Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32008R0889

Verordening (EG) nr. 889/2008 van de Commissie van 5 september 2008 tot vaststelling van bepalingen ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 834/2007 van de Raad inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten, wat de biologische productie, de etikettering en de controle betreft

OJ L 250, 18.9.2008, p. 1–84 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)
Special edition in Croatian: Chapter 15 Volume 008 P. 173 - 256

In force

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2008/889/oj

18.9.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 250/1


VERORDENING (EG) nr. 889/2008 VAN DE COMMISSIE

van 5 september 2008

tot vaststelling van bepalingen ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 834/2007 van de Raad inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten, wat de biologische productie, de etikettering en de controle betreft

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 834/2007 van de Raad van 28 juni 2007 inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 2092/91 (1), en met name op artikel 9, lid 4, artikel 11, tweede alinea, artikel 12, lid 3, artikel 14, lid 2, artikel 16, lid 3, onder c), artikel 17, lid 2, artikel 18, lid 5, artikel 19, lid 3, tweede alinea, artikel 21, lid 2, artikel 22, lid 1, artikel 24, lid 3, artikel 25, lid 3, artikel 26, artikel 28, lid 6, artikel 29, lid 3, artikel 38, onder a), b), c) en e), en artikel 40,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EG) nr. 834/2007, en met name in de titels III, IV en V, zijn basisvoorschriften vastgesteld voor de productie, de etikettering en de controle van biologische producten in de plantaardige en in de dierlijke productie. Er moeten bepalingen voor de uitvoering van deze voorschriften worden vastgesteld.

(2)

De ontwikkeling op Gemeenschapsniveau van nieuwe, gedetailleerde productievoorschriften voor bepaalde diersoorten, de biologische aquacultuur, zeewier en als levensmiddel of diervoeder gebruikte gist zal meer tijd vergen en moet derhalve in een volgende procedure worden geregeld. Daarom dienen deze producten te worden uitgesloten uit de werkingssfeer van deze verordening. De communautaire productie-, controle- en etiketteringvoorschriften moeten echter wel in overeenstemming met artikel 42 van Verordening (EG) nr. 834/2007 overeenkomstig worden toegepast op bepaalde diersoorten, aquacultuurproducten en zeewier.

(3)

Om dubbelzinnigheden te voorkomen en de uniforme toepassing van de voorschriften voor de biologische productie te garanderen, moeten bepaalde definities worden vastgesteld.

(4)

De biologische plantaardige productie is gebaseerd op het beginsel dat de planten hun voedsel vooral uit het ecosysteem van de bodem halen. De substraatteelt, waarbij de wortels van de plant zich in een inert groeimedium met oplosbare mineralen en nutriënten bevinden, mag daarom niet worden toegestaan.

(5)

Aangezien bij de biologische plantaardige productie uiteenlopende teeltpraktijken worden toegepast met een beperkt gebruik van langzaam oplosbare meststoffen en bodemverbeteringsmiddelen, moeten deze praktijken worden gespecificeerd. Met name moeten voorwaarden voor het gebruik van bepaalde niet-synthetische producten worden vastgesteld.

(6)

Het gebruik van pesticiden die kunnen leiden tot milieuschade of tot de aanwezigheid van residuen in landbouwproducten, moet aan banden worden gelegd. Parasieten, ziekten en onkruid moeten bij voorkeur worden bestreden met preventieve maatregelen. Bovendien moet het gebruik van bepaalde gewasbeschermingsmiddelen aan voorwaarden worden gebonden.

(7)

Het gebruik van bepaalde gewasbeschermingsmiddelen, meststoffen, bodemverbeteringsmiddelen, bepaalde niet-biologische voedermiddelen, toevoegingsmiddelen voor diervoeders, technische hulpstoffen voor diervoeders en bepaalde reinigings- en ontsmettingsmiddelen werd op grond van Verordening (EEG) nr. 2092/91 (2) onder welomschreven voorwaarden toegestaan. Met het oog op de voortzetting van de biologische landbouw moet het gebruik van de betrokken producten en stoffen overeenkomstig artikel 16, lid 3, onder c), van Verordening (EG) nr. 834/2007 verder worden toegestaan. Bovendien moeten de producten en stoffen die in het kader van Verordening (EEG) nr. 2092/91 waren toegestaan, omwille van de duidelijkheid worden opgenomen in de bijlagen bij de onderhavige verordening. In de toekomst kunnen producten en stoffen aan deze lijsten worden toegevoegd op basis van een andere rechtsgrond, namelijk artikel 16, lid 1, van Verordening (EG) nr. 834/2007. Daarom dient de verschillende status van elke categorie producten en stoffen aan de hand van een symbool te worden aangegeven in de lijst.

(8)

De integrale aanpak in de biologische landbouw impliceert een grondgebonden dierlijke productie en gebruik van de daarvan afkomstige mest in de plantaardige productie. Aangezien de dierhouderij hand in hand gaat met beheer van de landbouwgrond, moet niet-grondgebonden dierlijke productie worden verboden. In de biologische dierhouderij moet niet alleen het vermogen van de dieren om zich aan de plaatselijke omstandigheden aan te passen, hun levenskracht en hun ziektebestendigheid in aanmerking worden genomen bij de keuze van de rassen, maar moet tevens een ruime biologische diversiteit worden nagestreefd.

(9)

Het feit dat de marktdeelnemers soms problemen hebben om biologisch gehouden fokdieren uit een beperkt genenbestand te vinden, belemmert de ontwikkeling van de sector. Daarom moet de mogelijkheid worden geboden om een beperkt aantal niet-biologisch gehouden dieren voor fokdoeleinden op het landbouwbedrijf binnen te brengen.

(10)

De biologische dierhouderij moet ervoor zorgen dat aan de ethologische behoeften van de dieren wordt voldaan. In dit verband dient de huisvesting van alle diersoorten te voorzien in de behoefte van de dieren aan ventilatie, licht, ruimte en comfort, en moet elk dier over een voldoende oppervlakte beschikken om een ruime bewegingsvrijheid te genieten en zijn natuurlijke sociale gedrag te ontwikkelen. Voor bepaalde dieren, onder meer bijen, moeten huisvestingsvoorschriften en houderijpraktijken worden vastgesteld. Deze huisvestingsvoorschriften moeten een hoog niveau van dierenwelzijn — een prioriteit in de biologische dierhouderij — garanderen en mogen daarom verder gaan dan de communautaire dierenwelzijnsnormen die voor de landbouw in het algemeen gelden. Biologische dierhouderijpraktijken moeten gericht zijn tegen een te snelle opfok van pluimvee. Daarom moeten bepalingen ter voorkoming van intensieve teeltmethoden worden vastgesteld. Om het gebruik van intensieve teeltmethoden te ontraden, moet worden bepaald dat biologisch gehouden pluimvee bij de slacht een bepaalde minimumleeftijd moet hebben of dat het moet behoren tot traaggroeiende rassen.

(11)

In de meeste gevallen moeten de biologisch gehouden dieren, zodra de weersomstandigheden dit toelaten, toegang hebben tot een plaats waar zij in de open lucht kunnen grazen en deze openluchtruimten moeten in beginsel worden beheerd volgens een adequaat rotatieschema.

(12)

Om te voorkomen dat nutriënten natuurlijke hulpbronnen als grond en water verontreinigen, moet een maximumgrens voor het gebruik van dierlijke mest per hectare en de veebezetting per hectare worden vastgesteld. Deze maximumgrens moet gerelateerd zijn aan het stikstofgehalte van de mest.

(13)

Verminkingen die bij de dieren stress, schade, ziekte of lijden in de hand werken, moeten worden verboden. Handelingen die essentieel zijn voor bepaalde productietakken en voor de veiligheid van mens en dier, mogen evenwel onder strikte voorwaarden worden toegestaan.

(14)

De dieren moeten, rekening houdend met hun fysiologische behoeften, worden gevoederd met overeenkomstig de voorschriften voor de biologische landbouw geproduceerde grassen, voedergewassen en diervoeders. Bovendien kan het nodig zijn om onder welomschreven voorwaarden bepaalde mineralen, spoorelementen en vitamines bij te voederen om aan de basisvoedingsbehoeften van de dieren te voldoen.

(15)

Aangezien de capaciteit van biologisch gehouden herkauwers om de nodige essentiële vitaminen A, D en E uit hun voederrantsoen te halen vanwege de klimatologische omstandigheden en de beschikbare voedselbronnen verschilt van gebied tot gebied en deze verschillen naar verwachting zullen blijven bestaan, moet het gebruik van dergelijke vitaminen bij herkauwers worden toegestaan.

(16)

Maatregelen op het gebied van diergezondheid moeten vooral gericht zijn op ziektepreventie. Bovendien moeten reinigings- en ontsmettingsmaatregelen worden toegepast.

(17)

Het preventieve gebruik van chemisch gesynthetiseerde, allopathische geneesmiddelen is in de biologische landbouw niet toegestaan. Wanneer een ziek of gewond dier echter onmiddellijk zorg nodig heeft, moet de mogelijkheid worden geboden een strikt noodzakelijke dosis chemisch gesynthetiseerde, allopathische geneesmiddelen toe te dienen. Om de goede naam die de biologische productie bij de consument geniet, te waarborgen, moet het bovendien mogelijk zijn beperkende maatregelen te treffen, zoals verdubbeling van de wachttijd na gebruik van chemisch gesynthetiseerde, allopathische geneesmiddelen.

(18)

Er moeten specifieke voorschriften inzake ziektepreventie en diergeneeskundige behandelingen in de bijenteelt worden vastgesteld.

(19)

Er moet worden bepaald dat diervoeders of levensmiddelen producerende marktdeelnemers rekening moeten houden met passende procedures die zijn gebaseerd op de systematische identificatie van cruciale verwerkingsfasen, teneinde ervoor te zorgen dat de geproduceerde verwerkte producten voldoen aan de voorschriften voor de biologische productie.

(20)

Voor de productie van bepaalde verwerkte biologische diervoeders en levensmiddelen moet worden gebruikgemaakt van niet-biologische producten en stoffen. De harmonisatie van de wijnbouwvoorschriften op communautair niveau zal meer tijd vergen. Daarom moeten de hier bedoelde producten van de wijnbereiding buiten de werkingssfeer van deze verordening worden gehouden totdat in een latere procedure voorschriften in dit verband worden vastgesteld.

(21)

Het gebruik van bepaalde ingrediënten van niet-agrarische oorsprong, bepaalde technische hulpstoffen voor levensmiddelen en bepaalde niet-biologische ingrediënten van agrarische oorsprong werd op grond van Verordening (EEG) nr. 2092/91 onder welomschreven voorwaarden toegestaan bij de vervaardiging van verwerkte biologische levensmiddelen. Met het oog op de voortzetting van de biologische landbouw moet het gebruik van de betrokken producten en stoffen overeenkomstig artikel 21, lid 2, van Verordening (EG) nr. 834/2007 verder worden toegestaan. Bovendien moeten de producten en stoffen die in het kader van Verordening (EEG) nr. 2092/91 waren toegestaan, omwille van de duidelijkheid worden opgenomen in de bijlagen bij de onderhavige verordening. In de toekomst kunnen producten en stoffen aan deze lijsten worden toegevoegd op basis van een andere rechtsgrond, namelijk artikel 21, lid 2, van Verordening (EG) nr. 834/2007. Daarom dient de verschillende status van elke categorie producten en stoffen aan de hand van een symbool te worden aangegeven in de lijst.

(22)

In bepaalde omstandigheden kunnen biologische en niet-biologische producten samen worden opgehaald en vervoerd. Er moeten bepalingen worden vastgesteld om de biologische en de niet-biologische producten tijdens de behandeling goed van elkaar te scheiden en vermenging te voorkomen.

(23)

De omschakeling naar de biologische productiemethode vergt bepaalde perioden waarin alle gebruikte middelen op deze productiewijze moeten worden afgestemd. Afhankelijk van de vorige productie van het landbouwbedrijf moet in dit verband voor elke productiesector een specifieke periode worden vastgesteld.

(24)

Overeenkomstig artikel 22 van Verordening (EG) nr. 834/2007 moeten voorwaarden voor de toepassing van de in dat artikel bedoelde uitzonderingen worden vastgesteld. Dergelijke voorwaarden moeten betrekking hebben op het niet beschikbaar zijn van biologisch gehouden dieren, diervoeders, bijenwas, zaaizaad, pootaardappelen en biologische ingrediënten, op specifieke problemen in verband met het beheer van de dierhouderij en op noodsituaties.

(25)

Geografische en structurele verschillen in de landbouw- en klimaatomstandigheden kunnen de ontwikkeling van de biologische productie in bepaalde gebieden belemmeren en maken het daarom noodzakelijk uitzonderingen vast te stellen voor bepaalde praktijken op het gebied van de kenmerken van de gebouwen en installaties voor de dierhouderij. In bedrijven die vanwege hun geografische ligging en hun structurele beperkingen, met name omwille van hun locatie in bergachtige gebieden, kleinschalig zijn, mag het aanbinden van dieren daarom onder welomschreven voorwaarden worden toegestaan, maar enkel wanneer deze dieren niet in aan hun ethologische behoeften aangepaste groepen kunnen worden gehouden.

(26)

Om de verdere ontwikkeling van een beginnende biologische dierhouderij te garanderen, zijn op grond van Verordening (EEG) nr. 2092/91 tijdelijke afwijkingen voor het aanbinden en huisvesten van dieren en voor de veebezetting vastgesteld. Om verstoringen in de biologische dierhouderij te voorkomen, moeten deze afwijkingen in een overgangsfase gehandhaafd blijven totdat de termijn voor toepassing ervan is verstreken.

(27)

Gezien het belang van bestuiving in de biologische bijenteelt moeten uitzonderingen kunnen worden toegestaan die het mogelijk maken om op één bedrijf eenheden voor zowel biologische als niet-biologische bijenteelt te exploiteren.

(28)

Omdat landbouwers zich soms moeilijk kunnen bevoorraden met biologisch gehouden dieren en biologische diervoeders, moet toestemming worden verleend voor het beperkte gebruik van niet-biologisch geproduceerde landbouwproductiemiddelen.

(29)

In de biologische productie actieve producenten hebben zich intensief ingezet voor een toename van de productie van biologisch zaaizaad en biologisch vegetatief teeltmateriaal om tot een breed assortiment plantenrassen en plantensoorten te komen waarvoor biologisch zaaizaad en vegetatief teeltmateriaal verkrijgbaar is. Aangezien voor talrijke soorten nog steeds niet genoeg biologisch zaaizaad en biologisch vegetatief teeltmateriaal beschikbaar is, moet in die gevallen het gebruik van niet-biologisch zaaizaad en niet-biologisch vegetatief teeltmateriaal worden toegestaan.

(30)

Om de zoektocht van de marktdeelnemers naar biologisch zaaizaad en biologische pootaardappelen te vergemakkelijken, moeten de lidstaten zorgen voor de oprichting van een gegevensbank met de rassen waarvan biologisch zaaizaad en biologische pootaardappelen op de markt beschikbaar zijn.

(31)

De zorg voor volwassen mannelijke runderen kan gevaarlijk zijn voor de betrokken marktdeelnemer en voor andere personen die de dieren verzorgen. Daarom moet de mogelijkheid worden geboden uitzonderingen toe te staan tijdens de fase waarin zoogdieren, en met name runderen, worden afgemest.

(32)

Noodsituaties of wijdverbreide dier- of plantenziekten kunnen ernstige gevolgen hebben voor de biologische productie in de getroffen gebieden. Om de landbouwactiviteit in die plaatsen te behouden of zelfs nieuw leven in te blazen, moeten passende maatregelen worden getroffen. Daarom moet aan de bedrijven in de getroffen gebieden de mogelijkheid worden geboden om zich gedurende een beperkte periode te bevoorraden met niet-biologisch gehouden dieren of niet-biologische diervoeders.

(33)

Overeenkomstig artikel 24, lid 3, en artikel 25, lid 3, van Verordening (EG) nr. 834/2007 moeten specifieke criteria worden vastgesteld voor de presentatie, de samenstelling, de grootte en het ontwerp van het communautair logo, alsmede voor de presentatie en de samenstelling van het codenummer van de controlerende autoriteit of het controleorgaan en van de aanduiding van de plaats waar de agrarische grondstoffen waaruit het product is samengesteld, zijn geteeld.

(34)

Overeenkomstig artikel 26 van Verordening (EG) nr. 834/2004 moeten specifieke voorschriften inzake de etikettering van biologische diervoeders worden vastgesteld, met inachtneming van de soorten en de samenstelling van de diervoeders en de horizontale etiketteringsvoorschriften voor diervoeders.

(35)

Ter aanvulling van de controleregeling op basis van Verordening (EG) nr. 882/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake officiële controles op de naleving van de wetgeving inzake diervoeders en levensmiddelen en de voorschriften inzake diergezondheid en dierenwelzijn (3), moeten specifieke controlemaatregelen worden vastgesteld. Met name moet worden voorzien in nauwkeurige voorschriften met betrekking tot alle stadia van de productie, de verwerking en de afzet van biologische producten.

(36)

De mededeling van gegevens door de lidstaten aan de Commissie moet het deze laatste mogelijk maken de gegevens die haar worden verstrekt voor het beheer van de statistische informatie en referentiegegevens, direct en zo doeltreffend mogelijk te gebruiken. Hiertoe dient te worden bepaald dat alle uitwisselingen tussen de lidstaten en de Commissie waarbij gegevens beschikbaar worden gesteld of meegedeeld, langs elektronische of digitale weg moeten gebeuren.

(37)

De uitwisseling van gegevens en stukken tussen de Commissie en de lidstaten en het beschikbaar stellen en meedelen van gegevens door de lidstaten aan de Commissie vinden in de regel plaats langs elektronische of digitale weg. Om de informatie-uitwisselingen in het kader van de regelgeving over de biologische productie te verbeteren en uit te breiden, moeten de bestaande computersystemen worden aangepast of moeten nieuwe computersystemen worden opgezet. Bepaald dient te worden dat dit door de Commissie wordt gerealiseerd en wordt geïmplementeerd nadat de lidstaten via het Comité inzake de biologische productie zijn geïnformeerd.

(38)

De wijze waarop de gegevens door deze computersystemen worden verwerkt, en de vorm en inhoud van de op grond van Verordening (EG) nr. 834/2007 te verstrekken stukken moeten vaak worden aangepast overeenkomstig de ontwikkeling van de geldende regelgeving of behoeften in het kader van het beheer. Ook is een uniforme presentatie van de door de lidstaten te verstrekken stukken noodzakelijk. Om deze doelstellingen te bereiken, de procedures te vereenvoudigen en ervoor te zorgen dat de betrokken computersystemen onmiddellijk operationeel zijn, moeten de vorm en de inhoud van de stukken worden gedefinieerd aan de hand van modellen of vragenlijsten die de Commissie aanpast en bijwerkt na het Comité inzake de biologische productie daarover te hebben geïnformeerd.

(39)

Met betrekking tot een aantal op grond van Verordening (EG) nr. 2092/91 vastgestelde bepalingen moeten overgangsmaatregelen worden vastgesteld om te voorkomen dat de continuïteit van de biologische productie in gevaar komt.

(40)

Verordening (EEG) nr. 207/93 van de Commissie van 29 januari 1993 tot vaststelling van de inhoud van bijlage VI bij Verordening (EEG) nr. 2092/91 inzake de biologische productiemethode en aanduidingen dienaangaande op landbouwproducten en levensmiddelen en tot vaststelling van bepalingen voor de toepassing van artikel 5, lid 4, van die verordening (4), Verordening (EG) nr. 1452/2003 van de Commissie van 14 augustus 2003 tot handhaving van de in artikel 6, lid 3, onder a), van Verordening (EEG) nr. 2092/91 vastgestelde uitzonderingsbepaling ten aanzien van bepaalde soorten zaaizaad en vegetatief teeltmateriaal en tot vaststelling van procedurebepalingen en criteria voor die uitzonderingsbepaling (5), en Verordening (EG) nr. 223/2003 van de Commissie van 5 februari 2003 houdende etiketteringsvoorschriften in verband met de biologische productiemethode voor diervoeders, mengvoeders en voedermiddelen en tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 2092/91 van de Raad (6), moeten worden ingetrokken en vervangen door een nieuwe verordening.

(41)

Verordening (EEG) nr. 2092/91 wordt met ingang van 1 januari 2009 ingetrokken bij Verordening (EG) nr. 834/2007. Een groot aantal van de in de eerstgenoemde verordening vervatte bepalingen moet echter in enigszins aangepaste vorm van toepassing blijven en moet daarom in het kader van de onderhavige verordening worden vastgesteld. Omwille van de duidelijkheid moet de concordantie tussen de betrokken bepalingen van Verordening (EEG) nr. 2092/91 en die van de onderhavige verordening worden aangegeven.

(42)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Regelgevend Comité voor biologische productie,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Inhoudstafel

Titel I

Inleidende bepalingen

Titel II

Voorschriften inzake productie, verwerking, verpakking, vervoer en opslag van producten

Hoofdstuk 1

Plantaardige productie

Hoofdstuk 2

Dierlijke productie

Afdeling 1

Herkomst van de dieren

Afdeling 2

Huisvesting van de dieren en dierhouderijpraktijken

Afdeling 3

Diervoeders

Afdeling 4

Ziektepreventie en diergeneeskundige behandeling

Hoofdstuk 3

Verwerkte producten

Hoofdstuk 4

Ophaling, verpakking, vervoer en opslag van producten

Hoofdstuk 5

Bepalingen inzake de omschakeling

Hoofdstuk 6

Uitzonderlijke productievoorschriften

Afdeling 1

Klimatologische, geografische of structurele beperkingen

Afdeling 2

Het niet beschikbaar zijn van biologische landbouwproductiemiddelen

Afdeling 3

Specifieke beheersproblemen in de biologische dierhouderij

Afdeling 4

Noodsituaties

Hoofdstuk 7

Databank voor zaaigoed

Titel III

Etikettering

Hoofdstuk 1

Communautair logo

Hoofdstuk 2

Specifieke etiketteringsvoorschriften voor diervoeders

Hoofdstuk 3

Andere specifieke etiketteringsvoorschriften

Titel IV

Controles

Hoofdstuk 1

Minimale controlevoorschriften

Hoofdstuk 2

Controlevoorschriften voor planten en plantaardige producten

Hoofdstuk 3

Controlevoorschriften voor dieren en dierlijke producten

Hoofdstuk 4

Controlevoorschriften voor de bereiding van producten

Hoofdstuk 5

Controlevoorschriften voor de import

Hoofdstuk 6

Controlevoorschriften voor eenheden die taken contractueel uitbesteden aan derden

Hoofdstuk 7

Controlevoorschriften voor eenheden die diervoeders bereiden

Hoofdstuk 8

Inbreuken en informatie-uitwisseling

Titel V

Informatieverstrekking, overgangs- en slotbepalingen

Hoofdstuk 1

Informatieverstrekking aan de Commissie

Hoofdstuk 2

Overgangs — en slotbepalingen

TITEL I

INLEIDENDE BEPALINGEN

Artikel 1

Onderwerp en toepassingsgebied

1.   Bij deze verordening worden specifieke voorschriften vastgesteld voor de biologische productie, de etikettering en de controle van de in artikel 1, lid 2, van Verordening (EG) nr. 834/2007 genoemde producten.

2.   Deze verordening is niet van toepassing op:

a)

producten van de aquacultuur;

b)

zeewier;

c)

andere dan de in artikel 7 genoemde diersoorten;

d)

als levensmiddel of diervoeder gebruikte gist.

Titel II, titel III en titel IV zijn evenwel van overeenkomstige toepassing op de in de eerste alinea, onder a), b) en c), genoemde producten totdat de productievoorschriften voor deze producten zijn vastgesteld op grond van Verordening (EG) nr. 834/2007.

Artikel 2

Definities

Naast de definities van artikel 2 van Verordening (EG) nr. 834/2007 gelden voor de toepassing van deze verordening de volgende definities:

a)

„niet-biologisch”: niet afkomstig van of geen verband houdend met een productie overeenkomstig Verordening (EG) nr. 834/2007 en de onderhavige verordening;

b)

„geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik”: producten als omschreven in artikel 1, lid 2, van Richtlijn 2001/82/EG van het Europees Parlement en de Raad (7) inzake het communautaire wetboek betreffende geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik;

c)

„importeur”: de natuurlijke of rechtspersoon in de Gemeenschap die zelf of via een vertegenwoordiger een zending aanbrengt voor het in het vrije verkeer brengen ervan in de Gemeenschap;

d)

„eerste geadresseerde”: de natuurlijke of rechtspersoon aan wie de geïmporteerde zending wordt geleverd en die deze in ontvangst neemt voor verdere bereiding en/of afzet;

e)

„bedrijf”: alle productie-eenheden die door één bestuur worden geëxploiteerd met het oog op de productie van landbouwproducten;

f)

„productie-eenheid”: het geheel van de in een productiesector gebruikte productiemiddelen, zoals productieruimten, percelen grond, weilanden, openluchtruimten, stallen, plaatsen voor de opslag van gewassen, plantaardige producten, dierlijke producten, grondstoffen en andere voor de betrokken productiesector relevante productiemiddelen;

g)

„substraatteelt”: methode om planten te telen met hun wortels hetzij louter in een oplossing van minerale voedingsstoffen, hetzij in een inert medium als perliet, grind of minerale vezels, waaraan een oplossing van nutriënten is toegevoegd;

h)

„diergeneeskundige behandeling”: elke therapeutische of profylactische behandeling van één specifiek ziektegeval;

i)

„omschakelingsdiervoeders”: diervoeders die tijdens de periode van omschakeling naar de biologische productie worden geproduceerd, met uitzondering van de diervoeders die worden geoogst in de twaalf maanden na het begin van de omschakeling overeenkomstig artikel 17, lid 1, onder a), van Verordening (EG) nr. 834/2007.

