Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32008F0978

Kaderbesluit 2008/978/JBZ van de Raad van 18 december 2008 betreffende het Europees bewijsverkrijgingsbevel ter verkrijging van voorwerpen, documenten en gegevens voor gebruik in strafprocedures

OJ L 350, 30.12.2008, p. 72–92 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)
Special edition in Croatian: Chapter 19 Volume 006 P. 144 - 164

No longer in force, Date of end of validity: 21/02/2016; opgeheven door 32016R0095

ELI: http://data.europa.eu/eli/dec_framw/2008/978/oj

30.12.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 350/72


KADERBESLUIT 2008/978/JBZ VAN DE RAAD

van 18 december 2008

betreffende het Europees bewijsverkrijgingsbevel ter verkrijging van voorwerpen, documenten en gegevens voor gebruik in strafprocedures

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name op artikel 31 en artikel 34,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van het Europees Parlement (1),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Europese Unie heeft zich ten doel gesteld een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid te handhaven en te ontwikkelen. Volgens de conclusies van de Europese Raad van Tampere van 15 en 16 oktober 1999, en in het bijzonder punt 33, moet het beginsel van wederzijdse erkenning de hoeksteen van de justitiële samenwerking binnen de Unie worden in zowel burgerlijke als strafzaken.

(2)

Op 29 november 2000 heeft de Raad, overeenkomstig de conclusies van Tampere, een programma van maatregelen om uitvoering te geven aan het beginsel van wederzijdse erkenning van strafrechtelijke beslissingen aangenomen (2). Dit kaderbesluit is noodzakelijk met het oog op de uitvoering van de maatregelen 5 en 6 van dat programma, die betrekking hebben op de wederzijdse erkenning van beslissingen inzake bewijsverkrijging.

(3)

In punt 3.3.1 van het Haags programma (3), dat aan de conclusies van de Europese Raad van 4 en 5 november 2004 is gehecht, wordt erop gewezen dat het uitgebreide programma van maatregelen om uitvoering te geven aan het beginsel van wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen in strafzaken moet worden vervolledigd en wordt de invoering van het EBB als prioriteit aangemerkt.

(4)

Het kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten (4) vormt de eerste tastbare toepassing op strafrechtelijk gebied van het beginsel van wederzijdse erkenning.

(5)

Het kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 22 juli 2003 inzake de uitvoering in de Europese Unie van beslissingen tot bevriezing van voorwerpen of bewijsstukken (5) komt tegemoet aan de noodzaak van een onmiddellijke wederzijdse erkenning van beslissingen ter voorkoming van de vernietiging, omzetting, verplaatsing, overdracht of vervreemding van bewijsstukken. Dit besluit regelt echter slechts een deel van het spectrum van de justitiële samenwerking in strafzaken met betrekking tot bewijsmateriaal; op de overdracht van het bewijsmateriaal blijven de bestaande procedures in het kader van wederzijdse rechtshulp van toepassing.

(6)

Het is daarom noodzakelijk de justitiële samenwerking verder te verbeteren en het beginsel van wederzijdse erkenning toe te passen op een rechterlijke beslissing, in de vorm van een EBB, die ten doel heeft voorwerpen, documenten en gegevens te verkrijgen voor gebruik in strafprocedures.

(7)

Het EBB kan dienen voor het verkrijgen van voorwerpen, documenten en gegevens voor gebruik in strafprocedures waarvoor een EBB kan worden uitgevaardigd. Het kan onder meer gaan om voorwerpen, documenten of gegevens in bezit van een derde of voortkomend uit een doorzoeking, met inbegrip van de woonruimte van de verdachte; gegevens met betrekking tot het gebruik van diensten, met inbegrip van financiële transacties; processen-verbaal van verklaringen en verhoren, verslagen van hoorzittingen; alsmede andere documenten, met inbegrip van de resultaten van het gebruik van bijzondere opsporingsbevoegdheden.

(8)

Het beginsel van wederzijdse erkenning is gebaseerd op een hoge mate van vertrouwen tussen de lidstaten. Om dit vertrouwen te bevorderen dient dit kaderbesluit sterke garanties te bevatten voor de bescherming van de grondrechten. Het EBB mag derhalve uitsluitend worden uitgevaardigd door rechters, rechtbanken, onderzoeksmagistraten, openbaar aanklagers en bepaalde andere rechterlijke autoriteiten zoals door de lidstaten bepaald overeenkomstig artikel 2, punt c), van dit kaderbesluit.

(9)

Dit kaderbesluit wordt aangenomen op grond van artikel 31 VEU en heeft bijgevolg betrekking op de justitiële samenwerking in de zin van dat artikel, met het doel bijstand te verlenen bij het verkrijgen van bewijs dat nodig is voor gebruik in de in artikel 4 bedoelde procedures. Hoewel bij de in artikel 2, bedoelde bewijsvergaring er een taak kan zijn weggelegd voor andere instanties dan rechters, rechtbanken, onderzoeksmagistraten en openbare aanklagers, valt de politiële, douane-, grens- en bestuurlijke samenwerking, die door andere bepalingen van de Verdragen wordt geregeld, niet onder het toepassingsgebied van dit kaderbesluit.

(10)

De definitie van het begrip „doorzoeking of inbeslagneming” kan niet worden gebruikt voor de toepassing van andere instrumenten die tussen de lidstaten van de Europese Unie zijn gesloten, met name het Europees Verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken van 20 april 1959, en de instrumenten ter aanvulling van dat Verdrag.

(11)

Een EBB mag alleen worden uitgevaardigd indien het opvragen van de betrokken voorwerpen, documenten of gegevens in het kader van de strafprocedure of andere procedure in verband waarmee het geschiedt, noodzakelijk en evenredig is. Voorts mag een EBB slechts worden uitgevaardigd indien de voorwerpen, documenten of gegevens volgens het recht van de uitvaardigende staat in een vergelijkbare zaak kunnen worden opgevraagd. Het toezicht op de naleving van deze voorwaarden dient de taak van de uitvaardigende autoriteit te zijn. Deze aangelegenheid dient derhalve niet onder de gronden voor niet-erkenning of niet-uitvoering te vallen.

(12)

De uitvoerende autoriteit gebruikt het minst ingrijpende middel dat ter beschikking staat om de voorwerpen, documenten of gegevens te verkrijgen.

(13)

De uitvoerende autoriteit dient een EBB met betrekking tot elektronische gegevens die zich niet in de uitvoerende staat bevinden alleen ten uitvoer te leggen voor zover de wetgeving van die staat dit mogelijk maakt.

(14)

De uitvaardigende autoriteit moet, indien de nationale wetgeving tot omzetting van artikel 12 van de uitvaardigende staat hierin voorziet, de uitvoerende autoriteit kunnen verzoeken zich te houden aan bepaalde gerechtelijke of administratieve procedures die ertoe kunnen bijdragen dat het opgevraagde bewijs in de uitvaardigende staat toelaatbaar is, zoals het officieel afstempelen van een document, de aanwezigheid van een vertegenwoordiger van de uitvaardigende staat of de registratie van tijdstippen en data teneinde een bewijsketen te scheppen. Dwangmaatregelen behoren niet tot de bedoelde vormvoorschriften en procedures.

