Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32008R0479

Verordening (EG) nr. 479/2008 van de Raad van 29 april 2008 houdende een gemeenschappelijke ordening van de wijnmarkt, tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 1493/1999, (EG) nr. 1782/2003, (EG) nr. 1290/2005, (EG) nr. 3/2008 en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 2392/86 en (EG) nr. 1493/1999

OJ L 148, 6.6.2008, p. 1–61 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

No longer in force, Date of end of validity: 31/07/2009; opgeheven door 32009R0491

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2008/479/oj

6.6.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 148/1


VERORDENING (EG) Nr. 479/2008 VAN DE RAAD

van 29 april 2008

houdende een gemeenschappelijke ordening van de wijnmarkt, tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 1493/1999, (EG) nr. 1782/2003, (EG) nr. 1290/2005, (EG) nr. 3/2008 en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 2392/86 en (EG) nr. 1493/1999

INHOUD

TITEL I

INLEIDENDE BEPALINGEN

TITEL II

STEUNMAATREGELEN

Hoofdstuk I

Steunprogramma’s

Afdeling 1

Inleidende bepalingen

Afdeling 2

Indiening en inhoud van de steunprogramma’s

Afdeling 3

Specifieke steunmaatregelen

Afdeling 4

Algemene bepalingen

Hoofdstuk II

Financiële overdrachten

TITEL III

REGELGEVINGSMAATREGELEN

Hoofdstuk I

Algemene voorschriften

Hoofdstuk II

Oenologische procedés en beperkingen

Hoofdstuk III

Oorsprongsbenamingen, geografische aanduidingen en traditionele aanduidingen

Hoofdstuk IV

Oorsprongsbenamingen en geografische aanduidingen

Afdeling 1

Definities

Afdeling 2

Beschermingsaanvraag

Afdeling 3

Procedure ter verlening van bescherming

Afdeling 4

Specifieke gevallen

Afdeling 5

Bescherming en controle

Afdeling 6

Algemene bepalingen

Hoofdstuk V

Traditionele aanduidingen

Hoofdstuk VI

Etikettering en presentatie

Hoofdstuk VII

Producentenorganisaties en brancheorganisaties

TITEL IV

HANDEL MET DERDE LANDEN

Hoofdstuk I

Gemeenschappelijke bepalingen

Hoofdstuk II

Invoer- en uitvoercertificaten

Hoofdstuk III

Vrijwaringsmaatregelen en maatregelen inzake actieve en passieve veredeling

Hoofdstuk IV

Invoervoorschriften

TITEL V

PRODUCTIEPOTENTIEEL

Hoofdstuk I

Onrechtmatige aanplant

Hoofdstuk II

Overgangsregeling inzake aanplantrechten

Hoofdstuk III

Rooiregeling

TITEL VI

ALGEMENE BEPALINGEN

TITEL VII

WIJZIGINGEN EN OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

Hoofdstuk I

Wijzigingen

Hoofdstuk II

Overgangs- en slotbepalingen

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op de artikelen 36 en 37,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van het Europees Parlement (1),

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De communautaire regeling voor de wijnsector is vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1493/1999 van de Raad van 17 mei 1999 houdende een gemeenschappelijke ordening van de wijnmarkt (3) en de desbetreffende uitvoeringsverordeningen.

(2)

Het wijnverbruik in de Gemeenschap is voortdurend gedaald en de uitvoer van wijn uit de Gemeenschap is sinds 1996 in een veel trager tempo gestegen dan de invoer. Dit heeft tot een toenemend gebrek aan evenwicht tussen vraag en aanbod geleid, waardoor de prijzen en de inkomens van de producenten onder druk zijn komen te staan.

(3)

Niet alle instrumenten die momenteel in Verordening (EG) nr. 1493/1999 zijn opgenomen, zijn doeltreffend gebleken om in de sector een concurrentiegerichte en duurzame ontwikkeling op gang te brengen. De marktmechanismemaatregelen, zijn vaak middelmatig in kostenefficiëntie gebleken in de zin dat zij tot structurele overschotten hebben aangezet zonder dat structurele verbeteringen werden opgelegd. Voorts hebben sommige van de bestaande voorschriften de activiteiten van concurrerende producenten al te zeer belemmerd.

(4)

Het lijkt dus niet mogelijk om binnen het huidige rechtskader de doelstellingen van artikel 33 van het Verdrag, en met name de stabilisering van de wijnmarkt en het verzekeren van een redelijke levensstandaard aan de betrokken landbouwbevolking, op duurzame wijze te bereiken.

(5)

In het licht van de opgedane ervaring is het daarom dienstig de communautaire regeling voor de wijnsector ingrijpend te wijzigen om de volgende doelstellingen te bereiken: versterking van het concurrentievermogen van de wijnproducenten van de Gemeenschap; versterking van de reputatie van kwaliteitswijn uit de Gemeenschap als de beste ter wereld; herovering van oude markten en verovering van nieuwe markten in de Gemeenschap en de rest van de wereld; instelling van een wijnregeling die aan de hand van duidelijke, eenvoudige en doeltreffende regels vraag en aanbod met elkaar in evenwicht brengt; instelling van een wijnregeling die de beste tradities van de wijnproductie in de Gemeenschap in stand houdt, het sociale weefsel in vele plattelandsgebieden versterkt en borg staat voor een milieuvriendelijke productie. Daarom dient Verordening (EG) nr. 1493/1999 te worden ingetrokken en door deze verordening te worden vervangen.

(6)

In de aanloop naar deze verordening vonden evaluaties en raadplegingen plaats met de bedoeling de behoeften van de wijnsector nauwkeuriger te kunnen bepalen en er beter aan te kunnen beantwoorden. Er werd opdracht gegeven een extern evaluatieverslag op te stellen, dat in november 2004 is gepubliceerd. Om de belanghebbenden de gelegenheid te geven hun standpunten naar voren te brengen, heeft de Commissie op 16 februari 2006 een seminar georganiseerd. Op 22 juni 2006 werd een mededeling van de Commissie met als titel „Naar een duurzame Europese wijnsector” gepubliceerd, samen met een effectbeoordeling waarin een aantal opties voor de hervorming van de sector werd beschreven.

(7)

Van juli tot en met november 2006 vonden besprekingen plaats op het niveau van de Raad. In december 2006 hebben het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s verslagen goedgekeurd over de in de mededeling van de Commissie voorgestelde opties voor de hervorming van de wijnsector. Op 15 februari 2007 heeft het Europees Parlement zijn initiatiefverslag over de mededeling goedgekeurd, en met de conclusies daarvan is in deze verordening rekening gehouden.

(8)

De voorschriften voor de wijnsector zouden uiteindelijk ook moeten worden opgenomen in Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten (integrale GMO-verordening) (4). De integrale GMO-verordening bevat horizontale bepalingen, met name over handel met derde landen, mededingingsvoorschriften, controle- en sanctiebepalingen en regels inzake uitwisseling van informatie tussen de Commissie en de lidstaten. Met het oog op een vlotte opname in de integrale GMO-verordening moeten de in deze verordening vastgestelde horizontale bepalingen zo goed mogelijk worden afgestemd op die in de integrale GMO-verordening.

(9)

Het is van belang te zorgen voor steunmaatregelen die erop gericht zijn de concurrentiestructuren te versterken. Hoewel deze maatregelen door de Gemeenschap moeten worden gefinancierd en vastgesteld, moet het aan de lidstaten worden overgelaten om een passend geheel aan maatregelen te kiezen om te voorzien in de behoeften van hun regionale groeperingen, met inachtneming van hun regionale bijzonderheden, en om deze maatregelen in de nationale steunprogramma’s te integreren. De lidstaten moeten verantwoordelijk worden gesteld voor de uitvoering van dergelijke programma’s.

(10)

De verdeling van de financiële middelen voor de nationale steunprogramma’s over de lidstaten moet in de eerste plaats gerelateerd zijn aan het historische aandeel van het wijnsectorbudget, en vervolgens aan de met wijnstokken beplante oppervlakte en de historische productie. Deze verdeling moet evenwel worden aangepast in situaties waarin het gebruik van het historisch aandeel van het wijnsectorbudget als voornaamste criterium zou leiden tot een onbillijke verdeling van de financiële middelen.

(11)

Een belangrijke maatregel die in aanmerking komt voor nationale steunprogramma’s, moet de afzetbevordering en de marketing van wijnen uit de Gemeenschap in derde landen zijn. Herstructurerings- en omschakelingsactiviteiten moeten verder worden gefinancierd op grond van hun positieve structurele effecten op de wijnsector. Er moet ook steun beschikbaar zijn voor investeringen in de wijnsector die erop gericht zijn de economische prestatie van de ondernemingen als zodanig te verbeteren. Steun voor de distillatie van bijproducten moet een maatregel zijn die ter beschikking staat van de lidstaten die dit instrument willen gebruiken om de kwaliteit van de wijn te waarborgen en tegelijkertijd het milieu in stand willen houden.

(12)

Preventie-instrumenten zoals de oogstverzekering, onderlinge fondsen en groen oogsten, moeten ter bevordering van een verantwoordelijke aanpak van crisissituaties in aanmerking komen voor steun in het kader van de steunprogramma’s.

(13)

Het is gerechtvaardigd om voor een overgangsperiode bepaalde traditionele maatregelen te behouden, teneinde de anders zeer plotselinge beëindiging van de gebruikelijke, tot dan toe uit communautaire middelen gefinancierde marktmaatregelen te verzachten. De bedoelde maatregelen zijn steun voor de distillatie tot drinkalcohol, steun voor crisisdistillatie en steun voor het gebruik van geconcentreerde druivenmost.

(14)

Ten slotte kunnen de lidstaten er om uiteenlopende redenen de voorkeur aan geven landbouwers niet-productiegebonden steun in het kader van de bedrijfstoeslagregeling te verlenen. Die mogelijkheid moet derhalve voor de lidstaten open staan, en gezien de bijzondere kenmerken van de bedrijfstoeslagregeling moet iedere overdracht van dien aard onomkeerbaar zijn en gepaard gaan met een dienovereenkomstige verlaging van de begroting die in de daaropvolgende jaren voor de nationale steunprogramma's beschikbaar is.

(15)

De financiering van de subsidiabele maatregelen door de Gemeenschap moet, voor zover mogelijk, worden gekoppeld aan de naleving door de betrokken producenten van bepaalde geldende milieuvoorschriften. Als inbreuken worden vastgesteld, moeten de betalingen dienovereenkomstig worden verlaagd.

(16)

Voorts moet aan de wijnsector steun worden verleend via de structuurmaatregelen in het kader van Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad van 20 september 2005 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO) (5).

(17)

De volgende maatregelen in het kader van Verordening (EG) nr. 1698/2005 kunnen voor de wijnsector interessant zijn: vestiging van jonge landbouwers, investeringen in technische voorzieningen en verbetering van de afzet, beroepsopleiding, voorlichtings- en afzetbevorderingssteun voor producentenorganisaties die tot een kwaliteitsregeling zijn toegetreden, agromilieusteun, vervroegde uittreding voor landbouwers die besluiten om definitief met alle commerciële landbouw te stoppen met het oog op overdracht van het bedrijf aan andere landbouwers.

(18)

Ter verhoging van de financiële middelen die in het kader van Verordening (EG) nr. 1698/2005 ter beschikking worden gesteld, moeten geleidelijk middelen worden overgeboekt naar het budget dat voor die verordening is uitgetrokken wanneer de betrokken bedragen hoog genoeg zijn.

(19)

In de wijnsector moeten bepaalde voorschriften gelden, vooral omwille van gezondheids- en kwaliteitsoverwegingen en de verwachtingen van de consument.

(20)

Lidstaten die meer dan 50 000 hectoliter per jaar produceren, moeten verantwoordelijk blijven voor de indeling van de wijndruivenrassen waaruit op hun grondgebied wijn mag worden gemaakt. Sommige wijndruivenrassen moeten worden uitgesloten.

(21)

Bepaalde onder deze verordening vallende producten moeten in de Gemeenschap in de handel worden gebracht overeenkomstig een specifieke indeling van de wijnbouwproducten in categorieën en de overeenkomstige specificaties.

(22)

De onder deze verordening vallende producten moeten worden vervaardigd overeenkomstig oenologische procedés en beperkingen die garanderen dat wordt voldaan aan de gezondheidsvereisten en aan de verwachtingen van de consument met betrekking tot kwaliteit en productiemethoden. Omwille van de flexibiliteit moeten de actualisering van deze praktijken en de goedkeuring van nieuwe praktijken worden geregeld op het niveau van de uitvoeringsvoorschriften, behalve op politiek gevoelige gebieden als verrijking en aanzuring, waarvoor de Raad zijn bevoegdheid tot wijziging van de desbetreffende bepalingen moet behouden.

(23)

Het alcoholgehalte van de wijn mag slechts worden verhoogd binnen bepaalde grenzen, en alleen door aan de wijn geconcentreerde druivenmost of gerectificeerde geconcentreerde druivenmost toe te voegen, dan wel sacharose in gevallen waarin dat is toegestaan. De grenzen voor toegestane verrijkingsverhogingen moeten strenger worden dan tot nu toe het geval was.

(24)

Gezien de slechte kwaliteit van wijn die door te intense persing van de druiven wordt verkregen, moet deze praktijk worden verboden.

(25)

Om te voldoen aan de internationale normen op dit gebied dient de Commissie zich in de regel te baseren op de oenologische procedés die zijn aanbevolen door de Internationale Organisatie voor wijnbouw en wijnbereiding (OIV).

(26)

Het versnijden van wijn van oorsprong uit een derde land met een wijn uit de Gemeenschap en het versnijden van wijnen van oorsprong uit derde landen moeten in de Gemeenschap verboden blijven. Evenmin mogen sommige soorten druivenmost, druivensap en verse druiven van oorsprong uit derde landen op het grondgebied van de Gemeenschap tot wijn worden verwerkt of aan wijn worden toegevoegd.

(27)

Het concept van kwaliteitswijn in de Gemeenschap is onder meer gebaseerd op de specifieke kenmerken die zijn toe te schrijven aan de geografische oorsprong van de wijn. Dergelijke wijn wordt ten behoeve van de consumenten geïdentificeerd met beschermde oorsprongsbenamingen en geografische aanduidingen, waarbij moet worden opgemerkt dat de huidige regeling op dit punt nog niet volledig is. Om de kwaliteitsaanspraken voor de betrokken producten te onderbouwen met een transparant en beter uitgewerkt kader, dient een regeling te worden vastgesteld in het raam waarvan aanvragen voor een oorsprongsbenaming of een geografische aanduiding op dezelfde wijze worden onderzocht als bij het horizontale kwaliteitsbeleid van de Gemeenschap voor andere levensmiddelen dan wijn en gedistilleerde dranken, dat is vastgelegd in Verordening (EG) nr. 510/2006 van de Raad van 20 maart 2006 inzake de bescherming van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwproducten en levensmiddelen (6).

(28)

Om de specifieke kwaliteitskenmerken van wijn met een oorsprongsbenaming of een geografische aanduiding te handhaven, moet het de lidstaten worden toegestaan op dit gebied stringentere regels toe te passen.

(29)

Om in de Gemeenschap beschermd te kunnen worden, moeten oorsprongsbenamingen en geografische aanduidingen op communautair niveau worden erkend en geregistreerd. Om te garanderen dat de betrokken namen aan de voorwaarden van deze verordening voldoen, is het zaak dat de nationale autoriteiten van de betrokken lidstaat de aanvragen onderzoeken, voor zover aan gemeenschappelijke minimumbepalingen, waaronder een nationale bezwaarprocedure, wordt voldaan. De Commissie moet daarna deze beslissingen verifiëren om te waarborgen dat de aanvragen aan de voorwaarden van deze verordening voldoen en de lidstaten er een uniforme benadering toepassen.

(30)

Oorsprongsbenamingen en geografische aanduidingen van derde landen dienen ook voor bescherming in aanmerking te komen, op voorwaarde dat deze namen in het land van oorsprong beschermd zijn.

(31)

De registratieprocedure moet iedere natuurlijke of rechtspersoon met een rechtmatig belang in een lidstaat of een derde land de gelegenheid bieden zijn rechten te doen gelden door bezwaar aan te tekenen.

(32)

Geregistreerde oorsprongsbenamingen en geografische aanduidingen moeten worden beschermd tegen elk gebruik waarbij onterecht wordt geprofiteerd van de reputatie die verbonden is aan producten die aan de eisen voldoen. Om eerlijke concurrentie te bevorderen en de consument niet te misleiden, moet deze bescherming ook gelden voor niet onder deze verordening vallende producten en diensten, met inbegrip van die welke niet in bijlage I bij het Verdrag zijn opgenomen.

(33)

Er moeten procedures worden vastgesteld die het mogelijk maken het productdossier van reeds beschermde oorsprongsbenamingen en geografische aanduidingen te wijzigen en deze benamingen of aanduidingen te schrappen, met name wanneer de naleving van het betrokken productdossier niet langer gegarandeerd is.

(34)

De op het grondgebied van de Gemeenschap beschermde oorsprongsbenamingen en geografische aanduidingen moeten worden gecontroleerd, indien mogelijk overeenkomstig Verordening (EG) nr. 882/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake officiële controles op de naleving van de wetgeving inzake diervoeders en levensmiddelen en de voorschriften inzake diergezondheid en dierenwelzijn (7), en dit controlesysteem moet onder meer voorzien in controles om te waarborgen dat het productdossier voor de wijn in kwestie wordt nageleefd.

(35)

De lidstaten moeten leges kunnen heffen om de gemaakte kosten te dekken, met inbegrip van de kosten voor de behandeling van beschermingsaanvragen, bezwaarschriften, wijzigingsaanvragen en verzoeken tot intrekking uit hoofde van deze verordening.

(36)

Met het oog op de rechtszekerheid moet worden bepaald dat de nieuwe onderzoeksprocedure niet hoeft te worden toegepast op reeds bestaande communautaire oorsprongsbenamingen en geografische aanduidingen. De betrokken lidstaten moeten de Commissie evenwel de basisgegevens en -besluiten verstrekken op grond waarvan die benamingen en aanduidingen op nationaal niveau zijn erkend, anders verliezen deze de bescherming als oorsprongsbenaming of geografische aanduiding. Het schrappen van reeds bestaande oorsprongsbenamingen en geografische aanduidingen moet met het oog op de rechtszekerheid worden beperkt.

(37)

Het kwaliteitsbeleid wordt in een aantal lidstaten op nationaal niveau geregeld overeenkomstig nationale bepalingen en gebruiken. Die bepalingen en gebruiken mogen gehandhaafd blijven.

(38)

Bepaalde aanduidingen die in de Gemeenschap traditioneel worden gebruikt, verstrekken de consument informatie over bijzondere kenmerken en de kwaliteit van wijnen die een aanvulling vormt op de informatie die in de oorsprongsbenamingen en de geografische aanduidingen besloten ligt. Teneinde de werking van de interne markt en de eerlijke concurrentie te garanderen en te voorkomen dat consumenten worden misleid, dienen deze traditionele aanduidingen in aanmerking te komen voor bescherming in de Gemeenschap.

(39)

De omschrijving, de aanduiding en de aanbiedingsvorm van de onder deze verordening vallende producten kunnen belangrijke gevolgen hebben voor de verkoopbaarheid van deze producten op de markt. Verschillen tussen de nationale wettelijke bepalingen over de etikettering van wijnproducten kunnen de goede werking van de interne markt belemmeren.

(40)

Bijgevolg moeten regels worden vastgesteld waarin de rechtmatige belangen van de consumenten en de producenten in aanmerking worden genomen. Daarom is het passend te werken met communautaire etiketteringsvoorschriften.

(41)

Deze voorschriften moeten het gebruik van sommige begrippen verplicht stellen teneinde het product overeenkomstig de verkoopscategorieën te identificeren en de consumenten bepaalde belangrijke informatie te verstrekken. Het gebruik van sommige andere, facultatieve gegevens moet ook op communautair niveau worden geregeld.

(42)

Tenzij anders wordt bepaald, moeten de voorschriften inzake etikettering in de wijnsector een aanvulling vormen op de horizontaal geldende bepalingen in Richtlijn 2000/13/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 maart 2000 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake etikettering en presentatie van levensmiddelen alsmede inzake de daarvoor gemaakte reclame (8). De ervaring heeft geleerd dat een differentiëring van de etiketteringsvoorschriften naargelang van de categorie waartoe het wijnproduct behoort, vaak niet doeltreffend is. De voorschriften dienen derhalve in beginsel voor al de verschillende wijncategorieën te gelden, met inbegrip van de ingevoerde producten. Met name moeten zij het mogelijk maken dat op wijn zonder oorsprongsbenaming of geografische aanduiding de wijndruivenrassen en het oogstjaar worden vermeld, waarbij echter de eisen en uitzonderingsbepalingen inzake de waarheidsgetrouwheid van de etikettering en het desbetreffende toezicht alsook het risico van verwarring bij de consument in aanmerking dienen te worden genomen.

(43)

Bestaande en nieuw op te richten producentenorganisaties kunnen nog steeds bijdragen tot het vervullen van de behoeften van de wijnsector zoals die op communautair niveau zijn omschreven. Hun nut moet liggen in de werkingssfeer en de efficiëntie van de diensten die zij aan hun leden aanbieden. Hetzelfde geldt voor brancheorganisaties. Daarom dienen de lidstaten de organisaties te erkennen die aan bepaalde op communautair niveau vastgestelde eisen voldoen.

(44)

Om de werking van de markt voor wijn te verbeteren, moeten de lidstaten in staat zijn besluiten van brancheorganisaties uit te voeren. Die besluiten mogen evenwel geen betrekking hebben op praktijken die de concurrentie kunnen verstoren.

(45)

Als gevolg van de eenmaking van de communautaire markt moet een regeling worden ingevoerd om het handelsverkeer aan de buitengrenzen van de Gemeenschap te regelen. Deze regeling moet onder meer betrekking hebben op de toepassing van invoerrechten en dient in beginsel de communautaire markt te stabiliseren. Bij deze regeling moet worden uitgegaan van de internationale verplichtingen van de Gemeenschap, met name in het kader van de overeenkomsten van de Wereldhandelsorganisatie (WTO).

(46)

Het toezicht op de handelsstromen is bovenal een beheerskwestie, die op flexibele wijze moet worden aangepakt. Bijgevolg moet de Commissie bij het nemen van een besluit om certificaatverplichtingen op te leggen, nagaan of invoer- en uitvoercertificaten noodzakelijk zijn voor het beheer van de betrokken markten en, met name, voor het toezicht op de invoer van de betrokken producten. De algemene voorwaarden met betrekking tot deze certificaten moeten evenwel in deze verordening worden vastgesteld.

(47)

Als invoer- en uitvoercertificaten worden opgelegd, moet het stellen van een zekerheid verplicht zijn om te garanderen dat de transacties waarvoor die certificaten worden afgegeven, werkelijk worden uitgevoerd.

(48)

Het stelsel van invoerrechten maakt het mogelijk af te zien van iedere andere beschermende maatregel aan de buitengrenzen van de Gemeenschap. In uitzonderlijke omstandigheden kunnen de interne markt en het stelsel van rechten echter tekortschieten. Om de communautaire markt in dergelijke gevallen niet zonder bescherming te laten tegen eventuele verstoringen, moet de Gemeenschap in staat worden gesteld onverwijld alle vereiste maatregelen te nemen. Die maatregelen moeten in overeenstemming zijn met de internationale verplichtingen van de Gemeenschap.

(49)

Om eventuele nadelen voor de communautaire markt als gevolg van met name de invoer van druivensap en druivenmost te voorkomen of te beperken, moet in bepaalde situaties bij invoer van die producten een aanvullend recht worden geheven.

(50)

Om de goede werking van de wijnmarkt te waarborgen en met name marktverstoringen te voorkomen, moet het mogelijk worden gemaakt de toepassing van de regeling actieve of passieve veredeling te verbieden. Dit soort instrumenten voor marktbeheer is doorgaans enkel succesvol als het zonder al te veel vertraging wordt ingezet. Bijgevolg moet de Commissie de daartoe vereiste bevoegdheden krijgen.

(51)

Uit derde landen ingevoerde producten moeten voldoen aan de communautaire regels inzake productcategorieën, etikettering en oorsprongsbenamingen en geografische aanduidingen. Zij moeten vergezeld gaan van een analyseverslag.

(52)

Onder bepaalde voorwaarden dient aan de Commissie de bevoegdheid te worden verleend om tariefcontingenten te openen en te beheren die voortvloeien uit overeenkomstig het Verdrag gesloten internationale overeenkomsten of uit andere besluiten van de Raad.

(53)

In de Gemeenschap wordt steeds meer overtollige wijn geproduceerd als gevolg van inbreuken op het voorlopige verbod op nieuwe aanplant. De talrijke onrechtmatig aangeplante oppervlakten in de Gemeenschap leiden tot oneerlijke concurrentie en verscherpen de problemen van de wijnsector.

(54)

Wat de onrechtmatig aangeplante oppervlakten betreft, moet met betrekking tot de verplichtingen van de producenten een onderscheid worden gemaakt tussen de oppervlakten die vóór en die ná 31 augustus 1998 zijn aangeplant. Voor oppervlakten die vóór 1 september 1998 onrechtmatig werden aangeplant, moet een laatste mogelijkheid tot regularisatie worden geboden onder de voorwaarden van artikel 2, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1493/1999. De overeenkomstige bepalingen van deze verordening moeten derhalve met terugwerkende kracht van toepassing zijn.

(55)

Tot dusver gold voor oppervlakten die vóór 1 september 1998 onrechtmatig werden aangeplant, geen rooiverplichting. De betrokken producenten moeten worden verplicht die oppervlakten te regulariseren tegen betaling van een vergoeding. Dergelijke oppervlakten die niet voor 31 december 2009 zijn geregulariseerd, moeten door de producenten op eigen kosten worden gerooid. Als deze rooiverplichting niet wordt nageleefd, moeten dwangsommen worden opgelegd.

(56)

De oppervlakten die na 31 augustus 1998 in strijd met het betrokken verbod zijn aangeplant, moeten worden gerooid, aangezien dit de sanctie is waarin is voorzien bij Verordening (EG) nr. 1493/1999. Als deze rooiverplichting niet wordt nageleefd, moeten dwangsommen worden opgelegd.

(57)

In afwachting van de uitvoering van de maatregelen inzake regularisering en rooiing mag wijn van oppervlakten die in strijd met het verbod zijn aangeplant en niet overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1493/1999 zijn geregulariseerd, niet op de markt worden gebracht tenzij voor distillatie op kosten van de betrokken producent. Door de producenten te verplichten distillatiecontracten voor te leggen, moet het mogelijk worden een beter toezicht op dit voorschrift uit te oefenen dan tot dusver het geval was.

(58)

Het voorlopige verbod op nieuwe aanplant heeft weliswaar enig effect gesorteerd op het evenwicht tussen vraag en aanbod op de wijnmarkt, maar tegelijk vormt het een obstakel voor competitieve producenten die flexibel willen inspelen op de toegenomen vraag.

(59)

Aangezien er nog geen marktevenwicht is bereikt en het enige tijd zal duren voordat de begeleidende maatregelen, waaronder de rooiregeling, resultaten opleveren, moet het verbod op nieuwe aanplant worden gehandhaafd tot en met 31 december 2015, met dien verstande dat het dan definitief moet worden opgeheven om competitieve producenten in staat te stellen vrij op de marktsituatie in te spelen. De lidstaten moeten echter de mogelijkheid krijgen het verbod voor hun grondgebied te verlengen tot en met 31 december 2018 indien zij zulks nodig achten.

(60)

De bestaande toelating voor nieuwe aanplant met het oog op het kweken van entstokken, ruilverkaveling, onteigening of wijnbouwexperimenten blijkt de wijnmarkt niet ernstig te hebben verstoord en moet derhalve worden gehandhaafd, mits de nodige controles worden verricht.

(61)

Er moeten verder herbeplantingsrechten worden toegekend aan producenten die zich ertoe verbinden equivalente met wijnstokken beplante oppervlakten te rooien, aangezien het netto-effect van die aanplant op de productie doorgaans nihil is.

(62)

Voorts moeten de lidstaten de mogelijkheid krijgen om toestemming te verlenen voor de overdracht van herbeplantingsrechten aan een ander bedrijf, mits strenge controles worden verricht en deze overdracht past in het kwaliteitsbeleid, betrekking heeft op oppervlakten die bestemd zijn voor het kweken van entstokken of gekoppeld is aan de overdracht van een deel van het bedrijf. Deze overdrachten dienen plaats te vinden binnen een en dezelfde lidstaat.

(63)

Om het beheer van het wijnbouwpotentieel te verbeteren, een efficiënt gebruik van de aanplantrechten te bevorderen en zodoende de gevolgen van de voorlopige aanplantbeperking te verzachten, moet de regeling van nationale of regionale reserves worden gehandhaafd.

(64)

Mits de nodige controles worden verricht, moeten de lidstaten over een ruime beslissingsbevoegdheid inzake het beheer van de reserves blijven beschikken om het gebruik van de aanplantrechten uit de reserve beter op de plaatselijke behoeften te kunnen afstemmen. Dit houdt ook de mogelijkheid in om aanplantrechten aan te kopen voor de bevoorrading van de reserve, en om aanplantrechten uit de reserves te verkopen. Daartoe moet de lidstaten verder de vrijheid worden gelaten het reservesysteem niet toe te passen, mits zij kunnen aantonen dat zij reeds beschikken over een doeltreffend systeem voor het beheer van de aanplantrechten.