TITEL II

VOORSCHRIFTEN INZAKE PRODUCTIE, VERWERKING, VERPAKKING, VERVOER EN OPSLAG VAN BIOLOGISCHE PRODUCTEN

HOOFDSTUK 1

Plantaardige productie

Artikel 3

Beheer en bemesting van de grond

1.   Wanneer de toepassing van artikel 12, lid 1, onder a), b) en c), van Verordening (EG) nr. 834/2007 niet volstaat om aan de nutritionele behoeften van de planten te voldoen, mag in de biologische productie slechts gebruik worden gemaakt van een strikt noodzakelijke hoeveelheid van de in bijlage I bij de onderhavige verordening opgenomen meststoffen en bodemverbeteringsmiddelen. De marktdeelnemers houden bewijsstukken bij waarin de noodzaak van het gebruik van dergelijke producten wordt aangetoond.

2.   De op een bedrijf gebruikte totale hoeveelheid dierlijke mest als omschreven in Richtlijn 91/676/EEG van de Raad inzake de bescherming van water tegen verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen (8) mag niet groter zijn dan 170 kg stikstof per jaar per hectare landbouwgrond. Dit maximum geldt enkel voor het gebruik van stalmest, gedroogde stalmest, gedehydrateerde kippenmest, gecomposteerde dierlijke mest, met inbegrip van kippenmest, gecomposteerde stalmest en vloeibare dierlijke mest.

3.   Biologische landbouwbedrijven mogen met het oog op het uitrijden van mestoverschotten van de biologische productie samenwerkingsregelingen treffen met andere bedrijven en ondernemingen die de voorschriften inzake de biologische productie in acht nemen. Het in lid 2 vastgestelde maximum wordt berekend op basis van alle bij een dergelijke samenwerking betrokken biologischeproductie-eenheden.

4.   Om de algemene bodemgesteldheid of de beschikbaarheid van nutriënten in de bodem of in de gewassen te verbeteren, mag gebruik worden gemaakt van passende preparaten op basis van micro-organismen.

5.   Voor het versnellen van de compostering mogen passende preparaten op basis van planten of passende preparaten op basis van micro-organismen worden gebruikt.

Artikel 4

Verbod op substraatteelt

De substraatteelt is verboden.

Artikel 5

Beheer van plagen, ziekten en onkruid

1.   Wanneer de toepassing van artikel 12, lid 1, onder a), b), c) en g), van Verordening (EG) nr. 834/2007 niet volstaat om de planten adequaat tegen plagen en ziekten te beschermen, mag in de biologische productie slechts gebruik worden gemaakt van de in bijlage II bij de onderhavige verordening opgenomen producten. De marktdeelnemers houden bewijsstukken bij waarin de noodzaak van het gebruik van dergelijke producten wordt aangetoond.

2.   Vallen en/of verstuivers, behalve feromoonverstuivers, moeten zo zijn ontworpen dat de gebruikte stoffen niet in het milieu kunnen terechtkomen en niet met de geteelde gewassen in contact kunnen komen. De vallen moeten na gebruik worden verzameld en veilig worden vernietigd.

Artikel 6

Specifieke voorschriften voor de paddenstoelenteelt

Paddenstoelen mogen worden geteeld op substraten die uitsluitend zijn samengesteld uit de volgende componenten:

a)

stalmest en dierlijke mest:

i)

ofwel afkomstig van bedrijven die volgens de biologische productiemethode produceren;

ii)

ofwel als vermeld in bijlage I wanneer het onder i) bedoelde product niet beschikbaar is; en op voorwaarde dat deze componenten samen niet meer wegen dan 25 % van het gewicht van alle componenten van het substraat, exclusief het afdekmateriaal en het eventueel toegevoegde water, vóór compostering;

b)

producten van agrarische oorsprong, andere dan bedoeld onder a), afkomstig van bedrijven die volgens de biologische productiemethode produceren;

c)

turf die niet chemisch is behandeld;

d)

hout dat na het kappen niet chemisch is behandeld;

e)

in bijlage I vermelde minerale producten, water en grond.

HOOFDSTUK 2

Dierlijke productie

Artikel 7

Werkingssfeer

In dit hoofdstuk worden productievoorschriften voor de volgende soorten vastgesteld: runderen, inclusief bubalus en bizon, paardachtigen, varkens, schapen, geiten, pluimvee (in bijlage III vermelde soorten) en bijen.

Afdeling 1

Herkomst van de dieren

Artikel 8

Herkomst van biologisch gehouden dieren

1.   Bij de keuze van de rassen of stammen moet rekening worden gehouden met het vermogen van de dieren om zich aan de plaatselijke omstandigheden aan te passen, met hun levenskracht en met hun resistentie tegen ziekten. Voorts moeten rassen of stammen van dieren worden geselecteerd met het oog op de preventie van specifieke ziekten of gezondheidsproblemen, zoals stresssyndroom bij varkens, PSE-syndroom („pale, soft, exudative”), acute dood, spontane abortus en moeilijke geboorten die keizersneden nodig maken, die in verband worden gebracht met bepaalde in de intensieve dierhouderij gebruikte rassen of stammen. De voorkeur moet worden gegeven aan inheemse rassen en stammen.

2.   Met betrekking tot bijen moet de voorkeur uitgaan naar de Apis mellifera en de plaatselijke ecotypes daarvan.

Artikel 9

Herkomst van niet-biologisch gehouden dieren

1.   Krachtens artikel 14, lid 1, onder a) ii), van Verordening (EG) nr. 834/2007 is het binnenbrengen van niet-biologisch gehouden dieren op een bedrijf voor de fokkerij toegestaan, doch alleen wanneer niet voldoende biologisch gehouden dieren beschikbaar zijn en aan de in de leden 2 tot en met 5 van het onderhavige artikel vastgestelde voorwaarden wordt voldaan.

2.   Wanneer een veestapel of -beslag voor het eerst wordt samengesteld, moeten niet-biologisch gehouden jonge dieren meteen na het spenen worden opgefokt volgens de voorschriften voor de biologische productie. Bovendien gelden met betrekking tot de datum waarop de dieren in de veestapel of het veebeslag worden opgenomen, de volgende beperkingen:

a)

buffels, kalveren en veulens moeten jonger zijn dan zes maanden;

b)

lammeren en jonge geiten moeten jonger zijn dan 60 dagen;

c)

biggen moeten minder wegen dan 35 kg.

3.   Wanneer voor de vernieuwing van een veestapel of een veebeslag niet-biologisch gehouden mannelijke zoogdieren en niet-biologisch gehouden vrouwelijke zoogdieren die nog niet geworpen hebben, op een bedrijf worden binnengebracht, moeten deze dieren daarna worden gehouden volgens de voorschriften voor de biologische productie. Bovendien gelden voor het aantal vrouwelijke zoogdieren dat per jaar op een bedrijf wordt binnengebracht, de volgende beperkingen:

a)

de vrouwelijke dieren mogen maximaal 10 % uitmaken van de volwassen paardachtigen of runderen, met inbegrip van bubalus en bizon, en maximaal 20 % van de volwassen varkens, schapen en geiten;

b)

op eenheden met minder dan 10 paardachtigen of runderen, of met minder dan vijf varkens, schapen of geiten mag maximaal één dier per jaar voor vernieuwing worden binnengebracht.

In 2012 zal dit lid worden herbezien met het oog op een geleidelijke uitdoving ervan.

4.   In de volgende bijzondere gevallen kunnen de in lid 3 vastgestelde percentages na goedkeuring van de bevoegde autoriteit tot 40 % worden verhoogd:

a)

wanneer het bedrijf aanzienlijk wordt uitgebreid;

b)

wanneer het bedrijf overschakelt op een ander ras;

c)

wanneer het bedrijf een nieuwe dierhouderijtak opzet;

d)

wanneer rassen voor de landbouw verloren dreigen te gaan in de zin van bijlage IV bij Verordening (EG) nr. 1974/2006 van de Commissie (9), in welk geval de dieren van de betrokken rassen wel al mogen hebben geworpen.

5.   Voor de vernieuwing van de bijenbestanden mag per biologischeproductie-eenheid jaarlijks 10 % van de koninginnen en zwermen worden vervangen door niet-biologische koninginnen en zwermen, op voorwaarde dat de koninginnen en zwermen worden geplaatst in kasten met natuurlijke raten of kunstraten die afkomstig zijn van biologische productie-eenheden.

Afdeling 2

Huisvesting van de dieren en dierhouderijpraktijken

Artikel 10

Huisvestingsvoorschriften

1.   De isolatie, de verwarming en de ventilatie van het gebouw moeten ervoor zorgen dat de luchtcirculatie, het stofgehalte, de temperatuur, de relatieve luchtvochtigheid en de gasconcentratie beperkt blijven tot een niveau dat voor de dieren niet schadelijk is. Er moet ruimschoots natuurlijke ventilatie en daglicht in het gebouw kunnen komen.

2.   Huisvesting voor dieren is niet verplicht in gebieden met passende klimatologische omstandigheden waarin dieren buiten kunnen worden gehouden.

3.   De veebezetting in de gebouwen moet zorgen voor het comfort, het welzijn en de soortspecifieke behoeften van de dieren, die met name afhankelijk zijn van de soort, het ras en de leeftijd van de dieren. De veebezetting moet tevens overeenstemmen met de ethologische behoeften van de dieren, die met name afhangen van de groepsgrootte en het geslacht van de dieren. De veebezetting is erop gericht het welzijn van de dieren te waarborgen door te zorgen voor voldoende ruimte om op natuurlijke wijze te staan, gemakkelijk te gaan liggen, zich om te draaien, zich te verzorgen, alle natuurlijke houdingen aan te nemen en alle natuurlijke bewegingen uit te voeren zoals zich uitrekken en met de vleugels klapperen.

4.   De minimumoppervlakte van de binnen- en de buitenruimten, alsmede de andere kenmerken van de huisvesting voor de verschillende soorten en categorieën dieren, zijn vastgesteld in bijlage III.

Artikel 11

Specifieke huisvestingsvoorschriften en dierhouderijpraktijken voor zoogdieren

1.   De vloeren van de stallen moeten vlak zijn maar niet glad. Tenminste de helft van het in bijlage III vastgestelde totale vloeroppervlak van de binnenruimte moet dicht zijn, dat wil zeggen, niet voorzien zijn van een latten- of roosterconstructie.

2.   De stallen moeten voorzien zijn van een comfortabele, schone en droge lig-/rustruimte met een toereikende oppervlakte en met een dichte bodem zonder lattenconstructie. In de rustruimte moet worden gezorgd voor ruim voldoende en droog strooisel. Het strooisel moet bestaan uit stro of andere geschikte natuurlijke materialen. Het strooisel mag worden verbeterd en verrijkt met in bijlage I opgenomen minerale producten.

3.   Onverminderd artikel 3, lid 3, van Richtlijn 91/629/EEG van de Raad (10) is het verboden kalveren ouder dan een week onder te brengen in individuele kisten.

4.   Onverminderd artikel 3, lid 8, van Richtlijn 91/630/EEG van de Raad (11) moeten zeugen in groepen worden gehouden, behalve in de laatste fase van de dracht en tijdens de zoogtijd.

5.   Biggen mogen niet worden gehouden in vlakke batterijen of in biggenkooien.

6.   Varkens moeten in de bewegingsruimten kunnen mesten en wroeten. Voor het wroeten mogen verschillende onderlagen worden gebruikt.

Artikel 12

Specifieke huisvestingsvoorschriften en dierhouderijpraktijken voor pluimvee

1.   Pluimvee mag niet in kooien worden gehouden.

2.   Waterpluimvee moet toegang hebben tot een waterloop, een vijver, een meer of een poel wanneer de weersomstandigheden en de hygiëneomstandigheden dit toelaten, teneinde te voldoen aan de soortspecifieke behoeften van deze dieren en de voor hen geldende welzijnsvoorschriften.

3.   Gebouwen voor alle soorten pluimvee moeten voldoen aan de volgende voorwaarden:

a)

ten minste één derde van het vloeroppervlak moet bestaan uit vaste bodem, dat wil zeggen geen latten- of roosterconstructie, en bedekt zijn met strooisel, zoals stro, houtkrullen, zand of turfmolm;

b)

in pluimveestallen voor legkippen moet een voldoende groot gedeelte van het voor de kippen beschikbare vloeroppervlak beschikbaar zijn voor het opvangen van de uitwerpselen;

c)

zij moeten voorzien zijn van zitstokken die qua afmetingen en aantal afgestemd zijn op de grootte van de groep en van de dieren overeenkomstig bijlage III;

d)

zij moeten voorzien zijn van openingen om naar binnen of naar buiten te gaan die aangepast zijn aan de omvang van de dieren en die samen een totale lengte hebben van ten minste 4 meter per 100 m2 voor de dieren beschikbare ruimte;

e)

per pluimveestal mogen niet meer dieren gehuisvest worden dan:

i)

4 800 kippen,

ii)

3 000 legkippen,

iii)

5 200 parelhoenders,

iv)

4 000 vrouwelijke Barbarijse eenden of Pekingeenden of 3 200 mannelijke Barbarijse eenden of Pekingeenden of andere eenden,

v)

2 500 kapoenen, ganzen of kalkoenen;

f)

de totale nuttige oppervlakte van de stallen voor pluimvee voor de vleesproductie mag per productie-eenheid niet meer dan 1 600 m2 bedragen;

g)

de pluimveestallen moeten zo zijn ontworpen dat alle dieren gemakkelijk toegang hebben tot de openluchtruimte.

4.   Het daglicht mag met kunstlicht worden aangevuld tot een maximum van 16 uur licht per dag, met een ononderbroken nachtelijke rustperiode zonder kunstlicht van minstens acht uur.

5.   Ter voorkoming van het gebruik van intensieve kweekmethoden moet het pluimvee bij de slacht een bepaalde minimumleeftijd hebben of moet het behoren tot traaggroeiende rassen. Wanneer de marktdeelnemer geen traaggroeiende rassen kweekt, worden bij de slacht de volgende minimumleeftijden toegepast:

a)

81 dagen voor kuikens,

b)

150 dagen voor kapoenen,

c)

49 dagen voor Pekingeenden,

d)

70 dagen voor vrouwelijke Barbarijse eenden,

e)

84 dagen voor mannelijke Barbarijse eenden,

f)

92 dagen voor Mallardeenden,

g)

94 dagen voor parelhoenders,

h)

140 dagen voor mannelijke kalkoenen en braadganzen, en

i)

100 dagen voor vrouwelijke kalkoenen.

De bevoegde autoriteit stelt de criteria voor traaggroeiende rassen of een lijst van deze rassen vast en verstrekt deze informatie aan marktdeelnemers, andere lidstaten en de Commissie.

Artikel 13

Specifieke bepalingen en huisvestingsvoorschriften voor de bijenteelt

1.   De bijenkasten moeten zo geplaatst zijn dat bronnen van nectar en stuifmeel binnen een straal van 3 km van de locatie van de bijenkasten hoofdzakelijk bestaan uit biologische gewassen en/of spontane vegetatie en gewassen waarop slechts licht milieubelastende technieken worden toegepast die gelijkwaardig zijn aan die welke zijn beschreven in artikel 36 van Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad (12) of in artikel 22 van Verordening (EG) nr. 1257/1999 van de Raad (13), en die geen gevolgen kunnen hebben voor de biologische status van de bijenteeltproductie. De bovengenoemde bepalingen zijn niet van toepassing op gebieden waar geen bloei plaatsvindt, of wanneer de kasten in de rustperiode zijn.

2.   De lidstaten kunnen gebieden of zones aanwijzen waar de bijenteelt niet kan worden uitgeoefend volgens de voorschriften voor de biologische productie.

3.   De kasten moeten in essentie vervaardigd zijn uit natuurlijke materialen die geen verontreinigingsgevaar opleveren voor het milieu of de bijenteeltproducten.

4.   De bijenwas voor nieuwe ramen moet afkomstig zijn van biologischeproductie-eenheden.

5.   Onverminderd artikel 25 mogen in de kasten alleen natuurlijke producten zoals propolis, was en plantaardige oliën worden gebruikt.

6.   Tijdens de honingwinning is het gebruik van synthetische chemische repellenten verboden.

7.   Het is verboden honing te winnen uit raten die broed bevatten.

Artikel 14

Toegang tot openluchtruimten

1.   De openluchtruimten mogen gedeeltelijk zijn afgedekt.

2.   Overeenkomstig artikel 14, lid 1, onder b) iii), van Verordening (EG) nr. 834/2007 moeten herbivoren, wanneer de omstandigheden dit toelaten, toegang hebben tot weidegrond om te grazen.

3.   Wanneer herbivoren tijdens de graastijd toegang hebben tot weidegrond en in winterstalling bewegingsvrijheid genieten, kan worden afgezien van de verplichting om gedurende de wintermaanden openluchtruimten te verschaffen.

4.   Onverminderd lid 2 moeten stieren van meer dan één jaar toegang hebben tot weidegrond of tot een openluchtruimte.

5.   Pluimvee moet gedurende ten minste één derde van zijn leven toegang hebben tot een openluchtruimte.

6.   De openluchtruimten voor pluimvee moeten voor het grootste deel begroeid zijn, schuilmogelijkheden bieden en de dieren gemakkelijk toegang geven tot voldoende drink- en voederbakken.

7.   Pluimvee dat binnen wordt gehouden als gevolg van beperkingen of verplichtingen die op grond van de Gemeenschapsregelgeving zijn opgelegd, moet permanent toegang hebben tot voldoende hoeveelheden ruwvoer en geschikt materiaal om aan zijn ethologische behoeften te voldoen.

Artikel 15

Veebezetting

1.   De veebezetting mag niet meer stikstof opleveren dan 170 kg per jaar en per hectare landbouwgrond, zoals bepaald in artikel 3, lid 2.

2.   Met het oog op de bepaling van de juiste veebezetting stelt de bevoegde autoriteit, op basis van de in bijlage IV opgenomen cijfers of de op grond van Richtlijn 91/676/EEG vastgestelde relevante nationale bepalingen, het aantal vee-eenheden vast dat met het in lid 1 vastgestelde maximum overeenkomt.

Artikel 16

Verbod op niet-grondgebonden dierlijke productie

De niet-grondgebonden dierlijke productie, waarbij de betrokken marktdeelnemer geen landbouwgrond beheert en/of geen schriftelijke overeenkomst met een andere marktdeelnemer is aangegaan overeenkomstig artikel 3, lid 3, is verboden.

Artikel 17

Gelijktijdige productie van biologisch en niet-biologisch gehouden dieren

1.   Niet-biologisch gehouden dieren mogen op het bedrijf aanwezig zijn, mits zij worden gehouden in eenheden waarvan de gebouwen en percelen duidelijk zijn gescheiden van de eenheden waar overeenkomstig de voorschriften voor de biologische productie wordt geproduceerd en mits het andere diersoorten betreft.

2.   Niet-biologisch gehouden dieren mogen gedurende een beperkte periode per jaar gebruikmaken van biologische weidegronden, mits zij afkomstig zijn uit een landbouwsysteem als omschreven in lid 3, onder b), en niet op hetzelfde moment als biologisch gehouden dieren op die weidegrond aanwezig zijn.

3.   Biologisch gehouden dieren mogen op gemeenschappelijk grond grazen, mits:

a)

de grond gedurende ten minste drie jaar niet is behandeld met producten die niet zijn toegestaan voor de biologische productie;

b)

niet-biologisch gehouden dieren die de betrokken grond gebruiken, afkomstig zijn uit een landbouwsysteem dat gelijkwaardig is aan de systemen die zijn omschreven in artikel 36 van Verordening (EG) nr. 1698/2005 of in artikel 22 van Verordening (EG) nr. 1257/1999;

c)

dierlijke producten van biologisch gehouden dieren gedurende de periode waarin deze dieren de betrokken grond gebruiken, niet worden aangemerkt als biologisch geproduceerde producten, tenzij kan worden aangetoond dat de biologisch gehouden dieren adequaat zijn gescheiden van de niet-biologisch gehouden dieren.

4.   Tijdens de transhumanceperiode mogen de dieren grazen op niet-biologische weidegronden wanneer zij van de ene weide naar de andere moeten lopen. De in de betrokken periode opgenomen hoeveelheid niet-biologische diervoeders in de vorm van gras en andere vegetatie waarop de dieren grazen, mag niet meer bedragen dan 10 % van de totale hoeveelheid voeder op jaarbasis. Dit percentage wordt berekend als percentage van de droge stof van diervoeders van agrarische oorsprong.

5.   De marktdeelnemers houden bewijsstukken inzake de toepassing van de in dit artikel vastgestelde bepalingen bij.

Artikel 18

Beheer van de dieren

1.   Ingrepen als het aanbrengen van rubberbanden aan de staarten van schapen, couperen van staarten, knippen van tanden, snavelkappen en onthoornen mogen in de biologische landbouw niet routinematig worden toegepast. Voor sommige van deze ingrepen kan de bevoegde autoriteit echter ad-hoctoestemming verlenen, wanneer de veiligheid in het geding is of wanneer dergelijke ingrepen gericht zijn op de verbetering van de gezondheid, het welzijn of de hygiëne van de dieren.

Het lijden van de dieren moet tot een minimum worden beperkt door adequate anesthesie of analgesie toe te passen en de ingreep op de optimale leeftijd van de dieren te laten verrichten door daartoe gekwalificeerd personeel.

2.   Fysieke castratie is toegestaan om de kwaliteit van de producten te handhaven en traditionele productiepraktijken in stand te houden, doch uitsluitend met inachtneming van de voorwaarden in lid 1, tweede alinea.

3.   Verminking, zoals het knippen van de vleugels van koninginnen, is verboden.

4.   De dieren moeten worden in- en uitgeladen zonder dat er gebruik wordt gemaakt van enig elektrisch dwangmiddel. Het gebruik van allopathische kalmeringsmiddelen vóór en tijdens het vervoer is verboden.

Afdeling 3

Diervoeders

Artikel 19

Diervoeders afkomstig van het eigen bedrijf of van andere biologische bedrijven

1.   De diervoeders voor herbivoren moeten, behalve tijdens de jaarlijkse transhumanceperiode van de dieren, waarop artikel 17, lid 4, van toepassing is, voor ten minste 50 % van de eenheid zelf afkomstig zijn of, als dit niet mogelijk is, in samenwerking met andere biologische bedrijven en voornamelijk in de regio van de eenheid worden geproduceerd.

2.   Na afloop van het productieseizoen moeten in de bijenkasten nog voldoende honing- en stuifmeelvoorraden aanwezig zijn om de bijen in staat te stellen de winter door te komen.

3.   Het voederen van bijenkolonies is slechts toegestaan wanneer het overleven van het bijenvolk vanwege klimatologische omstandigheden in gevaar is, en mag slechts plaatsvinden na de laatste honingoogst tot 15 dagen vóór het begin van de volgende periode waarin de nectar of honingdauw wordt aangemaakt. Voor het voederen moet gebruik worden gemaakt van biologische honing, biologische suikerstroop of biologische suiker.

Artikel 20

Diervoeders in overeenstemming met de nutritionele behoeften van de dieren

1.   Jonge zoogdieren moeten bij voorkeur met moedermelk in plaats van natuurlijke melk worden gevoederd gedurende een minimumperiode van drie maanden voor runderen, met inbegrip van bubalus en bizon, en paardachtigen, 45 dagen voor schapen en geiten en 40 dagen voor varkens.

2.   Houderijsystemen voor herbivoren moeten worden gebaseerd op maximaal gebruik van weidegronden, naar gelang van de beschikbaarheid daarvan tijdens de verschillende perioden van het jaar. Ten minste 60 % van de droge stof van het dagrantsoen van herbivoren dient te bestaan uit ruwvoer, verse of gedroogde voedergewassen of kuilvoer. Voor dieren in de zuivelproductie is bij het begin van de lactatie een verlaging tot 50 % toegestaan gedurende maximaal drie maanden.

3.   Aan het dagrantsoen voor varkens en pluimvee moet ruwvoer, verse of gedroogde voedergewassen of kuilvoer worden toegevoegd.

4.   Het is verboden dieren te houden onder omstandigheden of met rantsoenen die bloedarmoede kunnen veroorzaken.

5.   Mestmethoden moeten in alle stadia van het kweekproces omkeerbaar zijn. Dwangvoedering is verboden.

Artikel 21

Omschakelingsdiervoeders

1.   Maximaal 30 % van het voederrantsoen mag bestaan uit omschakelingsdiervoeders. Dit aandeel mag tot 60 % worden verhoogd indien de omschakelingsdiervoeders afkomstig zijn van een eenheid van het eigen bedrijf.

2.   Het begrazen of de oogst van percelen blijvende voedergewassen of blijvend grasland die zich in het eerste omschakelingsjaar bevinden, mag maximaal 20 % van de totale gemiddelde hoeveelheid gevoederde diervoeders vormen, op voorwaarde dat deze percelen van het eigen bedrijf zijn en tijdens de laatste vijf jaar geen deel hebben uitgemaakt van een biologischeproductie-eenheid van dat bedrijf. Wanneer gebruik wordt gemaakt van zowel omschakelingsdiervoeders als diervoeders afkomstig van percelen die zich in het eerste omschakelingsjaar bevinden, mag het totale percentage van die diervoeders samen niet hoger zijn dan de in lid 1 vastgestelde maximumpercentages.

3.   De in de leden 1 en 2 opgenomen cijfers worden jaarlijks berekend als percentage van de droge stof van diervoeders van plantaardige oorsprong.

