Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32009L0119

Richtlijn 2009/119/EG van de Raad van 14 september 2009 houdende verplichting voor de lidstaten om minimumvoorraden ruwe aardolie en/of aardolieproducten in opslag te houden

OJ L 265, 9.10.2009, p. 9–23 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)
Special edition in Croatian: Chapter 12 Volume 005 P. 82 - 96

In force

ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2009/119/oj

9.10.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 265/9


RICHTLIJN 2009/119/EG VAN DE RAAD

van 14 september 2009

houdende verplichting voor de lidstaten om minimumvoorraden ruwe aardolie en/of aardolieproducten in opslag te houden

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 100,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van het Europees Parlement (1),

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (2),

Na raadpleging van de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming (3),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Het belang van de bevoorrading van de Gemeenschap met ruwe aardolie en aardolieproducten blijft zeer groot, met name voor de vervoerssector en de chemische industrie.

(2)

De toenemende concentratie van de productie, de daling van de oliereserves en de stijging van het mondiale verbruik van olieproducten vergroten het risico van moeilijkheden met de bevoorrading.

(3)

De Europese Raad heeft in haar actieplan (2007-2009) „Energiebeleid voor Europa” benadrukt dat de voorzieningszekerheid moet worden bevorderd, zowel voor de Europese Unie (EU) in haar geheel als voor elke lidstaat, onder meer door een evaluatie van de olievoorradenmechanismen in de Unie, in het bijzonder met betrekking tot de beschikbaarheid ervan bij een crisis.

(4)

Deze doelstelling veronderstelt onder meer dat het communautaire systeem en het systeem van het Internationaal Energieagentschap („het IEA”) beter op elkaar worden afgestemd.

(5)

Volgens de bepalingen van Richtlijn 2006/67/EG van de Raad van 24 juli 2006 houdende verplichting voor de lidstaten om minimumvoorraden ruwe aardolie en/of aardolieproducten in opslag te houden (4), worden de voorraden beoordeeld op basis van het daggemiddelde van het binnenlands verbruik in het voorafgaande kalenderjaar. De krachtens de Overeenkomst betreffende een internationaal energieprogramma van 18 november 1974 („de IEA-Overeenkomst”) opgelegde opslagverplichtingen worden daarentegen beoordeeld op basis van de netto-invoer van ruwe aardolie en aardolieproducten. Om die reden en om andere methodologische verschillen moet de methode van berekening van de opslagverplichtingen, evenals die betreffende de beoordeling van de communautaire veiligheidsvoorraden, worden aangepast, om ze te kunnen afstemmen op de methoden die in het kader van de toepassing van de IEA-Overeenkomst worden gebruikt, zulks ondanks het feit dat de berekeningsmethodes van het IEA in het licht van de technische vooruitgang gedurende de laatste tientallen jaren wellicht dienen te worden herbezien, en het feit dat volledig van invoer afhankelijke landen die geen IEA-lid zijn, een langere periode nodig kunnen hebben om hun opslagverplichtingen aan te passen. Verdere aanpassingen van de voor de berekening van de voorraadniveaus gebruikte methoden en procedures kunnen in het bijzonder noodzakelijk en nuttig blijken om de coherentie met de praktijk van het IEA verder te versterken, zoals bijvoorbeeld bepaalde wijzigingen waardoor het verminderingspercentage van 10 % bij de berekening van de voorraden met betrekking tot bepaalde lidstaten kan worden verlaagd, of de naftavoorraden anders zouden kunnen worden behandeld, of de in tankers in de territoriale wateren van een lidstaat aangehouden voorraden kunnen worden meegeteld.

(6)

Een eigen olieproductie kan op zich bijdragen aan de voorzieningszekerheid en zou dus kunnen rechtvaardigen dat de olieproducerende lidstaten lagere voorraden aanhouden dan de andere lidstaten. Dit mag echter niet leiden tot een substantiële verandering van de opslagverplichtingen ten opzichte van die welke voortvloeien uit Richtlijn 2006/67/EG. Daaruit volgt dat de opslagverplichting van sommige lidstaten op basis van het binnenlands verbruik van aardolie moet worden vastgesteld, en niet op basis van de invoer.

(7)

Volgens de conclusies van het voorzitterschap van de Europese Raad te Brussel van 8 en 9 maart 2007 is de invoering door de Gemeenschap van een geïntegreerd energiebeleid, waarbij initiatieven op Europees en op nationaal niveau met elkaar gecombineerd worden, crucialer en dringender dan ooit tevoren. Daarom is het essentieel de normen die worden gewaarborgd door de nationale voorradenmechanismen beter op elkaar af te stemmen.

(8)

De beschikbaarheid van de olievoorraden en de veiligstelling van de energielevering vormen essentiële elementen van de openbare veiligheid van de lidstaten en de Gemeenschap. Door het bestaan van centrale entiteiten of diensten voor de voorraadvorming in de Gemeenschap wordt de verwezenlijking van deze doelstellingen naderbij gebracht. Om de betrokken lidstaten in staat te stellen hun nationale wetgeving zo goed mogelijk te gebruiken om de status van hun centrale entiteit vast te stellen, terwijl de financiële lasten van deze opslagactiviteiten voor de eindverbruikers worden verminderd, is, in een context waarin de olievoorraden op elke willekeurige plaats in de Gemeenschap en door elke daartoe ingestelde centrale instantie of dienst kunnen worden aangehouden, het verbod op winstoogmerk voldoende.

(9)

Gelet op de doelstellingen van de communautaire wetgeving inzake olievoorraden, in combinatie met de eventuele zorgen om de veiligheid van sommige lidstaten, en de wens om de solidariteitsmechanismen tussen de lidstaten strikter en transparanter te maken, moet de activiteit van de centrale entiteit zo veel mogelijk op het nationale grondgebied worden gericht.

(10)

De olievoorraden moeten op elke willekeurige plaats in de Gemeenschap kunnen worden aangehouden, mits erop wordt toegezien dat zij materieel toegankelijk zijn. Derhalve moeten de marktdeelnemers met opslagverplichtingen zich van deze taak kunnen kwijten door deze te delegeren aan andere marktdeelnemers of aan een centrale entiteit. Indien dit daadwerkelijk zou geschieden tegen een vergoeding die beperkt is tot de kosten van de diensten welke worden geleverd door een vrijelijk op het grondgebied van de Gemeenschap gekozen centrale entiteit, zou bovendien het risico van discriminerende praktijken op nationaal niveau worden verminderd. Dit delegatierecht van een marktdeelnemer houdt niet in dat een andere partij verplicht is de delegatie aan te nemen, tenzij deze richtlijn anders bepaalt. Indien de lidstaten besluiten het delegatierecht van de marktdeelnemers te beperken, moeten ze ervoor waken dat een minimumpercentage voor delegatie gewaarborgd blijft: deze lidstaten moeten er derhalve voor zorgen dat de hoeveelheid die nodig is om dit minimumdrempelpercentage voor het recht van de marktdeelnemers op delegatie van de verplichting om voorraden aan te houden, te waarborgen, door hun centrale entiteit wordt aanvaard.

(11)

De lidstaten moeten voor een absolute beschikbaarheid zorgen van alle voorraden die op grond van de communautaire wetgeving in opslag moeten worden gehouden. Om een dergelijke beschikbaarheid te waarborgen mag het eigendomsrecht met betrekking tot deze voorraden niet in die zin beperkt of begrensd worden, dat het gebruik ervan in geval van verstoring van de olieaanvoer kan worden belemmerd. De aardolieproducten van ondernemingen die een substantieel risico lopen van executieprocedures ten aanzien van hun activa, mogen niet in aanmerking worden genomen. Wanneer aan de marktdeelnemers een opslagverplichting wordt opgelegd, kan de inleiding van een faillissementsprocedure of een faillissementsakkoord als aanwijzing van een dergelijk risico worden beschouwd.

(12)

Opdat de lidstaten bij bijzondere urgentiegevallen of plaatselijke crises snel kunnen reageren, kan het dienstig zijn hun toe te staan in zulke situaties hun voorraden gedeeltelijk te gebruiken. Onder dergelijke urgentiegevallen of plaatselijke crises zouden niet worden verstaan situaties die het gevolg zijn van prijsontwikkelingen van ruwe aardolie en aardolieproducten, maar wel verstoringen van de aanvoer van aardgas waardoor op andere brandstoffen moet worden overgestapt, namelijk het gebruik van ruwe aardolie of aardolieproducten als brandstof voor de productie van energie.

