Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32008R0249

Verordening (EG) nr. 249/2008 van de Raad van 17 maart 2008 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1425/2006 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op de invoer van bepaalde kunststof zakken uit de Volksrepubliek China en Thailand

OJ L 76, 19.3.2008, p. 8–12 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

No longer in force, Date of end of validity: 28/09/2011

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2008/249/oj

19.3.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 76/8


VERORDENING (EG) Nr. 249/2008 VAN DE RAAD

van 17 maart 2008

tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1425/2006 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op de invoer van bepaalde kunststof zakken uit de Volksrepubliek China en Thailand

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad van 22 december 1995 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (1) („de basisverordening”), en met name op artikel 9 en artikel 11, lid 3,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1425/2006 van de Raad van 25 september 2006 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op de invoer van bepaalde kunststof zakken uit de Volksrepubliek China en Thailand en tot staking van de procedure betreffende de invoer van bepaalde kunststof zakken uit Maleisië (2),

Gezien het voorstel van de Commissie, ingediend na raadpleging van het Raadgevend Comité,

Overwegende hetgeen volgt:

1.   BESTAANDE MAATREGELEN

(1)

Na een onderzoek („het oorspronkelijke onderzoek”) heeft de Raad bij Verordening (EG) nr. 1425/2006 een definitief antidumpingrecht ingesteld op bepaalde kunststof zakken van oorsprong uit onder meer de Volksrepubliek China.

1.1.   Opening van een tussentijds nieuw onderzoek

(2)

Op initiatief van de Commissie werd een gedeeltelijk tussentijds nieuw onderzoek van bovengenoemde verordening geopend ten behoeve van Xinhui Alida Polythene Limited („Xinhui Alida” of „de onderneming”), een Chinese producent/exporteur op wie de antidumpingmaatregelen van toepassing zijn. De Commissie heeft het gedeeltelijke tussentijdse nieuwe onderzoek geopend op basis van door de onderneming verstrekt voorlopig bewijsmateriaal.

(3)

Dit nieuwe onderzoek werd geopend op grond van artikel 11, lid 3, van de basisverordening. In het bewijsmateriaal dat de Commissie van Xinhui Alida ontving, voerde de onderneming aan dat in haar geval de omstandigheden op basis waarvan de maatregelen waren vastgesteld, gewijzigd waren en dat deze veranderingen van blijvende aard waren.

(4)

De gegevens waarover de Commissie de beschikking kreeg, leken erop te duiden dat de onderneming voortaan op marktvoorwaarden opereerde; dit werd aangetoond met het argument dat de onderneming nu aan de criteria van artikel 2, lid 7, onder c), van de basisverordening voldeed. Verder beweerde de onderneming dat haar verkooppatroon, zowel wat de hoeveelheden als wat de bestemming betreft, en de geïnstalleerde capaciteit blijvend waren gewijzigd sinds de periode op basis waarvan de oorspronkelijke maatregelen waren vastgesteld. Bovendien voerde zij aan dat een vergelijking van de normale waarde op basis van haar eigen kosten en prijzen en haar prijzen bij uitvoer naar de Gemeenschap zou leiden tot een dumpingmarge beduidend onder die van de huidige maatregelen, waarvoor zij voorlopig bewijsmateriaal leverde.

(5)

Daarom hoeven de maatregelen volgens de onderneming niet meer op het huidige niveau te worden gehandhaafd om de gevolgen van dumping te neutraliseren, daar dit niveau gebaseerd is op de eerder vastgestelde dumpingmarge.

(6)

Daar de Commissie na overleg met het Raadgevend Comité tot de conclusie was gekomen dat er voldoende bewijsmateriaal was aangedragen om een gedeeltelijk tussentijds nieuwe onderzoek te openen, publiceerde zij een bericht van inleiding (3) en begon zij een onderzoek dat beperkt was tot het aspect dumping.

1.2.   Bij het onderzoek betrokken partijen

(7)

De Commissie heeft Xinhui Alida en zijn verbonden ondernemingen, alsmede de vertegenwoordigers van het land van uitvoer, officieel in kennis gesteld van de opening van het nieuwe onderzoek. De belanghebbenden werden in de gelegenheid gesteld hun standpunt schriftelijk kenbaar te maken en konden een verzoek indienen om te worden gehoord.

