Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32007L0064

Richtlijn 2007/64/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 november 2007 betreffende betalingsdiensten in de interne markt tot wijziging van de Richtlijnen 97/7/EG, 2002/65/EG, 2005/60/EG en 2006/48/EG, en tot intrekking van Richtlijn 97/5/EG (Voor de EER relevante tekst)

OJ L 319, 5.12.2007, p. 1–36 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)
Special edition in Croatian: Chapter 10 Volume 002 P. 172 - 207

No longer in force, Date of end of validity: 12/01/2018; afgeschaft en vervangen door 32015L2366

ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2007/64/oj

5.12.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 319/1


RICHTLIJN 2007/64/EG VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 13 november 2007

betreffende betalingsdiensten in de interne markt tot wijziging van de Richtlijnen 97/7/EG, 2002/65/EG, 2005/60/EG en 2006/48/EG, en tot intrekking van Richtlijn 97/5/EG

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 47, lid 2, eerste en derde zin, en artikel 95,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Na raadpleging van het Europees Economisch en Sociaal Comité,

Gezien het advies van de Europese Centrale Bank (1),

Handelend volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Voor de totstandbrenging van de interne markt is het van essentieel belang dat alle binnengrenzen in de Gemeenschap worden afgeschaft zodat een vrij verkeer van goederen, personen, diensten en kapitaal mogelijk wordt. Een goede werking van de interne markt voor betalingsdiensten is derhalve van vitaal belang. De werking van deze markt wordt momenteel echter gehinderd door een gebrek aan harmonisatie.

(2)

Thans zijn de markten voor betalingsdiensten van de lidstaten afzonderlijk georganiseerd en op nationale leest geschoeid, terwijl het rechtskader voor betalingsdiensten een lappendeken is van 27 nationale rechtsstelsels.

(3)

Reeds eerder op dit terrein aangenomen communautaire besluiten, namelijk Richtlijn 97/5/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 januari 1997 betreffende grensoverschrijdende overmakingen (3) en Verordening (EG) nr. 2560/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 19 december 2001 betreffende grensoverschrijdende betalingen in euro (4), hebben deze situatie niet afdoende verholpen, evenmin als Aanbeveling 87/598/EEG van de Commissie van 8 december 1987 met betrekking tot een Europese gedragscode inzake het elektronische betalingsverkeer (betrekkingen tussen financiële instellingen, handelaars-dienstverleners en consumenten) (5), Aanbeveling 88/590/EEG van de Commissie van 17 november 1988 inzake betalingssystemen en met name inzake de betrekkingen tussen de kaarthouder en de verstrekker van de kaart (6), en Aanbeveling 97/489/EG van de Commissie van 30 juli 1997 betreffende transacties die met een elektronisch betaalinstrument worden uitgevoerd, in het bijzonder inzake de betrekking tussen uitgever en houder (7). Deze maatregelen blijven zoals gezegd onvoldoende. Het naast elkaar bestaan van nationale voorschriften en een onvolledig communautair kader leidt voorts tot verwarring en een gebrek aan rechtszekerheid.

(4)

Het is bijgevolg van vitaal belang dat op communautair niveau een modern en samenhangend juridisch kader voor betalingsdiensten tot stand wordt gebracht, ongeacht of de diensten verenigbaar zijn met het uit de financiële sector voortgekomen initiatief betreffende het gemeenschappelijk eurobetalingsgebied (Single Euro Payments Area). Dit juridisch kader moet concurrentieneutraal zijn voor alle betalingssystemen, teneinde de consument voldoende keuzemogelijkheden te laten, en zou een flinke stap voorwaarts betekenen ten opzichte van de huidige nationale systemen wat kosten voor de consument, veiligheid en efficiëntie betreft.

(5)

Dat juridisch kader moet voorzien in de coördinatie van de nationale voorschriften inzake prudentiële vereisten, de markttoegang van nieuwe betalingsdienstaanbieders, informatievereisten en de respectieve rechten en plichten van betalingsdienstgebruikers en -aanbieders. Binnen dat kader dienen de bepalingen van Verordening (EG) nr. 2560/2001, die een interne markt voor eurobetalingen tot stand heeft gebracht wat de prijzen betreft, te blijven gelden. De bepalingen van Richtlijn 97/5/EG en de aanbevelingen die zijn gedaan in de Aanbevelingen 87/598/EEG, 88/590/EEG en 97/489/EG, dienen in één enkel besluit met bindende kracht te worden samengebracht.

(6)

Het is echter niet aangewezen dat dit juridisch kader allesomvattend is. De toepassing ervan moet worden beperkt tot betalingsdienstaanbieders wier hoofdactiviteit bestaat in het aanbieden van betalingsdiensten aan betalingsdienstgebruikers. Het is evenmin aangewezen dat het juridisch kader van toepassing is op diensten waarbij de overdracht van geldmiddelen van de betaler aan de begunstigde of het transport ervan uitsluitend in de vorm van bankbiljetten en munten plaatsvindt, of waarbij de overdracht is gebaseerd op een papieren cheque, een papieren wisselbrief, promesse of ander instrument, papieren vouchers of kaarten die door een betalingsdienstaanbieder of een andere partij zijn uitgegeven met de bedoeling geldmiddelen beschikbaar te stellen aan de begunstigde. Voorts moet een onderscheid gemaakt worden wanneer het gaat om middelen aangeboden door telecommunicatie-, IT- of netwerkexploitanten ter vergemakkelijking van de aankoop van digitale goederen of diensten zoals ringtones, muziek of digitale kranten, naast traditionele voice-diensten en de distributie daarvan naar digitale toestellen. De inhoud van deze goederen of diensten kan worden geproduceerd door een derde dan wel door de exploitant, die er intrinsieke waarde aan kan toevoegen in de vorm van toegang, distributie of zoekmogelijkheden. In laatstbedoeld geval, wanneer de goederen of diensten gedistribueerd worden door een van de genoemde exploitanten, of, om technische redenen, door een derde, en alleen kunnen worden gebruikt via digitale toestellen zoals mobiele telefoons of computers, mag dit juridisch kader niet van toepassing zijn, aangezien de activiteit van de exploitant meer omvat dan alleen een betalingstransactie. Wel dient het juridisch kader van toepassing te zijn op gevallen waarin de exploitant louter optreedt als intermediair die er alleen voor zorgt dat de betaling aan een derde partij, de leverancier, plaatsvindt.

(7)

Een geldtransfer is een eenvoudige betalingsdienst, doorgaans op basis van contanten welke door een betaler worden verstrekt aan een betalingsdienstaanbieder die het overeenkomstige bedrag, bijvoorbeeld via een communicatienetwerk, overmaakt aan een begunstigde of aan een andere, voor rekening van de begunstigde handelende betalingsdienstaanbieder. In sommige lidstaten bieden supermarkten en andere handelaren en winkeliers het publiek een vergelijkbare dienst aan die cliënten in staat stelt hun rekeningen van nutsbedrijven en andere terugkerende huishoudelijke rekeningen te voldoen. Deze diensten voor het betalen van rekeningen moeten worden behandeld als de in deze richtlijn omschreven geldtransferdiensten, tenzij de bevoegde autoriteiten oordelen dat de activiteit onder een andere in de bijlage genoemde betalingsdienst valt.

(8)

Het is noodzakelijk om de categorieën betalingsdienstaanbieders te specificeren die rechtmatig overal in de Gemeenschap betalingsdiensten mogen aanbieden, namelijk kredietinstellingen die deposito’s van gebruikers in ontvangst nemen die kunnen worden gebruikt voor de financiering van betalingstransacties en die onderworpen dienen te blijven aan de prudentiële vereisten van Richtlijn 2006/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen (8), instellingen voor elektronisch geld die elektronisch geld uitgeven voor de financiering van betalingstransacties en die onderworpen dienen te blijven aan de prudentiële vereisten van Richtlijn 2000/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 september 2000 betreffende de toegang tot, de uitoefening van en het bedrijfseconomisch toezicht op de werkzaamheden van instellingen voor elektronisch geld (9), en postcheque- en girodiensten die krachtens nationale wetgeving daartoe gemachtigd zijn.

(9)

Deze richtlijn omvat regels betreffende de uitvoering van betalingstransacties waarbij de geldmiddelen elektronisch geld zijn als omschreven in artikel 1, lid 3, onder b), van Richtlijn 2000/46/EG. Onderhavige richtlijn bevat evenwel geen regels betreffende de uitgifte van elektronisch geld en brengt geen wijziging in de voorschriften voor het bedrijfseconomisch toezicht op instellingen voor elektronisch geld van Richtlijn 2000/46/EG. Daarom is het betalingsinstellingen niet toegestaan elektronisch geld uit te geven.

(10)

Om de juridische belemmeringen voor de markttoegang te verwijderen, is het evenwel noodzakelijk één enkele vergunning in te voeren voor alle aanbieders van betalingsdiensten die geen verband houden met het in ontvangst nemen van deposito’s of het uitgeven van elektronisch geld. Het is derhalve aangewezen een nieuwe categorie betalingsdienstaanbieders, hierna „betalingsinstellingen” genoemd, in te voeren door te bepalen dat aan rechtspersonen die niet tot de bestaande categorieën behoren, vergunning wordt verleend om overal in de Gemeenschap betalingsdiensten aan te bieden, mits deze personen een reeks strikte en veelomvattende voorwaarden in acht nemen. Op die manier zouden voor deze diensten overal in de Gemeenschap dezelfde voorwaarden gelden.

(11)

De voorwaarden voor de verlening en handhaving van een vergunning als betalingsinstelling dienen prudentiële vereisten te omvatten die in verhouding staan tot de operationele en financiële risico’s die dergelijke instellingen bij de uitoefening van hun bedrijfsactiviteit lopen. Hiervoor is een solide regeling nodig die permanent aanwezig kapitaal combineert met lopend kapitaal, en die achteraf verfijnd zou kunnen worden naar gelang de behoeften van de markt. Omdat er zoveel verschillende soorten betalingsdiensten zijn, dient deze richtlijn ruimte te bieden voor diverse toezichtmethoden die de toezichthouders enige marge bieden, teneinde te garanderen dat alle aanbieders van betalingsdiensten ten aanzien van dezelfde risico’s dezelfde behandeling krijgen. De vereisten voor betalingsinstellingen dienen het feit te weerspiegelen dat betalingsinstellingen meer gespecialiseerde en beperktere activiteiten ontplooien, waardoor zij onderhevig zijn aan geringere en makkelijker te volgen en te controleren risico’s dan die welke aan het hele gamma van activiteiten van kredietinstellingen verbonden zijn. Zo zouden betalingsinstellingen met name geen deposito’s van gebruikers in ontvangst mogen nemen en alleen geldmiddelen mogen gebruiken die zij van gebruikers hebben ontvangen voor het verstrekken van betalingsdiensten. Er dienen regelingen te worden getroffen om geldmiddelen van cliënten gescheiden te houden van de geldmiddelen die een betalingsinstelling voor het verrichten van andere bedrijfsactiviteiten aanhoudt. Betalingsinstellingen dienen tevens te worden onderworpen aan effectieve voorschriften ter bestrijding van het witwassen van geld en terrorismefinanciering.

(12)

Betalingsinstellingen moeten hun jaarrekeningen en geconsolideerde jaarrekeningen opstellen overeenkomstig Richtlijn 78/660/EEG van de Raad van 25 juli 1978 betreffende de jaarrekening van bepaalde vennootschapsvormen (10) en, voor zover van toepassing, Richtlijn 83/349/EEG van de Raad van 13 juni 1983 betreffende de geconsolideerde jaarrekening (11) en Richtlijn 86/635/EEG van de Raad van 8 december 1986 betreffende de jaarrekening en de geconsolideerde jaarrekening van banken en andere financiële instellingen (12). De jaarrekeningen en geconsolideerde jaarrekeningen moeten door een accountant gecontroleerd worden, tenzij de betalingsinstelling van die verplichting is ontheven krachtens Richtlijn 78/660/EEG en, voor zover van toepassing, Richtlijn 83/349/EEG en Richtlijn 86/635/EEG.

