulering binnen het geografische toepassingsgebied van deze verordening.

5.2.3.

Bovenop de gegevens die worden verstrekt overeenkomstig bijlage IV, deel B, van Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap en tot wijziging van Richtlijn 96/61/EG van de Raad (5), kunnen de luchtvaartmaatschappijen aan de Commissie de volgende gegevens verstrekken voor elke vlucht die ze organiseren binnen het geografische toepassingsgebied van deze richtlijn:

brandstofverbruik;

feitelijk vertrekgewicht.

5.2.4.

De luchtvaartmaatschappijen kunnen ten behoeve van prestatiebeoordelingen het volgende verstrekken:

vrijwillige rapporten over toegang tot het luchtruim;

vrijwillige rapporten over achteruitgang of verstoring van de luchtvaartnavigatiediensten op luchthavens;

vrijwillige rapporten over veiligheidsvoorvallen met betrekking tot de luchtvaartnavigatiediensten;

vrijwillige rapporten over tekortkomingen in en-routecapaciteit, hoogtebeperking of rerouting;

vrijwillige rapporten over consultatievergaderingen met verleners van luchtvaartnavigatiediensten en staten.

5.3.   Frequentie van de gegevensverstrekking

De in bijlage IV, punten 5.2.1, 5.2.2 en 5.2.3, bedoelde gegevens worden maandelijks verstrekt.

De in punt 5.2.4 bedoelde rapporten kunnen op elk moment worden verstrekt.


(1)  PB L 291 van 9.11.2007, blz. 16.

(2)  PB L 319 van 12.12.1994, blz. 14.

(3)  PB L 342 van 24.12.2005, blz. 20.

(4)  https://extranet.eurocontrol.int/http://prisme-web.hq.corp.eurocontrol.int/ecoda/coda/public/standard_page/codarep/2008/2008DIGEST.pdf

(5)  PB L 275 van 25.10.2003, blz. 32.


Top