(8)

De Commissie zond ook vragenlijsten naar de indiener van het verzoek en de met hem verbonden ondernemingen; zij ontving de antwoorden binnen de vastgestelde termijn. De Commissie heeft alle gegevens die zij voor de vaststelling van dumping en de behandeling als marktgerichte onderneming nodig achtte, verzameld en gecontroleerd en zij heeft een controlebezoek gebracht aan de volgende ondernemingen:

Xinhui Alida Polythene Limited, Xinhui, China;

Horneman Chemplas (Far East) Limited, Hongkong;

British Polythene Industries plc, Stockton-on-Tees, Verenigd Koninkrijk;

Thai Plastic Bags Industries Co., Ltd, Nakonpathom, Thailand;

Thai Griptech Co., Ltd, Samae-Dum, Bangkok, Thailand;

Sahachit Watana Co., Ltd, Nongkaem, Bangkok, Thailand.

1.3.   Nieuw onderzoektijdvak

(9)

Het dumpingonderzoek had betrekking op de periode van 1 juli 2005 tot en met 30 juni 2006 („het nieuwe onderzoektijdvak”).

2.   BETROKKEN PRODUCT EN SOORTGELIJK PRODUCT

2.1.   Betrokken product

(10)

Het betrokken product is voor dit nieuwe onderzoek hetzelfde als voor het oorspronkelijke onderzoek, namelijk kunststof zakken met een gehalte aan polyethyleen van minimaal 20 gewichtspercenten en met een dikte van niet meer dan 100 μm, van oorsprong uit de VRC en thans ingedeeld onder de GN-codes ex 3923 21 00, ex 3923 29 10 en ex 3923 29 90 (Taric-codes 3923210020, 3923291020 en 3923299020).

2.2.   Soortgelijk product

(11)

Bij dit nieuwe onderzoek is gebleken dat Xinhui Alida zijn product niet op de Chinese binnenlandse markt verkoopt, zodat geen soortgelijk product werd geproduceerd.

3.   BEHANDELING ALS MARKTGERICHTE ONDERNEMING („BMO”)

(12)

Bij alle antidumpingonderzoeken betreffende invoer van oorsprong uit de VRC moet de normale waarde voor producenten/exporteurs van wie wordt vastgesteld dat zij aan de criteria van artikel 2, lid 7, onder c), beantwoorden, worden vastgesteld overeenkomstig artikel 2, leden 1 tot en met 6, van de basisverordening. Gemakshalve worden deze criteria hieronder kort samengevat:

besluiten van ondernemingen en de door hen gemaakte kosten zijn een reactie op marktomstandigheden, zonder staatsinmenging van betekenis;

de boekhouding wordt door een onafhankelijke instantie in overeenstemming met de internationale standaarden voor jaarrekeningen gecontroleerd en bestrijkt alle terreinen;

er zijn geen verstoringen van betekenis die nog voortvloeien uit het vroegere systeem zonder markteconomie;

faillissements- en eigendomswetten bieden rechtszekerheid en stabiliteit;

munteenheden worden tegen de marktkoers omgerekend.

(13)

De diensten van de Commissie kwamen tot de conclusie dat Xinhui Alida had aangetoond dat het aan de vijf criteria van artikel 2, lid 7, onder c), van de basisverordening voldeed en stelden daarom voor om de onderneming een BMO toe te staan.

(14)

Xinhui Alida en de bedrijfstak van de Gemeenschap werden in de gelegenheid gesteld commentaar op deze bevindingen te geven.

(15)

De bedrijfstak van de Gemeenschap vocht de toekenning van de BMO aan Xinhui Alida aan met het argument dat het bestuur van de onderneming onduidelijk was en dat de onderneming bepaalde documenten die nodig waren om aan te tonen dat zij voor een BMO in aanmerking kwam, vernietigd had.

(16)

Volgens de statuten van de onderneming worden directeuren door de aandeelhouders in verhouding tot de omvang van hun aandelenpakket benoemd; momenteel benoemen de twee aandeelhouders echter hetzelfde aantal directeuren, ook al hebben zij niet evenveel aandelen. Dit betekent echter niet dat het bestuur van de onderneming onduidelijk is. De grotere aandeelhouder heeft een meerderheidsbelang in de kleinere, zodat de samenstelling van de raad van bestuur in overeenstemming is met de feitelijke eigendom van Xinhui Alida.

