This document is an excerpt from the EUR-Lex website
Document 32009D1011
Decision of the Management Board of Europol of 4 June 2009 establishing the rules on the selection, extension of the term of office and dismissal of the Director and Deputy Directors of Europol
Besluit van de raad van bestuur van Europol van 4 juni 2009 houdende vaststelling van de regels inzake de selectie, de verlenging van de ambtsperiode en het ontslag van de directeur en de adjunct-directeuren van Europol
Besluit van de raad van bestuur van Europol van 4 juni 2009 houdende vaststelling van de regels inzake de selectie, de verlenging van de ambtsperiode en het ontslag van de directeur en de adjunct-directeuren van Europol
PB L 348 van 29.12.2009, pp. 3–8
(BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV) Dit document is verschenen in een speciale editie.
(HR)
In force
|
29.12.2009 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 348/3 |
BESLUIT VAN DE RAAD VAN BESTUUR VAN EUROPOL
van 4 juni 2009
houdende vaststelling van de regels inzake de selectie, de verlenging van de ambtsperiode en het ontslag van de directeur en de adjunct-directeuren van Europol
(2009/1011/JBZ)
DE RAAD VAN BESTUUR VAN EUROPOL,
Gelet op het besluit van de Raad van 6 april 2009 tot oprichting van de Europese Politiedienst (Europol) (1) (hierna: „het Europol-besluit”) en in het bijzonder op artikel 37, lid 9, onder g), artikel 38, lid 1, artikel 38, lid 2, artikel 38, lid 3, artikel 38, lid 7, en artikel 39,
Gelet op het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen (hierna: „het Statuut”) en de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van deze Gemeenschappen (hierna: „de Regeling”), vastgesteld bij Verordening (EEG, Euratom, EGKS) nr. 259/68 van de Raad (2),
Gelet op artikel 12 van de Regeling betreffende de aanstelling van tijdelijke functionarissen en op hoofdstuk 9 van titel II van de Regeling betreffende de beëindiging van de dienst van tijdelijke functionarissen,
Gelet op Besluit SEC(2009) 27/2 van de Commissie van 12 januari 2009 betreffende richtsnoeren voor de selectie en de benoeming van directeuren van communautaire agentschappen, uitvoerende agentschappen en gezamenlijke ondernemingen (Guidelines on the selection and appointment of directors of regulatory agencies, executive agencies and joint undertakings),
Gelet op het reglement van orde van de raad van bestuur,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Het is de taak van de raad van bestuur om de regels vast te stellen die van toepassing zijn op de selectie, de verlenging van de ambtsperiode en het ontslag van de directeur en adjunct-directeuren van Europol, welke door de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen moeten worden goedgekeurd voordat zij van kracht worden. |
|
(2) |
De directeur en de adjunct-directeuren dienen te worden geselecteerd in het kader van een objectieve en transparante procedure, zonder afbreuk te doen aan de vertrouwelijkheid van de procedure en de bescherming van de persoonsgegevens die in het kader van selectieprocedures worden verwerkt. |
|
(3) |
Het is wenselijk dat procedures worden aangenomen die analoog zijn aan die welke zijn vastgesteld in Besluit SEC(2009) 27/2 van de Commissie van 12 januari 2009. |
|
(4) |
Selectieprocedures hebben tot doel te bepalen wie de best gekwalificeerde kandidaten zijn voor een bepaalde vacature. |
|
(5) |
Europol is een „gelijkekansenwerkgever”, |
HEEFT DE VOLGENDE REGELS VASTGESTELD:
HOOFDSTUK 1
ALGEMENE BEPALINGEN
Artikel 1
1. Deze regels zijn van toepassing op de selectie, de verlenging van de ambtsperiode en het ontslag van de directeur en de adjunct-directeuren zoals bedoeld in artikel 38 van het Europol-besluit.
2. Indien de directeur tijdelijk niet in staat is zijn functie uit te oefenen gedurende meer dan één maand of indien de functie van directeur vacant is, wordt zijn functie uitgeoefend door een adjunct-directeur. Daartoe geeft de raad van bestuur de volgorde van vervanging aan.