(13)

Deze richtlijn heeft alleen betrekking op vormen van kredietverlening door betalingsinstellingen, met name enkel kredietlijnen en de uitgifte van kredietkaarten die nauw verbonden zijn met betalingsdiensten. Alleen wanneer de kredietverlening strekt tot het ondersteunen van betalingsdiensten en van kortlopende aard is, en wordt verleend voor een periode die niet meer dan twaalf maanden bedraagt, inclusief op hernieuwbare basis, is het passend die kredietverlening met betrekking tot de grensoverschrijdende activiteiten van betalingsinstellingen toe te staan, mits voor de herfinanciering ervan hoofdzakelijk gebruik wordt gemaakt van het eigen vermogen van de betalingsinstelling, alsmede van andere, op de kapitaalmarkt aangetrokken middelen, doch niet van de namens cliënten voor de betalingsdiensten aangehouden middelen. Het bovenstaande laat onverlet Richtlijn 87/102/EEG van de Raad van 22 december 1986 betreffende de harmonisatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake het consumentenkrediet (13) en andere toepasselijke communautaire of nationale wetgeving betreffende aspecten van de voorwaarden voor kredietverlening aan consumenten die niet door deze richtlijn geharmoniseerd zijn.

(14)

In elk geval dienen de lidstaten dienen de autoriteiten aan te wijzen die verantwoordelijk zijn voor de vergunningverlening aan betalingsinstellingen, voor de uitoefening van permanente controle en voor het nemen van een beslissing over de intrekking van de vergunning. Teneinde een gelijke behandeling te waarborgen, mogen de lidstaten betalingsinstellingen geen andere vereisten opleggen dan die welke in deze richtlijn zijn vastgelegd. Tegen alle beslissingen van de bevoegde autoriteiten moet echter beroep openstaan bij de rechter. Voorts dienen de taken van de bevoegde autoriteiten het toezicht op betalingssystemen onverlet te laten, dat overeenkomstig artikel 105, lid 2, vierde streepje, van het Verdrag een taak is die door het Europees Stelsel van centrale banken moet worden uitgevoerd.

(15)

Aangezien het wenselijk is de identiteit en verblijfplaats te registreren van alle personen die transferdiensten aanbieden en hen allen tot op zekere hoogte te erkennen, ongeacht of zij in staat zijn aan alle voorwaarden voor het verkrijgen van een vergunning als betalingsinstelling te voldoen, zodat geen van hen de zwarte economie wordt ingedreven, en bedoelde personen in een minimaal kader van wet- en regelgeving onder te brengen, is het aangewezen om, in overeenstemming met de opzet van speciale aanbeveling VI van de Financiëleactiegroep witwassen van geld, in een mechanisme te voorzien waarbij betalingsdienstaanbieders die niet in staat zijn om aan al deze voorwaarden te voldoen, niettemin als betalingsinstellingen worden behandeld. Te dien einde moeten de lidstaten dergelijke personen in een register van betalingsinstellingen inschrijven zonder alle voorwaarden voor het verlenen van een vergunning toe te passen. Het is evenwel van essentieel belang dat de mogelijkheid tot ontheffing afhankelijk wordt gesteld van strikte eisen wat betreft het volume van de betalingstransactie. Betalingsinstellingen die een ontheffing genieten, hebben niet het recht van vestiging of het recht tot het vrij verrichten van diensten, noch mogen zij deze rechten indirect uitoefenen wanneer zij lid zijn van een betalingssysteem.

(16)

Voor een betalingsdienstaanbieder is het van essentieel belang dat hij toegang heeft tot de diensten van de technische infrastructuren van betalingssystemen. Voor dergelijke toegang dienen echter de nodige eisen te gelden ten einde de integriteit en stabiliteit van deze systemen te verzekeren. Elke betalingsdienstaanbieder die om deelname in een betalingssysteem verzoekt, dient aan de deelnemers van het betalingssysteem het bewijs te leveren dat zijn interne regelingen voldoende bestand zijn tegen alle soorten risico’s. Tot die betalingssystemen behoren doorgaans de vierpartijenbetaalkaartsystemen alsmede de grote systemen voor de verwerking van overmakingen en debiteringen. Om te garanderen dat de verschillende categorieën vergunninghoudende betalingsdienstaanbieders in de gehele Gemeenschap een gelijke behandeling genieten volgens de voorwaarden waaronder zij hun prudentiële vergunning hebben verkregen, dienen de regels betreffende de toegang tot het aanbieden van betalingsdiensten en de toegang tot betalingssystemen te worden verduidelijkt. Er dient te worden voorzien in de niet-discriminerende behandeling van vergunninghoudende betalingsinstellingen en kredietinstellingen zodat alle aanbieders van betalingsdiensten in de interne markt op gelijke voet gebruik kunnen maken van de diensten van de technische infrastructuren van die betalingssystemen. Vergunninghoudende betalingsdienstaanbieders en betalingsdienstaanbieders die in aanmerking komen voor een ontheffing krachtens de onderhavige richtlijn of voor de ontheffing krachtens artikel 8 van Richtlijn 2000/46/EG, dienen verschillend behandeld te worden omdat laatstgenoemden in een ander prudentieel kader functioneren. Verschillen in tariefvoorwaarden zouden in ieder geval alleen mogen worden toegestaan wanneer dat gerechtvaardigd is op grond van verschillen in kosten die door de betalingsdienstaanbieders worden gemaakt. Hiermee wordt geen afbreuk gedaan aan het recht van de lidstaten om overeenkomstig Richtlijn 98/26/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 mei 1998 betreffende het definitieve karakter van de afwikkeling van betalingen en effecten/transacties in betalings- en afwikkelingssystemen (14) de toegang tot systeemkritische betalingssystemen te beperken, noch aan de bevoegdheden van de Europese Centrale Bank en het Europees Systeem van Centrale Banken (ESCB) als bepaald in artikel 105, lid 2, van het Verdrag en artikel 3.1 en artikel 22 van de statuten van het ESCB, betreffende de toegang tot betalingssystemen.

(17)

De bepalingen betreffende de toegang tot betalingssystemen gelden niet voor systemen die opgericht zijn en geëxploiteerd worden door één betalingsdienstaanbieder. Die systemen functioneren soms in rechtstreekse concurrentie met betalingssystemen of vaker in een marktsegment dat niet afdoende door betalingssystemen wordt bestreken. Tot de bedoelde betalingssystemen behoren doorgaans driepartijensystemen, zoals driepartijenbetaalkaartsystemen, door telecommunicatieaanbieders aangeboden betalingsdiensten of geldtransferdiensten waarbij de exploitant van het systeem de betalingsdienstaanbieder van zowel de betaler als de begunstigde is, alsmede de interne systemen van bankgroepen. Om de concurrentie te stimuleren die dergelijke betalingssystemen de gevestigde klassieke betalingssystemen kunnen aandoen, is het in beginsel niet aangewezen derden toegang te verlenen tot dergelijke betalingssystemen. Desalniettemin dienen dergelijke systemen te allen tijde onderworpen te zijn aan de regels van het communautaire en het nationale mededingingsrecht die, met het oog op de instandhouding van effectieve mededinging op de markten voor betalingen, wellicht kunnen gebieden dat toegang tot dergelijke systemen wordt verleend.

(18)

Er moet een samenstel van regels en informatievereisten worden vastgesteld om de transparantie van de aan betalingsdiensten verbonden voorwaarden te waarborgen.

(19)

Deze richtlijn mag niet van toepassing zijn op betalingstransacties in contanten aangezien er reeds een eengemaakte markt voor betalingen in contanten bestaat. Evenmin mag deze richtlijn van toepassing zijn op betalingstransacties op basis van papieren cheques, omdat deze, vanwege hun aard, niet even efficiënt als andere betaalmiddelen kunnen worden verwerkt. Goede praktijken op dit gebied moeten evenwel gebaseerd zijn op de beginselen die zijn vastgelegd in deze richtlijn.

(20)

Consumenten en ondernemingen verkeren niet in dezelfde positie en behoeven derhalve niet dezelfde bescherming. Het is belangrijk dat de rechten van consumenten gewaarborgd worden door bepalingen waarvan niet bij overeenkomst kan worden afgeweken, maar redelijkerwijs moeten ondernemingen en organisaties anderszins overeen kunnen komen. Lidstaten moeten echter kunnen bepalen dat micro-ondernemingen als omschreven in Aanbeveling 2003/361/EG van de Commissie van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen (15), als consumenten moeten worden behandeld. Sommige kernbepalingen van deze richtlijn moeten evenwel altijd van toepassing zijn ongeacht de status van de gebruiker.

(21)

In deze richtlijn dient te worden gespecificeerd welke de plichten van betalingsdienstaanbieders zijn wanneer zij informatie verstrekken aan betalingsdienstgebruikers, die allen dezelfde, kwalitatief hoogwaardige en duidelijke informatie over betalingsdiensten dienen te ontvangen om met kennis van zaken te kunnen kiezen en binnen de Europese Unie de markt te kunnen verkennen. Ter wille van de transparantie dienen bij deze richtlijn geharmoniseerde minimumvereisten te worden vastgesteld om ervoor te zorgen dat aan betalingsdienstgebruikers noodzakelijke en toereikende informatie over zowel het betalingsdienstencontract als de betalingstransactie wordt verstrekt. Ten einde een goede werking van de interne markt voor betalingsdiensten te bevorderen zouden de lidstaten naast de informatievoorschriften van deze richtlijn geen andere informatievoorschriften mogen vaststellen.

(22)

De consument dient te worden beschermd tegen oneerlijke en misleidende praktijken overeenkomstig Richtlijn 2005/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt (16), Richtlijn 2000/31/EG van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2000 betreffende bepaalde juridische aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij, met name de elektronische handel, in de interne markt (richtlijn inzake elektronische handel) (17) en Richtlijn 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 september 2002 betreffende de verkoop op afstand van financiële diensten aan consumenten (18). De aanvullende bepalingen in deze richtlijnen blijven van toepassing. Wat de informatie in de precontractuele fase betreft, dient de verhouding tussen de onderhavige richtlijn en Richtlijn 2002/65/EG evenwel specifiek te worden toegelicht.

(23)

De benodigde informatie dient in verhouding te staan tot de gebruikersbehoeften en moet op uniforme wijze worden meegedeeld. De informatievereisten voor een eenmalige betalingstransactie dienen echter te verschillen van die voor een raamcontract dat op een reeks betalingstransacties betrekking heeft.

(24)

In de praktijk zijn raamcontracten en de daaronder vallende betalingstransacties veel gebruikelijker en van groter economisch belang dan eenmalige betalingstransacties. In geval van een betaalrekening of een specifiek betaalinstrument is een raamcontract vereist. De voorschriften inzake voorafgaande informatie dienen daarom zeer uitgebreid te zijn en informatie moet steeds worden verstrekt op papier of op een andere duurzame drager, zoals uitdraaien van printers van rekeningafschriften, computerdiskettes, cd-roms, dvd’s en harde schijven van personal computers waarop elektronische post is opgeslagen, en internetwebsites, mits deze gedurende een voor het doel van de informatie toereikende periode kunnen worden geraadpleegd en de opgeslagen informatie daarmee ongewijzigd kan worden gereproduceerd. De betalingsdienstaanbieder en de betalingsdienstgebruiker dienen evenwel de mogelijkheid te hebben in het raamcontract overeen te komen op welke wijze achteraf informatie over uitgevoerde betalingstransacties wordt verstrekt. Er kan bijvoorbeeld worden overeengekomen dat bij internetbankieren alle informatie betreffende de betaalrekening online beschikbaar wordt gesteld.