(65)

Aangezien de toekenning van specifieke voordelen aan jonge wijnproducenten niet alleen hun vestiging, maar ook de structurele aanpassing van hun bedrijf na hun eerste vestiging kan vergemakkelijken, moeten deze producenten in aanmerking komen voor gratis rechten uit de reserve.

(66)

Om te waarborgen dat de middelen op de meest doeltreffende wijze worden gebruikt en om het aanbod beter op de vraag af te stemmen, moeten de aanplantrechten binnen een redelijke termijn door de houders ervan worden benut. Anders moeten ze aan de reserves worden toegewezen of opnieuw aan de reserve worden toegewezen. Om dezelfde redenen moeten de rechten in de reserves binnen een redelijke termijn worden toegekend.

(67)

Lidstaten waar de aanplantrechtenregeling voor 31 december 2007 niet van toepassing was, dienen te worden vrijgesteld van het voorlopige verbod op nieuwe aanplant.

(68)

Als extra begeleidende maatregel om de wijnsector op de markt af te stemmen, dient een rooiregeling te worden ingevoerd. Producenten die menen dat de omstandigheden in sommige gebieden niet erg bevorderlijk zijn voor een rendabele productie, dienen de mogelijkheid te krijgen hun kosten te verlagen door deze oppervlakten permanent uit de wijnproductie te nemen, andere activiteiten in het betrokken gebied te verrichten of zich helemaal uit de landbouwproductie terug te trekken.

(69)

Uit ervaring is gebleken dat, als het aan de lidstaten wordt overgelaten om toestemming te verlenen voor rooiing tegen betaling van een premie, de maatregel mogelijk geen effect heeft, ook niet op het aanbod. Daarom moeten de producenten, in tegenstelling tot wat geldt in de huidige regeling, algemene toegang tot de rooiregeling hebben en het exclusieve recht krijgen om te beslissen of ze die regeling al dan niet toepassen. In ruil daarvoor moet hun een premie per hectare gerooide wijnstokken worden verleend. Lidstaten die minder dan 50 000 hectoliter wijn per jaar produceren, moeten evenwel geen toegang tot de rooiregeling hebben, aangezien zij geen wezenlijke invloed op de productie in de Gemeenschap hebben.

(70)

De lidstaten moeten op basis van objectieve criteria de specifieke bedragen van de rooipremie kunnen bepalen binnen de door de Commissie vastgestelde niveaus.

(71)

Om te garanderen dat op verantwoorde wijze met de gerooide oppervlakten wordt omgegaan, moet de toekenning van de premie worden gebonden aan de voorwaarde dat de betrokken producenten de toepasselijke milieuvoorschriften naleven. Als wordt geconstateerd dat de voorwaarden niet worden nageleefd, moet de rooipremie dienovereenkomstig worden verlaagd.

(72)

Om milieuproblemen te voorkomen, moeten lidstaten overeenkomstig specifieke voorwaarden kunnen uitsluiten dat wordt gerooid in berggebieden, gebieden met steile hellingen en op een aantal kleine eilanden of oppervlakten waarop het rooien specifieke milieuproblemen zou creëren. Overeenkomstig het beleid ten aanzien van de ultraperifere gebieden van de Gemeenschap, is de rooiregeling niet van toepassing op de Azoren, Madeira en de Canarische Eilanden. Lidstaten waar in totaal 8 % van de met wijnstokken beplante oppervlakte is gerooid (10 % op regionaal niveau), moeten het rooien kunnen stopzetten.

(73)

Wanneer de gerooide oppervlakte in een lidstaat 15 % van de totale met wijnstokken beplante oppervlakte te boven zou gaan, moet de mogelijkheid bestaan om het rooien in die lidstaat te beperken tot maximaal 15 %, teneinde een onevenredige concentratie van rooipremies ten nadele van andere lidstaten te voorkomen. Bovendien moet het rooien in elk jaar kunnen worden stopgezet wanneer de gerooide oppervlakte in dat jaar 6 % van de totale met wijnstokken beplante oppervlakte van een lidstaat bereikt.

(74)

De vroeger voor de wijnbouw gebruikte landbouwoppervlakte moet na de rooiing in aanmerking komen voor subsidiëring in het kader van de bedrijfstoeslagregeling en dus voor toekenning van de gemiddelde regionale ontkoppelde rechtstreekse betaling, die om budgettaire redenen niet meer dan een bepaald bedrag mag bedragen.

(75)

De goede werking van de eengemaakte markt zou door de onbeperkte toekenning van nationale steun in gevaar worden gebracht. Daarom dienen de Verdragsbepalingen betreffende staatssteun in beginsel te gelden voor de producten die onder de gemeenschappelijke marktordening voor wijn vallen. Toch mogen de bepalingen inzake de rooipremie en bepaalde maatregelen in het kader van de steunprogramma’s op zich geen beletsel vormen voor de toekenning van nationale steun voor dezelfde doeleinden.

(76)

Voor een beter beheer van het wijnbouwpotentieel is het wenselijk dat de lidstaten bij de Commissie een inventaris van hun productiepotentieel indienen. Deze gegevens moeten gebaseerd zijn op het wijnbouwkadaster, dat in stand gehouden en geregeld bijgewerkt moet worden. De nadere regelingen met betrekking tot het kadaster moeten worden vastgesteld bij een uitvoeringsverordering van de Commissie. Verordening (EEG) nr. 2392/86 van de Raad van 24 juli 1986 tot instelling van het communautaire wijnbouwkadaster (9) dient derhalve te worden ingetrokken. Om de lidstaten aan te moedigen de inventaris op te sturen, moet worden bepaald dat de herstructurerings- en omschakelingssteun slechts wordt verleend aan de lidstaten die de inventaris hebben ingediend.

(77)

Om ervoor te zorgen dat de gegevens die nodig zijn voor de desbetreffende beleidstechnische en administratieve keuzen, voorhanden zijn, moeten producenten van voor wijnbereiding bestemde druiven en producenten van most en wijn oogstaangiften indienen. De lidstaten moeten de handelaren in voor wijnbereiding bestemde druiven ertoe kunnen verplichten elk jaar opgave te doen van de hoeveelheden van de jongste oogst die in de handel zijn gebracht. Producenten van druivenmost en wijn en andere handelaren dan kleinhandelaren moeten melden hoeveel druivenmost en wijn zij in voorraad hebben.

(78)

Om ervoor te zorgen dat de betrokken producten voldoende traceerbaar zijn, met name met het oog op de bescherming van de consument, moet worden bepaald dat alle onder deze verordening vallende producten die zich binnen de Gemeenschap in het verkeer bevinden, vergezeld moeten gaan van een begeleidend document.

(79)

Om in gerechtvaardigde gevallen een crisis te kunnen aanpakken, ook nadat de tijdelijke steunmaatregel voor crisisdistillatie die uit hoofde van de steunprogramma's kon worden toegepast, in 2012 is beëindigd, moeten de lidstaten steun voor crisisdistillatie kunnen verlenen binnen een totale begrotingsgrens van 15 % van de respectieve waarde van de desbetreffende jaarbegroting van de lidstaat voor zijn nationale steunprogramma. Deze steun moet ter kennis van de Commissie worden gebracht en uit hoofde van deze verordening worden goedgekeurd voordat zij wordt verleend.

(80)

De voor de uitvoering van deze verordening vereiste maatregelen moeten worden vastgesteld overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden (10).

(81)

De uitgaven van de lidstaten die voortvloeien uit hun verplichtingen op grond van deze verordening, moeten door de Gemeenschap worden gefinancierd overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1290/2005 van de Raad van 21 juni 2005 betreffende de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (11).

(82)

De lidstaten en de Commissie moeten elkaar de voor de toepassing van deze verordening vereiste gegevens verstrekken.

(83)

Om te garanderen dat de in deze verordening vastgestelde verplichtingen worden nagekomen, moeten controles worden verricht en sancties worden toegepast in geval van niet-naleving van die verplichtingen. Daarom moet de Commissie de bevoegdheid krijgen om de desbetreffende voorschriften vast te stellen, onder meer die met betrekking tot de terugvordering van ten onrechte betaalde bedragen en de rapporteringsverplichtingen voor de lidstaten.

(84)

De autoriteiten van de lidstaten moeten verantwoordelijk worden gesteld voor de naleving van deze verordening en er moeten regelingen worden getroffen opdat de Commissie die naleving kan controleren en garanderen.

(85)

Met het oog op de opname van de wijnsector in de bedrijfstoeslagregeling, moeten alle actief bebouwde wijnbouwoppervlakten in aanmerking worden genomen voor de bedrijfstoeslagregeling die is vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad van 29 september 2003 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers (12).

(86)

Wijnbouwers in Bulgarije, Tsjechië, Estland, Cyprus, Letland, Litouwen, Hongarije, Malta, Polen, Roemenië, Slovenië en Slowakije moeten van de opname van de wijncomponent in de bedrijfstoeslagregeling kunnen profiteren op dezelfde wijze als de wijnbouwers van de Gemeenschap in haar samenstelling op 30 april 2004. Daarom mag de toenameregeling die is vastgesteld in artikel 143 bis van Verordening (EG) nr. 1782/2003, niet worden toegepast op de wijncomponent in de bedrijfstoeslagregeling.

(87)

Verordening (EG) nr. 1782/2003 en Verordening (EG) nr. 3/2008 van de Raad van 17 december 2007 inzake voorlichtings- en afzetbevorderingsacties voor landbouwproducten op de binnenmarkt en in derde landen (13) moeten dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(88)

Bij de overgang van de bij Verordening (EG) nr. 1493/1999 en de andere verordeningen in de wijnsector vastgestelde regelingen naar die in de onderhavige verordening kunnen zich moeilijkheden voordoen waarmee in de onderhavige verordening geen rekening is gehouden. Met het oog op deze mogelijkheid moet worden bepaald dat de Commissie de nodige overgangsmaatregelen kan vaststellen. De Commissie dient ook te worden gemachtigd om specifieke praktische problemen op te lossen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

TITEL I

INLEIDENDE BEPALINGEN

Artikel 1

Onderwerp en werkingssfeer

1.   In deze verordening worden specifieke voorschriften vastgesteld voor de productie en het in de handel brengen van de producten bedoeld in deel XII van bijlage I van Verordening (EG) nr. 1234/2007.

2.   Deze verordening voorziet voor de in lid 1 vermelde producten in:

a)

steunmaatregelen,

b)

regelgevingsmaatregelen,

c)

voorschriften voor de handel met derde landen,

d)

voorschriften betreffende het productiepotentieel.

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze verordening gelden de definities in bijlage I.

TITEL II

STEUNMAATREGELEN

HOOFDSTUK I

Steunprogramma’s

Afdeling 1

Inleidende bepalingen

Artikel 3

Werkingssfeer

In dit hoofdstuk worden de voorschriften vastgesteld voor de toewijzing van communautaire financiële middelen aan de lidstaten en het gebruik dat de lidstaten van deze middelen maken in het kader van nationale steunprogramma's (hierna „steunprogramma's” genoemd) ter financiering van specifieke steunmaatregelen ten behoeve van de wijnsector.

Artikel 4

Verenigbaarheid en coherentie

1.   De steunprogramma's moeten verenigbaar zijn met de Gemeenschapswetgeving en coherent zijn met de activiteiten, beleidslijnen en prioriteiten van de Gemeenschap.

2.   De lidstaten zijn verantwoordelijk voor de steunprogramma's en zien erop toe dat deze intern coherent zijn en op een objectieve manier worden opgesteld en uitgevoerd, met inachtneming van de economische situatie van de betrokken producenten en de noodzaak een niet-gegronde ongelijke behandeling van de producenten te vermijden.

De lidstaten zijn verantwoordelijk voor het instellen en verrichten van de nodige controles en het opleggen van sancties in geval van niet-naleving van de voorwaarden van de steunprogramma's.

3.   Er wordt geen steun verleend voor:

a)

onderzoeksprojecten en maatregelen ter ondersteuning van onderzoeksprojecten;

b)

maatregelen die zijn opgenomen in programma's voor plattelandsontwikkeling van de lidstaten uit hoofde van Verordening (EG) nr. 1698/2005.

Afdeling 2

Indiening en inhoud van de steunprogramma’s

Artikel 5

Indiening van steunprogramma's

1.   De in bijlage II vermelde producerende lidstaten dienen, voor het eerst uiterlijk op 30 juni 2008, een ontwerp van een vijfjarig steunprogramma bij de Commissie in met maatregelen die in overeenstemming zijn met dit hoofdstuk.

De steunmaatregelen in de steunprogramma's worden vastgesteld op het geografische niveau dat de lidstaten als het meest adequate beschouwen. Het steunprogramma wordt bij de Commissie ingediend na overleg met de bevoegde autoriteiten en organisaties op het adequate geografische niveau.

De lidstaten dienen elk één ontwerpsteunprogramma in waarin specifieke regionale factoren in aanmerking mogen worden genomen.

2.   De steunprogramma's worden drie maanden nadat zij bij de Commissie zijn ingediend, van toepassing.

Voldoet een ingediend steunprogramma niet aan de in dit hoofdstuk vastgestelde voorwaarden, dan stelt de Commissie de betrokken lidstaat daarvan in kennis. De betrokken lidstaat dient in dat geval een herzien steunprogramma in bij de Commissie. Het herziene steunprogramma wordt twee maanden nadat het is aangemeld, van toepassing, tenzij het nog steeds onverenigbaar is met de voorschriften, in welk geval het bepaalde in deze alinea geldt.

3.   Lid 2 is van overeenkomstige toepassing op wijzigingen in de door de lidstaten ingediende steunprogramma's.

4.   Artikel 6 is niet van toepassing wanneer de enige maatregel van een lidstaat in een steunprogramma bestaat in de in artikel 9 bedoelde overdracht van middelen naar de bedrijfstoeslagregeling. Artikel 21 is in dat geval uitsluitend van toepassing voor wat betreft lid 1 en met betrekking tot het jaar waarin de overdracht plaatsvindt.

Artikel 6

Inhoud van de steunprogramma's

De steunprogramma's dienen de volgende elementen te bevatten:

a)

een gedetailleerde beschrijving van de voorgestelde maatregelen en de becijferde doelstellingen die ermee worden nagestreefd;

b)

de resultaten van het gepleegde overleg;

c)

een beoordeling van de verwachte technische, economische, maatschappelijke en milieueffecten;

d)

een tijdschema voor de uitvoering van de maatregelen;

e)

een algemeen financieel overzicht van de middelen die zullen worden gebruikt en de geplande indicatieve verdeling van de middelen over de maatregelen, met inachtneming van de in bijlage II opgenomen maxima;

f)

de criteria en kwantitatieve indicatoren voor toezicht en evaluatie en de maatregelen die zijn getroffen om de correcte en doeltreffende uitvoering van de steunprogramma's te garanderen;

g)

een overzicht van de bevoegde autoriteiten en organen die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van het steunprogramma.

Artikel 7

Subsidiabele maatregelen

1.   Steunprogramma's omvatten een of meer van de volgende maatregelen:

a)

steun uit hoofde van de bedrijfstoeslagregeling overeenkomstig artikel 9;

b)

afzetbevordering overeenkomstig artikel 10;

c)

herstructurering en omschakeling van wijngaarden overeenkomstig artikel 11;

d)

groen oogsten overeenkomstig artikel 12;

e)

onderlinge fondsen overeenkomstig artikel 13;

f)

oogstverzekering overeenkomstig artikel 14;

g)

investeringen overeenkomstig artikel 15;

h)

distillatie van bijproducten overeenkomstig artikel 16;

i)

distillatie tot drinkalcohol overeenkomstig artikel 17;

j)

crisisdistillatie overeenkomstig artikel 18;

k)

het gebruik van geconcentreerde druivenmost overeenkomstig artikel 19.

2.   Steunprogramma's omvatten geen andere maatregelen dan de in de artikelen 9 tot en met 19 vermelde maatregelen.

Artikel 8

Algemene voorschriften voor steunprogramma's

1.   De toewijzing van de beschikbare communautaire middelen en de begrotingslimieten zijn vastgesteld in bijlage II.

2.   De communautaire steun heeft slechts betrekking op subsidiabele uitgaven die worden gedaan na de indiening van het betrokken steunprogramma overeenkomstig artikel 5, lid 1.

3.   De lidstaten nemen niet deel in de kosten van maatregelen die in het kader van de steunprogramma's door de Gemeenschap worden gefinancierd.

4.   In afwijking van lid 3 mogen de lidstaten voor de in de artikelen 10, 14 en 15 bedoelde maatregelen nationale steun verlenen overeenkomstig de relevante communautaire voorschriften inzake staatssteun.

Het maximumpercentage voor staatssteun overeenkomstig de toepasselijke communautaire voorschriften, is van toepassing op het totale van overheidswege gefinancierde bedrag, zowel communautaire als nationale financiële middelen meegerekend.

Afdeling 3

Specifieke steunmaatregelen

Artikel 9

Bedrijfstoeslagregeling en steun voor wijnbouwers

1.   De lidstaten mogen wijnbouwers steun verlenen door hen toeslagrechten in de zin van titel III, hoofdstuk 3, van Verordening (EG) nr. 1782/2003 toe te kennen overeenkomstig bijlage VII, punt O, van die verordening.

2.   De lidstaten die van de in lid 1 genoemde mogelijkheid gebruik willen maken, nemen die steun op in hun steunprogramma's, onder meer, wat betreft de eruit voortvloeiende overdracht van middelen naar de bedrijfstoeslagregeling, door die programma's te wijzigen overeenkomstig artikel 5, lid 3.

3.   Wanneer de in lid 1 bedoelde steun van kracht is geworden:

a)

blijft deze in de bedrijfstoeslagregeling en is zij niet langer beschikbaar, noch kan zij door toepassing van artikel 5, lid 3, beschikbaar worden gemaakt, voor de in de artikelen 10 tot en met 19 genoemde maatregelen in de volgende toepassingsjaren van de steunprogramma's;

b)

wordt het bedrag van de middelen die in de steunprogramma's beschikbaar zijn voor de in de artikelen 10 tot en met 19 genoemde maatregelen, dienovereenkomstig verlaagd.

Artikel 10

Bevordering van de afzet op de markten van derde landen

1.   De in dit artikel bedoelde steun is bestemd voor voorlichtings- en afzetbevorderingsmaatregelen die in derde landen ten voordele van communautaire wijn worden getroffen en de concurrentiepositie van communautaire wijn in deze landen verbeteren.

2.   De in lid 1 bedoelde maatregelen hebben betrekking op wijn met een beschermde oorsprongsbenaming of geografische aanduiding en op wijn met een aanduiding van het wijndruivenras.

3.   De in lid 1 bedoelde maatregelen kunnen uitsluitend bestaan uit:

a)

maatregelen op het gebied van public relations, promotie of reclame die met name aandacht vragen voor de voordelen van de communautaire producten, vooral op het gebied van kwaliteit, voedselveiligheid of milieuvriendelijkheid;

b)

deelname aan evenementen, beurzen of tentoonstellingen van internationaal belang;

c)

voorlichtingscampagnes, met name betreffende de communautaire regelingen inzake oorsprongsbenamingen, geografische aanduidingen en de biologische productie;

d)

studies naar nieuwe markten die noodzakelijk zijn om de afzetmogelijkheden uit te breiden;

e)

studies om de resultaten van de afzetbevorderings- en voorlichtingsmaatregelen te evalueren.

4.   De bijdrage van de Gemeenschap voor afzetbevorderingsactiviteiten bedraagt ten hoogste 50 % van de subsidiabele uitgaven.

Artikel 11

Herstructurering en omschakeling van wijngaarden

1.   Maatregelen op het gebied van herstructurering en omschakeling van wijngaarden hebben tot doel het concurrentievermogen van de wijnproducenten te verbeteren.

2.   Steun voor herstructurering en omschakeling van wijngaarden wordt pas overeenkomstig dit artikel verleend indien de lidstaten de inventaris van hun productiepotentieel overeenkomstig artikel 109 indienen.

3.   Steun voor herstructurering en omschakeling van wijngaarden wordt uitsluitend verleend voor één of meer van de volgende activiteiten:

a)

omschakeling op andere rassen, onder meer door overenting;

b)

aanleg van wijngaarden op andere plaatsen;

c)

verbetering van wijnbouwtechnieken.

Voor de gewone vernieuwing van wijngaarden die het einde van hun natuurlijke ontwikkelingscyclus hebben bereikt, wordt geen steun verleend.

4.   Steun voor herstructurering en omschakeling van wijngaarden wordt uitsluitend in de volgende vorm verleend:

a)

een vergoeding van de producenten voor het verlies aan inkomsten als gevolg van de uitvoering van de maatregel;

b)

een bijdrage in de herstructurerings- en omschakelingskosten.

5.   De in lid 4, onder a), bedoelde vergoeding van de producenten voor het verlies aan inkomsten mag maximaal 100 % van het betrokken verlies dekken en dient in één van de volgende vormen te worden verleend:

a)

toestemming om, ongeacht de bepalingen van titel V, hoofdstuk II, gedurende een bepaalde periode van niet meer dan drie jaar en uiterlijk tot het einde van de overgangsregeling voor aanplantrechten oude en nieuwe wijnstokken naast elkaar te laten bestaan;

b)

financiële compensatie.

6.   De deelname van de Gemeenschap in de daadwerkelijke kosten van de herstructurering en omschakeling van wijngaarden bedraagt maximaal 50 % van die kosten. In regio's die overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1083/2006 (14) als convergentieregio's zijn aangemerkt, mag de deelname van de Gemeenschap in de herstructurerings- en omschakelingskosten maximaal 75 % bedragen.

Artikel 12

Groen oogsten

1.   Voor de toepassing van dit artikel wordt onder „groen oogsten” verstaan de volledige vernietiging of verwijdering van onrijpe druiventrossen waardoor de opbrengst van de betrokken oppervlakte tot nul wordt herleid.

2.   Steun voor groen oogsten dient met het oog op het voorkomen van marktcrises bij te dragen tot het herstel van het evenwicht tussen vraag en aanbod op de communautaire wijnmarkt.

3.   Steun voor groen oogsten mag worden verleend als een vergoeding in de vorm van een door de betrokken lidstaat vast te stellen forfaitaire betaling per hectare.

De betaling mag niet meer bedragen dan 50 % van de totale rechtstreekse kosten waarmee de vernietiging of verwijdering van de druiventrossen gepaard gaat, en van het inkomstenverlies ten gevolge van de vernietiging of verwijdering van de druiventrossen.

4.   De betrokken lidstaten stellen op basis van objectieve criteria een systeem vast om te voorkomen dat individuele wijnproducenten dankzij de maatregel inzake groen oogsten een vergoeding krijgen die de in lid 3, tweede alinea, vastgestelde percentages overschrijdt.

Artikel 13

Onderlinge fondsen

1.   Ten behoeve van producenten die zich tegen marktschommelingen wensen te verzekeren, wordt steun voor het opzetten van onderlinge fondsen verleend.

2.   Steun voor het opzetten van onderlinge fondsen mag worden verleend in de vorm van tijdelijke en degressieve steun ter dekking van de aan deze fondsen verbonden administratieve kosten.

Artikel 14

Oogstverzekering

1.   Steun voor oogstverzekeringen moet bijdragen tot het garanderen van de inkomsten van producenten die te lijden hebben van natuurrampen, ongunstige weersomstandigheden, ziekten of plagen.

2.   Steun voor oogstverzekeringen kan worden verleend in de vorm van een communautaire financiële bijdrage ten belope van maximaal:

a)

80 % van de verzekeringspremies die de producenten betalen om zich in te dekken tegen verliezen als gevolg van ongunstige weersomstandigheden die kunnen worden gelijkgesteld met natuurrampen;

b)

50 % van de verzekeringspremies die de producenten betalen om zich in te dekken tegen:

i)

de onder a) bedoelde verliezen en andere door ongunstige weersomstandigheden veroorzaakte verliezen;

ii)

verliezen als gevolg van dieren, plantenziekten of plagen.

3.   Steun voor oogstverzekeringen mag slechts worden verleend indien de verzekeringsuitkeringen, inclusief vergoedingen die de producent ontvangt op grond van andere steunregelingen voor het verzekerde risico, niet meer dan 100 % van het door de producent geleden inkomstenverlies dekken.

4.   Steun voor oogstverzekeringen mag de mededinging op de verzekeringsmarkt niet verstoren.

Artikel 15

Investeringen

1.   Er mag steun worden verleend voor materiële of immateriële investeringen in verwerkingsinstallaties, de infrastructuur van wijnhuizen en de afzet van wijn die de totale prestatie van de onderneming verbeteren en betrekking hebben op een of meer van de volgende activiteiten:

a)

de productie of het in de handel brengen van de producten bedoeld in bijlage IV;

b)

de ontwikkeling van nieuwe producten, procedés en technologieën met betrekking tot de producten bedoeld in bijlage IV.

2.   De in lid 1 bedoelde steun wordt, wat de maxima betreft, beperkt tot micro-, kleine en middelgrote ondernemingen in de zin van Aanbeveling 2003/361/EG van de Commissie van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen (15). Voor de Azoren, Madeira, de Canarische Eilanden, de kleinere eilanden van de Egeïsche Zee in de zin van Verordening (EG) nr. 1405/2006 van de Raad van 18 september 2006 houdende vaststelling van specifieke maatregelen voor de landbouw ten behoeve van de kleinere eilanden in de Egeïsche Zee (16) en de Franse overzeese departementen zijn met betrekking tot de maxima geen omvangslimieten van toepassing. Voor ondernemingen die niet onder artikel 2, lid 1, van titel I van de bijlage bij Aanbeveling 2003/361/EG vallen, minder dan 750 werknemers of een omzet van minder dan 200 miljoen EUR hebben, wordt de maximale steun gehalveerd.

De steun wordt niet verleend aan ondernemingen in moeilijkheden in de zin van de communautaire richtsnoeren voor reddings- en herstructureringssteun aan ondernemingen in moeilijkheden.

3.   De in artikel 71, lid 3, onder a) tot en met c), van Verordening (EG) nr. 1698/2005 bedoelde kosten zijn van de subsidiabele uitgaven uitgesloten.

4.   Met betrekking tot de subsidiabele investeringskosten zijn wat de steun betreft de volgende maximumpercentages van toepassing voor de bijdrage van de Gemeenschap:

a)

50 % in regio's die overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1083/2006 als convergentieregio's zijn aangemerkt;

b)

40 % in andere regio's dan convergentieregio's;

c)

75 % in de ultraperifere gebieden overeenkomstig Verordening (EG) nr. 247/2006 van de Raad van 30 januari 2006 houdende specifieke maatregelen op landbouwgebied ten behoeve van de ultraperifere gebieden van de Unie (17);

d)

65 % in de kleinere eilanden van de Egeïsche Zee in de zin van Verordening (EG) nr. 1405/2006.

5.   Artikel 72 van Verordening (EG) nr. 1698/2005 is van overeenkomstige toepassing op de in lid 1 bedoelde steun.

Artikel 16

Distillatie van bijproducten

1.   Er mag steun worden verleend voor de vrijwillige of verplichte distillatie van bijproducten van de wijnbereiding die is uitgevoerd overeenkomstig de in bijlage VI, punt D, vastgestelde voorwaarden.

Het steunbedrag wordt vastgesteld per % volume en per hectoliter geproduceerde alcohol. Er wordt geen steun betaald voor het alcoholvolume in de te distilleren bijproducten dat hoger ligt dan 10 % ten opzichte van het alcoholvolume in de geproduceerde wijn.

2.   De maximaal toe te passen steunbedragen zijn gebaseerd op de kosten voor het inzamelen en verwerken en worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 113, lid 1.

3.   De alcohol verkregen uit de in lid 1 bedoelde distillatie waarvoor steun wordt verleend, wordt uitsluitend gebruikt voor industriële of energiedoeleinden teneinde concurrentieverstoring te voorkomen.

Artikel 17

Distillatie tot drinkalcohol

1.   Tot 31 juli 2012 mag aan producenten steun worden verleend voor wijn die wordt gedistilleerd tot drinkalcohol, in de vorm van hectaresteun.

2.   Voordat de steun wordt verleend, worden de desbetreffende distillatiecontracten en de desbetreffende bewijzen van levering voor distillatie voorgelegd.

Artikel 18

Crisisdistillatie

1.   Tot en met 31 juli 2012 mag steun worden verleend voor vrijwillige of verplichte distillatie van wijnoverschotten waartoe door lidstaten in gerechtvaardigde crisisgevallen is besloten, om de overschotten te verkleinen of weg te werken en tegelijkertijd de continuïteit in de voorziening van de ene oogst tot de andere te waarborgen.

2.   De maximaal toe te passen steunbedragen worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 113, lid 1.

3.   De alcohol verkregen uit de in lid 1 bedoelde distillatie waarvoor steun wordt verleend, wordt uitsluitend gebruikt voor industriële of energiedoeleinden teneinde concurrentieverstoring te voorkomen.

4.   Het aandeel van de beschikbare begroting dat voor de crisisdistillatiemaatregel wordt gebruikt, bedraagt niet meer dan de volgende percentages, berekend op de totaal beschikbare middelen die in bijlage II per lidstaat voor het betrokken begrotingsjaar zijn vastgesteld:

20 % in 2009;

15 % in 2010;

10 % in 2011;

5 % in 2012.