Artikel 22

Producten en stoffen als bedoeld in artikel 14, lid 1, onder d) iv), van Verordening (EG) nr. 834/2007

1.   Niet-biologische voedermiddelen van plantaardige of dierlijke oorsprong mogen in de biologische productie worden gebruikt met inachtneming van de in artikel 43 vastgestelde beperkingen en alleen wanneer deze voedermiddelen worden vermeld in bijlage V en voldoen aan de in die bijlage vastgestelde voorwaarden.

2.   Biologische voedermiddelen van dierlijke oorsprong en voedermiddelen van minerale oorsprong mogen slechts in de biologische productie worden gebruikt wanneer deze voedermiddelen worden vermeld in bijlage V en voldoen aan de in die bijlage vastgestelde voorwaarden.

3.   Producten en bijproducten van de visserij mogen slechts in de biologische productie worden gebruikt wanneer deze worden vermeld in bijlage V en voldoen aan de in die bijlage vastgestelde voorwaarden.

4.   Toevoegingsmiddelen voor diervoeders, bepaalde in diervoeding gebruikte producten en technische hulpstoffen mogen slechts in de biologische productie worden gebruikt wanneer deze worden vermeld in bijlage VI en voldoen aan de in die bijlage vastgestelde voorwaarden.

Afdeling 4

Ziektepreventie en diergeneeskundige behandeling

Artikel 23

Ziektepreventie

1.   Het gebruik van chemisch gesynthetiseerde, allopathische geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik of van antibiotica voor preventieve behandelingen is verboden, onverminderd artikel 24, lid 3.

2.   Het gebruik van stoffen om de groei of de productie te bevorderen (met inbegrip van antibiotica, coccidiostatica en andere kunstmatige groeibevorderende hulpstoffen), alsmede het gebruik van hormonen of soortgelijke stoffen voor het controleren van de reproductie of voor andere doeleinden (zoals het opwekken of synchroniseren van bronst) zijn verboden.

3.   Wanneer dieren van niet-biologische eenheden op het bedrijf worden binnengebracht, mogen, naargelang van de plaatselijke omstandigheden, speciale maatregelen worden toegepast, zoals screeningtests en quarantaineperioden.

4.   De stallen, hokken, uitrusting en gereedschappen moeten naar behoren worden gereinigd en ontsmet om kruisbesmetting en de ontwikkeling van vectororganismen te voorkomen. Uitwerpselen, urine en niet-aangeroerde of gemorste voedselresten moeten zo vaak als nodig is worden verwijderd om ongewenste geuren zoveel mogelijk te beperken en te vermijden dat insecten of knaagdieren worden aangelokt.

Voor de toepassing van artikel 14, lid 1, onder f), van Verordening (EG) nr. 834/2007 mag voor het reinigen en ontsmetten van gebouwen, installaties en gereedschappen voor de dierhouderij slechts gebruik worden gemaakt van de in bijlage VII opgenomen producten. Om gebouwen en andere installaties waar dieren worden gehouden, te ontdoen van insecten en andere parasieten, mag gebruik worden gemaakt van rodenticiden (uitsluitend in vallen) en de in bijlage II opgenomen producten.

5.   De pluimveestallen moeten telkens na het houden van een partij pluimvee worden leeggemaakt. De stallen en toebehoren moeten dan worden gereinigd en ontsmet. Bovendien moeten de uitlopen telkens na het houden van een partij pluimvee vrij worden gehouden om de vegetatie te laten aangroeien. De lidstaten stellen vast hoe lang de uitlopen leeg moeten blijven. De marktdeelnemers houden bewijsstukken inzake de toepassing van deze periode bij. Deze voorschriften zijn niet van toepassing op pluimvee dat niet in partijen wordt gekweekt, niet in uitlopen wordt gehouden en de hele dag vrij kan rondlopen.

Artikel 24

Diergeneeskundige behandeling

1.   Dieren die ondanks de in artikel 14, lid 1, onder e) i), van Verordening (EG) nr. 834/2007 bedoelde preventieve maatregelen ter waarborging van de diergezondheid toch ziek worden of gewond geraken, moeten onmiddellijk worden behandeld, zo nodig in afzondering en in aangepaste huisvesting.

2.   Fytotherapeutische producten, homeopathische producten, spoorelementen en in bijlage V, deel 3, en bijlage VI, deel 1.1, opgenomen producten zijn te verkiezen boven chemisch gesynthetiseerde, allopathische geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik of antibiotica, mits hun therapeutisch effect doeltreffend is voor de betreffende diersoort en de aandoening waarop de behandeling is gericht.

3.   Indien het gebruik van de in de leden 1 en 2 bedoelde producten niet doeltreffend is bij de bestrijding van een ziekte of een verwonding en een behandeling absoluut noodzakelijk is om lijden of pijn voor het dier te voorkomen, mogen chemisch gesynthetiseerde, allopathische geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik of antibiotica worden gebruikt onder de verantwoordelijkheid van een dierenarts.

4.   Behalve in het geval van inentingen, behandelingen tegen parasieten en verplichte uitroeiingsschema’s is het verboden om individuele dieren of groepen dieren die binnen twaalf maanden meer dan drie reeksen behandelingen ondergaan met chemisch gesynthetiseerde, allopathische geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik of antibiotica, of die meer dan een reeks behandelingen ondergaan indien de productieve levenscyclus minder dan een jaar bedraagt, alsmede de van die individuele dieren of groepen dieren afkomstige producten, te verkopen als biologische producten, en moeten de in artikel 38, lid 1, bedoelde omschakelingsperioden op de dieren worden toegepast.

Bewijsstukken van dergelijke gevallen moeten ter beschikking van de controlerende autoriteit of het controleorgaan worden gehouden.

5.   De wachttijd tussen de laatste toediening van een allopathisch geneesmiddel voor diergeneeskundig gebruik aan een dier onder normale gebruiksomstandigheden en de productie van biologisch geproduceerde levensmiddelen afkomstig van dergelijke dieren dient het dubbele van de in artikel 11 van Richtlijn 2001/82/EG te bedragen of, indien een dergelijke periode niet is bepaald, 48 uur.

Artikel 25

Specifieke voorschriften inzake ziektepreventie en diergeneeskundige behandeling in de bijeenteelt

1.   Voor de bescherming van ramen, kasten, raten, met name tegen plagen mogen alleen rodenticiden (uitsluitend in vallen) en daartoe geëigende, in bijlage II opgenomen producten worden gebruikt.

2.   Fysische behandelingen voor de ontsmetting van de bijenstallen, zoals het gebruik van stoom en rechtstreeks vuur, zijn toegestaan.

3.   Het vernietigen van het mannelijk broed is enkel toegestaan als middel om besmetting door Varroa destructor tegen te gaan.

4.   Indien de kolonies ondanks alle preventieve maatregelen toch ziek worden of besmet geraken, moeten zij onmiddellijk worden behandeld, zo nodig door de kolonies in speciale bijenstallen af te zonderen.

5.   Geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik mogen slechts in de biologische bijenteelt worden gebruikt voor zover het gebruik ervan voor het beoogde doel in de betrokken lidstaat is toegestaan overeenkomstig de betreffende communautaire bepalingen of op grond van het Gemeenschapsrecht vastgestelde nationale bepalingen.

6.   Bij besmetting met Varroa destructor is het gebruik van mierenzuur, melkzuur, azijnzuur, oxaalzuur, menthol, thymol, eucalyptol en kamfer toegestaan.

7.   Gedurende de periode waarin een behandeling met chemisch gesynthetiseerde, allopathische producten wordt toegepast, moeten de behandelde kolonies in speciale bijenstallen worden afgezonderd en moet alle bijenwas worden vervangen door bijenwas die afkomstig is van de biologische bijenteelt. Daarna geldt voor die kolonies de in artikel 38, lid 3, vastgestelde omschakelingsperiode van één jaar.

8.   Het bepaalde in lid 7 geldt niet voor de in lid 6 genoemde producten.

HOOFDSTUK 3

Verwerkte producten

Artikel 26

Voorschriften voor de productie van verwerkte levensmiddelen en verwerkte diervoeders

1.   Toevoegingsmiddelen, technische hulpstoffen en andere stoffen en ingrediënten voor de vervaardiging van verwerkte levensmiddelen en diervoeders, alsmede verwerkingsmethoden, zoals roken, moeten worden gebruikt overeenkomstig de goede fabricagemethoden.

2.   Marktdeelnemers die verwerkte levensmiddelen of diervoeders produceren, moeten passende procedures vaststellen die gebaseerd zijn op de systematische identificatie van cruciale verwerkingsfasen, en deze bijwerken.

3.   De toepassing van de in lid 2 bedoelde procedures moet op elke moment garanderen dat de geproduceerde verwerkte producten voldoen aan de voorschriften voor de biologische productie.

4.   De marktdeelnemers moeten de in lid 2 bedoelde procedures naleven en toepassen. Met name moeten de marktdeelnemers:

a)

voorzorgsmaatregelen nemen om het risico op verontreiniging door niet-toegestane stoffen of niet-toegestane producten te voorkomen;

b)

adequate reinigingsmaatregelen toepassen, de efficiëntie ervan controleren en deze handelingen registeren;

c)

garanderen dat niet-biologische producten niet in de handel worden gebracht met een verwijzing naar de biologische productiemethode.

5.   Wanneer in de betrokken bereidingseenheid tevens niet-biologische producten worden bereid of opgeslagen, moeten de marktdeelnemers, bovenop het bepaalde in de leden 2 en 4:

a)

de behandelingen van de volledige partij uitvoeren zonder onderbreking en fysiek of in de tijd gescheiden van de soortgelijke behandeling van niet-biologische producten;

b)

de biologische producten vóór en na de behandelingen fysiek of in de tijd gescheiden van de niet-biologische producten opslaan;

c)

de controlerende autoriteit of het controleorgaan daarvan in kennis stellen en een bijgewerkt register van alle behandelingen en alle verwerkte hoeveelheden beschikbaar houden;

d)

de nodige maatregelen nemen om de identificatie van de partijen te garanderen en om vermenging of verwisseling met niet-biologische producten te voorkomen;

e)

het productiemateriaal naar behoren reinigen voordat de biologische producten ermee worden behandeld.

Artikel 27

Gebruik van bepaalde producten en stoffen bij de vervaardiging van verwerkte levensmiddelen

1.   Voor de toepassing van artikel 19, lid 2, onder b), van Verordening (EG) nr. 834/2007 mogen slechts de volgende stoffen bij de vervaardiging van verwerkte biologische levensmiddelen, met uitzondering van wijn, worden gebruikt:

a)

in bijlage VIII bij de onderhavige verordening opgenomen stoffen;

b)

preparaten op basis van micro-organismen en enzymen die gewoonlijk worden gebruikt bij de vervaardiging van verwerkte levensmiddelen;

c)

stoffen en producten als gedefinieerd in artikel 1, lid 2, onder b) i), en artikel 1, lid 2, onder c), van Richtlijn 88/388/EEG van de Raad (14), die overeenkomstig artikel 9, lid 1, onder d), en lid 2, van die richtlijn op het etiket zijn aangeduid als natuurlijke aromastoffen of natuurlijke aromatiserende preparaten;

d)

kleurstoffen voor het stempelen van vlees en eierschalen overeenkomstig, respectievelijk, artikel 2, lid 8, en artikel 2, lid 9, van Richtlijn 94/36/EG van het Europees Parlement en de Raad (15);

e)

drinkwater en zout (met natriumchloride of kaliumchloride als basiscomponenten) dat in het algemeen wordt gebruikt bij de vervaardiging van verwerkte levensmiddelen;

f)

mineralen (inclusief spoorelementen), vitaminen, aminozuren en micronutriënten zijn alleen toegelaten voor zover zij volgens de wet aan levensmiddelen moeten worden toegevoegd.

2.   Voor de in artikel 23, lid 4, onder a) ii), van Verordening (EG) nr. 834/2007 bedoelde berekening:

a)

worden toevoegingsmiddelen voor levensmiddelen, die zijn opgenomen in bijlage VIII en in de kolom met het codenummer van de toevoegingsmiddelen zijn voorzien van een asterisk, meegerekend als ingrediënten van agrarische oorsprong;

b)

worden in lid 1, onder b), c), d), e) en f), van het onderhavige artikel bedoelde preparaten en stoffen en stoffen die in de kolom met het codenummer van de toevoegingsmiddelen niet zijn voorzien van een asterisk, niet meegerekend als ingrediënten van agrarische oorsprong.

3.   Het gebruik van de volgende in bijlage VIII opgenomen stoffen wordt vóór 31 december 2010 opnieuw bezien:

(a)

natriumnitriet en kaliumnitraat in deel A, met het oog op het intrekken van de toelating van deze toevoegingsmiddelen;

(b)

zwaveldioxide en kaliummetabisulfiet in deel A;

(c)

zoutzuur in deel B voor de bereiding van Gouda, Edam, Maasdammer kaas, Boerenkaas, Friese en Leidse Nagelkaas.

Bij het onder a) bedoelde onderzoek dient rekening te worden gehouden met de inspanningen die de lidstaten hebben geleverd om veilige alternatieven voor nitrieten/nitraten te vinden en om opleidingsprogramma's inzake alternatieve verwerkingsmethoden en hygiëne voor verwerkers/fabrikanten van biologisch vlees op te stellen.

Artikel 28

Gebruik van bepaalde niet-biologische ingrediënten van agrarische oorspong bij de vervaardiging van verwerkte levensmiddelen

Voor de toepassing van artikel 19, lid 2, onder c), van Verordening (EG) nr. 834/2007 mag bij de vervaardiging van verwerkte biologische levensmiddelen worden gebruikgemaakt van in bijlage IX bij de onderhavige verordening opgenomen niet-biologische ingrediënten van agrarische oorsprong.

Artikel 29

Verlening door de lidstaat van een vergunning voor het gebruik van niet-biologische voedselingrediënten van agrarische oorsprong

1.   Ingrediënten van agrarische oorsprong die niet in bijlage IX bij deze verordening zijn opgenomen, mogen slechts onder de volgende voorwaarden worden gebruikt:

a)

de marktdeelnemer heeft de bevoegde autoriteit van de lidstaat in kennis gesteld van alle nodige bewijsstukken waaruit blijkt dat het betrokken ingrediënt in de Gemeenschap in onvoldoende hoeveelheden overeenkomstig de voorschriften voor de biologische productie wordt geproduceerd en niet uit derde landen kan worden geïmporteerd;

b)

de bevoegde autoriteit van de betrokken lidstaat heeft eerst geverifieerd dat de marktdeelnemer de nodige contacten met leveranciers in de Gemeenschap heeft gehad om zich ervan te vergewissen dat bij hen geen ingrediënten met de vereiste kwaliteitskenmerken beschikbaar zijn, en heeft vervolgens een voorlopige vergunning verleend voor het gebruik van het ingrediënt gedurende maximaal twaalf maanden;

c)

er is geen besluit tot intrekking van een vergunning voor het gebruik van het betrokken ingrediënt vastgesteld overeenkomstig lid 3 of lid 4.

De lidstaat kan de looptijd van de onder b) bedoelde vergunning maximaal drie keer verlengen, telkens met twaalf maanden.

2.   Wanneer een in lid 1 bedoelde vergunning is verleend, verstrekt de lidstaat de andere lidstaten en de Commissie onmiddellijk de volgende gegevens:

a)

de datum van de vergunning en, in het geval van een vergunning met verlengde looptijd, de datum van de eerste vergunning;

b)

de naam, het adres, het telefoonnummer en, waar relevant, het faxnummer en het e-mailadres van de vergunninghouder; de naam en het adres van de contactpersoon bij de autoriteit die de vergunning heeft verleend;

c)

de naam en, waar nodig, de precieze omschrijving en de vereiste kwaliteitskenmerken van het betrokken ingrediënt van agrarische oorsprong;

d)

de soort producten die met het betrokken ingrediënt moeten worden bereid;

e)

de hoeveelheden die nodig zijn en de motivering van deze hoeveelheden;

f)

de redenen en de verwachte duur van het tekort;

g)

de datum waarop de lidstaat zijn kennisgeving aan de andere lidstaten en aan de Commissie toezendt. De Commissie en/of de lidstaten mogen deze informatie openbaar maken.

3.   Als uit de gegevens die een lidstaat verstrekt aan de Commissie en aan de lidstaat die de vergunning heeft verleend, blijkt dat tijdens de periode van het tekort toch hoeveelheden van het ingrediënt beschikbaar zijn, overweegt de laatstbedoelde lidstaat intrekking van de vergunning of beperking van de geldigheidsduur daarvan en stelt hij de Commissie en de andere lidstaten binnen vijftien werkdagen na de datum van ontvangst van de gegevens in kennis van de maatregelen die hij heeft genomen of zal nemen.

4.   Op verzoek van een lidstaat of op initiatief van de Commissie wordt de kwestie voor onderzoek voorgelegd aan het in artikel 37 van Verordening (EG) nr. 834/2007 bedoelde comité. Volgens de in lid 2 van dat artikel bedoelde procedure kan worden besloten dat een reeds verleende vergunning wordt ingetrokken of dat de geldigheidsduur ervan wordt gewijzigd of, indien nodig, dat het betrokken ingrediënt wordt opgenomen in bijlage IX van de onderhavige verordening.

5.   In het geval van een verlenging in de zin van lid 1, tweede alinea, zijn de in de leden 2 en 3 bedoelde procedures van toepassing.

HOOFDSTUK 4

Ophaling, verpakking, vervoer en opslag van producten

Artikel 30

Ophaling van producten en vervoer ervan naar bereidingseenheden

De gelijktijdige ophaling van biologische en niet-biologische producten door de marktdeelnemers is slechts toegestaan indien passende maatregelen worden getroffen om vermenging of verwisseling met niet-biologische producten te voorkomen en de identificatie van de biologische producten te waarborgen. De marktdeelnemer houdt de gegevens over de ophaaldagen, de ophaaluren, de ophaalroute en het tijdstip van ontvangst van de producten ter beschikking van de controlerende autoriteit of het controleorgaan.

Artikel 31

Verpakking en vervoer van producten naar andere marktdeelnemers of andere eenheden

1.   De marktdeelnemers moeten ervoor zorgen dat biologische producten slechts naar andere eenheden, met inbegrip van groot- en detailhandelaren, worden vervoerd in daarvoor geschikte verpakkingen, recipiënten/containers of voertuigen die zodanig zijn afgesloten dat vervanging van de inhoud niet mogelijk is zonder met de verzegeling te knoeien of deze te beschadigen, en die zijn voorzien van een etiket waarop, naast alle andere wettelijk voorgeschreven aanduidingen, de volgende gegevens zijn vermeld:

a)

de naam en het adres van de marktdeelnemer en, wanneer dat iemand anders is, de eigenaar of verkoper van het product;

b)

de benaming van het product of een omschrijving van het mengvoeder, vergezeld van een verwijzing naar de biologische productiemethode;

c)

de naam en/of het codenummer van de controlerende autoriteit of het controleorgaan waaronder de marktdeelnemer valt; en

d)

in voorkomend geval, het identificatiemerk van de partij dat in overeenstemming is met een op nationaal niveau goedgekeurd of met de controlerende autoriteit of het controleorgaan overeengekomen merkingssysteem en dat het mogelijk maakt de partij te koppelen aan de in artikel 66 bedoelde administratie.

De in de eerste alinea, onder a) tot en met d), bedoelde gegevens kunnen ook in een begeleidend document worden verstrekt indien dat document onbetwistbaar in verband kan worden gebracht met de verpakking, de recipiënt/container of het voertuig waarin het product zich bevindt. Dit begeleidende document moet informatie over de leverancier en/of de vervoerder bevatten.

2.   Afsluiting van de verpakkingen, de recipiënten/containers of de voertuigen is evenwel niet vereist wanneer:

a)

het gaat om rechtstreeks vervoer tussen een marktdeelnemer en een andere marktdeelnemer die beiden onder het biologische controlesysteem vallen, en

b)

de producten vergezeld gaan van een document waarin de op grond van lid 1 vereiste gegevens zijn vermeld, en

c)

zowel de verzendende als de ontvangende marktdeelnemer bewijsstukken van dit vervoer ter beschikking houdt van de autoriteit die of het orgaan dat dergelijk vervoer controleert.

Artikel 32

Bijzondere voorschriften voor het vervoer van diervoeders naar andere productie-eenheden/bereidingseenheden of opslagruimten

In aanvulling op de bepalingen van artikel 31 moeten de marktdeelnemers erop toezien dat bij het vervoer van diervoeders naar andere productie-eenheden, bereidingseenheden of opslageenheden de volgende voorwaarden worden vervuld:

a)

tijdens het vervoer moeten de biologisch geproduceerde diervoeders, de omschakelingsvoeders en de niet-biologische diervoeders op efficiënte wijze fysiek van elkaar worden gescheiden;

b)

de vervoermiddelen en/of recipiënten/containers waarin niet-biologische producten zijn vervoerd, mogen slechts voor het vervoer van biologische producten worden gebruikt mits:

i)

deze adequaat zijn gereinigd en de efficiëntie van die reiniging is gecontroleerd voordat de biologische producten ermee worden vervoerd; de marktdeelnemer moet deze handelingen met bewijsstukken staven,

ii)

alle passende maatregelen worden genomen, afhankelijk van de risico's die overeenkomstig artikel 88, lid 3, zijn geëvalueerd, en de marktdeelnemer in voorkomend geval garandeert dat niet-biologische producten niet in de handel kunnen worden gebracht met een aanduiding die naar de biologische landbouw verwijst,

iii)

de marktdeelnemer bewijsstukken inzake dergelijk vervoer ter beschikking van de controlerende autoriteit of het controleorgaan houdt;

c)

de verwerkte biologische diervoeders fysiek of in de tijd gescheiden van andere eindproducten worden vervoerd;

d)

tijdens het vervoer de hoeveelheid producten bij het begin van het vervoer en elke individuele hoeveelheid die tijdens de leveringsronde wordt geleverd, worden geregistreerd.

Artikel 33

Ontvangst van producten die afkomstig zijn van andere eenheden en andere marktdeelnemers

Bij ontvangst van een biologisch product verifieert de marktdeelnemer de sluiting van de verpakking of recipiënt/container wanneer deze is vereist, en de aanwezigheid van de in artikel 31 bedoelde aanduidingen.

De marktdeelnemer verifieert of de gegevens op het in artikel 31 bedoelde etiket overeenstemmen met de gegevens in de begeleidende documenten. De uitkomst van deze verificatie wordt expliciet genoteerd in de in artikel 66 bedoelde administratie.

Artikel 34

Bijzondere voorschriften voor de ontvangst van producten afkomstig uit een derde land

Biologische producten worden uit een derde land geïmporteerd in daarvoor geschikte verpakkingen of recipiënten/containers die zodanig zijn afgesloten dat de inhoud ervan niet kan worden vervangen, die zijn voorzien van de identificatie van de exporteur en van alle andere merken en nummers die het mogelijk maken de partij te identificeren, en die, in voorkomend geval, vergezeld gaan van het controlecertificaat voor invoer uit derde landen.

Bij ontvangst van een uit een derde land geïmporteerd biologisch product verifieert de eerste geadresseerde de sluiting van de verpakking of recipiënt/container en, in het geval van overeenkomstig artikel 33 van Verordening (EG) nr. 834/2007 geïmporteerde producten, de overeenstemming van de identificatie van de zending met het in dat artikel vermelde certificaat. De uitkomst van deze verificatie wordt expliciet genoteerd in de in artikel 66 van de onderhavige verordening bedoelde administratie.

Artikel 35

Opslag van producten

1.   De ruimten voor de opslag van de producten moeten zo worden beheerd dat identificatie van de partijen wordt gegarandeerd en dat vermenging met of verontreiniging door producten en/of stoffen die niet aan de voorschriften voor de biologische productie voldoen, wordt voorkomen. Biologische producten moeten te allen tijde identificeerbaar zijn.

2.   In eenheden voor biologische plantaardige of dierlijke productie mogen geen andere dan de in het kader van deze verordening toegestane productiemiddelen worden opgeslagen.

3.   De opslag van allopathische geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik en antibiotica op het bedrijf is toegestaan wanneer deze middelen door een dierenarts zijn voorgeschreven in het kader van een in artikel 14, lid 1, onder e) ii), van Verordening (EG) nr. 834/2007 bedoelde behandeling, zijn opgeslagen op een plaats die onder toezicht staat en zijn vermeld in het in artikel 76 van de onderhavige verordening bedoelde veeboek.

4.   Wanneer marktdeelnemers in zowel niet-biologische als biologische producten handelen, en de laatstbedoelde producten samen met andere landbouwproducten of levensmiddelen worden opgeslagen:

a)

moeten de biologische producten gescheiden blijven van de andere landbouwproducten en/of levensmiddelen;

b)

moeten alle nodige maatregelen worden genomen om de identificatie van de zendingen te garanderen en om vermenging of verwisseling met niet-biologische producten te voorkomen;

c)

moeten, voordat de biologische producten worden opgeslagen, adequate reinigingsmaatregelen worden toegepast waarvan de efficiëntie wordt gecontroleerd; de marktdeelnemers moeten deze handelingen registreren.

HOOFDSTUK 5

Bepalingen inzake de omschakeling

Artikel 36

Planten en plantaardige producten

1.   Planten en plantaardige producten worden pas als biologisch beschouwd wanneer de productievoorschriften van de artikelen 9 tot en met 12 van Verordening (EG) nr. 834/2007, van hoofdstuk 1 van de onderhavige verordening en, in voorkomend geval, de uitzonderlijke productievoorschriften van hoofdstuk 6 van de onderhavige verordening op de percelen zijn toegepast gedurende een omschakelingsperiode van ten minste twee jaar vóór het inzaaien of, in het geval van grasland of blijvende voedergewassen, gedurende ten minste twee jaar vóór het gebruik ervan als diervoeders afkomstig van de biologische landbouw, of, in het geval van andere blijvende gewassen dan voedergewassen, gedurende ten minste drie jaar vóór de eerste oogst van biologische producten.