(25)

Bij eenmalige betalingtransacties dient de betalingsdienstaanbieder alleen de essentiële informatie altijd uit eigen beweging te verstrekken. Aangezien de betaler doorgaans aanwezig is wanneer hij een betalingsopdracht geeft, hoeft niet te worden voorgeschreven dat informatie in alle gevallen op papier of op een duurzame drager wordt verstrekt. De betalingsdienstaanbieder mag aan de balie mondelinge informatie verstrekken of anderszins vlot toegankelijk stellen, bijvoorbeeld door de voorwaarden op een mededelingenbord in de bedrijfsruimte te vermelden. De plaats waar andere, meer gedetailleerde informatie beschikbaar is, zoals het webadres, moet eveneens worden vermeld. Op verzoek van de consument moet de informatie evenwel op papier of op een andere duurzame drager worden verstrekt.

(26)

De richtlijn bevestigt het recht van de consument de toepasselijke informatie kosteloos te ontvangen voordat hij door een betalingsdienstencontract gebonden wordt. Gedurende de contractuele relatie dient de consument te allen tijde voorafgaande informatie, alsmede het raamcontract, kosteloos op papier te kunnen verlangen. Aldus kan de consument de diensten en de voorwaarden van betalingsdienstaanbieders vergelijken en bij een eventueel geschil zijn contractuele rechten en plichten naslaan. Deze voorschriften dienen in overeenstemming te zijn met de in Richtlijn 2002/65/EG vastgestelde regels. Het feit dat deze richtlijn uitdrukkelijke bepalingen over kosteloze informatie bevat, zou er niet toe mogen leiden dat kosten kunnen worden aangerekend voor informatie die op grond van andere toepasselijke richtlijnen aan consumenten wordt verstrekt.

(27)

Wat betreft de wijze waarop de vereiste informatie door de betalingsdienstaanbieder aan de betalingsdienstgebruiker moet worden verstrekt, moet rekening worden gehouden met de behoeften van laatstgenoemde en met praktische technische aspecten en kosteneffectiviteit, naar gelang van de situatie met betrekking tot de overeenkomst in het betrokken betalingsdienstencontract. De richtlijn dient derhalve twee manieren te onderscheiden waarop informatie door de betalingsdienstaanbieder moet worden verstrekt. Ofwel moet de informatie worden verstrekt, d.w.z. actief worden meegedeeld, door de betalingsdienstaanbieder op het gepaste tijdstip, zoals voorgeschreven bij deze richtlijn, zonder verder verzoek van de betalingsdienstgebruiker. Ofwel moet de informatie beschikbaar worden gesteld aan de betalingsdienstgebruiker, rekening houdend met diens eventuele verzoeken om nadere informatie. In het laatste geval moet de betalingsdienstgebruiker uit eigen beweging stappen ondernemen om de informatie te verkrijgen, zoals de betalingsdienstaanbieder daar expliciet om verzoeken, inloggen op de mailbox van de bankrekening of een bankpas in een printer invoeren om bankafschriften te verkrijgen. De betalingsdienstaanbieder moet er daartoe voor zorgen dat toegang tot informatie mogelijk is en dat de informatie voor de betalingsdienstgebruiker beschikbaar is.

(28)

Bovendien moet de consument zonder extra kosten de basisinformatie over uitgevoerde betalingstransacties ontvangen. In geval van een eenmalige betalingstransactie mag de betalingsdienstaanbieder voor deze informatie geen afzonderlijke kosten aanrekenen. Evenzo moet de maandelijkse informatie over betalingstransacties in het kader van een raamcontract kosteloos worden verstrekt. Gelet op het belang van transparante tarieven en de uiteenlopende behoeften van cliënten, kunnen de partijen evenwel tot een akkoord komen over de kosten die worden aangerekend wanneer frequentere of bijkomende informatie moet worden verstrekt. Teneinde rekening te houden met verschillen in nationale praktijken moeten de lidstaten kunnen bepalen dat maandelijkse papieren uittreksels van betaalrekeningen altijd kosteloos moeten worden verstrekt.

(29)

Ter facilitering van cliëntenmobiliteit moet het voor consumenten mogelijk zijn een raamcontract na het verstrijken van een jaar kosteloos te beëindigen. Voor consumenten zou geen opzegtermijn van meer dan een maand en voor betalingsdienstaanbieders geen opzegtermijn van minder dan twee maanden overeen mogen worden gekomen. Deze richtlijn doet geen afbreuk aan de verplichting van de betalingsdienstaanbieder om in uitzonderlijke omstandigheden uit hoofde van andere communautaire of nationale wetgeving ter zake — zoals wetgeving inzake het witwassen van geld en terrorismefinanciering, elke maatregel gericht op het bevriezen van middelen of een specifieke maatregel in verband met preventie van of onderzoek naar strafbare feiten —, het betalingsdienstencontract te beëindigen.

(30)

Instrumenten voor de betaling van kleine bedragen moeten een goedkoop en gebruiksvriendelijk alternatief vormen bij laaggeprijsde goederen en diensten en mogen niet aan buitensporige vereisten onderworpen zijn. De voor deze betalingen geldende informatievereisten en de regels voor de uitvoering ervan moeten tot de essentiële informatie beperkt blijven, waarbij voorts rekening wordt gehouden met de technische voorzieningen die redelijkerwijs kunnen worden verwacht van instrumenten die bestemd zijn voor betaling van kleine bedragen. Ondanks de minder strikte regeling zou de betalingsdienstgebruiker toch een passende bescherming genieten, aangezien dergelijke betaalinstrumenten, en vooral vooraf betaalde betaalinstrumenten, beperkte risico’s inhouden.

(31)

Om de risico’s en gevolgen van niet-toegestane of foutieve betalingstransacties te beperken, moet de betalingsdienstgebruiker de betalingsdienstaanbieder zo spoedig mogelijk in kennis stellen van betwistingen in verband met vermeende niet-toegestane of foutieve betalingstransacties, voor zover de betalingsdienstaanbieder zijn informatieplicht conform deze richtlijn heeft vervuld. Indien deze kennisgevingstermijn wordt nageleefd door de betalingsdienstgebruiker, moet hij de desbetreffende vorderingen binnen de verjaringstermijnen overeenkomstig het nationale recht kunnen instellen. Deze richtlijn laat andere vorderingen tussen betalingsdienstgebruikers en hun betalingsdienstaanbieders onverlet.

(32)

Om de betalingsdienstgebruiker ertoe aan te sporen zijn aanbieder onverwijld van een eventuele diefstal of een eventueel verlies van een betaalinstrument in kennis te stellen en aldus het risico van niet-toegestane betalingstransacties te verminderen, mag de gebruiker slechts voor een beperkt bedrag aansprakelijk zijn, tenzij de betalingsdienstgebruiker frauduleus of ernstig nalatig heeft gehandeld. Zodra een gebruiker een betalingsdienstaanbieder ervan in kennis heeft gesteld dat zijn betaalinstrument gecompromitteerd kan zijn, mag van de gebruiker bovendien niet worden verlangd dat hij verdere verliezen dekt die uit een niet-toegestaan gebruik van dat instrument voortvloeien. De ze richtlijn doet geen afbreuk aan de verantwoordelijkheid van betalingsdienstaanbieders voor de technische beveiliging van hun eigen producten.

(33)

Bij de beoordeling of de betalingsdienstgebruiker nalatig is geweest, moeten alle omstandigheden in aanmerking worden genomen. Het bewijs voor en de mate van de beweerde nalatigheid moet volgens het nationale recht worden beoordeeld. Contractuele clausules en voorwaarden met betrekking tot de verstrekking en het gebruik van het betaalinstrument die de bewijslast voor de consument vergroten of de bewijslast voor de verstrekker verminderen, moeten als nietig worden beschouwd.

(34)

De lidstaten dienen de regels voor consumenten echter minder stringent te kunnen maken dan hierboven omschreven om de consumentenbescherming op het bestaande peil te handhaven en het vertrouwen in een veilig gebruik van elektronische betaalinstrumenten te schragen. Het feit dat de risico’s per instrument verschillen moet dienovereenkomstig in aanmerking worden genomen, zodat beter beveiligde instrumenten worden verstrekt. De lidstaten dienen de aansprakelijkheid van de betaler te kunnen beperken of volledig opheffen, behalve indien de betaler frauduleus heeft gehandeld.

(35)

Er moet worden voorzien in de toewijzing van verliezen in geval van niet-toegestane betalingstransacties. Voor andere betalingsdienstgebruikers dan consumenten kunnen andere bepalingen gelden, aangezien dergelijke gebruikers gewoonlijk in een zodanige positie verkeren dat zij beter in staat zijn het frauderisico in te schatten en tegenmaatregelen te treffen.

(36)

Er moeten in deze richtlijn voorschriften inzake terugbetaling worden vastgesteld waardoor de consument wordt beschermd indien de uitgevoerde betalingstransactie het redelijkerwijs te verwachten bedrag overschrijdt. Betalingsdienstaanbieders dienen gunstiger voorwaarden voor hun cliënten te kunnen vaststellen en bijvoorbeeld elke betwiste betalingstransactie terugbetalen. Ingeval de gebruiker de terugbetaling eist van een betalingstransactie, moeten de terugbetalingsrechten de aansprakelijkheid van de betaler jegens de begunstigde welke voortvloeit uit de onderliggende betrekking, bijvoorbeeld de bestelde, verbruikte of rechtmatig aangerekende goederen of diensten, dan wel de gebruikersrechten met betrekking tot de herroeping van een betalingsopdracht onverlet laten.

(37)

Met het oog op financiële planning en de tijdige nakoming van betalingsverplichtingen moeten consumenten en ondernemingen zekerheid hebben omtrent de tijd die voor de uitvoering van een betalingsopdracht nodig is. Daarom wordt in deze richtlijn een tijdstip bepaald waarop rechten en plichten ingaan. Dit is het tijdstip waarop de betalingsdienstaanbieder de betalingsopdracht ontvangt, ook wanneer hij de gelegenheid heeft gehad de opdracht te ontvangen via het in het betalingsdienstencontract overeengekomen communicatiemiddel, en niettegenstaande eerdere betrokkenheid bij het proces dat leidt tot het ontstaan en de toezending van de betalingsopdracht, bijvoorbeeld veiligheidscontroles en controles van de beschikbaarheid van de middelen, informatie over het gebruik van het persoonlijk identificatienummer, afgifte van een belofte tot betaling. Bovendien zou van ontvangst van een betalingsopdracht sprake moeten zijn wanneer de betalingsdienstaanbieder van de betaler de betalingsopdracht ontvangt die van de rekening van de betaler moet worden gedebiteerd. De datum of het tijdstip waarop een begunstigde aan zijn betalingsdienstaanbieder betalingsopdrachten toezendt voor de inning van, bijvoorbeeld, kaartbetalingen of automatische debiteringen of waarop de begunstigde door zijn betalingsdienstaanbieder een voorfinanciering van de desbetreffende bedragen wordt verleend (door dienovereenkomstige creditering van zijn rekening) zou in dit verband niet ter zake mogen doen. De gebruiker moet ervan kunnen uitgaan dat een volledige en geldige betalingsopdracht goed wordt uitgevoerd indien de betalingsdienstaanbieder geen contractuele of wettelijke weigeringsgrond kan aanvoeren. Indien de betalingsdienstaanbieder een betalingsopdracht weigert, dienen de weigering en de weigeringsgrond zo spoedig mogelijk aan de betalingsdienstgebruiker te worden meegedeeld, onverminderd de voorschriften van het Gemeenschapsrecht en het nationale recht.