(13)

Gezien de behoeften in verband met de invoering van crisisbeleid, het op elkaar afstemmen van de normen die worden gewaarborgd door de nationale voorraadmechanismen en de noodzaak van een betere zichtbaarheid van de voorraadniveaus, met name bij een crisis, moeten de lidstaten en de Gemeenschap over de middelen voor een strengere controle op deze voorraden beschikken. Voorraden die op grond van bilaterale overeenkomsten worden aangehouden, of contractuele rechten van aankoop van bepaalde voorraadhoeveelheden („tickets”), die aan alle in de huidige richtlijn gestelde verplichtingen voldoen, zijn nuttige middelen om tot deze grotere convergentie te komen.

(14)

Als een groot deel van de voorraden in handen is van de lidstaten of van door de verschillende nationale autoriteiten ingestelde centrale entiteiten, kan het controle- en transparantieniveau, althans voor dat gedeelte van de voorraden, worden verbeterd.

(15)

Om bij te dragen aan een grotere voorzieningszekerheid in de Gemeenschap moeten de door de lidstaten of de centrale entiteiten in eigendom verworven voorraden, de zogenoemde „speciale voorraden”, die de lidstaten zelf hebben ingesteld, voldoen aan de daadwerkelijke behoeften bij een crisis. Zij moeten bovendien een eigen juridische status hebben die waarborgt dat zij bij een crisis absoluut beschikbaar zijn. De betrokken lidstaten moeten dan ook de nodige maatregelen nemen om de voorraden onvoorwaardelijk te vrijwaren tegen alle executoriale maatregelen.

(16)

De hoeveelheden waarvan deze centrale entiteiten of de lidstaten eigenaar moeten worden, moeten in dit stadium onafhankelijk en vrijwillig door elke betrokken lidstaat worden vastgesteld.

(17)

Omdat het controle- en transparantieniveau moet worden verhoogd, dienen veiligheidsvoorraden die geen speciale voorraden zijn aan strengere toezichtseisen te worden onderworpen; in sommige gevallen moeten de lidstaten verplicht worden informatie te verstrekken over de maatregelen inzake de beschikbaarheid van de veiligheidsvoorraden en over veranderingen in de bepalingen over de opslag ervan.

(18)

Schommelingen in het volume van de speciale voorraden, die te wijten zijn aan vervanging van de individuele voorraden, kunnen worden toegestaan met het oog op noodzakelijke operaties, bijvoorbeeld om de versheid van de voorraden te verzekeren, te kunnen voldoen aan veranderde productspecificaties, of een nieuwe aanbesteding voor een opslagcontract uit te schrijven.

(19)

Met betrekking tot veiligheidsvoorraden en speciale voorraden die zijn samengevoegd met andere voorraden van marktdeelnemers moet transparantie van de veiligheidsvoorraadniveaus centraal staan.

(20)

De frequentie van de overzichten van de voorraden en de termijn waarbinnen zij moeten worden verstrekt, zoals vastgesteld in Richtlijn 2006/67/EG, lopen achter bij verschillende olievoorraadsystemen in andere delen van de wereld. In een resolutie over de macro-economische gevolgen van de energieprijsstijging heeft het Europees Parlement zich voorstander verklaard van de vaststelling van een hogere frequentie van informatieverstrekking.

(21)

Ter voorkoming van dubbele informatieverstrekking over de verschillende categorieën producten door de lidstaten moet Verordening (EG) nr. 1099/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2008 betreffende energiestatistieken (5) als referentie worden gebruikt voor de diverse categorieën aardolieproducten die in deze richtlijn zijn bedoeld.

(22)

Om de voorzieningszekerheid te vergroten, de markten vollediger te informeren, de consumenten gerust te stellen over de toestand van de olievoorraden en de middelen voor het doorgeven van informatie te optimaliseren, moet worden geregeld dat de wijze van opstelling van de statistische overzichten en de wijze van bekendmaking ervan later kunnen worden gewijzigd en gepreciseerd.

(23)

Ter verwezenlijking van dezelfde doelstellingen moeten ook voor andere voorraden dan de veiligheidsvoorraden en de speciale voorraden statistische overzichten worden opgesteld en verstrekt, en moet worden bepaald dat deze overzichten maandelijks worden verstrekt.

(24)

In de aan de Commissie verstrekte overzichten kunnen afwijkingen of vergissingen voorkomen. De functionarissen of gemachtigden van de Commissie moeten daarom kunnen nagaan of de lidstaten voorbereid zijn op crisissituaties en of zij veiligheidsvoorraden aanhouden. Hierbij dient erop vertrouwd te kunnen worden dat de nationale regelingen van de lidstaten garanderen dat deze controle overeenkomstig de nationale procedures effectief kan worden uitgeoefend.

(25)

De ontvangen of verzamelde gegevens moeten worden onderworpen aan een complexe elektronische statistische verwerking, die het gebruik van geïntegreerde procedures en hulpmiddelen vereist. De Commissie dient alle passende maatregelen daartoe te nemen, met name ten aanzien van de ontwikkeling van nieuwe computersystemen.

(26)

De bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de lidstaten is geregeld in Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (6), en de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de Commissie valt onder Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2000 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de communautaire instellingen en organen en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (7). Deze rechtshandelingen schrijven met name voor dat de verwerking van persoonsgegevens wordt gerechtvaardigd door een legitiem doel en dat persoonsgegevens die per ongeluk zijn verzameld, onmiddellijk worden gewist.

(27)

Biobrandstoffen en sommige additieven worden vaak vermengd met aardolieproducten. Is er vermengd of zal er worden vermengd, dan moeten deze producten in aanmerking kunnen worden genomen bij de berekening van zowel de opslagverplichting als de niveaus van de aangehouden voorraden.

(28)

Het is wenselijk dat de betrokken lidstaten kunnen voldoen aan de verplichtingen die hun kunnen worden opgelegd op grond van een besluit tot in omloop brengen van voorraden krachtens de IEA-Overeenkomst of uitvoeringsmaatregelen ervan. Een correcte en tijdige uitvoering van de besluiten van het IEA is essentieel om bij bevoorradingsproblemen doelmatig te kunnen reageren. De lidstaten dienen derhalve een deel van hun veiligheidsvoorraden vrij te geven voor een hoeveelheid als aangegeven in het desbetreffende IEA-besluit. De Commissie dient nauw samen te werken met het IEA en zich bij maatregelen op gemeenschapsniveau te baseren op de methodiek van dit agentschap. De Commissie zou met name moeten kunnen aanbevelen dat alle lidstaten voorraden in omloop brengen, indien zulks gepast is als aanvulling op en ter bevordering van de uitvoering van het besluit van het IEA waarin het zijn leden verzoekt voorraden in omloop te brengen. Het past de lidstaten positief op dergelijke aanbevelingen van de Commissie te reageren in het belang van een sterke solidariteit en cohesie in de gehele Gemeenschap, tussen de lidstaten die lid zijn van het IEA en die welke dat niet zijn, als reactie op een verstoring van de olieaanvoer.

(29)

De bepalingen van Richtlijn 73/238/EEG van de Raad van 24 juli 1973 betreffende de maatregelen ter vermindering van de gevolgen van moeilijkheden bij de bevoorrading met ruwe aardolie en aardolieproducten (8) beogen met name de schadelijke gevolgen van elk eventueel, zelfs tijdelijk, probleem waardoor de leveranties van ruwe aardolie of aardolieproducten aanzienlijk worden verminderd, waaronder ernstige verstoringen die door een vermindering kunnen worden veroorzaakt in de economische activiteit van de Gemeenschap, te ondervangen of althans te verlichten. De onderhavige richtlijn zou in soortgelijke maatregelen moeten voorzien.

(30)

Richtlijn 73/238/EEG beoogt verder een overlegorgaan in te stellen, dat de coördinatie van de genomen of overwogen concrete maatregelen van de lidstaten kan bevorderen. De onderhavige richtlijn moet in een dergelijk orgaan voorzien. Elke lidstaat moet dan toch nog een plan opstellen dat kan worden uitgevoerd in het geval van moeilijkheden bij de bevoorrading met ruwe aardolie en aardolieproducten. Bovendien is het passend dat elke lidstaat regelingen treft met betrekking tot de organisatorische maatregelen die in geval van crisis moeten worden genomen.