5.   De lidstaten mogen de beschikbare middelen voor de crisisdistillatiemaatregel verhogen tot boven de in lid 4 bepaalde jaarlijkse plafonds door nationale middelen bij te dragen binnen de volgende grenzen (uitgedrukt als percentage van de in lid 4 bepaalde respectieve jaarlijkse maxima):

5 % in het wijnoogstjaar 2010;

10 % in het wijnoogstjaar 2011;

15 % in het wijnoogstjaar 2012.

In voorkomend geval stellen de lidstaten de Commissie in kennis van de bijdrage van nationale middelen zoals bedoeld in de eerste alinea; de Commissie moet de transactie goedkeuren voordat die middelen beschikbaar worden gesteld.

Artikel 19

Gebruik van geconcentreerde druivenmost

1.   Tot en met 31 juli 2012 mag steun worden verleend aan wijnbouwers die geconcentreerde druivenmost, daaronder begrepen gerectificeerde geconcentreerde druivenmost, gebruiken ter verhoging van het natuurlijke alcoholgehalte van producten overeenkomstig de in bijlage V vastgestelde voorwaarden.

2.   Het steunbedrag wordt vastgesteld per procent potentieel alcoholvolumegehalte en per hectoliter van de voor de verrijking gebruikte druivenmost.

3.   De maximaal toe te passen steunbedragen voor deze maatregel in de verschillende wijnbouwzones worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 113, lid 1.

Artikel 20

Randvoorwaarden

Indien wordt geconstateerd dat een landbouwer op enig moment gedurende de drie jaar die volgen op de betaling in het kader van de steunprogramma's voor herstructurering en omschakeling of op enig moment gedurende het jaar dat volgt op de betaling in het kader van de steunprogramma's voor groen oogsten, de in de artikelen 3 tot en met 7 van Verordening (EG) nr. 1782/2003 bedoelde beheerseisen en eisen inzake goede landbouw- en milieuconditie niet in acht heeft genomen en indien die niet-naleving het gevolg is van een rechtstreeks aan de landbouwer te wijten handelen of nalaten, wordt het bedrag van de betaling verlaagd of geschorst, gedeeltelijk of volledig, afhankelijk van de ernst, de omvang, het permanente karakter en de herhaling van de niet-naleving, en wordt de landbouwer, in voorkomend geval, gelast dit bedrag overeenkomstig de voorwaarden in de genoemde bepalingen terug te betalen.

Afdeling 4

Algemene bepalingen

Artikel 21

Verslaglegging en evaluatie

1.   Voor het eerst uiterlijk op 1 maart 2010 en daarna uiterlijk op 1 maart van elk jaar dienen de lidstaten bij de Commissie een verslag in over de uitvoering tijdens het voorgaande begrotingsjaar van de maatregelen in hun steunprogramma's.

Dit verslag bestaat uit een lijst en een omschrijving van de maatregelen waarvoor communautaire steun in het kader van de steunprogramma's is toegekend, alsmede uit nadere gegevens over de uitvoering van de in artikel 10 bedoelde afzetbevorderingsmaatregel.

2.   Uiterlijk op 1 maart 2011, en een tweede keer uiterlijk op 1 maart 2014, dienen de lidstaten bij de Commissie een evaluatie in van de kosten en voordelen van de steunprogramma's, alsmede suggesties om de doeltreffendheid van deze programma's te verbeteren.

Uiterlijk op 31 december 2011 brengt de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad verslag uit over de uitvoering van de in artikel 10 bedoelde afzetbevorderingsmaatregel.

Artikel 22

Uitvoeringsbepalingen

De uitvoeringsbepalingen voor dit hoofdstuk worden vastgesteld volgens de in artikel 113, lid 1, bedoelde procedure.

Deze bepalingen kunnen met name betrekking hebben op de volgende elementen:

a)

het format waarin de steunprogramma's moeten worden gepresenteerd;

b)

voorschriften voor de wijziging van reeds in werking getreden steunprogramma's;

c)

gedetailleerde voorschriften voor de uitvoering van in de artikelen 10 tot en met 19 bedoelde maatregelen;

d)

de voorwaarden waaronder aandacht wordt gevraagd voor en bekendheid wordt gegeven aan de financiële steunverlening door de Gemeenschap;

e)

gegevens over de verslaglegging.

HOOFDSTUK II

Financiële overdrachten

Artikel 23

Financiële overdrachten naar de plattelandsontwikkeling

1.   Met ingang van het begrotingsjaar 2009 worden de in lid 2 vastgestelde bedragen, die zijn gebaseerd op de in het verleden krachtens Verordening (EG) nr. 1493/1999 gedane uitgaven voor de in artikel 3, lid 1, onder b), van Verordening (EG) nr. 1290/2005 bedoelde interventies ter regulering van de landbouwmarkten, ter beschikking gesteld als aanvullende communautaire middelen voor maatregelen in wijnproducerende regio's in het kader van de plattelandsontwikkelingsprogramma's die op grond van Verordening (EG) nr. 1698/2005 worden gefinancierd.

2.   In de hieronder vermelde kalenderjaren zijn de volgende bedragen beschikbaar:

2009: 40,5 miljoen EUR,

2010: 80,9 miljoen EUR,

vanaf 2011: 121,4 miljoen EUR.

3.   De in lid 2 vastgestelde bedragen worden over de lidstaten verdeeld overeenkomstig bijlage III.

Lidstaten waarvoor geen bedragen zijn opgenomen in de huidige tabel in bijlage III omdat de bedragen die overeenkomstig de verdeelsleutel voor de bepaling van de in bijlage III op te nemen bedragen zijn berekend, te klein zijn (minder dan 2,5 miljoen EUR over te dragen in 2009), kunnen besluiten deze thans in bijlage II opgenomen bedragen geheel of gedeeltelijk over te dragen naar bijlage III, voor aanwending in hun programma’s voor plattelandsontwikkeling. In dit geval stellen de betrokken lidstaten de Commissie uiterlijk op 30 juni 2008 hiervan in kennis en wijzigt de Commissie dienovereenkomstig lid 2, alsmede de bijlagen II en III.

TITEL III

REGELGEVINGSMAATREGELEN

HOOFDSTUK I

Algemene voorschriften

Artikel 24

Indeling van wijndruivenrassen

1.   De lidstaten stellen in een indeling vast welke wijndruivenrassen op hun grondgebied mogen worden aangeplant, heraangeplant of geënt met het oog op de bereiding van wijn, met inachtneming van lid 2.

Uitsluitend wijndruivenrassen die voldoen aan de onderstaande voorwaarden mogen in de indeling van de lidstaten worden opgenomen:

a)

het betrokken ras behoort tot de soort Vitis vinifera of is verkregen uit een kruising van deze soort met andere soorten van het geslacht Vitis;

b)

het ras is niet een van de volgende rassen: Noah, Othello, Isabelle, Jacquez, Clinton of Herbemont.

Wanneer een wijndruivenras uit de in de eerste alinea bedoelde indeling wordt geschrapt, moeten de wijnstokken van dit ras binnen vijftien jaar na die verwijdering worden gerooid.

2.   Lidstaten met een wijnproductie van niet meer dan 50 000 hectoliter per wijnoogstjaar, berekend op basis van de gemiddelde productie gedurende de laatste vijf wijnoogstjaren, worden vrijgesteld van de in lid 1 bedoelde verplichting tot indeling.

In de lidstaten als bedoeld in de eerste alinea mogen met het oog op de wijnbereiding evenwel ook uitsluitend wijndruivenrassen worden aangeplant, heraangeplant of geënt die voldoen aan lid 1, onder a) en b).

3.   In afwijking van lid 1, eerste en tweede alinea, en lid 2, tweede alinea, is het aanplanten, heraanplanten of enten van de volgende wijndruivenrassen toegestaan in het kader van wetenschappelijk onderzoek en experimenten:

a)

wijndruivenrassen die niet zijn ingedeeld wat betreft de in lid 1 bedoelde lidstaten;

b)

wijndruivenrassen die niet voldoen aan lid 1, onder a) en b), wat betreft de in lid 2 bedoelde lidstaten.

4.   Oppervlakten die in strijd met de leden 1 tot en met 3 beplant zijn met wijndruivenrassen met het oog op de wijnbereiding, worden gerooid.

De verplichting tot rooien van dergelijke oppervlakten vervalt evenwel wanneer de betrokken productie uitsluitend bestemd is om door de wijnbouwer en zijn gezin te worden geconsumeerd.

5.   De lidstaten nemen de nodige maatregelen om de naleving van het bepaalde in de leden 1 tot en met 4 door de producent te controleren.

Artikel 25

Productie en het in de handel brengen

1.   De in de Gemeenschap geproduceerde producten van bijlage IV worden verkregen van wijndruivenrassen die overeenkomstig artikel 24, lid 1, in een indeling kunnen worden opgenomen.

2.   De in bijlage IV genoemde benamingen van wijncategorieën mogen in de Gemeenschap slechts worden gebruikt indien het product dat in de handel wordt gebracht, voldoet aan de in die bijlage vastgestelde overeenkomstige voorwaarden.

In afwijking van artikel 59, lid 1, onder a), mogen de lidstaten toestaan dat het woord „wijn” wordt gebruikt indien:

a)

het vergezeld gaat van de naam van een vrucht in samengestelde benamingen om producten, verkregen door vergisting van andere vruchten dan druiven, in de handel te brengen, of

b)

het onderdeel is van een samengestelde benaming.

Iedere verwarring met producten die onder de wijncategorieën van bijlage IV vallen, moet worden voorkomen.

3.   De wijncategorieën van bijlage IV kunnen worden gewijzigd volgens de in artikel 113, lid 2, bedoelde procedure.

4.   Met uitzondering van wijn in flessen die aantoonbaar vóór 1 september 1971 is gebotteld, mag wijn die is verkregen van de in artikel 24, lid 1, eerste alinea, bedoelde wijndruivenrassen, maar niet overeenstemt met één van de in bijlage IV vermelde categorieën, slechts worden gebruikt voor consumptie door de individuele wijnbouwer en zijn gezin, voor de vervaardiging van wijnazijn of voor distillatie.

HOOFDSTUK II

Oenologische procedés en beperkingen

Artikel 26

Werkingssfeer

In dit hoofdstuk worden de toegestane oenologische procedés en de toepasselijke beperkingen behandeld die van toepassing zijn op de productie en het in de handel brengen van onder deze verordening vallende producten, alsmede de procedure voor de besluitvorming over die procedés en beperkingen.

Artikel 27

Oenologische procedés en beperkingen

1.   Voor de communautaire productie en bewaring van onder deze verordening vallende producten mag uitsluitend gebruik worden gemaakt van oenologische procedés die zijn toegestaan op grond van de Gemeenschapswetgeving als vastgelegd in bijlage V of waartoe wordt besloten overeenkomstig de artikelen 28 en 29.

De eerste alinea is niet van toepassing op:

a)

druivensap en geconcentreerd druivensap;

b)

voor de bereiding van druivensap bestemde druivenmost en geconcentreerde druivenmost.

2.   De toegestane oenologische procedés mogen slechts worden toegepast om een goede bereiding, een goede bewaring of een goede ontwikkeling van het product te waarborgen.

3.   De onder deze verordening vallende producten moeten in de Gemeenschap worden geproduceerd met inachtneming van de betrokken, in bijlage VI vastgestelde beperkingen.

4.   Onder deze verordening vallende producten die met niet door de Gemeenschap toegestane of, in voorkomend geval, niet-toegestane nationale oenologische procedés zijn geproduceerd of niet voldoen aan de in bijlage VI vastgestelde beperkingen, mogen niet in de Gemeenschap in de handel worden gebracht.

Artikel 28

Strengere voorschriften op grond van besluiten van de lidstaten

De lidstaten mogen het gebruik van bepaalde krachtens de Gemeenschapswetgeving toegestane oenologische procedés voor op hun grondgebied geproduceerde wijn beperken of verbieden en voorzien in strengere beperkingen met het oog op de bevordering van het behoud van de wezenlijke kenmerken van wijn met een beschermde oorsprongsbenaming of geografische aanduiding, mousserende wijn en likeurwijn.

De lidstaten delen deze beperkingen en verbodsbepalingen aan de Commissie mee, die deze ter kennis van de andere lidstaten brengt.

Artikel 29

Het toestaan van oenologische procedés en beperkingen

1.   De beslissing over het toestaan van oenologische procedés en beperkingen inzake de productie en de bewaring van onder deze verordening vallende producten wordt genomen volgens de in artikel 113, lid 2, bedoelde procedure, behalve wanneer het gaat om de in bijlage V vastgestelde oenologische procedés voor verrijking, aanzuring en ontzuring voor de specifieke producten die door deze bijlage worden bestreken, alsmede om de in bijlage VI opgenomen beperkingen.

2.   De lidstaten mogen toestemming verlenen voor het gebruik van niet-toegestane oenologische procedés voor experimentele doeleinden onder voorwaarden die volgens de in artikel 113, lid 2, bedoelde procedure worden vastgesteld.

Artikel 30

Criteria voor het toestaan van oenologische procedés en beperkingen

Met het oog op het toestaan van oenologische procedés volgens de in artikel 113, lid 2, bedoelde procedure, zal de Commissie:

a)

uitgaan van de door de OIV aanbevolen en gepubliceerde oenologische procedés en van de resultaten die zijn geboekt met het experimentele gebruik van vooralsnog niet-toegestane oenologische procedés;

b)

rekening houden met overwegingen op het gebied van de bescherming van de menselijke gezondheid;

c)

rekening houden met het risico dat de consument vanwege zijn vaste verwachtings- en ideeënpatroon wordt misleid en gaat na of dat risico aan de hand van beschikbare voorlichting kan worden uitgesloten;

d)

de instandhouding van de natuurlijke en essentiële kenmerken van de wijn mogelijk maken zonder dat daarbij de samenstelling van het betrokken product substantieel wordt gewijzigd;

e)

erop toezien dat een aanvaardbaar minimumniveau van milieuzorg wordt gehandhaafd;

f)

de algemene voorschriften inzake oenologische procedés en beperkingen in acht nemen die zijn vastgesteld in, respectievelijk, bijlage V en bijlage VI.

Artikel 31

Analysemethoden

De analysemethoden waarmee de samenstelling van de onder deze verordening vallende producten wordt bepaald, en de voorschriften aan de hand waarvan kan worden vastgesteld of deze producten behandelingen hebben ondergaan die strijdig zijn met de toegestane oenologische procedés, zijn de analysemethoden en de voorschriften die door de OIV zijn aanbevolen en gepubliceerd.

Bij gebrek aan door de OIV aanbevolen en gepubliceerde methoden en voorschriften worden deze vastgesteld volgens de in artikel 113, lid 2, bedoelde procedure.

In afwachting van de vaststelling van die voorschriften worden de methoden en voorschriften gebruikt die door de betrokken lidstaat zijn toegestaan.

Artikel 32

Uitvoeringsbepalingen

De maatregelen die nodig zijn voor de uitvoering van dit hoofdstuk en van de bijlagen V en VI, worden vastgesteld volgens de in artikel 113, lid 2, bedoelde procedure, tenzij in deze bijlagen anders is bepaald.

Deze maatregelen kunnen met name betrekking hebben op de volgende elementen:

a)

de in bijlage IV van Verordening (EG) nr. 1493/1999 opgenomen communautaire oenologische procedés worden beschouwd als toegestane oenologische procedés;

b)

toegestane oenologische procedés en beperkingen, inclusief verrijking, aanzuring en ontzuring voor mousserende wijn, mousserende kwaliteitswijn, en aromatische mousserende kwaliteitswijn;

c)

toegestane oenologische procedés en beperkingen voor likeurwijn;

d)

afhankelijk van punt C van bijlage VI, bepalingen inzake vermenging en versnijding van most en wijn;

e)

bij gebrek aan communautaire voorschriften op dat gebied, de specificaties met betrekking tot zuiverheid en identiteit van bij de oenologische procedés gebruikte stoffen;

f)

administratieve voorschriften voor de uitvoering van de toegestane oenologische procedés;

g)

de voorwaarden voor het voorhanden hebben, in het verkeer brengen en gebruiken van producten die niet voldoen aan het bepaalde in artikel 27, en eventuele vrijstellingen van de toepassing van dat artikel, alsmede de vaststelling van criteria ter voorkoming van individuele gevallen van onbillijkheid;

h)

de voorwaarden waaronder de lidstaten toestemming mogen verlenen voor het voorhanden hebben, in het verkeer brengen en gebruiken van producten die niet voldoen aan andere artikelen van dit hoofdstuk dan artikel 27 of aan de uitvoeringsbepalingen van dit hoofdstuk.

HOOFDSTUK III

Oorsprongsbenamingen, geografische aanduidingen en traditionele aanduidingen

Artikel 33

Werkingssfeer

1.   De voorschriften inzake oorsprongsbenamingen, geografische aanduidingen en traditionele vermeldingen als vastgesteld in de hoofdstukken IV en V zijn van toepassing op de producten als bedoeld in de punten 1, 3 tot en met 6, 8, 9, 11, 15 en 16 van bijlage IV.

2.   De in lid 1 bedoelde voorschriften zijn gebaseerd op:

a)

de bescherming van de wettige belangen van:

i)

consumenten, en

ii)

producenten;

b)

het waarborgen van de soepele werking van de gemeenschappelijke markt voor de betrokken producten;

c)

de bevordering van de productie van kwaliteitsproducten, terwijl ruimte wordt gelaten voor nationale maatregelen op het gebied van kwaliteitsbeleid.

HOOFDSTUK IV

Oorsprongsbenamingen en geografische aanduidingen

Afdeling 1

Definities

Artikel 34

Definities

1.   Voor de toepassing van deze verordening gelden de volgende definities:

a)

„oorsprongsbenaming”: de naam van een regio, een bepaalde plaats of, bij uitzondering, een land, die wordt gebruikt voor de beschrijving van een product als bedoeld in artikel 33, lid 1), dat aan de volgende vereisten voldoet:

i)

de kwaliteit en de kenmerken van het product zijn hoofdzakelijk of uitsluitend toe te schrijven aan de specifieke geografische omgeving met haar eigen door natuur en mens bepaalde factoren;

ii)

alle druiven waarmee het product is bereid, zijn afkomstig uit dit geografische gebied;

iii)

de productie vindt plaats in dit geografische gebied;

iv)

het product is verkregen van wijndruivenrassen die behoren tot de soort Vitis vinifera;

b)

„geografische aanduiding”: een aanduiding die verwijst naar een regio, een bepaalde plaats of, bij uitzondering, een land, die wordt gebruikt voor de beschrijving van een product als bedoeld in artikel 33, lid 1, dat aan de volgende vereisten voldoet:

i)

het product heeft een specifieke kwaliteit, reputatie of andere kenmerken die aan deze geografische oorsprong kunnen worden toegeschreven;

ii)

ten minste 85 % van de voor de bereiding van het product gebruikte druiven zijn afkomstig uit dit geografische gebied;

iii)

de productie vindt plaats in dit geografische gebied;

iv)

het product is verkregen van wijndruivenrassen die tot de soort Vitis vinifera behoren of die het resultaat zijn van een kruising van deze soort met andere soorten van het geslacht Vitis.

2.   Bepaalde traditioneel gebruikte namen zijn een oorsprongsbenaming wanneer zij:

a)

een wijn aanduiden;

b)

naar een geografische naam verwijzen;

c)

voldoen aan de in lid 1, onder a), i) tot en met iv), vastgestelde voorwaarden;

d)

worden beschermd volgens de in dit hoofdstuk vastgestelde procedure voor de bescherming van oorsprongsbenamingen en geografische aanduidingen.

3.   Oorsprongsbenamingen en geografische aanduidingen, waaronder die welke betrekking hebben op geografische gebieden in derde landen, komen in aanmerking voor bescherming in de Gemeenschap overeenkomstig de in dit hoofdstuk vastgestelde voorschriften.

Afdeling 2

Beschermingsaanvraag

Artikel 35

Inhoud van de beschermingsaanvraag

1.   Een aanvraag om een naam te beschermen als oorsprongsbenaming of als geografische aanduiding, dient een technisch dossier met de volgende gegevens te bevatten:

a)

de naam die moet worden beschermd;

b)

de naam en het adres van de aanvrager;

c)

het in lid 2 bedoelde productdossier;

d)

het enige document waarin het in lid 2 bedoelde productdossier wordt samengevat.

2.   De betrokken partijen kunnen aan de hand van het productdossier nagaan onder welke voorwaarden de producten met de betrokken oorsprongsbenaming of geografische aanduiding worden geproduceerd.

Het productdossier bestaat ten minste uit de volgende elementen:

a)

de naam die moet worden beschermd;

b)

een beschrijving van de wijn(en):

i)

voor wijn met een oorsprongsbenaming, zijn belangrijkste analytische en organoleptische kenmerken;

ii)

voor wijn met een geografische aanduiding, zijn belangrijkste analytische kenmerken en een beoordeling of indicatie van zijn organoleptische kenmerken;

c)

in voorkomend geval, de specifieke bij de productie van de wijn(en) gebruikte oenologische procedés, alsmede de betrokken beperkingen bij de productie van de wijn(en);

d)

de afbakening van het betrokken geografische gebied;

e)

de maximumopbrengst per hectare;

f)

het wijndruivenras of de wijndruivenrassen waarvan de wijn(en) is (zijn) verkregen;

g)

de gegevens over het verband als bedoeld in artikel 34, lid 1, onder a), i), of, in voorkomend geval, in artikel 34, lid 1, onder b), i);

h)

de toepasselijke vereisten die zijn vastgesteld in communautaire of nationale bepalingen of, indien daarin door de lidstaten is voorzien, door een organisatie die de beschermde oorsprongsbenaming of geografische aanduiding beheert, daarbij in aanmerking nemend dat die vereisten objectief en niet-discriminerend en in overeenstemming met de Gemeenschapswetgeving moeten zijn;

i)

de naam en het adres van de autoriteiten of organen die verifiëren of de bepalingen van het productdossier worden nageleefd, alsmede hun specifieke taken.

Artikel 36

Beschermingsaanvraag met betrekking tot in derde landen gelegen geografische gebieden

1.   Een beschermingsaanvraag met betrekking tot een geografisch gebied in een derde land bevat naast de in artikel 35 vermelde elementen het bewijs dat de betrokken naam in het land van oorsprong van het betrokken product beschermd is.

2.   De aanvraag wordt rechtstreeks door de aanvrager of via de autoriteiten van het betrokken derde land bij de Commissie ingediend.

3.   De beschermingsaanvraag wordt ingediend in één van de officiële talen van de Gemeenschap of gaat vergezeld van een gecertificeerde vertaling in één van die talen.

Artikel 37

Aanvragers

1.   De bescherming van een oorsprongsbenaming of een geografische aanduiding wordt aangevraagd door een belanghebbende producentengroepering of, bij uitzondering, door een individuele producent. Andere betrokken partijen mogen zich bij de aanvraag aansluiten.

2.   Producenten mogen slechts voor door hen geproduceerde wijn een beschermingsaanvraag indienen.

3.   Voor namen die een grensoverschrijdend geografisch gebied aanduiden of voor traditionele namen die verbonden zijn met een dergelijk gebied, mag een gemeenschappelijk aanvraag worden ingediend.

Afdeling 3

Procedure ter verlening van bescherming

Artikel 38

Inleidende nationale procedure

1.   Een aanvraag tot bescherming van een in artikel 34 bedoelde oorsprongsbenaming of geografische aanduiding voor wijn uit de Gemeenschap wordt overeenkomstig het onderhavige artikel behandeld in het kader van een inleidende nationale procedure.

2.   De beschermingsaanvraag wordt ingediend in de lidstaat op het grondgebied waarvan de oorsprongsbenaming of geografische aanduiding is ontstaan.

3.   De betrokken lidstaat gaat na of de beschermingsaanvraag voldoet aan de in dit hoofdstuk vastgestelde voorwaarden.

De door de lidstaat te volgen nationale procedure houdt in dat de aanvraag naar behoren wordt bekendgemaakt en dat op het grondgebied van de betrokken lidstaat woonachtige of gevestigde natuurlijke of rechtspersonen met een legitiem belang gedurende ten minste twee maanden na de datum van bekendmaking van de beschermingsaanvraag bezwaar kunnen aantekenen tegen de voorgestelde bescherming door een met redenen omklede verklaring in te dienen bij de betrokken lidstaat.

4.   Een oorsprongsbenaming of geografische aanduiding die volgens de lidstaat niet aan de betrokken vereisten voldoet, onder meer op het gebied van verenigbaarheid met de Gemeenschapswetgeving in haar geheel, wordt door die lidstaat afgewezen.

5.   Een lidstaat die oordeelt dat de betrokken vereisten zijn nageleefd

a)

publiceert het enige document en het productdossier ten minste op het internet, en

b)

zendt aan de Commissie een beschermingsaanvraag met de volgende gegevens:

i)

de naam en het adres van de aanvrager;

ii)

het in artikel 35, lid 1, onder d), bedoelde enige document;

iii)

een verklaring waarin de lidstaat aangeeft dat de door de aanvrager ingediende aanvraag volgens die lidstaat voldoet aan de voorwaarden van deze verordening;

iv)

de vindplaats van de in punt a) bedoelde bekendmaking.

Deze informatie wordt ingediend in één van de officiële talen van de Gemeenschap of gaan vergezeld van een gecertificeerde vertaling in één van die talen.

6.   De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op 1 augustus 2009 aan dit artikel te voldoen.

7.   Wanneer een lidstaat geen nationale wetgeving inzake de bescherming van oorsprongsbenamingen en geografische aanduidingen heeft, kan deze lidstaat, uitsluitend bij wijze van overgangsregeling, de benaming overeenkomstig dit hoofdstuk op nationaal niveau beschermen met ingang van de dag waarop de aanvraag bij de Commissie wordt ingediend. De nationale bescherming bij wijze van overgangsregeling eindigt op de datum waarop overeenkomstig dit hoofdstuk een besluit inzake de registratie of de weigering wordt genomen.

Artikel 39

Onderzoek door de Commissie

1.   De termijn voor indiening van een aanvraag tot bescherming van een oorsprongsbenaming of geografische aanduiding wordt door de Commissie bekendgemaakt.

2.   De Commissie onderzoekt of de in artikel 38, lid 5, bedoelde beschermingsaanvragen voldoen aan de in dit hoofdstuk vastgestelde voorwaarden.

3.   Indien volgens de Commissie is voldaan aan de in dit hoofdstuk vastgestelde voorwaarden, maakt zij het in artikel 35, lid 1, onder d), bedoelde enige document en het in artikel 38, lid 5, bedoelde internetadres van het productdossier bekend in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Wanneer niet aan de in dit hoofdstuk vastgestelde voorwaarden is voldaan, wordt volgens de in artikel 113, lid 2, bedoelde procedure besloten de aanvraag af te wijzen.

Artikel 40

Bezwaarprocedure

Lidstaten, derde landen of natuurlijke of rechtspersonen met een legitiem belang die woonachtig of gevestigd zijn in een andere lidstaat dan die waar de bescherming is aangevraagd, of in een derde land, kunnen gedurende uiterlijk twee maanden na de in artikel 39, lid 3, eerste alinea, bedoelde bekendmaking bezwaar tegen de voorgestelde bescherming aantekenen door bij de Commissie een met redenen omklede verklaring in te dienen met betrekking tot de in dit hoofdstuk bepaalde voorwaarden om voor bescherming in aanmerking te komen.

In een derde land woonachtige of gevestigde natuurlijke of rechtspersonen dienen hun verklaring binnen de in de eerste alinea vastgestelde termijn van twee maanden rechtstreeks of via de autoriteiten van het betrokken derde land bij de Commissie in.

Artikel 41

Beschermingsbesluit

Op basis van de informatie waarover de Commissie beschikt, wordt volgens de in artikel 113, lid 2, bedoelde procedure besloten om bescherming te verlenen aan de oorsprongsbenaming of geografische aanduiding die aan de in dit hoofdstuk vastgestelde voorwaarden voldoet en verenigbaar is met de Gemeenschapswetgeving in het algemeen, of de aanvraag af te wijzen indien niet aan deze voorwaarden is voldaan.

Afdeling 4

Specifieke gevallen

Artikel 42

Homoniemen

1.   Bij de registratie van een benaming waarvoor een aanvraag is ingediend en die volledig of gedeeltelijk homoniem is met een overeenkomstig deze verordening geregistreerde benaming, wordt naar behoren rekening gehouden met de plaatselijke en traditionele gebruiken en het risico van verwarring.

Een homonieme benaming die bij de consument ten onrechte de indruk wekt dat de producten van oorsprong zijn van een ander grondgebied, wordt niet geregistreerd, ook al is de benaming juist wat het grondgebied, de regio of de plaats van oorsprong van de betrokken producten betreft.

Het gebruik van een geregistreerde homonieme benaming is slechts toegestaan indien de praktische omstandigheden garanderen dat de in tweede instantie geregistreerde homonieme benaming zich duidelijk onderscheidt van de reeds geregistreerde benaming, rekening houdend met het feit dat de betrokken producenten een billijke behandeling moeten krijgen en de consument niet mag worden misleid.

2.   Lid 1 is van overeenkomstige toepassing wanneer een benaming waarvoor een aanvraag is ingediend, volledig of gedeeltelijk homoniem is met een geografische aanduiding die als dusdanig is beschermd krachtens de wetgeving van een lidstaat.