(15)

De uitvoering van een EBB vindt plaats onverminderd de fundamentele waarborgen zoals die gelden op het grond van het nationale recht, en dient zoveel mogelijk te geschieden in overeenstemming met de door de uitvaardigende staat uitdrukkelijk aangegeven vormvoorschriften en procedures.

(16)

Met het oog op de doeltreffendheid van de justitiële samenwerking in strafzaken dienen de mogelijkheid om te weigeren het EBB te erkennen of uit te voeren, alsmede de redenen om de uitvoering uit te stellen, te worden beperkt. Met name dient het voor bepaalde categorieën strafbare feiten onmogelijk te zijn de uitvoering van het EBB te weigeren omdat het betrokken feit volgens het nationale recht van de uitvoerende staat geen strafbaar feit oplevert (dubbele strafbaarheid).

(17)

Het moet mogelijk zijn een EBB te weigeren indien de erkenning of uitvoering ervan in de uitvoerende staat inbreuk op een immuniteit of voorrecht in die staat tot gevolg heeft. Aangezien er geen gemeenschappelijke definitie van immuniteiten of voorrechten in de Europese Unie bestaat, is de precieze definitie van deze begrippen een zaak van nationaal recht. De immuniteiten en voorrechten kunnen mede beschermende maatregelen omvatten ten behoeve van medische en juridische beroepen. De begrippen mogen evenwel niet worden geïnterpreteerd op een wijze die strijd oplevert met de verplichting om bepaalde weigeringsgronden op te heffen als bepaald in artikel 7 van de Akte van de Raad van 16 oktober 2001 tot vaststelling, overeenkomstig artikel 34 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, van het Protocol bij de Overeenkomst betreffende de wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie (6).

(18)

Het moet mogelijk zijn de erkenning of de uitvoering van een EBB te weigeren voor zover de uitvoering wezenlijke belangen van nationale veiligheid zou schaden, de informatiebron in gevaar zou brengen of het gebruik van gerubriceerde gegevens betreffende specifieke inlichtingenactiviteiten met zich mee zou brengen; er zij echter op gewezen dat een dergelijke grond voor niet-erkenning of niet-uitvoering alleen geldig is voor zover de voorwerpen, documenten en gegevens ook in een vergelijkbare binnenlandse zaak niet als bewijs gebruikt zouden worden.

(19)

Het bepaalde in artikel 13, lid 3, in samenhang met artikel 13, lid 1, onder f), onder i), laat de wijze en omvang van de implementatie van de overige in artikel 13, lid 1, vermelde weigeringsgronden onverlet.

(20)

Het stellen van termijnen is noodzakelijk om een snelle, doeltreffende en consequente samenwerking te garanderen met betrekking tot het verkrijgen van voorwerpen, documenten of gegevens voor gebruik in strafprocedures in de gehele Europese Unie.

(21)

De lidstaten beschikken in hun nationale recht over rechtsmiddelen tegen de materiële gronden voor beslissingen tot bewijsverkrijging, met inbegrip van de noodzaak en de proportionaliteit van de beslissing, met dien verstande dat er tussen de lidstaten verschillen kunnen bestaan met betrekking tot deze rechtsmiddelen en dat deze in verschillende fasen van de procedure kunnen worden aangewend.

(22)

Er dient een systeem te worden ingevoerd om de doeltreffendheid van dit kaderbesluit te beoordelen.

(23)

Aangezien het doel van dit kaderbesluit, te weten het vervangen van het systeem van wederzijdse rechtshulp tussen de lidstaten in strafzaken voor het verkrijgen van voorwerpen, documenten of gegevens, niet op afdoende wijze kan worden verwezenlijkt door eenzijdig optreden van de lidstaten, en het op basis van de omvang en gevolgen beter op het niveau van de Unie vorm kan krijgen, kan de Raad maatregelen nemen op grond van het subsidiariteitsbeginsel zoals bedoeld in artikel 2 van het Verdrag betreffende de Europese Unie en artikel 5 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap. In overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel zoals omschreven in het laatstgenoemde artikel, gaat dit kaderbesluit niet verder dan nodig is om dat doel te bereiken.

(24)

De persoonsgegevens die in het kader van de uitvoering van dit kaderbesluit worden verwerkt, worden beschermd conform de daarop van toepassing zijnde instrumenten, in het bijzonder de beginselen van het Verdrag van de Raad van Europa van 28 januari 1981 tot bescherming van personen met betrekking tot de geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens, alsmede op grond van de bijkomende bescherming die door dit kaderbesluit wordt geboden overeenkomstig artikel 23 van de Overeenkomst betreffende de wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie van 29 mei 2000 (7).

(25)

Het EBB zal naast de bestaande procedures inzake wederzijdse rechtshulp komen te staan. Deze situatie dient evenwel als een voorlopige te worden beschouwd en zal duren totdat de vormen van bewijsvergaring die buiten de werkingssfeer van dit kaderbesluit vallen, tevens onder een instrument van wederzijdse erkenning komen te vallen, zoals in het Haagse Programma uiteen is gezet. Met de aanneming van een hiertoe strekkend instrument zal het stelsel van wederzijdse erkenning dat tot doel heeft de procedures van wederzijdse rechtshulp te vervangen, voltooid zijn.

(26)

De lidstaten worden aangemoedigd voor henzelf en in het belang van de Europese Unie tabellen op te stellen die, voor zover mogelijk, de overeenkomst tussen de bepalingen van dit kaderbesluit en de nationale uitvoeringsmaatregelen laten zien en deze, vergezeld van de tekst van de nationale wetgeving ter implementatie van het kaderbesluit, aan de Commissie te doen toekomen.

(27)

Dit kaderbesluit eerbiedigt de grondrechten en voldoet aan de beginselen die worden erkend in artikel 6 van het Verdrag en zijn weergegeven in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, met name in hoofdstuk VI. Niets in dit kaderbesluit belet dat de uitvoering van een EBB kan worden geweigerd, indien er objectieve redenen bestaan om aan te nemen dat de sanctie is aan de betrokkene is opgelegd op grond van zijn geslacht, ras, godsdienst, etnische afstamming, nationaliteit, taal, politieke overtuiging of seksuele geaardheid, of dat de positie van die persoon kan worden aangetast om een van deze redenen.

(28)

Dit kaderbesluit laat de toepassing door de lidstaten van hun grondwettelijke bepalingen betreffende een eerlijke rechtsgang, de vrijheid van vereniging, de vrijheid van drukpers en de vrijheid van meningsuiting in andere media, onverlet.

(29)

Dit kaderbesluit laat de uitoefening van de verantwoordelijkheden van de lidstaten ten aanzien van de handhaving van de openbare orde en de bescherming van de binnenlandse veiligheid overeenkomstig artikel 33 van het Verdrag, onverlet,

HEEFT HET VOLGENDE KADERBESLUIT AANGENOMEN:

TITEL I

HET EUROPEES BEWIJSVERKRIJGINGSBEVEL (EBB)

Artikel 1

Definitie van het EBB en verplichting tot uitvoering ervan

1.   Het EBB is een rechterlijke beslissing die door een bevoegde autoriteit van een lidstaat is uitgevaardigd ter verkrijging van voorwerpen, documenten en gegevens uit een andere lidstaat voor gebruik in de in artikel 5 bedoelde procedures.