(17)

Bovendien werd aangevoerd dat de onderneming geen originele bankafschriften kon tonen voor de eerste kapitaalinleg, de betaling van het landgebruiksrecht en de betaling aan de staat voor zijn aandelen toen de onderneming volledig geprivatiseerd werd, aangezien het geen ondernemingsbeleid is documenten langer dan zeven jaar te bewaren. De onderneming kon echter wel gecontroleerd bewijsmateriaal over deze transacties overleggen en gezien de tijd die was verstreken, werd het niet buitengewoon gevonden dat de originele bankafschriften ontbraken.

(18)

Deze argumenten werden onderzocht, maar omdat er geen bewijs werd verstrekt op grond waarvan de Commissie haar besluit de onderneming een BMO toe te kennen, zou moeten veranderen, werden de argumenten van de bedrijfstak van de Gemeenschap verworpen.

(19)

Het Raadgevend Comité werd geraadpleegd en de direct betrokken partijen werden dienovereenkomstig ingelicht. De belangrijkste argumenten van de bedrijfstak van de Gemeenschap werden hierboven al behandeld.

4.   DUMPING

4.1.   Normale waarde

4.1.1.   Methode voor de vaststelling van de normale waarde

(20)

In overeenstemming met artikel 2, lid 2, van de basisverordening werd eerst onderzocht of de binnenlandse verkoop van het soortgelijke product door de producent/exporteur aan onafhankelijke afnemers representatief was, d.w.z. of de totale op de binnenlandse markt verkochte hoeveelheid ten minste 5 % van de totale naar de Gemeenschap uitgevoerde hoeveelheid bedroeg. Aangezien Xinhua Alida gedurende het nieuwe onderzoektijdvak geen binnenlandse verkoop had, werd de normale waarde van de onderneming berekend overeenkomstig artikel 2, lid 3.

4.1.2.   Vaststelling van de normale waarde

(21)

Bij ontstentenis van binnenlandse verkopen werd de normale waarde berekend op basis van artikel 2, lid 3, van de basisverordening door de verkoopkosten, algemene kosten en administratieve kosten (VAA-kosten) en de gewogen gemiddelde winst op te tellen bij de gemiddelde productiekosten van Xinhua Alida tijdens het nieuwe onderzoektijdvak.

(22)

Xinhua Alida voerde aan dat zijn productiekosten gecorrigeerd moesten worden om rekening te houden met het verschil in het afschrijvingsbeleid tussen Xinhua Alida en het moederbedrijf in het Verenigd Koninkrijk, British Polythene Industries plc („BPI”), omdat de rekeningen van beide ondernemingen geconsolideerd worden. Xinhua Alida verstrekte bewijsmateriaal om aan te tonen dat BPI de afschrijving van zijn activa corrigeerde als onderdeel van het consolidatieproces, en voerde tevens aan dat de afschrijvingspercentages in China wettelijk zijn vastgesteld, zodat de onderneming zijn afschrijvingsbeleid niet kan bijstellen.

(23)

Dit argument werd verworpen, enerzijds omdat de Chinese wet in 2001 werd gewijzigd en niet langer het afschrijvingspercentage vastlegt, en anderzijds omdat het bij de productiekosten van Xinhua Alida tijdens het nieuwe onderzoektijdvak gaat om de kosten overeenkomstig de gecontroleerde rekeningen van de onderneming en niet om kosten die zijn gecorrigeerd om in het Verenigd Koninkrijk een consolidatie mogelijk te maken. Bovendien werd bij het onderzoek van de activa vastgesteld dat deze na tien jaar doorgaans nog in gebruik waren.

(24)

Xinhua Alida voerde ook nog aan dat de kosten van de grondstoffen gecorrigeerd moesten worden om rekening te houden met het feit dat een deel van het bedrag dat het aan zijn leverancier, Horneman Chemplas (Far East) Limited, betaalde, in feite werd betaald aan zijn holding Venture Hongkong, dat deels eigendom is van Horneman Chemplas en verder van British Polythene Industries plc (BPI). Dit argument werd ook verworpen. Ten eerste zijn Horneman Chemplas en Xinhui Alida wel verbonden partijen, maar vastgesteld werd dat de door Horneman Chemplas aan Xinhui Alida in rekening gebrachte prijs een redelijke marktprijs was, inclusief een kleine handelsmarge voor Horneman op de prijs waartegen het de goederen had gekocht, zodat zijn kosten gedekt waren. Bovendien werden de bedragen niet direct door Horneman aan Xinhua Alida terugbetaald in de vorm van bijvoorbeeld een volumekorting of een creditnota, maar aan Venture Hongkong, dat de bedragen aan Xinhua Alida overmaakte als kapitaalinjectie(s) en andere betalingen. Derhalve kunnen deze bedragen niet als normale door een verkoper aan een koper gegeven korting op de prijs worden aangemerkt.