3. Iedere bepaling van de onderhavige regels waarin naar een persoon van het mannelijke geslacht wordt verwezen, geldt eveneens voor personen van het vrouwelijke geslacht en vice versa, tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald.
HOOFDSTUK 2
SELECTIEPROCEDURES
Artikel 2
De selectieprocedure dient in overeenstemming te zijn met de beginselen zoals vastgesteld in artikel 12, lid 1, van de Regeling.
Artikel 3
1. De functie van de directeur of van een adjunct-directeur wordt als vacant beschouwd:
|
a) |
negen maanden vóór het einde van de respectieve ambtsperiode; |
|
b) |
na ontvangst van een ontslagaanvraag door de Raad; |
|
c) |
na een besluit van de Raad om de directeur of een adjunct-directeur te ontslaan of hun dienst anderszins te beëindigen overeenkomstig hoofdstuk 4 van de onderhavige regels; |
|
d) |
negen maanden vóór de dag waarop de directeur of een adjunct-directeur de leeftijd van 65 jaar bereikt, of |
|
e) |
na het overlijden van de directeur of van een adjunct-directeur. |
2. Voor elke vacante betrekking stelt de raad van bestuur een kennisgeving van vacature op. Voor de functie van adjunct-directeur stelt de raad van bestuur de kennisgeving van vacature op na raadpleging van de directeur.
De kennisgeving van vacature bevat de volgende gegevens in duidelijke en gedetailleerde bewoordingen:
|
a) |
een algemene beschrijving van de taken en opdracht van Europol, zoals vastgesteld in het Europol-besluit; |
|
b) |
een beschrijving van de voornaamste functies en taken van de directeur of adjunct-directeur, naargelang van het geval, met passende verwijzingen naar de relevante bepalingen van het Europol-besluit; |
|
c) |
de ontvankelijkheidscriteria waaraan alle kandidaten moeten voldoen om voor de functie in aanmerking te komen; |
|
d) |
het profiel voor de functie, met de eigenschappen die relevant worden geacht en die als selectiecriteria worden gebruikt; |
|
e) |
een overzicht van de selectie- en benoemingsprocedure; |
|
f) |
de arbeidsvoorwaarden, met inbegrip van de aanvangsrang, de aard van het aangeboden contract en de duur van de ambtsperiode; |
|
g) |
de modaliteiten en de uiterste datum voor het indienen van sollicitaties. |
3. De selectieprocedure omvat een beoordeling in het kader waarvan welbepaalde competenties en vaardigheden van de kandidaten worden getest.
De raad van bestuur stelt voor elke vacature de kenmerken en voorwaarden van de beoordeling vast en kan een beroep doen op een extern beoordelingscentrum.
4. In de kennisgeving van vacature dient ook te worden vermeld dat kandidaten schriftelijk moeten solliciteren met een gedetailleerd curriculum vitae, een motivatiebrief en referenties waaruit blijkt dat zij geschikt zijn voor de uitoefening van de bij de functie horende taken, gericht aan de voorzitter van de raad van bestuur en binnen zes weken na bekendmaking van de kennisgeving van vacature in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Voorts bevat de kennisgeving van vacature ook informatie over het veiligheidsonderzoek waaraan de geselecteerde kandidaat zal worden onderworpen overeenkomstig de regels die werden aangenomen krachtens artikel 40 van het Europol-besluit.
Artikel 4
1. De raad van bestuur zorgt ervoor dat de in artikel 3, lid 2 bedoelde kennisgeving van vacature in het Publicatieblad van de Europese Unie wordt bekendgemaakt, alsook in andere media, zoals nationale kranten en gespecialiseerde tijdschriften, teneinde in alle lidstaten een zo groot mogelijk publiek te bereiken.