2.   De lidstaten voeren het EBB uit op basis van het beginsel van wederzijdse erkenning en overeenkomstig het bepaalde in dit kaderbesluit.

3.   Dit kaderbesluit geldt onverminderd de verplichting tot eerbiediging van de grondrechten en de fundamentele rechtsbeginselen, zoals die zijn neergelegd in artikel 6 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, en laat alle verplichtingen die in dat verband op de rechterlijke autoriteiten rusten onverlet.

Artikel 2

Definities

In dit kaderbesluit wordt verstaan onder:

a)

„uitvaardigende staat”: de lidstaat waar het EBB is uitgevaardigd;

b)

„uitvoerende staat”: de lidstaat op het grondgebied waarvan de voorwerpen, documenten of gegevens zich bevinden of, in het geval van elektronische gegevens, rechtstreeks toegankelijk zijn op grond van de wetgeving van de uitvoerende staat;

c)

„uitvaardigende autoriteit”:

i)

een rechter, rechtbank, onderzoeksmagistraat, openbaar aanklager, of

ii)

iedere andere rechterlijke autoriteit zoals aangeduid door de uitvaardigende staat, die in de specifieke zaak optreedt in de hoedanigheid van onderzoeksautoriteit in strafprocedures, en die ingevolge de nationale wetgeving bevoegd is opdracht te geven tot bewijsverkrijging in grensoverschrijdende zaken;

d)

„uitvoerende autoriteit”: de autoriteit die krachtens de nationale wetgeving ter uitvoering van dit kaderbesluit bevoegd is om een EBB te erkennen of ten uitvoer te leggen in overeenstemming met dit kaderbesluit;

e)

„doorzoeking of inbeslagneming”: iedere strafprocesrechtelijke maatregel die ertoe strekt dat een rechtspersoon of een natuurlijke persoon onder dwang voorwerpen, documenten of gegevens verstrekt of helpt bij de verstrekking ervan en die, indien daaraan geen gevolg wordt gegeven, uitgevoerd kan worden zonder medewerking van de betrokkene of aanleiding kan geven tot een sanctie.

Artikel 3

Vaststelling van de bevoegde autoriteiten

1.   Iedere lidstaat deelt het secretariaat-generaal van de Raad mee welke autoriteiten op grond van het nationale recht bevoegd zijn in de zin van artikel 2, punten c) en d), als de lidstaat optreedt als uitvaardigende of uitvoerende staat.

2.   De lidstaten die gebruik willen maken van de mogelijkheid om overeenkomstig artikel 8, lid 2, een of meer centrale autoriteiten aan te wijzen, stellen het secretariaat-generaal van de Raad in kennis van de gegevens met betrekking tot de aangewezen centrale autoriteiten. Deze gegevens zijn bindend voor de autoriteiten van de uitvaardigende staat.

3.   Het secretariaat-generaal van de Raad stelt de ontvangen informatie ter beschikking van de lidstaten en van de Commissie.

Artikel 4

Toepassingsgebied van het EBB

1.   Onverminderd lid 2 van dit artikel kan het EBB onder de in artikel 7 bedoelde voorwaarden worden uitgevaardigd teneinde in de uitvoerende staat voorwerpen, documenten of gegevens te verkrijgen die in de uitvaardigende staat nodig zijn voor gebruik in de in artikel 5 bedoelde procedures. Het EBB omvat de in het bevel gespecificeerde voorwerpen, documenten en gegevens.

2.   Het EBB wordt niet uitgevaardigd om van de uitvoerende autoriteit te verlangen dat zij:

a)

verhoren afneemt, verklaringen opneemt of op andere wijze verdachten, getuigen, deskundigen of andere partijen hoort;

b)

lichamelijk onderzoek verricht of lichaamsmateriaal of biometrische gegevens, met inbegrip van DNA-stalen of vingerafdrukken, rechtstreeks van het lichaam van een persoon verkrijgt;

c)

informatie „in real time” vergaart, bijvoorbeeld door het aftappen van communicatie, het schaduwen van personen, of het monitoren van bankrekeningen;

d)

analyses verricht op bestaande voorwerpen, documenten of gegevens; en

e)

door aanbieders van openbare elektronischecommunicatiediensten of van een openbaar communicatienetwerk bewaarde communicatiegegevens vergaart.

3.   De uitwisseling van gegevens over strafrechtelijke veroordelingen uit strafregisters vindt plaats overeenkomstig Besluit 2005/876/JBZ van de Raad van 21 november 2005 inzake de uitwisseling van gegevens uit het strafregister (8) en andere relevante instrumenten.

4.   Het EBB kan worden uitgevaardigd met het oog op het verkrijgen van voorwerpen, documenten of gegevens als bedoeld in lid 2, mits deze voorwerpen, documenten of gegevens vóór de uitvaardiging van het EBB in het bezit zijn van de uitvoerende autoriteit.

5.   Niettegenstaande lid 1 heeft het EBB, indien de uitvaardigende autoriteit dit aangeeft, ook betrekking op andere voorwerpen, documenten of gegevens die de uitvoerende autoriteit tijdens de uitvoering van het bevel ontdekt en zonder verder onderzoek relevant acht voor de procedure ten behoeve waarvan het EBB is uitgevaardigd.

6.   Niettegenstaande lid 2 kan het EBB, indien de uitvaardigende autoriteit daarom verzoekt, ook betrekking hebben op het opnemen van verklaringen van personen die aanwezig zijn bij de uitvoering van het EBB en die rechtstreeks verband houden met het onderwerp van het EBB. Het opnemen van deze verklaringen valt onder de regelgeving die in de uitvoerende staat van toepassing is op nationale zaken.

Artikel 5

Procedures waarvoor het EBB kan worden uitgevaardigd

Het EBB kan worden uitgevaardigd in elk van de volgende gevallen:

a)

in verband met een strafprocedure die door of bij een rechterlijke autoriteit wordt ingesteld wegens feiten die volgens het nationale recht van de uitvaardigende staat strafbaar zijn, en tevens

b)

in een procedure die door een bestuurlijke autoriteit is ingesteld wegens feiten die volgens het nationale recht van de uitvaardigende staat strafbaar zijn wegens schending van de wetgeving, mits tegen de beslissing beroep openstaat op een ook in strafzaken bevoegde rechter, en tevens

c)

in een procedure die door een rechterlijke autoriteit is ingesteld wegens feiten die volgens het nationale recht van de uitvaardigende staat strafbaar zijn wegens schending van de wetgeving, mits tegen de beslissing hoger beroep openstaat op een onder andere in strafzaken bevoegde rechter, en tevens

d)

in samenhang met de onder a), b) en c), bedoelde procedures die verband houden met een strafbaar feit of wetsovertreding waarvoor in de uitvaardigende staat een rechtspersoon aansprakelijk gesteld of gestraft kan worden.

Artikel 6

Inhoud en vorm van het EBB

1.   Het EBB, dat in het formulier in de bijlage staat, wordt ingevuld en ondertekend door de uitvaardigende autoriteit, die tevens verklaart dat de inhoud juist is.