2.   De bevoegde autoriteit mag elke periode die aan de omschakelingsperiode voorafgaat, met terugwerkende kracht als deel van deze omschakelingsperiode erkennen voor zover:

a)

op de percelen maatregelen zijn toegepast in het kader van een programma dat is uitgevoerd op grond van Verordening (EG) nr. 1257/99, Verordening (EG) nr. 1698/2005 of in het kader van een ander officieel programma, op voorwaarde dat de betrokken maatregelen garanderen dat de percelen niet werden behandeld met producten die niet zijn toegestaan voor gebruik in de biologische productie, of

b)

de percelen natuurgrond of landbouwgrond waren die niet werd behandeld met producten die niet zijn toegestaan voor gebruik in de biologische productie.

De in de eerste alinea, onder b), bedoelde periode kan alleen met terugwerkende kracht in aanmerking worden genomen op voorwaarde dat ten genoegen van de bevoegde autoriteit is aangetoond dat gedurende ten minste drie jaar aan de voorwaarden werd voldaan.

3.   De bevoegde autoriteit kan in bepaalde gevallen beslissen om voor grond die is verontreinigd met producten die niet voor gebruik in de biologische landbouw zijn toegestaan, de in lid 1 bedoelde omschakelingsperiode te verlengen.

4.   Voor percelen die reeds zijn omgeschakeld op de biologische landbouwproductie of waar die omschakeling aan de gang was en die zijn behandeld met een product dat niet voor gebruik in de biologische landbouw is toegestaan, kan de lidstaat in de volgende twee gevallen een omschakelingsperiode vaststellen die korter is dan de in lid 1 bedoelde periode:

a)

percelen die in het kader van een door de bevoegde autoriteit van de lidstaat opgelegde maatregel ter bestrijding van een ziekte of plaag, zijn behandeld met een product dat niet voor gebruik in de biologische landbouw is toegestaan;

b)

percelen die in het kader van door de bevoegde autoriteit van de lidstaat goedgekeurde wetenschappelijke experimenten zijn behandeld met een product dat niet voor gebruik in de biologische landbouw is toegestaan.

In de in de eerste alinea, onder a) en b), bedoelde gevallen wordt de duur van de omschakelingsperiode vastgesteld met inachtneming van de volgende factoren:

a)

de afbraak van het betrokken product moet zodanig verlopen dat het gehalte aan residuen in de bodem of, in het geval van blijvende teelten, in de plant, aan het einde van de omschakelingsperiode onbeduidend is,

b)

de producten van de oogst die op de behandeling volgt, mogen niet worden verkocht met een verwijzing naar biologische productiemethoden.

De betrokken lidstaat moet de andere lidstaten en de Commissie op de hoogte brengen van zijn besluit tot het opleggen van verplichte maatregelen.

Artikel 37

Specifieke omschakelingsvoorschriften voor bij de biologische dierlijke productie betrokken grond

1.   De in artikel 36 bedoelde omschakelingsvoorschriften gelden voor het totale, voor de productie van diervoeder gebruikte areaal van de productie-eenheid.

2.   In afwijking van het bepaalde in lid 1 mag de omschakelingsperiode worden beperkt tot één jaar voor door niet-herbivore soorten gebruikte weidegronden en openluchtruimten. Deze periode mag worden beperkt tot zes maanden voor grond die het vorige jaar niet is behandeld met producten die niet voor gebruik in de biologische productie zijn toegestaan.

Artikel 38

Dieren en dierlijke producten

1.   Wanneer niet-biologisch gehouden dieren op een bedrijf zijn binnengebracht overeenkomstig artikel 14, lid 1, onder a) ii), van Verordening (EG) nr. 834/2007 en artikel 9 en/of artikel 42 van de onderhavige verordening en wanneer dierlijke producten bestemd zijn om als biologische producten te worden verkocht, moeten de productievoorschriften als bedoeld in de artikelen 9, 10, 11 en 14 van Verordening (EG) nr. 834/2007 en in titel II, hoofdstuk 2, en, in voorkomend geval, artikel 42 van de onderhavige verordening, zijn toegepast gedurende ten minste:

a)

twaalf maanden voor paardachtigen en runderen, met inbegrip van bubalus en bizon, die voor de vleesproductie bestemd zijn, en in elk geval gedurende ten minste driekwart van hun levensduur;

b)

zes maanden voor kleine herkauwers, varkens en voor de melkproductie bestemde dieren;

c)

tien weken voor voor de vleesproductie bestemd pluimvee dat vóór het bereiken van de leeftijd van drie dagen in het bedrijf is binnengebracht;

d)

zes weken voor voor de eierproductie bestemd pluimvee.

2.   Wanneer niet-biologisch gehouden dieren op een bedrijf aanwezig zijn aan het begin van de omschakelingsperiode overeenkomstig artikel 14, lid 1, onder a) iii), van Verordening (EG) nr. 834/2007, kunnen de van die dieren afkomstige producten als biologisch worden beschouwd indien de omschakeling gelijktijdig voor de gehele productie-eenheid plaatsvindt, inclusief voor dieren, weidegronden en/of voor diervoeders gebruikte grond. De totale gecombineerde omschakelingsperiode voor dieren en hun jongen die reeds op het bedrijf aanwezig zijn, weidegronden en/of voor diervoeders gebruikte grond kan worden beperkt tot 24 maanden indien de dieren voornamelijk worden gevoederd met van de productie-eenheid afkomstige producten.

3.   Producten van de bijenteelt mogen alleen onder verwijzing naar de biologische productiemethode worden verkocht, indien de voorschriften voor de biologische productie gedurende ten minste één jaar zijn nageleefd.

4.   De omschakelingsperiode voor bijenstallen geldt niet bij toepassing van artikel 9, lid 5, van deze verordening.

5.   Tijdens de omschakelingsperiode moet de bijenwas worden vervangen door van de biologische bijenteelt afkomstige bijenwas.

HOOFDSTUK 6

Uitzonderlijke productievoorschriften

Afdeling 1

Uitzonderlijke productievoorschriften in verband met klimatologische, geografische of structurele beperkingen overeenkomstig artikel 22, lid 2, onder a), van Verordening (EG) nr. 834/2007

Artikel 39

Aanbinden van dieren

Bij toepassing van de in artikel 22, lid 2, onder a), van Verordening (EG) nr. 834/2007 vastgestelde voorwaarden kunnen de bevoegde autoriteiten het aanbinden van vee in kleine bedrijven toestaan als deze dieren niet in aan hun gedrag aangepaste groepen kunnen worden gehouden, op voorwaarde dat zij tijdens de graasperiode toegang hebben tot weidegronden overeenkomstig artikel 14, lid 2, van Verordening (EG) nr. 834/2007, en ten minste tweemaal per week toegang krijgen tot openluchtruimten wanneer begrazing niet mogelijk is.

Artikel 40

Gelijktijdige productie

1.   Bij toepassing van de in artikel 22, lid 2, onder a), van Verordening (EG) nr. 834/2007 vastgestelde voorwaarden mag een producent op dezelfde oppervlakten eenheden voor biologische en voor niet-biologische productie exploiteren:

a)

voor de productie van blijvende gewassen met een teeltperiode van ten minste drie jaar die qua ras niet gemakkelijk van elkaar kunnen worden onderscheiden, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

i)

de betrokken productie vindt plaats in het kader van een omschakelingsprogramma waarop de producent zich formeel vastlegt en waarin is bepaald dat binnen de kortst mogelijke tijd, maar uiterlijk binnen vijf jaar, met de omschakeling van het laatste gedeelte van de betrokken oppervlakten naar de biologische productie wordt begonnen;

ii)

er zijn adequate maatregelen genomen om ervoor te zorgen dat de producten van de verschillende betrokken eenheden te allen tijde van elkaar gescheiden worden gehouden;

iii)

de controlerende autoriteit of het controleorgaan wordt ten minste 48 uur van tevoren in kennis gesteld van de oogst van elk van de betrokken producten;

iv)

na de oogst stelt de producent de controlerende autoriteit of het controleorgaan in kennis van de precieze, op de betrokken eenheden geoogste hoeveelheden, alsmede van de maatregelen die zijn genomen om de producten van elkaar te scheiden;

v)

het omschakelingsplan en de controlemaatregelen als bedoeld in titel IV, hoofdstukken 1 en 2, zijn goedgekeurd door de bevoegde autoriteit; die goedkeuring moet elk jaar, na de start van het omschakelingsprogramma, worden bevestigd;

b)

voor door de bevoegde autoriteiten van de lidstaten goedgekeurde arealen voor landbouwkundig onderzoek of officiële opleiding, mits wordt voldaan aan de voorwaarden onder a) ii) iii) iv), en het relevante deel onder v);

c)

voor de productie van zaaizaad, vegetatief teeltmateriaal en plantgoed, mits wordt voldaan aan de voorwaarden onder a) ii) iii) iv), en het relevante deel onder v);

d)

voor grasland dat uitsluitend voor begrazing wordt gebruikt.

2.   De bevoegde autoriteit kan aan bedrijven die actief zijn op het gebied van landbouwonderzoek of officiële opleiding, toestemming verlenen om biologische en niet-biologische dieren van dezelfde soort te houden, op voorwaarde dat:

a)

adequate maatregelen die van tevoren aan de controlerende autoriteit of het controleorgaan zijn gemeld, zijn genomen om te garanderen dat de dieren, de dierlijke producten, de dierlijke mest en de diervoeders van de verschillende eenheden te allen tijde van elkaar gescheiden worden gehouden;

b)

de producent de controlerende autoriteit of het controleorgaan van tevoren in kennis stelt van elke levering of verkoop van dieren of dierlijke producten;

c)

de marktdeelnemer de controlerende autoriteit of het controleorgaan in kennis stelt van de precieze hoeveelheden die in de eenheden zijn geproduceerd, samen met alle kenmerken aan de hand waarvan de producten kunnen worden geïdentificeerd, en hij bevestigt dat de maatregelen om de producten van elkaar gescheiden te houden, zijn toegepast.

Artikel 41

Beheer van bijenteelteenheden met het oog op bestuiving

Bij toepassing van de voorwaarden van artikel 22, lid 2, onder a), van Verordening (EG) nr. 834/2007 kan een marktdeelnemer met het oog op bestuiving op hetzelfde bedrijf eenheden voor biologische en voor niet-biologische bijenteelt exploiteren, mits aan alle voorschriften voor de biologische productie, met uitzondering van de bepalingen inzake de locatie van de bijenstallen, wordt voldaan. In dat geval mag het product niet als biologisch worden verkocht.

De marktdeelnemer moet bewijsstukken inzake de toepassing van deze bepaling bijhouden.

Afdeling 2

Uitzonderlijke productievoorschriften in verband met het niet beschikbaar zijn van biologische landbouwproductiemiddelen overeenkomstig artikel 22, lid 2, onder b), van Verordening (EG) nr. 834/2007

Artikel 42

Gebruik van niet-biologisch gehouden dieren

Bij toepassing van de voorwaarden van artikel 22, lid 2, onder b), van Verordening (EG) nr. 834/2007 en met voorafgaande toestemming van de bevoegde autoriteit,

a)

mag, wanneer een pluimveebeslag voor het eerst wordt samengesteld, wordt vernieuwd of wordt aangevuld, en niet voldoende biologisch gehouden pluimvee beschikbaar is, niet-biologisch gehouden pluimvee op een eenheid voor biologische pluimveeproductie worden binnengebracht, mits de voor de productie van eieren en slachtpluimvee bestemde jonge kippen niet ouder zijn dan drie dagen.

b)

mogen niet-biologisch gehouden, voor de eierproductie bestemde jonge kippen die niet ouder zijn dan 18 weken, tot en met 31 december 2011 op een biologischedierhouderijeenheid worden binnengebracht wanneer geen biologisch gehouden jonge kippen beschikbaar zijn en mits de betrokken bepalingen van hoofdstuk 2, afdelingen 3 en 4, in acht worden genomen.

Artikel 43

Gebruik van niet-biologische diervoeders van agrarische oorsprong

Bij toepassing van de voorwaarden van artikel 22, lid 2, onder b), van Verordening (EG) nr. 834/2007 mag een beperkte hoeveelheid niet-biologische diervoeders van plantaardige en dierlijke oorsprong worden gebruikt wanneer de landbouwer niet aan voldoende voeders van uitsluitend biologische oorsprong kan komen. Het per periode van twaalf maanden toegestane percentage niet-biologische diervoeders voor andere soorten dan herbivoren bedraagt maximaal:

a)

10 % tijdens de periode van 1 januari 2009 tot en met 31 december 2009;

b)

5 % tijdens de periode van 1 januari 2010 tot en met 31 december 2011.

Deze percentages worden jaarlijks berekend als percentage van de droge stof van diervoeders van agrarische oorsprong. Het maximaal toegestane percentage niet-biologische diervoeders in het dagrantsoen bedraagt 25 %, berekend als percentage van de droge stof.

De marktdeelnemers houden bewijsstukken bij waarin de noodzaak van het gebruik van deze bepaling wordt aangetoond.

Artikel 44

Gebruik van niet-biologische bijenwas

In nieuwe installaties of gedurende de omschakelingsperiode mag niet-biologische bijenwas slechts worden gebruikt:

a)

indien op de markt geen van de biologische bijenteelt afkomstige bijenwas beschikbaar is;

b)

indien wordt aangetoond dat de bijenwas niet is verontreinigd door stoffen die niet voor gebruik in de biologische landbouw zijn toegestaan, en

c)

indien deze bijenwas afkomstig is van het deksel.

Artikel 45

Gebruik van niet overeenkomstig de biologische productiemethode verkregen zaaizaad of vegetatief teeltmateriaal

1.   Bij toepassing van de in artikel 22, lid 2, onder b), van Verordening (EG) nr. 834/2007 vastgestelde voorwaarden,

a)

mag worden gebruikgemaakt van zaaizaad en vegetatief teeltmateriaal afkomstig van een productie-eenheid die zich in de fase van omschakeling naar de biologische landbouw bevindt,

b)

mogen de lidstaten, wanneer het bepaalde onder a) niet van toepassing is, het gebruik van niet-biologisch zaaizaad of niet-biologisch vegetatief teeltmateriaal toestaan indien geen biologisch zaaizaad of biologisch vegetatief teeltmateriaal beschikbaar is. Voor het gebruik van niet-biologisch zaaizaad en niet-biologische pootaardappelen gelden evenwel de volgende leden 2 tot en met 9.

2.   Niet-biologisch zaaizaad en niet-biologische pootaardappelen mogen alleen worden gebruikt wanneer het betrokken zaaizaad of de betrokken pootaardappelen slechts behandeld zijn met gewasbeschermingsmiddelen waarvoor overeenkomstig artikel 5, lid 1, een vergunning voor de behandeling van zaaizaad is verleend, tenzij de bevoegde autoriteit van de lidstaat een chemische behandeling overeenkomstig Richtlijn 2000/29/EG van de Raad (16) heeft voorgeschreven voor alle rassen van een bepaalde soort op het areaal waar het zaaizaad of de pootaardappelen zullen worden gebruikt.

3.   Bijlage X bevat een lijst van de soorten waarvoor, voor een aanzienlijk aantal rassen, overal in de Gemeenschap voldoende hoeveelheden biologisch zaaizaad of biologische pootaardappelen beschikbaar zijn.

Voor de in bijlage X opgenomen soorten mag geen vergunning worden verleend in de zin van lid 1, onder b), tenzij zulks gerechtvaardigd is met het oog op een van de in lid 5, onder d), genoemde gebruiksdoeleinden.

4.   De lidstaten kunnen de verantwoordelijkheid voor het verlenen van de in lid 1, onder b), bedoelde vergunningen delegeren aan een andere, onder hun toezicht werkende overheidsdienst of aan de in artikel 27 van Verordening (EG) nr. 834/2007 bedoelde controlerende autoriteiten of controleorganen.

5.   Vergunningen om niet volgens de biologische productiemethode verkregen zaaizaad en pootaardappelen te gebruiken, mogen alleen in de volgende gevallen worden verleend:

a)

indien van de door de gebruiker gevraagde soort geen enkel ras is geregistreerd in de in artikel 48 bedoelde databank;

b)

indien geen leverancier, i.e. een marktdeelnemer die zaaizaad of pootaardappelen aan andere marktdeelnemers verkoopt, het materiaal vóór het zaaien of planten kan leveren, terwijl de gebruiker het zaaizaad of de pootaardappelen wel tijdig heeft besteld;

c)

indien het door de gebruiker gevraagde ras niet in de in artikel 48 bedoelde databank is geregistreerd, en de gebruiker kan aantonen dat geen van de geregistreerde alternatieven van dezelfde soort geschikt is en dat de vergunning derhalve belangrijk is voor zijn productie;

d)

indien het gerechtvaardigd is voor gebruik in onderzoek, voor tests in kleinschalige veldproeven of voor de instandhouding van het ras, waarmee de bevoegde autoriteit van de lidstaat heeft ingestemd.

6.   De vergunning moet worden verleend voordat het gewas wordt ingezaaid.

7.   Vergunningen worden telkens voor één seizoen en alleen aan individuele gebruikers verleend, en de autoriteiten of de organen die verantwoordelijk zijn voor de vergunningen, registreren de hoeveelheden zaaizaad of pootaardappelen waarvoor een vergunning is verleend.

8.   In afwijking van lid 7 mag de bevoegde autoriteit van de lidstaat een algemene vergunning aan alle gebruikers verlenen:

a)

voor een bepaalde soort, voor zover de in lid 5, onder a), vastgestelde voorwaarde is vervuld;

b)

voor een bepaald ras voor zover de in lid 5, onder c), vastgestelde voorwaarden zijn vervuld.

De in de eerste alinea bedoelde vergunningen moeten duidelijk worden aangegeven in de in artikel 48 bedoelde databank.

9.   Vergunningen mogen alleen worden verleend in perioden waarover in de databank overeenkomstig artikel 49, lid 3, regelmatig bijgewerkte gegevens beschikbaar zijn.

Afdeling 3

Uitzonderlijke productievoorschriften in verband met specifieke beheersproblemen in de biologische dierhouderij overeenkomstig artikel 22, lid 2, onder d), van Verordening (EG) nr. 834/2007

Artikel 46

Specifieke beheersproblemen in de biologische dierhouderij

Het afmesten van volwassen, voor de vleesproductie bestemde runderen mag binnen plaatsvinden, op voorwaarde dat de periode waarin de dieren binnen verblijven, niet meer dan één vijfde van hun levensduur bedraagt en in ieder geval niet langer duurt dan drie maanden.

Afdeling 4

Uitzonderlijke productievoorschriften in verband met noodsituaties overeenkomstig artikel 22, lid 2, onder f), van Verordening (EG) nr. 834/2007

Artikel 47

Noodsituaties

De bevoegde autoriteit kan een tijdsgebonden toestemming verlenen:

a)

om bij grote sterfte onder de dieren als gevolg van gezondheidsproblemen of een noodsituatie, de veestapel of het beslag te vernieuwen of aan te vullen met niet-biologisch gehouden dieren indien geen biologisch gehouden dieren beschikbaar zijn;

b)

om bij grote sterfte onder de bijen als gevolg van gezondheidsproblemen of een noodsituatie, de bijenstallen aan te vullen met niet-biologisch gehouden bijen indien geen bijenstallen die voldoen aan de biologische productiemethode, beschikbaar zijn;

c)

voor een tijdsgebonden en areaalgebonden gebruik van niet-biologische diervoeders door individuele marktdeelnemers indien de voedergewasproductie verloren is gegaan of indien beperkingen gelden, met name als gevolg van uitzonderlijke klimatologische omstandigheden, de uitbraak van een besmettelijke ziekte, de verontreiniging met giftige stoffen of een brand;

d)

om de bijen met biologische honing, biologische suiker of biologische suikerstroop te voederen bij langdurige uitzonderlijke weersomstandigheden of in noodsituaties die de productie van nectar of honingdauw belemmeren.

Individuele marktdeelnemers die een dergelijke toestemming van de bevoegde autoriteiten hebben gekregen, moeten bewijsstukken inzake het gebruik van de bovenbedoelde uitzonderingen bijhouden. De lidstaten stellen elkaar en de Commissie uiterlijk één maand nadat zij in de in de eerste alinea, onder c), bedoelde uitzonderingen hebben toegestemd, in kennis van deze uitzonderingen.

HOOFDSTUK 7

Databank voor zaaigoed

Artikel 48

Databank

1.   In iedere lidstaat wordt een elektronische databank opgezet waarin de rassen worden opgenomen waarvoor op het grondgebied van die lidstaat zaaizaad of pootaardappelen beschikbaar zijn die overeenkomstig de biologische productiemethode zijn verkregen.

2.   De databank wordt beheerd door de bevoegde autoriteit van de lidstaat of door een hiertoe door de lidstaat aangewezen autoriteit of orgaan, hierna „de databankbeheerder” genoemd. De lidstaten mogen hiertoe ook een autoriteit of een particulier orgaan in een ander land aanwijzen.

3.   Iedere lidstaat deelt de Commissie en de andere lidstaten mee welke autoriteit of welk particulier orgaan door hem is aangewezen voor het beheer van de databank.

Artikel 49

Registratie

1.   Rassen waarvan biologisch geproduceerd zaaizaad of biologisch geproduceerde pootaardappelen beschikbaar zijn, worden op verzoek van de leverancier in de in artikel 48 bedoelde databank geregistreerd.

2.   Rassen die niet in de databank zijn geregistreerd, worden met betrekking tot artikel 45, lid 5, als niet-beschikbaar beschouwd.

3.   Iedere lidstaat beslist voor elke soort of groep van soorten die op zijn grondgebied wordt geteeld, in welke periode van het jaar de databank regelmatig moet worden bijgewerkt. De gegevens met betrekking tot dergelijke beslissingen worden in de databank opgeslagen.

Artikel 50

Voorwaarden voor registratie

1.   De leverancier moet met het oog op registratie:

a)

aantonen dat hij of, wanneer de leverancier uitsluitend in voorverpakt zaaizaad of voorverpakte pootaardappelen handelt, de vorige marktdeelnemer de in artikel 27 van Verordening (EG) nr. 834/2007 bedoelde controles heeft ondergaan;

b)

aantonen dat het in de handel te brengen zaaizaad of de in de handel te brengen pootaardappelen voldoen aan de algemene eisen die aan zaaizaad en pootaardappelen worden gesteld;

c)

alle op grond van artikel 51 van de onderhavige verordening vereiste informatie beschikbaar stellen en zich ertoe verbinden deze informatie bij te werken op verzoek van de databankbeheerder of zo vaak als nodig is om ervoor te zorgen dat de informatie betrouwbaar blijft.

2.   De databankbeheerder kan, met toestemming van de bevoegde autoriteit van de lidstaat, een door een leverancier ingediende aanvraag tot registratie weigeren of een reeds aanvaarde registratie schrappen indien de leverancier niet aan de in lid 1 vastgestelde eisen voldoet.

Artikel 51

Geregistreerde informatie

1.   Voor elk geregistreerd ras en voor elke leverancier bevat de in artikel 48 bedoelde databank ten minste de volgende informatie:

a)

de wetenschappelijke naam van de soort en de benaming van het ras;

b)

de naam en andere contactgegevens van de leverancier of zijn vertegenwoordiger;

c)

het gebied waar de leverancier het zaaizaad of de pootaardappelen aan de gebruiker kan leveren binnen de voor de levering vereiste termijn;

d)

het land of gebied waar het ras is onderzocht en goedgekeurd voor opname in de gemeenschappelijke rassenlijst voor landbouwgewassen/groentegewassen als omschreven in Richtlijn 2002/53/EG van de Raad van 13 juni 2002 betreffende de gemeenschappelijke rassenlijst van landbouwgewassen (17) en in Richtlijn 2002/55/EG van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het in de handel brengen van groentezaad (18);

e)

de datum met ingang waarvan het zaaizaad en de pootaardappelen beschikbaar zullen zijn;

f)

de naam en/of het codenummer van de in artikel 27 van Verordening (EG) nr. 834/2007 bedoelde controlerende autoriteiten of controleorganen die belast zijn met de controle van de marktdeelnemer.

2.   Wanneer een van de geregistreerde rassen niet langer beschikbaar is, deelt de leverancier dit onmiddellijk mee aan de databankbeheerder. De desbetreffende wijzigingen worden opgeslagen in de databank.

3.   Naast de in lid 1 genoemde informatie moet de databank een lijst van de in bijlage X opgenomen soorten bevatten.

Artikel 52

Toegang tot de informatie

1.   De in de in artikel 48 bedoelde databank opgenomen informatie moet via het internet kosteloos beschikbaar zijn voor de gebruikers van zaaizaad of pootaardappelen en voor het publiek. De lidstaten mogen bepalen dat gebruikers die hun activiteit overeenkomstig artikel 28, lid 1, onder a), van Verordening (EG) nr. 834/2007 hebben aangemeld, op hun verzoek van de databankbeheerder een uittreksel krijgen met de gegevens over een of meer groepen van soorten.

2.   De lidstaten zorgen ervoor dat alle in lid 1 bedoelde gebruikers ten minste eens per jaar worden geïnformeerd over het systeem en over de manier waarop in de databank opgeslagen informatie kan worden verkregen.

Artikel 53

Registratierecht

Voor elke registratie kan een recht worden geheven ter dekking van de kosten voor het invoeren en bijhouden van de informatie in de in artikel 48 bedoelde databank. De bevoegde autoriteit van de lidstaat moet het bedrag van het door de databankbeheerder aangerekende recht goedkeuren.

Artikel 54

Jaarverslag

1.   De autoriteiten of organen die overeenkomstig artikel 45 zijn aangewezen voor het verlenen van vergunningen, registreren alle vergunningen en stellen deze informatie in de vorm van een verslag ter beschikking van de bevoegde autoriteit van de lidstaat en van de databankbeheerder.