(38)

Gezien de snelheid waarmee moderne, volautomatische betalingssystemen betalingstransacties verwerken — hetgeen inhoudt dat betalingsopdrachten na een zeker tijdstip niet meer kunnen worden herroepen zonder dat dit hoge kosten voor manuele interventie met zich brengt —, is het noodzakelijk een duidelijk tijdstip te specificeren waarna geen herroeping meer mogelijk is. Afhankelijk van de soort betalingsdienst en de betalingsopdracht kan de termijn evenwel tussen de partijen worden overeengekomen. De herroeping in dit verband is alleen van toepassing op de betrekkingen tussen de betalingsdienstgebruiker en de betalingsdienstaanbieder en laat de onherroepelijkheid en het definitieve karakter van betalingstransacties in betalingssystemen derhalve onverlet.

(39)

Een dergelijke onherroepelijkheid zou geen afbreuk mogen doen aan het recht dat of de verplichting die een betalingsdienstaanbieder krachtens de wetgeving van sommige lidstaten heeft om, uit hoofde van het raamcontract van de betaler of van nationale wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen of richtsnoeren, het bedrag van de uitgevoerde betalingstransactie aan de betaler terug te betalen in geval van een geschil tussen de betaler en een begunstigde. Een dergelijke terugbetaling moet als een nieuwe betalingsopdracht worden aangemerkt. Met uitzondering van die gevallen zou een juridisch geschil dat rijst in een aan de betalingsopdracht ten grondslag liggende betrekking louter tussen de betaler en de begunstigde beslecht moeten worden.

(40)

Ten behoeve van een volledig geïntegreerde automatische verwerking van betalingen van begin tot einde en voor het bieden van rechtszekerheid wat de nakoming van elke onderliggende verplichting tussen betalingsdienstgebruikers betreft, is het van essentieel belang dat het volledige bedrag dat door de betaler is overgemaakt, op de rekening van de begunstigde wordt gecrediteerd. Het mag bijgevolg niet mogelijk zijn dat een van de bij de uitvoering van betalingstransacties betrokken intermediairs inhoudingen op het overgemaakte bedrag toepast. Het moet echter wel mogelijk zijn voor de begunstigde om met zijn betalingsdienstaanbieder een uitdrukkelijke overeenkomst te sluiten op grond waarvan laatstgenoemde zijn kosten mag inhouden. Om de begunstigde in staat te stellen na te gaan of het verschuldigde bedrag correct betaald is, dient de achteraf verstrekte informatie evenwel naast het volledige overgemaakte bedrag ook het bedrag van de eventuele kosten te vermelden.

(41)

Wat kosten betreft, heeft de ervaring geleerd dat het delen van kosten tussen betaler en begunstigde het meest efficiënte systeem is omdat het de automatische verwerking van betalingen van begin tot einde vergemakkelijkt. Er dient derhalve voor te worden gezorgd dat, normalerwijze rechtstreeks aan de betaler en de begunstigde kosten kunnen worden aangerekend door hun respectieve betalingsdienstaanbieders. Dit mag echter alleen gelden in gevallen waarin de betalingstransactie geen valutawissel vereist. Het bedrag van de in rekening gebrachte kosten kan ook nihil zijn, aangezien deze richtlijn geen afbreuk doet aan de praktijk waarbij de betalingsdienstaanbieder consumenten geen kosten aanrekent voor de creditering van hun rekeningen. Evenzo kan een betalingsdienstaanbieder, afhankelijk van de contractuele voorwaarden, alleen aan de begunstigde (handelaar) kosten voor het gebruik van de betalingsdienst in rekening brengen, met als gevolg dat de betaler geen kosten hoeft te betalen. De kosten voor het gebruik van het betalingssysteem kunnen als abonnementsgeld in rekening worden gebracht. De bepalingen inzake het overgemaakte bedrag of in rekening gebrachte kosten zijn niet rechtstreeks van invloed op de tussen de betalingsdienstaanbieders of eventuele intermediairs gehanteerde tarieven.

(42)

Ten behoeve van de transparantie en de mededinging zou de betalingsdienstaanbieder niet mogen beletten dat de begunstigde van de betaler voor het gebruik van een specifiek betaalinstrument een vergoeding verlangt. Hoewel het de begunstigde vrij zou moeten staan voor het gebruik van een bepaald betaalinstrument kosten aan te rekenen, kunnen de lidstaten beslissen of zij een dergelijke praktijk aan een verbod of aan beperkingen onderwerpen, indien zulks naar hun oordeel gerechtvaardigd zou zijn wegens oneerlijke prijsstelling of een prijsstelling die het gebruik van een bepaald betaalinstrument negatief zou kunnen beïnvloeden, mede gelet op de noodzaak concurrentie en het gebruik van efficiënte betaalinstrumenten aan te moedigen.

(43)

Teneinde de doelmatigheid van betalingen overal in de Gemeenschap te bevorderen, dient een maximale uitvoeringstermijn van één dag te worden vastgesteld voor alle door de betaler ingeleide, in euro of in een valuta van een lidstaat buiten de eurozone luidende betalingsopdracht die geen valutawissel vereisen, met inbegrip van overmakingen en geldtransfers. Voor alle andere betalingen, zoals door of via een begunstigde ingeleide betalingen, met inbegrip van automatische debiteringen en kaartbetalingen, dient de uitvoeringstermijn van één dag te gelden indien er tussen de betalingsdienstaanbieder en de betaler geen uitdrukkelijke overeenkomst bestaat waarin een langere uitvoeringstermijn is vastgesteld. De hierboven bedoelde termijnen kunnen met nog eens een werkdag worden verlengd indien de betalingsopdracht op papier wordt gegeven. Zodoende kan de verlening van betalingsdiensten aan consumenten die louter aan papieren documenten gewend zijn, worden voortgezet. Bij gebruikmaking van automatische debiteringen dient de betalingsdienstaanbieder van de begunstigde de opdracht tot inning toe te zenden binnen de tussen de begunstigde en zijn betalingsdienstaanbieder overeengekomen termijnen, zodat de afwikkeling op de afgesproken datum kan plaatsvinden. Gezien het feit dat nationale betalingsinfrastructuren veelal zeer efficiënt zijn en om verslechtering van het huidige niveau van dienstverlening te voorkomen, dient de lidstaten te worden toegestaan in voorkomend geval regels te stellen of te handhaven die een uitvoeringstermijn van minder dan één werkdag specificeren.

(44)

De bepalingen betreffende de uitvoering voor het volledige bedrag en de uitvoeringstermijn dienen als goede praktijk te gelden wanneer een van de betalingsdienstaanbieders niet in de Gemeenschap is gevestigd.

(45)

Het is van essentieel belang dat de betalingsdienstgebruiker de werkelijke kosten en lasten van betalingsdiensten kent om een passende keuze te kunnen maken. Het hanteren van niet-transparante prijszettingsmethoden mag dan ook niet worden toegestaan, aangezien algemeen wordt erkend dat dergelijke methoden het bijzonder moeilijk maken voor gebruikers om de werkelijke prijs van de betalingsdienst te bepalen. Met name het gebruik van valutering in het nadeel van de gebruiker mag niet worden toegestaan.

(46)

Voor een vlotte en efficiënte werking van het betalingssysteem moet de gebruiker erop kunnen vertrouwen dat de betalingsdienstaanbieder de betalingstransactie correct en binnen de overeengekomen termijn uitvoert. De aanbieder is doorgaans in een goede positie om de risico’s te beoordelen die verbonden zijn aan de betalingstransactie. De aanbieder die het betalingssysteem beschikbaar stelt, treft de regelingen om op de verkeerde plaats terechtgekomen of verkeerd toegewezen geldmiddelen terug te roepen, en beslist in de meeste gevallen welke tussenpersonen bij de uitvoering van een transactie worden betrokken. In het licht van het bovenstaande is het, behoudens abnormale en onvoorziene omstandigheden, zonder meer aangewezen dat de betalingsdienstaanbieder een aansprakelijkheid wordt opgelegd met betrekking tot de uitvoering van een betalingstransactie die hij van de gebruiker heeft aanvaard, met uitzondering van het handelen en nalaten van de betalingsdienstaanbieder van de begunstigde, voor de keuze waarvan louter de begunstigde aansprakelijk is. Teneinde evenwel de betaler niet onbeschermd achter te laten in een onwaarschijnlijke samenloop van omstandigheden waarin niet onomstotelijk kan worden bewezen (non liquet) of het bedrag van de betaling al dan niet door de betalingsdienstaanbieder van de begunstigde werd ontvangen, dient de bewijslast dienaangaande bij de betalingsdienstaanbieder van de betaler te worden gelegd. In de regel kan worden verwacht dat de tussenpersoon (doorgaans een „neutrale” instelling zoals een centrale bank of een clearinginstelling) die het bedrag van de betaling van de verzendende naar de ontvangende betalingsdienstaanbieder doorstuurt, de rekeninggegevens opslaat en in voorkomend geval kan verstrekken. Zodra het bedrag van de betaling op de rekening van de ontvangende betalingsdienstaanbieder is gecrediteerd, heeft de begunstigde een vordering tegen zijn betalingsdienstaanbieder tot creditering van zijn rekening.

(47)

De betalingsdienstaanbieder van de betaler dient aansprakelijk te zijn voor de correcte uitvoering van de betaling, met inbegrip van met name het volledige bedrag van de betalingstransactie en de uitvoeringstermijn, alsmede de volledige verantwoordelijkheid voor enigerlei nalatigheid van andere partijen in de betalingsketen tot en met de rekening van de begunstigde. Uit hoofde van deze aansprakelijkheid dient de betalingsdienstaanbieder van de betaler, wanneer de betalingsdienstaanbieder van de begunstigde niet voor het volledige bedrag wordt gecrediteerd, de betalingstransactie te corrigeren of de betaler onverwijld het toepasselijke bedrag van de transactie terug te betalen, onverminderd andere mogelijke vorderingen conform het nationale recht. De richtlijn heeft alleen betrekking op contractuele verplichtingen en aansprakelijkheden tussen de betalingsdienstgebruiker en zijn betalingsdienstaanbieder. Voor het goed functioneren van overmakingen en andere betalingsdiensten moeten betalingsdienstaanbieders en hun intermediairs, zoals verwerkers, evenwel contracten hebben waarin hun wederzijdse rechten en verplichtingen zijn geregeld. Vraagstukken in verband met aansprakelijkheden vormen een essentieel onderdeel van deze uniforme contracten. Om de onderlinge betrouwbaarheid van de bij een betalingstransactie betrokken betalingsdienstaanbieders en intermediairs te garanderen, moet de rechtszekerheid worden geboden dat een betalingsdienstaanbieder die niet aansprakelijk blijkt te zijn, vergoed wordt voor van alle verliezen die zijn opgelopen en/of de bedragen die zijn betaald uit hoofde van de bepalingen van deze richtlijn betreffende de aansprakelijkheid. Verdere rechten inzake regres en wat regres precies inhoudt, alsmede de wijze van behandeling van vorderingen tegen de betalingsdienstaanbieder of de intermediair op grond van een gebrekkig uitgevoerde betalingstransactie, dienen via contractuele bepalingen te worden geregeld.

(48)

Het moet mogelijk zijn voor de betalingsdienstaanbieder om op ondubbelzinnige wijze aan te geven welke informatie nodig is om een betalingsopdracht correct uit te voeren. Teneinde fragmentatie te vermijden en het opzetten van geïntegreerde betalingssystemen in de Gemeenschap niet in het gedrang te brengen, mag het de lidstaten daarentegen niet worden toegestaan te verlangen dat voor betalingstransacties een specifieke identificator wordt gebruikt. De lidstaten mogen echter wel verlangen dat de betalingsdienstaanbieder van de betaler zorgvuldig handelt en nagaat, voor zover zulks technisch en zonder manuele interventie mogelijk is, of de unieke identificator coherent is en indien de unieke identificator niet coherent blijkt te zijn, de betaalopdracht weigert en de betaler daaromtrent inlicht. De aansprakelijkheid van de betalingsdienstaanbieder dient beperkt te blijven tot de correcte uitvoering van de betalingstransactie in overeenstemming met de betalingsopdracht van de betalingsdienstgebruiker.