De lidstaten registreren geen niet-identieke geografische aanduidingen met het oog op bescherming uit hoofde van hun respectieve wetgeving inzake geografische aanduidingen, indien een oorsprongsbenaming of geografische aanduiding in de Gemeenschap is beschermd uit hoofde van de Gemeenschapswetgeving inzake oorsprongsbenamingen en geografische aanduidingen.

3.   Tenzij in de uitvoeringsbepalingen van de Commissie anders is bepaald, mogen namen van wijndruivenrassen die geheel of gedeeltelijk bestaan uit een beschermde oorsprongsbenaming of geografische aanduiding, niet worden gebruikt voor de etikettering van onder deze verordening vallende producten.

4.   De bescherming van oorsprongsbenamingen en geografische aanduidingen voor producten die onder artikel 34 vallen, geldt onverminderd de beschermde geografische aanduidingen die van toepassing zijn op gedistilleerde dranken in de zin van Verordening (EG) nr. 110/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 15 januari 2008 betreffende de definitie, de aanduiding, de presentatie, de etikettering en de bescherming van geografische aanduidingen van gedistilleerde dranken en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 1576/89 van de Raad (18), en vice versa.

Artikel 43

Redenen tot weigering van de bescherming

1.   Namen die soortnamen zijn geworden, worden niet beschermd als oorsprongsbenaming of geografische aanduiding.

In de zin van dit hoofdstuk wordt onder een „naam die een soortnaam is geworden” verstaan de naam van een wijn, die weliswaar verband houdt met de plaats of regio waar deze wijn oorspronkelijk werd geproduceerd of in de handel gebracht, maar in de Gemeenschap de gangbare naam van die wijn is geworden.

Om vast te stellen of een naam een soortnaam is geworden, wordt rekening gehouden met alle ter zake doende factoren, met name:

a)

de bestaande situatie in de Gemeenschap, vooral in de consumptiegebieden;

b)

de relevante nationale of communautaire rechtsbepalingen.

2.   Een naam wordt niet als oorsprongsbenaming of geografische aanduiding beschermd indien de bescherming, rekening houdend met de reputatie en bekendheid van een merk, de consument kan misleiden ten aanzien van de werkelijke identiteit van de wijn.

Artikel 44

Verband met merken

1.   Wanneer een oorsprongsbenaming of een geografische aanduiding overeenkomstig deze verordening wordt beschermd, wordt een aanvraag tot registratie van een merk dat onder één van de in artikel 45, lid 2, vermelde situaties valt en dat betrekking heeft op een product van één van de in bijlage IV vermelde categorieën, afgewezen als de aanvraag tot bescherming van het merk wordt ingediend na de datum waarop de aanvraag tot bescherming van de oorsprongsbenaming of de geografische aanduiding bij de Commissie is ingediend, en wordt de oorsprongsbenaming of geografische aanduiding vervolgens beschermd.

Merken die in strijd met de bepalingen van de eerste alinea zijn geregistreerd, worden nietig verklaard.

2.   Onverminderd het bepaalde in artikel 43, lid 2, mag een merk, indien het gebruik ervan onder één van de in artikel 45, lid 2, vermelde situaties valt en indien het, vóór de datum van indiening van de aanvraag tot bescherming van de oorsprongsbenaming of de geografische aanduiding bij de Commissie, op het grondgebied van de Gemeenschap is gedeponeerd, is geregistreerd of, mits de betrokken wetgeving in deze mogelijkheid voorziet, door gebruik rechten heeft verworven, verder worden gebruikt en mag de duur van de registratie worden verlengd niettegenstaande de bescherming van de oorsprongsbenaming of de geografische aanduiding, op voorwaarde dat er geen redenen zijn om het merk nietig of vervallen te verklaren op grond van de Eerste Richtlijn 89/104/EEG van de Raad van 21 december 1988 betreffende de aanpassing van het merkenrecht der lidstaten (19) of Verordening (EG) nr. 40/94 van de Raad van 20 december 1993 inzake het Gemeenschapsmerk (20).

In dergelijke gevallen mag de oorsprongsbenaming of de geografische aanduiding naast het betrokken merk worden gebruikt.

Afdeling 5

Bescherming en controle

Artikel 45

Bescherming

1.   Beschermde oorsprongsbenamingen en geografische aanduidingen mogen worden gebruikt door alle marktdeelnemers die een overeenkomstig het betrokken productdossier geproduceerde wijn in de handel brengen.

2.   Beschermde oorsprongsbenamingen en geografische aanduidingen, alsmede de wijnen die deze beschermde namen overeenkomstig het productdossier dragen, worden beschermd tegen:

a)

elk direct of indirect gebruik door de handel van een beschermde naam:

i)

voor vergelijkbare producten die niet in overeenstemming zijn met het bij de beschermde naam horende productdossier, of

ii)

voor zover dat gebruik neerkomt op het uitbuiten van de reputatie van een oorsprongsbenaming of geografische aanduiding;

b)

elk misbruik, elke nabootsing of voorstelling, zelfs indien de werkelijke oorsprong van het product of de dienst is aangegeven, of indien de beschermde naam is vertaald of vergezeld gaat van uitdrukkingen zoals „soort”, „type”, „methode”, „op de wijze van”, „imitatie”, „smaak”, „zoals” en dergelijke;

c)

elke andere onjuiste of misleidende aanduiding met betrekking tot de herkomst, de oorsprong, de aard of de wezenlijke hoedanigheden van het product op de binnen- of buitenverpakking of in reclamemateriaal of documenten betreffende het betrokken wijnproduct, alsmede het verpakken in een recipiënt die aanleiding kan geven tot misverstanden over de oorsprong van het product;

d)

andere praktijken die de consument kunnen misleiden ten aanzien van de werkelijke oorsprong van het product.

3.   Beschermde oorsprongsbenamingen of geografische aanduidingen worden in de Gemeenschap geen soortnamen in de zin van artikel 43, lid 1.

4.   De lidstaten nemen de nodige maatregelen om een eind te maken aan het in lid 2 bedoelde onrechtmatige gebruik van beschermde oorsprongsbenamingen en geografische aanduidingen.

Artikel 46

Register

De Commissie stelt een openbaar toegankelijk elektronisch register van beschermde oorsprongsbenamingen en geografische aanduidingen voor wijn op en houdt die bij.

Artikel 47

Aanwijzing van een bevoegde controleautoriteit

1.   De lidstaten wijzen één of meer bevoegde autoriteiten aan die verantwoordelijk zijn voor de controles met betrekking tot de verplichtingen die in dit hoofdstuk zijn vastgesteld overeenkomstig de in artikel 4 van Verordening (EG) nr. 882/2004 vastgestelde criteria.

2.   De lidstaten zorgen ervoor dat elke marktdeelnemer die aan dit hoofdstuk voldoet, het recht heeft onder een controlesysteem te vallen.

3.   De lidstaten stellen de Commissie in kennis van de in lid 1 bedoelde bevoegde autoriteit of autoriteiten. De Commissie maakt de naam en het adres van de autoriteiten bekend en werkt deze gegevens regelmatig bij.

Artikel 48

Verificatie inzake de naleving van het productdossier

1.   Voor beschermde oorsprongsbenamingen en geografische aanduidingen met betrekking tot een geografisch gebied in de Gemeenschap wordt de jaarlijkse verificatie inzake de naleving van het productdossier tijdens de productie en tijdens of na de verpakking van de wijn uitgevoerd door:

a)

de in artikel 47, lid 1, bedoelde bevoegde autoriteit of autoriteiten, of

b)

één of meer controleorganen in de zin van artikel 2, tweede alinea, punt 5, van Verordening (EG) nr. 882/2004, die optreden als certificeringsorgaan voor het product overeenkomstig de in artikel 5 van genoemde verordening vastgestelde criteria.

De kosten van deze verificatie zijn ten laste van de betrokken marktdeelnemer.

2.   Voor beschermde oorsprongsbenamingen en geografische aanduidingen met betrekking tot een geografisch gebied in een derde land wordt de jaarlijkse verificatie inzake de naleving van het productdossier tijdens de productie en tijdens of na de verpakking van de wijn uitgevoerd door:

a)

één of meer door het derde land aangewezen overheidsinstanties, of

b)

één of meer certificeringsorganen.

3.   De in lid 1, onder b), en lid 2, onder b), bedoelde certificeringsorganen dienen te voldoen aan, en vanaf 1 mei 2010 te zijn geaccrediteerd volgens, de Europese norm EN 45011 of ISO/IEC Guide 65 (Algemene voorschriften voor instanties die productcertificeringssystemen toepassen).

4.   De in lid 1, onder a), en lid 2, onder a), bedoelde autoriteit of autoriteiten dienen bij de uitvoering van de verificatie inzake de naleving van het productdossier afdoende garanties inzake objectiviteit en onpartijdigheid te bieden en over gekwalificeerd personeel en voldoende middelen voor de uitoefening van hun taken te beschikken.

Artikel 49

Wijzigingen van het productdossier

1.   Een aanvrager die voldoet aan de in artikel 37 vastgestelde voorwaarden, mag om goedkeuring van een wijziging van het productdossier inzake een beschermde oorsprongsbenaming of geografische aanduiding verzoeken, met name om rekening te houden met wetenschappelijke en technische ontwikkelingen, of om de in artikel 35, lid 2, tweede alinea, onder d), bedoelde afbakening van het geografische gebied te herzien. In het verzoek worden de voorgestelde wijzigingen beschreven en gemotiveerd.

2.   Als de voorgestelde wijziging één of meer wijzigingen van het in artikel 35, lid 1, onder d), bedoelde enige document omvat, zijn de artikelen 38 tot en met 41 van overeenkomstige toepassing op het verzoek tot wijziging. Als echter slechts minimale wijzigingen worden voorgesteld, wordt volgens de in artikel 113, lid 2, bedoelde procedure beslist of de wijziging wordt goedgekeurd zonder de procedure van artikel 39, lid 2, en artikel 40 te volgen, en maakt de Commissie in het geval van goedkeuring de in artikel 39, lid 3, bedoelde elementen bekend.

3.   Als de voorgestelde wijziging geen wijzigingen van het enige document omvat, gelden de volgende regels:

a)

als het geografische gebied zich in een lidstaat bevindt, geeft deze lidstaat zijn standpunt over de wijziging, publiceert hij bij een positief advies het gewijzigde productdossier en stelt hij de Commissie in kennis van de goedgekeurde wijzigingen en de betrokken motivering;

b)

als het geografische gebied zich in een derde land bevindt, bepaalt de Commissie of de voorgestelde wijziging wordt goedgekeurd.

Artikel 50

Annulering

Volgens de in artikel 113, lid 2, bedoelde procedure kan op initiatief van de Commissie of naar aanleiding van een met redenen omkleed verzoek van een lidstaat, een derde land of een natuurlijke of rechtspersoon met een rechtmatig belang worden beslist de bescherming van een oorsprongsbenaming of geografische aanduiding te annuleren indien de naleving van het betrokken productdossier niet langer kan worden gegarandeerd.

De artikelen 38 tot en met 41 zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 51

Bestaande beschermde wijnnamen

1.   Namen van wijnen die beschermd zijn op grond van artikel 51 en artikel 54 van Verordening (EG) nr. 1493/1999 en artikel 28 van Verordening (EG) nr. 753/2002, worden automatisch beschermd uit hoofde van deze verordening. De Commissie neemt deze namen op in het in artikel 46 van deze verordening bedoelde register.

2.   Met betrekking tot de in lid 1 bedoelde bestaande beschermde wijnnamen dienen de lidstaten de volgende informatie in bij de Commissie:

a)

het in artikel 35, lid 1, bedoelde technische dossier;

b)

de nationale goedkeuringsbesluiten.

3.   De in lid 1 bedoelde namen van wijnen verliezen de op grond van deze verordening verleende bescherming indien de in lid 2 bedoelde informatie niet uiterlijk op 31 december 2011 is ingediend. De Commissie neemt de nodige administratieve maatregelen om ervoor te zorgen dat deze namen uit het in artikel 46 bedoelde register worden geschrapt.

4.   Artikel 50 is niet van toepassing op de in lid 1 bedoelde bestaande beschermde wijnnamen.

Tot en met 31 december 2014 kan op initiatief van de Commissie en volgens de in artikel 113, lid 2, bedoelde procedure worden beslist de bescherming van een in lid 1 bedoelde bestaande beschermde wijnnamen te annuleren, indien deze naam niet voldoet aan de in artikel 34 vastgestelde voorwaarden.

Afdeling 6

Algemene bepalingen

Artikel 52

Uitvoeringsbepalingen

De maatregelen die nodig zijn voor de uitvoering van dit hoofdstuk worden vastgesteld volgens de in artikel 113, lid 1, bedoelde procedure.

In deze maatregelen mogen afwijkingen inzake de toepasbaarheid van de voorschriften en vereisten van dit hoofdstuk worden vastgesteld, met name:

a)

wat betreft de aanvragen tot bescherming van een oorsprongsbenaming of geografische aanduiding die nog in behandeling zijn;

b)

wat betreft de productie van bepaalde wijnen met een beschermde oorsprongsbenaming of geografische aanduiding in een geografisch gebied in de nabijheid van het geografisch gebied van oorsprong van de druiven;

c)

wat betreft de traditionele productieprocedés van bepaalde wijnen met een beschermde oorsprongsbenaming.

Artikel 53

Leges

De lidstaten mogen leges heffen ter dekking van door hen gemaakt kosten van onder meer het onderzoek van beschermingaanvragen, bezwaarschriften, wijzigingsverzoeken en annulatieaanvragen uit hoofde van deze verordening.

HOOFDSTUK V

Traditionele aanduidingen

Artikel 54

Definities

1.   „Traditionele aanduiding”: de aanduiding die in de lidstaten traditioneel voor de in artikel 33, lid 1, bedoelde producten wordt gebruikt om aan te geven:

a)

het feit dat het product een beschermde oorsprongsbenaming of geografische aanduiding heeft overeenkomstig de Gemeenschapswetgeving of de wetgeving van een lidstaat;

b)

de productie- of rijpingsmethode, de kwaliteit, de kleur, de aard van de plaats van verkrijging van, of een historische gebeurtenis in verband met het product met een beschermde oorsprongsbenaming of een geografische aanduiding.

2.   Traditionele aanduidingen worden erkend, gedefinieerd en beschermd volgens de in artikel 113, lid 1, bedoelde procedure.

Artikel 55

Bescherming

1.   Een beschermde traditionele aanduiding mag uitsluitend worden gebruikt voor een product dat is geproduceerd overeenkomstig de in artikel 54, lid 2, bedoelde definitie.

Traditionele aanduidingen worden beschermd tegen onrechtmatig gebruik.

De lidstaten nemen de nodige maatregelen om een eind te maken aan onrechtmatig gebruik van beschermde traditionele aanduidingen.

2.   Traditionele aanduidingen worden in de Gemeenschap geen soortnamen.

Artikel 56

Uitvoeringsbepalingen

De uitvoeringsbepalingen voor dit hoofdstuk worden vastgesteld volgens de in artikel 113, lid 1, bedoelde procedure, in het bijzonder wat betreft:

a)

de procedure ter verlening van bescherming;

b)

het specifiek beschermingsniveau.

HOOFDSTUK VI

Etikettering en presentatie

Artikel 57

Definitie

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

a)

„etikettering”: de vermeldingen, aanwijzingen, fabrieksmerken, handelsmerken, afbeeldingen of tekens die voorkomen op verpakkingsmiddelen, documenten, schriftstukken, etiketten, banden of labels die bij een product zijn gevoegd of daarop betrekking hebben;

b)

„presentatie”: informatie aan de consument door middel van de verpakking van het product, waaronder de vorm en het type van de fles.

Artikel 58

Toepasbaarheid van horizontale voorschriften

Tenzij in deze verordening anders is bepaald, zijn Richtlijn 89/104/EEG en Richtlijn 89/396/EEG van de Raad van 14 juni 1989 betreffende de vermeldingen of merktekens die het mogelijk maken de partij waartoe een levensmiddel behoort te identificeren (21), Richtlijn 2007/13/EG en Richtlijn 2007/45/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 september 2007 tot vaststelling van regels betreffende nominale hoeveelheden voor voorverpakte producten (22) van toepassing op de etikettering en presentatie van de onder de werkingssfeer van die wetgeving vallende producten.

Artikel 59

Verplichte aanduidingen

1.   Bij de etikettering en presentatie van de in bijlage IV, punten 1 tot en met 11, punten 13, 15 en 16, vermelde producten die in de Gemeenschap in de handel worden gebracht of bestemd zijn voor uitvoer, moeten de volgende aanduidingen worden vermeld:

a)

één van de in bijlage IV vermelde wijncategorieën;

b)

voor wijn met een beschermde oorsprongsbenaming of geografische aanduiding:

i)

de vermelding „beschermde oorsprongsbenaming” of „beschermde geografische aanduiding”, en

ii)

de naam van de beschermde oorsprongsbenaming of geografische aanduiding;

c)

het effectief alcoholvolumegehalte;

d)

de herkomst;

e)

de bottelaar of, indien het mousserende wijn, mousserende wijn waaraan koolzuurgas is toegevoegd, mousserende kwaliteitswijn of aromatische mousserende kwaliteitswijn betreft, de naam van de producent of de verkoper;

f)

de importeur, indien het ingevoerde wijn betreft;

g)

indien het mousserende wijn, mousserende wijn waaraan koolzuurgas is toegevoegd, mousserende kwaliteitswijn of aromatische mousserende kwaliteitswijn betreft, een aanduiding van het suikergehalte.

2.   In afwijking van het bepaalde in lid 1, onder a), mag de vermelding van de categorie van het wijnbouwproduct worden weggelaten indien op het etiket de beschermde oorsprongsbenaming of geografische aanduiding is vermeld.

3.   In afwijking van het bepaalde in lid 1, onder b), mag de vermelding „beschermde oorsprongsbenaming” of „beschermde geografische aanduiding” in de volgende gevallen worden weggelaten:

a)

indien op het etiket een traditionele aanduiding als bedoeld in artikel 54, lid 1, onder a), is vermeld;

b)

indien, in uitzonderlijke omstandigheden die volgens de in artikel 113, lid 1, bedoelde procedure worden bepaald, de beschermde oorsprongsbenaming of geografische aanduiding op het etiket is vermeld.

Artikel 60

Facultatieve aanduidingen

1.   Bij de etikettering en presentatie van de in artikel 59, lid 1, bedoelde producten mogen de volgende aanduidingen worden aangebracht:

a)

het wijnoogstjaar;

b)

de naam van één of meer wijndruivenrassen;

c)

voor andere wijnen dan de in artikel 59, lid 1, onder g), bedoelde, het suikergehalte;

d)

wanneer het wijn met een beschermde oorsprongsbenaming of geografische aanduiding betreft, traditionele aanduidingen als bedoeld in artikel 54, lid 1, onder b);

e)

het communautaire symbool voor beschermde oorsprongsbenamingen of geografische aanduidingen;

f)

bepaalde productiemethoden;

g)

voor wijnen die een beschermde oorsprongsbenaming of geografische aanduiding hebben, de naam van een andere geografische eenheid die kleiner of groter is dan het gebied dat aan de oorsprongsbenaming of geografische aanduiding ten grondslag ligt.

2.   Onverminderd artikel 42, lid 3, wat betreft het gebruik van aanduidingen als bedoeld in lid 1, onder a) en b), voor wijnen zonder beschermde oorsprongsbenaming of geografische aanduiding:

a)

stellen de lidstaten wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen op waarbij certificerings-, goedkeurings- en controleprocedures worden ingesteld die moeten waarborgen dat de betrokken informatie waarheidsgetrouw is;

b)

kunnen de lidstaten, op basis van objectieve en niet-discriminerende criteria en met inachtneming van de eerlijke concurrentie, voor wijnen die worden bereid uit op hun grondgebied voorkomende druivenrassen, lijsten opstellen van wijndruivenrassen die worden uitgesloten, in het bijzonder:

i)

wanneer er gevaar dreigt dat bij de consument verwarring ontstaat omtrent de werkelijke oorsprong van de wijn, omdat het betrokken wijndruivenras een wezenlijk deel uitmaakt van een bestaande beschermde oorsprongsbenaming of geografische aanduiding;

ii)

wanneer de betrokken controles niet kosteneffectief zouden zijn omdat het betrokken wijndruivenras slechts een zeer klein gedeelte van het wijnbouwareaal van de lidstaat vertegenwoordigt;

c)

worden voor mengsels van wijnen uit verschillende lidstaten geen wijndruivenrassen op het etiket vermeld, tenzij de betrokken lidstaten anders beslissen en voor uitvoerbare certificerings-, goedkeurings- en controleprocedures zorgen.

Artikel 61

Talen

1.   De in de artikelen 59 en 60 bedoelde verplichte en facultatieve aanduidingen worden, wanneer deze in woorden worden weergegeven, in één of meer officiële talen van de Gemeenschap op het etiket vermeld.

2.   Onverminderd lid 1 worden beschermde oorsprongsbenamingen, beschermde geografische aanduidingen of traditionele aanduidingen als bedoeld in artikel 54, lid 1, onder a), op het etiket vermeld in de taal of talen waarvoor de bescherming geldt.

Wanneer het beschermde oorsprongsbenamingen, beschermde geografische aanduidingen of specifieke nationale aanduidingen in een niet-Latijns alfabet betreft, kan de naam tevens in één of meer officiële talen van de Gemeenschap worden vermeld.

Artikel 62

Handhaving

De bevoegde autoriteiten van de lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat een in artikel 59, lid 1, bedoeld product dat niet overeenkomstig dit hoofdstuk is geëtiketteerd, niet in de handel wordt gebracht of uit de handel wordt genomen.

Artikel 63

Uitvoeringsbepalingen

De maatregelen die nodig zijn voor de uitvoering van dit hoofdstuk worden vastgesteld volgens de in artikel 113, lid 1, bedoelde procedure.

Deze maatregelen kunnen met name betrekking hebben op de volgende elementen:

a)

de aanduiding van de herkomst van het product;

b)

het gebruik van de in artikel 60 bedoelde facultatieve aanduidingen;

c)

specifieke vereisten in verband met de aanduidingen betreffende het wijnoogstjaar en het wijndruivenras die op etiketten worden vermeld, als bedoeld in artikel 60, lid 2;

d)

verdere afwijkingen naast die welke zijn vermeld in artikel 59, lid 2, die inhouden dat de categorie van het wijnbouwproduct niet hoeft te worden vermeld;

e)

regels betreffende de bescherming die geboden moet worden in verband met de presentatie van het product.

HOOFDSTUK VII

Producentenorganisaties en brancheorganisaties

Artikel 64

Producentenorganisaties

1.   De lidstaten kunnen producentenorganisaties erkennen die:

a)

zijn samengesteld uit producenten van onder deze verordening vallende producten;

b)

op initiatief van producenten zijn opgericht;

c)

een specifiek doel hebben, dat met name verband kan houden met een of meer van de volgende doelstellingen:

i)

gezamenlijk de productie aan de eisen van de markt aanpassen en het product verbeteren;

ii)

de concentratie van het aanbod en het in de handel brengen van de door hun leden geproduceerde producten bevorderen;

iii)

de rationalisatie en verbetering van de productie en de verwerking bevorderen;

iv)

de productie- en marktbeheerskosten verlagen en de producentenprijzen stabiliseren;

v)

de technische bijstand voor het gebruik van milieuvriendelijke teeltmethoden en productietechnieken bevorderen en verstrekken;

vi)

initiatieven stimuleren voor het beheer van de bijproducten van de wijnteelt en het beheer van afval, met name ter bescherming van de water-, bodem- en landschapskwaliteit, en voor het behoud of de verbetering van de biodiversiteit;

vii)

onderzoek verrichten op het gebied van duurzame productiemethoden en marktontwikkelingen;

viii)

bijdragen tot het verwezenlijken van steunprogramma's als bedoeld in hoofdstuk I van titel II;

d)

hun leden statutair verplichten met name tot:

i)

de toepassing van de door de producentenorganisatie vastgestelde voorschriften inzake verstrekking van productiegegevens, productie, afzet en milieubescherming;

ii)

de verstrekking van de door de producentenorganisatie voor statistische doeleinden gevraagde inlichtingen, met name met betrekking tot het productieareaal en de ontwikkeling van de markt;

ii)

de betaling van boetes vanwege inbreuken op de statutair vastgestelde verplichtingen;

e)

een aanvraag tot erkenning als producentenorganisatie bij de betrokken lidstaat hebben ingediend, waarin de volgende gegevens zijn vermeld:

i)

het bewijs dat de organisatie voldoet aan de in de punten a) tot en met d) vastgestelde vereisten;

ii)

het bewijs dat de organisatie over een door de betrokken lidstaten te bepalen minimumaantal leden beschikt;

iii)

het bewijs dat de organisatie in het gebied waar zij actief is, over een door de betrokken lidstaat te bepalen minimumvolume verkoopbare productie beschikt;

iv)

het bewijs dat de organisatie haar activiteiten gedurende voldoende tijd doeltreffend kan uitvoeren, onder meer op het gebied van concentratie van het aanbod;

v)

het bewijs dat de organisatie haar leden daadwerkelijk in de gelegenheid stelt de nodige technische bijstand te verkrijgen om milieuvriendelijke teeltmethoden toe te passen.

2.   Uit hoofde van Verordening (EG) nr. 1493/1999 erkende producentenorganisaties worden beschouwd als erkende producentenorganisaties in het kader van dit artikel.

Artikel 65

Brancheorganisaties

1.   De lidstaten kunnen brancheorganisaties erkennen die aan de volgende voorwaarden voldoen:

a)

zij bestaan uit vertegenwoordigers van beroepsgroepen die betrokken zijn bij het produceren, verhandelen of verwerken van onder deze verordening vallende producten;

b)

zij zijn samengesteld op initiatief van alle of sommige van de onder a) bedoelde vertegenwoordigers;

c)

zij voeren in één of meer regio's van de Gemeenschap één of meer van de volgende maatregelen uit, met inachtneming van de volksgezondheid en de belangen van de consument:

i)

verbeteren van de kennis inzake en de transparantie van de productie en de markt;

ii)

bijdragen tot een betere coördinatie van de wijze waarop producten op de markt worden gebracht, in het bijzonder door onderzoek en marktstudies;

iii)

opstellen van standaardcontracten die verenigbaar zijn met de Gemeenschapsvoorschriften;

iv)

beter benutten van het productiepotentieel;

v)

verschaffen van gegevens en verrichten van onderzoek om de productie te richten op producten die beter op de eisen van de markt en op de smaak en de verwachtingen van de consument zijn afgestemd, met name wat de kwaliteit van de producten en de bescherming van het milieu betreft;

vi)

verstrekken van informatie over de bijzondere kenmerken van wijn met een beschermde oorsprongsbenaming of geografische aanduiding;

vii)

zoeken van methoden die minder gewasbeschermings- en andere productiemiddelen vergen en die de kwaliteit van het product en het behoud van bodem en water waarborgen;

viii)

bevorderen van geïntegreerde of andere milieuvriendelijke productiemethoden;

ix)

bevorderen van een matig en verantwoord wijnverbruik en verstrekken van informatie over de schade die gepaard gaat met een riskant consumptiepatroon;

x)

uitvoeren van afzetbevorderingsacties met betrekking tot wijn, vooral in derde landen;

xi)

ontwikkelen van methoden en instrumenten om de kwaliteit van het product te verbeteren in alle stadia van de productie, de wijnbereiding en de afzet;

xii)

benutten, beschermen en bevorderen van het potentieel van de biologische landbouw;

xiii)

benutten, beschermen en bevorderen van kwaliteitslabels en beschermde oorsprongsbenamingen en geografische aanduidingen;

d)

zij hebben een aanvraag tot erkenning bij de betrokken lidstaat ingediend, waarin de volgende gegevens zijn vermeld:

i)

het bewijs dat de organisatie voldoet aan de in de punten a) tot en met c) vastgestelde vereisten;

ii)

het bewijs dat de organisatie in een of meer regio's van het betrokken gebied actief is;

iii)

het bewijs dat de organisatie een aanzienlijk aandeel in de productie van of handel in onder deze verordening vallende producten vertegenwoordigt;

iv)

het bewijs dat de organisatie niet actief is op het gebied van de productie, de verwerking of het in de handel brengen van onder deze verordening vallende producten.

2.   Organisaties die voldoen aan de voorwaarden van lid 1 en die door een lidstaat zijn erkend, worden beschouwd als erkende brancheorganisaties uit hoofde van dit artikel.

Artikel 66

Erkenningsprocedure

1.   Aanvragen tot erkenning van een producentenorganisatie of brancheorganisatie worden ingediend bij de lidstaat waar de organisatie haar hoofdzetel heeft en worden door deze lidstaat onderzocht.

2.   De betrokken lidstaat beslist uiterlijk vier maanden na de indiening van de aanvraag of de organisatie wordt erkend.

Artikel 67

Voorschriften inzake het in de handel brengen

1.   Ter verbetering en stabilisering van de werking van de gemeenschappelijke markt voor wijn, met inbegrip van de voor de vervaardiging van die wijn gebruikte druiven, most en wijn, kunnen de producerende lidstaten, met name aan de hand van de uitvoeringsbesluiten van de brancheorganisaties, voorschriften inzake het in de handel brengen vaststellen om het aanbod te reguleren.