(31)

Aangezien de onderhavige richtlijn in een aantal nieuwe mechanismen voorziet, behoren de toepassing en de werking ervan te worden getoetst.

(32)

Deze richtlijn bevat of vervangt alle aspecten die worden behandeld door Beschikking 68/416/EEG van de Raad van 20 december 1968 betreffende het sluiten en uitvoeren van de speciale intergouvernementele overeenkomsten inzake de verplichting voor de lidstaten om minimumvoorraden ruwe aardolie en/of aardolieproducten aan te houden (9). De genoemde beschikking wordt dus overbodig.

(33)

Aangezien de doelstelling van deze richtlijn, namelijk handhaving van een hoog veiligheidsniveau van de bevoorrading met aardolie in de Gemeenschap dankzij betrouwbare en transparante mechanismen op basis van de solidariteit tussen de lidstaten, met inachtneming van de regels van de interne markt en de mededinging, niet voldoende kan worden verwezenlijkt door de lidstaten en derhalve vanwege de omvang en de gevolgen ervan beter op communautair niveau kan worden verwezenlijkt, kan de Gemeenschap overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag neergelegde subsidiariteitsbeginsel maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan nodig is om deze doelstelling te verwezenlijken.

(34)

De voor de uitvoering van deze richtlijn vereiste maatregelen dienen te worden vastgesteld overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden (10).

(34)

Overeenkomstig punt 34 van het Interinstitutioneel Akkoord inzake „Beter wetgeven” worden de lidstaten aangespoord voor zichzelf en in het belang van de Gemeenschap hun eigen tabellen op te stellen, die, voor zover mogelijk, het verband weergeven tussen deze richtlijn en de omzettingsmaatregelen, en deze openbaar te maken.

(35)

De Richtlijnen 73/238/EEG en 2006/67/EG en Beschikking 68/416/EEG moeten derhalve worden ingetrokken,

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Doelstelling

Deze richtlijn stelt regels vast om te waarborgen dat dankzij betrouwbare en transparante mechanismen op basis van solidariteit tussen de lidstaten de oliebevoorrading in de Gemeenschap in hoge mate is veiliggesteld, minimumvoorraden aardolie en/of aardolieproducten in opslag worden gehouden en de nodige procedures worden ingesteld om aan een eventuele ernstige schaarste het hoofd te bieden.

Artikel 2

Definities

In deze richtlijn wordt verstaan onder

a)

„referentiejaar”, het kalenderjaar waarvan de verbruiks- of netto-invoercijfers worden gebruikt in de berekeningen waarmee zowel de op enig moment in opslag te houden voorraden als de werkelijk in opslag gehouden voorraden worden vastgesteld;

b)

„toevoegingen”, andere stoffen dan koolwaterstoffen die aan een product worden toegevoegd of erdoor worden gemengd om de eigenschappen ervan te veranderen;

c)

„biobrandstof”, voor vervoer bestemde vloeibare of gasvormige brandstof gemaakt uit biomassa, waarbij onder „biomassa” wordt verstaan de biologisch afbreekbare fractie van producten, afvalstoffen en residuen van de landbouw (met inbegrip van plantaardige en dierlijke stoffen), de bosbouw en aanverwante bedrijfstakken, alsmede de biologisch afbreekbare fractie van industrieel en huishoudelijk afval;

d)

„binnenlands verbruik”, het overeenkomstig bijlage II berekende totaal van alle in een land geleverde hoeveelheden voor alle energie- en niet-energiedoeleinden; in dit totaal zijn begrepen de leveringen aan de omzettingssector, de industrie, de vervoersector, de huishoudens en andere sectoren met het oog op „eindverbruik”; dit totaal omvat ook het eigen verbruik van de energiesector zelf (met uitzondering van het verbruik van raffinaderijbrandstof);

e)

„vigerend internationaal besluit tot het in omloop brengen van voorraden”, een vigerend besluit van de Raad van bestuur van het Internationaal Energieagentschap om ruwe aardolie of aardolieproducten voor de markt beschikbaar te stellen middels het in omloop brengen van voorraden van de lidstaten en/of andere maatregelen;

f)

„centrale entiteit voor de voorraadvorming (centrale entiteit)”, de instelling of dienst waaraan de bevoegdheid kan worden gegeven om te handelen met het oog op het kopen, in stand houden en verkopen van olievoorraden, met inbegrip van veiligheidsvoorraden en speciale voorraden;

g)

„belangrijke onderbreking van de voorziening”, grote en plotselinge daling van de voorziening met ruwe aardolie of aardolieproducten van de Gemeenschap of een lidstaat als gevolg waarvan al dan niet een internationaal besluit tot het in omloop brengen van voorraden is genomen;

h)

„bunkervoorraden van de internationale zeescheepvaart”, totaal dat is gedefinieerd in bijlage A, punt 2.1, van Verordening nr. 1099/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2008 betreffende energiestatistieken;

i)

„olievoorraden”, voorraden ruwe aardolie of aardolieproducten, gedefinieerd in bijlage C, punt 3.1, artikel 1, van Verordening (EG) nr. 1099/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2008 betreffende energiestatistieken;

j)

„veiligheidsvoorraden”, de olievoorraden die elke lidstaat op grond van artikel 3 van deze richtlijn verplicht is aan te houden;

k)

„handelsvoorraden”, de olievoorraden die door marktdeelnemers niet krachtens een in deze richtlijn vervatte verplichting worden aangehouden;

l)

„speciale voorraden”, olievoorraden die voldoen aan de in artikel 9 genoemde voorwaarden;

m)

„materiële toegankelijkheid”, de regelingen betreffende de vestiging en het transport van voorraden, die ervoor zorgen dat zij, binnen de termijn en onder de voorwaarden die eventuele bevoorradingsproblemen helpen verlichten, in omloop worden gebracht of daadwerkelijk bij de eindgebruikers of op de eindmarkt terechtkomen.

De in dit artikel gegeven definities kunnen nader worden uitgewerkt en gewijzigd volgens de in artikel 23, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure.

Artikel 3

Veiligheidsvoorraden — Berekening van de opslagverplichting

1.   De lidstaten nemen alle passende wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen aan om te waarborgen dat uiterlijk 31 december 2012 op het grondgebied van de Gemeenschap ten gunste van henzelf permanent een totale olievoorraad wordt aangehouden die ten minste gelijk is aan de grootste van de twee volgende hoeveelheden: 90 maal het daggemiddelde van de netto-invoer of 61 maal het daggemiddelde van het binnenlands verbruik.

2.   Het daggemiddelde van de netto-invoer wordt berekend op basis van het in het voorafgaande kalenderjaar ingevoerde aardolie-equivalent, bepaald volgens de in bijlage I uiteengezette regels en methode.

Het daggemiddelde van het binnenlands verbruik wordt berekend op basis van het in het voorafgaande kalenderjaar binnenslands verbruikte aardolie-equivalent, bepaald en berekend volgens de in bijlage II uiteengezette regels en methode.

3.   In afwijking echter van lid 2 worden van 1 januari tot en met 31 maart van elk kalenderjaar de in dat lid bedoelde daggemiddelden van de netto-invoer en het binnenlandse verbruik bepaald op basis van de ingevoerde en verbruikte hoeveelheid in het voorlaatste kalenderjaar dat aan het lopende kalenderjaar voorafgaat.

4.   De in dit artikel bedoelde regels en methoden voor de berekening van de opslagverplichting kunnen worden gewijzigd volgens de in artikel 23, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure.

Artikel 4

Berekening van het voorraadniveau

1.   Het niveau van de aangehouden voorraden wordt berekend volgens de in bijlage III vervatte methoden. Bij de berekening van het voorraadniveau per in artikel 9 genoemde categorie zijn deze methoden uitsluitend van toepassing op de producten van de betreffende categorie.

2.   Bij de berekening van het niveau van de op een bepaald tijdstip aangehouden voorraden is het kalenderjaar waarvan de cijfers in aanmerking moeten worden genomen, het referentiejaar dat is bepaald overeenkomstig de regels opgenomen in artikel 3.

3.   Alle olievoorraden kunnen tegelijkertijd worden meegeteld in de berekening van zowel de veiligheidsvoorraden van een lidstaat als zijn speciale voorraden, mits zij voldoen aan alle voorwaarden die in deze richtlijn met betrekking tot respectievelijk elk van beide voorraadsoorten zijn vastgesteld.

