Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32008D0064

2008/64/EG: Beschikking van de Commissie van 21 december 2007 tot verlening van een door België voor het Vlaamse Gewest gevraagde afwijking krachtens Richtlijn 91/676/EEG van de Raad inzake de bescherming van water tegen verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen (Kennisgeving geschied onder nummer C(2007) 6654)

OJ L 16, 19.1.2008, p. 28–33 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

No longer in force, Date of end of validity: 31/12/2010

ELI: http://data.europa.eu/eli/dec/2008/64/oj

19.1.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 16/28


BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE

van 21 december 2007

tot verlening van een door België voor het Vlaamse Gewest gevraagde afwijking krachtens Richtlijn 91/676/EEG van de Raad inzake de bescherming van water tegen verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2007) 6654)

(Slechts de tekst in de Nederlandse taal is authentiek)

(2008/64/EG)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Richtlijn 91/676/EEG van de Raad van 12 december 1991 inzake de bescherming van water tegen verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen (1), en met name op bijlage III, punt 2, derde alinea,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Wanneer een lidstaat voornemens is een andere hoeveelheid dierlijke mest per hectare per jaar op of in de bodem te brengen dan in bijlage III, punt 2, tweede alinea, eerste zin en onder a), van Richtlijn 91/676/EEG is bepaald, moet deze hoeveelheid zodanig worden vastgesteld dat geen afbreuk wordt gedaan aan de verwezenlijking van de in artikel 1 van die richtlijn genoemde doelstellingen en moet deze hoeveelheid worden gemotiveerd op basis van objectieve criteria zoals, in het onderhavige geval, lange groeiperiodes en gewassen met een hoge stikstofopname.

(2)

België heeft voor het Vlaamse Gewest een verzoek tot afwijking uit hoofde van bijlage III, punt 2, derde alinea, van Richtlijn 91/676/EEG bij de Commissie ingediend.

(3)

De gevraagde afwijking betreft het voornemen van België om toestemming te geven om in bepaalde bedrijven in Vlaanderen tot 250 kg stikstof uit dierlijke mest per hectare per jaar op of in de bodem te brengen op percelen met gras en maïs met gras als ondervrucht, en tot 200 kg stikstof uit dierlijke mest per hectare per jaar op percelen met wintertarwe gevolgd door een tussengewas, en bieten.

(4)

De wetgeving tot uitvoering van Richtlijn 91/676/EEG in het Vlaamse Gewest, het decreet houdende de bescherming van water tegen de verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen (mestdecreet), is op 22 december 2006 goedgekeurd (2) en is eveneens van toepassing op de gevraagde afwijking.

(5)

Het mestdecreet is van toepassing op het hele Vlaamse grondgebied.

(6)

De wetgeving tot uitvoering van Richtlijn 91/676/EEG voorziet in grenswaarden voor het op of in de bodem brengen van zowel stikstof als fosfor. Het op of in de bodem brengen van fosfor uit kunstmest is in de regel verboden, tenzij een bodemanalyse is uitgevoerd en door de bevoegde autoriteit een vergunning is afgegeven.

(7)

Uit gegevens over de waterkwaliteit blijkt dat de gemiddelde nitraatconcentratie in het grondwater en de gemiddelde nutriëntenconcentratie (fosfor inbegrepen) in de oppervlaktewateren een dalende tendens vertonen.

(8)

Het op of in de bodem brengen van stikstof uit dierlijke mest is in de periode 1997-2005 teruggelopen van 162 miljoen kg tot 122 miljoen kg, en het op of in de bodem brengen van fosfaat (P2O5) uit dierlijke mest is in diezelfde periode teruggelopen van 72 miljoen kg tot 50 miljoen kg, in beide gevallen als gevolg van de vermindering van het aantal dieren, het gebruik van diervoeders met een laag nutriëntengehalte en mestverwerking. Het gebruik van stikstof en fosfor uit kunstmest is sinds 1991 met respectievelijk 44 % en 82 % teruggelopen tot respectievelijk 57 kg en 6 kg per hectare.