Dit verslag moet voor elke soort waarvoor op grond van artikel 45, lid 5, een vergunning is afgegeven, de volgende informatie bevatten:

a)

de wetenschappelijke naam van de soort en de benaming van het ras;

b)

de rechtvaardiging voor de vergunning in de vorm van een verwijzing naar artikel 45, lid 5, onder a), b), c) of d);

c)

het totale aantal vergunningen;

d)

de betrokken totale hoeveelheid zaaizaad of pootaardappelen;

e)

de chemische behandeling om fytosanitaire redenen, als bedoeld in artikel 45, lid 2.

2.   Voor op grond van artikel 45, lid 8, verleende vergunningen moeten in het verslag de in lid 1, tweede alinea, onder a), genoemde gegevens en de duur van de vergunning worden vermeld.

Artikel 55

Overzichtsverslag

De bevoegde autoriteit van de lidstaat moet vóór 31 maart van elk jaar de verslagen verzamelen en een overzichtsverslag over alle door de lidstaat in het vorige kalenderjaar verleende vergunningen aan de Commissie en de andere lidstaten zenden. In dit verslag wordt een overzicht gegeven van de in artikel 54 bedoelde informatie. Deze informatie wordt in de in artikel 48 bedoelde databank bekendgemaakt. De bevoegde autoriteit mag het verzamelen van de verslagen delegeren aan de databankbeheerder.

Artikel 56

Informatie op aanvraag

Indien een lidstaat of de Commissie daarom verzoekt, wordt aan andere lidstaten of aan de Commissie gedetailleerde informatie over in individuele gevallen verleende vergunningen verstrekt.

TITEL III

ETIKETTERING

HOOFDSTUK 1

Communautair logo

Artikel 57

Communautair logo

Overeenkomstig artikel 25, lid 3, van Verordening (EG) nr. 834/2007 moet het communautaire logo overeenstemmen met het model in bijlage XI bij de onderhavige verordening.

Het communautaire logo wordt gebruikt overeenkomstig de in bijlage XI bij de onderhavige verordening vastgestelde technische reproductievoorschriften.

Artikel 58

Voorwaarden voor het gebruik van het codenummer en de plaats van herkomst

1.   Het in artikel 24, lid 1, onder a), van Verordening (EG) nr. 834/2007 bedoelde codenummer van de controlerende autoriteit of het controleorgaan moet:

a)

beginnen met de identificatieafkorting van de lidstaat of het derde land die is vastgesteld in de internationale norm voor de tweeletterlandencodes van ISO-norm 3166 (Codes for the representation of names of countries and their subdivisions);

b)

een term bevatten ter aanduiding van het verband met de biologische productiemethode, als bedoeld in artikel 23, lid 1, van Verordening (EG) nr. 834/2007;

c)

een door de bevoegde autoriteit vastgesteld referentienummer bevatten; en

d)

onmiddellijk onder het communautair logo worden geplaatst, wanneer het communautaire logo op het etiket wordt gebruikt.

2.   De in artikel 24, lid 1, onder c), van Verordening (EG) nr. 834/2007 bedoelde aanduiding van de plaats waar de bij de samenstelling van het product gebruikte landbouwgrondstoffen zijn geteeld, moet onmiddellijk onder het in lid 1 bedoelde codenummer worden geplaatst.

HOOFDSTUK 2

Specifieke etiketteringsvoorschriften voor diervoeders

Artikel 59

Werkingssfeer en gebruik van handelsmerken en verkoopbenamingen

Diervoeders voor gezelschapsdieren, pelsdieren en aquacultuurdieren vallen niet onder dit hoofdstuk.

De handelsmerken en verkoopbenamingen die een aanduiding als bedoeld in artikel 23, lid 1, van Verordening (EEG) nr. 834/2007 bevatten, mogen slechts worden gebruikt als ten minste 95 % van de droge stof van het product bestaat uit voedermiddelen die van de biologische landbouw afkomstig zijn.

Artikel 60

Aanduidingen op verwerkte diervoeders

1.   Onverminderd artikel 61 en artikel 59, tweede alinea, van de onderhavige verordening mogen de in artikel 23, lid 1, van Verordening (EG) nr. 834/2007 bedoelde termen op verwerkte diervoeders worden aangebracht op voorwaarde dat:

a)

de verwerkte diervoeders voldoen aan de bepalingen van Verordening (EG) nr. 834/2007, en met name aan artikel 14, lid 1, onder d) iv) en v), en artikel 18;

b)

de verwerkte diervoeders voldoen aan de bepalingen van de onderhavige verordening, en met name aan de artikelen 22 en 26;

c)

ten minste 95 % van de droge stof van het product biologisch is.

2.   Mits aan de voorschriften van lid 1, onder a) en b), is voldaan, mag de volgende aanduiding worden vermeld op producten bestaande uit variabele hoeveelheden volgens de biologische productiemethode geteelde voedermiddelen en/of voedermiddelen op basis van in de periode van omschakeling naar de biologische landbouw verkregen producten en/of niet-biologische middelen:

„mag in de biologische productie worden gebruikt overeenkomstig de Verordeningen (EG) nr. 834/2007 en (EG) nr. 889/2008 ”.

Artikel 61

Voorwaarden voor het gebruik van aanduidingen op verwerkte diervoeders

1.   De in artikel 60 bedoelde aanduiding:

a)

moet worden gescheiden van de vermeldingen als bedoeld in artikel 5 van Richtlijn 79/373/EEG (19) of in artikel 5, lid 1, van Richtlijn 96/25/EG (20);

b)

mag niet worden weergegeven in kleuren, lettergroottes of lettertypes die opvallender zijn dan de omschrijving of de naam van het diervoeder als bedoeld in respectievelijk artikel 5, lid 1, onder a), van Richtlijn 79/373/EEG en artikel 5, lid 1, onder b), van Richtlijn 96/25/EG;

c)

moet in hetzelfde gezichtsveld worden gecombineerd met de opgave, uitgedrukt in droge stof, van:

i)

het percentage voedermiddelen die van de biologische landbouw afkomstig zijn,

ii)

het percentage voedermiddelen die afkomstig zijn van in de periode van omschakeling naar de biologische landbouw verkregen producten;

iii)

het percentage voedermiddelen die niet onder i) of ii) vallen;

iv)

het totale percentage diervoeders van agrarische oorsprong;

d)

moet vergezeld gaan van een opsomming van de namen van de voedermiddelen die van de biologische landbouw afkomstig zijn;

e)

moet vergezeld gaan van een opsomming van de namen van de voedermiddelen die afkomstig zijn van in de periode van omschakeling naar de biologische landbouw verkregen producten.

2.   De in artikel 60 bedoelde aanduiding mag tevens vergezeld gaan van een verwijzing naar de eis om de diervoeders te gebruiken overeenkomstig de artikelen 21 en 22.

HOOFDSTUK 3

Andere specifieke etiketteringsvoorschriften

Artikel 62

Tijdens de periode van omschakeling verkregen producten van plantaardige oorsprong

Tijdens de periode van omschakeling verkregen producten van plantaardige oorsprong mogen worden voorzien van de aanduiding „in de periode van omschakeling naar de biologische landbouw verkregen product”, op voorwaarde dat:

a)

een omschakelingsperiode van ten minste twaalf maanden vóór de oogst in acht is genomen;

b)

de aanduiding wordt weergegeven in kleuren, lettergroottes en lettertypes die niet opvallender zijn dan de verkoopbenaming van het product, waarbij de volledige aanduiding in dezelfde lettergrootte moet worden weergegeven;

c)

het product slechts één plantaardig ingrediënt van agrarische oorsprong bevat;

d)

de aanduiding is verbonden met het in Verordening (EG) nr. 834/2007 bedoelde codenummer van de controlerende autoriteit of het controleorgaan.

TITEL IV

CONTROLES

HOOFDSTUK 1

Minimale controlevoorschriften

Artikel 63

Controleregelingen en verbintenis van de zijde van de marktdeelnemer

1.   Bij het begin van de toepassing van de controleregelingen zorgt de marktdeelnemer voor het opstellen en bijhouden van:

a)

een volledige beschrijving van de eenheid en/of de bedrijfsruimten en/of de activiteit;

b)

alle concrete maatregelen die op het niveau van de eenheid en/of de bedrijfsruimten en/of de activiteit moeten worden genomen om de naleving van de voorschriften voor de biologische productie te garanderen;

c)

de voorzorgsmaatregelen die moeten worden genomen om het risico op verontreiniging met niet-toegestane producten of stoffen te verkleinen, en van de reinigingsmaatregelen die in de opslagruimten en in de hele productieketen van de marktdeelnemer moeten worden genomen.

Als dat dienstig is, mogen de in lid 1 bedoelde beschrijving en maatregelen deel uitmaken van een door de marktdeelnemer opgezet kwaliteitssysteem.

2.   De in lid 1 bedoelde beschrijving en concrete maatregelen moeten worden opgenomen in een verklaring die door de verantwoordelijke marktdeelnemer wordt ondertekend. Deze verklaring moet tevens de verbintenis van de marktdeelnemer bevatten om:

a)

de handelingen overeenkomstig de voorschriften voor de biologische productie te verrichten;

b)

bij overtredingen of onregelmatigheden het afdwingen van de toepassing van de voorschriften voor de biologische productie te aanvaarden;

c)

de kopers van het product schriftelijk te informeren teneinde te garanderen dat de aanduidingen betreffende de biologische productiemethode van de betrokken producten worden verwijderd.

De in lid 1 bedoelde verklaring moet worden geverifieerd door de controlerende autoriteit of het controleorgaan, die/dat een verslag opstelt waarin de eventuele tekortkomingen en de punten waarop de voorschriften voor de biologische productie niet worden nageleefd, worden vermeld. De marktdeelnemer moet dit verslag meeondertekenen en de nodige correctiemaatregelen nemen.

3.   Voor de toepassing van artikel 28, lid 1, van Verordening (EG) nr. 834/2007 moet de marktdeelnemer de bevoegde autoriteit in kennis stellen van de volgende gegevens:

a)

de naam en het adres van de marktdeelnemer;

b)

de ligging van de bedrijfsruimten, en, in voorkomend geval, van de percelen (kadastrale indeling) waar de behandelingen worden uitgevoerd;

c)

de aard van de behandelingen en de producten;

d)

de verbintenis van de marktdeelnemer om de behandelingen uit te voeren overeenkomstig Verordening (EG) nr. 834/2007 en de onderhavige verordening;

e)

met betrekking tot een landbouwbedrijf, de datum waarop de producent op de betrokken percelen gestopt is met het gebruik van niet voor de biologische productie toegestane producten;

f)

de naam van het erkende orgaan waaraan de marktdeelnemer de controle van zijn bedrijf heeft opgedragen, wanneer in de betrokken lidstaat de controleregeling ten uitvoer is gelegd via de erkenning van dergelijke organen.

Artikel 64

Wijziging van de controleregelingen

De verantwoordelijke marktdeelnemer stelt de controlerende autoriteit of het controleorgaan tijdig in kennis van wijzigingen in de beschrijving van de in artikel 63 bedoelde maatregelen en in de oorspronkelijke controleregelingen van de artikelen 70, 74, 80, 82, 86 en 88.

Artikel 65

Controlebezoeken

1.   Bij alle marktdeelnemers moet de controlerende autoriteit of het controleorgaan ten minste eenmaal per jaar een fysieke controle uitvoeren.

2.   De controlerende autoriteit of het controleorgaan mag monsters nemen voor onderzoek op krachtens de voorschriften voor de biologische productie niet toegestane producten of voor controle op productietechnieken die niet in overeenstemming zijn met de voorschriften voor de biologische productie. Er mogen ook monsters worden genomen en geanalyseerd voor het opsporen van een mogelijke verontreiniging met producten die niet voor de biologische productie zijn toegestaan. Een dergelijke analyse is evenwel verplicht wanneer wordt vermoed dat is gebruikgemaakt van een product dat niet voor de biologische productie is toegestaan.

3.   Na ieder bezoek moet een controleverslag worden opgesteld, dat wordt meeondertekend door de marktdeelnemer van de eenheid of door diens vertegenwoordiger.

4.   Bovendien legt de controlerende autoriteit of het controleorgaan bezoeken voor aselecte controles af die in beginsel niet worden aangekondigd en die zijn gebaseerd op een algemene evaluatie van het risico dat de voorschriften voor de biologische productie niet worden nageleefd, waarbij ten minste rekening wordt gehouden met de resultaten van de eerdere controles, met de hoeveelheid betrokken producten en met het risico op verwisseling van producten.

Artikel 66

Administratie

1.   In de eenheid of de bedrijfsruimten moeten een voorraadboekhouding en een financiële boekhouding worden bijgehouden die de marktdeelnemer en de controlerende autoriteit of het controleorgaan in staat stellen om de volgende gegevens na te gaan:

a)

de leverancier en, wanneer het iemand anders betreft, de verkoper of de exporteur van de producten;

b)

de aard en de hoeveelheden van de producten die aan de eenheid zijn geleverd, en, in voorkomend geval, de aard en de hoeveelheden van alle aangekochte materialen en het gebruik daarvan, alsmede, in voorkomend geval, de samenstelling van de mengvoeders;

c)

de aard en de hoeveelheid van de biologische producten die in de bedrijfsruimten zijn opgeslagen

d)

de aard, de hoeveelheden en de geadresseerden en, als dat anderen zijn, de kopers, niet de eindconsumenten zijnde, van alle producten die de eenheid dan wel de bedrijfsruimten of opslaginstallaties van de eerste geadresseerde hebben verlaten;

e)

in het geval van marktdeelnemers die dergelijke biologische producten niet opslaan of fysiek hanteren, de aard en de hoeveelheden van de biologische producten die zijn gekocht en verkocht, en de leveranciers en, als dat anderen zijn, de verkopers of de exporteurs en de kopers en, als dat anderen zijn, de geadresseerden.

2.   De administratie moet ook de resultaten van de verificatie bij de ontvangst van biologische producten en alle andere gegevens die de controlerende autoriteit of het controleorgaan voor een behoorlijke controle nodig heeft, bevatten. De gegevens in de administratie moeten met passende bewijsstukken worden gestaafd. Uit de administratie moet blijken dat de aangevoerde en de afgevoerde hoeveelheden in evenwicht zijn.

3.   Wanneer een marktdeelnemer op dezelfde oppervlakten verschillende productie-eenheden exploiteert, moeten de minimale controlevoorschriften tevens worden toegepast op de voor niet-biologische producten gebruikte eenheden en de opslagruimten voor aangevoerde producten.

Artikel 67

Toegang tot het bedrijf

1.   De marktdeelnemer moet:

a)

de controlerende autoriteit of het controleorgaan voor controledoeleinden toegang geven tot alle delen van de eenheid en alle bedrijfsruimten evenals tot de administratie en de bijbehorende bewijsstukken;

b)

alle informatie die voor controledoeleinden noodzakelijk kan worden geacht, aan de controlerende autoriteit of het controleorgaan verstrekken;

c)

op verzoek van de controlerende autoriteit of het controleorgaan de resultaten van zijn eigen kwaliteitsborgingsprogramma's verstrekken.

2.   Afgezien van de in lid 1 vastgestelde eisen moeten de importeurs en de eerste geadresseerden de in artikel 84 bedoelde informatie over geïmporteerde zendingen verstrekken.

Artikel 68

Bewijsstukken

Voor de toepassing van artikel 29, lid 1, van Verordening (EG) nr. 834/2007 moeten de controlerende autoriteiten en de controleorganen gebruik maken van het bewijsstukkenmodel in bijlage XII bij de onderhavige verordening.

Artikel 69

Verkopersverklaring

Voor de toepassing van artikel 9, lid 3, van Verordening (EG) nr. 834/2007 kan de verkopersverklaring waarin staat dat de geleverde producten niet op basis van of met GGO's zijn geproduceerd, worden opgesteld volgens het in bijlage XIII bij de onderhavige verordening opgenomen model.

HOOFDSTUK 2

Specifieke controlevoorschriften voor door landbouwproductie of vergaring verkregen planten en plantaardige producten

Artikel 70

Controleregelingen

1.   De in artikel 63, lid 1, onder a), bedoelde volledige beschrijving van de eenheid moet:

a)

worden opgesteld zelfs wanneer de activiteit van de producent beperkt blijft tot het vergaren van in het wild groeiende planten;

b)

opgave doen van de opslag- en de productieplaatsen en de percelen grond en/of de vergaargebieden en, indien van toepassing, de plaatsen waar de producten worden verwerkt en/of verpakt; en

c)

vermelden op welke datum op de betrokken percelen grond en/of in de betrokken vergaargebieden voor het laatst producten zijn toegepast waarvan het gebruik niet in overeenstemming is met de voorschriften voor de biologische productie.

2.   Bij de vergaring van in het wilde groeiende planten omvatten de in artikel 63, lid 1, onder b), bedoelde concrete maatregelen tevens de door derden verstrekte waarborgen die de producent kan bieden om te garanderen dat aan artikel 12, lid 2, van Verordening (EG) nr. 834/2007 wordt voldaan.

Artikel 71

Mededelingen

Ieder jaar moet de marktdeelnemer vóór de door de controlerende autoriteit of het controleorgaan vastgestelde datum zijn per perceel gespecificeerde productieschema voor plantaardige producten aan deze autoriteit of dit orgaan meedelen.

Artikel 72

Overzicht van de plantaardige productie

Er dienen overzichten van de plantaardige productie te worden bijgehouden in de vorm van een register dat op het bedrijf permanent ter beschikking van de controlerende autoriteiten of controleorganen moet worden gehouden. Bovenop de in artikel 71 bedoelde informatie moeten deze overzichten ten minste de volgende gegevens bevatten:

a)

met betrekking tot het gebruik van meststoffen: de datum van toepassing, de aard en de hoeveelheid van de meststoffen, de betrokken percelen;

b)

met betrekking tot het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen: de reden voor en de datum van behandeling, de aard van het product en de behandelingsmethode;

c)

wat betreft de aankoop van landbouwproductiemiddelen; de datum, de aard en de hoeveelheid van het aangekochte product;

d)

wat betreft de oogst: de datum van de oogst, de soort en de omvang van de biologische of omschakelingsproductie.

Artikel 73

Exploitatie van verscheidene productie-eenheden door dezelfde marktdeelnemer

Wanneer een marktdeelnemer op dezelfde oppervlakten verscheidene productie-eenheden exploiteert, gelden voor de eenheden waar niet-biologische gewassen worden geproduceerd, alsmede voor de opslagplaatsen van de landbouwproductiemiddelen, tevens de algemene en de specifieke controlevoorschriften in hoofdstuk 1 en in het onderhavige hoofdstuk.

HOOFDSTUK 3

Controlevoorschriften voor dieren en dierlijke producten

Artikel 74

Controleregelingen

1.   De in artikel 63, lid 1, onder a), bedoelde volledige beschrijving van de eenheid die bij het begin van de toepassing van de specifieke controleregeling op de dierlijke productie moet worden opgesteld, moet bevatten:

a)

een volledige beschrijving van de stallen, de weidegronden, de openluchtruimten, enz. en, in voorkomend geval, de plaatsen voor opslag, verpakking en verwerking van dieren, dierlijke producten, grondstoffen en productiemiddelen;

b)

een volledige beschrijving van de installaties voor de opslag van dierlijke mest.

2.   De in artikel 63, lid 1, onder b), bedoelde concrete maatregelen moeten omvatten:

a)

een schema voor het uitrijden van mest waarover met de controlerende autoriteit of het controleorgaan overeenstemming is bereikt, samen met een volledige beschrijving van het areaal dat is bestemd voor de plantaardige productie;

b)

in voorkomend geval, wat het uitrijden van mest betreft, de schriftelijke regelingen die zijn getroffen met in artikel 3, lid 3, bedoelde andere bedrijven die aan de voorschriften voor de biologische productie voldoen;

c)

een beheersplan betreffende de productie-eenheid voor de biologische dierhouderij.

Artikel 75

Identificatie van de dieren

De dieren moeten permanent worden geïdentificeerd via op elke soort afgestemde methoden: afzonderlijke identificatie bij grote zoogdieren, afzonderlijke of partijgewijze identificatie bij pluimvee en kleine zoogdieren.

Artikel 76

Veeboeken

Er dienen veeboeken te worden bijgehouden in de vorm van een register dat permanent op het bedrijf beschikbaar moet zijn voor de controlerende autoriteiten of controleorganen. In deze veeboeken, die een volledige beschrijving moeten geven van de wijze waarop de veestapel of het beslag wordt beheerd, moeten ten minste de volgende gegevens worden vermeld:

a)

voor de dieren die op het bedrijf aankomen: herkomst en datum van aankomst, omschakelingsperiode, identificatiemerk en diergeneeskundig dossier;

b)

voor de dieren die het bedrijf verlaten: leeftijd, aantal, gewicht in geval van slachten, identificatiemerk en bestemming;

c)

gegevens omtrent eventuele verliezen aan dieren en oorzaken daarvan;

d)

wat de diervoeders betreft: soort voeder met inbegrip van voedingssupplementen, aandeel van de verschillende ingrediënten in het rantsoen, perioden waarin de dieren toegang hebben tot uitlopen, perioden van transhumance indien er op dit punt beperkingen gelden;

e)

wat ziektepreventie, de behandeling van ziekten en diergeneeskundige zorg betreft: datum van behandeling, diagnosegegevens, dosering; aard van het behandelingsproduct, indicatie van de actieve farmacologische stoffen, behandelingsmethode en recepten van de dierenarts met de motivering daarvan en wachttijden die moeten worden aangehouden voordat de betrokken dierlijke producten als biologische producten in de handel mogen worden gebracht.

Artikel 77

Controlemaatregelen inzake geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik

Telkens wanneer geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik worden toegepast, moet de in artikel 76, onder e), bedoelde informatie aan de controlerende autoriteit of het controleorgaan worden gemeld voordat de dieren of de dierlijke producten als biologisch gehouden dieren of biologisch geproduceerde producten in de handel worden gebracht. De behandelde dieren moeten duidelijk worden geïdentificeerd, afzonderlijk in het geval van grote dieren, afzonderlijk of per partij of bijenkast in geval van pluimvee, kleine dieren en bijen.

Artikel 78

Specifieke controlemaatregelen voor de bijenteelt

1.   De bijenteler verstrekt de controlerende autoriteit of het controleorgaan een kaart op een passende schaal met de locatie van de kasten. Indien zulke gebieden niet zijn aangeduid overeenkomstig artikel 13, lid 2, moet de bijenteler de controlerende autoriteit of het controleorgaan de nodige documenten en bewijzen verschaffen, waaronder zo nodig passende analyses, om aan te tonen dat de zones die voor zijn kolonies bereikbaar zijn, voldoen aan de voorschriften van deze verordening.

2.   Met betrekking tot het gebruik van voeding moet in het bijenstalregister de volgende informatie worden opgenomen: aard van het product, data waarop, hoeveelheden waarin en kasten waarvoor het werd gebruikt.

3.   Telkens wanneer geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik worden toegediend, moeten het type product, met de aanduiding van de actieve farmacologische stof, de diagnosegegevens, de dosering, de wijze van toediening, de duur van de behandeling en de wettelijke wachttijd duidelijk worden geregistreerd en bij de controlerende autoriteit of het controleorgaan worden gemeld voordat de producten als biologisch geproduceerde producten in de handel worden gebracht.

4.   De zone waar de bijenstal is gelokaliseerd, moet worden geregistreerd, samen met de gegevens ter identificatie van de kasten. De controleautoriteiten of controleorganen moeten binnen een met hen overeen te komen termijn worden geïnformeerd over verplaatsingen van bijenstallen.

5.   Er moet in het bijzonder op worden toegezien dat de producten van de bijenteelt op adequate wijze worden gewonnen, verwerkt en opgeslagen. Alle maatregelen die worden getroffen om aan dit voorschrift te voldoen, moeten worden geregistreerd.

6.   In het register van elke bijenstal moeten het verwijderen van de honingkamers en de handelingen voor de honingwinning worden opgetekend.

Artikel 79

Exploitatie van verscheidene productie-eenheden door dezelfde marktdeelnemer

Wanneer een marktdeelnemer verscheidene productie-eenheden exploiteert als bedoeld in artikel 17, lid 1, en artikel 41, geldt de in hoofdstuk 1 en het onderhavige hoofdstuk vastgestelde controleregeling ook voor de eenheden waar niet-biologische dieren of niet-biologische dierlijke producten worden geproduceerd.

HOOFDSTUK 4

Controlevoorschriften voor eenheden voor de bereiding van plantaardige en dierlijke producten en levensmiddelen die plantaardige en dierlijke producten bevatten

Artikel 80

Controleregelingen

Wanneer een eenheid, met inbegrip van eenheden die betrokken zijn bij het verpakken en/of herverpakken van dergelijke producten of eenheden die betrokken zijn bij het etiketteren/heretiketteren van dergelijke producten, betrokken is bij de bereiding, voor eigen rekening of voor rekening van een derde, van dergelijke producten, moet de in artikel 63, lid 1, onder a), bedoelde volledige beschrijving van de eenheid opgave doen van de installaties die worden gebruikt om de landbouwproducten in ontvangst te nemen, te verwerken, te verpakken, te etiketteren en vóór en na de behandelingen ervan op te slaan, alsmede van de methoden voor het vervoer van de producten.

HOOFDSTUK 5

Controlevoorschriften voor de invoer uit derde landen van planten, plantaardige producten, dieren, dierlijke producten en levensmiddelen die uit plantaardige en/of dierlijke producten bestaan, diervoeders, mengvoeders en voedermiddelen

Artikel 81

Werkingssfeer

Dit hoofdstuk is van toepassing op alle marktdeelnemers die als importeur en/of eerste geadresseerde zijn betrokken bij de invoer en/of ontvangst, voor eigen rekening of voor rekening van een andere marktdeelnemer, van biologische producten.