(49)

Teneinde overal in de Gemeenschap effectieve fraudepreventie te bevorderen en betalingsfraude tegen te gaan, dient te worden voorzien in een efficiënte gegevensuitwisseling tussen betalingsdienstaanbieders, die ertoe moeten worden gemachtigd om persoonsgegevens over bij betalingsfraude betrokken personen te verzamelen, te verwerken en uit te wisselen. Al deze werkzaamheden dienen te worden verricht met inachtneming van Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (19).

(50)

Er dient te worden toegezien op de effectieve handhaving van de ter uitvoering van deze richtlijn vastgestelde bepalingen van nationaal recht. Er dienen bijgevolg passende procedures te worden vastgesteld om klachten te kunnen indienen tegen betalingsdienstaanbieders die zich niet aan deze bepalingen houden, en om ervoor te zorgen dat, in voorkomend geval, passende, doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties worden opgelegd.

(51)

Onverminderd het recht van cliënten om een gerechtelijke procedure in te stellen, dienen de lidstaten zorg te dragen voor een gemakkelijk toegankelijke en kostenbewuste buitengerechtelijke beslechting van de tussen betalingsdienstaanbieders en consumenten rijzende geschillen die uit de in deze richtlijn neergelegde rechten en plichten voortvloeien. Artikel 5, lid 2, van het Verdrag van Rome inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (20) garandeert dat een bij overeenkomst gemaakte rechtskeuze de bescherming die consumenten genieten op grond van de dwingende bepalingen van het recht van het land waar zij hun gewone verblijfplaats hebben, niet mag aantasten.

(52)

De lidstaten dienen uit te maken of de met de vergunningverlening aan betalingsinstellingen bevoegde autoriteiten ook de bevoegde autoriteiten kunnen zijn met betrekking tot de klachten- en de buitengerechtelijke beroepsprocedure.

(53)

Deze richtlijn dient de bepalingen van nationaal recht onverlet te laten welke betrekking hebben op de aansprakelijkheidsgevolgen van het feit dat een overzicht onjuist opgesteld of doorgegeven is.

(54)

Aangezien het noodzakelijk is om de efficiënte werking van deze richtlijn te toetsen en de bij de totstandbrenging van een eengemaakte betaalmarkt geboekte vooruitgang te volgen, dient van de Commissie te worden verlangd dat zij drie jaar na het einde van de omzettingstermijn van deze richtlijn een verslag uitbrengt. Met betrekking tot wereldwijde integratie van financiële diensten en geharmoniseerde consumentenbescherming, ook buiten de efficiënte werking van deze richtlijn, dient de toetsing voornamelijk betrekking te hebben op de eventuele uitbreiding van de werkingssfeer tot niet-EU-valuta en tot betalingstransacties waarbij slechts één van de betrokken betalingsdienstaanbieders in de Gemeenschap gevestigd is.

(55)

Aangezien de bepalingen van deze richtlijn Richtlijn 97/5/EG vervangen, dient die richtlijn te worden ingetrokken.

(56)

Het is noodzakelijk gedetailleerdere regels vast te stellen met betrekking tot het frauduleus gebruik van betaalkaarten, een terrein dat momenteel wordt bestreken door Richtlijn 97/7/EG van het Europees Parlement en de Raad van20 mei 1997 betreffende de bescherming van de consument bij op afstand gesloten overeenkomsten (21) en Richtlijn 2002/65/EG. Deze richtlijnen dienen bijgevolg dienovereenkomstig te worden gewijzigd.

(57)

Aangezien financiële instellingen overeenkomstig Richtlijn 2006/48/EG niet aan de op kredietinstellingen toepasselijke voorschriften onderworpen zijn, dienen voor financiële instellingen dezelfde vereisten als voor betalingsinstellingen te gelden zodat zij in staat zijn overal in de Gemeenschap betalingsdiensten aan te bieden. Richtlijn 2006/48/EG dient bijgevolg dienovereenkomstig te worden gewijzigd.

(58)

Aangezien geldtransferdiensten in deze richtlijn omschreven worden als betalingsdiensten waarvoor een vergunning als betalingsinstelling nodig is of een registerinschrijving voor sommige natuurlijke en rechtspersonen die in bepaalde, in de onderhavige richtlijn gespecificeerde omstandigheden voor een ontheffing in aanmerking komen, moet Richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 oktober 2005 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme (22) dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(59)

Ter wille van de rechtszekerheid is het aangewezen overgangsregelingen te treffen op grond waarvan personen die overeenkomstig de bepalingen van nationaal recht welke vóór de inwerkingtreding van deze richtlijn van toepassing waren, de werkzaamheden van betalingsinstellingen hebben aangevangen, deze werkzaamheden gedurende een gespecificeerde periode binnen de betrokken lidstaat kunnen blijven voortzetten.

(60)

Aangezien de doelstelling van deze richtlijn, namelijk de totstandbrenging van een interne markt voor betalingsdiensten, niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt omdat zulks de harmonisatie vereist van een veelheid van verschillende voorschriften die thans in de rechtsstelsels van de diverse lidstaten bestaan, en derhalve beter door de Gemeenschap kan worden verwezenlijkt, kan de Gemeenschap, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel, gaat deze richtlijn niet verder dan wat nodig is om deze doelstelling te verwezenlijken.

(61)

De voor de uitvoering van deze richtlijn vereiste maatregelen dienen te worden vastgesteld overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden (23).

(62)

In het bijzonder moet de Commissie de bevoegdheid worden gegeven uitvoeringsmaatregelen vast te stellen om rekening te houden met technologische ontwikkelingen en ontwikkelingen op de markt. Daar het maatregelen van algemene strekking betreft tot wijziging van niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn, moeten zij worden vastgesteld volgens de in artikel 5 bis van Besluit 1999/468/EG bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

(63)

De Raad dient, overeenkomstig punt 34 van het Interinstitutioneel Akkoord „Beter wetgeven” (24) de lidstaten aan te sporen voor zichzelf en in het belang van de Gemeenschap hun eigen tabellen op te stellen, die voor zover mogelijk het verband weergeven tussen de richtlijnen en de omzettingsmaatregelen, en deze openbaar te maken,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

TITEL I

ONDERWERP, TOEPASSINGSGEBIED EN DEFINITIES

Artikel 1

Onderwerp

1.   Deze richtlijn stelt de regels vast op grond waarvan de lidstaten de volgende zes categorieën betalingsdienstaanbieders onderscheiden:

a)

kredietinstellingen in de zin van artikel 4, punt 1, onder a), van Richtlijn 2006/48/EG;

b)

instellingen voor elektronisch geld in de zin van artikel 1, lid 3, onder a), van Richtlijn 2000/46/EG;

c)

postcheque- en girodiensten die krachtens nationale wetgeving gemachtigd zijn om betalingsdiensten aan te bieden;

d)

betalingsinstellingen in de zin van deze richtlijn;

e)

de Europese Centrale Bank en nationale centrale banken wanneer zij niet handelen in hun hoedanigheid van monetaire of andere publieke autoriteit;

f)

de lidstaten en hun regionale en lokale overheden wanneer zij niet handelen in hun hoedanigheid van overheidsinstantie.

2.   Deze richtlijn stelt ook regels vast met betrekking tot de transparantie van de aan betalingsdiensten verbonden voorwaarden en informatievereisten en de respectieve rechten en plichten van gebruikers en aanbieders van betalingsdiensten welke verband houden met het als gewoon beroep of bedrijf aanbieden van betalingsdiensten.

Artikel 2

Toepassingsgebied

1.   Deze richtlijn is van toepassing op betalingsdiensten uitgevoerd in de Gemeenschap. Met uitzondering van artikel 73, zijn de titels III en IV evenwel alleen van toepassing wanneer zowel de betalingsdienstaanbieder van de betaler als de betalingsdienstaanbieder van de begunstigde, of de enige bij de betalingstransactie betrokken betalingsdienstaanbieder in de Gemeenschap gevestigd is.

2.   De titels III en IV zijn van toepassing op betalingsdiensten uitgevoerd in euro of in de valuta van een lidstaat buiten de eurozone.

3.   De lidstaten kunnen geheel of gedeeltelijk ontheffing verlenen van de toepassing van deze richtlijn op de instellingen bedoeld in artikel 2, van Richtlijn 2006/48/EG, met uitzondering van het eerste en het tweede streepje van dat artikel.

Artikel 3

Vrijstellingen

Deze richtlijn is niet van toepassing op:

a)

betalingstransacties die uitsluitend in contanten, rechtstreeks door de betaler aan de begunstigde worden verricht, zonder enige tussenkomst;

b)

betalingstransacties die door de betaler aan de begunstigde worden uitgevoerd via een handelsagent die gemachtigd is om voor rekening van de betaler of de begunstigde de verkoop of aankoop van goederen of diensten tot stand te brengen of af te sluiten;

c)

beroepsmatig fysiek transport van bankbiljetten en muntstukken, inclusief ophaling, verwerking en levering;

d)

betalingstransacties die bestaan in de niet-beroepsmatige ophaling en levering van contanten in het kader van een activiteit zonder winstoogmerk of voor liefdadigheidsdoeleinden;

e)

de diensten waarbij contanten door de begunstigde aan de betaler worden verstrekt als onderdeel van een betalingstransactie op uitdrukkelijk verzoek van de betalingsdienstgebruiker vlak voor de uitvoering van een betalingstransactie in de vorm van een betaling voor de aankoop van goederen of diensten;

f)

geldwisseltransacties, dat wil zeggen contante transacties waarbij de geldmiddelen niet op een betaalrekening worden aangehouden;

g)

betalingstransacties die zijn gebaseerd op een van de volgende documenten die door een betalingsdienstaanbieder zijn uitgegeven met de bedoeling geldmiddelen beschikbaar te stellen aan de begunstigde:

i)

papieren cheques in de zin van het Verdrag van Genève van 19 maart 1931 tot invoering van een eenvormige wet op cheques;

ii)

papieren cheques die vergelijkbaar zijn met die bedoeld onder i) en die vallen onder het recht van lidstaten die geen partij zijn bij het Verdrag van Genève van 19 maart 1931 tot invoering van een eenvormige wet op cheques;

iii)

papieren wissels in de zin van het Verdrag van Genève van 7 juni 1930 dat voorziet in een eenvormige wet op wisselbrieven en orderbriefjes;

iv)

papieren wissels die vergelijkbaar zijn met die welke onder iii) worden bedoeld en die vallen onder het recht van de lidstaten die geen partij zijn bij het Verdrag van Genève van 7 juni 1930 tot invoering van een eenvormige wet op wisselbrieven en orderbriefjes;

v)

papierentegoedbonnen;

vi)

papieren reischeques; of

vii)

papieren postwissels als omschreven door de Wereldpostunie;

h)

betalingstransacties die worden uitgevoerd binnen een betalings- of een effectenafwikkelingssysteem, of tussen afwikkelingsinstellingen, centrale tegenpartijen, clearinginstellingen en/of centrale banken en andere deelnemers van het systeem, en betalingsdienstaanbieders, onverminderd artikel 28;

i)

betalingstransacties in verband met dienstverlening op effecten, met inbegrip van uitkeringen van dividend, inkomsten en dergelijke, en aflossing en verkoop, uitgevoerd door personen als bedoeld onder h) of door beleggingsondernemingen, kredietinstellingen, instellingen voor collectieve belegging of vermogensbeheerders die beleggingsdiensten aanbieden, alsmede andere instellingen aan welke bewaarneming van financiële instrumenten is toegestaan;

