EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32009R0383

Verordening (EG) nr. 383/2009 van de Raad van 5 mei 2009 tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige recht op bepaalde voor- en naspandraad en voor- en naspanstrengen van niet-gelegeerd staal (PSC-draad en -strengen) van oorsprong uit de Volksrepubliek China

OJ L 118, 13.5.2009, p. 1–10 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)
Special edition in Croatian: Chapter 11 Volume 120 P. 268 - 277

In force: This act has been changed. Current consolidated version: 14/05/2009

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2009/383/oj

13.5.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 118/1


VERORDENING (EG) Nr. 383/2009 VAN DE RAAD

van 5 mei 2009

tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige recht op bepaalde voor- en naspandraad en voor- en naspanstrengen van niet-gelegeerd staal (PSC-draad en -strengen) van oorsprong uit de Volksrepubliek China

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad van 22 december 1995 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (1) („de basisverordening”), en met name op artikel 9,

Gezien het voorstel dat de Commissie na raadpleging van het Raadgevend Comité heeft ingediend,

Overwegende hetgeen volgt:

1.   PROCEDURE

1.1.   Voorlopige maatregelen

(1)

De Commissie heeft bij Verordening (EG) nr. 1129/2008 van 14 november 2008 (2) („de voorlopige verordening”) een voorlopig antidumpingrecht ingesteld op bepaalde voor- en naspandraad en voor- en naspanstrengen van niet-gelegeerd staal („PSC-draad en -strengen”) van oorsprong uit de Volksrepubliek China („VRC”).

(2)

De procedure werd ingeleid naar aanleiding van een klacht van Eurostress Information Service (ESIS) namens producenten die een groot deel van de totale communautaire productie van PSC-draad en -strengen vertegenwoordigen, in dit geval meer dan 57 %.

(3)

Zoals in overweging 13 van de voorlopige verordening is vermeld, had het onderzoek naar dumping en schade betrekking op de periode van 1 januari 2007 tot en met 31 december 2007 (het „onderzoektijdvak” of „OT”). Het onderzoek naar de ontwikkelingen voor de schadebeoordeling had betrekking op de periode van 1 januari 2004 tot het einde van het onderzoektijdvak („de beoordelingsperiode”).

1.2.   Vervolg van de procedure

(4)

Na de mededeling van de belangrijkste feiten en overwegingen op grond waarvan was besloten voorlopige antidumpingmaatregelen in te stellen („mededeling van de voorlopige bevindingen”) hebben verscheidene belanghebbenden schriftelijk opmerkingen over de voorlopige bevindingen gemaakt. De partijen die verzochten te worden gehoord, zagen hun verzoek ingewilligd. De Commissie heeft alle nadere informatie verzameld en gecontroleerd die zij voor haar definitieve bevindingen noodzakelijk achtte.

(5)

De Commissie heeft haar onderzoek in verband met het belang van de Gemeenschap voortgezet en de gegevens geanalyseerd die sommige gebruikers in de Gemeenschap na de instelling van de voorlopige antidumpingmaatregelen in de vragenlijst hadden verstrekt.

(6)

Bij de volgende verwerkende ondernemingen werd ter plaatse een aanvullende controle verricht:

Hormipresa SL, Santa Coloma de Queralt, Spanje;

Grupo Pacadar SA, Madrid, Spanje;

Strongforce Engineering PLC, Dartford, Verenigd Koninkrijk;

Hanson Building Products Limited, Somercotes, Verenigd Koninkrijk.

(7)

Alle belanghebbenden werden in kennis gesteld van de belangrijkste feiten en overwegingen op grond waarvan de Commissie wilde aanbevelen definitieve antidumpingmaatregelen in te stellen op PSC-draad en -strengen van oorsprong uit de VRC en de bedragen die uit hoofde van het voorlopige recht als zekerheid waren gesteld, definitief te innen. De belanghebbenden konden hierover binnen een bepaalde termijn na deze mededeling opmerkingen maken.

(8)

De mondelinge en schriftelijke opmerkingen van de belanghebbenden werden onderzocht en waar nodig werden de bevindingen dienovereenkomstig gewijzigd.

2.   BETROKKEN PRODUCT EN SOORTGELIJK PRODUCT

2.1.   Betrokken product

(9)

Eén belanghebbende voerde aan dat een specifieke soort streng met 19 draden moest worden uitgesloten van de werkingssfeer van de procedure omdat dat product voor zeer specifieke toepassingen werd gebruikt en niet voor betonwapening, hangconstructies of tuibruggen kon worden gebruikt, wat de belangrijkste toepassingen van het betrokken product zijn, en niet in de Gemeenschap werd vervaardigd. De bedrijfstak van de Gemeenschap werd geraadpleegd en bevestigde dat het beschreven product, d.w.z. strengen met 19 draden, maar ook strengen met meer dan 19 draden, niet onder het betrokken product viel. Het argument werd dan ook aanvaard en strengen met 19 of meer draden worden van de productomschrijving uitgesloten.

(10)

Aangezien er geen andere opmerkingen over het betrokken en het soortgelijke product werden ontvangen, worden de overwegingen 14 tot en met 20 van de voorlopige verordening bevestigd.

3.   DUMPING

3.1.   Behandeling als marktgerichte onderneming (BMO)

(11)

Eén Chinese producent-exporteur betwistte de voorlopige bevindingen met betrekking tot de vaststelling van BMO en beweerde dat werd voldaan aan de criteria van artikel 2, lid 7, onder c), eerste, tweede en derde criterium, van de basisverordening.

(12)

Wat het eerste criterium van artikel 2, lid 7, onder c), van de basisverordening betreft, werd tijdens het onderzoek met betrekking tot BMO geconstateerd dat de door de betrokken producent-exporteur gemaakte elektriciteitskosten, die een belangrijk deel van de totale productiekosten uitmaken, niet betrouwbaar waren. De elektriciteitskosten bleken te worden gefactureerd via een derde onderneming in vereffening (in plaats van rechtstreeks door de stroomleverancier). Als verklaring werd gegeven dat de onderneming in vereffening, die oorspronkelijk de eigenaar was van de productiefaciliteiten waar het betrokken product werd vervaardigd, maar intussen in vereffening was, nog steeds als eigenaar van de faciliteiten werd beschouwd. De elektriciteitsmaatschappij factureerde daarom nog steeds alle stroomverbruik aan de onderneming in vereffening, die deze kosten op haar beurt aan de betrokken producent-exporteur doorfactureerde.