2.   Het EBB wordt door de uitvaardigende staat gesteld of vertaald in de officiële taal of een van de officiële talen van de uitvoerende staat.

Elke lidstaat kan bij de aanneming van dit kaderbesluit of op een later tijdstip in een bij het secretariaat-generaal van de Raad neergelegde verklaring meedelen dat hij een EBB of een vertaling ervan, gesteld in een of meer andere officiële talen van de instellingen van de Europese Unie, aanvaardt.

TITEL II

PROCEDURES EN WAARBORGEN VOOR DE UITVAARDIGINGSSTAAT

Artikel 7

Voorwaarden voor het uitvaardigen van een EBB

Iedere lidstaat neemt de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat het EBB slechts wordt uitgevaardigd wanneer de uitvaardigende autoriteit ervan overtuigd is dat de volgende voorwaarden zijn vervuld:

a)

het opvragen van de betrokken voorwerpen, documenten of gegevens noodzakelijk en evenredig is voor het doel van een procedure als bedoeld in artikel 5;

b)

de voorwerpen, documenten of gegevens zouden volgens het recht van de uitvaardigende staat in een vergelijkbare zaak kunnen worden opgevraagd als zij zich op het grondgebied van de uitvaardigende staat zouden bevinden, losstaand van het feit dat daartoe eventueel andere procedurele maatregelen zouden worden aangewend.

Alleen in de uitvaardigende staat wordt nagegaan of aan deze volwaarden is voldaan.

Artikel 8

Toezending van het EBB

1.   Het EBB kan worden toegezonden aan de bevoegde autoriteit van een lidstaat waarvan de uitvaardigende staat op redelijke gronden kan aannemen dat het de staat is op het grondgebied waarvan de betrokken voorwerpen, documenten of gegevens zich bevinden of, in het geval van elektronische gegevens, rechtstreeks toegankelijk zijn op grond van de wetgeving van de uitvoerende staat. De uitvaardigende autoriteit doet het bevel onverwijld toekomen aan de uitvoerende autoriteit, op zodanige wijze dat het schriftelijk kan worden vastgelegd en dat de uitvoerende staat de echtheid ervan kan vaststellen. Alle verdere officiële communicatie vindt rechtstreeks plaats tussen de uitvaardigende autoriteit en de uitvoerende autoriteit.

2.   Iedere lidstaat kan één of, indien zijn rechtsorde dat voorziet, meerdere centrale autoriteiten aanwijzen die de bevoegde autoriteiten bijstaan. Een lidstaat kan, indien zijn rechterlijke organisatie zulks vereist, één of meerdere centrale autoriteiten belasten met het toezenden en administratief in ontvangst nemen van het EBB en van de officiële correspondentie dienaangaande.

3.   Indien de uitvaardigende autoriteit zulks wenst, kan de toezending plaatsvinden via het beveiligde telecommunicatiesysteem van het Europees justitieel netwerk.

4.   Indien de uitvoerende autoriteit niet bekend is, wordt de uitvoerende staat door de uitvaardigende autoriteit langs alle mogelijke kanalen, waaronder de contactpunten van het Europees justitieel netwerk, om inlichtingen verzocht.

5.   Indien de autoriteit in de uitvoerende staat die het EBB ontvangt, niet bevoegd is om het te erkennen of de nodige maatregelen te nemen om het uit te voeren, zendt zij het EBB ambtshalve door aan de uitvoerende autoriteit en stelt zij de uitvaardigende autoriteit hiervan in kennis.

6.   Moeilijkheden in verband met de toezending of de echtheid van een voor de uitvoering van het EBB noodzakelijk document worden opgelost door middel van rechtstreeks contact tussen de uitvaardigende en de uitvoerende autoriteiten of, in voorkomend geval, door tussenkomst van de centrale autoriteiten van de betrokken lidstaten.

Artikel 9

EBB in verband met een eerder EBB of een beslissing tot bevriezing

1.   De uitvaardigende autoriteit die een EBB uitvaardigt ter aanvulling van een eerder EBB of als vervolg op een beslissing tot bevriezing die is toegezonden krachtens Kaderbesluit 2003/577/JBZ van de Raad van 22 juli 2003 inzake beslissingen tot bevriezing van voorwerpen of bewijsstukken (9), vermeldt zulks overeenkomstig het in de bijlage opgenomen formulier.

2.   De uitvaardigende autoriteit die ingevolge de daartoe geldende bepalingen deelneemt aan de uitvoering van het EBB in de uitvoerende staat, kan, onverminderd de verklaringen gedaan op grond van artikel 3, lid 2, ter aanvulling van dat eerdere EBB een EBB rechtstreeks aan de bevoegde uitvoerende autoriteit richten terwijl zij in die staat aanwezig is.

Artikel 10

Voorwaarden in verband met het gebruik van persoonsgegevens

1.   Persoonsgegevens die krachtens dit kaderbesluit zijn verkregen, kunnen door de uitvaardigende staat worden gebruikt:

a)

in procedures waarvoor het EBB kan worden uitgevaardigd;

b)

in andere gerechtelijke en administratieve procedures die rechtstreeks verband houden met de onder a) bedoelde procedures;

c)

ter voorkoming van een onmiddellijke en ernstige bedreiging van de openbare veiligheid.

Voor elk ander doel dan de onder a), b) en c) genoemde doelen kunnen de krachtens dit kaderbesluit verkregen persoonsgegevens slechts worden gebruikt met voorafgaande instemming van de uitvoerende staat, tenzij de uitvaardigende staat de toestemming heeft verkregen van de betrokken persoon.

2.   Naar gelang van de omstandigheden van het specifieke geval kan de uitvoerende staat verlangen dat de lidstaat waaraan de persoonsgegevens werden overgedragen, mededeelt welk gebruik van de gegevens is gemaakt.

3.   Dit artikel is niet van toepassing op persoonsgegevens die uit hoofde van dit kaderbesluit door een lidstaat zijn verkregen en die uit dezelfde lidstaat afkomstig zijn.

TITEL III

PROCEDURES EN WAARBORGEN VOOR DE UITVOERENDE STAAT

Artikel 11

Erkenning en uitvoering

1.   De uitvoerende autoriteit erkent het overeenkomstig artikel 8 toegezonden EBB zonder verdere formaliteiten en neemt onverwijld de maatregelen die nodig zijn voor de uitvoering ervan, op dezelfde wijze als indien de voorwerpen, documenten of gegevens zouden moeten worden verkregen door een autoriteit van de uitvoerende staat, tenzij die autoriteit beslist zich te beroepen op een van de in artikel 13 genoemde gronden om het bevel niet te erkennen of ten uitvoer te leggen, dan wel op een van de in artikel 16 genoemde gronden voor uitstel.

2.   De uitvoerende staat bepaalt zelf welke maatregelen naar nationaal recht zullen worden aangewend teneinde de bij het EBB opgevraagde voorwerpen, documenten of gegevens te verkrijgen, en bepaalt zelf of het gebruik van dwangmiddelen daarbij noodzakelijk is. De in verband met het EBB noodzakelijke maatregelen worden genomen overeenkomstig het toepasselijke procesrecht van de uitvoerende staat.