(9)

Uit de bij de kennisgeving ingediende ondersteunende documenten blijkt dat de voorgestelde hoeveelheid van respectievelijk 250 en 200 kg stikstof uit dierlijke mest per hectare per jaar gerechtvaardigd is op basis van objectieve criteria zoals lange groeiperiodes en gewassen met een hoge stikstofopname.

(10)

De Commissie is na bestudering van het verzoek van mening dat de voorgestelde hoeveelheden van respectievelijk 250 en 200 kg stikstof uit dierlijke mest per hectare per jaar geen afbreuk zullen doen aan de verwezenlijking van de doelstellingen van Richtlijn 91/676/EEG, mits aan bepaalde strenge voorwaarden wordt voldaan.

(11)

Om te voorkomen dat de toepassing van de gevraagde afwijking tot intensivering van de veeteelt leidt, moeten de bevoegde autoriteiten garanderen dat het aantal dieren dat op een bedrijf mag worden gehouden, in het Vlaamse Gewest wordt beperkt overeenkomstig het bepaalde in het mestdecreet van 22 december 2006 (nutriëntenemissierechten).

(12)

Deze beschikking dient van toepassing te zijn in samenhang met het tweede actieprogramma dat voor het Vlaamse Gewest voor de periode 2007 tot en met 2010 van kracht is (mestdecreet van 22 december 2006).

(13)

De in deze beschikking vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het bij artikel 9 van Richtlijn 91/676/EEG ingestelde Nitraatcomité,

HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:

Artikel 1

De door België bij brief van 5 oktober 2007 voor het Vlaamse Gewest gevraagde afwijking, waarmee wordt beoogd een grotere hoeveelheid dierlijke mest toe te staan dan in bijlage III, punt 2, tweede alinea, eerste zin en onder a), van Richtlijn 91/676/EEG is bepaald, wordt onder de in deze beschikking neergelegde voorwaarden toegestaan.

Artikel 2

Definities

In deze beschikking wordt verstaan onder:

a)

„landbouwbedrijven”: bedrijven met of zonder veeteelt,

b)

„perceel”: een afzonderlijk veld of een groep velden, die qua gewas, bodemtype en bemestingspraktijken homogeen zijn,

c)

„grasland”: blijvend of tijdelijk grasland („tijdelijk” betekent dat de betrokken grond doorgaans gedurende minder dan vier jaar grasland is),

d)

„gewassen met een hoge stikstofbehoefte en een lang groeiseizoen”: grasland, maïs met vóór of na de oogst ondergezaaid gras dat wordt gemaaid en van het veld wordt verwijderd en dient als tussengewas, wintertarwe gevolgd door een tussengewas, suiker- of voederbieten,

e)

„graasvee”: runderen (met uitzondering van mestkalveren), schapen, geiten en paarden,

f)

„mestverwerking”: het proces van fysisch-mechanische scheiding van varkensmest in twee fracties, een vaste en een dunne fractie, met als doel het op of in de bodem brengen te verbeteren en de terugwinning van stikstof en fosfor te bevorderen,

g)

„bodemprofiel”: de bodemlaag tot een diepte van 0,90 meter onder het maaiveld, tenzij de gemiddelde hoogste grondwaterstand ondieper is; in het laatste geval is dit tot de diepte van de gemiddelde hoogste grondwaterstand.

Artikel 3

Toepassingsgebied

Deze beschikking geldt op individuele basis voor bepaalde percelen van een landbouwbedrijf met gewassen met een hoge stikstofbehoefte en een lang groeiseizoen, met inachtneming van de in de artikelen 4, 5, 6 en 7 vastgestelde voorwaarden.

Artikel 4

Jaarlijkse toestemming en verbintenis

1.   Landbouwers die van een afwijking gebruik willen maken, dienen jaarlijks een aanvraag in bij de bevoegde instanties.

2.   Tegelijk met de in lid 1 bedoelde jaarlijkse aanvraag dienen zij een schriftelijke verklaring in dat zij zich ertoe verbinden aan de in de artikelen 5, 6 en 7 vastgestelde voorwaarden te voldoen.