(13)

Uit controle bleek echter dat de producent-exporteur de productiefaciliteiten in 2007, in het OT, heeft gekocht en ten minste gedurende een deel van het OT de rechtmatige eigenaar van de productiefaciliteiten was. Bovendien bleken de aangegeven bedragen niet te kloppen met de rekeningen van de producent-exporteur. Ten slotte heeft de onderneming na de mededeling van de voorlopige bevindingen geen informatie of bewijsmateriaal ter staving van de betrouwbaarheid van de elektriciteitskosten verstrekt waardoor de voorlopige bevindingen op dit punt hadden kunnen worden weerlegd.

(14)

Dezelfde producent-exporteur herhaalde dat de beperkte duur van zijn bedrijfsvergunning niet wees op een staatsinmenging van betekenis in de zin van het eerste criterium van artikel 2, lid 7, onder c), van de basisverordening, zoals tijdens het onderzoek inzake BMO werd vastgesteld. In dit verband zij opgemerkt dat de beperkte duur van de bedrijfsvergunning een obstakel voor de ondernemingsbesluiten en -planning op lange termijn bleek te zijn. Er werd met name geconstateerd dat ondernemingen in soortgelijke situaties doorgaans over een bedrijfsvergunning met een aanzienlijk langere duur beschikken. Na de mededeling van de voorlopige bevindingen kon echter worden verduidelijkt dat de verlenging van de bedrijfsvergunning van de producent-exporteur gewoon een formaliteit was die niet meer als een obstakel voor de ondernemingsbesluiten en -planning op lange termijn kon worden beschouwd.

(15)

Op grond van het bovenstaande werd geconcludeerd dat de duur van de bedrijfsvergunning in dit specifieke geval inderdaad niet kan worden aangemerkt als staatsinmenging van betekenis in de zin van het eerste criterium van artikel 2, lid 7, onder c), van de basisverordening, en werden de argumenten van de producent-exporteur aanvaard. De voorlopige bevindingen werden dienovereenkomstig herzien.

(16)

De betrokken producent-exporteur betwistte ook de bevinding dat hij niet voldeed aan de voorwaarden van het tweede criterium van artikel 2, lid 7, onder c), van de basisverordening, volgens welke hij moet beschikken over een duidelijke basisboekhouding die in overeenstemming met de internationaal geldende normen wordt gecontroleerd. Uit het onderzoek inzake BMO is gebleken dat aanzienlijke bedragen van een recurrente lening onder een verkeerde post werden geboekt. Hoewel de producent-exporteur beweerde dat deze bevinding niet strookte met de realiteit, heeft hij geen overtuigende verklaring gegeven of deugdelijk bewijsmateriaal verstrekt om zijn bewering te staven. Dit argument moest bijgevolg worden afgewezen.

(17)

Ten slotte beweerde de producent-exporteur dat er geen verstoringen van betekenis waren die nog voortvloeien uit het vroegere systeem zonder markteconomie, als bedoeld in het derde criterium van artikel 2, lid 7, onder c), van de basisverordening. De producent-exporteur betwistte met name de bevinding dat hij geld kon lenen tegen een rentetarief dat aanzienlijk onder het markttarief lag. De producent-exporteur heeft echter geen nieuwe informatie of nieuw bewijsmateriaal verstrekt waardoor de voorlopige bevindingen op dit punt konden worden weerlegd. Dit argument werd dan ook afgewezen.

(18)

Op grond van het bovenstaande en in weerwil van de bevindingen in overweging 14 worden de bevindingen inzake BMO ten aanzien van deze producent-exporteur, zoals beschreven in overweging 35 van de voorlopige verordening, bevestigd.

(19)

Aangezien geen andere opmerkingen over de vaststelling van BMO werden ontvangen, worden de voorlopige bevindingen in de overwegingen 25 tot en met 36 van de voorlopige verordening bevestigd.

3.2.   Individuele behandeling (IB)

(20)

De producent-exporteur aan wie geen IB werd toegekend, beweerde dat zijn besluitvorming voldoende vrij was van staatsinmenging in de zin van artikel 9, lid 5, onder c), van de basisverordening.

(21)

Ter staving van deze bewering kon de producent-exporteur de samenstelling van de raad van bestuur van de onderneming en de stemrechten van de aandeelhouders verduidelijken. Zo kon de producent-exporteur aantonen dat hij bij de vaststelling van zijn prijzen voldoende vrij was van mogelijke staatsinmenging in de zin van artikel 9, lid 5, onder c), van de basisverordening. Bovendien kon de producent-exporteur, zoals vermeld in overweging 14, ook aantonen dat de duur van zijn bedrijfsvergunning niet als staatsinmenging van betekenis kon worden aangemerkt. Bijgevolg moet, daar deze producent-exporteur voldeed aan de in artikel 9, lid 5, van de basisverordening vermelde eisen voor IB, een individueel definitief recht worden berekend dat geldt voor de door hem vervaardigde en uitgevoerde producten.

(22)

Wat twee van de producenten-exporteurs betreft aan wie IB werd toegekend, is uit nieuwe informatie die na de instelling van de voorlopige maatregelen beschikbaar is gekomen, gebleken dat leidinggevende medewerkers van deze ondernemingen deel uitmaakten van overheidsinstanties in de zin van artikel 9, lid 5, onder c), van de basisverordening. Beide ondernemingen lieten deze informatie weg in hun verzoek om BMO/IB.

(23)

Het weglaten van deze informatie werd misleidend geacht in de zin van artikel 18, lid 1, van de basisverordening, zodat de in hun respectieve verzoeken om BMO/IB verstrekte informatie niet in aanmerking kon worden genomen. De betrokken ondernemingen werden overeenkomstig artikel 18, lid 4, van de basisverordening in de gelegenheid gesteld nadere toelichtingen te verstrekken. Geen van de betrokken ondernemingen heeft echter toelichtingen verstrekt die voldoening schonken. Op grond daarvan werd de bovengenoemde ondernemingen IB geweigerd.