4.   De in de leden 1 en 2 bedoelde regels en methoden voor de berekening van het niveau van de voorraden kunnen worden gewijzigd volgens de in artikel 23, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure. Met name kan het noodzakelijk en nuttig zijn deze regels en methoden voor de berekening van de voorraadniveaus, waaronder de toepassing van aftrek, aan te passen, om een nog grotere coherentie met de praktijk van het IEA te bewerkstelligen.

Artikel 5

Beschikbaarheid van de voorraden

1.   De lidstaten waarborgen te allen tijde dat de veiligheidsvoorraden, alsmede de speciale voorraden, beschikbaar en permanent toegankelijk zijn voor de doeleinden van deze richtlijn. Zij stellen regels vast voor de identificatie en inventarisatie van, alsmede het toezicht op de voorraden, zodat deze te allen tijde kunnen worden gecontroleerd. Dit geldt ook voor het gedeelte van de veiligheidsvoorraden en speciale voorraden die zijn samengevoegd met andere, door marktdeelnemers aangehouden, voorraden.

De lidstaten treffen alle nodige maatregelen om alles te voorkomen wat de beschikbaarheid van de veiligheidsvoorraden en speciale voorraden kan belemmeren en hinderen. De lidstaten kunnen de mogelijkheid dat hun veiligheidsvoorraden en speciale voorraden buiten hun grondgebied worden aangehouden, begrenzen of hieraan nadere voorwaarden verbinden.

2.   Indien er aanleiding bestaat om de in artikel 21 bedoelde noodprocedures toe te passen, vaardigen de lidstaten een verbod uit op, of onthouden zij zich van maatregelen waardoor, de overdracht, het gebruik of het in omloop brengen van crisisvoorraden of speciale voorraden door de lidstaat voor rekening waarvan zij de voorraden op hun grondgebied aanhouden, wordt belemmerd.

Artikel 6

Register van veiligheidsvoorraden — Jaarverslag

1.   Elke lidstaat houdt een gedetailleerd en voortdurend geactualiseerd register bij van alle andere te zijnen behoeve aangehouden veiligheidsvoorraden dan de speciale voorraden. Dit register bevat met name de informatie waarmee kan worden bepaald in welk depot of welke raffinaderij of opslagplaats de voorraden worden aangehouden, om welke hoeveelheden het gaat, wie de eigenaar is en wat de aard ervan is, onder verwijzing naar de categorieën die zijn vastgesteld in bijlage C onder punt 3.1, lid 1 van Verordening (EG) nr. 1099/2008.

2.   De betrokken lidstaat verstrekt de Commissie uiterlijk op 25 februari van elk kalenderjaar een samenvatting van het register, waarin ten minste de veiligheidsvoorraden zijn aangegeven die in die lidstaat op de laatste dag van het vorige kalenderjaar aanwezig zijn, met inbegrip van de hoeveelheden en de aard ervan.

3.   Voorts verstrekt de lidstaat de Commissie op haar verzoek, binnen vijftien dagen, een volledig exemplaar van het register; gevoelige gegevens omtrent de locatie van de voorraden kunnen daarin echter worden weggelaten. Het verzoek mag niet later worden gedaan dan vijf jaar na het tijdstip waarop de gevraagde gegevens betrekking hebben, en mag geen gegevens over de periode vóór 1 januari 2013 betreffen.

Artikel 7

Centrale entiteit voor de voorraadvorming

1.   Elke lidstaat kan een centrale entiteit voor de voorraadvorming („centrale entiteit”) oprichten.

Een lidstaat kan niet meer dan één centrale entiteit of soortgelijke instantie oprichten. Een lidstaat kan zijn centrale entiteit waar dan ook in de Gemeenschap instellen.

De centrale entiteit krijgt de rechtsvorm van een instelling of dienst zonder winstoogmerk, handelt in het algemeen belang, en wordt niet als marktdeelnemer in de zin van deze richtlijn beschouwd.

2.   De centrale entiteit heeft als voornaamste doel om, voor de doeleinden van deze richtlijn of ter voldoening aan internationale overeenkomsten betreffende de instandhouding van de olievoorraden, zulke voorraden te kopen, in stand te houden en te verkopen. Het is de enige instelling of dienst die de bevoegdheid kan krijgen om speciale voorraden te kopen of te verkopen.

3.   Taken betreffende het beheer van veiligheidsvoorraden en, met uitzondering van verkoop of aankoop, van speciale voorraden, kunnen door de centrale entiteit of door de lidstaten voor een bepaalde termijn worden gedelegeerd aan uitsluitend:

a)

een andere lidstaat op het grondgebied waarvan de voorraden zich bevinden, of aan de door die lidstaat ingestelde centrale entiteit. De aldus gedelegeerde taken mogen niet aan andere lidstaten of door hen ingestelde centrale entiteiten verder worden gedelegeerd. De lidstaat die de centrale entiteit heeft opgericht, evenals elke andere lidstaat op welks grondgebied de voorraden worden aangehouden, kunnen de delegatie afhankelijk stellen van hun toestemming;

b)

marktdeelnemers. Aldus gedelegeerde taken mogen niet verder worden gedelegeerd. In de delegatie, dan wel in de wijziging of uitbreiding ervan, die betrekking heeft op taken betreffende het beheer van veiligheidsvoorraden en speciale voorraden die worden aangehouden in een of meer andere lidstaten dan de lidstaat waar de bedoelde centrale entiteit is ingesteld, moet zijn toegestemd door de lidstaat voor rekening waarvan de voorraden worden aangehouden, en door alle lidstaten op welker grondgebied de voorraden zullen worden aangehouden.

4.   De lidstaten met een centrale entiteit verplichten deze met het oog op de doeleinden van artikel 8, leden 1 en 2, het volgende openbaar te maken:

a)

voortdurend, per productcategorie, alle gegevens over de omvang van de voorraden die de entiteit kan toezeggen in stand te houden ten behoeve van de marktdeelnemers of, in voorkomend geval, van betrokken centrale entiteiten;

b)

ten minste zeven maanden van tevoren, de voorwaarden waaronder zij bereid is aan marktdeelnemers diensten in verband met de instandhouding van de voorraadhoeveelheden te verstrekken. De voorwaarden betreffende deze diensten, met inbegrip van de tijdsplanning, kunnen eveneens worden vastgesteld door de bevoegde autoriteiten of na een vergelijkende procedure waarin de marktdeelnemer of, in voorkomend geval, de betrokken centrale entiteit met de beste offerte wordt aangewezen.

De centrale entiteiten aanvaarden dergelijke delegaties onder objectieve, transparante en niet-discriminerende voorwaarden. Voor de verrichte diensten wordt door de centrale autoriteit aan de marktdeelnemers ten hoogste het volledige bedrag van de kostprijs berekend, dat pas betaalbaar wordt als de voorraden worden aangevuld. De centrale entiteit kan aan het aannemen van een delegatie de voorwaarde verbinden dat de marktdeelnemer een garantie of andere zekerheid stelt.

Artikel 8

Marktdeelnemers

1.   Elke lidstaat zorgt ervoor dat hij elke marktdeelnemer die hij ter voldoening aan artikel 3 verplicht voorraden aan te houden, het recht geeft om, naar diens keuze, deze verplichting ten minste gedeeltelijk te delegeren aan uitsluitend:

a)

de centrale entiteit van de lidstaat voor rekening waarvan de voorraden worden aangehouden en/of

b)

een of meer andere centrale entiteiten die zich vooraf bereid hebben verklaard deze voorraden aan te houden, mits in de delegatie vooraf is toegestemd door de lidstaat voor rekening waarvan de voorraden worden aangehouden, alsmede door alle lidstaten op wier grondgebied de voorraden zullen worden aangehouden, en/of

c)

andere marktdeelnemers die — buiten het grondgebied van de lidstaat voor wiens rekening de voorraden worden aangehouden, maar binnen de Gemeenschap — over surplusvoorraden of beschikbare opslagcapaciteit beschikken, mits in de delegatie tevoren is toegestemd door de lidstaat voor wiens rekening de voorraden worden aangehouden, alsmede door alle lidstaten op wier grondgebied de voorraden zullen worden aangehouden, en/of

d)

andere marktdeelnemers die op het grondgebied van de lidstaat voor wiens rekening de voorraden worden aangehouden, over surplusvoorraden of beschikbare opslagcapaciteit beschikken, mits deze delegatie tevoren aan de betrokken lidstaat is medegedeeld. De lidstaten kunnen een dergelijke delegatie beperken of hieraan voorwaarden verbinden.