3.   De bevoegde instanties zorgen ervoor dat op alle aanvragen voor afwijkingen administratieve controle wordt uitgevoerd. Wanneer uit de door de bevoegde instanties uitgevoerde controle van de in lid 1 bedoelde aanvragen blijkt dat niet aan de in de artikelen 5, 6 en 7 vastgestelde voorwaarden wordt voldaan, wordt de aanvrager daarvan in kennis gesteld en wordt de aanvraag als afgewezen beschouwd.

Artikel 5

Mestverwerking

1.   Met mestverwerking moet een verwijderingsrendement in de vaste fractie worden bereikt van ten minste 80 % voor gesuspendeerde deeltjes, 35 % voor stikstof totaal en 70 % voor fosfaat totaal. Het verwijderingsrendement in de vaste fractie wordt geëvalueerd aan de hand van een massabalans.

2.   De uit de mestverwerking voortkomende vaste fractie moet aan erkende installaties worden geleverd voor recycling om geuren en andere emissies te beperken, de agronomische en hygiënische eigenschappen te verbeteren, de hantering te vergemakkelijken en de terugwinning van stikstof en fosfaat te bevorderen. Het gerecycleerde product mag in het Vlaamse Gewest niet op of in landbouwgrond worden gebracht, met uitzondering van parken, plantsoenen en particuliere tuinen.

3.   De uit de mestverwerking voortkomende dunne fractie moet worden opgeslagen. Om als verwerkte mest te worden beschouwd, moet de stikstof/fosfaatverhouding (N/P2O5) ten minste 3,3 bedragen en de stikstofconcentratie ten minste 3 g per liter.

4.   Landbouwers die aan mestverwerking doen, verstrekken de bevoegde autoriteiten elk jaar gegevens betreffende de hoeveelheid voor verwerking verzonden mest, de hoeveelheid vaste fractie en verwerkte mest en de bestemming ervan, en het stikstof- en fosforgehalte.

5.   De bevoegde autoriteiten stellen methodes vast voor de analyse van de samenstelling van verwerkte mest, de verschillen in samenstelling en de efficiëntie van de verwerking voor elk bedrijf waaraan een individuele afwijking is toegestaan, en leggen deze voor aan de Commissie.

6.   Ammoniak en andere emissies uit mestverwerking moeten worden opgevangen en behandeld om de milieueffecten en milieuoverlast te beperken.

Artikel 6

Op- of inbrengen van dierlijke en andere meststoffen

1.   De hoeveelheid dierlijke mest van graasvee en verwerkte mest die elk jaar, ook door de dieren zelf, op of in de bodem wordt gebracht, bedraagt niet meer dan de in lid 2 vastgestelde hoeveelheid mest, met inachtneming van de in de leden 3 tot en met 11 vastgestelde voorwaarden.

2.   De hoeveelheid dierlijke mest van graasvee en verwerkte mest bevat niet meer dan 250 kg stikstof per hectare per jaar op percelen met gras en maïs met gras als ondervrucht, en 200 kg stikstof per hectare per jaar op percelen met wintertarwe gevolgd door een tussengewas, en bieten.

3.   De totale stikstofgift dient te zijn afgestemd op de nutriëntenbehoefte van het betrokken gewas, rekening houdend met de aanvoer van nutriënten vanuit de bodem en de verhoogde beschikbaarheid van stikstof als gevolg van de mestverwerking. De stikstofgift mag in geen geval meer bedragen dan 350 kg per hectare per jaar op percelen met gras, 220 kg per hectare per jaar op percelen met suikerbieten, 275 kg per hectare per jaar op percelen met wintertarwe gevolgd door een tussengewas, voederbieten en maïs met gras als ondervrucht, met uitzondering, in het laatste geval, van percelen op zandige bodems, waarvoor de stikstofgift niet meer dan 260 kg per hectare per jaar mag bedragen.

4.   Voor elk bedrijf wordt een bemestingsplan bijgehouden, waarin voor het hele areaal de vruchtwisseling en de planning voor het op- of inbrengen van dierlijke mest en stikstof- en fosfaatkunstmest worden beschreven. Dit plan moet elk kalenderjaar uiterlijk op 15 februari op het bedrijf beschikbaar zijn.