3.   Iedere lidstaat zorgt ervoor dat:

i)

elke maatregel die in de uitvoerende staat in een soortgelijke binnenlandse zaak kan worden toegepast, ook kan worden toegepast voor de uitvoering van het EBB,

en tevens

ii)

voor de uitvoering van een EBB in verband met een van de in artikel 14, lid 2, genoemde strafbare feiten, maatregelen kunnen worden toegepast, met inbegrip van doorzoeking of inbeslagneming.

4.   De uitvoerende autoriteit kan, in het specifieke geval dat de uitvaardigende autoriteit niet een rechter, rechtbank, onderzoeksmagistraat of openbaar aanklager is en het EBB door één van de bedoelde autoriteiten in de uitvaardigende staat is gevalideerd, beslissen dat geen doorzoeking of beslaglegging zal worden uitgevoerd om het EBB uit te voeren. De uitvoerende autoriteit raadpleegt vooraf de bevoegde autoriteit van de uitvaardigende staat.

5.   Een lidstaat kan, in een verklaring bij de aanneming van dit kaderbesluit of in een kennisgeving achteraf aan het secretariaat-generaal van de Raad, meedelen dat een dergelijke validatie wordt verlangd in ieder geval waarin de uitvaardigende autoriteit niet een rechter, rechtbank, onderzoeksmagistraat of openbaar aanklager is en waarin, indien het een binnenlandse zaak betrof, de maatregelen die voor de uitvoering van het EBB zijn vereist, volgens het recht van de uitvoerende staat zouden moeten worden bevolen of gecontroleerd door een rechter, een rechtbank, een onderzoeksmagistraat of een openbare aanklager.

Artikel 12

In de uitvoerende staat in acht te nemen vormvoorschriften

Tenzij in dit kaderbesluit anders is bepaald, neemt de uitvoerende autoriteit de door de uitvaardigende autoriteit uitdrukkelijk aangegeven vormvoorschriften en procedures in acht, mits deze niet strijdig zijn met de fundamentele rechtsbeginselen van de uitvoerende staat. Dit artikel schept geen verplichting om dwangmiddelen aan te wenden.

Artikel 13

Gronden voor niet-erkenning of niet-uitvoering

1.   De erkenning of uitvoering van het EBB kan in de uitvoerende staat in elk van de volgende gevallen worden geweigerd:

a)

indien de uitvoering ervan inbreuk zou maken op het ne bis in idem-beginsel, of

b)

indien, in gevallen als bedoeld in artikel 14, lid 3, het EBB betrekking heeft op feiten die naar het recht van de uitvoerende staat niet strafbaar zijn, of

c)

indien het EBB in een bepaald geval niet kan worden uitgevoerd met de maatregelen die de uitvoerende autoriteit ter beschikking staan op grond van artikel 11, lid 3, of

d)

indien het EBB naar het recht van de uitvoerende staat wegens een immuniteit of voorrecht niet kan worden uitgevoerd, of

e)

indien, in een van de in artikel 11, leden 4 of 5, bedoelde gevallen, het EBB niet is gevalideerd, of

f)

indien het EBB betrekking heeft op strafbare feiten die:

i)

naar het recht van de uitvoerende staat geacht worden geheel of voor een groot of essentieel deel te zijn gepleegd op zijn grondgebied of op een daarmee gelijk te stellen plaats,

ii)

buiten het grondgebied van de uitvaardigende staat zijn gepleegd en er naar het recht van de uitvoerende staat geen vervolging kan worden ingesteld indien de feiten buiten het grondgebied van de uitvoerende staat zijn gepleegd, of

g)

indien in een bepaald geval uitvoering de wezenlijke belangen van nationale veiligheid zou schaden; de bron van de informatie in gevaar zou brengen; of het gebruik zou inhouden van geclassificeerde gegevens met betrekking tot specifieke inlichtingenactiviteiten, of

h)

indien het in de bijlage vervatte formulier onvolledig of kennelijk onjuist is ingevuld en niet binnen een door de uitvoerende autoriteit gestelde redelijke termijn is aangevuld of gecorrigeerd.

2.   De beslissing tot weigering van de uitvoering of erkenning van het EBB overeenkomstig lid 1 wordt genomen door een rechter, een rechtbank, een onderzoeksmagistraat of een openbaar aanklager in de uitvoerende staat. Indien het EBB door een in artikel 2, onder c), onder ii), bedoelde rechterlijke autoriteit is uitgevaardigd en in de uitvaardigende staat niet door een rechter, een rechtbank, een onderzoeksmagistraat of een openbare aanklager is gevalideerd, kan de beslissing, indien het recht van de uitvoerende staat daarin voorziet, ook worden genomen door een andere volgens dit recht bevoegde rechterlijke autoriteit.

3.   Elke beslissing als bedoeld in lid 1, punt f), onder i), met betrekking tot strafbare feiten die ten dele zijn gepleegd op het grondgebied van de uitvoerende staat of op een daarmee gelijk te stellen plaats, wordt door de in lid 2 bedoelde bevoegde autoriteiten in uitzonderlijke omstandigheden en per geval genomen, met inachtneming van de specifieke omstandigheden, daarbij in beschouwing nemende de vraag of de feiten zich voor een groot of essentieel deel hebben afgespeeld op het grondgebied van de uitvaardigende staat, of het EBB betrekking heeft op een gedraging die naar het recht van de uitvoerende staat geen strafbaar feit oplevert en of er doorzoeking of inbeslagneming nodig is om het EBB te kunnen uitvoeren.

4.   Indien een bevoegde autoriteit overweegt een beroep te doen op de weigeringsgrond bedoeld in lid 1, punt f), onder i), raadpleegt zij Eurojust alvorens een beslissing te nemen.

Indien een bevoegde autoriteit het niet eens is met het advies van Eurojust, zien lidstaten erop toe dat zij haar beslissing met redenen omkleedt en dat de Raad hiervan in kennis wordt gesteld.

5.   In de in lid 1, punten a), g) en h), bedoelde gevallen pleegt de bevoegde autoriteit van de uitvoerende staat, alvorens te besluiten een EBB, geheel of gedeeltelijk niet te erkennen of niet uit te voeren, op passende wijze overleg met de bevoegde autoriteit van de uitvaardigende staat, en verzoekt zij in voorkomend geval onverwijld de benodigde gegevens te verstrekken.

Artikel 14

Dubbele strafbaarheid

1.   De erkenning of uitvoering van het EBB wordt niet afhankelijk gesteld van een toetsing van dubbele strafbaarheid, tenzij doorzoeking of inbeslagneming nodig is.