(24)

Wat de derde onderneming betreft waaraan IB werd toegekend, betwijfelde de bedrijfstak van de Gemeenschap of de onderneming wel volledig in buitenlandse handen was en of zij bijgevolg wel voldeed aan het criterium van artikel 9, lid 5, onder c), van de basisverordening. Alle betalingen en overschrijvingen die bij de aankoop van de onderneming zijn gedaan, konden tijdens het onderzoek worden gecontroleerd en bleken te kloppen, waardoor bevestigd werd dat de onderneming volledig in buitenlandse handen was. Dit argument moest bijgevolg worden afgewezen.

4.   NORMALE WAARDE

4.1.   Referentieland

(25)

Enkele belanghebbenden beweerden dat de keuze van het referentieland niet geschikt was. Er werd met name aangevoerd dat, aangezien er op de Turkse markt slechts één producent van PSC-draad en -strengen was, de mate van concurrentie in Turkije ontoereikend was om de normale waarde te baseren op gegevens van die producent.

(26)

Deze partijen hebben in dit verband echter geen nieuw bewijsmateriaal overgelegd, maar alleen de argumenten herhaald die zij vóór de instelling van de voorlopige maatregelen hadden aangevoerd. Zoals vermeld in overweging 44 van de voorlopige verordening was de invoer in Turkije, ook al was er maar één producent in Turkije, aanzienlijk, d.w.z. dat hij meer dan 50 % van de totale markt uitmaakte. Op basis daarvan en aangezien geen van de producenten van andere mogelijke referentielanden aan dit onderzoek heeft meegewerkt, wordt bevestigd dat Turkije een geschikt referentieland is in de zin van artikel 2, lid 7, onder a), van de basisverordening.

(27)

Daar geen andere opmerkingen over het referentieland werden ontvangen, worden de voorlopige conclusies in de overwegingen 40 tot en met 45 van de voorlopige verordening bevestigd.

4.2.   Methode voor de berekening van de normale waarde

(28)

Eén producent-exporteur voerde aan dat de gebruikte normale waarde niet geschikt was, aangezien voor de meeste productsoorten, zoals vermeld in de overwegingen 48 en 49 van de voorlopige verordening, de normale waarde werd berekend op basis van de fabricagekosten van de Turkse producent. Deze producent-exporteur beweerde dat de normale waarde voor de door de Chinese exporteurs uitgevoerde productsoorten had moeten worden gebaseerd op de productiekosten van de Chinese exporteurs zelf.

(29)

Er zij op gewezen dat artikel 2, lid 7, onder a), van de basisverordening uitdrukkelijk bepaalt dat de normale waarde wordt vastgesteld aan de hand van de prijs of de berekende waarde in een land met markteconomie. Uit het feit dat de normale waarde werd vastgesteld op basis van berekende waarden, mag dan ook niet worden geconcludeerd dat de gebruikte waarden ongeschikt waren. Er zij opgemerkt dat, aangezien geen BMO aan de exporteur in kwestie werd toegekend, zijn kosten betreffende de uitgevoerde modellen als onbetrouwbaar werden beschouwd. De keuze van een referentieland heeft tot doel betrouwbare kosten en prijzen vast te stellen op basis van de in een geschikt referentieland verzamelde informatie. Aangezien werd vastgesteld dat Turkije een geschikte keuze was, waren er geen redenen om aan te nemen dat de kosten betreffende het betrokken product onbetrouwbaar of ongeschikt waren.

(30)

De producent-exporteur in kwestie gaf geen specifieke reden op (behalve die in overweging 25) waarom de keuze van het referentieland ongeschikt was; hij gaf met name niet aan op welke grond werd aangenomen dat de door hem vervaardigde en verkochte productsoorten en de door de producent in het referentieland vervaardigde en verkochte productsoorten niet vergelijkbaar waren. Bijgevolg moesten deze argumenten worden afgewezen.

(31)

Aangezien geen andere opmerkingen over de methode voor de berekening van de normale waarde werden ontvangen, worden de voorlopige conclusies in de overwegingen 46 tot en met 50 van de voorlopige verordening bevestigd.

4.3.   Uitvoerprijs

(32)

De in overweging 52 van de voorlopige verordening vermelde producent-exporteur die exporteerde via zijn verbonden importeur in de Gemeenschap, betoogde dat bij de berekening van de uitvoerprijs overeenkomstig artikel 2, lid 9, van de basisverordening gebruik had moeten worden gemaakt van de werkelijke winst die de verbonden importeur op de wederverkoop van PSC-draad en -strengen in de Gemeenschap had geboekt.

(33)

Hierbij zij opgemerkt dat de verkoopprijzen tussen verbonden partijen als onbetrouwbaar worden beschouwd vanwege de band tussen de koper en de verkoper. Bijgevolg moet de winstmarge die het resultaat is van wederverkoop, ook als onbetrouwbaar worden beschouwd. De producent-exporteur heeft geen bewijsmateriaal verstrekt waaruit blijkt dat de winstmarge van zijn verbonden importeur wel betrouwbaar is. Dit argument moest bijgevolg worden afgewezen.

(34)

Er zij opgemerkt dat de in overweging 32 vermelde producent-exporteur IB werd geweigerd om de in de overwegingen 22 en 23 vermelde redenen; aangezien zijn dumpingmarge bijgevolg werd vastgesteld op basis van de in overweging 41 beschreven methode, is de kwestie van de methode die werd toegepast voor het vaststellen van de uitvoerprijs van die producent-exporteur, van geen belang meer.