De in de punten c) en d) genoemde taken mogen niet verder worden gedelegeerd. Wijziging of verlenging van de in de punten b) en c) bedoelde delegatie gaat pas in nadat daarin tevoren is toegestemd door elke lidstaat die de delegatie heeft toegestaan. Iedere wijziging of uitbreiding van een delegatie als bedoeld in punt d) wordt beschouwd als een nieuwe delegatie.

2.   Lidstaten kunnen desgewenst voor marktdeelnemers die ze opslagverplichtingen opleggen of hebben opgelegd, het recht om te delegeren beperken.

Indien echter door dergelijke beperkingen het recht van een marktdeelnemer om een met minder dan 10 % van de hem opgelegde opslagverplichting overeenkomende hoeveelheid te delegeren, wordt gelimiteerd, vergewist de lidstaat zich ervan dat hij een centrale entiteit heeft opgericht die de delegatie aanneemt ter grootte van de hoeveelheid die nodig is opdat het recht van een marktdeelnemer om ten minste 10 % van de hem opgelegde opslagverplichting te delegeren, gevrijwaard blijft.

Het in dit lid vermelde minimumpercentage wordt uiterlijk 31 december 2017 van 10 tot 30 % verhoogd.

3.   Onverminderd het bepaalde in de leden 1 en 2 kan een lidstaat een marktdeelnemer verplichten ten minste een deel van zijn opslagverplichting aan de centrale entiteit van de lidstaat te delegeren.

4.   De lidstaten dragen er zorg voor dat de marktdeelnemers, uiterlijk 200 dagen voor aanvang van de termijn waarbinnen zij verplicht zijn voorraden aan te houden, in kennis worden gesteld van de berekeningswijze die met betrekking tot deze verplichting zal worden gehanteerd. De marktdeelnemers moeten hun recht om de opslagverplichting aan de centrale entiteiten te delegeren, uitoefenen ten minste 170 dagen vóór aanvang van de termijn waarop de verplichting betrekking heeft

Indien de marktdeelnemer minder dan 200 dagen vóór aanvang van de termijn waarop de opslagverplichting betrekking heeft, in kennis wordt gesteld, kan hij het delegatierecht te allen tijde uitoefenen.

Artikel 9

Speciale voorraden

1.   In overeenstemming met het bepaalde in dit artikel kan elke lidstaat zich ertoe verbinden om een, in aantal verbruiksdagen vastgestelde, minimumolievoorraad in stand te houden.

De speciale voorraad is eigendom van de lidstaat of de door de lidstaat ingestelde centrale entiteit, en wordt op het grondgebied van de Gemeenschap aangehouden.

2.   De speciale voorraad bestaat uitsluitend uit producten van een of meer van de volgende categorieën, zoals gedefinieerd in bijlage B, punt 4, van Verordening (EG) nr. 1099/2008:

ethaan,

LPG,

motorbenzine,

vliegtuigbenzine,

lichte reactiemotorbrandstof (van het naftatype of JP4),

reactiemotorbrandstof van het kerosinetype,

andere kerosine,

gasolie/diesel (gedistilleerde stookolie),

stookolie (met hoog en laag zwavelgehalte),

white spirit en speciale benzinesoorten,

smeermiddelen,

bitumen,

paraffine en

petroleumcoke.

3.   De aardolieproducten die tot de speciale voorraad behoren, worden door elke lidstaat gespecificeerd op basis van de in lid 2 genoemde categorieën. De lidstaten zorgen ervoor dat, wat betreft het volgens de regels van artikel 3 vastgestelde referentiejaar en de producten van de gebruikte categorieën, het totale aardolie-equivalent van het binnenlands verbruik ten minste 75 % van het binnenlandse verbruik bedraagt, volgens de in bijlage II vervatte berekeningsmethode.

Per door een lidstaat gekozen categorie komt de speciale voorraad die de lidstaat verklaart in stand te zullen houden, overeen met een bepaald aantal keer het daggemiddelde van het verbruik berekend op basis van hun aardolie-equivalent, gedurende het volgens de regels van artikel 3 vastgestelde referentiejaar.

De aardolie-equivalenten als bedoeld in de eerste en de tweede alinea worden berekend door de som van het aggregaat „waargenomen bruto binnenlandse leveringen”, in de zin van punt 3.2.1 van bijlage C van Verordening (EG) nr. 1099/2008, voor de producten van de gebruikte of betrokken categorieën, te vermenigvuldigen met een factor 1,2. Bunkervoorraden van de internationale zeescheepvaart worden niet meegerekend.

4.   Elke lidstaat die heeft besloten speciale voorraden aan te houden, stuurt de Commissie hiervan een in het Publicatieblad van de Europese Unie bekend te maken kennisgeving, waarin de omvang van de voorraden en de duur van de opslag worden vermeld, met dien verstande dat de minimumduur ten minste één jaar bedraagt. De minimumomvang waarvan kennis is gegeven is gelijkelijk van toepassing op alle door een lidstaat toegepaste categorieën van de speciale voorraden.

De lidstaat zorgt ervoor dat de speciale voorraden gedurende de gehele door de kennisgeving bestreken termijn worden aangehouden, onverminderd het recht om de voorraad tijdelijk te verminderen, uitsluitend wegens vervanging van de individuele voorraden.

De lijst van de door een lidstaat gehanteerde categorieën blijft ten minste één jaar van kracht, en kan slechts met ingang van een nieuwe kalendermaand worden gewijzigd.

5.   Elke lidstaat die zich niet voor de gehele duur van een kalenderjaar ertoe heeft verbonden een speciale voorraad van ten minste dertig dagen aan te houden, zorgt ervoor dat hij de verplichte voorraden ten belope van ten minste één derde aanhoudt in de vorm van producten die overeenkomstig de leden 2 en 3 zijn samengesteld.

De lidstaat voor wiens rekening minder dan 30 dagen speciale voorraden worden aangehouden, stelt een jaarverslag op waarin een analyse wordt gemaakt van de door zijn autoriteiten genomen maatregelen om de in artikel 5 bedoelde beschikbaarheid en materiële toegankelijkheid van zijn veiligheidsvoorraden te verzekeren en na te gaan, en waarin met documentatie wordt gestaafd welke regelingen zijn getroffen om de lidstaten in staat te stellen toezicht te houden op het gebruik van deze voorraden in geval van verstoring van de voorziening. Dit verslag wordt voor het einde van de eerste maand van het kalenderjaar waarop het betrekking heeft, bij de Commissie ingediend.

Artikel 10

Beheer van de speciale voorraden

1.   Elke lidstaat houdt een gedetailleerd en voortdurend geactualiseerd register bij van alle speciale voorraden die op zijn grondgebied worden aangehouden. In dit register staat met name alle informatie waarmee de exacte locatie van deze voorraden kan wordt bepaald.

Voorts verstrekt de lidstaat de Commissie op haar verzoek, binnen vijftien dagen, een volledig exemplaar van het register. Gevoelige gegevens omtrent de locatie van de voorraden kunnen daarin worden weggelaten. Het verzoek mag niet later dan vijf jaar na het tijdstip waarop de gevraagde gegevens betrekking hebben, worden gedaan.

2.   Indien de speciale voorraden zijn samengevoegd met andere olievoorraden, nemen de lidstaten of hun centrale eenheden de noodzakelijke maatregelen om te voorkomen dat deze samengevoegde producten, voor zover ze deel uitmaken van de speciale voorraden, worden verplaatst zonder dat de eigenaar van de speciale voorraden en de autoriteiten van, of de centrale entiteit die is ingesteld door, de lidstaat op welks grondgebied de voorraden zich bevinden, daarin vooraf schriftelijk hebben toegestemd.

3.   De lidstaten nemen de noodzakelijke maatregelen om alle op hun grondgebied opgeslagen of over hun grondgebied vervoerde speciale voorraden onvoorwaardelijke bescherming tegen executiemaatregelen te verlenen, ongeacht of het hun eigen voorraden dan wel de voorraden van andere lidstaten betreft.