j)

door technische dienstverleners verrichte diensten die de aanbieding van betalingsdiensten ondersteunen zonder dat de betrokken dienstverleners op enig moment in het bezit komen van de over te maken geldmiddelen, met inbegrip van verwerking en opslag van gegevens, diensten ter bescherming van het vertrouwen en het privéleven, authentificatie van gegevens en entiteiten, aanbieding van informatietechnologie (IT)- en communicatienetwerken, alsook aanbieding en onderhoud van voor betalingsdiensten gebruikte automaten en instrumenten;

k)

diensten gebaseerd op instrumenten die kunnen worden gebruikt om, louter in de door de uitgevende instelling gebruikte bedrijfsgebouwen of uit hoofde van een handelsovereenkomst met de uitgevende instelling, hetzij binnen een beperkt netwerk van dienstverleners hetzij voor een beperkte reeks goederen en diensten, goederen en diensten te verkrijgen;

l)

betalingstransacties uitgevoerd via een telecommunicatie-, digitaal of IT-instrument, wanneer de gekochte goederen of diensten geleverd worden aan, en gebruikt moeten worden via, een telecommunicatie-, digitaal of IT-instrument, mits de telecommunicatie-, digitale of IT-exploitant niet uitsluitend als intermediair optreedt tussen de betalingsdienstgebruiker en de leverancier van de goederen en diensten;

m)

betalingstransacties die worden uitgevoerd tussen betalingsdienstaanbieders, hun agenten of bijkantoren, voor eigen rekening;

n)

betalingstransacties tussen een moederonderneming en haar dochteronderneming of tussen dochternemingen van dezelfde moederonderneming, waarbij geen andere betalingsdienstaanbieder dan een tot dezelfde groep behorende onderneming tussenkomt, of

o)

diensten van aanbieders bestaande uit het opnemen van contanten via geldautomaten namens een of meer kaartuitgevers die geen partij zijn bij het raamcontract met de cliënt die geld van een betaalrekening opneemt, mits die aanbieders geen andere betalingsdiensten uitvoeren zoals opgesomd in de bijlage.

Artikel 4

Definities

Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder:

1.

„lidstaat van herkomst”:

i)

de lidstaat waar de statutaire zetel van de betalingsdienstaanbieder gelegen is, of

ii)

indien de betalingsdienstaanbieder overeenkomstig zijn nationale wetgeving geen statutaire zetel heeft, de lidstaat waar zijn hoofdkantoor gelegen is;

2.

„lidstaat van ontvangst”: lidstaat die niet de lidstaat van herkomst is en waar de betalingsdienstaanbieder een agent of bijkantoor heeft, dan wel betalingsdiensten aanbiedt;

3.

„betalingsdienst”: elke bedrijfswerkzaamheid als vermeld in de bijlage;

4.

„betalingsinstelling”: een rechtspersoon aan wie overeenkomstig artikel 10 vergunning is verleend om overal in de Gemeenschap betalingsdiensten aan te bieden en uit te voeren;

5.

„betalingstransactie”: een door de betaler of de begunstigde geïnitieerde handeling waarbij geldmiddelen worden gedeponeerd, overgemaakt of opgenomen, ongeacht of er onderliggende verplichtingen tussen de betaler en de begunstigde zijn;

6.

„betalingssysteem”: geldovermakingssysteem met formele en gestandaardiseerde regelingen en gemeenschappelijke regels voor de verwerking, clearing en/of afwikkeling van betalingstransacties;

7.

„betaler”: hetzij een natuurlijke of rechtspersoon die houder is van een betaalrekening en een betalingstransactie vanaf die betaalrekening toestaat, hetzij bij ontbreken van een betaalrekening, een natuurlijke of rechtspersoon die een betalingsopdracht geeft;

8.

„begunstigde”: natuurlijke of rechtspersoon die de beoogde uiteindelijke ontvanger is van de geldmiddelen waarop een betalingstransactie betrekking heeft;

9.

„betalingsdienstaanbieder”: een instelling als bedoeld in artikel 1, lid 1, en natuurlijke en rechtspersonen die in aanmerking komen voor de ontheffing overeenkomstig artikel 26;

10.

„betalingsdienstgebruiker”: natuurlijke of rechtspersoon die in de hoedanigheid van betaler, begunstigde of beide van een betalingsdienst gebruikmaakt;

11.

„consument”: een natuurlijke persoon die, in betalingsdienstcontracten welke onder deze richtlijn vallen, voor doeleinden buiten zijn bedrijfs- of beroepswerkzaamheden handelt;

12.

„raamcontract”: een betalingsdienstencontract dat de toekomstige uitvoering beheerst van afzonderlijke en opeenvolgende betalingstransacties en dat de verplichtingen en voorwaarden voor de opening van een betaalrekening kan omvatten;

13.

„geldtransfer”: een betalingsdienst waarbij, zonder opening van betaalrekeningen op naam van de betaler of de begunstigde, van een betaler geldmiddelen worden ontvangen met als enig doel het daarmee corresponderende bedrag over te maken aan een begunstigde of aan een andere, voor rekening van de begunstigde handelende betalingsdienstaanbieder en/of waarbij de geldmiddelen voor rekening van de begunstigde worden ontvangen en aan de begunstigde beschikbaar worden gesteld;

14.

„betaalrekening”: op naam van een of meer betalingsdienstgebruikers aangehouden rekening die voor de uitvoering van betalingstransacties wordt gebruikt;

15.

„geldmiddelen”: bankbiljetten en muntstukken, giraal geld en elektronisch geld als bedoeld in artikel 1, lid 3, onder b), van Richtlijn 2000/46/EG;

16.

„betalingsopdracht”: door een betaler of begunstigde aan zijn betalingsdienstaanbieder gegeven instructie om een betalingstransactie uit te voeren;

17.

„valutadatum”: referentietijdstip dat door een betalingsdienstaanbieder wordt gebruikt voor de berekening van de interesten op de geldmiddelen waarmee een betaalrekening wordt gedebiteerd of gecrediteerd;

18.

„referentiewisselkoers”: de wisselkoers die als berekeningsgrondslag wordt gehanteerd bij een valutawissel en die door de betalingsdienstaanbieder beschikbaar wordt gesteld of afkomstig is van een bron die door het publiek kan worden geraadpleegd;

19.

„authentificatie”: procedure die de betalingsdienstaanbieder in staat stelt het gebruik van het betaalinstrument te verifiëren, met inbegrip van de gepersonaliseerde veiligheidskenmerken;

20.

„referentierentevoet”: de rentevoet die als grondslag wordt gehanteerd voor de berekening van eventueel in rekening te brengen interesten en die afkomstig is van een bron welke door het publiek kan worden geraadpleegd en door beide partijen bij een betalingsdienstencontract kan worden geverifieerd;

21.

„unieke identificator”: de door de betalingsdienstaanbieder aan de betalingsdienstgebruiker medegedeelde combinatie van letters, nummers en symbolen, door laatstgenoemde te verstrekken om de andere bij een betalingstransactie betrokken betalingsdienstgebruiker en/of zijn betaalrekening ondubbelzinnig te identificeren;

22.

„agent”: natuurlijke of rechtspersoon die bij de uitvoering van betalingsdiensten voor rekening van een betalingsinstelling optreedt;

23.

„betaalinstrument”: gepersonaliseerd(e) instrument(en) en/of geheel van procedures, overeengekomen tussen de betalingsdienstgebruiker en de betalingsdienstaanbieder, waarvan de betalingsdienstgebruiker gebruikmaakt om de betalingsdienstaanbieder in staat te stellen een betalingsopdracht te initiëren;

24.

„techniek voor communicatie op afstand”: ieder middel dat, zonder gelijktijdige fysieke aanwezigheid van de betalingsdienstaanbieder en de betalingsdienstgebruiker, kan worden gebruikt voor de sluiting van een betalingsdienstencontract;

25.

„duurzame drager”: elk hulpmiddel dat het de betalingsdienstgebruiker mogelijk maakt de aan hem persoonlijk gerichte informatie op zodanige wijze op te slaan dat deze gedurende een voor het doel van de informatie toereikende periode kan worden geraadpleegd en waarmee de opgeslagen informatie ongewijzigd kan worden gereproduceerd;

26.

„micro-onderneming”: een onderneming die op het tijdstip van sluiting van het betalingsdienstencontract een onderneming is als gedefinieerd in artikel 1 en artikel 2, leden 1 en 3 van de bijlage bij Aanbeveling 2003/361/EG;

27.

„werkdag”: een dag waarop de relevante betalingsdienstaanbieder van de betaler of de betalingsdienstaanbieder van de begunstigde die betrokken is bij de uitvoering van een betalingstransactie open is voor de bij de uitvoering van een betalingstransactie vereiste werkzaamheden;

28.

„automatische afschrijving”: een betalingsdienst voor debiteringen van de betaalrekening van een betaler, waarbij een betalingstransactie wordt geïnitieerd door de begunstigde op basis van een door de betaler aan de begunstigde, aan de betalingsdienstaanbieder van de begunstigde of aan de betalingsdienstaanbieder van de betaler verstrekte instemming;

29.

„bijkantoor”: een bedrijfszetel die niet het hoofdkantoor is en die een onderdeel zonder rechtspersoonlijkheid vormt van een betalingsinstelling en rechtstreeks, geheel of gedeeltelijk de handelingen verricht die eigen zijn aan de werkzaamheden van een betalingsinstelling; verscheidene bedrijfszetels in eenzelfde lidstaat van een betalingsinstelling met hoofdkantoor in een andere lidstaat worden als één bijkantoor beschouwd;

30.

„groep”: een groep ondernemingen bestaande uit een moederonderneming, haar dochterondernemingen en de deelnemingen van de moederonderneming en haar dochterondernemingen, alsook ondernemingen die met elkaar verbonden zijn door een betrekking als bedoeld in artikel 12, lid 1, van Richtlijn 83/349/EEG.

TITEL II

BETALINGSDIENSTAANBIEDERS

HOOFDSTUK 1

Betalingsinstellingen

Afdeling 1

Algemene bepalingen

Artikel 5

Vergunningaanvragen

Voor het verkrijgen van een vergunning als betalingsinstelling wordt bij de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst een aanvraag ingediend samen met het volgende:

a)

een programma van werkzaamheden, waarin met name de aard van de voorgenomen betalingsdiensten wordt vermeld;

b)

een bedrijfsplan met inbegrip van een budgetprognose voor de eerste drie boekjaren waardoor wordt aangetoond dat de aanvrager in staat is gebruik te maken van passende en evenredige systemen, middelen en procedures om op een gezonde basis te opereren;

c)

bewijs dat de betalingsinstelling over het in artikel 6, genoemde aanvangskapitaal beschikt;

d)

voor de betalingsinstellingen bedoeld in artikel 9, lid 1, een omschrijving van de maatregelen die zijn genomen ter bescherming van de middelen van de betalingsdienstgebruikers overeenkomstig artikel 9;

e)

een beschrijving van de maatregelen voor goed bestuur (governance) en interne controle die de aanvrager heeft genomen, waaronder de administratieve en boekhoudkundige organisatie en de procedures voor risicobeheer, waaruit blijkt dat die governanceregelingen, controlemaatregelen en -procedures evenredig, passend, degelijk en adequaat zijn;

f)

een beschrijving van de interne controlemechanismen die de aanvrager heeft opgezet om de in Richtlijn 2005/60/EG en Verordening (EG) nr. 1781/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 15 november 2006 betreffende bij geldovermakingen te voegen informatie over de betaler (25) neergelegde verplichtingen in verband met het witwassen van geld en terrorismefinanciering na te komen;

g)

een beschrijving van de organisatiestructuur van de aanvrager, met inbegrip van, voor zover van toepassing, een beschrijving van het voorgenomen gebruik van agenten en bijkantoren en van de regelingen voor uitbesteding, alsmede van zijn deelname in een nationaal of internationaal betalingssysteem;

h)

de identiteit van personen die, rechtstreeks of indirect, in de aanvrager gekwalificeerde deelnemingen bezitten in de zin van artikel 4, punt 11, van Richtlijn 2006/48/EG, alsmede de omvang van hun deelneming en het bewijs van hun geschiktheid, gelet op de noodzaak de gezonde en prudente bedrijfsvoering van de betalingsinstelling te garanderen;

i)

de identiteit van de bestuurders en de managers van de betalingsinstelling en, waar dienstig, de personen die belast zijn met het beheer van de betalingsdienstactiviteiten van de betalingsinstelling, alsmede het bewijs dat zij als betrouwbaar bekend staan en over de nodige kennis en ervaring beschikken om betalingsdiensten uit te voeren, zoals bepaald door de lidstaat van herkomst van de betalingsinstelling;

j)

indien van toepassing, de identiteit van wettelijke auditors en auditkantoren als omschreven in Richtlijn 2006/43/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2006 betreffende de wettelijke controles van jaarrekeningen en geconsolideerde jaarrekeningen (26);

k)

de rechtsvorm en de statuten van de aanvrager;

l)

het adres van het hoofdkantoor van de aanvrager.