2.   Indien doorzoeking of inbeslagneming nodig is om het EBB uit te voeren, mag onder geen beding een toetsing van dubbele strafbaarheid plaatsvinden met betrekking tot de navolgende feiten, indien daarop in de uitvaardigende staat een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel staat met een maximum van ten minste drie jaar, en zoals deze zijn omschreven in het recht van die staat:

deelneming aan een criminele organisatie,

terrorisme,

mensenhandel,

seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie,

illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen,

illegale handel in wapens, munitie en explosieven,

corruptie,

fraude, met inbegrip van fraude waardoor de financiële belangen van de Gemeenschap worden geschaad zoals bedoeld in de Overeenkomst van 26 juli 1995 aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen (10),

witwassen van opbrengsten van misdrijven,

valsemunterij met inbegrip van namaak van de euro,

informaticacriminaliteit,

milieumisdrijven, met inbegrip van de illegale handel in bedreigde diersoorten en bedreigde planten- en boomsoorten,

hulp bij illegale binnenkomst en illegaal verblijf,

moord en doodslag, zware mishandeling,

illegale handel in menselijke organen en weefsels,

ontvoering, wederrechtelijke vrijheidsberoving en gijzeling,

racisme en vreemdelingenhaat,

georganiseerde of gewapende diefstal,

illegale handel in cultuurgoederen, waaronder antiquiteiten en kunstvoorwerpen,

oplichting,

racketeering en afpersing,

namaak van producten en productpiraterij,

vervalsing van administratieve documenten en handel in valse documenten,

vervalsing van betaalmiddelen,

illegale handel in hormonale stoffen en andere groeibevorderaars,

illegale handel in nucleaire of radioactieve stoffen,

handel in gestolen voertuigen,

verkrachting,

opzettelijke brandstichting,

misdrijven die onder de rechtsmacht van het Internationaal Strafhof vallen,

kaping van vliegtuigen of schepen,

sabotage.

3.   Indien het EBB geen betrekking heeft op een van de in lid 2 opgesomde strafbare feiten en voor de uitvoering ervan een doorzoeking of inbeslagneming nodig is, kan de erkenning of uitvoering afhankelijk worden gesteld van de aanwezigheid van dubbele strafbaarheid.

Ten aanzien van strafbare feiten in verband met belastingen of heffingen, douane en deviezen kan de erkenning of uitvoering niet worden geweigerd op grond van het feit dat het recht van de uitvoerende staat niet voorziet in dezelfde soort belasting of heffing, of niet dezelfde soort regeling inzake belastingen, heffingen, douane en deviezen kent als het recht van de uitvaardigende staat.

4.   De in lid 3 bedoelde voorwaarde van dubbele strafbaarheid zal 19 januari 2014 door de Raad nader worden onderzocht in het licht van de gegevens die aan de Raad zullen zijn meegedeeld.

5.   De Raad kan met eenparigheid van stemmen en na raadpleging van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 39, lid 1, van het Verdrag besluiten andere categorieën van strafbare feiten aan de lijst van lid 2 toe te voegen.

Artikel 15

Termijnen voor erkenning, uitvoering en overdracht

1.   Iedere lidstaat neemt de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de in dit artikel voorgeschreven termijnen in acht worden genomen. Indien de uitvaardigende autoriteit in het EBB aangeeft dat wegens procedurele termijnen of andere bijzonder dringende omstandigheden een kortere termijn noodzakelijk is, houdt de uitvoerende autoriteit daarmee zoveel mogelijk rekening.

2.   De beslissing tot weigering van erkenning of uitvoering wordt zo spoedig mogelijk en, onverminderd lid 4, uiterlijk 30 dagen na de ontvangst van het EBB door de bevoegde uitvoerende autoriteit genomen.

3.   Tenzij er op grond van artikel 16 redenen tot uitstel bestaan of indien de uitvoerende autoriteit de verzochte voorwerpen, documenten of gegevens reeds in haar bezit heeft, neemt de uitvoerende autoriteit onverwijld en, onverminderd lid 4, uiterlijk 60 dagen na de ontvangst van het EBB door de bevoegde uitvoerende autoriteit, bezit van de voorwerpen, documenten of gegevens.

4.   In gevallen waarin het de bevoegde uitvoerende autoriteit onmogelijk is de in lid 2 of lid 3 genoemde termijn na te leven, stelt zij de bevoegde autoriteit van de uitvaardigende staat onverwijld en op ongeacht welke wijze in kennis, met opgave van de redenen voor de vertraging en een raming van de tijd benodigd voor de uitvoering.

5.   Tenzij er overeenkomstig artikel 18 een rechtsmiddel is ingesteld of tenzij er op grond van artikel 16 redenen tot uitstel zijn, draagt de uitvoerende staat de voorwerpen, documenten of gegevens die op grond van het EBB zijn verkregen, onverwijld over aan de uitvaardigende staat.

6.   Bij de overdracht van de verkregen voorwerpen, documenten of gegevens geeft de uitvoerende autoriteit aan of zij verlangt dat deze aan de uitvoerende staat worden teruggegeven zodra de uitvaardigende staat ze niet meer nodig heeft.

Artikel 16

Gronden voor uitstel van de erkenning of uitvoering

1.   De erkenning van het EBB kan in de uitvoerende staat worden uitgesteld indien:

a)

het formulier waarvan het model in bijlage is opgenomen, onvolledig is ingevuld of kennelijk onjuist is, tot dat het formulier volledig is ingevuld of is gecorrigeerd, of

b)

het EBB in een van de in artikel 11, lid 4 of lid 5, bedoelde gevallen niet is gevalideerd, zolang de validatie niet is gegeven.

2.   De uitvoering van het EBB kan in de uitvoerende staat worden uitgesteld indien:

a)

de uitvoering een lopend strafrechtelijk onderzoek of een ingestelde strafvervolging zou kunnen schaden, zolang de uitvoerende staat zulks redelijk acht, of

b)

de betrokken voorwerpen, documenten of gegevens reeds worden gebruikt in een andere procedure, zolang zij daarvoor benodigd zijn.

3.   Tot het uitstellen van de erkenning of uitvoering van het EBB overeenkomstig de leden 1 en 2 wordt beslist door een rechter, een rechtbank, een onderzoeksmagistraat of een openbaar aanklager in de uitvoerende staat. Indien het EBB door een in artikel 2, punt c), onder ii), bedoelde rechterlijke autoriteit is uitgevaardigd en in de uitvaardigende staat niet door een rechter, een rechtbank, een onderzoeksmagistraat of een openbare aanklager is gevalideerd, kan de beslissing, indien het recht van de uitvoerende staat daarin voorziet, ook worden genomen door een andere volgens dit recht bevoegde rechterlijke autoriteit.

4.   Zodra de reden voor het uitstel komt te vervallen, neemt de uitvoerende autoriteit onverwijld de nodige maatregelen voor de uitvoering van het EBB en stelt zij de bevoegde autoriteit in de uitvaardigende staat daarvan in kennis op zodanige wijze dat deze beslissing schriftelijk kan worden vastgelegd.

Artikel 17

Informatieplicht

De uitvoerende autoriteit geeft bericht aan de uitvaardigende autoriteit in de volgende gevallen:

1.

Onmiddellijk, op ongeacht welke wijze:

a)

indien de uitvoerende autoriteit het tijdens de uitvoering van het EBB zonder verder onderzoek passend acht onderzoeksmaatregelen te nemen waarin oorspronkelijk niet was voorzien, of die op het ogenblik waarop het EBB werd uitgevaardigd niet konden worden gespecificeerd, opdat de uitvaardigende autoriteit ter zake verdere maatregelen kan nemen;

b)

indien de bevoegde autoriteit van de uitvoerende staat vaststelt dat het EBB niet ten uitvoer is gelegd op een wijze die verenigbaar is met het recht van de uitvoerende staat;

c)

indien de uitvoerende autoriteit vaststelt dat zij de vormvoorschriften en procedures waar de uitvaardigende autoriteit overeenkomstig artikel 12 uitdrukkelijk om heeft verzocht, niet in acht kan nemen.