Het bemestingsplan bevat de volgende gegevens:

a)

de omvang van de veestapel, een beschrijving van het huisvestings- en mestopslagsysteem, met inbegrip van de inhoud van de beschikbare opslagruimte voor dierlijke mest;

b)

een berekening van de op het bedrijf geproduceerde stikstof en fosfor uit dierlijke mest;

c)

een beschrijving van de mestverwerking en de verwachte kenmerken van de verwerkte mest;

d)

de hoeveelheid, soort en kenmerken van de dierlijke mest die door het landbouwbedrijf aan anderen of door anderen aan het landbouwbedrijf wordt geleverd;

e)

een berekening van de op het bedrijf op of in te brengen stikstof en fosfor uit dierlijke mest;

f)

de vruchtwisseling en de oppervlakte aan percelen met gewassen met een hoge stikstofbehoefte en een lang groeiseizoen en percelen met andere gewassen, met een schets van de ligging van de verschillende percelen;

g)

de te verwachten stikstof- en fosforbehoefte van de gewassen voor elk perceel;

h)

de op- of ingebrachte hoeveelheden stikstof en fosfor uit dierlijke mest voor elk perceel;

i)

de op- of ingebrachte hoeveelheden stikstof en fosfor uit kunstmest en andere meststoffen voor elk perceel.

Het bemestingsplan wordt uiterlijk zeven dagen na een wijziging van de landbouwpraktijken aangepast om te waarborgen dat het plan in overeenstemming is met de feitelijke landbouwpraktijken.

5.   Elk bedrijf houdt een mestboekhouding bij. Deze wordt voor elk kalenderjaar ingediend bij de bevoegde instantie.

6.   Elk bedrijf waaraan een individuele afwijking is toegestaan, aanvaardt dat de in artikel 4, lid 1, bedoelde aanvraag, het bemestingsplan en de mestboekhouding aan een controle kunnen worden onderworpen.

7.   Voor elk bedrijf wordt ten minste om de vier jaar voor elk perceel een stikstof- en fosforanalyse van de bodem uitgevoerd. Er wordt minstens één analyse per 5 hectare landbouwgrond vereist.

8.   Het nitraatresidu in het bodemprofiel wordt elk jaar in het najaar gemeten op ten minste 25 % van de bedrijven waaraan een afwijking is toegestaan. Op ten minste 5 % van de percelen met gewassen met een hoge stikstofbehoefte en een lang groeiseizoen en ten minste 1 % van de overige percelen worden een bodembemonstering en analyse uitgevoerd. Per 2 hectare landbouwgrond worden ten minste drie monsters van drie verschillende bodemlagen vereist.

9.   Dierlijke mest mag niet in het najaar vóór een grasteelt worden op- of ingebracht.

10.   Ten minste tweederde van de hoeveelheid stikstof uit dierlijke mest, met uitzondering van stikstof uit mest van graasvee, moet vóór 15 mei van elk jaar worden op- of ingebracht.

11.   De in artikel 27, lid 1, van het Vlaamse mestdecreet van 22 december 2006 voor rundvee vastgestelde stikstof- en fosforuitscheidingsnormen zijn van toepassing vanaf het eerste geldigheidsjaar van deze beschikking.

Artikel 7

Landbeheer

Landbouwers aan wie een individuele afwijking is toegestaan, nemen de volgende maatregelen:

a)

agrasland wordt in het voorjaar geploegd;

b)

op grasland worden geen vlinderbloemigen of andere gewassen die stikstof uit de lucht binden, verbouwd;

c)

ondergeploegd gras wordt onmiddellijk gevolgd door een gewas met een hoge stikstofbehoefte en in het jaar waarin blijvend grasland wordt geploegd, worden geen meststoffen op- of ingebracht.

d)

tussengewassen worden onmiddellijk na de oogst van wintertarwe en uiterlijk op 10 september ingezaaid;

e)

tussengewassen worden niet vóór 15 februari geploegd, zodat een permanent plantendek op het akkerland aanwezig is waardoor nitraat dat in het najaar in de ondergrond is terechtgekomen wordt teruggewonnen en nitraatverlies in de winter wordt beperkt.

Artikel 8

Andere maatregelen

1.   De toepassing van deze afwijking doet geen afbreuk aan de maatregelen die nodig zijn om aan andere communautaire milieuwetgeving te voldoen.