Artikel 11

Gevolg van delegatie

De in de artikelen 7 en 8 bedoelde delegatie laat de overeenkomstig deze richtlijn aan elke lidstaat opgelegde verplichtingen onverlet.

Artikel 12

Statistisch overzicht van de in artikel 3 bedoelde voorraden

1.   Van de krachtens artikel 3 aan te houden voorraden stelt elke lidstaat statistische overzichten op, die hij volgens de in bijlage IV genoemde regels aan de Commissie doet toekomen.

2.   De regels voor het opstellen, de omvang, de inhoud en de frequentie van de in lid 1 genoemde overzichten, alsmede de termijnen van indiening kunnen worden gewijzigd volgens de in artikel 23, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure. De regels voor indiening van de overzichten bij de Commissie, kunnen eveneens worden gewijzigd volgens de in artikel 23, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure.

3.   De lidstaten mogen in hun statistische overzichten van de veiligheidsvoorraden geen hoeveelheden ruwe aardolie of aardolieproducten opnemen waarop beslag rust of waarvoor executiemaatregelen zijn genomen. Dit geldt ook voor alle voorraden van bedrijven die in staat van faillissement zijn of met hun schuldeisers een akkoord zijn overeengekomen.

Artikel 13

Statistisch overzicht van de speciale voorraden

1.   Elke betrokken lidstaat stelt per productcategorie een statistisch overzicht op van de op de laatste dag van iedere maand aanwezige voorraden, onder opgave van de hoeveelheid en het aantal dagen gemiddeld verbruik tijdens het referentiejaar dat die voorraden vertegenwoordigen, en verstrekt dit overzicht aan de Commissie. Indien een deel van deze speciale voorraden buiten het nationale grondgebied is opgeslagen, doet de lidstaat nauwkeurig opgave van de voorraden die worden aangehouden in of via de verschillende lidstaten en centrale entiteiten. Hij geeft bovendien nauwkeurig aan of deze voorraden volledig zijn eigendom zijn dan wel of zijn centrale entiteit deze geheel of ten dele in eigendom heeft.

2.   Elke betrokken lidstaat maakt voor iedere overeenkomstig artikel 9, lid 4, bepaalde productcategorie eveneens een overzicht van de speciale voorraden die zich op de laatste dag van iedere kalendermaand op zijn grondgebied bevinden en toebehoren aan andere lidstaten of centrale entiteiten en verstrekt dit overzicht aan de Commissie. In dit overzicht vermeldt de lidstaat bovendien per geval de naam van de lidstaat of de desbetreffende centrale entiteit, alsmede de hoeveelheden.

3.   De in de leden 1 en 2 bedoelde statistische overzichten worden ingediend in de kalendermaand volgend op de maand waarop zij betrekking hebben.

4.   Een kopie van het statistisch overzicht moet onmiddellijk worden verstrekt, indien de Commissie, uiterlijk vijf jaar na het tijdstip waarop de gevraagde gegevens betrekking hebben, daarom verzoekt.

5.   De omvang, de inhoud en de frequentie van de statistische overzichten alsmede de termijnen van indiening kunnen worden gewijzigd volgens de regelgevingsprocedure als bedoeld in artikel 23, lid 2. De regels voor indiening van de overzichten bij de Commissie, kunnen eveneens worden gewijzigd volgens de in artikel 23, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure.

Artikel 14

Overzicht van de handelsvoorraden

1.   De lidstaten verstrekken de Commissie maandelijks een statistisch overzicht van de op hun grondgebied aangehouden handelsvoorraden. Zij zorgen er hierbij voor dat gevoelige gegevens worden beschermd en vermelden de namen van de eigenaren van de voorraden niet.

2.   De Commissie publiceert maandelijks, op basis van de door de lidstaten verstrekte overzichten, een statistisch overzicht van de handelsvoorraden in de Gemeenschap, waarbij zij de totale hoeveelheden aangeeft.

3.   De voorschriften voor het indienen en publiceren van de statistische overzichten alsmede voor de frequentie ervan kunnen worden gewijzigd volgens de regelgevingsprocedure als bedoeld in artikel 23, lid 2.

Artikel 15

Verwerking van de gegevens

De Commissie draagt zorg voor de ontwikkeling, het onderbrengen, het beheer en het onderhoud van de computervoorzieningen die nodig zijn voor de ontvangst, de opslag en alle soorten verwerking van de gegevens in de statistische overzichten en van alle informatie die de lidstaten verstrekken of de diensten van de Commissie verzamelen krachtens deze richtlijn, alsmede van de gegevens over de aardolievoorraden die worden verzameld krachtens Verordening nr. 1099/2008 en die nodig zijn voor de overzichten die op grond van deze richtlijn moeten worden opgesteld.

Artikel 16

Biobrandstoffen en additieven

1.   Biobrandstoffen en toevoegingen worden slechts meegeteld bij de berekening van de in de artikelen 3 en 9 vervatte opslagverplichting, indien zij zijn vermengd met de desbetreffende aardolieproducten.

2.   Bij de berekening van de werkelijk in opslag gehouden voorraden worden biobrandstoffen en toevoegingen slechts meegeteld:

a)

indien ze zijn vermengd met de desbetreffende aardolieproducten, of

b)

ze zijn opgeslagen op het grondgebied van de betrokken lidstaat en mits de lidstaat voorschriften heeft vastgesteld volgens welke ze bestemd zijn om te worden gemengd met aardolieproducten die worden aangehouden overeenkomstig de opslagverplichtingen van deze richtlijn, en om bij vervoer te worden gebruikt.

3.   De regels voor het meetellen van biobrandstoffen en additieven bij de berekening van de opslagverplichting en de voorraden in de zin van de leden 1 en 2 kunnen worden gewijzigd volgens de in artikel 23, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure.

Artikel 17

Coördinatiegroep aardolie en aardolieproducten

1.   Er wordt een coördinatiegroep aardolie en aardolieproducten ingesteld („de coördinatiegroep”). De coördinatiegroep is een adviesgroep die meehelpt de situatie in de Gemeenschap te analyseren met betrekking tot het veiligstellen van de voorziening met aardolie en aardolieproducten, en de coördinatie en de toepassing van maatregelen op dat gebied bevordert.

2.   De coördinatiegroep is samengesteld uit vertegenwoordigers van de lidstaten. Zij wordt voorgezeten door de Commissie. Vertegenwoordigende instanties van de betrokken sector kunnen op uitnodiging van de Commissie aan de werkzaamheden van de coördinatiegroep deelnemen.

Artikel 18

Controle van de voorbereiding op crisissituaties en van de voorraadopslag

1.   De Commissie kan in coördinatie met de lidstaten verificaties uitvoeren om na te gaan in hoeverre deze zijn voorbereid op crisissituaties en, indien zij dit passend acht, de desbetreffende voorraadopslag controleren. Bij de voorbereiding van deze controles houdt de Commissie rekening met de door andere instellingen en internationale organisaties geleverde inspanningen, en raadpleegt zij de coördinatiegroep.

2.   De coördinatiegroep kan besluiten erkende gemachtigden en vertegenwoordigers van andere lidstaten aan de controle te laten deelnemen. De controleurs kunnen worden vergezeld door daartoe aangewezen nationale ambtenaren van de beoordeelde lidstaat. Binnen een week nadat een controle in de zin van lid 1 is aangekondigd, worden gevoelige gegevens over de locatie van de voorraden, bedoeld in de artikelen 6 en 9, die de betrokken lidstaat niet ter kennis van de Commissie heeft gebracht, door hem ter beschikking van de functionarissen of gemachtigden van de Commissie gesteld.

3.   De lidstaten dragen er zorg voor dat hun autoriteiten, alsook degenen die ermee zijn belast de crisisvoorraden en de speciale voorraden aan te houden en te beheren, toestemmen in inspecties, en assistentie verlenen aan de personen die de Commissie heeft gemachtigd om de controle te verrichten. In het bijzonder zorgen de lidstaten ervoor dat deze personen het recht hebben inzage te nemen van alle documenten en registers betreffende de voorraden, en toegang krijgen tot alle locaties waar voorraden worden aangehouden, en tot alle desbetreffende documenten.

4.   De resultaten van de controle worden aan de beoordeelde lidstaat toegezonden en kunnen ook aan de coördinatiegroep worden bezorgd.