2. Europol stelt de nationale Europol-eenheden in kennis van een vacature voor de post van directeur of adjunct-directeur. De nationale eenheden stellen de relevante bevoegde instanties van de lidstaten in kennis van de vacature. De bevoegde instanties dragen er zorg voor dat de vacature ter kennis wordt gebracht van de betrokken diensten en van alle betrokken personeelsleden.
3. Europol stuurt alle sollicitanten een ontvangstbevestiging.
Artikel 5
1. De raad van bestuur stelt een selectiecomité in (hierna: „het comité”) dat de ontvangen sollicitaties evalueert en een met redenen omkleed verslag opstelt dat wordt voorgelegd aan de raad van bestuur overeenkomstig artikel 6 van de onderhavige regels.
2. Voor de functie van directeur bestaat het comité uit het lid van de raad van bestuur dat de Commissie vertegenwoordigt en zes bestuursleden die de lidstaten vertegenwoordigen en die bij loting door de raad van bestuur worden aangewezen.
3. Voor de functie van adjunct-directeur bestaat het comité uit de directeur of een door hem aangewezen adjunct-directeur, het lid van de raad van bestuur dat de Commissie vertegenwoordigt en vijf bestuursleden die de lidstaten vertegenwoordigen en die bij loting door de raad van bestuur worden aangewezen.
4. Indien een overeenkomstig lid 2 en lid 3 aangewezen bestuurslid niet kan deelnemen aan de werkzaamheden van het comité, wordt hij/zij vervangen door het plaatsvervangende bestuurslid dat de Commissie of de desbetreffende lidstaat vertegenwoordigt, naargelang van het geval.
5. Indien er reden is om aan te nemen dat een lid van het comité een persoonlijke band heeft met een van de sollicitanten of indien zich eender welk ander potentieel belangenconflict zou kunnen voordoen, neemt dit lid geen deel aan de werkzaamheden van het comité en wordt hij/zij vervangen door het plaatsvervangende lid overeenkomstig lid 4.
6. Het secretariaat van het comité wordt verzorgd door het secretariaat van de raad van bestuur.
Artikel 6
1. Tijdens de eerste vergadering van het comité wijzen de leden een van hen als voorzitter aan.
2. Het comité kan voor de uitoefening van zijn taken een beroep doen op een externe personeelsadviseur indien de raad van bestuur daar op eigen initiatief of op verzoek van het comité toe besluit. De externe personeelsadviseur heeft niet de status van lid van het comité.
3. De taken van het comité omvatten:
|
a) |
het identificeren van alle sollicitanten die op basis van de in de aankondiging vastgestelde criteria voor de post in aanmerking komen; |
|
b) |
het opstellen van een eerste beoordeling van de sollicitaties van mogelijke kandidaten op basis van beroepskwalificaties, vaardigheden, ervaring en referenties, om te bepalen welke sollicitaties het comité nader moet bekijken; |
|
c) |
de beoordeling van de kandidaten overeenkomstig artikel 3, lid 3, van de onderhavige regels; |
|
d) |
het voeren van gesprekken met de kandidaten met het doel hun kwalificaties en vaardigheden te toetsen aan de in de kennisgeving van vacature vastgestelde criteria, en |
|
e) |
het opstellen van een naar behoren met redenen omkleed verslag over de ontvangen sollicitaties en de gevolgde procedure, met vermelding van:
|
4. De werkzaamheden van het comité worden volledig gedocumenteerd, met name met beoordelingsbladen die worden opgesteld overeenkomstig de in de kennisgeving van vacature vastgestelde criteria en alle eventuele richtsnoeren van de raad van bestuur. Van elke kandidaat worden de beoordelingsbladen en een samenvatting van de algemene conclusies van het comité in het sollicitatiedossier opgenomen.
5. Het resultaat van alle werkzaamheden die het secretariaat, één of meer van zijn leden of een externe personeelsadviseur uitvoert in naam van het comité, dient aan het voltallige comité voor onderzoek en goedkeuring te worden voorgelegd.
6. Het besluit van het comité tot vaststelling van het verslag wordt ondertekend door de voorzitter en door een ander lid van het comité.