Op verzoek van de uitvaardigende autoriteit wordt het bericht onverwijld bevestigd op zodanige wijze dat het schriftelijk kan worden vastgelegd.

2.

Onverwijld, op zodanige wijze dat schriftelijke vastlegging mogelijk is van:

a)

de doorzending van het EBB aan de bevoegde autoriteit die belast is met de uitvoering, overeenkomstig artikel 8, lid 5;

b)

de weigering van erkenning of uitvoering van het EBB in de zin van artikel 15, lid 2, met opgave van de redenen voor die weigering;

c)

het uitstel van de uitvoering of de erkenning van het EBB, de redenen voor het uitstel en, indien mogelijk, de verwachte duur van het uitstel;

d)

het feit dat het EBB niet ten uitvoer kan worden gelegd omdat de voorwerpen, documenten of gegevens zijn verdwenen, zijn vernietigd, niet te vinden zijn op de in het EBB aangegeven plaats, of van het feit dat de vindplaats van de voorwerpen, documenten of gegevens niet nauwkeurig genoeg is aangegeven, zelfs niet na overleg met de bevoegde autoriteit van de uitvaardigende staat.

Artikel 18

Rechtsmiddelen

1.   De lidstaten treffen de maatregelen die nodig zijn om ervoor te zorgen dat alle belanghebbenden, met inbegrip van derden te goeder trouw, tegen de erkenning en uitvoering van het EBB overeenkomstig artikel 11, een rechtsmiddel ter bescherming van hun rechtmatige belangen kunnen aanwenden. De lidstaten kunnen deze mogelijkheid beperken tot de gevallen waarin bij de uitvoering van het EBB dwangmiddelen worden toegepast. De voorziening wordt bij de rechter van de uitvoerende staat ingesteld, overeenkomstig het recht van die staat.

2.   De materiële gronden van het EBB, waaronder begrepen voldoening aan de voorwaarden van artikel 7, kunnen slechts bij voorziening in rechte in de uitvaardigende staat worden aangevochten. De uitvaardigende staat ziet erop toe dat de in vergelijkbare binnenlandse zaken beschikbare rechtsmiddelen openstaan.

3.   De lidstaten zien erop toe dat de termijnen voor de in de leden 1 en 2 bedoelde voorziening in rechte zo worden toegepast dat de belanghebbenden over een effectief rechtsmiddel beschikken.

4.   Indien het rechtsmiddel wordt ingesteld in de uitvoerende staat, wordt de rechterlijke autoriteit van de uitvaardigende staat daarvan, alsmede van de ingeroepen gronden, in kennis gesteld, zodat zij de argumenten kan aanvoeren die zij noodzakelijk acht. Zij wordt op de hoogte gebracht van het resultaat van het aanwenden van het rechtsmiddel.

5.   De uitvaardigende en de uitvoerende autoriteit nemen de nodige maatregelen om de uitoefening van het recht tot het instellen van de in de leden 1 en 2 bedoelde voorziening te vergemakkelijken, met name door aan de belanghebbenden relevante en adequate informatie te verstrekken.

6.   De uitvoerende staat kan de overdracht van voorwerpen, documenten en gegevens opschorten in afwachting van de beslissing op een ingesteld rechtsmiddel.

Artikel 19

Terugbetaling

1.   Onverminderd artikel 18, lid 2, worden door de uitvaardigende staat aan de uitvoerende staat die naar eigen recht aansprakelijk is voor schade welke aan een van de in artikel 18 bedoelde partijen is berokkend bij de uitvoering van het EBB dat hem overeenkomstig artikel 8 is toegezonden, alle bedragen terugbetaald die op grond van de aansprakelijkheid als schadevergoeding zijn uitgekeerd aan de betrokken partij, behalve indien de schade geheel of ten dele aan het optreden van de uitvoerende staat is toe te schrijven.

2.   Lid 1 laat het nationale recht van de lidstaten inzake vorderingen tot schadevergoeding van natuurlijke personen of rechtspersonen onverlet.

TITEL IV

SLOTBEPALINGEN

Artikel 20

Effectiviteitsbewaking

1.   De lidstaat die bij de uitvoering van het EBB herhaaldelijk problemen zijdens een andere lidstaat heeft ondervonden en welke niet door overleg konden worden opgelost, stelt de Raad hiervan in kennis ten behoeve van de evaluatie van de toepassing van het kaderbesluit in de lidstaten.

2.   De bepalingen van dit kaderbesluit, in het bijzonder de praktische toepassing ervan door de lidstaten, worden door de Raad geëvalueerd.

Artikel 21

Verhouding tot andere rechtsinstrumenten

1.   Onder voorbehoud van lid 2 en onverminderd de toepassing van bestaande rechtsinstrumenten in de betrekkingen tussen de lidstaten en derde landen, komt dit kaderbesluit in de betrekkingen tussen de lidstaten naast de bestaande rechtsinstrumenten te staan, voor zover deze verzoeken om wederzijdse rechtshulp betreffen in verband met bewijsmateriaal dat binnen de werkingssfeer van dit kaderbesluit valt.

2.   Onverminderd de leden 3 en 4 maken de uitvaardigende autoriteiten gebruik van het EBB wanneer alle voorwerpen, documenten of gegevens die van de uitvoerende staat worden verlangd, binnen de werkingssfeer van dit kaderbesluit vallen.

3.   De uitvaardigende autoriteiten kunnen een beroep doen op wederzijdse rechtshulp ter verkrijging van voorwerpen, documenten of gegevens die binnen de werkingssfeer van dit kaderbesluit vallen, indien deze een onderdeel vormen van een ruimer verzoek om rechtshulp of in het geval dat dit volgens de uitvaardigende autoriteit de samenwerking met de uitvoerende staat zal vergemakkelijken.

4.   De lidstaten kunnen na de inwerkingtreding van dit kaderbesluit bilaterale of multilaterale overeenkomsten of regelingen sluiten voor zover daarmee de doelstellingen van het kaderbesluit worden uitgebreid en verruimd, en ertoe bijdragen dat de procedures voor het verkrijgen van bewijsmateriaal dat binnen de werkingssfeer van dit kaderbesluit valt worden vereenvoudigd of verder worden vergemakkelijkt.

5.   De in lid 4 bedoelde overeenkomsten en regelingen laten in ieder geval de betrekkingen met de lidstaten die daarbij geen partij zijn, onverlet.

6.   De lidstaten stellen de Raad en de Commissie in kennis van iedere nieuwe overeenkomst of regeling als bedoeld in lid 4, binnen drie maanden nadat zij deze hebben ondertekend.

Artikel 22

Overgangsbepalingen

Vóór 19 januari 2011 ontvangen verzoeken om wederzijdse rechtshulp blijven vallen onder de bestaande instrumenten betreffende wederzijdse rechtshulp in strafzaken.

Artikel 23

Uitvoering

1.   De lidstaten treffen de maatregelen om uiterlijk op 19 januari 2011 aan dit kaderbesluit te voldoen.

2.   De lidstaten delen het secretariaat-generaal van de Raad en de Commissie uiterlijk op 19 januari 2011 de tekst mee van de voorschriften waarmee zij hun verplichtingen uit hoofde van dit kaderbesluit in nationaal recht hebben omgezet.