Die voorschriften moeten in verhouding staan tot het nagestreefde doel; niet toegestaan zijn voorschriften:

a)

die betrekking hebben op transacties die volgen op het tijdstip waarop het betrokken product voor het eerst in de handel is gebracht;

b)

die prijsstellingen mogelijk maken, zelfs als het richtsnoeren of aanbevelingen betreft;

c)

die een buitensporig groot gedeelte van de normaliter beschikbare jaarlijkse oogst blokkeren;

d)

die ruimte bieden voor weigering van de afgifte van nationale en communautaire bewijsstukken die nodig zijn om wijn in het verkeer en in de handel te brengen, wanneer het in de handel brengen in overeenstemming is met de betrokken voorschriften.

2.   De in lid 1 bedoelde voorschriften worden in extenso ter kennis van de marktdeelnemers gebracht door middel van bekendmaking in een officiële publicatie van de betrokken lidstaat.

Artikel 68

Toezicht

De lidstaten:

a)

verrichten met geregelde tussenpozen controles op de inachtneming van de in de artikelen 64 en 65 vastgestelde erkenningsvoorwaarden door de producentenorganisaties en brancheorganisaties;

b)

trekken de erkenning in van producentenorganisaties en brancheorganisaties die niet meer aan de betrokken voorschriften voldoen, en leggen bij niet-naleving of bij onregelmatigheden sancties aan deze organisaties op.

Artikel 69

Kennisgeving

De lidstaten stellen de Commissie voor het eerst uiterlijk op 1 maart 2009 en verder uiterlijk op 1 maart van elk jaar in kennis van de besluiten of maatregelen die zij het voorgaande kalenderjaar op grond van de artikelen 66, 67 en 68 hebben genomen.

TITEL IV

HANDEL MET DERDE LANDEN

HOOFDSTUK I

Gemeenschappelijke bepalingen

Artikel 70

Algemene beginselen

1.   Tenzij in deze verordening anders is bepaald, gelden voor de onder deze verordening vallende producten de rechten van het gemeenschappelijk douanetarief.

2.   Tenzij in deze verordening of in de bepalingen ter uitvoering ervan anders is vastgesteld, is het in het handelsverkeer met derde landen verboden:

a)

heffingen van gelijke werking als een douanerecht op te leggen;

b)

kwantitatieve beperkingen of maatregelen van gelijke werking op te leggen.

Artikel 71

Gecombineerde nomenclatuur

Voor de indeling van de onder deze verordening vallende producten gelden de algemene bepalingen voor de interpretatie van de gecombineerde nomenclatuur en de bijzondere regels voor de toepassing ervan. De tariefnomenclatuur die voortvloeit uit de toepassing van deze verordening, eventueel met inbegrip van de definities en categorieën in de bijlagen I en IV, worden opgenomen in het gemeenschappelijk douanetarief.

HOOFDSTUK II

Invoer- en uitvoercertificaten

Artikel 72

Invoer- en uitvoercertificaten

1.   Volgens de in artikel 113, lid 1, bedoelde procedure mag worden bepaald dat invoer- of uitvoercertificaten moeten worden overgelegd voor de invoer in of de uitvoer uit de Gemeenschap van één of meer producten van de GN-codes 2009 61, 2009 69 en 2204.

2.   Voor de toepassing van lid 1 wordt rekening gehouden met de behoefte aan certificaten voor het beheer van de betrokken markten en, met name, wanneer het invoercertificaten betreft, met de behoefte aan toezicht op de invoer van de betrokken producten.

Artikel 73

Afgifte van certificaten

De lidstaten geven invoer- en uitvoercertificaten af aan elke daarom verzoekende aanvrager, ongeacht de plaats waar deze in de Gemeenschap is gevestigd, tenzij in een verordening of een ander besluit van de Raad anders is bepaald en onverminderd de voor de toepassing van hoofdstuk IV getroffen maatregelen.

Artikel 74

Geldigheid van de certificaten

De afgegeven invoer- en uitvoercertificaten zijn in de hele Gemeenschap geldig.

Artikel 75

Zekerheid

1.   Tenzij volgens de in artikel 113, lid 1, bedoelde procedure anders is bepaald, worden invoer- en uitvoercertificaten slechts afgegeven indien daarvoor een zekerheid wordt gesteld die er borg voor moet staan dat de producten tijdens de geldigheidsperiode van het certificaat worden in- of uitgevoerd.

2.   Behalve in gevallen van overmacht wordt de zekerheid geheel of gedeeltelijk verbeurd indien de in- of uitvoer tijdens de geldigheidsperiode van het certificaat niet of slechts ten dele plaatsvindt.

Artikel 76

Bijzondere zekerheid

1.   Voor druivensap en druivenmost van de GN-codes 2009 61, 2009 69 en 2204 30 waarvoor de toepassing van de rechten van het gemeenschappelijk douanetarief afhankelijk is van de invoerprijs, wordt de echtheid van deze prijs geverifieerd, hetzij door controle van elke partij, hetzij aan de hand van een forfaitaire waarde bij invoer die door de Commissie wordt berekend op basis van de prijsnoteringen voor dezelfde producten in de landen van oorsprong.

Wanneer de gedeclareerde invoerprijs van de betrokken partij hoger is dan de eventuele forfaitaire waarde bij invoer, verhoogd met een overeenkomstig de in artikel 113, lid 1, bedoelde procedure vastgestelde marge die de forfaitaire waarde met niet meer dan 10 % mag overschrijden, moet een zekerheid worden gesteld die gelijk is aan de op basis van de forfaitaire waarde bij invoer vastgestelde invoerrechten.

Wanneer de invoerprijs van de betrokken partij niet wordt gedeclareerd, is de toepassing van de rechten van het gemeenschappelijk douanetarief afhankelijk van de forfaitaire waarde bij invoer of van de toepassing, onder overeenkomstig de procedure in artikel 113, lid 1, te bepalen voorwaarden, van de desbetreffende bepalingen van de douanewetgeving.

2.   Indien de in bijlage VI, punt B.5 of C, bedoelde afwijkingen worden toegepast op ingevoerde producten, stellen de importeurs op het ogenblik van de vrijgave voor het vrije verkeer een zekerheid voor deze producten bij de aangewezen douaneautoriteiten. De zekerheid wordt vrijgegeven wanneer de importeur ten genoegen van de douaneautoriteiten van de lidstaat waar de producten voor het vrije verkeer worden vrijgegeven, aantoont dat de most tot druivensap is verwerkt, in andere producten buiten de wijnsector is gebruikt, of, indien hij tot wijn is verwerkt, naar behoren is geëtiketteerd.

Artikel 77

Uitvoeringsbepalingen

De maatregelen die nodig zijn voor de uitvoering van dit hoofdstuk worden vastgesteld volgens de in artikel 113, lid 1, bedoelde procedure.

Deze maatregelen kunnen met name betrekking hebben op de volgende elementen:

a)

de vaststelling van criteria om te bepalen welke controlemethode moet worden toegepast;

b)

het bepalen van de factoren die bij de berekening van de forfaitaire waarde bij invoer in aanmerking moeten worden genomen;

c)

het niveau van de in de artikelen 75 en 76 bedoelde zekerheid en de voorschriften voor het vrijgeven van die zekerheid;

d)

in voorkomend geval, de lijst van producten waarvoor invoer- of uitvoercertificaten worden geëist;

e)

in voorkomend geval, de voorwaarden inzake de afgifte en de geldigheidsduur van de invoer- en uitvoercertificaten.

HOOFDSTUK III

Vrijwaringsmaatregelen en maatregelen inzake actieve en passieve veredeling

Artikel 78

Vrijwaringsmaatregelen

1.   Vrijwaringsmaatregelen tegen invoer in de Gemeenschap worden, met inachtneming van lid 3 van dit artikel, door de Commissie genomen overeenkomstig de Verordeningen (EG) nr. 519/94 van de Raad (23) en (EG) nr. 3285/94 van de Raad van 22 december 1994 betreffende de gemeenschappelijke invoerregeling (24).

2.   Tenzij in andere besluiten van de Raad anders is bepaald, worden vrijwaringsmaatregelen tegen invoer in de Gemeenschap waarin is voorzien in overeenkomstig artikel 300 van het Verdrag gesloten internationale overeenkomsten, door de Commissie genomen overeenkomstig lid 3 van het onderhavige artikel.

3.   De Commissie neemt de in de leden 1 en 2 bedoelde maatregelen op verzoek van een lidstaat of op eigen initiatief. Indien de Commissie een dergelijk verzoek van een lidstaat ontvangt, beslist zij daarover binnen vijf werkdagen na ontvangst van het verzoek.

Deze maatregelen worden aan de lidstaten meegedeeld en zijn onmiddellijk van toepassing.

Besluiten die de Commissie overeenkomstig de leden 1 en 2 heeft genomen, mogen door iedere lidstaat binnen vijf werkdagen na de datum waarop zij zijn meegedeeld, aan de Raad worden voorgelegd. De Raad komt onverwijld bijeen. De Raad kan de betrokken besluiten binnen één maand na de datum waarop zij hem zijn voorgelegd, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen wijzigen of intrekken.

4.   Als de Commissie meent dat een overeenkomstig de leden 1 of 2 genomen vrijwaringsmaatregel moet worden ingetrokken of gewijzigd, gaat zij als volgt te werk:

a)

als het om maatregelen gaat waartoe de Raad heeft besloten, doet de Commissie de Raad het voorstel deze maatregelen in te trekken of te wijzigen. De Raad neemt hierover met gekwalificeerde meerderheid van stemmen een besluit;

b)

in alle andere gevallen worden de communautaire vrijwaringsmaatregelen door de Commissie ingetrokken of gewijzigd.

Artikel 79

Aanvullende invoerrechten

1.   Bij invoer, tegen het in artikel 70, lid 1, bedoelde recht, van druivensap en druivenmost met een speciale SSG-vermelding („Special Safeguard”) in de Landbouwovereenkomst die tijdens de multilaterale handelsonderhandelingen in het kader van de Uruguayronde is gesloten, wordt, om eventuele nadelige gevolgen van deze invoer voor de markt van de Gemeenschap te voorkomen of te neutraliseren, een aanvullend invoerrecht toegepast indien:

a)

de invoer plaatsvindt tegen een prijs die lager is dan het niveau dat de Gemeenschap aan de WTO heeft gemeld, of

b)

het ingevoerde volume in om het even welk jaar een bepaald niveau overschrijdt.

Het onder b) bedoelde volume wordt gebaseerd op de markttoegang, waarbij onder markttoegang wordt verstaan de invoer als percentage van het betrokken interne verbruik in de voorgaande drie jaren.

2.   Er worden geen aanvullende invoerrechten geheven wanneer de invoer de communautaire markt niet dreigt te verstoren of de gevolgen niet in verhouding zouden staan tot het beoogde doel.

3.   Voor de toepassing van lid 1, onder a), worden de invoerprijzen vastgesteld op basis van de cif-invoerprijzen van de betrokken zending.

De cif-invoerprijzen worden geverifieerd aan de hand van de representatieve prijzen voor het betrokken product op de wereldmarkt of op de communautaire invoermarkt voor dat product.

Artikel 80

Schorsing van de regeling actieve en passieve veredeling

1.   Wanneer de communautaire markt wordt verstoord of dreigt te worden verstoord door regelingen voor actieve of passieve veredeling, mag op verzoek van een lidstaat of op initiatief van de Commissie en volgens de in artikel 113, lid 1, bedoelde procedure worden overgaan tot gehele of gedeeltelijke opschorting van het gebruik van de regelingen voor actieve of passieve veredeling voor de onder deze verordening vallende producten. Wanneer de Commissie een verzoek van een lidstaat ontvangt, neemt zij binnen vijf werkdagen na de ontvangst van het verzoek een besluit hierover.

Deze maatregelen worden aan de lidstaten meegedeeld en zijn onmiddellijk van toepassing.

Maatregelen waartoe overeenkomstig de eerste alinea is beslist, mogen door iedere lidstaat binnen vijf werkdagen na de datum waarop zij zijn meegedeeld, aan de Raad worden voorgelegd. De Raad komt onverwijld bijeen. De Raad kan de betrokken maatregelen binnen één maand na de datum waarop zij hem zijn voorgelegd, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen wijzigen of intrekken.

2.   Voor zover nodig voor de goede werking van de gemeenschappelijke ordening van de wijnmarkt, kan de Raad de onder deze verordening vallende producten volgens de in artikel 37, lid 2, van het Verdrag vastgestelde procedure volledig of gedeeltelijk uitsluiten van de regelingen voor actieve of passieve veredeling.

Artikel 81

Uitvoeringsbepalingen

De maatregelen die nodig zijn voor de uitvoering van dit hoofdstuk worden vastgesteld volgens de in artikel 113, lid 1, bedoelde procedure.

HOOFDSTUK IV

Invoervoorschriften

Artikel 82

Invoervoorschriften

1.   Tenzij anders is bepaald, met name in overeenkomstig artikel 300 van het Verdrag gesloten overeenkomsten, zijn de bepalingen inzake oorsprongsbenamingen, geografische aanduidingen en etikettering als vastgesteld in titel III, hoofdstukken III en IV, in voorkomend geval, en artikel 25, lid 2, van deze verordening van toepassing op in de Gemeenschap ingevoerde producten van de GN-codes 2009 61, 2009 69 en 2204.

2.   Tenzij anders is bepaald in overeenkomstig artikel 300 van het Verdrag gesloten overeenkomsten, worden de in lid 1 van dit artikel bedoelde producten geproduceerd overeenkomstig oenologische procedés die worden aanbevolen en gepubliceerd door de OIV of zijn toegestaan door de Gemeenschap op grond van deze verordening en de uitvoeringsbepalingen ervan.

3.   Voor de invoer van de in artikel 1 bedoelde producten worden de volgende documenten overgelegd:

a)

een bewijs van naleving van de in de leden 1 en 2 bedoelde bepalingen, dat in het land van herkomst van het product is opgesteld door een bevoegd orgaan dat is opgenomen in een door de Commissie te publiceren lijst;

b)

met betrekking tot voor rechtstreekse menselijke consumptie bestemde producten, een analyseverslag dat is opgesteld door een door het land van herkomst van het product aangewezen orgaan of dienst.

Artikel 83

Tariefcontingenten

1.   Tariefcontingenten voor de invoer van onder deze verordening vallende producten, die voortvloeien uit overeenkomstig artikel 300 van het Verdrag gesloten overeenkomsten of uit enig ander besluit van de Raad, worden door de Commissie geopend en beheerd overeenkomstig nadere bepalingen die worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 113, lid 1, van deze verordening.

2.   De tariefcontingenten worden beheerd op een wijze die elke vorm van discriminatie tussen de betrokken marktdeelnemers voorkomt, aan de hand van één van de volgende methoden, een combinatie daarvan, of een andere passende methode:

a)

op basis van de chronologische volgorde waarin de aanvragen zijn ingediend (het beginsel „wie het eerst komt, het eerst maalt”);

b)

evenredige verdeling naar rato van de hoeveelheden waarom bij de indiening van de aanvragen is verzocht (methode van het „gelijktijdig onderzoek”);

c)

rekening houdend met de traditionele handelsstromen (methode van de „traditionele en de nieuwe marktdeelnemers”).

3.   Bij de vastgestelde methode voor het contingentenbeheer wordt, in voorkomend geval, naar behoren rekening gehouden met de voorzieningsbehoeften van de markt van de Gemeenschap en met de noodzaak het evenwicht op deze markt te bewaren.

Artikel 84

Uitvoeringsbepalingen

De maatregelen die nodig zijn voor de uitvoering van dit hoofdstuk worden vastgesteld volgens de in artikel 113, lid 1, bedoelde procedure.

Deze maatregelen kunnen met name betrekking hebben op de volgende elementen:

a)

nadere gegevens betreffende de invoervoorschriften;

b)

garanties ten aanzien van de aard, de herkomst en de oorsprong van het product;

c)

de erkenning van het document aan de hand waarvan de onder b) bedoelde garanties kunnen worden geverifieerd.

TITEL V

PRODUCTIEPOTENTIEEL

HOOFDSTUK I

Onrechtmatige aanplant

Artikel 85

Onrechtmatige aanplant na 31 augustus 1998

1.   Oppervlakten waarop, in voorkomend geval, na 31 augustus 1998 zonder overeenkomstig aanplantrecht wijnstokken zijn aangeplant, worden door de producenten op eigen kosten gerooid.

2.   In afwachting van de in artikel 1 bedoelde rooiactiviteiten mogen de druiven die afkomstig zijn van de in dat lid bedoelde oppervlakten, evenals de met die druiven bereide producten, slechts voor distillatie en uitsluitend op kosten van de producent in het verkeer worden gebracht. Deze producten mogen na distillatie niet worden gebruikt voor de bereiding van alcohol met een effectief alcoholvolumegehalte van 80 % vol of minder.

3.   Onverminderd eventuele vroegere sancties die door de lidstaten zijn opgelegd, leggen de lidstaten vanaf 31 december 2008 aan de producenten die deze rooiverplichting niet in acht hebben genomen, sancties op die worden aangepast aan de ernst, de omvang en de duur van de niet-naleving.

4.   Uiterlijk op 1 maart van elk jaar delen de lidstaten aan de Commissie mee welke oppervlakten na 31 augustus 1998 zonder overeenkomstig aanplantrecht zijn aangeplant en welke oppervlakten overeenkomstig lid 1 zijn gerooid.

5.   Het in artikel 90, lid 1, vastgestelde verstrijken van het voorlopige verbod op nieuwe aanplant op 31 december 2015 doet niets af aan de in het onderhavige artikel vastgestelde verplichtingen.

Artikel 86

Verplichte regularisatie van onrechtmatige aanplant die vóór 1 september 1998 heeft plaatsgehad

1.   De producenten moeten, in voorkomend geval, de oppervlakten waarop zij vóór 1 september 1998 zonder overeenkomstig aanplantrecht wijnstokken hebben aangeplant, tegen de betaling van een vergoeding uiterlijk op 31 december 2009 regulariseren.

Onverminderd eventuele procedures in verband met goedkeuring van de rekeningen geldt het bepaalde in de eerste alinea niet voor oppervlakten die zijn geregulariseerd overeenkomstig artikel 2, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1493/1999.

2.   De in lid 1 bedoelde vergoeding wordt door de lidstaten vastgesteld. De vergoeding moet ten minste het dubbele bedragen van de gemiddelde waarde van het overeenkomstige aanplantrecht in de betrokken regio.

3.   In afwachting van de in artikel 1 bedoelde regularisatie mogen de druiven die afkomstig zijn van de in dat lid bedoelde oppervlakten, evenals de met die druiven bereide producten, slechts voor distillatie en uitsluitend op kosten van de producent in het verkeer worden gebracht. Deze producten mogen niet worden gebruikt voor de bereiding van alcohol met een effectief alcoholvolumegehalte van 80 % vol of minder.

4.   In lid 1 bedoelde onrechtmatig aangeplante oppervlakten die uiterlijk op 31 december 2009 niet overeenkomstig dat lid zijn geregulariseerd, worden door de betrokken producenten op eigen kosten gerooid.

De lidstaten leggen aan de producenten die deze rooiverplichting niet in acht nemen, sancties op die worden aangepast aan de ernst, de omvang en de duur van de niet-naleving.

In afwachting van het rooien als bedoeld in de eerste alinea, is lid 3 van overeenkomstige toepassing.

5.   De lidstaten stellen de Commissie uiterlijk op 1 maart van elk van de betrokken jaren in kennis van:

a)

de oppervlakten waarop vóór 1 september 1998 zonder overeenkomstig aanplantrecht wijnstokken zijn aangeplant;

b)

de op grond van lid 1 geregulariseerde oppervlakten, de in dat lid bedoelde vergoedingen en de in lid 2 bedoelde gemiddelde waarde van de regionale aanplantrechten.

De lidstaten stellen de Commissie, voor het eerst uiterlijk op 1 maart 2010, in kennis van de overeenkomstig lid 4, eerste alinea, gerooide oppervlakten.

6.   Het in artikel 90, lid 1, vastgestelde verstrijken van het voorlopige verbod op nieuwe aanplant op 31 december 2015 doet niets af aan de in de leden 3, 4 en 5 vastgestelde verplichtingen.

Artikel 87

Controle op het niet in het verkeer brengen of distillatie

1.   Wat betreft artikel 85, lid 2, en artikel 86, leden 3 en 4, eisen de lidstaten een bewijs dat de betrokken producten niet in het verkeer zijn gebracht of, wanneer de betrokken producten worden gedistilleerd, de voorlegging van de distillatiecontracten.

2.   De lidstaten verifiëren het niet in het verkeer brengen en de distillatie als bedoeld in lid 1. Bij niet-naleving leggen zij sancties op.

3.   De lidstaten stellen de Commissie in kennis van de oppervlakten waarvoor de distillatieverplichting geldt, alsmede van het overeenkomstige aantal volume-eenheden alcohol.

Artikel 88

Begeleidende maatregelen

In artikel 86, lid 1, eerste alinea, bedoelde oppervlakten, zolang zij niet zijn geregulariseerd, en in artikel 85, lid 1, bedoelde oppervlakten, komen niet in aanmerking voor nationale of communautaire steunmaatregelen.

Artikel 89

Uitvoeringsbepalingen

De maatregelen die nodig zijn voor de uitvoering van dit hoofdstuk worden vastgesteld volgens de in artikel 113, lid 1, bedoelde procedure.

Deze maatregelen kunnen met name betrekking hebben op de volgende elementen:

a)

nadere gegevens betreffende de voorschriften inzake door de lidstaten te verrichten kennisgevingen, onder meer inzake eventuele verlagingen van de in bijlage II vermelde begrotingstoewijzingen bij niet-naleving;

b)

nadere gegevens over de sancties die de lidstaten dienen op te leggen bij niet-naleving van de in de artikelen 85, 86 en 87 vastgestelde verplichtingen.

HOOFDSTUK II

Overgangsregeling inzake aanplantrechten

Artikel 90

Tijdelijk verbod op de aanplant van wijnstokken

1.   Onverminderd artikel 24, en met name lid 3 daarvan, is het tot en met 31 december 2015 verboden wijnstokken aan te planten van wijndruivenrassen die overeenkomstig artikel 24, lid 1, in een indeling kunnen worden opgenomen.

2.   Tot en met 31 december 2015 is het eveneens verboden wijndruivenrassen die overeenkomstig artikel 24, lid 1, in een indeling kunnen worden opgenomen, te enten op andere wijndruivenrassen dan de in dat artikel bedoelde.

3.   In afwijking van de leden 1 en 2 worden het aanplanten en het enten als bedoeld in die leden toegestaan, mits dat gebeurt op grond van:

a)

nieuweaanplantrechten, als bedoeld in artikel 91;

b)

herbeplantingsrechten, als bedoeld in artikel 92;

c)

uit een reserve toegekende aanplantrechten, als bedoeld in de artikelen 93 en 94.

4.   De in lid 3 bedoelde aanplantrechten worden toegekend voor in hectare uitgedrukte oppervlakten.

5.   De artikelen 91 tot en met 96 zijn van toepassing tot en met 31 december 2015.

6.   De lidstaten mogen het in lid 1 bedoelde verbod tot en met 31 december 2018 op hun grondgebied of op gedeelten van hun grondgebied handhaven. In dat geval blijft de in dit hoofdstuk uiteengezette overgangsregeling inzake aanplantrechten, inclusief dit artikel, in de betrokken lidstaat van overeenkomstige toepassing.

Artikel 91

Nieuweaanplantrechten

1.   De lidstaten mogen producenten nieuweaanplantrechten toekennen voor oppervlakten:

a)

die voor nieuwe aanplant zijn bestemd in het kader van ruilverkavelingen of onteigeningen in het algemeen belang waartoe krachtens de nationale wetgeving is besloten, of

b)

die bestemd zijn voor experimentele doeleinden, of

c)

die bestemd zijn voor het kweken van entstokken, of

d)

waarvan de opbrengst aan wijn of wijnproducten uitsluitend bestemd is voor consumptie door de wijnbouwer en zijn gezin.

2.   De toegekende nieuweaanplantrechten worden:

a)

gebruikt door de producent aan wie zij zijn toegekend;

b)

gebruikt vóór het einde van het tweede wijnoogstjaar na dat waarin de rechten zijn toegekend;

c)

gebruikt voor de doeleinden waarvoor zij zijn toegekend.

Artikel 92

Herbeplantingsrechten

1.   De lidstaten kennen herbeplantingsrechten toe aan producenten die een met wijnstokken beplante oppervlakte hebben gerooid.

Voor gerooide oppervlakten waarvoor overeenkomstig hoofdstuk III een rooipremie is toegekend, worden evenwel geen herbeplantingsrechten toegekend.

2.   De lidstaten kennen herbeplantingsrechten toe aan producenten die zich ertoe verbinden een met wijnstokken beplante oppervlakte te rooien. In dergelijke gevallen wordt de oppervlakte waarvoor de verbintenis is aangegaan, gerooid binnen drie jaar na het jaar waarin de nieuwe wijnstokken waarvoor de herbeplantingsrechten zijn toegekend, zijn aangeplant.

3.   De oppervlakte waarvoor herbeplantingsrechten worden toegekend moet, uitgedrukt in uitsluitend met wijnstokken beplante cultuurgrond, overeenkomen met de gerooide oppervlakte.

4.   De herbeplantingsrechten moeten worden gebruikt op het bedrijf waaraan zij zijn toegekend. De lidstaten mogen voorts bepalen dat dergelijke herbeplantingsrechten slechts mogen worden gebruikt op de gerooide oppervlakte.

5.   In afwijking van lid 4 kunnen de lidstaten bepalen dat herbeplantingsrechten in de volgende gevallen geheel of gedeeltelijk aan een ander bedrijf in dezelfde lidstaat mogen worden overgedragen:

a)

wanneer een deel van het betrokken bedrijf aan dat andere bedrijf wordt overgedragen;

b)

wanneer oppervlakten van dat andere bedrijf zijn bestemd voor:

i)

de productie van wijn met een beschermde oorsprongsbenaming of geografische aanduiding, of

ii)

het kweken van entstokken.

De lidstaten zorgen ervoor dat de toepassing van de in de eerste alinea bedoelde afwijkingen niet leidt tot een algemene stijging van het productiepotentieel op hun grondgebied, met name wanneer overdrachten gebeuren van niet-bevloeide naar bevloeide oppervlakten.

6.   Het bepaalde in de leden 1 tot en met 5 is van overeenkomstige toepassing op rechten die vergelijkbaar zijn met herbeplantingsrechten en op grond van eerdere communautaire of nationale wetgeving zijn verworven.

7.   Herbeplantingsrechten die zijn toegekend op grond van artikel 4, lid 5, van Verordening (EG) nr. 1493/1999, worden gebruikt binnen de daarin vastgestelde termijnen.

Artikel 93

Nationale en regionale reserve van aanplantrechten

1.   Met het oog op een beter beheer van het productiepotentieel vormen de lidstaten een nationale reserve of regionale reserves van aanplantrechten.

2.   Lidstaten die op grond van Verordening (EG) nr. 1493/1999 een nationale reserve of regionale reserves van aanplantrechten hebben gevormd, mogen deze reserves behouden zolang zij de overgangsregeling inzake aanplantrechten overeenkomstig dit hoofdstuk toepassen.

3.   De volgende aanplantrechten worden, indien zij niet binnen de voorgeschreven termijn worden gebruikt, toegewezen aan de nationale of regionale reserves:

a)

nieuwe aanplantrechten;

b)

herbeplantingsrechten;

c)

uit de reserve toegekende aanplantrechten.

4.   De producenten mogen herbeplantingsrechten overdragen aan de nationale of regionale reserves. De voorwaarden voor dergelijke overdrachten, in voorkomend geval tegen een vergoeding uit nationale middelen, worden door de lidstaten vastgesteld met inachtneming van de rechtmatige belangen van de partijen.

5.   In afwijking van lid 1 mogen de lidstaten beslissen geen reservesysteem in te stellen, op voorwaarde dat zij kunnen aantonen over een ander doeltreffend systeem voor het beheer van aanplantrechten op hun gehele grondgebied te beschikken. Dat systeem mag indien nodig afwijken van de desbetreffende bepalingen van dit hoofdstuk.

De eerste alinea is eveneens van toepassing op de lidstaten die de werking van op grond van Verordening (EG) nr. 1493/1999 gevormde nationale of regionale reserves stopzetten.

Artikel 94

Toekenning van aanplantrechten uit de reserve

1.   De lidstaten mogen rechten uit een reserve toekennen:

a)

zonder betaling van een vergoeding, aan producenten die jonger zijn dan 40 jaar, de nodige vakbekwaamheid en -kennis hebben en voor het eerst als bedrijfshoofd een bedrijf opstarten;

b)

tegen betaling van een vergoeding aan een nationaal fonds of, in voorkomend geval, aan regionale fondsen, aan producenten die voornemens zijn de rechten te gebruiken voor de aanplant van wijngaarden waarvan de productie gegarandeerd kan worden afgezet.

De lidstaten bepalen de criteria voor de vaststelling van de onder b) bedoelde vergoeding, die mag variëren naargelang van het toekomstige eindproduct van de betrokken wijngaarden en de resterende periode waarin het in artikel 90, leden 1 en 2, bedoelde verbod op nieuwe aanplant nog van kracht is.