7. Na de gesprekken zendt de voorzitter van het comité het door het comité opgestelde verslag alsmede het volledige sollicitatiedossier van de kandidaten met wie een gesprek is gevoerd zo spoedig mogelijk naar de raad van bestuur.
Artikel 7
Na elke fase van de selectieprocedure worden kandidaten die niet door het comité zijn geselecteerd schriftelijk door het secretariaat van het comité in kennis gesteld van het resultaat van de procedure.
Artikel 8
1. Het comité verricht zijn werkzaamheden in Den Haag, tenzij de raad van bestuur daartoe anders besluit.
2. De reis- en verblijfkosten, met inbegrip van hotelkosten, worden vergoed aan de leden van het comité en aan de sollicitanten die worden uitgenodigd voor de proeven en gesprekken, overeenkomstig de toepasselijke regels.
Artikel 9
1. De raad van bestuur vraagt de voorzitter van het comité de gevolgde procedure toe te lichten en het verslag van het comité voor te stellen.
2. De raad van bestuur kan beslissen om zelf een gesprek te voeren met de kandidaten van de ranglijst van het comité en met eender welke andere in aanmerking komende sollicitant met wie het comité een gesprek heeft gevoerd.
3. De raad van bestuur neemt een met redenen omkleed advies aan op basis van het door het comité voorgelegde verslag en, indien van toepassing, de resultaten van de overeenkomstig lid 2 gevoerde gesprekken. Het advies:
|
a) |
bevat een lijst van de in aanmerking komende sollicitanten; |
|
b) |
bevat een beperkte lijst van minstens drie geschikte sollicitanten, die zijn gerangschikt naar verdienste, en |
|
c) |
bevestigt dat de op de beperkte lijst vermelde sollicitanten voldoen aan de voorwaarden voor indiensttreding zoals bepaald in artikel 12, lid 2, van de Regeling en aan alle in de kennisgeving van vacature vastgestelde ontvankelijkheidscriteria. |
4. Indien een lid van de raad van bestuur is opgenomen in de lijst van sollicitanten of indien zich eender welk ander belangenconflict zou kunnen voordoen, is de desbetreffende persoon niet aanwezig wanneer het advies van de raad van bestuur wordt aangenomen.
5. De voorzitter van de raad van bestuur zendt het advies van de raad van bestuur en het volledige sollicitatiedossier van elk van de in de beperkte lijst opgenomen sollicitanten naar de Raad zodat deze zijn besluit kan nemen op basis van alle relevante informatie en zoals bepaald in artikel 38 van het Europol-besluit.
6. Het secretariaat van de raad van bestuur stelt de kandidaten die niet door de raad van bestuur zijn geselecteerd schriftelijk in kennis van het resultaat van de procedure.
Artikel 10
Zodra de Raad een besluit heeft genomen met betrekking tot de benoeming, zendt het secretariaat van de raad van bestuur een formele kennisgeving van het resultaat van de procedure naar alle kandidaten die op de post hadden gesolliciteerd. De termijn van drie maanden voor het indienen van een klacht krachtens artikel 90 van het Statuut gaat in op de datum van kennisgeving van deze brief.
Artikel 11
1. De werkzaamheden van het comité en van de raad van bestuur zijn geheim.
2. De leden van het comité, de leden van de raad van bestuur en alle Europol-functionarissen, personeelsleden van externe beoordelingscentra en externe personeeladviseurs nemen volledige geheimhouding in acht met betrekking tot het uitgevoerde werk.
HOOFDSTUK 3
VERLENGING VAN DE AMBTSPERIODE
Artikel 12
1. Indien de ambtsperiode van de directeur of van een adjunct-directeur die is benoemd op grond van artikel 38 van het Europol-besluit kan worden verlengd overeenkomstig artikel 38, lid 1, en artikel 38, lid 2, van het Europol-besluit, kan de raad van bestuur afwijken van de in hoofdstuk 2 vastgestelde procedure. In dergelijke gevallen neemt de raad van bestuur minstens twaalf maanden vóór de afloop van de ambtsperiode een advies aan waarin de Raad wordt aanbevolen de ambtsperiode te verlengen. In zijn advies houdt de raad van bestuur in het bijzonder rekening met de resultaten die de betrokken directeur of adjunct-directeur tijdens de eerste ambtsperiode heeft geboekt, alsook met het jaarlijkse beoordelingsverslag dat wordt opgesteld overeenkomstig artikel 15, lid 2, van de Regeling en de opdracht en de behoeften van Europol in de komende jaren.