Artikel 82

Controleregelingen

1.   Met betrekking tot de importeur moet de in artikel 63, lid 2, onder a), bedoelde volledige beschrijving van de eenheid opgave doen van de gebouwen en terreinen van de importeur en van zijn importactiviteiten, met vermelding van de plaatsen waar de producten in de Gemeenschap binnenkomen en van alle andere installaties die de importeur van plan is voor de opslag van de geïmporteerde producten te gebruiken in afwachting van de levering ervan aan de eerste geadresseerde.

De in artikel 63, lid 2, bedoelde verklaring moet tevens de verbintenis van de importeur bevatten waarin staat dat hij erop zal toezien dat alle installaties die hij voor de opslag van producten zal gebruiken, worden onderworpen aan controle door de controlerende autoriteit of het controleorgaan, dan wel, indien die opslaginstallaties in een andere lidstaat of regio liggen, door een controlerende autoriteit of het controleorgaan die/dat in die lidstaat of regio voor het verrichten van de controle is erkend.

2.   Met betrekking tot de eerste geadresseerde moet de in artikel 63, lid 2, onder a), bedoelde volledige beschrijving van de eenheid opgave doen van alle voor de ontvangst en de opslag gebruikte installaties.

3.   Indien de importeur en de eerste geadresseerde dezelfde rechtspersoon zijn en zij hun werkzaamheden in één enkele eenheid verrichten, kunnen de in artikel 63, lid 2, tweede alinea, bedoelde verslagen worden uitgebracht in de vorm van een enkel verslag.

Artikel 83

Administratie

De importeur en de eerste geadresseerde moeten beiden een voorraadboekhouding en een financiële boekhouding bijhouden, tenzij zij hun werkzaamheden in één enkele eenheid verrichten.

Op verzoek van de controleautoriteit of het controleorgaan moeten alle bijzonderheden worden verstrekt betreffende de regelingen voor het vervoer van de exporteur in het derde land naar de eerste geadresseerde en van de bedrijfsruimten of opslaginstallaties van de eerste geadresseerde naar de geadresseerden binnen de Europese Gemeenschap.

Artikel 84

Verstrekking van informatie over geïmporteerde zendingen

De importeur stelt de controlerende autoriteit of het controleorgaan tijdig in kennis van elke zending die in de Gemeenschap zal worden geïmporteerd, en verstrekt daartoe de volgende gegevens:

a)

de naam en het adres van de eerste geadresseerde;

b)

alle gegevens die de controlerende autoriteit of het controleorgaan redelijkerwijs nodig kan hebben,

i)

voor producten die overeenkomstig artikel 32 van Verordening (EG) nr. 834/2007 worden geïmporteerd, de in dat artikel bedoelde bewijsstukken;

ii)

voor producten die overeenkomstig artikel 33 van Verordening (EG) nr. 834/2007 worden geïmporteerd, een kopie van het in dat artikel bedoelde controlecertificaat.

Op verzoek van de controlerende autoriteit of het controleorgaan van de importeur, stuurt de importeur de in lid 1 bedoelde informatie door naar de controlerende autoriteit of het controleorgaan van de eerste geadresseerde.

Artikel 85

Controlebezoeken

De controlerende autoriteit of het controleorgaan verifieert de in artikel 83 van de onderhavige verordening bedoelde administratie en het in artikel 33, lid 1, onderr d), van Verordening (EG) nr. 834/2007 bedoelde certificaat, of het in artikel 32, lid 1, onder c), van laatstgenoemde verordening bedoelde bewijsstuk.

Indien de importeur voor de import gebruikmaakt van verschillende eenheden of bedrijfsruimten, moet hij voor elk van die installaties de in artikel 63, lid 2, tweede alinea, van de onderhavige verordening bedoelde verslagen op verzoek beschikbaar stellen.

HOOFDSTUK 6

Controlevoorschriften voor eenheden die zijn betrokken bij de productie, bereiding of import van biologische producten en die de betrokken feitelijke handelingen volledig of gedeeltelijk hebben uitbesteed aan derden

Artikel 86

Controleregelingen

Ten aanzien van de handelingen die aan derden worden uitbesteed, moet de in artikel 63, lid 1, onder a), bedoelde volledige beschrijving van de eenheid de volgende gegevens bevatten:

a)

een lijst van de subcontractanten met een beschrijving van hun activiteiten en een vermelding van de controlerende autoriteit of het controleorgaan waaronder zij vallen;

b)

een schriftelijke verklaring van de subcontractanten waarin staat dat voor hun bedrijf de controleregeling van titel V van Verordening (EG) nr. 834/2007 zal gelden;

c)

alle concrete maatregelen, waaronder maatregelen om een passend administratiesysteem toe te passen, die op het niveau van de eenheid moeten worden genomen om te garanderen dat voor de door de marktdeelnemer in de handel gebrachte producten kan worden nagegaan wie, al naargelang van het geval, de leveranciers, de verkopers, de geadresseerden en de kopers ervan zijn.

HOOFDSTUK 7

Controlevoorschriften voor eenheden die diervoeders bereiden

Artikel 87

Werkingssfeer

Dit hoofdstuk is van toepassing op eenheden die betrokken zijn bij de bereiding, voor eigen rekening of voor rekening van een derde, van in artikel 1, lid 2, onder c), van Verordening (EG) nr. 834/2007 bedoelde producten.

Artikel 88

Controleregelingen

1.   De in artikel 63, lid 1, onder a), bedoelde volledige beschrijving van de eenheid moet opgave doen van:

a)

de installaties voor de ontvangst, de bereiding en de opslag van de voor het voederen bestemde producten vóór en na de behandelingen;

b)

de installaties voor de opslag van andere producten die voor de bereiding van de diervoeders worden gebruikt;

c)

de installaties voor de opslag van reinigings- en ontsmettingsproducten;

d)

in voorkomend geval, de omschrijving overeenkomstig artikel 5, lid 1, onder a), van Richtlijn 79/373/EEG, van de mengvoeders die de marktdeelnemer van plan is te produceren, alsmede de diersoort of -categorie waarvoor het mengvoeder is bestemd;

e)

in voorkomend geval, de naam van de voedermiddelen die de marktdeelnemer van plan is te bereiden.

2.   De in artikel 63, lid 1, onder b), bedoelde maatregelen die de marktdeelnemers moeten nemen om de naleving van de voorschriften voor de biologische productie te garanderen, moeten de in artikel 26 bedoelde maatregelen omvatten.

3.   De controlerende autoriteit of het controleorgaan maakt gebruik van deze maatregelen om een algemene evaluatie van de risico's in elke bereidingseenheid, en een controleplan op te stellen. Dit controleplan moet voorzien in een minimumaantal aselecte monsternemingen, dat wordt bepaald op basis van de potentiële risico's.

Artikel 89

Administratie

Met het oog op een adequate controle van de behandelingen moet de in artikel 66 bedoelde administratie gegevens bevatten over de oorsprong, de aard en de hoeveelheden van de voedermiddelen, de toevoegingsmiddelen, de verkochte hoeveelheden en de eindproducten.

Artikel 90

Controlebezoeken

De in artikel 65 bedoelde controlebezoeken omvatten een volledige fysieke controle van alle bedrijfsruimten. Bovendien voert de controlerende autoriteit of het controleorgaan op basis van een algemene evaluatie van de potentiële risico's van niet-naleving van de voorschriften voor de biologische productie controles uit in het kader van gerichte bezoeken.

De controlerende autoriteit of het controleorgaan let vooral op de voor de betrokken marktdeelnemer geldende kritieke controlepunten om te bepalen of naar behoren wordt bewaakt en gecontroleerd.

Alle bedrijfsruimten die de marktdeelnemer voor zijn activiteiten gebruikt, kunnen worden gecontroleerd met een frequentie die in verhouding staat tot de desbetreffende risico's.

HOOFDSTUK 8

Inbreuken en informatie-uitwisseling

Artikel 91

Maatregelen bij vermoede inbreuken en vermoede onregelmatigheden

1.   Marktdeelnemers die van mening zijn of vermoeden dat een door hen geproduceerd, bereid of geïmporteerd product, dan wel een door een andere marktdeelnemer aan hen geleverd product niet in overeenstemming is met de voorschriften voor de biologische productie, leiden procedures in om elke aanduiding betreffende de biologische productiemethode van dat product te verwijderen of om het product af te zonderen en te identificeren. Zij mogen het product pas gaan verwerken of verpakken of in de handel brengen nadat de betrokken twijfel is weggenomen, tenzij het product in de handel wordt gebracht zonder aanduidingen betreffende de biologische productiemethode. In geval van dergelijke twijfel moeten de marktdeelnemers de controlerende autoriteiten of de controleorganen onmiddellijk informeren. De controlerende autoriteiten of de controleorganen kunnen eisen dat het product niet met aanduidingen betreffende de biologische productiemethode in de handel wordt gebracht voordat de van de marktdeelnemers of uit andere bronnen ontvangen informatie hen ervan heeft overtuigd dat de twijfel is weggenomen.

2.   Controlerende autoriteiten of controleorganen die een gegrond vermoeden hebben dat een marktdeelnemer van plan is een product in de handel te brengen dat niet in overeenstemming is met de voorschriften voor de biologische productie maar wel is voorzien van een verwijzing naar de biologische productiemethode, kunnen beslissen dat de marktdeelnemer het product gedurende een door hen vastgestelde periode niet met deze verwijzing in de handel mag brengen. Alvorens een dergelijke beslissing te nemen, moeten de controlerende autoriteiten of controleorganen de marktdeelnemer de kans geven om de situatie toe te lichten. Deze beslissing wordt, indien de controlerende autoriteiten of controleorganen er zeker van zijn dat het product niet aan de voorschriften voor de biologische productie voldoet, aangevuld met de verplichting om elke verwijzing naar de biologische productiemethode van dat product te verwijderen.

Indien het vermoeden tijdens de hierboven bedoelde periode niet wordt bevestigd, moet de in de eerste alinea bedoelde beslissing uiterlijk bij het verstrijken van die periode worden ingetrokken. De marktdeelnemer verleent de controlerende autoriteit of het controleorgaan zijn volledige medewerking bij de opheldering van het vermoeden.

3.   De lidstaten treffen de nodige maatregelen en sancties om fraude ten aanzien van het gebruik van de in titel IV van Verordening (EG) nr. 834/2007 en in titel III en/of bijlage XI van de onderhavige verordening bedoelde aanduidingen te voorkomen.

Artikel 92

Informatie-uitwisseling

1.   Indien de marktdeelnemer en zijn subcontractanten door verschillende controlerende autoriteiten of controleorganen worden gecontroleerd, moet de marktdeelnemer er in de in artikel 63, lid 2, bedoelde verklaring namens hemzelf en namens zijn subcontractanten mee instemmen dat de verschillende controlerende autoriteiten of controleorganen informatie kunnen uitwisselen over de handelingen die onder hun controle staan, en overleg kunnen plegen over de wijze waarop die uitwisseling van informatie ten uitvoer kan worden gelegd.

2.   Wanneer een lidstaat met betrekking tot een uit een andere lidstaat afkomstig product waarop in titel IV van Verordening (EG) nr. 834/2007 en in titel III en/of bijlage XI van de onderhavige verordening bedoelde aanduidingen voorkomen, onregelmatigheden of inbreuken ten aanzien van de toepassing van deze verordening constateert, moet hij de lidstaat die de controlerende autoriteit of het controleorgaan heeft aangewezen, en de Commissie daarvan in kennis stellen.

TITEL V

INFORMATIEVERSTREKKING AAN DE COMMISSIE, OVERGANGSBEPALINGEN EN SLOTBEPALINGEN

HOOFDSTUK 1

Informatieverstrekking aan de Commissie

Artikel 93

Statistische informatie

1.   De lidstaten verstrekken uiterlijk op 1 juli van elk jaar de in artikel 36 van Verordening (EG) nr. 834/2007 bedoelde statistische informatie over de biologische productie, aan de hand van het door de Commissie (EUROSTAT) ter beschikking gestelde computersysteem voor de elektronische uitwisseling van documenten en informatie.

2.   De in lid 1 bedoelde statistische informatie omvat met name de volgende gegevens:

a)

het aantal biologische producenten, verwerkers, importeurs en exporteurs;

b)

de biologische plantaardige productie, het voor de biologische plantaardige productie gebruikte areaal en het voor de biologische plantaardige productie gebruikte areaal dat zich in omschakeling bevindt;

c)

het aantal biologisch gehouden dieren en de hoeveelheid biologische dierlijke producten;

d)

de gegevens over de industriële biologische productie, per soort van activiteit.

3.   De lidstaten maken voor de verstrekking van de in de leden 1 en 2 bedoelde statistische informatie gebruik van het door de Commissie (EUROSTAT) ter beschikking gestelde centrale toegangspunt (Single Entry Point).

4.   De bepalingen met betrekking tot de kenmerken van de statistische gegevens en metadata worden vastgesteld in het kader van het communautair statistisch programma op basis van de modellen en vragenlijsten die via het in lid 1 bedoelde systeem ter beschikking worden gesteld.

Artikel 94

Andere informatie

1.   De lidstaten verstrekken aan de Commissie de volgende niet-statistische gegevens aan de hand van het door de Commissie (DG Landbouw en Plattelandsontwikkeling) ter beschikking gestelde computersysteem voor de elektronische uitwisseling van documenten en informatie:

(a)

vóór 1 januari 2009, de in lid 35, onder a), van Verordening (EG) nr. 834/2007 bedoelde gegevens en, nadien, elk wijziging daarvan;

(b)

uiterlijk op 31 maart van elk jaar, de in artikel 35, onder b), van Verordening (EG) nr. 834/2007 bedoelde gegevens inzake de op 31 december van het vorige jaar erkende controlerende autoriteiten en controleorganen;

(c)

vóór 1 juli van elk jaar, alle andere informatie die in het kader van de onderhavige verordening vereist of noodzakelijk is.

2.   De gegevens worden meegedeeld en in het in lid 1 bedoelde computersysteem wordt ingevoerd en bijgewerkt onder de verantwoordelijkheid van de in artikel 35 van Verordening (EG) nr. 834/2007 bedoelde bevoegde autoriteiten, door de autoriteiten zelf of door het orgaan waaraan deze taak is gedelegeerd.

3.   De bepalingen met betrekking tot de kenmerken van de gegevens en metadata worden vastgesteld op basis van de modellen en vragenlijsten die via het in lid 1 bedoelde systeem ter beschikking worden gesteld.

HOOFDSTUK 2

Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 95

Overgangsmaatregelen

1.   Gedurende een overgangsperiode die op 31 december 2010 afloopt, mogen runderen worden aangebonden in gebouwen die reeds vóór 24 augustus 2000 bestonden mits voor regelmatige lichaamsbeweging wordt gezorgd en de houderij in overeenstemming met de eisen inzake het welzijn van dieren plaatsvindt in ruimten die van voldoende strooisel zijn voorzien, mits sprake is van individueel beheer en mits deze maatregel door de bevoegde autoriteit is toegestaan. De bevoegde autoriteit mag de toepassing van deze maatregel gedurende een beperkte periode die vóór 31 december 2013 verstrijkt, op verzoek van individuele marktdeelnemers blijven toestaan, onder de aanvullende voorwaarde dat de in artikel 65, lid 1, bedoelde controlebezoeken ten minste tweemaal per jaar worden afgelegd.

2.   De bevoegde autoriteit kan gedurende een overgangsperiode die op 31 december 2010 afloopt, toestemming verlenen voor de uitzonderingen op de toepassing van de voorschriften inzake huisvesting en veebezetting die op basis van de in bijlage I, deel B, punt 8.5.1, van Verordening (EG) nr. 2092/91 vastgestelde afwijking zijn verleend aan dierproducerende bedrijven. De marktdeelnemers die gebruikmaken van deze verlenging, moeten bij de controlerende autoriteit of het controleorgaan een plan indienen met de beschrijving van de regeling die moet waarborgen dat de voorschriften voor de biologische productie tegen het einde van de overgangsperiode in acht worden genomen. De bevoegde autoriteit mag de toepassing van deze maatregel gedurende een beperkte periode die vóór 31 december 2013 verstrijkt, op verzoek van individuele marktdeelnemers blijven toestaan, onder de aanvullende voorwaarde dat de in artikel 65, lid 1, bedoelde controlebezoeken ten minste tweemaal per jaar worden afgelegd.

3.   Tijdens een overgangsperiode die op 31 december 2010 verstrijkt, mag het afmesten van voor de vleesproductie bestemde schapen en varkens, als bedoeld in punt 8.3.4 van bijlage I.B van Verordening (EEG) nr. 2092/91, binnen plaatsvinden op voorwaarde dat de in artikel 65, lid 1, bedoelde controlebezoeken ten minste tweemaal per jaar worden afgelegd.

4.   Biggen mogen tijdens een overgangsperiode die op 31 december 2011 afloopt, zonder anesthesie of analgesie worden gecastreerd.

5.   In afwachting van de opname van nadere productievoorschriften voor diervoeders voor gezelschapsdieren zijn de nationale voorschriften of, bij afwezigheid daarvan, de door de lidstaten aanvaarde of erkende private normen van toepassing.

6.   Voor de toepassing van artikel 12, lid 1, onder j), van Verordening (EG) nr. 834/2007 en in afwachting van de opname van specifieke stoffen overeenkomstig artikel 16, lid 1, onder f), van die verordening, mogen slechts door de bevoegde autoriteiten toegestane producten worden gebruikt.

7.   Vergunningen voor niet-biologische ingrediënten van agrarische oorsprong, die door de lidstaten krachtens Verordening (EG) nr. 207/93 zijn verleend, mogen tevens voor de toepassing van de onderhavige verordening als verleend worden beschouwd. Overeenkomstig artikel 3, lid 6, van de eerstgenoemde verordening verleende vergunningen verstrijken evenwel op 31 december 2009.

8.   Gedurende een overgangsperiode die op 1 juli 2010 afloopt, mag de marktdeelnemer bij de etikettering blijven gebruikmaken van de bepalingen van Verordening (EEG) nr. 2092/91 met betrekking tot:

i)

het systeem voor de berekening van het percentage biologische voedselingrediënten;

ii)

het codenummer en/of de naam van de controlerende autoriteit of het controleorgaan.

9.   Voorraden van producten die vóór 1 januari 2009 overeenkomstig Verordening (EEG) nr. 2092/91 zijn geproduceerd, verpakt en geëtiketteerd, mogen verder in de handel worden gebracht met naar de biologische productie verwijzende aanduidingen tot deze voorraden zijn uitgeput.

10.   Verpakkingsmateriaal dat conform is met Verordening (EEG) nr. 2092/91, mag tot 1 januari 2012 verder worden gebruikt voor producten die in de handel worden gebracht met naar de biologische productie verwijzende aanduidingen, op voorwaarde dat de producten voor het overige voldoen aan de voorschriften van Verordening (EG) nr. 834/2007.

Artikel 96

Intrekking

De Verordeningen (EEG) nr. 207/93, (EG) nr. 223/2003 en (EG) nr. 1452/2003 worden ingetrokken.

Verwijzingen naar de ingetrokken verordeningen en naar Verordening (EEG) nr. 2092/91 gelden als verwijzingen naar de onderhavige verordening en worden gelezen volgens de in bijlage XIV opgenomen concordantietabel.

Artikel 97

Inwerkingtreding en toepassing

Deze verordening treedt in werking op de zevende dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2009.

Artikel 27, lid 2, onder a), en artikel 58 zijn evenwel van toepassing met ingang van 1 juli 2010.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 5 september 2008.

Voor de Commissie

Mariann FISCHER BOEL

Lid van de Commissie


(1)  PB L 189 van 20.7.2007, blz. 1.

(2)  PB L 198 van 22.7.1991, blz. 1.

(3)  PB L 165 van 30.4.2004, blz. 1. Rectificatie in PB L 191 van 28.5.2004, blz. 1.

(4)  PB L 25 van 2.2.1993, blz. 5.

(5)  PB L 206 van 15.8.2003, blz. 17.

(6)  PB L 31 van 6.2.2003, blz. 3.

(7)  PB L 311 van 28.11.2001, blz. 1.

(8)  PB L 375 van 31.12.1991, blz. 1.

(9)  PB L 368 van 23.12.2006, blz. 15.

(10)  PB L 340 van 11.12.1991, blz. 28.

(11)  PB L 340 van 11.12.1991, blz. 33.

(12)  PB L 277 van 21.10.2005, blz. 1.

(13)  PB L 160 van 26.6.1999, blz. 80.

(14)  PB L 184 van 15.7.1988, blz. 61.

(15)  PB L 237 van 10.9.1994, blz. 13.

(16)  PB L 169 van 10.7.2000, blz. 1.

(17)  PB L 193 van 20.7.2002, blz. 1.

(18)  PB L 193 van 20.7.2002, blz. 33.

(19)  PB L 86 van 6.4.1979, blz. 30.

(20)  PB L 125 van 23.5.1996, blz. 35.


BIJLAGE I

Meststoffen en bodemverbeteringsmiddelen als bedoeld in artikel 3, lid 1

Noten:

A

:

toegestaan krachtens Verordening (EEG) nr. 2092/91 en overgedragen krachtens artikel 16, lid 3, onder c), van Verordening (EG) nr. 834/2007

B

:

toegestaan op grond van Verordening (EG) nr. 834/2007

Vergunning

Benaming

Beschrijving, samenstellingseisen, gebruiksvoorwaarden

A

Producten (samengestelde of enkelvoudige) die uitsluitend de hieronder opgesomde stoffen bevatten:

Stalmest

Product, bestaande uit een mengsel van dierlijke mest en plantaardig materiaal (strooisel).

Het product mag niet afkomstig zijn van niet-grondgebonden veehouderijen.

A

Gedroogde stalmest en gedehydrateerde pluimveemest

Het product mag niet afkomstig zijn van niet-grondgebonden veehouderijen.

A

Gecomposteerde dierlijke mest, met inbegrip van pluimveemest en gecomposteerde stalmest

Het product mag niet afkomstig zijn van niet-grondgebonden veehouderijen.

A

Vloeibare dierlijke mest

Mag worden gebruikt na gecontroleerde vergisting en/of adequate verdunning.

Het product mag niet afkomstig zijn van niet-grondgebonden veehouderijen.

A

Gecomposteerd of vergist huishoudelijk afval

Product op basis van aan de bron gescheiden huishoudelijk afval dat is gecomposteerd of anaëroob is vergist voor de productie van biogas

Alleen huishoudelijk afval van plantaardige en van dierlijke oorsprong

Alleen wanneer het is geproduceerd in een door de lidstaat aanvaard gesloten en gecontroleerd verzamelsysteem

Maximumconcentratie in mg/kg droge stof: cadmium: 0,7; koper: 70; nikkel: 25; lood: 45; zink: 200; kwik: 0,4; chroom (totaal): 70; chroom (VI): 0

A

Turf

Mag alleen worden gebruikt voor tuinbouw (groenteteelt, sierteelt, boomteelt, boomkwekerij).

A

Paddenstoelensubstraatafval

Het oorspronkelijke substraat mag alleen producten bevatten die in deze bijlage voorkomen.

A

Wormencompost en uitwerpselen van insecten

 

A

Guano

 

A

Gecomposteerd of vergist mengsel van plantaardig materiaal

Product op basis van mengsels van plantaardig materiaal dat is gecomposteerd of anaëroob is vergist voor de productie van biogas

A

De onderstaande producten of bijproducten van dierlijke oorsprong:

 

bloedmeel

 

hoefmeel

 

hoornmeel

 

beendermeel of ontlijmd beendermeel

 

vismeel

 

vleesmeel

 

verenmeel, haarmeel en chiquetmeel

 

wol

 

pels

 

haren

 

zuivelproducten

Maximumconcentratie chroom (VI) in mg/kg droge stof: 0

A

Producten en bijproducten van plantaardige oorsprong voor bemesting

Voorbeelden: meel van koeken van oliehoudende zaden, cacaodoppen, moutkiemen

A

Zeewier en zeewierproducten

Uitsluitend verkregen door:

i)

fysische behandelingen met inbegrip van dehydratatie, bevriezing en vermaling;

ii)

extractie met water of met zure en/of basische waterige oplossingen;

iii)

gisting.

A

Zaagsel en schaafsel

Van hout dat na de kap niet chemisch is behandeld.

A

Gecomposteerde boomschors

Van hout dat na de kap niet chemisch is behandeld.

A

Houtas

Van hout dat na de kap niet chemisch is behandeld.

A

Zacht natuurlijk fosfaat

Product omschreven in punt 7 van bijlage IA.2 bij Verordening (EG) nr. 2003/2003 van het Europees Parlement en de Raad (1) inzake meststoffen, 7

Cadmiumgehalte ten hoogste 90 mg/kg P205.

A

Aluminiumcalciumfosfaat

Product omschreven in punt 6 van bijlage IA.2 bij Verordening (EG) nr. 2003/2003

Cadmiumgehalte ten hoogste 90 mg/kg P205.

Mag alleen worden gebruikt op basische gronden (pH > 7,5)

A

Fosfaatslakken

Product omschreven in punt 1 van bijlage IA.2 bij Verordening (EG) nr. 2003/2003

A

Ruw kalizout of kaïniet

Product omschreven in punt 1 van bijlage IA.3 bij Verordening (EG) nr. 2003/2003

A

Kaliumsulfaat dat mogelijk magnesiumzout bevat

Door een fysisch extractieproces uit ruw kalizout verkregen product, dat mogelijk ook magnesiumzouten bevat.

A

Vinasse en vinasse-extracten

Met uitsluiting van ammoniakhoudende vinasse.