Voor de toepassing van litterae d), e) en g), geeft de aanvrager een beschrijving van de regelingen voor accountantscontrole en de organisatorische regelingen die hij heeft getroffen voor het nemen van alle redelijke maatregelen om de belangen van zijn gebruikers te beschermen en om de continuïteit en betrouwbaarheid bij het uitvoeren van betalingsdiensten te garanderen.

Artikel 6

Aanvangskapitaal

De lidstaten eisen dat betalingsinstellingen, op het tijdstip waarop hun vergunning wordt verleend, over een aanvangskapitaal beschikken, als omschreven in artikel 57, onder a) en b), van Richtlijn 2006/48/EG, en wel als volgt:

a)

wanneer de betalingsinstelling alleen de in punt 6 van de bijlage vermelde betalingsdiensten verricht, bedraagt haar kapitaal te allen tijde ten minste 20 000 EUR;

b)

wanneer de betalingsinstelling de in punt 7 van de bijlage vermelde betalingsdienst verricht, bedraagt haar kapitaal te allen tijde ten minste 50 000 EUR, en

c)

wanneer de betalingsinstelling een in de punten 1 tot en met 5 van de bijlage vermelde betalingsdienst verricht, bedraagt haar kapitaal te allen tijde ten minste 125 000 EUR.

Artikel 7

Eigen vermogen

1.   Het eigen vermogen van de betalingsinstelling, als omschreven in de artikelen 57 tot en met 61, 63, 64 en 66 van Richtlijn 2006/48/EG, mag niet kleiner worden dan de bedragen bedoeld in de artikelen 6 en 8.

2.   De lidstaten nemen de nodige maatregelen ter voorkoming van het meervoudige gebruik van elementen die voor de berekening van het eigen vermogen in aanmerking komen wanneer de betalingsinstelling tot eenzelfde groep behoort als een andere betalingsinstelling, kredietinstelling, beleggingsonderneming, vermogensbeheerder of verzekeringsonderneming. Dit lid is van overeenkomstige toepassing wanneer een betalingsinstelling een hybride karakter heeft en andere activiteiten uitvoert dan de in de bijlage genoemde.

3.   Indien de voorwaarden van artikel 69 van Richtlijn 2006/48/EG vervuld zijn, kunnen de lidstaten of hun bevoegde autoriteiten besluiten artikel 8 van deze richtlijn niet toe te passen op betalingsinstellingen die onder het bereik vallen van het geconsolideerd toezicht op de moederkredietinstelling krachtens Richtlijn 2006/48/EG.

Artikel 8

Berekening van eigen vermogen

1.   Onverminderd de vereisten voor het aanvangskapitaal neergelegd in artikel 6, verplichten de lidstaten de betalingsinstellingen ertoe te allen tijde een eigen vermogen aan te houden dat berekend wordt conform een van de volgende drie methoden, als bepaald door de bevoegde autoriteiten overeenkomstig de nationale wetgeving:

Methode A

Het eigen vermogen van de betalingsinstelling is een bedrag van ten minste 10 % van de vaste kosten van het voorgaande jaar. De bevoegde autoriteiten mogen dit vereiste aanpassen in geval van aanzienlijke wijzigingen in de werkzaamheden van de betalingsinstelling sinds het voorgaande jaar. Wanneer de betalingsinstelling op de dag van de berekening haar werkzaamheden niet gedurende een volledig jaar heeft uitgeoefend bedraagt het vereiste inzake eigen vermogen 10 % van de in haar bedrijfsplan begrote vaste kosten, tenzij de bevoegde autoriteiten een aanpassing van dit plan verlangen.

Methode B

Het eigen vermogen van de betalingsinstelling is een bedrag dat ten minste gelijk is aan de som van de volgende elementen, vermenigvuldigd met een schaalfactor k, als omschreven in lid 2, waarbij het betalingsvolume een twaalfde is van het totale bedrag van de betalingstransacties die de betalingsinstelling het voorgaande jaar heeft verricht:

a)

4,0 % van het deel van het betalingsvolume tot 5 miljoen EUR,

plus

b)

2,5 % van het deel van het betalingsvolume boven 5 miljoen EUR tot 10 miljoen EUR,

plus

c)

1 % van het deel van het betalingsvolume boven 10 miljoen EUR tot 100 miljoen EUR,

plus

d)

0,5 % van het deel van het betalingsvolume boven 100 miljoen EUR tot 250 miljoen EUR,

plus

e)

0,25 % van het deel van het betalingsvolume boven 250 miljoen EUR.

Methode C

Het eigen vermogen van de betalingsinstelling is een bedrag dat ten minste gelijk is aan de relevante indicator als omschreven onder a), vermenigvuldigd met een multiplicator als omschreven onder b), nogmaals vermenigvuldigd met de schaalfactor k, als omschreven in lid 2.

a)

De relevante indicator is de som van het volgende:

rente-inkomsten;

rente-uitgaven;

ontvangen provisies en vergoedingen, en

overige bedrijfsopbrengsten.

Elk bestanddeel wordt meegeteld met het bijbehorende positieve of negatieve teken. Inkomsten uit buitengewone of ongewone posten mogen niet worden meegeteld bij de berekening van de relevante indicator. De uitgaven aan de uitbesteding van diensten die door een derde partij worden verricht, kunnen de relevante indicator verlagen als de uitgaven voor rekening komen van een onderneming die onder het toezicht krachtens deze richtlijn valt. De relevante indicator wordt berekend op basis van de laatste twaalfmaandelijkse waarneming aan het eind van het boekjaar. De relevante indicator wordt berekend over het laatste boekjaar. Desalniettemin mag het overeenkomstig methode C berekend eigen vermogen niet onder 80 % van het gemiddelde van de laatste drie boekjaren voor de relevante indicator dalen. Wanneer geen gecontroleerde cijfers beschikbaar zijn, mogen bedrijfsramingen worden gebruikt.

b)

De multiplicator is:

i)

10 % van het deel van de relevante indicator tot 2,5 miljoen EUR,

ii)

8 % van het deel van de relevante indicator boven 2,5 miljoen EUR tot 5 miljoen EUR,

iii)

6 % van het deel van de relevante indicator boven 5 miljoen EUR tot 25 miljoen EUR,

iv)

3 % van het deel van de relevante indicator boven 25 miljoen EUR tot 50 miljoen EUR,

v)

1,5 % boven 50 miljoen EUR.

2.   De schaalfactor k die in methode B en methode C wordt gebruikt, is:

a)

0,5 wanneer de betalingsinstelling alleen de in punt 6 van de bijlage vermelde betalingsdienst verricht;

b)

0,8 wanneer de betalingsinstelling een in punt 7 van de bijlage vermelde betalingsdienst verricht;

c)

1,0 wanneer de betalingsinstelling een in de punten 1 tot en met 5 van de bijlage vermelde betalingsdienst verricht.

3.   De bevoegde autoriteiten kunnen, op basis van een evaluatie van de risicobeheersingsprocessen, het verzamelen en vastleggen van risicoverliezengegevens en het internecontrolesysteem en het bedrijfscontinuïteitsbeheer van de betalingsinstelling, verlangen dat de betalingsinstelling een eigen vermogen aanhoudt dat tot 20 % hoger is dan het bedrag dat het resultaat is van de toepassing van de overeenkomstig lid 1 gekozen methode, of de betalingsinstelling toestaan een eigen vermogen aan te houden dat tot 20 % lager is dan het bedrag dat het resultaat is van de overeenkomstig lid 1 gekozen methode.

Artikel 9

Beschermingsvereisten

1.   De lidstaten of de bevoegde autoriteiten eisen dat een betalingsinstelling die een van de in de bijlage genoemde betalingsdiensten uitvoert en tegelijkertijd andere werkzaamheden verricht uit hoofde van artikel 16, lid 1, onder c), de middelen die zij van de betalingsdienstgebruikers of via een andere betalingsdienstaanbieder heeft ontvangen voor de uitvoering van betalingstransacties, als volgt veilig stelt.

Ofwel:

a)

mogen zij op geen enkel tijdstip worden vermengd met de geldmiddelen van een andere natuurlijke of rechtspersoon dan de betalingsdienstgebruikers voor wier rekening de geldmiddelen worden aangehouden en, wanneer zij aan het einde van de werkdag volgend op de dag waarop de middelen zijn ontvangen, nog door de betalingsinstelling worden aangehouden en nog niet aan de begunstigde of aan een andere betalingsdienstaanbieder zijn overgemaakt, worden zij op een afzonderlijke rekening gestort bij een kredietinstelling of belegd in veilige, liquide activa met een lage risicograad als omschreven door de lidstaat van herkomst, en

b)

worden zij overeenkomstig het nationale recht in het belang van de betalingsdienstgebruikers gevrijwaard tegen vorderingen van andere schuldeisers van de betalingsinstelling, in het bijzonder in het geval van insolventie;

ofwel

c)

zijn zij gedekt door een verzekeringspolis of een vergelijkbare garantie van een verzekeringsmaatschappij of kredietinstelling die niet tot dezelfde groep behoort als de betalingsinstelling, voor een bedrag dat gelijk is aan het bedrag dat afgescheiden zou zijn bij het ontbreken van de verzekeringspolis of vergelijkbare garantie, betaalbaar ingeval de betalingsinstelling niet in staat is haar financiële verplichtingen na te komen.

2.   Wanneer een betalingsinstelling middelen veilig moet stellen uit hoofde van lid 1 en een gedeelte van dat bedrag aan geldmiddelen voor toekomstige betalingstransacties gebruikt moet worden terwijl het resterende bedrag voor andere diensten dan betalingsdiensten gebruikt moet worden, zijn de vereisten van lid 1 ook van toepassing op het voor toekomstige betalingstransacties ontvangen gedeelte van de middelen. Wanneer dat gedeelte variabel of niet tevoren bekend is, kunnen de lidstaten de betalingsinstellingen toestaan dit lid toe te passen op basis van een representatief gedeelte dat geacht wordt voor betalingsdiensten te worden gebruikt, mits een dergelijk representatief gedeelte ten genoegen van de bevoegde autoriteiten redelijkerwijs op basis van historische gegevens kan worden geraamd.