2.   De bevoegde autoriteiten zien erop toe dat afwijkingen die zijn toegestaan voor het op- of inbrengen van verwerkte mest in overeenstemming zijn met de capaciteit van erkende installaties voor de verwerking van de vaste fractie.

Artikel 9

Maatregelen inzake productie en vervoer van dierlijke mest

1.   De bevoegde autoriteiten zien erop toe dat de beperking van het aantal dieren dat op een bedrijf in het Vlaamse Gewest mag worden gehouden, in acht wordt genomen overeenkomstig het bepaalde in het mestdecreet van 22 december 2006 (nutriëntenemissierechten).

2.   De bevoegde autoriteiten zien erop toe dat het mestvervoer door erkende mestvoerders die overeenkomstig de artikelen 4 en 5 van het Vlaams ministerieel besluit van 19 juli 2007 (3) zijn ingedeeld in de klassen A 2ob, A 5o, A 6o, B en C, wordt geregistreerd aan de hand van plaatsbepalingssystemen.

3.   De bevoegde autoriteiten zien erop toe dat de samenstelling van de mest wat betreft de stikstof- en fosforconcentratie vóór elk vervoer wordt geanalyseerd. Mestmonsters worden geanalyseerd door erkende laboratoria en de resultaten van de analyse worden meegedeeld aan de bevoegde autoriteiten en de afnemer.

Artikel 10

Monitoring

1.   De bevoegde instantie maakt kaarten van de percentages onder een individuele afwijking vallende bedrijven, dieren en landbouwgrond en van het aantal percelen voor elke gemeente en werkt deze jaarlijks bij. Deze kaarten worden jaarlijks en voor het eerst uiterlijk in februari 2008 bij de Commissie ingediend.

2.   Er wordt een monitoringnetwerk voor de bemonstering van oppervlaktewater en ondiep grondwater opgezet en onderhouden om het effect van de afwijking op de waterkwaliteit te beoordelen.

3.   Onderzoek en nutriëntenanalyses leveren gegevens op over het lokale bodemgebruik, de vruchtwisseling en de landbouwpraktijken op de bedrijven waaraan een individuele afwijking is toegestaan. Deze gegevens kunnen worden gebruikt voor modelmatige berekeningen van de omvang van de nitraatuitspoeling en de fosforverliezen op percelen waar tot 200 kg stikstof per hectare per jaar en 250 kg stikstof per hectare per jaar uit mest van graasvee en verwerkte mest wordt op- of ingebracht overeenkomstig artikel 6, lid 2.

4.   Er worden monitoringlocaties opgezet die overeenkomen met ten minste 150 landbouwbedrijven om in situaties zowel met als zonder toegestane afwijking gegevens te verkrijgen over de stikstof- en fosforconcentratie in het bodemwater, minerale stikstof in het bodemprofiel en de daar optredende stikstof- en fosforverliezen via de wortelzone naar het grondwater, alsmede de stikstof- en fosforverliezen door afspoeling via het oppervlak en uitspoeling via de ondergrond. De monitoringlocaties moeten representatief zijn voor alle bodemtypes (klei-, leem-, zand- en lössbodems), bemestingspraktijken en gewassen. De samenstelling van het monitoringnetwerk blijft gedurende de toepassingstermijn van deze beschikking ongewijzigd.

5.   Voor landbouwstroomgebieden op zandbodems wordt een intensievere watermonitoring uitgevoerd.

Artikel 11

Controles

1.   De bevoegde autoriteiten voeren administratieve controles uit op alle landbouwbedrijven waaraan een individuele afwijking is toegestaan, om te bepalen of zij de maximale hoeveelheid stikstof per hectare per jaar uit dierlijke mest, de maximale mestgift voor stikstof en fosfor en de voorwaarden inzake landgebruik, mestverwerking en vervoer in acht nemen.

2.   De bevoegde autoriteiten zien erop toe dat de resultaten van de analyses met betrekking tot de stikstofconcentratie in het bodemprofiel in het najaar worden gecontroleerd. Wanneer uit controles blijkt dat de drempelwaarde van 90 kg stikstof per hectare of de lagere, door de Vlaamse regering overeenkomstig artikel 14, lid 1, van het Vlaamse mestdecreet van 22 december 2006 vastgestelde waarden op een bepaald perceel overschreden zijn, wordt de landbouwer hiervan in kennis gesteld en komt het perceel het daaropvolgende jaar niet in aanmerking voor een afwijking.