A

Calciumcarbonaat

(krijt, mergel, gemalen kalksteenrots, kalkwier, fosfaathoudend krijt)

Uitsluitend van natuurlijke oorsprong.

A

Calcium- en magnesiumcarbonaat

Uitsluitend van natuurlijke oorsprong.

(bijvoorbeeld: magnesiumhoudend krijt, gemalen magnesiumhoudende kalksteenrots)

A

Magnesiumsulfaat (kieseriet)

Uitsluitend van natuurlijke oorsprong.

A

Calciumchloride-oplossing

Bladbehandeling bij appelbomen, nadat calciumgebrek is aangetoond.

A

Calciumsulfaat (gips)

Product omschreven in punt 1 van bijlage I.D bij Verordening (EG) nr. 2003/2003

Uitsluitend van natuurlijke oorsprong.

A

Industriekalk afkomstig van de suikerproductie

Bijproduct van de suikerproductie op basis van suikerbieten

A

Industriekalk afkomstig van de vacuümproductie van zout

Bijproduct van de vacuümproductie van zout, verkregen uit kalksteen uit de bergen

A

Vrij zwavel

Product omschreven in bijlage ID.3 bij Verordening (EG) nr. 2003/2003

A

Spoorelementen

Anorganische micronutriënten als opgenomen in deel E van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 2003/2003

A

Natriumchloride

Uitsluitend steenzout.

A

Steenmeel en klei

 


(1)  PB L 304 van 21.11.2003, blz. 1.


BIJLAGE II

Pesticiden — gewasbeschermingsmiddelen als bedoeld in artikel 5, lid 1

Noten:

A

:

toegestaan krachtens Verordening (EEG) nr. 2092/91 en overgedragen krachtens artikel 16, lid 3, onder c), van Verordening (EG) nr. 834/2007

B

:

toegestaan op grond van Verordening (EG) nr. 834/2007

1.   Stoffen van plantaardige of van dierlijke oorsprong

Vergunning

Omschrijving

Beschrijving, samenstellingseisen, gebruiksvoorwaarden

A

Azadirachtine, geëxtraheerd uit Azadirachta indica (neemboom)

Insecticide

A

Bijenwas

Afdekkingsmiddel voor snoeiwonden

A

Gelatine

Insecticide

A

Gehydrolyseerde eiwitten

Lokmiddel, uitsluitend in het kader van toegestane toepassingen gecombineerd met andere geschikte producten van deze lijst

A

Lecithine

Fungicide

A

Plantaardige oliën (bv. muntolie, pijnolie, karwij-olie)

Insecticide, acaricide, fungicide en kiemvertragend middel

A

Pyrethrine geëxtraheerd uit Chrysanthemum cinerariaefolium

Insecticide

A

Kwassie, geëxtraheerd uit Quassia amara

Insecticide, afweermiddel

A

Rotenon, geëxtraheerd uit Derris spp, Lonchocarpus spp en Terphrosia spp.

Insecticide

2.   Micro-organismen voor biologische bestrijding van ziekten en plagen

Vergunning

Omschrijving

Beschrijving, samenstellingseisen, gebruiksvoorwaarden

A

Micro-organismen (bacteriën, virussen en schimmels)

 

3.   Door micro-organismen geproduceerde stoffen

Vergunning

Omschrijving

Beschrijving, samenstellingseisen, gebruiksvoorwaarden

A

Spinosad

Insecticide

Enkel wanneer maatregelen worden genomen om het risico van parasitoïden en het risico van resistentieontwikkeling zo gering mogelijk te houden

4.   Alleen in vallen en/of verstuivers te gebruiken stoffen

Vergunning

Omschrijving

Beschrijving, samenstellingseisen, gebruiksvoorwaarden

A

Diammonfosfaat

Lokmiddel, alleen in vallen

A

Feromonen

Lokmiddel; ontregelaars van sexueel gedrag; alleen in vallen en verstuivers

A

Pyrethrumderivaten (alleen deltamethrine of lambdacyhalothrine)

Insecticide; alleen in vallen met specifieke lokmiddelen; uitsluitend ter bestrijding van Batrocera oleae en Ceratritis capitata Wied.

5.   Aan de oppervlakte tussen de planten te dispergeren bereidingen

Vergunning

Omschrijving

Beschrijving, samenstellingseisen, gebruiksvoorwaarden

A

IJzerfosfaat (ijzertrifosfaat)

Molluscicide

6.   Andere stoffen die traditioneel in de biologische landbouw worden gebruikt

Vergunning

Omschrijving

Beschrijving, samenstellingseisen, gebruiksvoorwaarden

A

Koper in de vorm van koperhydroxide, koperoxychloride, (tribasisch) kopersulfaat, koperoxide, koperoctanoaat

Fungicide

Tot 6 kg per ha per jaar

Voor blijvende gewassen mogen de lidstaten, in afwijking van de vorige alinea, het dit maximum van 6 kg in een bepaald jaar overschrijden mits de gemiddelde gedurende vijf jaar (dat jaar en de vier vorige) gebruikte hoeveelheid niet groter is dan 6 kg

A

Ethyleen

Narijping van bananen, kiwi’s en kaki’s; narijpen van citrusvruchten als deel van een strategie om door de fruitvlieg veroorzaakte schade te voorkomen; bloei-inductie van ananas; het tegengaan van scheutvorming bij aardappelen en uien

A

Kaliumzout van vetzuur (zachte zeep)

Insecticide

A

Kalialuin (aluminiumsulfaat) (kalinite)

Vertraging rijping bananen

A

Californische pap (calciumpolysulfide)

Fungicide, insecticide, acaricide

A

Paraffineolie

Insecticide, acaricide

A

Minerale olie

Insecticide, fungicide;

alleen voor fruitbomen, wijnstokken, olijfbomen en tropische gewassen (bv. bananen)

A

Kaliumpermanganaat

Fungicide, bactericide; alleen op fruitbomen, olijfbomen en wijnstokken

A

Kwartszand

Afweermiddel

A

Zwavel

Fungicide, acaricide, afweermiddel

7.   Andere stoffen

Vergunning

Omschrijving

Beschrijving, samenstellingseisen, gebruiksvoorwaarden

A

Calciumhydroxide

Fungicide

Enkel bij fruitbomen, ook in kwekerijen, voor de bestrijding van Nectria galligena

A

Kaliumbicarbonaat

Fungicide


BIJLAGE III

Minimumoppervlakte van de binnen- en buitenruimten en andere kenmerken van de huisvesting voor de verschillende soorten en productietypes als bedoeld in artikel 10, lid 4

1.   Runderen, paardachtigen, schapen, geiten en varkens

 

Binnenruimte

(voor de dieren beschikbare netto-oppervlakte)

Buitenruimte

(bewegingsruimte, behalve weidegrond)

 

Levend gewicht (kg)

m2/dier

m2/dier

Fok- en mestrunderen en paardachtigen

tot 100

1,5

1,1

tot 200

2,5

1,9

tot 350

4,0

3

meer dan 350

5 en minstens 1 m2/100 kg

3,7 en minstens 0,75 m2/100 kg

Melkkoeien

 

6

4,5

Fokstieren

 

10

30

Schapen en geiten

 

1,5 per schaap/geit

2,5

 

0,35 per lam/jonge geit

0,5

Zogende zeugen met biggen tot 40 dagen oud

 

7,5 per zeug

2,5

Slachtvarkens

tot 50

0,8

0,6

tot 85

1,1

0,8

tot 110

1,3

1

Biggen

ouder dan 40 dagen en tot 30 kg

0,6

0,4

Fokvarkens

 

2,5 per zeug

1,9

 

6 per beer;

Indien de boxen worden gebruik voor natuurlijke dekking: 10 m2 per beer

8,0

2.   Pluimvee

 

Binnenruimte

(voor de dieren beschikbare netto-oppervlakte)

Buitenruimte

(het aantal m2 dat bij toerbeurt per dier beschikbaar is)

 

aantal dieren/m2

cm zitstok/dier

nest

Legkippen

6

18

7 legkippen per nest, of, in geval van een gemeenschappelijk nest 120 cm2 per dier

4, mits het maximum van 170 kg N/ha/jaar niet wordt overschreden

Mestpluimvee (in vaste pluimveestallen)

10, met maximaal 21 kg levend gewicht/m2

20 (alleen parel-hoenders)

 

4 slachtkuikens en parelhoenders

4,5 eenden

10 kalkoenen

15 ganzen

Voor geen van deze soorten mag het maximum van 170 kg N/ha/jaar worden overschreden

Mestpluimvee in mobiele pluimveestallen

16 (1) in mobiele pluimveestallen met hoogstens 30 kg levend gewicht/m2

 

 

2,5, mits het maximum van 170 kg N/ha/jaar niet wordt overschreden


(1)  Alleen in het geval van mobiele stallen met een vloeroppervlak van maximaal 150 m2.


BIJLAGE IV

Maximumaantal dieren per hectare als bedoeld in artikel 15, lid 2

Categorie of soort

Maximumaantal dieren per ha

dat overeenkomt met 170 kg N/ha/jaar

Paardachtigen ouder dan zes maanden

2

Mestkalveren

5

Andere runderachtigen jonger dan één jaar

5

Mannelijke runderachtigen van één tot minder dan twee jaar

3,3

Vrouwelijke runderachtigen van één tot minder dan twee jaar

3,3

Mannelijke runderachtigen van twee jaar en ouder

2

Fokvaarzen

2,5

Mestvaarzen

2,5

Melkkoeien

2

Uitstootkoeien

2

Andere koeien

2,5

Vrouwelijke fokkonijnen

100

Ooien

13,3

Geiten

13,3

Biggen

74

Fokzeugen

6,5

Mestvarkens

14

Andere varkens

14

Slachtkippen

580

Legkippen

230


BIJLAGE V

Voedermiddelen als bedoeld in artikel 22, leden 1, 2 en 3

1.   NIET-BIOLOGISCHE VOEDERMIDDELEN VAN PLANTAARDIGE OORSPRONG

1.1.   Granen, graankorrels en daarvan afgeleide producten en bijproducten:

Haverkorrels, havervlokken, havervoermeel, haverschillen en haverzemelgrint

Gerstkorrels, gersteiwit en gerstvoermeel

Rijstkiemkoek

Gierstkorrels

Roggekorrels en roggevoermeel

Sorghumkorrels

Tarwekorrels, tarwevoermeel, tarwezemelgrint, tarweglutenvoer, tarwegluten en tarwekiemen

Speltkorrels

Triticalekorrels

Maïskorrels, maïszemelgrint, maïsvoermeel, maïskiemkoek en maïsgluten

Moutkiemen

Bierbostel

1.2.   Oliehoudende zaden, oliehoudende vruchten en daarvan afgeleide producten en bijproducten:

Kool- en raapzaad, kool- en raapzaadkoek, kool- en raapzaadschillen

Sojabonen, getoaste sojabonen, sojabonenkoeken en sojabonenschillen

Zonnebloemzaad en zonnebloemkoek

Katoenzaad en katoenzaadkoek

Lijnzaad en lijnzaadkoek

Sesamkoek

Palmpitkoek

Pompoenzaadkoek

Olijven, olijfpulpkoek

Plantaardige oliën (uit fysieke extractie verkregen).

1.3.   Zaden van peulvruchten en daarvan afgeleide producten en bijproducten:

Kikkererwtenzaad, kikkererwtenmeel en kikkererwtenzemelen

Linzenwikkezaad, linzenwikkemeel en linzenwikkezemelen

Zaailathyruszaad na een hittebehandeling, zaailathyrusmeel en zaailathyruszemelen

Erwtenzaad, erwtenmeel en erwtenzemelen

Tuinboonzaad, tuinboonmeel en tuinboonzemelen

Paardenboonzaad, paardenboonmeel en paardenboonzemelen

Wikkezaad, wikkemeel en wikkezemelen

Lupinezaad, lupinemeel en lupinezemelen

1.4.   Knollen en wortels en daarvan afgeleide producten en bijproducten

Suikerbietenpulp

Aardappels

Knollen van zoete aardappels

Aardappelvezels (bijproduct van de extractie van aardappelzetmeel)

Aardappelzetmeel

Aardappeleiwit

Maniok.

1.5.   Overige zaden en vruchten en daarvan afgeleide producten en bijproducten:

Johannesbrood

Peulen van johannesbrood en meel daarvan

Pompoenen

Citruspulp

Appelen, kweeperen, peren, perziken, vijgen, druiven en pulp daarvan

Kastanjes

Walnootkoek

Hazelnootkoek

Cacaodoppen en cacaokoek

Eikels.

1.6.   Voedergewassen en ruwvoedergewassen

Luzerne

Luzernemeel

Klaver

Klavermeel

Gras (verkregen uit voedergewassen)

Grasmeel

Hooi

Kuilgras

Stro van granen

Wortelknollen van voedergewassen.

1.7.   Overige planten en daarvan afgeleide producten en bijproducten

Melasse

Zeewiermeel (verkregen door het drogen en malen van zeewier dat is gewassen om het jodiumgehalte te verlagen)

Poeders en extracten van planten

Eiwithoudende extracten van planten (uitsluitend bestemd voor jonge dieren)

Specerijen

Kruiden.

2.   VOEDERMIDDELEN VAN DIERLIJKE OORSPRONG

2.1.   Melk en melkproducten:

Rauwe melk

Melkpoeder

Magere melk, magermelkpoeder

Karnemelk, karnemelkpoeder

Wei, weipoeder, suikerarme weipoeder, eiwithoudende weipoeder (geëxtraheerd door fysische behandeling)

Caseïnepoeder

Lactosepoeder

Wrongel en zure melk.

2.2.   Vis, andere zeedieren en daarvan afgeleide producten en bijproducten:

Met inachtneming van de volgende beperkingen: de producten moeten afkomstig zijn van de duurzame visserij en mogen slechts worden gebruikt voor andere soorten dan herbivoren.

Vis

Visolie en levertraan, niet geraffineerd

Autolysaten van vis, weekdieren of schelpdieren

Langs enzymatische weg verkregen hydrolysaten en proteolysaten, al dan niet oplosbaar, alleen te verstrekken aan jonge dieren

Vismeel

2.3.   Eieren en eierproducten

Eieren en eierproducten voor gebruik als pluimveevoeder, voornamelijk afkomstig van hetzelfde bedrijf.

3.   VOEDERMIDDELEN VAN MINERALE OORSPRONG

3.1.   Natrium:

ongeraffineerd zeezout

ruw steenzout uit mijnen

natriumsulfaat

natriumcarbonaat

natriumbicarbonaat

natriumchloride

3.2.   Kalium:

kaliumchloride

3.3.   Calcium:

roodwier en kalkwier

schelpen van waterdieren (ook sepiabeen)

calciumcarbonaat

calciumlactaat

calciumgluconaat

3.4.   Fosfor:

gedefluorideerd bicalciumfosfaat

gedefluorideerd monocalciumfosfaat

mononatriumfosfaat

calciummagnesiumfosfaat

calciumnatriumfosfaat

3.5.   Magnesium:

magnesiumoxide (watervrije magnesia)

magnesiumsulfaat

magnesiumchloride

magnesiumcarbonaat

magnesiumfosfaat

3.6.   Zwavel:

natriumsulfaat


BIJLAGE VI

Toevoegingsmiddelen voor diervoeders en bepaalde in diervoeding gebruikte stoffen als bedoeld in artikel 22, lid 4

1.   TOEVOEGINGSMIDDELEN IN DIERVOEDERS

De opgesomde toevoegingsmiddelen moeten zijn goedgekeurd op grond van Verordening (EG) nr. 1831/2003 van het Europees Parlement en de Raad (1) betreffende toevoegingsmiddelen voor diervoeding.

1.1.   Nutritionele toevoegingsmiddelen

a)   Vitaminen

Vitaminen die zijn afgeleid van grondstoffen die van nature in diervoeders voorkomen;

Voor dieren met één maag: synthetische vitaminen die identiek zijn aan de natuurlijke vitaminen;

Voor herkauwers en na goedkeuring door de lidstaten op basis van een beoordeling van de capaciteit van biologisch gehouden herkauwers om de nodige vitaminen A, D en E uit hun voederrantsoen te halen: synthetische vormen van de vitaminen A, D en E die identiek zijn aan de natuurlijke vitaminen

b)   Spoorelementen

E1

IJzer:

 

ijzer(II)carbonaat

 

ijzer(II)sulfaat, monohydraat en/of heptahydraat

 

ijzer(III)oxide

E2

Jodium:

 

calciumjodaat, watervrij

 

calciumjodaat, hexahydraat

 

natriumjodide

E3

Kobalt:

 

kobalt(II)sulfaat, monohydraat en/of heptahydraat

 

basisch kobalt(II)carbonaat, monohydraat

E4

Koper:

 

koper(II)oxide

 

basisch koper(II)carbonaat, monohydraat

 

koper(II)sulfaat, pentahydraat

E5

Mangaan:

 

mangaan(II)carbonaat

 

mangaan(II) en mangaan(III)oxide

 

mangaan(II)sulfaat, mono- en/of tetrahydraat

E6

Zink:

 

zinkcarbonaat

 

zinkoxide

 

zinksulfaat, monohydraat en/of heptahydraat

E7

Molybdeen:

 

ammoniummolybdaat, natriummolybdaat

E8

Selenium:

 

natriumselenaat

 

natriumseleniet

1.2.   Zoötechnische toevoegingsmiddelen

Enzymen en micro-organismen

1.3.   Technologische toevoegingsmiddelen

a)   Conserveermiddelen

E 200

Sorbinezuur

E 236

Mierenzuur (2)

E 260

Azijnzuur (2)

E 270

Melkzuur (2)

E 280

Propionzuur (2)

E 330

Citroenzuur

b)   Antioxidantia

E 306 — Tocoferolrijke extracten van natuurlijke oorsprong, gebruikt als antioxidant

c)   Bindmiddelen en verdunningsmiddelen

E 470

Calciumstearaat van natuurlijke oorsprong

E 551b

Coloïdale siliciumdioxide

E 551c

Diatomeeënaarde

E 558

Bentoniet

E 559

Kaoliniethoudende klei

E 560

Natuurlijke mengsels van stearaten en chloriet

E 561

Vermiculiet

E 562

Sepioliet

E 599

Perliet

d)   Toevoegingsmiddelen voor kuilvoer

Enzymen, gisten en bacteria kunnen als toevoegingsmiddel voor kuilvoer worden gebruikt.

Melkzuur, mierenzuur, propionzuur en azijnzuur mogen bij de productie van kuilvoer alleen worden gebruikt indien de weersomstandigheden belemmeren dat de juiste fermentatie optreedt.

2.   BEPAALDE IN DIERVOEDING GEBRUIKTE STOFFEN

De opgesomde stoffen moeten zijn goedgekeurd op grond van Richtlijn 82/471/EEG van de Raad betreffende bepaalde in diervoeding gebruikte produkten (3)

Gisten:

Saccharomyces cerevisiae

Saccharomyces carlsbergiensis

3.   STOFFEN VOOR DE KUILVOERPRODUCTIE

zeezout

ruw steenzout uit mijnen

wei

suiker

suikerbietenpulp

meel van granen

melasse


(1)  PB L 268 van 18.10.2003, blz. 29.

(2)  Voor ensilage: alleen wanneer de weersomstandigheden een adequate fermentatie belemmeren.

(3)  PB L 213 van 21.7.1982, blz. 8.


BIJLAGE VII

Reinigings- en ontsmettingsproducten als bedoeld in artikel 23, lid 4

Producten voor de reiniging en de ontsmetting van bedrijfsruimten en installaties voor de dierlijke productie:

Kalium- en natriumzeep

Water en stoom

Kalkmelk

Kalk

Ongebluste kalk

Natriumhypochloriet (bijvoorbeeld bleekwater)

Bijtende soda

Bijtende potas

Waterstofperoxide

Natuurlijke plantenextracten

Citroenzuur, perazijnzuur, mierenzuur, melkzuur, oxaalzuur en azijnzuur

Alcohol

Salpeterzuur (uitrusting van melkstallen)

Fosforzuur (uitrusting van melkstallen)

Formaldehyde

Reinigings- en ontsmettingsmiddelen voor spenen en melkinstallaties

Natriumcarbonaat


BIJLAGE VIII

Bepaalde producten en stoffen voor gebruik bij de vervaarding van verwerkte biologische levensmiddelen als bedoeld in artikel 27, lid 1, onder a)

Noten:

A

:

toegestaan krachtens Verordening (EEG) nr. 2092/91 en overgedragen krachtens artikel 21, lid 2, van Verordening (EG) nr. 834/2007

B

:

toegestaan op grond van Verordening (EG) nr. 834/2007

DEEL A — LEVENSMIDDELENADDITIEVEN, INCLUSIEF DRAGERS

Met het oog op de in artikel 23, lid 4, onder a) ii), van Verordening (EG) nr. 834/2007 bedoelde berekening worden voor levensmiddelen bestemde toevoegingsmiddelen die in de kolom met het codenummer met een asterisk zijn aangemerkt, meegerekend als ingrediënten van agrarische oorpsrong.

Vergunning

Code

Benaming

Bereiding van levensmiddelen van

Bijzondere voorwaarden

plantaardige oorsprong

dierlijke oorsprong

A

E 153

Carbo medicinalis vegetabilis

 

X

Met een laagje gemalen houtskool bedekte geitenkaas

„Morbier”-kaas

A

E 160b*

Annatto, bixine, norbixine

 

X

„Red Leicester”-kaas

„Double Gloucester”-kaas

Cheddar

„Mimolette”-kaas

A

E 170

Calciumcarbonaat

X

X

Mag niet als kleurstof worden gebruikt en mag niet worden gebruikt om producten met calcium te verrijken

A

E 220

of

Zwaveldioxide

X

X

In vruchtenwijnen (4) zonder toegevoegde suiker (met inbegrip van appel- en perenwijn) of in honingwijn: 50 mg (5)

 

E 224

Kaliumdisulfiet

X

X

In appel- en perenwijn waaraan na de gisting suiker of sapconcentraat is toegevoegd: 100 mg (5)

 

 

 

 

 

A

E 250

of

Natriumnitriet

 

X

Voor vleesproducten (1):

 

E 252

Kaliumnitraat

 

X

Voor E 250: indicatie inzake de toegevoegde hoeveelheid, uitgedrukt als NaNO2: 80 mg/kg

Voor E 252: indicatie inzake de toegevoegde hoeveelheid, uitgedrukt als NaNO3: 80 mg/kg

Voor E 250: maximaal toegestaan residu, uitgedrukt als NaNO2: 50 mg/kg

Voor E 252: maximaal toegestaan residu, uitgedrukt als NaNO3: 50 mg/kg

A

E 270

Melkzuur

X

X

 

A

E 290

Koolstofdioxide

X

X

 

A

E 296

Appelzuur

X

 

 

A

E 300

Ascorbinezuur

X

X

Vleesproducten (2)

A

E 301

Natriumascorbaat

 

X

Vleesproducten (2) in verband met nitrieten of nitraten

A

E 306*

Sterk tocoferolhoudend extract

X

X

Antioxidant in oliën en vetten

A

E 322*

Lecithinen

X

X

Zuivelproducten (2)

A

E 325

Natriumlactaat

 

X

Producten op basis van melk en vleesproducten

A

E 330

Citroenzuur

X

 

 

A

E 331

Natriumcitraten

 

X

 

A

E 333

Calciumcitraten

X

 

 

A

E 334

Wijnsteenzuur (L(+)–)

X

 

 

A

E 335

Natriumtartraten

X

 

 

A

E 336

Kaliumtartraten

X

 

 

A

E 341(i)

Monocalciumfosfaat

X

 

Rijsmiddel voor zelfrijzend bakmeel

A

E 400

Alginezuur

X

X

Producten op basis van melk (2)

A

E 401

Natriumalginaat

X

X

Producten op basis van melk (2)

A

E 402

Kaliumalginaat

X

X

Producten op basis van melk (2)

A

E 406

Agar-agar

X

X

Producten op basis van melk en vleesproducten (2)

A

E 407

Carrageen

X

X

Producten op basis van melk (2)

A

E 410*

Johannesbroodpitmeel

X

X

 

A

E 412*

Guarpitmeel

X

X

 

A

E 414*

Arabische gom

X

X

 

A

E 415

Xanthaangom

X

X

 

A

E 422

Glycerol

X

 

Voor plantenextracten

A

E 440* (i)

Pectine

X

X

Producten op basis van melk (2)

A

E 464

Hydroxypropylmethylcellulose

X

X

Materiaal voor het omhulsel van capsules

A

E 500

Natriumcarbonaten

X

X

„Dulce de leche” (3), zureroomboter en zuremelkkaas (2)

A

E 501

Kaliumcarbonaten

X

 

 

A

E 503

Ammoniumcarbonaten

X

 

 

A

E 504

Magnesiumcarbonaten

X

 

 

A

E 509

Calciumchloride

 

X

Doen coaguleren van melk

A

E 516

Calciumsulfaat

X

 

Drager

A

E 524

Natriumhydroxide

X

 

Oppervlaktebehandeling van „Laugengebäck”

A

E 551

Siliciumdioxide

X

 

Antiklontermiddel voor kruiden en specerijen

A

E 553b

Talk

X

X

Deklaag op vleesproducten

A

E 938

Argon

X

X

 

A

E 939

Helium

X

X

 

A

E 941

Stikstof

X

X

 

A

E 948

Zuurstof

X

X

 

DEEL B — TECHNISCHE HULPSTOFFEN EN ANDERE PRODUCTEN DIE MOGEN WORDEN GEBRUIKT VOOR DE VERWERKING VAN BIOLOGISCH GEPRODUCEERDE INGREDIËNTEN VAN AGRARISCHE OORSPRONG

Noten:

A

:

toegestaan krachtens Verordening (EEG) nr. 2092/91 en overgedragen krachtens artikel 21, lid 2, van Verordening (EG) nr. 834/2007

B

:

toegestaan op grond van Verordening (EG) nr. 834/2007

Vergunning

Benaming

Bereiding van levensmiddelen van plantaardige oorsprong

Bereiding van levensmiddelen van dierlijke oorsprong

Bijzondere voorwaarden

A

Water

X

X

Drinkwater in de zin van Richtlijn 98/83/EG van de Raad

A

Calciumchloride

X

 

Coagulatiemiddel

A

Calciumcarbonaat

X

 

 

A

Calciumhydroxide

X

 

 

A

Calciumsulfaat

X

 

Coagulatiemiddel

A

Magnesiumchloride (of nigari)

X

 

Coagulatiemiddel

A

Kaliumcarbonaat

X

 

Drogen van druiven

A

Natriumcarbonaat

X

 

Suikerproductie

A

Melkzuur

 

X

Voor de regeling van de pH van het pekelbad bij de kaasbereiding (6)

A

Citroenzuur

X

X

Voor de regeling van de pH van het pekelbad bij de kaasbereiding (6)

Olieproductie en hydrolyse van zetmeel (7)

A

Natriumhydroxide

X

 

Suikerproductie Olieproductie uit koolzaad/raapzaad (Brassica spp.)