Het advies van de raad van bestuur om de ambtsperiode van een adjunct-directeur te verlengen, wordt aangenomen na raadpleging van de directeur.
2. De in hoofdstuk 2 vastgestelde procedure wordt gevolgd indien de raad van bestuur besluit er niet van af te wijken, indien de Raad besluit de ambtsperiode van de betrokken directeur of adjunct-directeur niet te verlengen of indien de Raad dienaangaande geen besluit neemt binnen drie maanden na de ontvangst van het advies van de raad van bestuur.
HOOFDSTUK 4
BEËINDIGING VAN DE DIENST
Artikel 13
1. Behalve door overlijden eindigt de dienst van de directeur of van een adjunct-directeur overeenkomstig artikel 47, onder a), van de Regeling op het einde van de maand waarin de betrokken persoon de leeftijd van 65 jaar bereikt.
2. Het besluit om de dienst van de directeur of een adjunct-directeur te beëindigen, wordt door de Raad bij gekwalificeerde meerderheid van stemmen genomen nadat de raad van bestuur zijn advies heeft gegeven overeenkomstig de artikelen 15 en 17 van de onderhavige regels.
3. Het advies van de raad van bestuur betreffende de beëindiging van de dienst van een adjunct-directeur wordt aangenomen na raadpleging van de directeur.
Artikel 14
1. Een directeur of adjunct-directeur die vóór het einde van zijn ambtsperiode zijn ontslag aanbiedt, moet zijn ondubbelzinnige wens om zijn werkzaamheden bij Europol te beëindigen schriftelijk te kennen geven en een datum voorstellen vanaf welke zijn ontslag zal ingaan overeenkomstig artikel 47, onder b), ii), van de Regeling.
2. De ontslagaanvraag is gericht aan de voorzitter van de Raad, met een kopie aan de voorzitter van de raad van bestuur en, in geval van het ontslag van een adjunct-directeur, aan de directeur.
Artikel 15
1. Op verzoek van de raad van bestuur kan de Raad krachtens artikel 47, onder b), van de Regeling de dienst van de directeur of van een adjunct-directeur beëindigen mits de opzeggingstermijn en de andere voorwaarden waarnaar wordt verwezen onder ii) en iii) van het voornoemde artikel in acht worden genomen.
2. De Raad kan de dienst van de directeur of van een adjunct-directeur op verzoek van de raad van bestuur zonder opzeggingstermijn beëindigen indien aan de voorwaarden van artikel 48, onder a), of onder b), van de Regeling is voldaan.
3. De Raad beëindigt de dienst van de directeur of van een adjunct-directeur zonder opzeggingstermijn indien aan de voorwaarden van artikel 50 van de Regeling is voldaan. In dergelijke gevallen verklaart de Raad, na de betrokken persoon te hebben gehoord en na toepassing van de tuchtprocedure van artikel 16, lid 2, van de onderhavige regels, dat zijn dienst is beëindigd.
Voordat het dienstverband wordt beëindigd, kan de betrokken directeur of adjunct-directeur worden geschorst, de eerste door de raad van bestuur en de laatste door de directeur, overeenkomstig artikel 50, lid 2, van de Regeling en de artikelen 23 en 24 van bijlage IX bij het Statuut.
Artikel 16
1. De directeur of adjunct-directeur die opzettelijk of uit nalatigheid de hem door het Europol-besluit of de Regeling opgelegde verplichtingen niet nakomt, stelt zich bloot aan een tuchtmaatregel overeenkomstig artikel 50 bis, onder a), van de Regeling, titel VI van het Statuut en indien van toepassing bijlage IX bij het Statuut.