5.   De lidstaten en de Commissie zorgen ervoor dat noch de ambtenaren, gemachtigden en andere personen die onder toezicht van de Commissie werken, noch de leden van de coördinatiegroep, toestaan dat de krachtens dit artikel verzamelde of uitgewisselde informatie, die uit haar aard onder het beroepsgeheim valt, zoals de identiteit van de eigenaren van de voorraden, wordt onthuld.

6.   Het verzamelen van persoonsgegevens behoort niet tot de doelstellingen van de onder lid 1 bedoelde controles. Eventueel tijdens de controles gevonden of aangetroffen persoonsgegevens worden niet verzameld en evenmin in aanmerking genomen; per ongeluk verzamelde gegevens worden onmiddellijk vernietigd.

7.   De lidstaten nemen de nodige maatregelen om te waarborgen dat de gegevens, stukken, overzichten en bescheiden met betrekking tot de veiligheidsvoorraden en de speciale voorraden voor de duur van ten minste vijf jaar bewaard blijven.

Artikel 19

Bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van gegevens

Deze richtlijn maakt in geen enkel opzicht inbreuk op het beschermingsniveau van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens als gewaarborgd door het communautaire recht en het nationale recht, en wijzigt met name in geen enkel opzicht de verplichtingen die de lidstaten inzake de door hen uitgevoerde verwerking van persoonsgegevens bij Richtlijn 95/46/EG zijn opgelegd, noch de verplichtingen die de communautaire instellingen en organen zijn opgelegd bij Verordening (EG) nr. 45/2001 in verband met de verwerking van persoonsgegevens tijdens de uitoefening van hun taken.

Artikel 20

Crisisprocedures

1.   De lidstaten dragen er zorg voor dat er procedures voorhanden zijn en er de noodzakelijke maatregelen zijn getroffen die hun bevoegde overheden in staat stellen om in geval van een belangrijke onderbreking van de voorziening op een snelle, doeltreffende en transparante wijze alle of een deel van hun veiligheidsvoorraden en hun speciale voorraden in omloop te brengen en naargelang het verwachte bevoorradingstekort het verbruik in het algemeen of meer specifiek te beperken, onder meer door bepaalde categorieën verbruikers met voorrang aardolieproducten toe te wijzen.

2.   De lidstaten houden bij voortduring crisisplannen in gereedheid die bij een belangrijke onderbreking van de voorziening kunnen worden uitgevoerd. De lidstaten zorgen voor de organisatorische maatregelen die noodzakelijk zijn om dergelijke plannen te kunnen uitvoeren. De lidstaten stellen de Commissie desgevraagd in kennis van hun crisisplannen en de daarmee verband houdende organisatorische maatregelen.

3.   In geval van een geldend internationaal besluit om voorraden in omloop te brengen, dat één of meer lidstaten raakt:

a)

kunnen de lidstaten hun veiligheidsvoorraden en hun speciale voorraden gebruiken om te voldoen aan de internationale verplichtingen die uit dat besluit voortvloeien. In dat geval informeert de lidstaat onmiddellijk de Commissie, die de coördinatiegroep kan bijeenroepen of de leden ervan langs elektronische weg kan raadplegen om met name de gevolgen van het in omloop brengen te beoordelen;

b)

moet de Commissie de lidstaten aanbevelen hun crisisvoorraden of speciale voorraden geheel of gedeeltelijk in omloop te brengen of andere maatregelen van gelijke werking te treffen naargelang zulks passend wordt geacht. De Commissie kan pas een besluit nemen na raadpleging van de coördinatiegroep.

4.   Indien, bij gebreke van een vigerend internationaal besluit om voorraden in omloop te brengen, zich problemen voordoen met de voorziening met ruwe aardolie of aardolieproducten in de Gemeenschap of een lidstaat, stelt de Commissie in voorkomend geval het IEA op de hoogte en regelt zij een passende coördinatie met dit agentschap, en organiseert zij, op verzoek van een lidstaat of op eigen initiatief, zo spoedig mogelijk overleg met de coördinatiegroep. Indien een lidstaat om het overleg met de coördinatiegroep verzoekt, wordt dit georganiseerd binnen vier dagen na het verzoek, tenzij de lidstaat instemt met een langere termijn. De coördinatiegroep onderzoekt de situatie, en op basis van haar bevindingen stelt de Commissie vast of er sprake is van een belangrijke onderbreking van de voorziening.

Indien wordt vastgesteld dat er sprake is van een belangrijke onderbreking van de voorziening, stemt de Commissie erin toe dat de crisisvoorraden en speciale voorraden in omloop worden gebracht ten belope van alle of een deel van de hoeveelheden die de betrokken lidstaten met dit doel hebben voorgesteld.

5.   De lidstaten kunnen hun veiligheids- of speciale voorraden tot zover beneden het in deze richtlijn vastgestelde minimumniveau laten dalen als onmiddellijk noodzakelijk is voor een eerste reactie in geval van bijzondere urgentie of als antwoord op een plaatselijke crisis. Indien aldus voorraden in omloop worden gebracht delen de lidstaten de Commissie onverwijld mede om welke hoeveelheden het gaat. De Commissie geeft deze informatie aan de leden van de Coördinatiegroep door.

6.   Indien de leden 3, 4 en 5 van toepassing zijn, mogen de lidstaten tijdelijk lagere voorraden aanhouden dan voorgeschreven in deze richtlijn. De Commissie bepaalt dan, op basis van de resultaten van het overleg van de coördinatiegroep en in voorkomend geval in coördinatie met het IEA, alsook met name met inachtneming van de situatie op de internationale markten voor aardolie en aardolieproducten, een redelijke termijn waarbinnen de lidstaten hun voorraden moeten aanvullen om weer te voldoen aan de minimale opslagverplichting.

7.   De krachtens dit artikel door de Commissie genomen besluiten gelden onverminderd de andere internationale verplichtingen van de betrokken lidstaten.

Artikel 21

Sancties

De lidstaten stellen de sanctieregeling vast die geldt voor overtreding van de overeenkomstig deze richtlijn ingevoerde nationale bepalingen en nemen alle voor de uitvoering ervan noodzakelijke maatregelen. De sancties zijn doeltreffend, evenredig en afschrikkend. De Commissie wordt door de lidstaten uiterlijk 31 december 2012 van deze bepalingen, en zo spoedig mogelijk van elke latere wijziging in kennis gesteld.

Artikel 22

Evaluatie

De werking en de toepassing van deze richtlijn wordt uiterlijk 31 december 2015 door de Commissie geëvalueerd.

Artikel 23

Comitéprocedure

1.   De Commissie wordt bijgestaan door een comité.

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 5 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing.

Artikel 24

Intrekking

Richtlijn 73/238/EEG, Richtlijn 2006/67/EG en Beschikking 68/416/EEG worden met ingang van 31 december 2012 ingetrokken.

Verwijzingen naar de ingetrokken richtlijnen en de ingetrokken beschikking gelden als verwijzingen naar deze richtlijn.

Artikel 25

Omzetting

1.   De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op 31 december 2012 aan deze richtlijn te voldoen.

In afwijking van lid 1 doen de lidstaten die op 31 december 2012 geen lid zijn van het IEA en wier binnenlands verbruik aan aardolieproducten volledig door invoer moet worden gedekt, de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op 31 december 2014 aan artikel 3, lid 1, van deze richtlijn te voldoen. Deze lidstaten blijven, tot deze bepalingen van kracht worden, aardolievoorraden aanhouden die overeenkomen met 81 maal het daggemiddelde van de netto-invoer.

Wanneer de lidstaten bepalingen aannemen, wordt in de bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor de verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2.   De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mede die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 26

Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 27

Adressaten

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 14 september 2009.

Voor de Raad

De voorzitster

C. MALMSTRÖM


(1)  Advies van 22.4.2009 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).

(2)  Advies van 13.5.2009 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).

(3)  PB C 128 van 6.6.2009, blz. 42.

(4)  PB L 217 van 8.8.2006, blz. 8.

(5)  PB L 304 van 14.11.2008, blz. 1.

(6)  PB L 281 van 23.11.1995, blz. 31.

(7)  PB L 8 van 12.1.2001, blz. 1.

(8)  PB L 228 van 16.8.1973, blz. 1.

(9)  PB L 308 van 23.12.1968, blz. 19.

(10)  PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.