A

Zwavelzuur

X

X

Gelatineproductie (6)

Suikerproductie (7)

A

Zoutzuur

 

X

Gelatineproductie

Voor de regeling van de pH van het pekelbad bij de bereiding van Gouda, Edam, Maasdammer kaas, Boerenkaas, Friese en Leidse Nagelkaas

A

Ammoniumhydroxide

 

X

Gelatineproductie

A

Waterstofperoxide

 

X

Gelatineproductie

A

Koolstofdioxide

X

X

 

A

Stikstof

X

X

 

A

Ethanol

X

X

Oplosmiddel

A

Looizuur

X

 

Hulpstof bij filtreren

A

Eiwitalbumine

X

 

 

A

Caseïne

X

 

 

A

Gelatine

X

 

 

A

Isinglass

X

 

 

A

Plantaardige oliën

X

X

Plaatsmeermiddel, losmiddel of antischuimmiddel

A

Siliciumdioxydegel of colloïdale oplossing

X

 

 

A

Actieve kool

X

 

 

A

Talk

X

 

In overeenstemming met de bijzondere zuiverheidseisen voor het levensmiddelenadditief E 553b

A

Bentoniet

X

X

Klaringsmiddel voor honingwijn (6)

In overeenstemming met de bijzondere zuiverheidseisen voor het levensmiddelenadditief E 558

A

Kaolien

X

X

Propolis (6)

In overeenstemming met de bijzondere zuiverheidseisen voor het levensmiddelenadditief E 559

A

Cellulose

X

X

Gelatineproductie (6)

A

Diatomeeënaarde

X

X

Gelatineproductie (6)

A

Perliet

X

X

Gelatineproductie (6)

A

Hazelnootdoppen

X

 

 

A

Rijstmeel

X

 

 

A

Bijenwas

X

 

Losmiddel

A

Carnaubawas

X

 

Losmiddel


(1)  Dit additief mag uitsluitend worden gebruikt wanneer ten genoegen van de bevoegde autoriteit is aangetoond dat er geen technologisch alternatief is dat dezelfde garanties biedt en/of de specifieke kenmerken van het product handhaaft.

(2)  De beperking betreft alleen dierlijke producten.

(3)  „Dulce de leche” of „Confiture de lait” is is een zachte, rijke bruine crème die wordt bereid door het inkoken van gezoete melk.

(4)  In dit verband wordt onder „vruchtenwijn” verstaan wijn die is bereid uit andere vruchten dan druiven.

(5)  Maximumgehalte aan de stof uit alle bronnen, uitgedrukt als SO2 in mg/l.

(6)  De beperking betreft alleen dierlijke producten.

(7)  De beperking betreft alleen dierlijke producten.


BIJLAGE IX

Niet-biologisch geproduceerde ingrediënten van agrarische oorsprong als bedoeld in artikel 28

1.   ONVERWERKTE PLANTAARDIGE PRODUCTEN EN VIA PROCESSEN DAARVAN AFGELEIDE PRODUCTEN

1.1.   Eetbare vruchten, noten en zaden:

eikels

Quercus spp.

colanoten

Cola acuminata

kruisbessen

Ribes uva-crispa

maracuja's (passievruchten)

Passiflora edulis

frambozen (gedroogd)

Rubus idaeus

rode aalbessen (gedroogd)

Ribes rubrum

1.2.   Eetbare specerijen en kruiden:

Peruaanse peper

Schinus molle L.

mierikswortelzaad

Armoracia rusticana

Kleine galanga

Alpinia officinarum

saffloerbloemen

Carthamus tinctorius

waterkerskruid

Nasturtium officinale

1.3.   Varia:

algen, inclusief zeewier, die in de bereiding van niet-biologische levensmiddelen mogen worden gebruikt

2.   PLANTAARDIGE PRODUCTEN

2.1.   Oliën en vetten, al dan niet geraffineerd, doch niet chemish gemodificeerd, afgeleid van andere planten dan:

cacao

Theobroma cacao

kokosnoot

Cocos nucifera

olijven

Olea europaea

zonnebloem

Helianthus annuus

palm

Elaeis guineensis

kool- en raapzaad

Brassica napus, rapa

saffloer

Carthamus tinctorius

sesam

Sesamum indicum

soja

Glycine max

2.2.   De volgende suikers, zetmeel en andere producten op basis van granen en knollen:

fructose

rijstpapier

ouwel

zetmeel van rijst en kleefmaïs, niet chemisch gemodificeerd

2.3.   Varia:

eiwit uit erwten Pisum spp.

rum, uitsluitend bereid uit suikerrietsap

kirsch bereid op basis van vruchten en smaakstoffen als bedoeld in artikel 27, lid 1, onder c)

3.   DIERLIJKE PRODUCTEN

aquatische organismen, niet afkomstig van de aquacultuur, die in de bereiding van niet-biologische levensmiddelen mogen worden gebruikt

gelatine

weipoeder „herasuola”

darmen


BIJLAGE X

Soorten waarvoor, voor een aanzienlijk aantal rassen, overal in de Gemeenschap voldoende hoeveelheden biologisch zaaizaad of biologische pootaardappelen beschikbaar zijn, als bedoeld in artikel 45, lid 3

 


BIJLAGE XI

Communautair logo als bedoeld in artikel 57

A.   COMMUNAUTAIR LOGO

1.   Voorwaarden voor weergave en gebruik van het communautaire logo

1.1.

Het bovenbedoelde communautaire logo moet in overeenstemming zijn met de in deel B.2 van deze bijlage opgenomen modellen.

1.2.

De in het logo te vermelden aanduidingen zijn opgenomen in deel B.3 van deze bijlage. Het logo kan ook worden gecombineerd met de in de bijlage bij Verordening (EG) nr. 834/2007 van de Raad vermelde aanduiding.

1.3.

Voor het gebruik van het communautaire logo en de in deel B.3 van deze bijlage opgenomen aanduidingen moeten de technische reproductievoorschriften die in de grafische handleiding in deel B.4 van deze bijlage zijn vermeld, in acht worden genomen.

B.2.   Modellen

Español

Čeština

Dansk

Image

Image

Image

Deutsch

Deutsch

Eesti keel

Image

Image

Image

Eesti keel

Eλλαδα

English

Image

Image

Image

Français

Italiano

Latviešu valoda

Image

Image

Image

Lietuvių kalba

Magyar

Malti

Image

Image

Image

Nederlands

Polski

Português

Image

Image

Image

Slovenčina (slovenský jazyk)

Slovenščina (slovenski jezik)

Suomi

Image

Image

Image

Svenska

Български

Română

Image

Image

Image

Nederlands/Français

Suomi/Svenska

Français/Deutsch

Image

Image

Image

B.3.   In het communautaire logo in te voegen aanduidingen

B.3.1.   Eentalige aanduidingen:

BG: БИОЛОГИЧНО ЗЕМЕДЕЛИЕ

ES: AGRICULTURA ECOLÓGICA

CS: EKOLOGICKÉ ZEMĚDĚLSTVÍ

DA: ØKOLOGISK JORDBRUG

DE: BIOLOGISCHE LANDWIRTSCHAFT, ÖKOLOGISCHER LANDBAU

ET: MAHEPÕLLUMAJANDUS, ÖKOLOOGILINE PÕLLUMAJANDUS

EL: ΒΙΟΛΟΓΙΚΗ ΓΕΩΡΓΙΑ

EN: ORGANIC FARMING

FR: AGRICULTURE BIOLOGIQUE

IT: AGRICOLTURA BIOLOGICA

LV: BIOLOĞISKĀ LAUKSAIMNIECĪBA

LT: EKOLOGINIS ŽEMĖS ŪKIS

HU: ÖKOLÓGIAI GAZDÁLKODÁS

MT: AGRIKULTURA ORGANIKA

NL: BIOLOGISCHE LANDBOUW

PL: ROLNICTWO EKOLOGICZNE

PT: AGRICULTURA BIOLÓGICA

RO: AGRICULTURĂ ECOLOGICĂ

SK: EKOLOGICKÉ POĽNOHOSPODÁRSTVO

SL: EKOLOŠKO KMETIJSTVO

FI: LUONNONMUKAINEN MAATALOUSTUOTANTO

SV: EKOLOGISKT JORDBRUK

B.3.2.   Tweetalige aanduidingen:

Combinaties van twee aanduidingen in de onder B.3.1 genoemde talen zijn toegestaan volgens de onderstaande voorbeelden:

NL/FR: BIOLOGISCHE LANDBOUW — AGRICULTURE BIOLOGIQUE

FI/SV: LUONNONMUKAINEN MAATALOUSTUOTANTO — EKOLOGISKT JORDBRUK

FR/DE: AGRICULTURE BIOLOGIQUE — BIOLOGISCHE LANDWIRTSCHAFT

B.4.   Grafische handleiding

INHOUD

1.

Inleiding

2.

Gebruik van het logo

2.1.

Logo in kleur (kleurreferenties)

2.2.

Monochroom logo: zwart-witlogo

2.3.

Contrast met achtergrondkleuren

2.4.

Lettertype

2.5.

Taal

2.6.

Verkleining

2.7.

Bijzondere voorschriften voor het gebruik van het logo

3.

Originelen op bromidepapier

3.1.

Logo in twee kleuren

3.2.

Contouren

3.3.

Monochroom logo: zwart-witlogo

3.4.

Kleurstalen

1.   INLEIDING

Deze grafische handleiding is voor de marktdeelnemers een hulpmiddel bij de weergave van het logo.

2.   GEBRUIK VAN HET LOGO

2.1.   Logo in kleur (kleurreferenties)

Bij gebruik van het logo in kleur moet het worden weergegeven door rechtstreeks de juiste kleuren aan te brengen (Pantone) of door vierkleurendruk toe te passen. De kleurreferenties zijn hieronder aangegeven.

Logo in pantone

Image

Logo infour-colour process

Image

2.2.   Monochroom logo: zwart-witlogo

Het zwart-witlogo kan op de hieronder aangegeven manier worden gebruikt:

Image

2.3.   Contrast met fondkleuren

Als ervoor wordt gekozen een logo in kleur aan te brengen op een fondkleur die te weinig met de kleuren van het logo contrasteert, moet om dit beter tegen de fondkleur te laten afsteken, als volgt een randgebied rondom het logo worden aangebracht:

Logo op gekleurd fond

Image

2.4.   Lettertype

Voor de vermelding wordt Frutiger of Myriad bold condensed in hoofdletters gebruikt.

Het lettertype van de vermelding wordt verkleind als aangegeven in punt 2.6.

2.5.   Taal

Overeenkomstig de aanwijzingen in deel B.3 kunnen één of meer taalversies van de logo's worden gebruikt.

2.6.   Verkleining

Om het logo op verschillende soorten etiketten te kunnen aanbrengen, kan het nodig zijn het te verkleinen. Daarvoor gelden de volgende minimumafmetingen:

a)

Voor eentalige aanduidingen: min. 20 mm in diameter.

Image

b)

Voor tweetalige aanduidingen: min. 40 mm in diameter.

Image

2.7.   Bijzondere voorschriften voor het gebruik van het logo

Het logo wordt op producten aangebracht om deze een meerwaarde te geven. Daarom kan het logo het best in kleur worden afgedrukt, omdat het dan duidelijker overkomt en gemakkelijker en sneller door de consument wordt herkend.

Aangeraden wordt een monochroom (zwart-wit) logo, zoals aangegeven is in punt 2.2, alleen toe te passen indien weergave in kleur onpraktisch is.

3.   ORIGINELEN OP BROMIDEPAPIER

3.1.   Logo in twee kleuren

Eentalige aanduidingen

De voorbeelden van tweetalige aanduidingen in deel B.3.2

Image

Image

Image

Image

Image

Image

Image

Image

Image

Image

Image

De voorbeelden van tweetalige aanduidingen in deel B.3.2

Image

Image

Image

3.2.   Contouren

Image

3.3.   Monochroom logo: zwart-witlogo

Image

3.4.   Kleurstalen

PANTONE REFLEX BLUE

Image

PANTONE 367

Image


BIJLAGE XII

Model voor de krachtens artikel 29, lid 1, van Verordening (EG) nr. 834/2007 aan de marktdeelnemer te verstrekken bewijsstukken als bedoeld in artikel 68 van de onderhavige verordening

Krachtens artikel 29, lid 1, van Verordening (EG) nr. 834/2007 van de Raad aan de marktdeelnemer te verstrekken bewijsstukken

Documentnummer:

Naam en adres van de marktdeelnemer:

Voornaamste activiteit (producent, verwerker, importeur, enz.):

Naam, adres en codenummer van de controlerende autoriteit/het controleorgaan

Productcategorieën/Activiteit:

Planten en plantaardige producten:

Dierhouderij en dierlijke producten:

Verwerkte producten:

omschreven als:

biologische productie, omschakelingsproducten; ook niet-biologische productie in geval van gelijktijdige productie/verwerking op grond van artikel 11 van Verordening (EG) nr. 834/2007

Geldigheidsperiode:

Plantaardige producten van... tot ...

Dierlijke producten van... tot ...

Verwerkte producten van... tot ...

Datum van de controle(s):

Dit document is afgegeven op basis van artikel 29, lid 1, van Verordening (EG) nr. 834/2007 en Verordening (EG) nr. 889/2008. De marktdeelnemer onderwerpt zich aan controles en voldoet aan de in die verordeningen vastgestelde voorschriften.

Datum, plaats:

Handtekening namens de controlerende autoriteit die/het controleorgaan dat het bewijsstuk afgeeft:


BIJLAGE XIII

Model van de verkopersverklaring als bedoeld in artikel 69

Verkopersverklaring als bedoeld in artikel 9, lid 3, van Verordening (EG) nr. 834/2007 van de Raad

Naam en adres van de verkoper:

 

Identificatienummer (bijv. partij- of voorraadnummer)

Productbenaming:

Componenten

(Vermeld alle componenten die het product bevat/die het laatst in het productieproces zijn gebruikt.)

………………

………………

………………

………………

………………

Ik verklaar dat dit product noch „met”, noch „door” GGO’s is vervaardigd in de betekenis van deze termen zoals die worden gebruikt in de artikelen 2 en 9 van Verordening (EG) nr. 834/2007 van de Raad. In beschik niet over informatie waaruit zou blijken dat deze verklaring onjuist is.

Bijgevolg verklaar ik dat het hierboven genoemde product voldoet aan artikel 9 van Verordening (EG) nr. 834/2007, wat betreft het verbod op het gebruik van GGO's.

Ik verbind mij ertoe onze klant en zijn controleorgaan/controlerende autoriteit onmiddellijk te verwittigen indien deze verklaring wordt ingetrokken of gewijzigd, of indien informatie aan het licht komt die de juistheid van deze verklaring ondermijnt.

Ik geef toestemming aan het controleorgaan of de controlerende autoriteit, als gedefinieerd in artikel 2 van Verordening (EG) nr. 834/2007, dat/die toezicht houdt op onze klant, om de juistheid van deze verklaring te verifiëren en zo nodig monsters voor een analysetest te nemen. Ik stem tevens in met de eventuele overdracht van deze taak aan een onafhankelijke instantie die schriftelijk door het controleorgaan is aangewezen.

Ondergetekende aanvaardt de verantwoordelijkheid voor de juistheid van deze verklaring.

Land, plaats, datum, handtekening van de verkoper:

Bedrijfsstempel van de verkoper (in voorkomend geval):


BIJLAGE XIV

Concordantietabel als bedoeld in artikel 96

Verordening (EEG) nr. 2092/91

(1)

Verordening (EEG) nr. 207/93

(2)

Verordening (EG) nr. 223/2003

(3)

Verordening (EG) nr. 1452/2003

Deze verordening

 

Artikel 1

 

Artikel 2, onder a)

Artikel 4, lid 15

 

Artikel 2, onder b)

Bijlage III, C (eerste streepje)

 

Artikel 2, onder c)

Bijlage III, C (tweede streepje)

 

Artikel 2, onder d)

 

Artikel 2, onder e)

 

Artikel 2, onder f)

 

Artikel 2, onder g)

 

Artikel 2, onder h)

Artikel 4, lid 24

 

Artikel 2, onder i)

 

Artikel 3, lid 1

Bijlage I.B, 7.1 en 7.2

 

Artikel 3, lid 2

Bijlage I.B, 7.4

 

Artikel 3, lid 3

Bijlage I.A, 2.4

 

Artikel 3, lid 4

Bijlage I.A, 2.3

 

Artikel 3, lid 5

 

Artikel 4

Artikel 6, lid 1, bijlage IA, 3

 

Artikel 5

Bijlage I.A, 5

 

Artikel 6

Bijlage I.B en C (titels)

 

Artikel 7

Bijlage I.B, 3.1

 

Artikel 8, lid 1

Bijlage I.C, 3.1

 

Artikel 8, lid 2

Bijlage I.B, 3.4, 3.8, 3.9, 3.10, 3.11

 

Artikel 9, leden 1 tot en met 4

Bijlage I.C, 3.6

 

Artikel 9, lid 5

Bijlage I.B, 8.1.1

 

Artikel 10, lid 1

Bijlage I.B, 8.2.1

 

Artikel 10, lid 2

Bijlage I.B, 8.2.2

 

Artikel 10, lid 3

Bijlage I.B, 8.2.3

 

Artikel 10, lid 4

Bijlage I.B, 8.3.5

 

Artikel 1, lid 1

Bijlage I.B, 8.3.6

 

Artikel 1, lid 2

Bijlage I.B, 8.3.7

 

Artikel 11, lid 3

Bijlage I.B, 8.3.8

 

Artikel 11, leden 4 en 5

Bijlage I.B, 6.1.9, 8.4.1 tot en met 8.4.5

 

Artikel 12, leden 1 tot en met 4

Bijlage I.B, 6.1.9

 

Artikel 12, lid 5

Bijlage I.C, 4, 8.1 tot en met 8.5

 

Artikel 13

Bijlage I.B, 8.1.2

 

Artikel 14

Bijlage I.B, 7.1, 7.2

 

Artikel 15

Bijlage I.B, 1.2

 

Artikel 16

Bijlage I.B, 1.6

 

Artikel 17, lid 1

Bijlage I.B, 1.7

 

Artikel 17, lid 2

Bijlage I.B, 1.8

 

Artikel 17, lid 3

Bijlage I.B, 4.10

 

Artikel 17, lid 4

Bijlage I.B, 6.1.2

 

Artikel 18, lid 1

Bijlage I.B, 6.1.3

 

Artikel 18, lid 2

Bijlage I.C, 7.2

 

Artikel 18, lid 3

Bijlage I.B, 6.2.1

 

Artikel 18, lid 4

Bijlage I.B, 4.3

 

Artikel 19, lid 1

Bijlage I.C, 5.1, 5.2

 

Artikel 19, leden 2, 3 en 4

Bijlage I.B, 4.1, 4.5, 4.7 en 4.11

 

Artikel 20

Bijlage I.B, 4.4

 

Artikel 21

Artikel 7

 

Artikel 22

Bijlage I.B, 3.13, 5.4, 8.2.5 en 8.4.6

 

Artikel 23

Bijlage I.B, 5.3, 5.4, 5.7 en 5.8

 

Artikel 24

Bijlage I.C, 6

 

Artikel 25

Bijlage III, E.3 en B

 

Artikel 26

Artikel 5, lid 3, en bijlage VI, delen A en B

 

Artikel 27

Artikel 5, lid 3

 

Artikel 28

Artikel 5, lid 3

(1): Artikel 3

Artikel 29

Bijlage III, B.3

 

Artikel 30

Bijlage III.7

 

Artikel 31

Bijlage III, E.5

 

Artikel 32

Bijlage III.7bis

 

Artikel 33

Bijlage III, C.6

 

Artikel 34

Bijlage III.8 en A.2.5

 

Artikel 35

Bijlage I.A, 1.1 tot en met 1.4

 

Artikel 36

Bijlage I.B, 2.1.2

 

Artikel 37

Bijlage I.B, 2.1.1, 2.2.1,2.3 en bijlage I.C, 2.1, 2.3

 

Artikel 38

Bijlage I.B, 6.1.6

 

Artikel 39

Bijlage III, A1.3 en b

 

Artikel 40

Bijlage I.C, 1.3

 

Artikel 41

Bijlage I.B, 3.4(eerste streepje en 3.6(b))

 

Artikel 42

Bijlage I.B, 4.8

 

Artikel 43

Bijlage I.C, 8.3

 

Artikel 44

Artikel 6, lid 3

 

Artikel 45

 

(3): Artikel 1, leden 1 en 2

Artikel 45, leden 1 en 2

 

(3): Artikel 3, onder a)

Artikel 45, lid 1

 

(3): Artikel 4

Artikel 45, lid 3

 

(3): Artikel 5, lid 1

Artikel 45, lid 4

 

(3): Artikel 5, lid 2

Artikel 45, lid 5

 

(3): Artikel 5, lid 3

Artikel 45, lid 6

 

(3): Artikel 5, lid 4

Artikel 45, lid 7

 

(3): Artikel 5, lid 5

Artikel 45, lid 8

Bijlage I.B, 8.3.4

 

Artikel 46

Bijlage I.B, 3.6(a)

 

Artikel 47, lid 1

Bijlage I.B, 4.9

 

Artikel 47, lid 2

Bijlage I.C, 3.5

 

Artikel 47, lid 3

 

(3): Artikel 6

Artikel 48

 

(3): Artikel 7

Artikel 49

 

(3): Artikel 8, lid 1

Artikel 50, lid 1

 

(3): Artikel 8, lid 2

Artikel 50, lid 2

 

(3): Artikel 9, lid 1

Artikel 51, lid 1

 

(3): Artikel 9, leden 2 en 3

Artikel 51, lid 2

 

 

Artikel 51, lid 3

 

(3): Artikel 10

Artikel 52

 

(3): Artikel 11

Artikel 53

 

(3): Artikel 12, lid 1

Artikel 54, lid 1

 

(3): Artikel 12, lid 2

Artikel 54, lid 2

 

(3): Artikel 13

Artikel 55

 

(3): Artikel 14

Artikel 56

 

 

Artikel 57

 

 

Artikel 58

 

(2): Artikel 1 en artikel 5

Artikel 59

 

(2): Artikel 5 en artikel 3

Artikel 60

 

(2): Artikel 4

Artikel 61

Artikel 5, lid 5

 

Artikel 62

Bijlage III.3

 

Artikel 63

Bijlage III.4

 

Artikel 64

Bijlage III.5

 

Artikel 65

Bijlage III.6

 

Artikel 66

Bijlage III.10

 

Artikel 67

 

Artikel 68

 

Artikel 69

Bijlage III, A.1.

 

Artikel 70

Bijlage III, A.1.2

 

Artikel 71

 

Artikel 72

Bijlage III, A.1.3

 

Artikel 73

Bijlage III, A.2.1

 

Artikel 74

Bijlage III, A.2.2

 

Artikel 75

Bijlage III, A.2.3

 

Artikel 76

Bijlage I.B, 5.6

 

Artikel 77

Bijlage I.C, 5.5,6.7,7.7,7.8

 

Artikel 78

Bijlage III, A.2.4

 

Artikel 79

Bijlage III, B.1

 

Artikel 80

Bijlage III, C

 

Artikel 81

Bijlage III, C.1

 

Artikel 82

Bijlage III, C.2

 

Artikel 83

Bijlage III, C.3

 

Artikel 84

Bijlage III, C.5

 

Artikel 85

Bijlage III, D

 

Artikel 86

Bijlage III, E

 

Artikel 87

Bijlage III, E.1

 

Artikel 88

Bijlage III, E.2

 

Artikel 89

Bijlage III, E.4

 

Artikel 90

Bijlage III, 9

 

Artikel 91

Bijlage III, 11

 

Artikel 92

 

 

Artikel 93

 

Artikel 94

Bijlage I.B, 6.1.5

 

Artikel 95, lid 1

Bijlage I.B, 8.5.1

 

Artikel 95, lid 2

 

Artikel 95, leden 3 tot en met 8

 

Artikel 95

 

Artikel 96

 

Artikel 97

Bijlage II, deel A

 

Bijlage I

Bijlage II, deel B

 

Bijlage II

Bijlage VIII

 

Bijlage III

Bijlage VII

 

Bijlage IV

Bijlage II, deel C

 

Bijlage V

Bijlage II, deel D

 

Bijlage VI

Bijlage II, deel E

 

Bijlage VII

Bijlage VI, delen A en B

 

Bijlage VIII

Bijlage VI, deel C

 

Bijlage IX

 

Bijlage X

 

Bijlage XI

 

Bijlage XIII

 

Bijlage IX


Top