2.   Wanneer uit een reserve toegekende rechten worden gebruikt, zien de lidstaten erop toe dat:

a)

de locatie, de gebruikte rassen en de gebruikte teeltmethoden borg staan voor een op de marktvraag afgestemde productie;

b)

de betrokken opbrengsten overeenkomen met het regionale gemiddelde, met name wanneer de aanplantrechten uit niet-bevloeide oppervlakten op bevloeide oppervlakten worden gebruikt.

3.   Uit een reserve toegekende aanplantrechten die aan het einde van het tweede wijnoogstjaar na dat waarin zij zijn toegekend, niet zijn gebruikt, worden als verloren beschouwd en worden weer aan de reserve toegewezen.

4.   In een reserve opgenomen aanplantrechten die aan het einde van het vijfde wijnoogstjaar na dat waarin zij aan de reserve zijn toegewezen, nog niet opnieuw zijn toegekend, vervallen.

5.   Een lidstaat die regionale reserves vormt, mag voorschriften vaststellen voor de overdracht van aanplantrechten tussen regionale reserves. Lidstaten met zowel regionale reserves als een nationale reserve, mogen voorzien in overdrachten tussen die reserves.

Op de overdrachten kan een verminderingscoëfficiënt worden toegepast.

Artikel 95

De minimis

Dit hoofdstuk is niet van toepassing in de lidstaten waar de communautaire regeling inzake aanplantrechten niet op 31 december 2007 van toepassing was.

Artikel 96

Stringentere nationale voorschriften

De lidstaten mogen stringentere nationale voorschriften voor de toekenning van nieuweaanplantrechten of herbeplantingsrechten vaststellen. Dit kan tot gevolg hebben dat de betrokken aanvragen en de daarin te verstrekken gegevens moeten worden aangevuld met informatie die nodig is voor het toezicht op de ontwikkeling van het productiepotentieel.

Artikel 97

Uitvoeringsbepalingen

De maatregelen die nodig zijn voor de uitvoering van dit hoofdstuk worden vastgesteld volgens de in artikel 113, lid 1, bedoelde procedure.

Deze maatregelen kunnen met name betrekking hebben op de volgende elementen:

a)

bepalingen om excessieve administratieve lasten bij de toepassing van dit hoofdstuk te voorkomen;

b)

het in artikel 92, lid 2, bedoelde naast elkaar bestaan van wijnstokken;

c)

de toepassing van de in artikel 94, lid 5, bedoelde verminderingscoëfficiënt.

HOOFDSTUK III

Rooiregeling

Artikel 98

Werkingssfeer en begripsomschrijving

In dit hoofdstuk wordt vastgesteld tegen welke voorwaarden wijnbouwers een premie ontvangen in ruil voor het rooien van wijnstokken (hierna „rooipremie” genoemd).

Artikel 99

Geldigheidsduur van de regeling

De rooiregeling is van kracht tot het einde van het wijnoogstjaar 2010/2011.

Artikel 100

Voorwaarden om voor de rooipremie in aanmerking te komen

De rooipremie wordt slechts toegekend voor oppervlakten die aan de volgende voorwaarden voldoen:

a)

voor de betrokken oppervlakte is in de tien wijnoogstjaren die aan de aanvraag voor het rooien voorafgaan, geen communautaire of nationale steun voor maatregelen in het kader van herstructurering of omschakeling verleend;

b)

voor de betrokken oppervlakte is in de vijf wijnoogstjaren die aan de aanvraag voor het rooien voorafgaan, geen communautaire steun verleend uit hoofde van een andere gemeenschappelijke marktordening;

c)

de oppervlakte wordt onderhouden;

d)

de oppervlakte is niet kleiner dan 0,1 hectare. Een lidstaat kan evenwel besluiten dat die minimumoppervlakte 0,3 hectare bedraagt in specifieke administratieve regio's van die lidstaat waarin de gemiddelde met wijnstokken beplante oppervlakte van een wijnbouwbedrijf meer dan 1 hectare bedraagt;

e)

bij de aanplant van de oppervlakte zijn geen inbreuken op de toepasselijke communautaire of nationale bepalingen gepleegd;

f)

de oppervlakte is beplant met een wijndruivenras dat overeenkomstig artikel 24, lid 1, in een indeling kan worden opgenomen.

In afwijking van het bepaalde onder e), komen oppervlakten die overeenkomstig artikel 2, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1493/1999 en artikel 86, lid 1, van de onderhavige verordening zijn geregulariseerd, in aanmerking voor de rooipremie.

Artikel 101

Bedrag van de rooipremie

1.   De niveaus van de toe te kennen rooipremies worden vastgesteld volgens de in artikel 113, lid 1, bedoelde procedure.

2.   De lidstaat stelt het specifieke bedrag van de rooipremie vast op basis van de historische opbrengsten van het betrokken bedrijf en met inachtneming van de in lid 1 bedoelde niveaus.

Artikel 102

Procedure en begroting

1.   Belangstellende producenten dienen hun rooipremieaanvraag uiterlijk op 15 september van elk jaar in bij de bevoegde autoriteiten van hun lidstaat. De lidstaten kunnen een vroegere datum dan 15 september vaststellen, mits die datum na 30 juni valt en in voorkomend geval rekening wordt gehouden met de toepassing van de in artikel 104 vastgestelde vrijstellingen.

2.   De lidstaten verrichten administratieve controles met betrekking tot de ontvangen aanvragen, verwerken de in aanmerking komende aanvragen en stellen de Commissie uiterlijk op 15 oktober van elk jaar in kennis van de totale oppervlakte en de totale bedragen waarop deze aanvragen betrekking hebben, opgesplitst naar regio en opbrengstniveau.

3.   De maximale jaarbegroting voor de rooiregeling is vastgesteld in bijlage VII.

4.   Uiterlijk op 15 november van elk jaar wordt volgens de in artikel 113, lid 1, bedoelde procedure een percentage voor aanvaarding van de gemelde bedragen vastgesteld indien het door de lidstaten aan de Commissie gemelde totale bedrag de beschikbare begrotingsmiddelen overschrijdt, waarbij in voorkomend geval de toepassing van artikel 104, leden 2, en 3, in aanmerking wordt genomen.

5.   De lidstaten aanvaarden uiterlijk op 1 februari van elk jaar de aanvragen:

a)

voor de gehele oppervlakte waarvoor rooipremieaanvragen zijn ingediend, indien de Commissie het in lid 4 bedoelde percentage niet heeft vastgesteld, of

b)

voor de oppervlakten die voortvloeien uit de toepassing van het in lid 4 bedoelde percentage op basis van objectieve en niet-discriminerende criteria en overeenkomstig de volgende prioriteiten:

i)

de lidstaten geven voorrang aan de aanvragers wier aanvraag voor de rooipremie hun gehele wijngaard betreft;

ii)

de lidstaten geven vervolgens voorrang aan aanvragers die niet jonger zijn dan 55 jaar, of ouder indien de lidstaten aldus bepaald hebben.

Uiterlijk op 1 maart van elk jaar stellen de lidstaten de Commissie in kennis van de naar regio en opbrengstniveau uitgesplitste aanvragen, alsmede het totale per regio uitbetaalde rooipremiebedrag.

6.   De lidstaten melden uiterlijk op 1 december van elk jaar de volgende gegevens over het voorgaande wijnoogstjaar aan de Commissie:

a)

de naar regio en opbrengstniveau uitgesplitste gerooide oppervlakten;

b)

het totale per regio uitbetaalde rooipremiebedrag.

Artikel 103

Randvoorwaarden

Indien wordt geconstateerd dat landbouwers op hun bedrijf op om het even welk moment gedurende de drie jaar na de betaling van de rooipremie de in de artikelen 3 tot en met 7 van Verordening (EG) nr. 1782/2003 bedoelde beheerseisen en eisen inzake goede landbouw- en milieuconditie niet in acht hebben genomen en indien die niet-naleving het gevolg is van een rechtstreeks aan de landbouwer te wijten handelen of nalaten, wordt het bedrag van de betaling verlaagd of geschorst, gedeeltelijk of volledig, afhankelijk van de ernst, de omvang, het permanente karakter en de herhaling van de niet-naleving, en wordt de landbouwer, in voorkomend geval, gevorderd dit bedrag overeenkomstig de in de vermelde bepalingen vastgestelde voorschriften terug te betalen.

Artikel 104

Vrijstellingen

1.   Een lidstaat mag besluiten verdere aanvragen als bedoeld in artikel 102, lid 1, af te wijzen zodra in totaal 8 % van de in bijlage VIII opgenomen, met wijnstokken beplante oppervlakte is gerooid.

Een lidstaat mag besluiten verdere aanvragen als bedoeld in artikel 102, lid 1, voor een regio af te wijzen zodra in totaal 10 % van de met wijnstokken beplante oppervlakte van die regio is gerooid.

2.   Volgens de in artikel 113, lid 1, bedoelde procedure kan worden besloten om de toepassing van de rooiregeling in een lidstaat stop te zetten indien, rekening houdend met de nog in behandeling zijnde aanvragen, het voortzetten van het rooien tot gevolg zou hebben dat in totaal meer dan 15 % van de in bijlage VIII opgenomen, totale met wijnstokken beplante oppervlakte van de lidstaat zou worden gerooid.

3.   Volgens de in artikel 113, lid 1, bedoelde procedure kan worden besloten om de toepassing van de rooiregeling in een lidstaat voor een bepaald jaar stop te zetten indien, rekening houdend met de nog in behandeling zijnde aanvragen, het voortzetten van het rooien in dat bepaalde jaar van de toepassing van de regeling tot gevolg zou hebben dat in totaal meer dan 6 % van de in bijlage VIII opgenomen, totale met wijnstokken beplante oppervlakte van de lidstaat zou worden gerooid.

4.   De lidstaten mogen overeenkomstig voorwaarden die volgens de in artikel 113, lid 1, bedoelde procedure worden vastgesteld, bepalen dat wijnstokken in berggebieden en gebieden met steile hellingen niet in aanmerking komen voor de rooiregeling.

5.   De lidstaten mogen bepalen dat oppervlakten waarop de toepassing van de rooiregeling milieuproblemen zou veroorzaken, niet in aanmerking komen voor deze regeling. De oppervlakte die aldus als niet-subsidiabel op grond van de rooiregeling is aangemerkt, mag niet groter zijn dan 3 % van de in bijlage VIII opgenomen, met wijnstokken beplante oppervlakte.

6.   Griekenland mag bepalen dat met wijnstokken beplante oppervlakten op eilanden in de Egeïsche Zee en op de Griekse Ionische eilanden, met uitzondering van Kreta en Eubia, niet in aanmerking komen voor de rooiregeling.

7.   De in dit hoofdstuk omschreven rooiregeling is niet van toepassing op de Azoren, Madeira en de Canarische Eilanden.

8.   Lidstaten die beslissen gebruik te maken van de in de leden 4, 5 en 6 vastgestelde mogelijkheid, stellen de Commissie uiterlijk op 1 augustus van elk jaar en voor het eerst uiterlijk op 1 augustus 2008 in kennis van de volgende gegevens met betrekking tot de uit te voeren rooimaatregel:

a)

de oppervlakten die als niet-subsidiabel op grond van de rooiregeling zijn aangemerkt;

b)

de redenen waarom deze als niet-subsidiabel zijn aangemerkt overeenkomstig de leden 4 en 5.

9.   De lidstaten geven de producenten in gebieden die niet-subsidiabel zijn of op grond van de leden 4 tot en met 7 als niet-subsidiabel zijn aangemerkt, prioritaire toegang tot andere in deze verordening vastgestelde steunmaatregelen, met name, in voorkomend geval, herstructurerings- en omschakelingsmaatregelen in het kader van de steunprogramma's en de maatregelen voor plattelandsontwikkeling.

Artikel 105

De minimis

Dit hoofdstuk is niet van toepassing in lidstaten waar de wijnproductie per wijnoogstjaar niet meer dan 50 000 hectoliter bedraagt. Deze productie wordt berekend op basis van de gemiddelde productie in de voorgaande vijf wijnoogstjaren.

Artikel 106

Aanvullende nationale steun

De lidstaten mogen, bovenop de toegekende rooipremie, aanvullende nationale steun voor het rooien verlenen die niet meer mag bedragen dan 75 % van de toepasselijke rooipremie.

Artikel 107

Uitvoeringsbepalingen

De maatregelen die nodig zijn voor de uitvoering van dit hoofdstuk worden vastgesteld volgens de in artikel 113, lid 1, bedoelde procedure.

Deze maatregelen kunnen met name betrekking hebben op de volgende elementen:

a)

nadere gegevens over de in artikel 100 bedoelde voorwaarden om voor de rooipremie in aanmerking te komen, met name aangaande het bewijs dat de oppervlakten in 2006 en 2007 naar behoren werden onderhouden;

b)

de in artikel 101 bedoelde premieniveaus en -bedragen;

c)

de criteria betreffende de in artikel 104 bedoelde vrijstellingen;

d)

de voorschiften inzake rapportering door de lidstaten over de uitvoering van de rooiregeling, met inbegrip van de sancties bij overschrijding van de rapporteringstermijnen en de informatie die de lidstaten aan de producenten verstrekken over de toegang tot de regeling;

e)

de voorschriften inzake rapportering over aanvullende nationale steun;

f)

betalingstermijnen.

TITEL VI

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 108

Wijnbouwkadaster

1.   De lidstaten houden een wijnbouwkadaster bij met bijgewerkte gegevens over het productiepotentieel.

2.   De in lid 1 vastgestelde verplichting geldt niet voor lidstaten waarin de totale oppervlakte die is beplant met wijnstokken van druivenrassen welke overeenkomstig artikel 24, lid 1, in een indeling kunnen worden opgenomen, minder dan 500 hectaren bedraagt.

Artikel 109

Inventaris

De lidstaten die in hun steunprogramma's overeenkomstig artikel 11 voorzien in de maatregel „herstructurering en omschakeling van wijngaarden” doen voor het eerst uiterlijk op 1 maart 2009 en verder uiterlijk op 1 maart van elk jaar een op het in artikel 108 bedoelde wijnbouwkadaster gebaseerde, bijgewerkte inventaris van hun productiepotentieel aan de Commissie toekomen.

Artikel 110

Geldigheidsduur van het wijnbouwkadaster en de inventaris

Volgens de in artikel 113, lid 1, bedoelde procedure kan worden beslist dat de artikelen 108 en 100 vanaf een bepaald moment na 1 januari 2016 niet meer van toepassing zijn.

Artikel 111

Verplichte aangiften

1.   Producenten van voor wijnbereiding bestemde druiven en producenten van most en wijn melden jaarlijks aan de bevoegde nationale autoriteiten welke hoeveelheden de recentste oogst heeft opgeleverd.

2.   De lidstaten mogen handelaren in voor wijnbereiding bestemde druiven vragen elk jaar opgave te doen van de hoeveelheden van de meest recente oogst die in de handel zijn gebracht.

3.   Producenten van druivenmost en wijn en andere handelaren dan kleinhandelaren melden jaarlijks aan de bevoegde nationale autoriteiten hoeveel druivenmost en wijn zij in voorraad hebben, ongeacht of deze van de oogst van het lopende jaar dan wel van vorige jaren zijn. Uit derde landen ingevoerde druivenmost en wijn worden afzonderlijk aangegeven.

Artikel 112

Begeleidende documenten en register

1.   De onder deze verordening vallende producten mogen binnen de Gemeenschap slechts met een officieel goedgekeurd begeleidend document in het verkeer worden gebracht.

2.   Natuurlijke personen, rechtspersonen of verenigingen van personen die voor de uitoefening van hun beroep houder van onder deze verordening vallende producten zijn, met name producenten, bottelaars en verwerkers, alsmede volgens de in artikel 113, lid 1, bedoelde procedure te bepalen handelaren, zijn verplicht registers van de in- en uitslag van de betrokken producten bij te houden.

Artikel 113

Comitéprocedure

1.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 195, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van toepassing.

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, geldt het volgende:

a)

de Commissie wordt bijgestaan door een regelgevend comité;

b)

de artikelen 5 en 7 van Besluit 1999/468/EG zijn van toepassing;

c)

de in artikel 5, lid 6, van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn bedraagt drie maanden.

Artikel 114

Financiële middelen

De in titel II, hoofdstuk I, vastgestelde maatregelen, met uitzondering van de in artikel 7, lid 1, onder a), bedoelde maatregel, alsmede de in titel V, hoofdstuk III, vastgestelde maatregelen worden beschouwd als interventies ter regulering van de landbouwmarkten als bedoeld in artikel 3, lid 1, onder b), van Verordening (EG) nr. 1290/2005.

Artikel 115

Uitwisseling van informatie tussen de lidstaten en de Commissie

1.   De lidstaten en de Commissie verstrekken elkaar alle gegevens die nodig zijn voor de toepassing van deze verordening, met name met het oog op het markttoezicht, de marktanalyse en de naleving van de internationale verplichtingen betreffende de onder deze verordening vallende producten.

2.   Volgens de in artikel 113, lid 1, bedoelde procedure wordt in nadere bepalingen vastgesteld welke gegevens vereist zijn voor de toepassing van lid 1, alsmede de vorm, de inhoud, de frequentie, de termijnen en de wijze waarop informatie en documenten aan de Commissie moeten worden toegezonden of haar ter beschikking moeten worden gesteld.

Artikel 116

Toezicht

Met het oog op de toepassing van deze verordening zien de lidstaten erop toe dat de beheers- en controleprocedures die betrekking hebben op de oppervlakten op de volgende punten in overeenstemming zijn met het geïntegreerd beheers- en controlesysteem (GBCS):

a)

de geautomatiseerde databank;

b)

de in artikel 20, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1782/2003 bedoelde systemen voor de identificatie van de percelen landbouwgrond;

c)

de administratieve controles.

Deze procedures mogen de gewone werking van de uitwisseling van gegevens met het GBCS niet verstoren.

Artikel 117

Controles en administratieve sancties, en de desbetreffende rapportering

Met uitzondering van de materie die onder artikel 145, onder n bis), van Verordening (EG) nr. 1782/2003 valt, is de procedure van artikel 113, lid 1, van deze verordening van toepassing voor de vaststelling van:

a)

de voorschriften ter waarborging van de uniforme toepassing van de communautaire voorschriften in de wijnsector, met name inzake controles, en de voorschriften voor de specifieke financiële procedures ter verbetering van de controles;

b)

de voorschriften inzake administratieve en fysieke controles die de lidstaten moeten verrichten om na te gaan of wordt voldaan aan de verplichtingen die uit de toepassing van deze verordening voortvloeien;

c)

een systeem voor de toepassing van administratieve sancties bij niet-naleving van de uit deze verordening voortvloeiende verplichtingen, waarin rekening wordt gehouden met de ernst, de omvang, het permanente karakter en de herhaling van de geconstateerde niet-naleving;

d)

de voorschriften inzake de terugvordering van op grond van deze verordening uitgekeerde betalingen die ten onrechte zijn verricht;

e)

de voorschriften inzake de rapportering van de verrichte controles en de resultaten daarvan.

Artikel 118

Aanwijzing van verantwoordelijke nationale autoriteiten

1.   Onverminderd artikel 47 wijzen de lidstaten een of meer autoriteiten aan die verantwoordelijk zijn voor de handhaving van de communautaire bepalingen in de wijnsector. Met name wijzen zij de laboratoria aan die officiële analysen in de wijnsector mogen uitvoeren. De aangewezen laboratoria moeten voldoen aan de in norm ISO/IEC 17025 vastgestelde algemene criteria voor de werking van testlaboratoria.

2.   De lidstaten delen de Commissie naam en adres van de in lid 1 bedoelde autoriteiten en laboratoria mee. De Commissie maakt deze inlichtingen openbaar.

Artikel 119

Nationale steun voor distillatie in crisisgevallen

1.   Met ingang van 1 augustus 2012 mogen de lidstaten, in gerechtvaardigde crisisgevallen, nationale steun verlenen aan wijnproducenten voor de vrijwillige of verplichte distillatie van wijn.

2.   Die steun moet evenredig zijn en een oplossing bieden voor de crisis.

3.   Het totaalbedrag dat een lidstaat in een bepaald jaar voor die steun uittrekt, mag niet hoger zijn dan 15 % van de totale beschikbare middelen die in bijlage II per lidstaat voor dat jaar zijn vastgesteld.

4.   Lidstaten die gebruik wensen te maken van de in lid 1 bedoelde steun, leggen de Commissie een met redenen omklede kennisgeving voor. Volgens de procedure van artikel 113, lid 1, wordt besloten of de maatregel wordt goedgekeurd en of er steun kan worden verleend.

5.   De alcohol verkregen uit de in lid 1 bedoelde distillatie, wordt uitsluitend gebruikt voor industriële of energiedoeleinden teneinde concurrentieverstoring te voorkomen.

Artikel 120

Verslag van de Commissie

De Commissie legt uiterlijk eind 2012 een verslag voor waarin met name rekening wordt gehouden met de ervaring die met de uitvoering van de hervorming is opgedaan.

Artikel 121

Uitvoeringsbepalingen

De maatregelen die nodig zijn voor de uitvoering van deze titel worden vastgesteld volgens de in artikel 113, lid 1, bedoelde procedure.

Deze maatregelen kunnen met name betrekking hebben op de volgende elementen:

a)

nadere gegevens inzake het in artikel 108 bedoelde wijnbouwkadaster, en met name het gebruik ervan voor toezicht op en controle van het productiepotentieel;

b)

nadere gegevens inzake de in artikel 109 bedoelde inventaris, en met name het gebruik ervan voor toezicht op en controle van het productiepotentieel;

c)

nadere gegevens inzake het opmeten van de oppervlakten;

d)

sancties in geval van niet-naleving van de communautaire vereisten;

e)

de in artikel 111 bedoelde verplichte aangiften;

f)

de begeleidende documenten en het register als bedoeld in artikel 112;

g)

nadere gegevens over de in artikel 119 bedoelde nationale steun.

TITEL VII

WIJZIGINGEN EN OVERGANGS-EN SLOTBEPALINGEN

HOOFDSTUK I

Wijzigingen

Artikel 122

Wijzigingen in Verordening (EG) nr. 1493/1999

In artikel 2, lid 3, eerste alinea, van Verordening (EG) nr. 1493/1999 wordt „31 juli 2002” vervangen door:

„31 juli 2008”.

Artikel 123

Wijzigingen in Verordening (EG) nr. 1782/2003

Verordening (EG) nr. 1782/2003 wordt als volgt gewijzigd:

1)

Artikel 33, lid 1, onder a), wordt vervangen door:

„a)

zij op grond van ten minste een van de in bijlage VI bedoelde steunregelingen een betaling hebben ontvangen in de in artikel 38 vastgestelde referentieperiode, dan wel, in het geval van olijfolie, in de in artikel 37, lid 1, tweede alinea, bedoelde verkoopseizoenen, of, in het geval van suikerbieten, suikerriet en cichorei, zij marktsteun hebben gekregen in de in bijlage VII, punt K, bedoelde representatieve periode, of, in het geval van bananen, zij een compensatie voor het verlies aan opbrengsten hebben gekregen in de in bijlage VII, punt L, bedoelde representatieve periode, dan wel, in het geval van groente en fruit, bewaaraardappelen en kwekerijproducten indien de betrokken personen producenten van groente- en fruitproducten, bewaaraardappelen en kwekerijproducten waren in de representatieve periode die door de lidstaten voor die producten werd toegepast op grond van bijlage VII, punt M, of, in het geval van wijn, zij een toeslagrecht hebben ontvangen als bedoeld in bijlage VII, punten N en O;”.

2)

Aan artikel 37, lid 1, wordt de volgende alinea toegevoegd:

„Voor wijn wordt het referentiebedrag berekend en aangepast overeenkomstig bijlage VII, punten N en O.”.

3)

In artikel 41 wordt het volgende lid toegevoegd:

„1 ter.   In het geval van wijn en rekening houdend met de meest recente gegevens die de lidstaten haar op grond van artikel 9 en artikel 102, lid 6, van Verordening (EG) nr. 479/2008 van de Raad van 29.4.2008 houdende een gemeenschappelijke ordening van de wijnmarkt (25) ter beschikking stellen, past de Commissie, overeenkomstig de in artikel 144, lid 2, van de onderhavige verordening bedoelde procedure, de in bijlage VIII van de onderhavige verordening vastgestelde nationale maxima aan. Uiterlijk op 1 december van het jaar dat voorafgaat aan de aanpassing van de nationale maxima delen de lidstaten de Commissie het regionale gemiddelde mee van de waarde van de in bijlage VII, punt N, bedoelde toeslagrechten..

4)

In artikel 43, lid 2, wordt het volgende punt ingevoegd:

„a quinquies)

in het geval van wijn, het overeenkomstig bijlage VII, punten N en O, berekende aantal hectaren;”.

5)

Artikel 44, lid 2, wordt vervangen door:

„2.   Onder „subsidiabele hectare” wordt verstaan om het even welke landbouwgrond van het bedrijf met uitzondering van de grond die als bosgrond of voor niet-landbouwactiviteiten in gebruik was.”.

6)

Artikel 51 wordt vervangen door:

„Artikel 51

Gebruik van de grond voor landbouw

Landbouwers kunnen de percelen die zij overeenkomstig artikel 44, lid 3, hebben aangegeven, gebruiken voor om het even welke landbouwactiviteit.

In afwijking van de eerste alinea kunnen de lidstaten voor 1 november 2007 besluiten dat percelen in een of meer regio's van de betreffende lidstaat tot een door die lidstaat te bepalen datum, maar uiterlijk tot 31 december 2010, niet mogen worden gebruikt voor:

a)

de productie van een of meer producten zoals bedoeld in artikel 1, lid 2, van Verordening (EG) nr. 2200/96 en in artikel 1, lid 2, van Verordening (EG) nr. 2201/96. De lidstaten kunnen in dat geval evenwel besluiten secundaire teelt toe te laten op subsidiabele hectaren gedurende een periode van ten hoogste drie maanden die elk jaar op 15 augustus aanvangt; op verzoek van een lidstaat wordt deze datum echter gewijzigd volgens de procedure van artikel 144, lid 2, voor gebieden waar granen gewoonlijk eerder worden geoogst wegens klimaatredenen, en/of

b)

de productie van consumptieaardappelen, en/of

c)

kwekerijproducten.”.

7)

Aan artikel 63, lid 3, wordt de volgende alinea toegevoegd:

„Wat de opneming van de met de betalingen voor wijn overeenkomende component in de bedrijfstoeslagregeling betreft, kunnen de lidstaten tot uiterlijk 1 april 2009 besluiten de in de eerste alinea vastgestelde afwijking toe te passen.”.

8)

Aan artikel 71 quater wordt de volgende alinea toegevoegd:

„In het geval van wijn en rekening houdend met de meest recente gegevens die de lidstaten haar op grond van artikel 9 en artikel 102, lid 6, van Verordening (EG) nr. 479/2008 ter beschikking stellen, past de Commissie, overeenkomstig de in artikel 144, lid 2, van de onderhavige verordening bedoelde procedure, de in bijlage VIII bis van de onderhavige verordening vastgestelde nationale maxima aan. Uiterlijk op 1 december van het jaar dat voorafgaat aan de aanpassing van de nationale maxima delen de lidstaten de Commissie het regionale gemiddelde mee van de waarde van de in bijlage VII, punt N, bedoelde toeslagrechten.”.

9)

In artikel 145

wordt na punt d quinquies), het volgende punt d sexies) ingevoegd:

„d sexies) uitvoeringsbepalingen voor de opname van steun voor de wijnsector in de bedrijfstoeslagregeling overeenkomstig Verordening (EG) nr. 479/2008.”;

wordt na punt n), het volgende punt ingevoegd:

„n bis) met betrekking tot wijn, uitvoeringsbepalingen inzake de randvoorwaarden als bepaald bij artikel 20 en artikel 103 van Verordening (EG) nr. 479/2008.”.

10)

In de tweede kolom van bijlage IV wordt het bepaalde in het laatste streepje vervangen door:

„—

Het in een goede groeitoestand houden van olijf- en wijngaarden”.

11)

In bijlage VII worden de volgende punten toegevoegd:

„N.   Wijn (rooien)

Landbouwers die deelnemen aan de rooiregeling van titel V, hoofdstuk III, van Verordening (EG) nr. 479/2008, krijgen in het jaar na het rooien toeslagrechten toegewezen gelijk aan het aantal hectaren waarvoor zij een rooipremie ontvangen hebben.

De hoogte van die toeslagrechten is gelijk aan de regionale gemiddelde waarde van de toeslagrechten van de betrokken regio. Dat bedrag mag echter in geen geval hoger zijn dan 350 EUR/ha.

O.   Wijn (overheveling uit steunprogramma's)

Lidstaten die besluiten steun te verlenen in overeenstemming met artikel 9 van Verordening (EG) nr. 479/2008, stellen het referentiebedrag voor elke landbouwer en de in aanmerking te nemen hectaren als bedoeld in artikel 43, lid 2, van deze verordening vast:

op basis van objectieve en niet-discriminerende criteria;

met betrekking tot een representatieve referentieperiode van een of meer wijnoogstjaren vanaf het wijnoogstjaar 2005/2006. De referentiecriteria die gebruikt worden om het referentiebedrag en de in aanmerking te nemen hectaren vast te stellen worden evenwel niet gebaseerd op een referentieperiode die ook latere wijnoogstjaren dan het wijnoogstjaar 2007/2008 omvat wanneer de overheveling in steunprogramma's een vergoeding aan landbouwers omvat die tot dusver steun hebben ontvangen voor distillatie tot drinkalcohol of die de economische begunstigden zijn geweest van de steun voor het gebruik van geconcentreerde druivenmost voor het verrijken van wijn in het kader van Verordening (EG) nr. 479/2008;

dat het totale voor deze maatregel beschikbare bedrag bedoeld in artikel 6, onder e), van Verordening (EG) nr. 479/2008 niet overschrijdt.”.