(35)

Met betrekking tot één van de producenten-exporteurs aan wie IB werd toegekend, twijfelde de bedrijfstak van de Gemeenschap aan de betrouwbaarheid van de door hem opgegeven uitvoerprijs. Er werd aangevoerd dat de geringe hoeveelheid die in het OT werd uitgevoerd, en de bijzondere omstandigheden (met name het feit dat voor het uitgevoerde product niet het vereiste goedkeuringscertificaat was afgegeven) wezen op een band tussen de importeur en de producent-exporteur en dat de desbetreffende uitvoerprijs daarom buiten beschouwing moest worden gelaten. De bedrijfstak van de Gemeenschap kon echter geen bewijsmateriaal ter staving van zijn argument verstrekken. Bovendien is uit het onderzoek niet gebleken dat er een band bestaat tussen de producent-exporteur en de niet-verbonden importeur. Dit argument moest bijgevolg worden afgewezen.

(36)

Daar geen andere opmerkingen over de vaststelling van de uitvoerprijs werden ontvangen, worden de voorlopige conclusies in overweging 51 van de voorlopige verordening bevestigd.

4.4.   Vergelijking

(37)

Daar geen andere opmerkingen over de vergelijking tussen de normale waarde en de uitvoerprijs werden ontvangen, worden de voorlopige conclusies in de overwegingen 53 en 54 van de voorlopige verordening bevestigd.

5.   DUMPINGMARGES

5.1.   Medewerkende producenten aan wie IB werd toegekend

(38)

Voor de ondernemingen waaraan IB werd toegekend, werd de gewogen gemiddelde normale waarde vergeleken met de gewogen gemiddelde uitvoerprijs, zoals bepaald in artikel 2, leden 11 en 12, van de basisverordening.

(39)

De definitieve gewogen gemiddelde dumpingmarge, uitgedrukt als percentage van de cif-prijs, grens Gemeenschap, vóór inklaring, bedraagt:

Onderneming

Definitieve dumpingmarge

Kiswire Qingdao, Ltd, Qingdao

26,8 %

Ossen MaanShan Steel Wire and Co. Ltd, Maanshan, en Ossen Jiujiang Steel Wire Cable Co. Ltd, Jiujiang

49,8 %

5.2.   Alle andere producenten-exporteurs

(40)

Zoals vermeld in overweging 57 van de voorlopige verordening was de mate van medewerking gering.

(41)

Het werd daarom passend geacht om de voor het gehele land geldende dumpingmarge te bepalen op basis van gegevens die zijn verstrekt door ondernemingen waaraan BMO noch IB werd toegekend.

(42)

Op basis daarvan werd de voor het gehele land geldende dumpingmarge voor alle producenten-exporteurs aan wie geen IB werd toegekend, vastgesteld op 50,0 % van de cif-prijs, grens Gemeenschap, vóór inklaring.

6.   SCHADE

6.1.   Communautaire productie en definitie van de bedrijfstak van de Gemeenschap

(43)

Aangezien geen opmerkingen over de productie en de definitie van de bedrijfstak van de Gemeenschap werden ontvangen, worden de overwegingen 60 tot en met 63 van de voorlopige verordening bevestigd.

6.2.   Verbruik in de Gemeenschap

(44)

Aangezien geen opmerkingen over het verbruik in de Gemeenschap werden ontvangen, worden de overwegingen 64, 65 en 66 van de voorlopige verordening bevestigd.

6.3.   Invoer in de Gemeenschap uit de VRC

(45)

Eén belanghebbende beweerde dat de gemiddelde prijs van de Chinese invoer vergelijkbaar was met de gemiddelde verkoopprijs van de bedrijfstak van de Gemeenschap. In dit verband is uit de bevindingen van de Commissie, die voor de prijzen bij invoer uit de VRC zijn gebaseerd op gegevens van Eurostat en voor de bedrijfstak van de Gemeenschap op gecontroleerde gegevens, gebleken dat deze bewering niet juist was. Dit argument moest daarom worden afgewezen.

(46)

Aangezien geen andere opmerkingen ter zake werden ontvangen, worden de overwegingen 67 tot en met 70 van de voorlopige verordening bevestigd.

6.4.   Situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap

(47)

Eén gebruiker voerde aan dat de gemiddelde prijzen van de bedrijfstak van de Gemeenschap in 2004 en 2005 hoger waren dan die in de voorlopige verordening en dus niet juist waren. Met betrekking tot dit argument moet worden beklemtoond dat de onderhavige bevindingen het resultaat zijn van een onderzoek op EU-niveau en niet op regionaal of nationaal niveau. Daar de belanghebbende in verband hiermee geen bewijsmateriaal had verstrekt, moest dit argument worden afgewezen.

(48)

Aangezien geen andere opmerkingen over de situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap werden ontvangen, wordt de conclusie in de overwegingen 71 tot en met 91 van de voorlopige verordening, namelijk dat de bedrijfstak van de Gemeenschap aanmerkelijke schade heeft geleden, bevestigd.

7.   OORZAKELIJK VERBAND

7.1.   Gevolgen van de invoer met dumping

(49)

Enkele belanghebbenden beweerden dat het marktaandeel van de Chinese invoer niet groot genoeg was om de door de bedrijfstak van de Gemeenschap geleden schade te veroorzaken. Zoals in overweging 93 van de voorlopige verordening duidelijk wordt aangetoond, vielen de enorme stijging met 2 106 % van de omvang van de invoer met dumping tussen 2004 en het einde van het OT en de gelijktijdige stijging van het marktaandeel in de Gemeenschap van 0,4 % in 2004 tot 8,2 % in het OT, alsmede de prijsonderbieding van 18 % die tijdens het OT werd vastgesteld, in de tijd samen met de verslechtering van de economische situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap.

(50)

Bovendien zijn de gemiddelde Chinese prijzen tussen 2004 en het einde van het OT met 45 % gedaald, hoewel de kosten van de belangrijkste grondstof, walsdraad, die 75 % van de fabricagekosten uitmaken, zijn gestegen en alle marktdeelnemers de invloed daarvan hadden moeten ondervinden. Derhalve wordt geconcludeerd dat de druk als gevolg van de invoer met dumping, waarvan de hoeveelheden en het marktaandeel vanaf 2006 aanmerkelijk stegen, in belangrijke mate bijdroeg tot de door de bedrijfstak van de Gemeenschap geleden schade. Dit argument wordt daarom afgewezen.