BIJLAGE I

WIJZE VAN BEREKENING VAN HET AARDOLIE-EQUIVALENT VAN DE INGEVOERDE AARDOLIEPRODUCTEN

Het in artikel 3 bedoelde aardolie-equivalent van de ingevoerde aardolieproducten wordt als volgt vastgesteld:

Het aardolie-equivalent van de ingevoerde aardolieproducten is de som van, enerzijds, de netto-invoer van de volgende producten: ruwe aardolie, NGL, raffinagegrondstoffen en overige koolwaterstoffen als gedefinieerd in bijlage B, punt 4, van Verordening (EG) nr. 1099/2008, gecorrigeerd voor eventuele voorraadschommelingen en onder aftrek van 4 %, zijnde de opbrengst van nafta (of, indien de gemiddelde opbrengst van nafta op het nationale grondgebied meer dan 7 % bedraagt, onder aftrek van het werkelijke verbruik van nafta of het gemiddelde opbrengstpercentage van nafta) en, anderzijds, de netto-invoer van alle overige aardolieproducten zonder nafta, eveneens gecorrigeerd voor voorraadschommelingen en vermenigvuldigd met 1,065.

Bunkervoorraden van de internationale zeescheepvaart worden niet meegerekend.


BIJLAGE II

WIJZE VAN BEREKENING VAN HET AARDOLIE-EQUIVALENT VAN HET BINNENLANDS VERBRUIK

Voor de toepassing van artikel 3 wordt het aardolie-equivalent van het binnenlands verbruik als volgt berekend:

Het binnenlandse verbruik wordt gevormd door de som van uitsluitend de volgende producten uit het aggregaat „waargenomen bruto binnenlandse leveringen”, in de zin van punt 3.2.1 van bijlage C van Verordening (EG) nr. 1099/2008: motorbenzine, vliegtuigbenzine, lichte reactiemotorbrandstof (reactiemotorbrandstof van het naftatype of JP4), reactiemotorbrandstof van het kerosinetype, andere kerosine, gasolie/dieselolie (aardoliedistillaat), stookolie (met hoog en laag zwavelgehalte) als gedefinieerd in bijlage B, punt 4, van Verordening (EG) nr. 1099/2008.

Bunkervoorraden van de internationale zeescheepvaart worden niet meegerekend.

Het aardolie-equivalent van het binnenlands verbruik wordt berekend door vermenigvuldiging met een factor 1,2.


BIJLAGE III

METHODEN VOOR HET BEREKENEN VAN HET NIVEAU VAN DE AANGEHOUDEN VOORRADEN

De onderstaande methoden worden gebruikt voor het berekenen van het niveau van de voorraden:

 

Onverminderd het in artikel 4, lid 3, bedoelde geval, kan een hoeveelheid niet meer dan eenmaal als veiligheidsvoorraad worden meegerekend.

 

Op de voorraden ruwe aardolie wordt 4 % in mindering gebracht, een percentage dat overeenkomt met een gemiddeld rendementsniveau van nafta.

 

De voorraden nafta en de voorraden ruwe aardolie die bestemd zijn als bunkervoorraden van de internationale zeescheepvaart worden niet meegerekend.

 

De overige aardolieproducten worden volgens een van de twee onderstaande methoden in de voorraden opgenomen. De lidstaten dienen de gekozen methode gedurende het gehele desbetreffende jaarkalender toe te passen.

De lidstaten kunnen besluiten:

a)

hetzij alle overige voorraden aardolieproducten op te nemen die in bijlage C, punt 3.1, alinea 1, van Verordening nr. 1099/2008 vermeld staan, en daarvan het equivalent in ruwe aardolie te berekenen door de hoeveelheden met een factor 1,065 te vermenigvuldigen, of

b)

hetzij uitsluitend de voorraden van de volgende producten op te nemen: motorbenzine, vliegtuigbenzine, lichte reactiemotorbrandstof (reactiemotorbrandstof van het naftatype of JP4), reactiemotorbrandstof van het kerosinetype, andere kerosine, gasolie/dieselolie (aardoliedistillaat), stookolie (met laag en hoog zwavelgehalte), en daarvan het equivalent in ruwe aardolie te berekenen door de hoeveelheden met een factor 1,2 te vermenigvuldigen.

Bij de berekening van de voorraden worden in aanmerking genomen de voorraden die in opslag worden gehouden:

in tanks van raffinaderijen,

in opslagterminals,

in de tankinhoud van pijpleidingen,

in lichters,

in kusttankers,

in tankers in de havens,

in bunkervoorraden van de binnenlandse scheepvaart,

op de bodem van tanks,

als werkvoorraden,

door belangrijke verbruikers op grond van wettelijke verplichtingen of andere instructies van de overheid.

Met uitzondering echter van de opslag in tanks van raffinaderijen, de tankinhoud van pijpleidingen en in opslagterminals, mogen deze hoeveelheden bij de berekening van de speciale voorraden niet worden meegenomen indien deze speciale voorraden afzonderlijk van de veiligheidsvoorraden worden berekend.

Bij de berekening van de voorraden zijn altijd uitgesloten:

a)

nog niet gewonnen ruwe aardolie;

b)

de voorraden die worden gehouden:

in pijpleidingen,

in tankwagons,

in bunkervoorraden van de internationale zeescheepvaart,

in benzinestations en detailhandelszaken,

door andere verbruikers,

in tankers op zee,

als militaire voorraden.

Bij het berekenen van hun veiligheidsvoorraden verminderen de lidstaten de voorraden die overeenkomstig het bovenstaande zijn berekend met 10 %. Dit percentage dient op het totaal van de hoeveelheden die in een bepaalde berekening zijn meegenomen, in mindering te worden gebracht.

In afwijking van hetgeen in de voorgaande alinea vermeld staat, wordt bij het berekenen van het niveau van de speciale voorraden en bij het berekenen van de verschillende categorieën speciale voorraden geen 10 % in mindering gebracht indien deze speciale voorraden of categorieën afzonderlijk van de veiligheidsvoorraden worden beschouwd, met name om te controleren of het uit hoofde van artikel 9 verplichte minimumniveau in acht wordt genomen.


BIJLAGE IV

Voorwaarden voor het opstellen en indienen bij de Commissie van de statistische overzichten van de krachtens artikel 3 aan te houden voorraden

Elke lidstaat stelt maandelijks een definitief statistisch overzicht op van de op de laatste dag van elke kalendermaand aanwezige voorraden en verstrekt dit aan de Commissie, waarbij de berekening afhankelijk van het aangehouden criterium van artikel 3 hetzij gebaseerd is op het aantal dagen netto aardolie-invoer, hetzij op het aantal dagen binnenlands aardolieverbruik. De lidstaat geeft in het overzicht nauwkeurig gedetailleerd aan waarom de berekening is gebaseerd op het aantal invoerdagen of op het aantal verbruiksdagen, en vermeldt tevens welke van de in bijlage III genoemde methoden is gebruikt om de voorraden te berekenen.

Indien bepaalde voorraden bij het berekenen van het niveau, zoals bedoeld in artikel 3, buiten het nationale grondgebied worden aangehouden, vermeldt elk overzicht in detail de voorraden die door de verschillende lidstaten en centrale entiteiten op de laatste dag van de periode waarop het overzicht betrekking heeft, worden aangehouden. De lidstaat vermeldt bovendien in elk voorkomend geval in het overzicht of de voorraden worden aangehouden op basis van delegatie door een of meer marktdeelnemers, dan wel op eigen verzoek of op verzoek van zijn centrale entiteit.

Voor het totaal aan voorraden dat ten behoeve van andere lidstaten of centrale entiteiten op het nationale grondgebied wordt aangehouden, stelt de lidstaat per categorie product een overzicht op van de op de laatste dag van iedere kalendermaand aanwezige voorraden en verstrekt dit aan de Commissie. Het overzicht dient tevens in elk voorkomend geval de naam van de desbetreffende lidstaat of centrale entiteit, alsmede de hoeveelheden, te vermelden.

De in deze bijlage bedoelde statistische overzichten dienen binnen 55 dagen volgend op de maand waarop zij betrekking hebben, aan de Commissie te worden verstrekt. Deze overzichten moeten tevens, desgevraagd, binnen twee maanden aan de Commissie worden verstrekt. Het verzoek wordt gedaan uiterlijk vijf jaar na het tijdstip waarop de gevraagde gegevens betrekking hebben.


Top