(25)

De gegevens betreffende de VAA-kosten en de gewogen gemiddelde winst werden ontleend aan de vragenlijsten die de Commissie van ondernemingen in het referentieland ontving.

4.1.3.   Referentieland

(26)

In overeenstemming met artikel 2, lid 6, onder c), van de basisverordening werd wegens het ontbreken van binnenlandse verkopen voor de berekening van de normale waarde voor Xinhua Alida gebruikgemaakt van de gegevens voor een referentieland. In het bericht van inleiding werd Maleisië als referentieland genoemd, maar er waren daar geen ondernemingen die aan het onderzoek wilden meewerken. Wel verleenden drie ondernemingen in Thailand met binnenlandse verkopen hun medewerking. De gewogen gemiddelde VAA-kosten en winst werden berekend op basis van door deze ondernemingen verstrekte gegevens die ter plaatse zijn gecontroleerd.

4.2.   Uitvoerprijs

(27)

Voor zover Xinhua Alida het betrokken product rechtstreeks naar onafhankelijke afnemers in de Gemeenschap uitvoerde, werd de uitvoerprijs, overeenkomstig artikel 2, lid 8, van de basisverordening, berekend op grond van de gedurende het nieuwe onderzoektijdvak werkelijk betaalde of te betalen prijs voor het betrokken product.

(28)

Het grootste deel van de verkoop van Xinhua Alida ging evenwel hetzij naar zijn verbonden onderneming in Hongkong, Horneman Chemplas, hetzij naar zijn verbonden onderneming in het Verenigd Koninkrijk, BPI, die het product doorverkochten aan de uiteindelijke afnemers in de Gemeenschap. Voor deze uitvoer naar de Gemeenschap werd de uitvoerprijs vastgesteld op basis van artikel 2, lid 9, van de basisverordening, namelijk door gebruik te maken van de wederverkoopprijzen die de eerste onafhankelijke afnemer in de Gemeenschap tijdens het nieuwe onderzoektijdvak werkelijk aan de verbonden onderneming betaalde of moest betalen, gecorrigeerd voor alle kosten tussen de invoer en de wederverkoop en voor de winst.

4.3.   Vergelijking

(29)

De vergelijking tussen de normale waarde en de uitvoerprijs geschiedde op basis van de prijs af fabriek en in hetzelfde handelsstadium. Om te zorgen voor een billijke vergelijking werd overeenkomstig artikel 2, lid 10, van de basisverordening rekening gehouden met verschillen in factoren waarvan werd aangetoond dat zij van invloed waren op de prijzen en de vergelijkbaarheid daarvan. Op grond hiervan werden in voorkomend geval correcties verricht voor verschillen in kortingen, rabatten, commissies, vervoerskosten, verzekering, kosten van op- en overslag, verpakking, kredietkosten, bankkosten en invoerrechten, waar die gerechtvaardigd waren.

(30)

Aangezien de verbonden importeur in het Verenigd Koninkrijk functies vervult die vergelijkbaar zijn met die van een commissionair, werd op de uitvoerprijs een correctie voor een commissie toegepast overeenkomstig artikel 2, lid 10, onder i), van de basisverordening. De hoogte van de commissie werd berekend op basis van rechtstreeks bewijsmateriaal voor het bestaan van een handelsmarge en verkoopkosten die verband houden met dergelijke functies.

4.4.   Dumpingmarge

(31)

Overeenkomstig artikel 2, lid 11, van de basisverordening werd voor elke soort van het betrokken product de gewogen gemiddelde normale waarde vergeleken met de gewogen gemiddelde uitvoerprijs.

(32)

De dumpingmarge van Xinhua Alida, uitgedrukt als een percentage van de nettoprijs franco grens Gemeenschap, vóór inklaring, werd vastgesteld op 4,3 %.

5.   BLIJVENDE AARD VAN DE GEWIJZIGDE OMSTANDIGHEDEN

(33)

Overeenkomstig artikel 11, lid 3, van de basisverordening werd ook onderzocht of de gewijzigde omstandigheden redelijkerwijs als van blijvende aard konden worden aangemerkt.