3.   Elke lidstaat die voornemens is de in artikel 13, lid 1, onder f), bedoelde weigeringsgrond in nationaal recht om te zetten, deelt dat bij de aanneming van dit kaderbesluit door middel van een verklaring mee aan het secretariaat-generaal van de Raad.

4.   Duitsland kan zich door middel van een verklaring het recht voorbehouden de uitvoering van een EBB afhankelijk te maken van een toetsing op dubbele strafbaarheid in de in artikel 14, lid 2, genoemde gevallen, namelijk terrorisme, cybercriminaliteit, racisme en vreemdelingenhaat, sabotage, racketeering en afpersing, en oplichting, indien voor de uitvoering van het EBB een doorzoeking of een inbeslagneming moet worden verricht, behalve indien de uitvaardigende autoriteit verklaard heeft dat het betrokken strafbaar feit volgens het recht van de uitvaardigende staat binnen de werkingssfeer valt van de in de verklaring vermelde criteria.

Indien Duitsland van dit lid gebruik wil maken, stelt het bij de aanneming van dit kaderbesluit de secretaris-generaal van de Raad in kennis via een daartoe strekkende verklaring. De verklaring wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.

5.   Uiterlijk op 19 januari 2012 dient de Commissie een verslag in bij het Europees Parlement en de Raad waarin wordt beoordeeld in hoeverre de lidstaten de maatregelen hebben getroffen die nodig zijn om aan dit kaderbesluit te voldoen, indien nodig vergezeld van wetgevingsvoorstellen.

6.   Het secretariaat-generaal van de Raad stelt de lidstaten, de Commissie en Eurojust in kennis van de op grond van de artikelen 6 en 11 en dit artikel afgelegde verklaringen.

Artikel 24

Herziening

1.   Elke lidstaat brengt ieder jaar vóór 1 mei de Raad en de Commissie op de hoogte van eventuele problemen die hij tijdens het voorgaande kalenderjaar met betrekking tot de uitvoering van EBB’s in verband met artikel 13, lid 1, heeft ondervonden.

2.   Duitsland brengt bij het begin van elk kalenderjaar de Raad en de Commissie op de hoogte van het aantal gevallen waarin de in artikel 23, lid 4, bedoelde grond voor niet-erkenning of niet-uitvoering in het afgelopen jaar is ingeroepen.

3.   Uiterlijk op 19 januari 2014 stelt de Commissie aan de hand van de overeenkomstig lid 1 en lid 2 ontvangen informatie een verslag op, vergezeld van de initiatieven die zij passend acht. Op basis van het verslag heronderzoekt de Raad het onderhavige kaderbesluit, teneinde na te gaan of de hiernavolgende bepalingen moeten worden ingetrokken of gewijzigd:

artikel 13, leden 1 en 3, en

artikel 23, lid 4.

Artikel 25

Inwerkingtreding

Dit kaderbesluit treedt in werking op de twintigste dag na de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel, 18 december 2008.

Voor de Raad

De voorzitter

M. BARNIER


(1)  PB C 103 E van 29.4.2004, blz. 452.

(2)  PB C 12 van 15.1.2001, blz. 10.

(3)  PB C 53 van 3.3.2005, blz. 1.

(4)  PB L 190 van 18.7.2002, blz. 1.

(5)  PB L 196 van 2.8.2003, blz. 45.

(6)  PB C 326 van 21.11.2001, blz. 1.

(7)  PB C 197 van 12.7.2000, blz. 1.

(8)  PB L 322 van 9.12.2005, blz. 33.

(9)  PB L 196 van 2.8.2003, blz. 45.

(10)  PB C 316 van 27.11.1995, blz. 49.


BIJLAGE

Image

Image

Image

Image

Image

Image

Image

Image


VERKLARING VAN DE BONDSREPUBLIEK DUITSLAND

Als voor de tenuitvoerlegging van een Europees bewijsverkrijgingsbevel krachtens het Kaderbesluit 2008/978/JBZ van 18 decembre 2008 van de Raad betreffende het Europees bewijsverkrijgingsbevel ter verkrijging van voorwerpen, documenten en gegevens voor gebruik in strafprocedures (1) een huiszoeking of inbeslagneming nodig is, behoudt de Bondsrepubliek Duitsland zich op grond van artikel 23, lid 4, van dat Kaderbesluit het recht voor om de tenuitvoerlegging afhankelijk te stellen van een toetsing op dubbele strafbaarheid in het geval van de in artikel 14, lid 2, van dat Kaderbesluit vermelde strafbare feiten, namelijk terrorisme, cybercriminaliteit, racisme en vreemdelingenhaat, sabotage, racketeering en afpersing, en oplichting, tenzij de uitvaardigende autoriteit heeft verklaard dat het betrokken strafbare feit volgens het recht van de uitvaardigingsstaat aan de volgende criteria voldoet:

Terrorisme:

een handeling die strafbaar is in de zin en volgens de definitie van het Internationaal Verdrag ter bestrijding van nucleair terrorisme van 13 april 2005, van het Internationaal Verdrag ter bestrijding van de financiering van terrorisme van 9 december 1999 of in de zin van de in de bijlage daarvan vermelde overeenkomsten, of

een handeling die overeenkomstig Kaderbesluit 2002/475/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 inzake terrorismebestrijding (2) strafbaar moet worden gesteld, of

een handeling die volgens Resolutie 1624 (2005) van de VN-Veiligheidsraad van 14 september 2005 verboden moet worden.

Cybercriminaliteit: Strafbare feiten zoals omschreven in Kaderbesluit 2005/222/JBZ van de Raad van 24 februari 2005 over aanvallen op informatiesystemen (3), of in titel 1 van afdeling I van het Europees Verdrag inzake de bestrijding van strafbare feiten verbonden met elektronische netwerken van 23 november 2001.

Racisme en vreemdelingenhaat: Strafbare feiten zoals omschreven in Gemeenschappelijk Optreden 96/443/JBZ van de Raad van 15 juli 1996 ter bestrijding van racisme en vreemdelingenhaat (4).

Sabotage: Onrechtmatige en opzettelijke handelingen die grootschalige schade toebrengen aan overheidsvoorzieningen, andere publieke voorzieningen, het openbaar vervoer of andere infrastructuur, waardoor een aanzienlijk economisch verlies wordt geleden of dreigt te worden geleden.

Racketeering en afpersing: Het eisen door middel van bedreiging, geweld of enige andere vorm van intimidatie van voorwerpen, toezeggingen, inkomsten dan wel ondertekening van documenten houdende of strekkende tot een verbintenis, overdracht of kwijting.

Oplichting: Het gebruik van valse namen of een valse hoedanigheid, of het door frauduleuze handelingen misbruik maken van het vertrouwen en de goede trouw van een persoon om zich zaken die aan anderen toebehoren toe te eigenen.


(1)  PB L 350 van 30.12.2008, blz. 72.

(2)  PB L 164 van 22.6.2002, blz. 3.

(3)  PB L 69 van 16.3.2005, blz. 67.

(4)  PB L 185 van 24.7.1996, blz. 5.


Top