12)

In bijlage VIII

wordt in de eerste kolom van de tabel na het woord „Italië” een asterisk ingevoegd;

wordt onder de tabel het volgende toegevoegd:

„De voor Italië bestemde bedragen voor de jaren 2008, 2009 en 2010 worden met 20 miljoen EUR verminderd (zie voetnoot bij bijlage II van Verordening (EG) nr. 479/2008).”.

Artikel 124

Wijzigingen in Verordening (EG) nr. 1290/2005

Artikel 12, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1290/2005 wordt vervangen door:

„2.   De Commissie stelt de bedragen vast die ter beschikking van het ELFPO worden gesteld op grond van artikel 10, lid 2, artikel 143 quinquies en artikel 143 sexies van Verordening (EG) nr. 1782/2003, artikel 4, lid 1, van Verordening (EG) nr. 378/2007 van de Raad van 27 maart 2007 houdende voorschriften voor een vrijwillige modulatie van de rechtstreekse betalingen waarin Verordening (EG) nr. 1782/2003 voorziet (26) en artikel 23, lid 2, van Verordening (EG) nr. 479/2008 van de Raad van 29 april 2008 houdende een gemeenschappelijke ordening van de wijnmarkt (27)

Artikel 125

Wijziging van Verordening (EG) nr. 3/2008

Verordening (EG) nr. 3/2008 wordt als volgt gewijzigd:

1)

In artikel 2

wordt lid 1, onder c), vervangen door:

„c)

voorlichtingsacties betreffende de communautaire regelingen inzake wijnen met een beschermde oorsprongsbenaming of geografische aanduiding, wijnen met een aanduiding van het wijndruivenras en gedistilleerde dranken met een beschermde geografische aanduiding;”;

wordt lid 2 vervangen door:

„2.   Voor de interne markt mogen de in artikel 1, lid 1, bedoelde maatregelen voorlichtingsacties omvatten betreffende verantwoorde drinkpatronen en de schade die gepaard gaat met riskant alcoholgebruik.

Voor de interne markt mogen subsidiabele matregelen tevens de vorm aannemen van deelnames aan evenementen, beurzen en tentoonstellingen van nationaal of Europees belang, met de inrichting van stands om de waardering voor producten uit de Gemeenschap te vergroten.”.

2)

Artikel 3, lid 1, onder e), wordt vervangen door:

„e)

wenselijkheid om toelichting te verschaffen over de communautaire regelingen inzake wijnen met een beschermde oorsprongsbenaming of geografische aanduiding, wijnen met een aanduiding van het wijndruivenras en gedistilleerde dranken met een beschermde geografische aanduiding, en de noodzakelijkheid informatie te verstrekken over verantwoorde drinkpatronen en de schade die gepaard gaat met riskant alcoholgebruik;”.

3)

Aan artikel 13, lid 2, wordt de volgende alinea toegevoegd:

„Het in de eerste alinea vermelde percentage wordt verhoogd tot 60 % voor in de Gemeenschap uitgevoerde voorlichtingsmaatregelen inzake verantwoorde drinkpatronen en de schade die gepaard gaat met riskant alcoholgebruik.”.

HOOFDSTUK II

Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 126

Bepalingen voor een soepele overgang

Volgens de in artikel 113, lid 1, bedoelde procedure kunnen maatregelen worden vastgesteld:

a)

om de overgang te vergemakkelijken van de bij Verordening (EG) nr. 1493/1999 vastgestelde regels naar de bij de onderhavige verordening vastgestelde regels;

b)

om, waar nodig, specifieke praktische problemen op te lossen. Deze maatregelen, mits naar behoren gemotiveerd, mogen afwijken van bepaalde voorschriften van deze verordening.

Artikel 127

Toepasbaarheid van de voorschriften inzake staatssteun

1.   Behoudens lid 2 zijn de artikelen 87, 88 en 89 van het Verdrag van toepassing op de productie van en de handel in de onder deze verordening vallende producten.

2.   De artikelen 87, 88 en 89 van het Verdrag zijn niet van toepassing op:

a)

de in artikel 3 van de onderhavige verordening bedoelde steun, waaronder overeenkomstig artikel 18, lid 5), gefinancierde steun;

b)

de in artikel 106 bedoelde aanvullende nationale steun;

c)

de in artikel 119 bedoelde nationale steun.

Artikel 128

Intrekkingen, voorlopig voortgezette toepasselijkheid en verwijzingen

1.   Behoudens de leden 2 en 3 worden Verordening (EEG) nr. 2392/86 en Verordening (EG) nr. 1493/1999 hierbij ingetrokken.

2.   Verordening (EG) nr. 2392/86 en titel V, hoofdstukken I en II, titel VI, de artikelen 24 en 80 en de overeenkomstige bepalingen, met name in de bijlagen van Verordening (EG) nr. 1493/1999 blijven van toepassing totdat de desbetreffende hoofdstukken van de onderhavige verordening van kracht worden overeenkomstig artikel 129, lid 2, onder e).

3.   De volgende in Verordening (EG) nr. 1493/1999 vastgestelde maatregelen die vóór 1 augustus 2008 reeds op grond van die verordening zijn opgestart of getroffen, mogen worden voortgezet:

a)

maatregelen op grond van titel II, hoofdstukken II en III (stopzettingspremies en herstructurering en omschakeling). Na 15 oktober 2008 wordt evenwel geen steun uit hoofde van titel II, hoofdstuk III, meer betaald;

b)

maatregelen op grond van titel III (marktmechanismen);

c)

maatregelen op grond van titel VII, artikel 63 (uitvoerrestituties).

4.   Verwijzingen naar de ingetrokken Verordening (EEG) nr. 1493/1999 worden in voorkomend geval beschouwd als verwijzingen naar onderhavige verordening.

Artikel 129

Inwerkingtreding en toepassing

1.   Deze verordening treedt in werking op de zevende dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

2.   Zij is van toepassing met ingang van 1 augustus 2008, met uitzondering van:

a)

de artikelen 5 tot en met 8, die met ingang van 30 juni 2008 van toepassing zijn;

b)

artikel 122, dat met ingang van 1 januari 2008 van toepassing is;

c)

artikel 123, dat met ingang van 1 januari 2009 van toepassing is;

d)

titel V, hoofdstuk III, dat met ingang van 30 juni 2008 van toepassing is;

e)

titel III, hoofdstukken II, III, IV en V, de artikelen 108, 111 en 112 en de overeenkomstige bepalingen, met name in de bijlagen, die met ingang van 1 augustus 2009 van toepassing zijn, tenzij anders is bepaald in een regeling die volgens de procedure van artikel 113, lid 1, moet worden aangenomen.

3.   Titel V, hoofdstuk II, is tot en met 31 december 2015 van toepassing.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Luxemburg, 29 april 2008.

Voor de Raad

De voorzitter

D. RUPEL


(1)  Advies uitgebracht op 12 december 2007 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).

(2)  Advies uitgebracht op 12 december 2007 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).

(3)  PB L 179 van 14.7.1999, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1234/2007 (PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1).

(4)  PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 248/2008 (PB L 76 van 19.3.2008, blz. 6).

(5)  PB L 277 van 21.10.2005, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 146/2008 (PB L 46 van 21.2.2008, blz. 1).

(6)  PB L 93 van 31.3.2006, blz. 12. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1791/2006 (PB L 363 van 20.12.2006, blz. 1).

(7)  PB L 165 van 30.4.2004, blz. 1; gerectificeerd in PB L 191 van 28.5.2004, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 301/2008 van de Raad (PB L 97 van 9.4.2008, blz. 85).

(8)  PB L 109 van 6.5.2000, blz. 29. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2007/68/EG van de Commissie (PB L 310 van 28.11.2007, blz. 11).

(9)  PB L 208 van 31.7.1986, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1631/98 (PB L 210 van 28.7.1998, blz. 14).

(10)  PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23. Besluit laatstelijk gewijzigd bij Besluit 2006/512/EG (PB L 200 van 22.7.2006, blz. 11).

(11)  PB L 209 van 11.8.2005, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1437/2007 (PB L 322 van 7.12.2007, blz. 1).

(12)  PB L 270 van 21.10.2003, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 293/2008 van de Commissie (PB L 90 van 2.4.2008, blz. 5).

(13)  PB L 3 van 5.1.2008, blz. 1.

(14)  Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad van 11 juli 2006 van 11 juli 2006 houdende algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds en het Cohesiefonds (PB L 210 van 31.7.2006, blz. 25). Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1989/2006 (PB L 411 van 30.12.2006, blz. 6).

(15)  PB L 124 van 20.5.2003, blz. 36.

(16)  PB L 265 van 26.9.2006, blz. 1.

(17)  PB L 42 van 14.2.2006, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1276/2007 van de Commissie (PB L 284 van 30.10.2007, blz. 11).

(18)  PB L 39 van 13.2.2008, blz. 16.

(19)  PB L 40 van 11.2.1989, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Besluit 92/10/EEG (PB L 6 van 11.1.1992, blz. 35).

(20)  PB L 11 van 14.1.1994, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1891/2006 (PB L 386 van 29.12.2006, blz. 14).

(21)  PB L 186 van 30.6.1989, blz. 21. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 92/11/EEG (PB L 65 van 11.3.1992, blz. 32).

(22)  PB L 247 van 21.9.2007, blz. 17.

(23)  PB L 67 van 10.3.1994, blz. 89. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 427/2003 (PB L 65 van 8.3.2003, blz. 1).

(24)  PB L 349 van 31.12.1994, blz. 53. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2200/2004 (PB L 374 van 22.12.2004, blz. 1).

(25)  PB L 148 van 6.6.2008, blz. 1

(26)  PB L 95 van 5.4.2007, blz. 1.

(27)  PB L 148 van 6.6.2008, blz. 1


BIJLAGE I

DEFINITIES

Algemeen

1.

„Wijnoogstjaar”: het verkoopseizoen voor de onder deze verordening vallende producten. Het begint elk jaar op 1 augustus en eindigt op 31 juli van het volgende jaar.

Wijnstokgerelateerd

2.

„Rooien”: volledige verwijdering van de wijnstokken die zich op een met wijnstokken beplante oppervlakte bevinden.

3.

„Aanplant”: de definitieve aanplant van wijnstokken of delen daarvan, al dan niet geënt, met het oog op de productie van druiven of het kweken van entstokken.

4.

„Overenting”: het enten van een wijnstok die voordien reeds werd geënt.

Productgerelateerd

5.

„Verse druiven”: vruchten van de wijnstok, gebruikt bij de wijnbereiding, rijp of zelfs licht ingedroogd, die met bij de wijnbereiding gebruikelijke middelen kunnen worden gekneusd of geperst en spontane alcoholische gisting kunnen doen ontstaan.

6.

„Druivenmost waarvan de gisting door de toevoeging van alcohol is gestuit”: een product dat:

a)

een effectief alcoholgehalte heeft van ten minste 12 % vol en ten hoogste 15 % vol;

b)

wordt verkregen door de toevoeging, aan niet-gegiste druivenmost die een natuurlijk alcoholgehalte van ten minste 8,5 % vol heeft en die uitsluitend afkomstig is van wijndruivenrassen die overeenkomstig artikel 24, lid 1, in een indeling kunnen worden opgenomen, van

i)

hetzij neutrale alcohol uit wijnbouwproducten, met inbegrip van alcohol verkregen door de distillatie van rozijnen of krenten, met een effectief alcoholgehalte van ten minste 96 % vol;

ii)

hetzij een niet-gerectificeerd product verkregen door de distillatie van wijn en met een effectief alcoholgehalte van ten minste 52 % vol en ten hoogste 80 % vol.

7.

„Druivensap”: het niet-gegiste doch voor gisting vatbare vloeibare product dat:

a)

door middel van passende behandelingen wordt verkregen om als zodanig te worden geconsumeerd;

b)

wordt verkregen uit verse druiven of uit druivenmost of door reconstitutie. In het laatste geval wordt het product gereconstitueerd uit geconcentreerde druivenmost of geconcentreerd druivensap.

Druivensap mag een effectief alcoholgehalte hebben van ten hoogste 1 % vol.

8.

„Geconcentreerd druivensap”: niet-gekarameliseerd druivensap, dat wordt verkregen door gedeeltelijke dehydratatie van druivensap door middel van elk ander toegestaan procedé dan de rechtstreekse werking van vuur, en op zodanige wijze dat bij een temperatuur van 20 oC met een refractometer volgens een nader te bepalen methode een waarde van niet minder dan 50,9 % wordt gemeten.

Het geconcentreerde druivensap mag een effectief alcoholgehalte hebben van ten hoogste 1 % vol.

9.

„Wijnmoer”:

a)

het bezinksel dat zich bij de opslag of na toegestane behandeling in recipiënten met wijn vormt na gisting;

b)

het residu dat wordt verkregen bij het filtreren of centrifugeren van het onder a) bedoelde product;

c)

het bezinksel dat zich bij de opslag of na toegestane behandeling in recipiënten met druivenmost vormt;

d)

het residu dat wordt verkregen bij het filtreren of centrifugeren van het onder c) bedoelde product.

10.

„Druivendraf”: de na het persen van verse druiven overblijvende substantie, al dan niet gegist.

11.

„Piquette”: een product dat wordt verkregen:

a)

door vergisting van onbehandelde druivendraf, gemacereerd in water, of

b)

door uitloging, met water, van gegiste druivendraf.

12.

„Distillatiewijn”: een product dat:

a)

een effectief alcoholgehalte heeft van ten minste 18 % vol en ten hoogste 24 % vol;

b)

uitsluitend wordt verkregen door aan wijn die geen suikerresidu bevat, een niet-gerectificeerd product toe te voegen dat wordt verkregen door distillatie van wijn en dat een maximum effectief alcoholgehalte heeft van 86 % vol, en

c)

een gehalte aan vluchtige zuren heeft van ten hoogste 1,5 gram per liter, uitgedrukt in azijnzuur.

13.

„Cuvée”:

a)

de druivenmost;

b)

de wijn;

c)

het resultaat van de vermenging van druivenmost en/of van wijnen met verschillende eigenschappen,

die bestemd zijn om een bepaalde soort mousserende wijnen te verkrijgen.

Alcoholgehalte

14.

„Effectief alcoholvolumegehalte”: het aantal volume-eenheden zuivere alcohol bij een temperatuur van 20 oC, in 100 volume-eenheden van het betrokken product bij die temperatuur.

15.

„Potentieel alcoholvolumegehalte”: het aantal volume-eenheden zuivere alcohol bij een temperatuur van 20 oC dat kan ontstaan door totale vergisting van de suikers in 100 volume-eenheden van het betrokken product bij die temperatuur.

16.

„Totaal alcoholvolumegehalte”: som van het effectieve en het potentiële alcoholvolumegehalte.

17.

„Natuurlijk alcoholvolumegehalte”: het totale alcoholvolumegehalte van een product vóór verrijking.

18.

„Effectief alcoholmassagehalte”: het aantal kilogram zuivere alcohol in 100 kilogram van het product.

19.

„Potentieel alcoholmassagehalte”: het aantal kilogram zuivere alcohol dat kan ontstaan door totale vergisting van de suikers in 100 kilogram van het product.

20.

„Totaal alcoholmassagehalte”: som van het effectieve en het potentiële alcoholmassagehalte.


BIJLAGE II

BEGROTING VOOR STEUNPROGRAMMA'S

(als bedoeld in artikel 8, lid 1)

(in 1000 EUR)

Begrotingsjaar

2009

2010

2011

2012

2013

Vanaf 2014

BG

15 608

21 234

22 022

27 077

26 742

26 762

CZ

2 979

4 076

4 217

5 217

5 151

5 155

DE

22 891

30 963

32 190

39 341

38 867

38 895

EL

14 286

19 167

19 840

24 237

23 945

23 963

ES

213 820

284 219

279 038

358 000

352 774

353 081

FR

171 909

226 814

224 055

284 299

280 311

280 545

IT (1)

238 223

298 263

294 135

341 174

336 736

336 997

CY

2 749

3 704

3 801

4 689

4 643

4 646

LT

30

37

45

45

45

45

LU

344

467

485

595

587

588

HU

16 816

23 014

23 809

29 455

29 081

29 103

MT

232

318

329

407

401

402

AT

8 038

10 888

11 313

13 846

13 678

13 688

PT

37 802

51 627

53 457

65 989

65 160

65 208

RO

42 100

42 100

42 100

42 100

42 100

42 100

SI

3 522

4 820

4 987

6 169

6 091

6 095

SK

2 938

4 022

4 160

5 147

5 082

5 085

UK

160

221

227

284

280

280


(1)  De nationale maxima in bijlage VIII bij Verordening (EG) nr. 1782/2003 voor Italië over de jaren 2008, 2009 en 2010 worden met 20 miljoen EUR verlaagd, en die bedragen zijn opgenomen in de bedragen van de begroting voor Italië met betrekking tot de begrotingsjaren 2009, 2010 en 2011, zoals die in deze tabel vermeld zijn.


BIJLAGE III

VERDELING VAN DE MIDDELEN VOOR PLATTELANDSONTWIKKELING

(als bedoeld in artikel 17, lid 3)

(in 1000 EUR)

Begrotingsjaar

2009

2010

Vanaf 2011

BG

CZ

DE

EL

ES

15 491

30 950

46 441

FR

11 849

23 663

35 512

IT

13 160

26 287

39 447

CY

LT

LU

HU

MT

AT

PT

RO

SI

SK

UK


BIJLAGE IV

WIJNCATEGORIEËN

1.   Wijn

Onder wijn wordt verstaan het product dat uitsluitend wordt verkregen door gehele of gedeeltelijke alcoholische vergisting van al dan niet gekneusde verse druiven of van druivenmost.

Wijn heeft:

a)

na de eventuele behandelingen als bedoeld in punt B van bijlage V, een effectief alcoholgehalte van ten minste 8,5 % vol, mits deze wijn uitsluitend afkomstig is van druiven die zijn geoogst in de wijnbouwzones A en B als bedoeld in bijlage IX en van ten minste 9 % vol voor de overige wijnbouwzones;

b)

wanneer hij een beschermde oorsprongsbenaming of geografische aanduiding heeft, in afwijking van het doorgaans geldende minimale effectieve alcoholgehalte en na de eventuele behandelingen als bedoeld in punt B van bijlage V, een effectief alcoholgehalte van ten minste 4,5 % vol;

c)

een totaal alcoholgehalte van ten hoogste 15 % vol. In afwijking daarvan:

kan voor wijn die zonder verrijking is verkregen op bepaalde, overeenkomstig de in artikel 113, lid 2, bedoelde procedure aangewezen wijnbouwoppervlakten van de Gemeenschap, de bovengrens van het totale alcoholgehalte maximaal 20 % vol bedragen;

kan voor wijn met een beschermde oorsprongsbenaming die zonder verrijking is verkregen, de bovengrens van het totale alcoholgehalte worden verhoogd tot meer dan 15 % vol;

d)

behoudens eventuele, overeenkomstig de in artikel 113, lid 2, bedoelde procedure nader vast te stellen afwijkingen, een totaal gehalte aan zuren van ten minste 3,5 gram per liter, uitgedrukt in wijnsteenzuur, ofwel 46,6 milli-equivalent per liter.

„Retsina” is wijn die uitsluitend wordt voortgebracht op het geografische grondgebied van Griekenland uit druivenmost die met hars van de Aleppopijnboom is behandeld. Het gebruik van hars van de Aleppopijnboom is alleen toegestaan om „retsina”-wijn overeenkomstig de Griekse voorschriften te verkrijgen.

In afwijking van het bepaalde onder b) worden „Tokaji eszencia” en „Tokajská esencia” als wijn beschouwd.

2.   Jonge, nog gistende wijn

Onder jonge, nog gistende wijn wordt verstaan wijn waarvan de alcoholische gisting nog niet is geëindigd en die nog niet is ontdaan van de wijnmoer.

3.   Likeurwijn

Onder likeurwijn wordt verstaan het product:

a)

dat een effectief alcoholgehalte heeft van ten minste 15 % vol en ten hoogste 22 % vol;

b)

dat een totaal alcoholgehalte heeft van ten minste 17,5 % vol, met uitzondering van bepaalde likeurwijnen met een oorsprongsbenaming of een geografische aanduiding, die voorkomen op een volgens de in artikel 113, lid 2, bedoelde procedure op te stellen lijst;

c)

dat verkregen is uit:

gistende druivenmost,

wijn,

een mengsel van bovengenoemde producten, of

druivenmost of een mengsel van druivenmost en wijn in het geval van volgens de in artikel 113, lid 2, bedoelde procedure vast te stellen likeurwijnen met een beschermde oorsprongsbenaming of geografische aanduiding;

d)

dat een oorspronkelijk natuurlijk alcoholgehalte van ten minste 12 % vol heeft, met uitzondering van bepaalde likeurwijnen met een beschermde oorsprongsbenaming of geografische aanduiding, die voorkomen op een volgens de in artikel 113, lid 2, bedoelde procedure op te stellen lijst;

e)

waaraan zijn toegevoegd:

i)

een van de volgende producten, of een mengsel daarvan:

neutrale alcohol uit wijnbouwproducten, met inbegrip van alcohol verkregen door de distillatie van rozijnen of krenten, met een effectief alcoholgehalte van ten minste 96 % vol,

distillaat van wijn of van rozijnen of krenten met een effectief alcoholgehalte van ten minste 52 % vol en ten hoogste 86 % vol;

ii)

alsmede, in voorkomend geval, een of meer van de volgende producten:

geconcentreerde druivenmost,

een mengsel van een van de onder e), i), genoemde producten met druivenmost als bedoeld onder c), eerste en vierde streepje;

f)

waaraan, in afwijking van het bepaalde onder e), voor zover het gaat om likeurwijnen met een beschermde oorsprongsbenaming of geografische aanduiding, die voorkomen op een volgens de in artikel 113, lid 2, bedoelde procedure op te stellen lijst, zijn toegevoegd:

i)

hetzij een van de onder e), i), genoemde producten of een mengsel daarvan of;

ii)

een of meer van de onderstaande producten:

alcohol van wijn of van rozijnen of krenten, met een effectief alcoholgehalte van ten minste 95 % vol en ten hoogste 96 % vol;

eau-de-vie van wijn of van druivendraf, met een effectief alcoholgehalte van ten minste 52 % vol en ten hoogste 86 % vol;

eau-de-vie van rozijnen of krenten, met een effectief alcoholgehalte van ten minste 52 % vol doch minder dan 94,5 % vol;

iii)

en, in voorkomend geval, een of meer van de volgende producten:

gedeeltelijk gegiste druivenmost van ingedroogde druiven;

geconcentreerde druivenmost verkregen door rechtstreekse werking van vuur, die, afgezien van deze bewerking, voldoet aan de definitie van geconcentreerde druivenmost;

geconcentreerde druivenmost;

een mengsel van een van de onder f), ii), genoemde producten met druivenmost als bedoeld onder c), eerste en vierde streepje.

4.   Mousserende wijn

Onder mousserende wijn wordt verstaan het product dat:

a)

is verkregen door eerste of tweede alcoholische gisting:

van verse druiven;

van druivenmost;

van wijn;

b)

wordt gekenmerkt door het feit dat bij het openen van de recipiënten uitsluitend door de vergisting ontstaan koolzuurgas vrijkomt;

c)

bij bewaring in gesloten recipiënten bij 20 oC, een door koolzuurgas in oplossing teweeggebrachte overdruk heeft van ten minste 3 bar;

d)

wordt bereid uit voor de bereiding van mousserende kwaliteitswijn bestemde cuvées met een totaal alcoholgehalte van ten minste 8,5 % vol.

5.   Mousserende kwaliteitswijn

Onder mousserende kwaliteitswijn wordt verstaan het product dat:

a)

is verkregen door eerste of tweede alcoholische gisting:

van verse druiven;

van druivenmost;

van wijn;

b)

wordt gekenmerkt door het feit dat bij het openen van de recipiënten uitsluitend door de vergisting ontstaan koolzuurgas vrijkomt;

c)

bij bewaring in gesloten recipiënten bij 20 oC, een door koolzuurgas in oplossing teweeggebrachte overdruk heeft van ten minste 3,5 bar;

d)

wordt bereid uit voor de bereiding van mousserende kwaliteitswijn bestemde cuvées met een totaal alcoholgehalte van ten minste 9 % vol.

6.   Aromatische mousserende kwaliteitswijn

Onder aromatische mousserende kwaliteitswijn wordt verstaan het product dat:

a)

is verkregen door voor de cuvée uitsluitend gebruik te maken van druivenmost of gedeeltelijk gegist druivenmost van specifieke wijndruivenrassen die zijn opgenomen op een volgens de in artikel 113, lid 2, bedoelde procedure op te stellen lijst. De aromatische mousserende kwaliteitswijnen die traditioneel worden bereid met gebruikmaking van wijnen voor de cuvée, worden vastgesteld volgens de in artikel 113, lid 2, bedoelde procedure;

b)

bij bewaring in gesloten recipiënten bij 20 oC, een door koolzuurgas in oplossing teweeggebrachte overdruk heeft van ten minste 3 bar;

c)

een effectief alcoholgehalte heeft van ten minste 6 % vol;

d)

een totaal alcoholgehalte heeft van ten minste 10 % vol.

De specifieke voorschriften met betrekking tot andere bijkomende kenmerken of voorwaarden voor de productie en het in het verkeer brengen worden vastgesteld volgens de in artikel 113, lid 2, bedoelde procedure.

7.   Mousserende wijn waaraan koolzuurgas is toegevoegd

Onder mousserende wijn waaraan koolzuurgas is toegevoegd, wordt verstaan het product dat:

a)

is verkregen uit wijn zonder een beschermde oorsprongsbenaming of een beschermde geografische aanduiding;

b)

bij het openen van de recipiënten, koolzuurgas laat ontsnappen dat geheel of gedeeltelijk is toegevoegd;

c)

bij bewaring in gesloten recipiënten bij 20 oC, een door koolzuurgas in oplossing teweeggebrachte overdruk heeft van ten minste 3 bar.

8.   Parelwijn

Onder parelwijn wordt verstaan het product dat:

a)

is verkregen uit wijn met een totaal alcoholvolumegehalte van ten minste 9 % vol;

b)

een effectief alcoholgehalte heeft van ten minste 7 % vol;

c)

bij bewaring in gesloten recipiënten bij 20 oC, een door koolzuurgas in oplossing teweeggebrachte overdruk heeft van ten minste 2,5 bar;

d)

wordt aangeboden in recipiënten van 60 liter of minder.

9.   Parelwijn waaraan koolzuurgas is toegevoegd

Onder parelwijn waaraan koolzuurgas is toegevoegd, wordt verstaan het product dat:

a)

is verkregen uit wijn;

b)

een effectief alcoholvolumegehalte heeft van ten minste 7 % vol en een totaal alcoholvolumegehalte van ten minste 9 % vol;

c)

bij bewaring in gesloten recipiënten bij 20 oC, een door geheel of gedeeltelijk toegevoegd koolzuurgas in oplossing teweeggebrachte overdruk heeft van ten minste 1 en ten hoogste 2,5 bar;

d)

wordt aangeboden in recipiënten van 60 liter of minder.

10.   Druivenmost

Onder druivenmost wordt verstaan de vloeistof die op natuurlijke wijze of via natuurkundige procedés uit verse druiven wordt verkregen. Druivenmost mag een effectief alcoholgehalte hebben van ten hoogste 1 % vol.

11.   Gedeeltelijk gegiste druivenmost

Onder gedeeltelijk gegiste druivenmost wordt verstaan het product dat wordt verkregen door vergisting van druivenmost en dat een effectief alcoholgehalte heeft van meer dan 1 % vol doch minder dan drie vijfde van het totale alcoholvolumegehalte.

12.   Gedeeltelijk gegiste druivenmost van ingedroogde druiven

Onder gedeeltelijk gegiste druivenmost van ingedroogde druiven wordt verstaan het product dat wordt verkregen door de gedeeltelijke vergisting van druivenmost van ingedroogde druiven, waarvan het totale gehalte aan suiker vóór de gisting ten minste 272 gram per liter bedraagt en waarvan het natuurlijke en effectieve alcoholvolumegehalte niet minder mag bedragen dan 8 % vol. Bepaalde volgens de in artikel 113, lid 2, bedoelde procedure vast te stellen wijnen die aan deze eisen voldoen, worden echter niet als gedeeltelijk gegiste druivenmost van ingedroogde druiven beschouwd.

13.   Geconcentreerde druivenmost

Onder geconcentreerde druivenmost wordt verstaan niet-gekarameliseerde druivenmost die wordt verkregen door gedeeltelijke dehydratatie van druivenmost door middel van elk ander toegestaan procedé dan de rechtstreekse werking van vuur, en op zodanige wijze dat bij een temperatuur van 20 oC met een refractometer volgens een overeenkomstig artikel 31 voor te schrijven methode een waarde van niet minder dan 50,9 % wordt gemeten.