3.   De bevoegde autoriteiten zien erop toe dat op ten minste 1 % van alle mestvervoer controles op het terrein worden uitgevoerd, op basis van een risicobeoordeling en de resultaten van de in lid 1 bedoelde administratieve controles. Deze omvatten ten minste een controle van de nakoming van de verplichtingen inzake erkenning, een beoordeling van de begeleidende documenten, een controle van de oorsprong en de bestemming van de mest, en een bemonstering van de vervoerde mest. De mestbemonstering kan in voorkomend geval tijdens de lading worden uitgevoerd met behulp van in de voertuigen aangebrachte automatische monsternemers. Mestmonsters worden geanalyseerd door laboratoria die zijn erkend door de bevoegde autoriteiten en de resultaten van de analyse worden meegedeeld aan de aanbieder en de afnemer.

4.   Op basis van een risicoanalyse, de resultaten van de controles in voorgaande jaren en de resultaten van de algemene aselecte controle op de toepassing van de wetgeving ter uitvoering van Richtlijn 91/676/EEG wordt een programma van inspecties op het terrein opgesteld. Bij tenminste 5 % van de bedrijven waaraan een individuele afwijking is toegestaan, wordt een inspectie ter plaatse uitgevoerd met betrekking tot de in de artikelen 5, 6 en 7 vastgestelde voorwaarden.

Artikel 12

Rapportage

1.   De bevoegde instantie dient elk jaar bij de Commissie de resultaten van de monitoring in, samen met een verslag over de ontwikkeling van de waterkwaliteit, een evaluatie van de hoeveelheid nitraatresidu in het bodemprofiel in het najaar voor de verschillende gewassen op bedrijven waaraan een individuele afwijking is toegestaan, en de evaluatiepraktijk. In het verslag wordt aangegeven hoe de evaluatie van de naleving van de voorwaarden van de afwijking via controles op bedrijven en percelen wordt uitgevoerd, en wordt informatie verstrekt over bedrijven die zich niet aan de voorschriften hebben gehouden, op basis van de resultaten van administratieve controles en inspecties ter plaatse.

2.   Voorts bevat het verslag informatie over de mestverwerking, inclusief de verdere verwerking en het gebruik van de vaste fracties, alsook gedetailleerde gegevens over de kenmerken van de verwerkingssystemen en de efficiëntie daarvan, en over de samenstelling van de verwerkte mest.

3.   Bovenop de in de leden 1 en 2 bedoelde gegevens bevat het verslag gegevens over de bemesting in alle landbouwbedrijven waaraan een individuele afwijking is toegestaan, de tendensen in de mestproductie in het Vlaamse Gewest wat betreft stikstof en fosfor, de resultaten van de administratieve controles en de controles ter plaatse inzake mestvervoer en de resultaten van de controles inzake nutriëntenbalansen op het niveau van het landbouwbedrijf voor de berekening van uitscheidingscoëfficiënten voor varkens en pluimvee.

4.   Het eerste verslag wordt uiterlijk in december 2008 ingediend en vervolgens elk jaar uiterlijk in juli.

5.   De Commissie zal bij een eventueel nieuw verzoek om een afwijking rekening houden met de zo verkregen resultaten.

Artikel 13

Toepassing

Deze beschikking is van toepassing in de context van het actieprogramma 2007-2010 voor het Vlaamse Gewest (mestdecreet van 22 december 2006) en verstrijkt op 31 december 2010.

Artikel 14

Deze beschikking is gericht tot het Koninkrijk België.

Gedaan te Brussel, 21 december 2007.

Voor de Commissie

Stavros DIMAS

Lid van de Commissie


(1)  PB L 375 van 31.12.1991, blz. 1. Richtlijn gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1882/2003 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 284 van 31.10.2003, blz. 1).

(2)  Belgisch Staatsblad van 29.12.2006, blz. 76368.

(3)  Belgisch Staatsblad van 31.8.2007, blz. 45564.


Top