(34)

Ten eerste moet worden opgemerkt dat de onderneming kon bewijzen dat haar een BMO moest worden toegekend, zodat zij in aanmerking komt voor een individuele dumpingmarge. De redenen voor het toekennen van een BMO moeten als blijvend worden beschouwd aangezien zij betrekking hebben op de structuur en het bedrijfsmodel van de onderneming op lange termijn. Ten tweede werd informatie gevraagd over de ontwikkeling van de productsoorten en de prijsschommelingen na het eind van het nieuwe onderzoektijdvak in juni 2006. De onderneming leverde het bewijs dat de grondstofprijzen in de tweede helft van 2006 eerst stegen en aan het eind van 2006 weer daalden, maar niet tot het niveau dat zij gedurende het nieuwe onderzoektijdvak hadden. Gezien het beleid van de moederonderneming inzake de verrekenprijzen tussen Xinhua Alida en haar zelf, is duidelijk dat de verrekenprijs in de tweede helft van 2006 stabiel bleef hoewel de prijs van de grondstoffen aanzienlijk steeg. BPI heeft ook aangetoond dat zijn wederverkoopprijzen in de tweede helft van 2006 stabiel bleven, waaruit duidelijk blijkt dat de voor het nieuwe onderzoektijdvak berekende dumpingmarge ook geldig bleef voor de rest van 2006.

(35)

De onderneming beweerde dat haar verkooppatroon, zowel wat kwantiteit als wat bestemming betreft, blijvend veranderd was sedert het oorspronkelijke onderzoektijdvak van april 2004 tot en met maart 2005.

(36)

Uit het bewijsmateriaal dat tijdens het onderzoek werd verkregen, bleek dat het niet waarschijnlijk is dat het gedrag van de onderneming en de omstandigheden die tot de opening van dit nieuwe onderzoek leidden, in de afzienbare toekomst zodanig zullen veranderen dat dit van invloed is op de bevindingen van dit nieuwe onderzoek. Het lijkt er dus op dat de veranderingen van blijvende aard zijn en de conclusies van het nieuwe onderzoek derhalve langdurig geldigheid zullen hebben.

6.   ANTIDUMPINGMAATREGELEN

(37)

Gezien de resultaten van het onderzoek wordt het passend geacht het antidumpingrecht op het betrokken product voor Xinhua Alida te wijzigen en op 4,3 % vast te stellen.

7.   MEDEDELING VAN FEITEN EN OVERWEGINGEN

(38)

De belanghebbenden werden in kennis gesteld van de belangrijkste feiten en overwegingen op grond waarvan de Commissie voornemens was een wijziging van Verordening (EG) nr. 1425/2006 aan te bevelen en konden hierover opmerkingen maken.

(39)

De onderneming bestreed de bevindingen omdat diverse door de onderneming gevraagde correcties van de hand waren gewezen, namelijk de berekening van de afschrijvingen in China, de behandeling van een wisselkoerswinst in het Verenigd Koninkrijk en een beweerd rabat op grondstoffen. De onderneming verschafte evenwel geen nieuwe bewijzen ter onderbouwing van haar aanspraken, zodat deze opnieuw werden verworpen.

(40)

De bedrijfstak van de Gemeenschap vroeg nadere informatie over de berekening van de normale waarde aan de hand van gegevens over Thailand, maar verstrekte geen bewijsmateriaal om de berekening of de gebruikte methode aan te vechten,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De tabel in artikel 1, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1425/2006 van de Raad wordt gewijzigd door hieraan toe te voegen:

Land

Bedrijf

Antidumpingrecht (%)

Aanvullende Taric-code

Volksrepubliek China

Xinhui Alida Polythene Limited, Xinhui

4,3 %

A854

De lijst van ondernemingen in bijlage I bij Verordening (EG) nr. 1425/2006 van de Raad wordt gewijzigd door hieruit te verwijderen:

XINHUI ALIDA POLYTHENE LIMITED

Xinhui

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 17 maart 2008.

Voor de Raad

De voorzitter

I. JARC


(1)  PB L 56 van 6.3.1996, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2117/2005 (PB L 340 van 23.12.2005, blz. 17).

(2)  PB L 270 van 29.9.2006, blz. 4. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1356/2007 (PB L 304 van 22.11.2007, blz. 5).

(3)  PB C 54 van 9.3.2007, blz. 5.


Top