Geconcentreerde druivenmost mag een effectief alcoholgehalte hebben van ten hoogste 1 % vol.

14.   Gerectificeerde geconcentreerde druivenmost

Onder gerectificeerde geconcentreerde druivenmost wordt verstaan niet-gekarameliseerde vloeistof die:

a)

wordt verkregen door gedeeltelijke dehydratatie van druivenmost door middel van elk ander toegestaan procedé dan de rechtstreekse werking van vuur, en op zodanige wijze dat bij een temperatuur van 20 oC met een refractometer volgens een overeenkomstig artikel 31 voor te schrijven methode een waarde van niet minder dan 61,7 % wordt gemeten;

b)

een toegestane behandeling voor ontzuring en eliminatie van andere bestanddelen dan suiker heeft ondergaan;

c)

de volgende kenmerken vertoont:

pH niet hoger dan 5 bij 25 oBrix;

optische dichtheid bij 425 nm en een dikte van 1 cm, niet hoger dan 0,100, voor geconcentreerde druivenmost bij 25 oBrix;

sucrosegehalte niet vast te stellen met een nader te bepalen analysemethode;

Folin-Ciocalteau-index niet hoger dan 6,00 bij 25 oBrix;

getitreerde zuurgraad niet hoger dan 15 milli-equivalent per kilogram suiker totaal;

gehalte aan zwaveldioxide niet hoger dan 25 mg per kilogram suiker totaal;

gehalte aan kationen totaal niet hoger dan 8 milli-equivalent per kilogram suiker totaal;

conductiviteit bij 25 oBrix en 20 oC niet hoger dan 120 micro-Siemens/cm;

gehalte aan hydroxymethylfurfural niet hoger dan 25 mg per kilogram suiker totaal;

aanwezigheid van meso-inositol.

Gerectificeerde geconcentreerde druivenmost mag een effectief alcoholgehalte hebben van ten hoogste 1 % vol.

15.   Wijn van ingedroogde druiven

Onder wijn van ingedroogde druiven wordt verstaan het product dat:

a)

zonder verrijking is verkregen van druiven die in de zon of de schaduw hebben gelegen met het oog op gedeeltelijke dehydratatie;

b)

een totaal alcoholgehalte heeft van ten minste 16 % vol en een effectief alcoholgehalte van ten minste 9 % vol;

c)

een natuurlijk alcoholgehalte heeft van ten minste 16 % vol (of 272 gram suiker/liter).

16.   Wijn van overrijpe druiven

Onder wijn van overrijpe druiven wordt verstaan het product dat:

a)

wordt bereid zonder verrijking;

b)

een natuurlijk alcoholgehalte heeft van meer dan 15 % vol;

c)

een totaal alcoholgehalte heeft van ten minste 15 % vol en een effectief alcoholgehalte van ten minste 12 % vol.

De lidstaten kunnen voor dit product een rijpingsperiode voorschrijven.

17.   Wijnazijn

Onder wijnazijn wordt verstaan azijn die:

a)

uitsluitend wordt verkregen door azijnzure vergisting van wijn;

b)

een totaal zuurgehalte heeft van ten minste 60 gram per liter, uitgedrukt in azijnzuur.


BIJLAGE V

VERRIJKING, AANZURING EN ONTZURING IN BEPAALDE WIJNBOUWZONES

A.   Grenswaarden voor verrijking

1.

Wanneer de weersomstandigheden zulks in bepaalde in bijlage IX vermelde wijnbouwzones van de Gemeenschap noodzakelijk hebben gemaakt, kunnen de betrokken lidstaten een verhoging toestaan van het natuurlijke alcoholvolumegehalte van verse druiven, druivenmost, gedeeltelijk gegiste druivenmost, jonge, nog gistende wijn en wijn die is verkregen uit wijndruivenrassen die overeenkomstig artikel 24, lid 1, in een indeling kunnen worden opgenomen.

2.

De verhoging van het natuurlijke alcoholvolumegehalte geschiedt volgens de in punt B genoemde oenologische procedés en mag de volgende maxima niet overschrijden:

a)

3 % vol in wijnbouwzone A als vermeld in bijlage IX;

b)

2 % vol in wijnbouwzone B als vermeld in bijlage IX;

c)

1,5 % vol in wijnbouwzone C als vermeld in bijlage IX.

3.

In de jaren waarin de weersomstandigheden uitzonderlijk ongunstig zijn geweest, kunnen de lidstaten verzoeken om de in punt 2 genoemde maxima met 0,5 % te mogen verhogen. In antwoord op een dergelijk verzoek dient de Commissie de ontwerp-wetgevingsmaatregel zo spoedig mogelijk aan het in artikel 195, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1234/2007 bedoelde comité voor te leggen. De Commissie tracht binnen vier weken nadat het verzoek is ingediend, hierover een besluit te nemen overeenkomstig de procedure van artikel 113, lid 1.

B.   Verrijkingsprocedés

1.

Verhoging van het in punt A bedoelde natuurlijke alcoholvolumegehalte mag slechts als volgt geschieden:

a)

voor druiven, gedeeltelijk gegiste druivenmost of jonge, nog gistende wijn: door toevoeging van sacharose, geconcentreerde druivenmost of gerectificeerde geconcentreerde druivenmost;

b)

voor druivenmost: door toevoeging van sacharose, geconcentreerde druivenmost of gerectificeerde geconcentreerde druivenmost of door gedeeltelijke concentratie, met inbegrip van omgekeerde osmose;

c)

voor wijn, door gedeeltelijke concentratie door afkoeling.

2.

Gebruikmaking van een van de in punt 1 bedoelde behandelingen sluit gebruikmaking van de overige uit wanneer wijn of druivenmost verrijkt wordt met geconcentreerde druivenmost of gerectificeerde geconcentreerde druivenmost, en steun wordt verleend uit hoofde van artikel 19 van de onderhavige verordening.

3.

Toevoeging van sacharose als bedoeld in punt 1, onder a) en b), mag alleen in de vorm van droge suiker, en alleen in de volgende gebieden:

a)

wijnbouwzone A als vermeld in bijlage IX,

b)

wijnbouwzone B als vermeld in bijlage IX,

c)

wijnbouwzone C als vermeld in bijlage IX, met uitzondering van de wijngaarden in Italië, Griekenland, Spanje, Portugal, Cyprus en in de Franse departementen welke vallen onder de cours d'appel (Hoven van beroep) te:

Aix-en-Provence,

Nîmes,

Montpellier,

Toulouse,

Agen,

Pau,

Bordeaux,

Bastia.

Voor verrijking door droge suiker mag evenwel alleen bij wijze van uitzondering door de nationale autoriteiten vergunning worden verleend in de in punt c) genoemde Franse departementen. Frankrijk stelt de Commissie en de andere lidstaten onverwijld in kennis van dergelijke vergunningen.

4.

Toevoeging van geconcentreerde druivenmost of gerectificeerde geconcentreerde druivenmost mag niet leiden tot een toename van het oorspronkelijke volume gekneusde druiven, druivenmost, gedeeltelijk gegiste druivenmost of jonge, nog gistende wijn met meer dan respectievelijk 11 % in wijnbouwzone A, 8 % in wijnbouwzone B en 6,5 % in wijnbouwzone C als vermeld in bijlage IX.

5.

Concentratie van druivenmost of wijn die één van de in punt 1 bedoelde behandelingen hebben ondergaan:

a)

mag niet tot gevolg hebben dat het oorspronkelijke volume van deze producten met meer dan 20 % afneemt;

b)

mag, onverminderd punt A, punt 2, onder c), het natuurlijke alcoholgehalte van deze producten niet met meer dan 2 % vol verhogen.

6.

De in de punten 1 en 5 bedoelde behandelingen mogen niet tot gevolg hebben dat het totale alcoholgehalte van verse druiven, druivenmost, gedeeltelijk gegiste druivenmost, jonge, nog gistende wijn of wijn wordt verhoogd:

a)

tot meer dan 11,5 % vol in wijnbouwzone A als vermeld in bijlage IX,

b)

tot meer dan 12 % vol in wijnbouwzone B als vermeld in bijlage IX,

c)

tot meer dan 12,5 % vol in wijnbouwzone C I als vermeld in bijlage IX,

d)

tot meer dan 13 % vol in wijnbouwzone C II als vermeld in bijlage IX en

e)

tot meer dan 13,5 % vol in wijnbouwzone C III als vermeld in bijlage IX.

7.

In afwijking van het bepaalde in punt 6 kunnen de lidstaten:

a)

voor rode wijn de bovengrens van het totale alcoholgehalte van de in punt 6 genoemde producten verhogen tot 12 % vol in wijnbouwzone A en 12,5 % vol in wijnbouwzone B als vermeld in bijlage IX;

b)

het totale alcoholvolumegehalte van de in punt 6 genoemde producten voor de productie van wijn met een oorsprongsbenaming verhogen tot een door de lidstaten vast te stellen waarde.

C.   Aanzuring en ontzuring

1.

Verse druiven, druivenmost, gedeeltelijke gegiste druivenmost, jonge, nog gistende wijn en wijn mogen:

a)

in de wijnbouwzones A, B, C I als vermeld in bijlage IX worden ontzuurd;

b)

in de wijnbouwzones C I, C II en C III a), als vermeld in bijlage IX, onverminderd het bepaalde in punt 7, worden aangezuurd en ontzuurd, of

c)

in wijnbouwzone C III b) als vermeld in bijlage IX worden aangezuurd.

2.

De in punt 1 genoemde producten, behalve wijn, mogen slechts worden aangezuurd tot een maximum van 1,50 gram per liter, uitgedrukt in wijnsteenzuur, d.i. 20 milli-equivalent per liter.

3.

Aanzuring van wijn mag slechts plaatshebben tot een maximum van 2,50 gram per liter, uitgedrukt in wijnsteenzuur, ofwel 33,3 milli-equivalent per liter.

4.

Wijn mag slechts worden ontzuurd tot een maximum van 1 gram per liter, uitgedrukt in wijnsteenzuur, d.i. 13,3 milli-equivalent per liter.

5.

Voor concentratie bestemde druivenmost mag gedeeltelijk worden ontzuurd.

6.

Onverminderd punt 1 mogen de lidstaten in jaren waarin zich uitzonderlijke weersomstandigheden hebben voorgedaan, toestemming verlenen tot aanzuring van de in punt 1 genoemde producten in de wijnbouwzones A en B, als vermeld in bijlage IX, onder de in de punten 2 en 3 genoemde voorwaarden.

7.

Aanzuring en verrijking van eenzelfde product sluiten elkaar uit, behoudens volgens de in artikel 113, lid 2, bedoelde procedure te bepalen afwijkingen, en aanzuring en ontzuring van eenzelfde product sluiten elkaar eveneens uit.

D.   Behandelingen

1.

Elk van de in de punten B en C genoemde behandelingen, met uitzondering van aanzuring en ontzuring van wijn, wordt slechts toegestaan indien zij in de wijnbouwzone waar de gebruikte druiven zijn geoogst, onder volgens de in artikel 113, lid 2, van deze verordening bedoelde procedure te bepalen voorwaarden wordt uitgevoerd bij de verwerking van verse druiven, druivenmost, gedeeltelijk gegiste druivenmost of jonge, nog gistende wijn, tot wijn of tot een andere voor rechtstreekse menselijke consumptie bestemde drank als bedoeld in artikel 1, lid 1, met uitzondering van mousserende wijn of mousserende wijn waaraan koolzuurgas is toegevoegd.

2.

Concentratie van wijn moet plaatsvinden in de wijnbouwzone waar de gebruikte verse druiven zijn geoogst.

3.

Aanzuring en ontzuring van wijn mogen alleen plaatsvinden in wijnbereidende ondernemingen in de wijnbouwzone waar de voor de bereiding van de desbetreffende wijn gebruikte druiven zijn geoogst.

4.

Elk van de in de punten 1, 2 en 3 bedoelde behandelingen moet bij de bevoegde autoriteiten worden gemeld. Hetzelfde geldt voor de hoeveelheden geconcentreerde druivenmost, gerectificeerde geconcentreerde druivenmost of sacharose, welke natuurlijke of rechtspersonen, of groepen personen, met name producenten, bottelaars, verwerkers en volgens de in artikel 113, lid 2, bedoelde procedure nader aan te duiden handelaars, voor de uitoefening van hun beroep, terzelfder tijd en op dezelfde plaats als druiven, druivenmost, gedeeltelijk gegiste druivenmost of onverpakte wijn in voorraad hebben. De melding van deze hoeveelheden mag evenwel worden vervangen door opneming ervan in een voorraadregister.

5.

Elk van de in punt B en punt C genoemde behandelingen moet worden ingeschreven in het in artikel 112 bedoelde begeleidende document waarmee de aldus behandelde producten in het verkeer worden gebracht.

6.

Deze behandelingen mogen, behoudens afwijkingen op grond van uitzonderlijke weersomstandigheden, niet plaatsvinden:

a)

na 1 januari in wijnbouwzone C als vermeld in bijlage IX;

b)

na 16 maart in de wijnbouwzones A en B als vermeld in bijlage IX, en

mogen slechts plaatsvinden voor producten die afkomstig zijn van de laatste aan deze data voorafgaande druivenoogst.

7.

In afwijking van het bepaalde in punt 6 zijn concentratie door afkoeling, alsmede aanzuring en ontzuring van wijn, het hele jaar door toegestaan.


BIJLAGE VI

BEPERKINGEN

A.   Algemeen

1.

Bij alle toegestane oenologische procedés is de toevoeging van water uitgesloten, behalve in gevallen waarin het een specifieke technische noodzaak is.

2.

Bij alle toegestane oenologische procedés is de toevoeging van alcohol uitgesloten, behalve bij procedés voor het verkrijgen van verse druivenmost waarvan de gisting door de toevoeging van alcohol is gestuit, likeurwijn, mousserende wijn, distillatiewijn en parelwijn.

3.

Distillatiewijn mag alleen voor distillatie worden gebruikt.

B.   Verse druiven, druivenmost en druivensap

1.

Verse druivenmost waarvan de gisting door toevoeging van alcohol is gestuit, mag slechts worden gebruikt voor de bereiding van niet onder de GN-codes 2204 10, 2204 21 en 2204 29 vallende producten. Dit geldt onverminderd stringentere bepalingen die de lidstaten kunnen toepassen voor de bereiding van niet onder de GN-codes 2204 10, 2204 21 en 2204 29 vallende producten op hun grondgebied.

2.

Druivensap en geconcentreerd druivensap mogen niet worden verwerkt tot noch worden toegevoegd aan wijn. Het is verboden deze producten op het grondgebied van de Gemeenschap tot alcoholische vergisting te brengen.

3.

De punten 1 en 2 zijn niet van toepassing op producten die zijn bestemd voor de productie, in het Verenigd Koninkrijk, in Ierland en in Polen, van onder GN-code 2206 00 vallende producten, waarvoor de lidstaten het gebruik van een samengestelde benaming waarin de verkoopbenaming „wijn” voorkomt, mogen toestaan.

4.

Gedeeltelijk gegiste druivenmost van ingedroogde druiven mag slechts op de markt worden gebracht voor de vervaardiging van likeurwijnen in die wijnbouwgebieden waar dit gebruik op 1 januari 1985 van oudsher bestond, en voor de vervaardiging van wijn op basis van overrijpe druiven.

5.

Behoudens een andersluidend besluit dat de Raad overeenkomstig de internationale verplichtingen van de Gemeenschap kan nemen, mogen verse druiven, druivenmost, gedeeltelijk gegiste druivenmost, geconcentreerde druivenmost, gerectificeerde geconcentreerde druivenmost, druivenmost waarvan de gisting door de toevoeging van alcohol is gestuit, druivensap, geconcentreerd druivensap en wijn, of mengsels van de genoemde producten, van oorsprong uit derde landen, op het grondgebied van de Gemeenschap niet worden verwerkt tot producten als bedoeld in bijlage IV, noch worden toegevoegd aan dergelijke producten.

C.   Vermenging van wijn

Behoudens een andersluidend besluit dat de Raad overeenkomstig de internationale verplichtingen van de Gemeenschap kan nemen, is het versnijden van wijn van oorsprong uit een derde land met wijn uit de Gemeenschap en het versnijden van wijnen van oorsprong uit derde landen in de Gemeenschap verboden.

D.   Bijproducten

1.

Intense persing van druiven is verboden. De lidstaten stellen, rekening houdend met plaatselijke en technische omstandigheden, de minimumhoeveelheid alcohol in de draf en de wijnmoer na persing van de druiven vast.

De hoeveelheid alcohol in die bijproducten wordt door de lidstaten ten opzichte van het alcoholvolume in de geproduceerde wijn vastgesteld op ten minste 5 %.

2.

Met uitzondering van alcohol, eau-de-vie en piquette, mogen wijn of andere voor rechtstreekse menselijke consumptie bestemde dranken niet uit wijnmoer of druivendraf worden bereid. Het begieten van druivenmoer, druivendraf of geperste aszú-pulp met wijn is toegestaan onder volgens de in artikel 113, lid 2, bedoelde procedure vast te stellen voorwaarden, wanneer die praktijk traditioneel wordt aangewend voor de bereiding van „Tokaji fordítás” en „Tokaji máslás” in Hongarije en „Tokajský forditáš” en „Tokajský mášláš” in Slowakije.

3.

Het persen van wijnmoer en het opnieuw vergisten van druivendraf voor andere doeleinden dan distillatie of de vervaardiging van piquette zijn verboden. Filtrering en centrifugering van wijnmoer worden niet als persing beschouwd wanneer de verkregen producten van gezonde handelskwaliteit zijn.

4.

Piquette, voor zover de vervaardiging ervan door de betrokken lidstaat wordt toegestaan, mag uitsluitend voor distillatie of voor consumptie door wijnproducenten en hun gezin worden gebruikt.

5.

Onverminderd de mogelijkheid voor de lidstaten om te besluiten bijproducten verplicht te laten verwerken door middel van distillatie, moeten alle natuurlijke of rechtspersonen of groepen personen die bijproducten in voorraad hebben, deze onder volgens de in artikel 113, lid 2, bedoelde procedure vast te stellen voorwaarden verwerken.


BIJLAGE VII

BEGROTING VOOR DE ROOIREGELING

Voor de in artikel 102, lid 3, bedoelde rooiregeling zijn de volgende middelen beschikbaar:

a)

voor het wijnoogstjaar 2008/2009 (begrotingsjaar 2009): 464 miljoen EUR,

b)

voor het wijnoogstjaar 2009/2010 (begrotingsjaar 2010): 334 miljoen EUR,

c)

voor het wijnoogstjaar 2010/2011 (begrotingsjaar 2011): 276 miljoen EUR.


BIJLAGE VIII

Oppervlakten die de lidstaten als niet-subsidiabel op grond van de rooiregeling kunnen aanmerken

(als bedoeld in artikel 104, leden 1, 2 en 4)

(in ha)

Lidstaat

Totale met wijnstokken beplante oppervlakte

Oppervlakten als bedoeld in artikel 104, lid 5

BG

135 760

4 073

CZ

19 081

572

DE

102 432

3 073

EL

69 907

2 097

ES

1 099 765

32 993

FR

879 859

26 396

IT

730 439

21 913

CY

15 023

451

LU

1 299

39

HU

85 260

2 558

MT

910

27

AT

50 681

1 520

PT

238 831

7 165

RO

178 101

5 343

SI

16 704

501

SK

21 531

646


BIJLAGE IX

WIJNBOUWZONES

(als bedoeld in de bijlagen IV en V)

De wijnbouwzones zijn de volgende:

1.

Wijnbouwzone A omvat:

a)

in Duitsland: de andere met wijnstokken beplante oppervlakten dan die van wijnbouwzone B;

b)

in Luxemburg: het Luxemburgse wijnbouwgebied;

c)

in België, Denemarken, Ierland, Nederland, Polen, Zweden en het Verenigd Koninkrijk: het wijnbouwareaal van deze landen;

d)

in Tsjechië: het wijnbouwgebied Čechy.

2.

Wijnbouwzone B omvat:

a)

in Duitsland: de met wijnstokken beplante oppervlakten in de regio Baden;

b)

in Frankrijk: de met wijnstokken beplante oppervlakten in de niet in deze bijlage genoemde departementen, alsmede in de volgende departementen:

Alsace: Bas-Rhin, Haut-Rhin;

Lorraine: Meurthe-et-Moselle, Meuse, Moselle, Vosges;

Champagne: Aisne, Aube, Marne, Haute-Marne, Seine-et-Marne;

Jura: Ain, Doubs, Jura, Haute-Saône;

Savoie: Savoie, Haute-Savoie, Isère (de gemeente Chapareillan);

Val de Loire: Cher, Deux-Sèvres, Indre, Indre-et-Loire, Loir-et-Cher, Loire-Atlantique, Loiret, Maine-et-Loire, Sarthe, Vendée, Vienne, alsmede, in het departement Nièvre, de met wijnstokken beplante oppervlakten in het arrondissement Cosne-sur-Loire;

c)

in Oostenrijk: het Oostenrijkse wijnbouwareaal;

d)

in Tsjechië: het wijnbouwgebied Morava en de met wijnstokken beplante oppervlakten die niet in punt 1, onder d), zijn vermeld;

e)

in Slowakije: de met wijnstokken beplante oppervlakten in de volgende regio's: Malokarpatská vinohradnícka oblast', Južnoslovenská vinohradnícka oblast', Nitrianska vinohradnícka oblast', Stredoslovenská vinohradnícka oblast' a Východoslovenská vinohradnícka oblast' en de niet in punt 3, onder f), vermelde wijnbouwgebieden;

f)

in Slovenië: de met wijnstokken beplante oppervlakten in de volgende regio's:

de regio Podravje: Štajerska Slovenija, Prekmurje;

de regio Posavje: Bizeljsko Sremič, Dolenjska en Bela krajina, en de niet in punt 4, onder d), vermelde met wijnstokken beplante oppervlakten;

g)

in Roemenië: het gebied Podișul Transilvaniei.

3.

Wijnbouwzone C I omvat:

a)

in Frankrijk: de met wijnstokken beplante oppervlakten:

in de volgende departementen: Allier, Alpes-de-Haute-Provence, Hautes-Alpes, Alpes-Maritimes, Ariège, Aveyron, Cantal, Charente, Charente-Maritime, Corrèze, Côte-d'Or, Dordogne, Haute-Garonne, Gers, Gironde, Isère (met uitzondering van de gemeente Chapareillan), Landes, Loire, Haute-Loire, Lot, Lot-et-Garonne, Lozère, Nièvre (met uitzondering van het arrondissement Cosne-sur-Loire), Puy-de-Dôme, Pyrénées Atlantiques, Hautes-Pyrénées, Rhône, Saône-et-Loire, Tarn, Tarn-et-Garonne, Haute-Vienne en Yonne;

in de arrondissementen Valence en Die van het departement Drôme (met uitzondering van de kantons Dieulefit, Loriol, Marsanne en Montélimar);

in het arrondissement Tournon, in de kantons Antraigues, Buzet, Coucouron, Montpezat-sous-Bauzon, Privas, Sainte-Étienne-de-Lugdarès, Saint-Pierreville, Valgorge en La Voulte-sur-Rhône van het departement Ardèche;

b)

in Italië: de met wijnstokken beplante oppervlakten in de regio Valle d'Aosta en de provincies Sondrio, Bolzano, Trento en Belluno;

c)

in Spanje: de met wijnstokken beplante oppervlakten in de provincies Asturias, Cantabria, Guipúzcoa, A Coruña en Vizcaya;

d)

in Portugal: de met wijnstokken beplante oppervlakten in dat deel van de noordelijke regio dat overeenstemt met het bepaalde wijnproductiegebied van „Vinho Verde”, alsmede de „concelhos” Bombarral, Lourinhã, Mafra en Torres Vedras (met uitzondering van de „freguesias” Carvoeira en Dois Portos), die behoren tot de „Região viticola da Extremadura”;

e)

in Hongarije: alle met wijnstokken beplante oppervlakten;

f)

in Slowakije:de met wijnstokken beplante oppervlakten in de regio Tokajská vinohradnícka oblast';

g)

in Roemenië, de met wijnstokken beplante oppervlakten die niet in punt 2, onder g), of punt 4, onder f), zijn vermeld.

4.

Wijnbouwzone C II omvat:

a)

in Frankrijk: de met wijnstokken beplante oppervlakten:

in de volgende departementen: Aude, Bouches-du-Rhône, Gard, Hérault, Pyrénées-Orientales (met uitzondering van de kantons Olette en Arles-sur-Tech), Vaucluse;

in het gedeelte van het departement Var dat ten zuiden wordt begrensd door de noordelijke grens van de gemeenten Evenos, Le Beausset, Solliès-Toucas, Cuers, Puget-Ville, Collobrières, La Garde-Freinet, Plan-de-la-Tour en Sainte-Maxime;

in het arrondissement Nyons en de kantons Dieulefit, Loriol, Marsanne en Montélimar in het departement Drôme;

in de niet in punt 3, onder a), vermelde administratieve eenheden van het departement Ardèche;

b)

in Italië: de met wijnstokken beplante oppervlakten in de volgende regio's: Abruzzi, Campania, Emilia-Romagna, Friuli-Venezia Giulia, Lazio, Liguria, Lombardia, met uitzondering van de provincie Sondrio, Marche, Molise, Piemonte, Toscana, Umbria, Veneto, met uitzondering van de provincie Belluno, met inbegrip van de eilanden die tot deze regio's behoren, zoals het eiland Elba en de overige eilanden van de Arcipelago Toscano, de eilanden van de Arcipelago Ponziano en de eilanden Capri en Ischia;

c)

in Spanje: de met wijnstokken beplante oppervlakten in de volgende provincies:

Lugo, Orense, Pontevedra,

Ávila (met uitzondering van de gemeenten die overeenstemmen met de „comarca” Cebreros), Burgos, León, Palencia, Salamanca, Segovia, Soria, Valladolid, Zamora,

La Rioja,

Álava,

Navarra,

Huesca,

Barcelona, Girona, Lleida,

het gedeelte van de provincie Zaragoza ten noorden van de rivier de Ebro,

de gemeenten van de provincie Tarragona begrepen in de oorsprongsbenaming Penedés,

het gedeelte van de provincie Tarragona dat overeenstemt met de „comarca” Conca de Barberá;

d)

in Slovenië: de met wijnstokken beplante oppervlakten in de volgende regio's: Brda of Goriška Brda, Vipavska dolina of Vipava, Kras en Slovenska Istra;

e)

in Bulgarije: de met wijnstokken beplante oppervlakten in de volgende regio's: Dunavska Ravnina (Дунавска равнина), Chernomorski Rayon (Черноморски район), Rozova Dolina (Розова долина);

f)

in Roemenië: de met wijnstokken beplante oppervlakten in de volgende regio's: Dealurile Buzăului, Dealu Mare, Severinului en Plaiurile Drâncei, Colinele Dobrogei, Terasele Dunării, het zuidelijke wijngebied met zandgronden en andere gunstige gebieden.

5.

Wijnbouwzone C III a) omvat:

a)

in Griekenland: de met wijnstokken beplante oppervlakten in de volgende regio's: Florina, Emathia, Kilkis, Grevena, Larissa, Ioannina, Lefkada, Achaia, Messenia, Arkadia, Korinthe, Heraklion, Chania, Rethymno, Samos, Lassithi, alsmede op het eiland Thira (Santorini);

b)

in Cyprus: de met wijnstokken beplante oppervlakten die hoger zijn gelegen dan 600 meter;

c)

in Bulgarije, de met wijnstokken beplante oppervlakten die niet in punt 4, onder e), zijn vermeld.

6.

Wijnbouwzone C III b) omvat:

a)

in Frankrijk: de met wijnstokken beplante oppervlakten:

in de departementen van Corsica,

in het gedeelte van het departement Var dat gelegen is tussen de zee en de lijn die wordt gevormd door de (erin begrepen) gemeenten Evenos, Le Beausset, Solliès-Toucas, Cuers, Puget-Ville, Collobrières, La Garde-Freinet, Plan-de-la Tour en Sainte-Maxime,

de kantons Olette en Arles-sur-Tech in het departement Pyrénées-Orientales;

b)

in Italië: de met wijnstokken beplante oppervlakten in de volgende regio's: Calabrië, Basilicata, Apulië, Sardinië, Sicilië, met inbegrip van de eilanden die tot deze regio's behoren, zoals het eiland Pantelleria, de Eolische, Egadische en Pelagische eilanden;

c)

in Griekenland: de met wijnstokken beplante oppervlakten die niet in punt 5, onder a), zijn opgenomen;

d)

in Spanje: de met wijnstokken beplante oppervlakten die niet in punt 3, onder c), of punt 4, onder c), zijn vermeld;

e)

in Portugal: de met wijnstokken beplante oppervlakten die niet onder punt 3, onder d), vallen;

f)

in Cyprus: de met wijnstokken beplante oppervlakten die niet hoger zijn gelegen dan 600 meter;

g)

in Malta: met wijnstokken beplante oppervlakten.

7.

De grenzen van de in deze bijlage vermelde administratieve eenheden zijn die welke zijn vastgesteld in de op 15 december 1981 geldende nationale bepalingen en, wat Spanje en Portugal betreft, de respectievelijk op 1 maart 1986 en op 1 maart 1998 geldende nationale bepalingen.


Top