(51)

Op grond daarvan worden de bevindingen en conclusies in de overwegingen 92, 93 en 94 van de voorlopige verordening bevestigd.

7.2.   Gevolgen van andere factoren

(52)

Enkele belanghebbenden beweerden dat de door de bedrijfstak van de Gemeenschap geleden schade werd veroorzaakt door invoer uit andere derde landen. Zoals vermeld in de overwegingen 95 en 96 van de voorlopige verordening is de omvang van de invoer uit andere derde landen van 2004 tot het einde van het OT met 112 % toegenomen. De gemiddelde prijzen van deze invoer lagen echter ver boven die van de Chinese producenten-exporteurs en zelfs boven die van de bedrijfstak van de Gemeenschap. Deze invoer kon derhalve niet medeoorzaak zijn geweest van de schade die de bedrijfstak van de Gemeenschap heeft geleden.

(53)

Twee van de andere derde landen die samen een marktaandeel van 2,5 % hebben, bleken prijzen te hanteren die onder de invoerprijzen van het betrokken product uit de VRC lagen. Aangezien het hierbij echter om relatief beperkte hoeveelheden ging, is dit niet voldoende om het oorzakelijke verband tussen de invoer met dumping uit de VRC en de door de bedrijfstak van de Gemeenschap geleden schade te verbreken.

(54)

Op grond daarvan worden de bevindingen en conclusies in de overwegingen 95 en 96 van de voorlopige verordening bevestigd.

7.3.   Uitvoerprestaties van de in de steekproef opgenomen bedrijfstak van de Gemeenschap

(55)

Volgens sommige belanghebbenden werd de door de bedrijfstak van de Gemeenschap geleden schade veroorzaakt door uitvoer tegen prijzen onder de productiekosten. De uitvoer naar niet-EU-landen vertegenwoordigde in het OT slechts ongeveer 14 % van de totale verkoop van het soortgelijk product door de bedrijfstak van de Gemeenschap. Deze uitvoer is van 2004 tot het einde van het OT met ongeveer 16 % gestegen. De verkoopprijs per eenheid van de uitvoer van de communautaire producenten is echter met 8 % gedaald van 715 EUR per ton in 2004 tot 660 EUR per ton in het OT. Zoals in overweging 98 van de voorlopige verordening wordt uitgelegd, kan niet worden aangenomen dat deze verkoop plaatsvond tegen prijzen onder de productiekosten, aangezien er heel wat verschillen in kosten en prijzen waren tussen de ondernemingen en in de tijd. De daling van de uitvoerprijs was te wijten aan de sterke neerwaartse prijsdruk die ook op de belangrijkste exportmarkten van de bedrijfstak van de Gemeenschap uitging van de Chinese uitvoer.

(56)

Op grond daarvan worden de bevindingen en conclusies in de overwegingen 97, 98 en 99 van de voorlopige verordening bevestigd.

(57)

Aangezien geen opmerkingen over de stijging van de productiekosten en de concurrentie van andere producenten in de Gemeenschap werden ontvangen, worden de conclusies in de overwegingen 100, 101 en 102 van de voorlopige verordening bevestigd.

7.4.   Conclusie inzake het oorzakelijke verband

(58)

Gezien bovenstaande analyse, waarbij de effecten van alle andere bekende factoren op de situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap naar behoren zijn onderscheiden, en zijn gescheiden van de schadelijke gevolgen van de invoer met dumping, wordt bevestigd dat deze andere factoren er niet aan afdoen dat de aanmerkelijke schade aan de invoer met dumping moet worden toegerekend.

(59)

Derhalve wordt bevestigd dat de invoer met dumping van PSC-draad en -strengen van oorsprong uit de VRC aanmerkelijke schade aan de bedrijfstak van de Gemeenschap heeft toegebracht in de zin van artikel 3, lid 6, van de basisverordening.

(60)

Aangezien er geen andere opmerkingen ter zake werden ontvangen, worden de conclusies in de overwegingen 103 en 104 van de voorlopige verordening bevestigd.

8.   BELANG VAN DE GEMEENSCHAP

8.1.   Belang van de bedrijfstak van de Gemeenschap en van andere communautaire producenten

(61)

Aangezien geen opmerkingen over het belang van de bedrijfstak van de Gemeenschap werden ontvangen, worden de conclusies in de overwegingen 105 tot en met 111 van de voorlopige verordening bevestigd.

8.2.   Belang van de importeurs

(62)

Eén belanghebbende die PSC-draad en -strengen uit de VRC invoert, beweerde dat de instelling van antidumpingmaatregelen ernstige gevolgen voor de situatie van de importeurs zou hebben, daar zij de prijsstijging niet aan hun afnemers zouden kunnen doorberekenen.

(63)

Uit het onderzoek is gebleken dat de winstmarges van de importeurs voor het betrokken product relatief hoog waren. Voorts moet het geringe aandeel van de kosten van het betrokken product in de totale kosten van de afnemers het voor de importeurs mogelijk maken prijsstijgingen aan hen door te berekenen. Bovendien zijn de voorwaarden van hun contracten met de leveranciers niet van die aard dat zij de importeurs verhinderen over te schakelen op andere leveranciers van het betrokken product, zoals ondernemingen met lage of geen rechten of andere leverancierslanden zoals Thailand en Zuid-Afrika. Dit argument moest daarom worden afgewezen.

(64)

Aangezien geen andere opmerkingen ter zake werden ontvangen, worden de bevindingen in de overwegingen 112 tot en met 114 van de voorlopige verordening bevestigd.

8.3.   Belang van de gebruikers

(65)

Enkele belanghebbenden beweerden dat de instelling van antidumpingmaatregelen ernstige gevolgen voor de situatie van de gebruikers van PSC-draad en -strengen zou hebben, daar zij de prijsstijging niet aan hun afnemers zouden kunnen doorberekenen.

(66)

Zoals in de overwegingen 4 en 5 is uiteengezet, werd na de instelling van voorlopige maatregelen bij vier gebruikers ter plaatse nader onderzoek gedaan naar de mogelijke gevolgen van maatregelen voor de situatie van de verwerkende ondernemingen. Bij deze gebruikers ging het in alle gevallen om intermediaire gebruikers die de betonnen elementen voor gewapendbetonconstructies, hangconstructies en tuibruggen produceren en leveren.