Van een dergelijke niet-nakoming is onder meer sprake indien bewezen is dat hij opzettelijk valse informatie heeft verstrekt over zijn beroepsbekwaamheid of het vereiste van artikel 12, lid 2, van de Regeling, indien de verstrekte valse informatie een bepalende factor is geweest bij zijn aanwerving.
2. Tuchtprocedures worden gestart en uitgevoerd overeenkomstig bijlage IX bij het Statuut.
Artikel 17
1. Nadat de tuchtrechtelijke procedure van bijlage IX bij het Statuut is gevolgd, kan de Raad de dienst van de directeur of van een adjunct-directeur overeenkomstig artikel 49 van de Regeling op tuchtrechtelijke gronden zonder opzeggingstermijn beëindigen in ernstige gevallen waarin de directeur of een adjunct-directeur opzettelijk of uit nalatigheid zijn verplichtingen niet nakomt.
Voordat het dienstverband wordt beëindigd, kan de betrokken directeur of adjunct-directeur worden geschorst, de eerste door de raad van bestuur en de laatste door de directeur, overeenkomstig artikel 50, lid 2, van de Regeling en de artikelen 23 en 24 van bijlage IX bij het Statuut.
2. Na ontvangst van het verslag van de tuchtraad zoals bedoeld in artikel 18 van bijlage IX bij het Statuut beslist de raad van bestuur of al dan niet een advies moet worden uitgebracht aan de Raad met het oog op de beëindiging van de dienst van de directeur overeenkomstig artikel 38, lid 7, van het Europol-besluit. In dergelijke gevallen brengt de raad van bestuur binnen een maand na de ontvangst van het verslag van de tuchtraad een naar behoren met redenen omkleed advies uit over de voor de ten laste gelegde feiten op te leggen sanctie of enige andere maatregel die de Raad overeenkomstig de onderhavige regels zou moeten nemen. Alvorens zijn advies uit te brengen, biedt de raad van bestuur de directeur de mogelijkheid om te worden gehoord. De voorzitter van de raad van bestuur zendt het advies van de raad van bestuur naar de Raad zoals bedoeld in artikel 38, lid 7, van het Europol-besluit, met afschrift aan de betrokken directeur.
Indien de raad van bestuur besluit om geen advies voor te leggen aan de Raad overeenkomstig artikel 38, lid 7, van het Europol-besluit, heeft de raad van bestuur het recht een van de in artikel 9, lid 1, van bijlage IX bij het Statuut voorziene sancties op te leggen, met uitzondering van ontzetting uit zijn directeursfunctie. Na de directeur te hebben gehoord, neemt de raad van bestuur zijn besluit overeenkomstig de artikelen 9 en 10 van bijlage IX bij het Statuut, binnen twee maanden na de datum waarop het advies van de tuchtraad werd ontvangen. Het besluit moet met redenen worden omkleed.
3. Na ontvangst van het verslag van de tuchtraad zoals bedoeld in artikel 18 van bijlage IX bij het Statuut legt de directeur de raad van bestuur zonder onnodig uitstel een naar behoren met redenen omkleed ontwerpadvies voor betreffende de voor de ten laste gelegde feiten op te leggen sanctie of enige andere maatregel die de Raad overeenkomstig deze regels ten aanzien van een adjunct-directeur zou moeten nemen.
De raad van bestuur bepaalt of al dan niet een advies wordt uitgebracht aan de Raad met het oog op de beëindiging van de dienst van de betrokken adjunct-directeur overeenkomstig artikel 38, lid 7, van het Europol-besluit. Alvorens zijn advies uit te brengen, biedt de raad van bestuur de adjunct-directeur de mogelijkheid om te worden gehoord. De raad van bestuur brengt zijn advies uit binnen een maand nadat de directeur het verslag van de tuchtraad heeft ontvangen. De voorzitter van de raad van bestuur zendt het advies van de raad van bestuur naar de Raad zoals bedoeld in artikel 38, lid 7, van het Europol-besluit, met afschrift aan de betrokken adjunct-directeur.