(67)

De Commissie kwam tot de bevinding dat het betrokken product voor de meest representatieve gebruiker die werd bezocht, en voor de meeste toepassingen slechts 5 % van zijn totale productiekosten uitmaakte. Gemiddeld kan dit cijfer voor de gebruikers echter oplopen tot 13 %. Het effect van het antidumpingrecht op hun kosten werd op 0 tot 6 % geraamd. Niettemin zal het effect van het recht voor hun eindafnemers (hoofdzakelijk bouwondernemingen) minimaal zijn en in ieder geval lager dan 1 % van hun totale productiekosten. Zij zullen het dus waarschijnlijk niet erg moeilijk hebben om het recht aan hun afnemers door te berekenen. Dit argument moest daarom worden afgewezen.

(68)

Eén belanghebbende beweerde dat de instelling van antidumpingmaatregelen zal leiden tot een tekort aan PSC-draad en -strengen in het Verenigd Koninkrijk omdat de Britse markt afhankelijk is van invoer. In dit verband mag niet uit het oog worden verloren dat de onderhavige bevindingen zijn gedaan op EU-niveau en niet op regionaal of nationaal niveau. Uit de bevindingen komt echter naar voren dat, ook als alleen naar de Britse markt wordt gekeken, de onderzochte Britse producenten over een grote reservecapaciteit beschikken om in de behoeften van de markt te voorzien. Bovendien heeft de bedrijfstak van de Gemeenschap in zijn geheel een voldoende grote reservecapaciteit om het totale verbruik van de Europese Unie te dekken. Dit argument moest daarom worden afgewezen.

(69)

Enkele belanghebbenden beweerden dat er in de Gemeenschap in de sector PSC-draad en -strengen een kartel bestaat. In dit verband zij opgemerkt dat de Commissie in oktober 2008 een mededeling van punten van bezwaar heeft doen toekomen aan een aantal ondernemingen die actief zijn op het gebied van de levering van voorspanstaal. De Commissie heeft hierover echter nog geen definitief besluit genomen. De verzending van een mededeling van punten van bezwaar prejudicieert immers niet op het uiteindelijke resultaat van de procedure. Mocht het bestaan van een kartel op de communautaire markt alsnog worden aangetoond, dan kunnen de maatregelen zo nodig worden herzien.

(70)

Aangezien geen andere opmerkingen ter zake werden ontvangen, worden de bevindingen in de overwegingen 115, 116 en 117 van de voorlopige verordening bevestigd.

8.4.   Conclusie inzake het belang van de Gemeenschap

(71)

Gezien de resultaten van het nadere onderzoek naar het belang van de Gemeenschap worden de bevindingen in overweging 118 van de voorlopige verordening bevestigd.

9.   DEFINITIEVE ANTIDUMPINGMAATREGELEN

9.1.   Schademarge

(72)

Verscheidene belanghebbenden betwistten de voorlopige bevinding dat een onderneming in deze sector onder normale concurrentievoorwaarden redelijkerwijs een winstmarge van 8,5 % kan behalen.

(73)

Eén belanghebbende voerde aan dat de winstgevendheid in 2005 niet in aanmerking mocht worden genomen bij de berekening van de winstmarge van de bedrijfstak van de Gemeenschap omdat dat een buitengewoon voorspoedig jaar voor de sector was. Dat bleek inderdaad het geval te zijn en het argument werd dan ook aanvaard. Als gevolg daarvan werd voor de berekening van de schademarge een winstmarge van 6,2 % gebruikt; dat is de winstmarge die werd gerealiseerd in 2004, toen de uit de VRC ingevoerde hoeveelheden niet aanzienlijk waren en de prijzen boven die van de bedrijfstak van de Gemeenschap lagen.

(74)

De noodzakelijke prijsverhoging werd vervolgens berekend door vergelijking van de gewogen gemiddelde invoerprijs, die bij de berekening van de prijsonderbieding was vastgesteld, met de geen schade veroorzakende prijs van producten die door de bedrijfstak van de Gemeenschap op de communautaire markt worden verkocht. Het verschil dat deze vergelijking opleverde, werd vervolgens uitgedrukt als percentage van de totale cif-waarde bij invoer.

(75)

Eén belanghebbende voerde aan dat de gewogen gemiddelde onderbiedingsmarge moest worden berekend door de hoeveelheid van elke productsoort die door de bedrijfstak van de Gemeenschap werd verkocht, als wegingsfactor te gebruiken. Het behoort tot de vaste praktijk om de cif-waarde van de uitvoer van elke productsoort als wegingsfactor te gebruiken voor de berekening van de gewogen gemiddelde onderbiedingsmarge. De motivering voor deze berekening is dat, als een op deze wijze berekend recht wordt toegepast op de verkoop van de onderneming in het OT, dit zou resulteren in een onderbieding van 0 %, d.w.z. een geen schade veroorzakende prijs. Dit zou niet het geval zijn indien de door de bedrijfstak van de Gemeenschap verkochte hoeveelheid van elke productsoort als wegingsfactor werd gebruikt, zoals werd gevraagd.

(76)

De schademarge van één van de in overweging 24 vermelde Chinese producenten-exporteurs aan wie IB werd toegekend, werd opnieuw berekend wegens een administratieve fout bij de voorlopige vaststelling. Het resultaat daarvan was een schademarge van minder dan 2 %, wat als minimaal werd beschouwd. Bijgevolg hoeft geen antidumpingrecht te worden ingesteld met betrekking tot de invoer van het betrokken product dat door die onderneming wordt vervaardigd.

(77)

Aangezien geen andere opmerkingen over de schademarge werden ontvangen, worden de overwegingen 119 tot en met 122 van de voorlopige verordening bevestigd.

(78)

De voor het gehele land geldende schademarge werd herberekend op basis van gegevens die zijn verstrekt door ondernemingen waaraan BMO noch IB werd toegekend.

9.2.   Vorm en hoogte van de rechten

(79)

Gelet op het voorgaande moeten overeenkomstig artikel 9, lid 4, van de basisverordening definitieve antidumpingrechten worden ingesteld die hoog genoeg zijn om een eind te maken aan de door de invoer met dumping veroorzaakte schade, maar die het niveau van de vastgestelde dumpingmarge niet mogen overschrijden.

(80)

De definitieve rechten zijn als volgt:

Onderneming

Dumpingmarge

Schademarge

Definitief antidumpingrecht

Kiswire Qingdao, Ltd, Qingdao

26,8 %

0 %

0 %

Ossen MaanShan Steel Wire and Co. Ltd, Maanshan, en Ossen Jiujiang Steel Wire Cable Co. Ltd, Jiujiang

49,8 %

31,1 %

31,1 %

Alle andere ondernemingen

50,0 %

46,2 %

46,2 %

(81)

De bij deze verordening vastgestelde individuele antidumpingrechten voor bepaalde ondernemingen zijn gebaseerd op de bevindingen van dit onderzoek. Zij weerspiegelen daarom de situatie die bij dit onderzoek voor die ondernemingen werd vastgesteld. Deze rechten (in tegenstelling tot het voor het gehele land geldende recht dat van toepassing is op „alle andere ondernemingen”) zijn dus uitsluitend van toepassing op de invoer van producten van oorsprong uit het betrokken land die vervaardigd zijn door de genoemde ondernemingen. De rechten zijn niet van toepassing op ingevoerde producten die zijn vervaardigd door andere, niet specifiek in het dispositief van deze verordening met naam en adres genoemde ondernemingen, ook al gaat het hierbij om entiteiten die verbonden zijn met de specifiek genoemde ondernemingen; op die producten is het recht van toepassing dat geldt voor „alle andere ondernemingen”.

(82)

Verzoeken in verband met de toepassing van dit specifiek voor de genoemde onderneming geldende antidumpingrecht (bv. na een naamswijziging van de entiteit of na de oprichting van nieuwe productie- of verkoopmaatschappijen) dienen onverwijld aan de Commissie (3) te worden gericht, onder opgave van alle relevante gegevens, met name indien deze naamswijziging of de oprichting van nieuwe productie- of verkoopmaatschappijen verband houdt met wijzigingen in de activiteiten van de onderneming op het gebied van productie en de verkoop in binnen- en buitenland. Indien het verzoek gerechtvaardigd is, zal de verordening dienovereenkomstig worden gewijzigd door bijwerking van de lijst van ondernemingen waarvoor een individueel recht geldt.

9.3.   Definitieve inning van de voorlopige rechten

(83)

Gezien de hoogte van de vastgestelde dumpingmarges en de ernst van de schade die de bedrijfstak van de Gemeenschap heeft geleden, wordt het noodzakelijk geacht de bedragen die als zekerheid zijn gesteld uit hoofde van het bij de voorlopige verordening ingestelde voorlopige antidumpingrecht, definitief te innen tot het bedrag van het ingestelde definitieve recht. Wanneer het definitieve recht lager is dan het voorlopige recht, moeten de voorlopige, als zekerheid gestelde bedragen die het bedrag van het definitieve recht overschrijden, worden vrijgegeven. Wanneer het definitieve recht hoger is dan het voorlopige recht, wordt uitsluitend het bedrag dat uit hoofde van het voorlopige recht als zekerheid werd gesteld, definitief geïnd. Voorlopig als zekerheid gestelde bedragen voor producten die, overeenkomstig overweging 9, van de productomschrijving zijn uitgesloten, moeten worden vrijgegeven.

9.4.   Speciaal toezicht

(84)

Om, gelet op het grote verschil in de hoogte van de rechten tussen de producenten-exporteurs, het gevaar van ontwijking van de rechten zoveel mogelijk te beperken, moeten in dit geval bijzondere maatregelen worden genomen om de goede toepassing van de antidumpingrechten te garanderen. De bijzondere maatregelen omvatten onder meer:

(85)

De overlegging aan de douaneautoriteiten van de lidstaten van een geldige handelsfactuur die voldoet aan de vereisten die zijn vermeld in de bijlage bij deze verordening. Voor invoer die niet van een dergelijke factuur vergezeld gaat, geldt het residuele antidumpingrecht dat van toepassing is op alle andere exporteurs.

(86)

Indien het volume van de uitvoer door de ondernemingen die een lager individueel recht genieten, na de instelling van de maatregelen in kwestie aanzienlijk toeneemt, kan dit op zich worden beschouwd als een verandering in de structuur van het handelsverkeer als gevolg van de instelling van maatregelen in de zin van artikel 13, lid 1, van de basisverordening. In dergelijke omstandigheden kan, mits aan de voorwaarden is voldaan, een onderzoek naar ontwijking van de maatregelen worden geopend. Hierbij kan onder meer worden onderzocht of het nodig is de individuele rechten in te trekken en een voor het gehele land geldend recht in te stellen.

10.   VERBINTENISSEN

(87)

Na de bekendmaking van de belangrijkste feiten en overwegingen op basis waarvan werd overwogen de instelling van definitieve antidumpingmaatregelen aan te bevelen, heeft één van de producenten-exporteurs aan wie individuele behandeling werd toegekend, overeenkomstig artikel 8, lid 1, van de basisverordening een prijsverbintenis aangeboden.

(88)

Dit aanbod werd onderzocht en de prijzen van het product bleken in het OT uiterst variabel te zijn; voor de bovenvermelde onderneming kon het verschil tussen de laagste en de hoogste verkoopprijs aan de Europese Unie voor dezelfde productcategorie wel 46 % bedragen. Bovendien werden in de beoordelingsperiode ook aanzienlijke prijsschommelingen geconstateerd voor de verkoopprijzen van de bedrijfstak van de Gemeenschap. Daarom is het product niet geschikt voor een vaste prijsverbintenis. De onderneming bood aan de minimumprijs te indexeren op basis van de prijsontwikkeling voor een grondstof, namelijk walsdraad. Bij gebrek aan publiekelijk beschikbare prijsinformatie voor de in het betrokken product gebruikte grondstof en gezien de tegengestelde prijsontwikkeling voor een vergelijkbare grondstof, namelijk walsdraad van gaaskwaliteit, kon echter geen verband worden gelegd tussen de verkoopprijzen van het eindproduct in de Gemeenschap en de belangrijkste grondstof. Het aanbod van een verbintenis wordt beschouwd als niet-uitvoerbaar in de zin van artikel 8, lid 3, van de basisverordening, aangezien de vastgestelde schadelijke gevolgen van dumping daardoor niet zouden worden opgeheven.