Indien de raad van bestuur besluit om geen advies voor te leggen aan de Raad overeenkomstig artikel 38, lid 7, van het Europol-besluit, heeft de directeur het recht een van de in artikel 9, lid 1, van bijlage IX bij het Statuut voorziene sancties op te leggen, met uitzondering van de ontzetting van de betrokken adjunct-directeur uit zijn functie. Na de betrokken adjunct-directeur te hebben gehoord, neemt de directeur zijn besluit overeenkomstig de artikelen 9 en 10 van bijlage IX bij het Statuut, binnen twee maanden na de datum waarop hij het advies van de tuchtraad heeft ontvangen. Het besluit moet met redenen worden omkleed.
4. Na ontvangst van een advies van de raad van bestuur, zoals bedoeld in de leden 2 en 3 van het onderhavige artikel, besluit de Raad, na de betrokken directeur of adjunct-directeur te hebben gehoord, of de directeur of adjunct-directeur al dan niet uit zijn functie wordt ontzet overeenkomstig artikel 9, lid 1, onder h), van bijlage IX bij het Statuut dan wel of zijn dienstverband bij Europol anderszins wordt beëindigd.
Indien de Raad besluit om de directeur of een adjunct-directeur uit zijn functie te ontzetten of zijn dienstverband anderszins te beëindigen, geeft de Raad in zijn besluit aan wat de maatregel precies inhoudt en vanaf welke datum deze wordt opgelegd. Het besluit dient naar behoren met redenen omkleed te zijn en moet aan de betrokkene en aan Europol worden meegedeeld.
De Raad neemt het besluit om de directeur of een adjunct-directeur uit zijn functie te ontzetten overeenkomstig artikel 9 van bijlage IX bij het Statuut binnen twee maanden na de ontvangst van het advies van de tuchtraad zoals bedoeld in artikel 18 van bijlage IX bij het Statuut.
5. Indien de Raad besluit de betrokken directeur of adjunct-directeur niet uit zijn functie te ontzetten overeenkomstig artikel 9, lid 1, onder h), van bijlage IX bij het Statuut noch zijn dienst bij Europol anderszins te beëindigen, wordt de zaak terugverwezen naar de raad van bestuur in geval van een directeur en naar de raad van bestuur en de directeur in geval van een adjunct-directeur.
Indien de zaak van de directeur naar de raad van bestuur wordt terugverwezen, heeft deze het recht om een van de sancties op te leggen zoals bepaald in artikel 9, lid 1, van bijlage IX bij het Statuut, met uitzondering van de ontzetting van de directeur uit zijn functie. De raad van bestuur neemt zonder onnodige vertraging een besluit na de directeur te hebben gehoord. Het besluit moet met redenen worden omkleed.
Indien de zaak van een adjunct-directeur naar de raad van bestuur en de directeur wordt terugverwezen, heeft laatstgenoemde het recht om een van de sancties op te leggen zoals bepaald in artikel 9, lid 1, van bijlage IX bij het Statuut, met uitzondering van de ontzetting van de adjunct-directeur uit zijn functie. De directeur neemt zonder onnodige vertraging een besluit na de betrokken adjunct-directeur te hebben gehoord. Het besluit moet met redenen worden omkleed.
HOOFDSTUK 5
SLOTBEPALINGEN
Artikel 18
1. Deze regels worden van kracht op de dag van de inwerkingtreding van het Europol-besluit.
2. Binnen drie jaar na de inwerkingtreding worden deze regels door de raad van bestuur geëvalueerd.
3. Voorstellen tot wijziging van de onderhavige regels worden bestudeerd door de raad van bestuur met het oog op de goedkeuring ervan door de Raad volgens de procedure van artikel 38, lid 3, en artikel 38, lid 7, van het Europol-besluit.
Gedaan te Den Haag, 4 juni 2009.
Goedgekeurd door de Raad op 30 november 2009.
De voorzitter
S. CLERTON