(89)

Bovendien bestaan er talrijke verschillende soorten van het betrokken product. Om de gevraagde rapportering in het kader van het onderzoek te vergemakkelijken, heeft de onderneming de productindelingscriteria vereenvoudigd en aldus het aantal vervaardigde en verkochte productsoorten gegroepeerd. Dit verandert echter niets aan het feit dat de onderneming in het OT verschillende soorten draad en strengen vervaardigde en aan de Europese Unie verkocht. Om het risico van kruiscompensatie tussen verschillende productsoorten te beperken, bood de onderneming aan zich aan drie minimuminvoerprijzen te houden, één voor PSC-draad en twee voor PSC-strengen, afhankelijk van de diameter. Om de in overweging 88 genoemde redenen kon de door de betrokken producent-exporteur aangeboden verbintenis echter niet worden aanvaard.

11.   NAAMSWIJZIGING

(90)

Eén van de betrokken producenten-exporteurs, een groep die bestaat uit twee verwante ondernemingen, namelijk Ossen MaanShan Steel Wire and Co. Ltd, Maanshan, en Ossen Jiujiang Steel Wire Cable Co. Ltd, Jiujiang, wijzigde zijn naam na het OT tijdens dit onderzoek in Ossen Innovation Materials Co. Joint Stock Company Ltd, Maanshan, en Ossen Jiujiang Steel Wire Cable Co. Ltd, Jiujiang.

(91)

De wijziging leidt niet tot wezenlijke veranderingen die van invloed zijn op de bevindingen van dit onderzoek, zodat geconcludeerd werd dat de definitieve bevindingen betreffende Ossen MaanShan Steel Wire and Co. Ltd, Maanshan, en Ossen Jiujiang Steel Wire Cable Co. Ltd, Jiujiang van toepassing zijn op Ossen Innovation Materials Co. Joint Stock Company Ltd, Maanshan, en Ossen Jiujiang Steel Wire Cable Co. Ltd, Jiujiang,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   Er wordt een definitief antidumpingrecht ingesteld op niet-beklede draad van niet-gelegeerd staal, verzinkte draad van niet-gelegeerd staal en strengen van niet-gelegeerd staal (al dan niet bekleed) met niet meer dan 18 draden, bevattende 0,6 of meer gewichtspercenten koolstof, met een grootste afmeting der dwarsdoorsnede van meer dan 3 mm, ingedeeld onder de GN-codes ex 7217 10 90, ex 7217 20 90, ex 7312 10 61, ex 7312 10 65 en ex 7312 10 69 (Taric-codes 7217109010, 7217209010, 7312106111, 7312106191, 7312106511, 7312106591, 7312106911 en 7312106991), van oorsprong uit de Volksrepubliek China.

2.   Het antidumpingrecht, dat van toepassing is op de nettoprijs, franco grens Gemeenschap, vóór inklaring, voor de in lid 1 omschreven producten die door onderstaande ondernemingen zijn geproduceerd, is als volgt:

Onderneming

Antidumpingrecht

Aanvullende Taric-code

Kiswire Qingdao, Ltd, Qingdao

0 %

A899

Ossen Innovation Materials Co. Joint Stock Company Ltd, Maanshan, en Ossen Jiujiang Steel Wire Cable Co. Ltd, Jiujiang

31,1 %

A952

Alle andere ondernemingen

46,2 %

A999

3.   De toepassing van het individuele antidumpingrecht dat is vastgesteld voor de in lid 2 vermelde onderneming, is afhankelijk van de overlegging aan de douaneautoriteiten van de lidstaten van een geldige handelsfactuur die voldoet aan de in de bijlage vermelde vereisten. Als een dergelijke factuur niet wordt overgelegd, wordt het antidumpingrecht dat voor alle andere ondernemingen geldt, toegepast.

4.   Tenzij anders vermeld, zijn de geldende bepalingen betreffende douanerechten van toepassing.

Artikel 2

De bedragen die als zekerheid zijn gesteld uit hoofde van de bij Verordening (EG) nr. 1129/2008 van de Commissie van 14 november 2008 ingestelde voorlopige antidumpingrechten op bepaalde voor- en naspandraad en voor- en naspanstrengen van niet-gelegeerd staal (PSC-draad en -strengen) van oorsprong uit de Volksrepubliek China, worden definitief geïnd. Voorlopig als zekerheid gestelde bedragen voor niet onder artikel 1, lid 1, vallende goederen worden vrijgegeven.

Artikel 3

Deze verordening treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 5 mei 2009.

Voor de Raad

De voorzitter

M. KALOUSEK


(1)  PB L 56 van 6.3.1996, blz. 1.

(2)  PB L 306 van 15.11.2008, blz. 5.

(3)  Commissie, Directoraat-generaal Handel, Directoraat H, Kamer N-105 4/92, 1049 Brussel, België.


BIJLAGE

De in artikel 1, lid 3, bedoelde geldige handelsfactuur moet een door een medewerker van de onderneming ondertekende verklaring bevatten met de volgende gegevens:

1.

De naam en functie van de medewerker van de onderneming die de handelsfactuur heeft opgesteld.

2.

De volgende verklaring:

„Ondergetekende verklaart dat de [hoeveelheid] PSC-draad en -strengen die naar de Europese Gemeenschap is uitgevoerd en waarop deze factuur betrekking heeft, is vervaardigd door [naam en adres van de onderneming] [aanvullende Taric-code] in [betrokken land]. Ondergetekende verklaart dat de in deze factuur verstrekte informatie juist en volledig is.

Datum en handtekening”


Top