3.   De lidstaten of de bevoegde autoriteiten mogen verlangen dat betalingsinstellingen die geen andere de in artikel 16, lid 1, onder c), bedoelde werkzaamheden uitvoeren, ook voldoen aan de beschermingsvereisten van lid 1 van dit artikel.

4.   De lidstaten of de bevoegde autoriteiten kunnen de beschermingsvereisten ook beperken tot de betalingsdienstgebruikers van wie de middelen individueel een drempel van 600 EUR overschrijden.

Artikel 10

Vergunningverlening

1.   De lidstaten schrijven voor dat andere ondernemingen dan die bedoeld in artikel 1, lid 1, onder a) tot en met c), en e) en f), of andere dan natuurlijke en rechtspersonen die in aanmerking komen voor de ontheffing in artikel 26, wanneer zij voornemens zijn betalingsdiensten aan te bieden, een vergunning als betalingsinstelling moeten hebben verkregen alvorens te beginnen met het aanbieden van betalingsdiensten. Vergunningen worden uitsluitend verleend aan rechtspersonen met een vestiging in een lidstaat.

2.   Een vergunning wordt verleend indien de gegevens en bewijsstukken die bij de aanvraag gevoegd zijn, geheel in overeenstemming zijn met artikel 5 en indien de bevoegde autoriteiten die de aanvraag onderzocht hebben, over de gehele lijn tot een positief oordeel komen. Voordat een vergunning wordt verleend, kunnen de bevoegde autoriteiten zo nodig de nationale centrale bank of andere relevante overheidsinstanties raadplegen.

3.   Een betalingsinstelling die overeenkomstig de nationale wetgeving van haar lidstaat van herkomst een statutaire zetel heeft, moet haar hoofdkantoor hebben in dezelfde lidstaat waar ze haar statutaire zetel heeft.

4.   De bevoegde autoriteiten verlenen slechts vergunning indien de betalingsinstelling, gelet op de noodzaak een gezonde en prudente bedrijfsvoering van de betalingsinstelling te garanderen, solide governancesystemen voor het betalingsdienstenbedrijf heeft, waaronder een duidelijke organisatorische structuur met duidelijk omschreven, transparante en samenhangende verantwoordelijkheden, effectieve procedures voor de detectie, het beheer, de bewaking en verslaglegging van de risico’s waaraan zij blootstaat of bloot kan komen te staan, en adequate interne controleprocedures, zoals een goede administratieve en boekhoudkundige organisatie; die maatregelen en procedures zijn gedetailleerd uitgewerkt en staan in verhouding tot de aard, omvang en complexiteit van de werkzaamheden van de betaalinstelling.

5.   Wanneer een betalingsinstelling een van de in de bijlage genoemde betalingsdiensten verricht en tegelijk andere werkzaamheden verricht, mogen de bevoegde autoriteiten het opzetten van een aparte entiteit voor de activiteiten in verband met betalingsdiensten verlangen, wanneer de niet met betalingsdiensten verband houdende activiteiten van de betalingsinstelling afbreuk doen of dreigen te doen aan de financiële soliditeit van de betalingsinstelling of aan het vermogen van de bevoegde autoriteiten om te controleren of de betalingsinstelling alle verplichtingen uit hoofde van deze richtlijn nakomt.

6.   De bevoegde autoriteiten weigeren een vergunning te verlenen indien zij, gelet op de noodzaak de gezonde en prudente bedrijfsvoering van een betalingsinstelling te garanderen, niet overtuigd zijn van de geschiktheid van de aandeelhouders of vennoten die een gekwalificeerde deelneming bezitten.

7.   Wanneer er tussen de betalingsinstelling en andere natuurlijke of rechtspersonen nauwe banden bestaan als omschreven in artikel 4, punt 46, van Richtlijn 2006/48/EG, verlenen de bevoegde autoriteiten de vergunning slechts indien deze banden de effectieve uitoefening van hun toezichthoudende taken niet belemmeren.

8.   De bevoegde autoriteiten verlenen de vergunning louter indien de wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen van een derde land die van toepassing zijn op één of meer natuurlijke of rechtspersonen met wie de kredietinstelling nauwe banden heeft, of moeilijkheden in verband met de toepassing van die wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen, geen belemmering vormen voor de juiste uitoefening van hun toezichthoudende taken.

9.   De vergunning is geldig in alle lidstaten en stelt de betrokken betalingsinstelling in staat overal in de Gemeenschap betalingsdiensten aan te bieden, zowel door middel van het vrij verrichten van diensten, als door middel van vrijheid van vestiging, mits de aangeboden diensten door de vergunning worden bestreken.

Artikel 11

Mededeling van de genomen beslissing

Binnen drie maanden na ontvangst van de aanvraag of, indien de aanvraag onvolledig is, binnen drie maanden na ontvangst van alle voor het nemen van de beslissing benodigde gegevens, deelt de bevoegde autoriteit de aanvrager mee of de vergunning verleend dan wel geweigerd is. Iedere weigering een vergunning te verlenen, wordt gemotiveerd.

Artikel 12

Intrekking van de vergunning

1.   De bevoegde autoriteiten kunnen de vergunning die is verleend aan de betalingsinstelling alleen dan intrekken wanneer:

a)

de instelling binnen een termijn van twaalf maanden geen gebruikmaakt van de vergunning, uitdrukkelijk te kennen heeft gegeven geen gebruik van de vergunning te zullen maken of de werkzaamheden gedurende een periode van meer dan zes maanden heeft gestaakt, tenzij de betrokken lidstaat heeft bepaald dat in die gevallen de vergunning vervalt;

b)

de instelling de vergunning heeft verkregen door middel van valse verklaringen of op enige andere onregelmatige wijze;

c)

de instelling niet meer voldoet aan de voorwaarden voor het verlenen van een vergunning;

d)

de instelling door de voortzetting van haar betalingsdienstenbedrijf een bedreiging voor de stabiliteit van het betalingssysteem zou vormen, of

e)

wanneer een van de overige gevallen van intrekking waarin de nationale voorschriften voorzien, zich voordoet.

2.   Iedere intrekking van een vergunning moet worden gemotiveerd en aan de belanghebbenden worden meegedeeld.

3.   De intrekking van een vergunning wordt openbaar gemaakt en mag door de bevoegde autoriteit ook aan de belanghebbenden worden meegedeeld.

Artikel 13

Registerinschrijving

De lidstaten leggen een openbaar register aan van vergunninghoudende betalingsinstellingen en hun agenten en bijkantoren, alsmede van natuurlijke en rechtspersonen en hun agenten en bijkantoren waarvoor een ontheffing overeenkomstig artikel 26 is verleend, alsmede van de in artikel 2, lid 3, bedoelde instellingen die krachtens nationale of communautaire wetgeving gemachtigd zijn om betalingsdiensten aan te bieden. Zij worden ingeschreven in het register van de lidstaat van herkomst.

In dit register worden de betalingsdiensten vermeld waarvoor de betalingsinstelling een vergunning heeft of waarvoor de natuurlijke of rechtspersoon een registerinschrijving heeft. Vergunninghoudende betalingsinstellingen worden afzonderlijk opgenomen in het register van natuurlijke en rechtspersonen die zijn geregistreerd overeenkomstig artikel 26. Het register kan door het publiek worden geraadpleegd, is online toegankelijk en wordt regelmatig bijgewerkt.

Artikel 14

Handhaving van de vergunning

Wanneer de correctheid van overeenkomstig artikel 5 verstrekte gegevens of geleverd bewijsmateriaal door enigerlei wijziging wordt beïnvloed, stelt de betalingsinstelling de bevoegde autoriteiten van haar lidstaat van herkomst daarvan onverwijld in kennis.

Artikel 15

Boekhouding en wettelijke controle

1.   Richtlijn 78/660/EEG en, indien van toepassing, Richtlijnen 83/349/EEG en 86/635/EEG, alsmede Verordening (EG) nr. 1606/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 19 juli 2002 betreffende de toepassing van internationale standaarden voor jaarrekeningen (27), zijn van overeenkomstige toepassing op betalingsinstellingen.

2.   Tenzij zij krachtens Richtlijn 78/660/EEG en, indien van toepassing, Richtlijn 83/349/EEG of 86/635/EEG van die verplichting ontheven zijn, worden de jaarrekeningen en geconsolideerde jaarrekeningen van betalingsinstellingen gecontroleerd door wettelijke auditors of auditkantoren in de zin van Richtlijn 2006/43/EG.

3.   Met het oog op toezicht schrijven de lidstaten voor dat betalingsinstellingen afzonderlijke boekhoudkundige gegevens verstrekken voor de in de bijlage genoemde betalingsdiensten en voor de werkzaamheden bedoeld in artikel 16, lid 1, waarover een auditverslag moet worden gemaakt. Het verslag wordt in voorkomend geval door de wettelijke auditors of door een auditkantoor opgesteld.

4.   De in artikel 53 van Richtlijn 2006/48/EG neergelegde verplichtingen zijn, met betrekking tot betalingsdienstwerkzaamheden, van overeenkomstige toepassing op de wettelijke auditor of de auditkantoren van betaalinstellingen.

Artikel 16

Werkzaamheden

1.   Afgezien van het aanbieden van de in de bijlage vermelde betalingsdiensten mogen betalingsinstellingen de volgende werkzaamheden uitoefenen:

a)

het verrichten van operationele en daarmee nauw samenhangende nevendiensten, zoals het zorgen voor de uitvoering van betalingstransacties, valutawisseldiensten, bewaringsactiviteiten en de opslag en verwerking van gegevens;

b)

de exploitatie van betalingssystemen, onverminderd artikel 28;

c)

andere bedrijfswerkzaamheden dan het aanbieden van betalingsdiensten, met inachtneming van de toepasselijke nationale en communautaire wetgeving.

2.   Wanneer betalingsinstellingen overgaan tot het aanbieden van een of meer betalingsdiensten als bedoeld in de bijlage, mogen zij alleen betaalrekeningen aanhouden die uitsluitend voor betalingstransacties wordt gebruikt; geldmiddelen die betalingsinstellingen in verband met het aanbieden van betalingsdiensten van betalingsdienstgebruikers ontvangen, zijn geen deposito’s of andere terugbetaalbare gelden in de zin van artikel 5 van Richtlijn 2006/48/EG, noch elektronisch geld in de zin van artikel 1, lid 3, van Richtlijn 2000/46/EG.

3.   Betalingsinstellingen mogen de in de punten 4, 5 en 7 van de bijlage bedoelde kredieten in verband met betalingsdiensten alleen verlenen indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a)

het krediet is een aanvullend krediet en wordt uitsluitend verstrekt in verband met de uitvoering van een betalingstransactie;

b)

niettegenstaande de nationale voorschriften inzake kredietverlening via creditcards, wordt het in verband met een betaling verleende krediet dat wordt uitbetaald overeenkomstig artikel 10, lid 9, en artikel 25, terugbetaald binnen een korte termijn, die in geen geval meer dan twaalf maanden mag bedragen;

c)

een dergelijk krediet wordt niet verleend uit middelen die zijn ontvangen of die worden aangehouden voor het uitvoeren van toekomstige betalingstransacties;

d)

het eigen vermogen van de betalingsinstelling staat te allen tijde, naar tevredenheid van de toezichthoudende autoriteiten, in redelijke verhouding tot het totale bedrag van het verleende krediet.

4.   Tot de werkzaamheden van betalingsinstellingen behoort niet het in ontvangst nemen van deposito’s of andere terugbetaalbare gelden in de zin van artikel 5 van Richtlijn 2006/48/EG.

5.   Deze richtlijn laat de nationale maatregelen tot uitvoering van Richtlijn 87/102/EEG onverlet. Deze richtlijn laat tevens andere toepasselijke communautaire of nationale wetgeving onverlet betreffende niet door deze richtlijn geharmoniseerde aspecten van de voorwaarden voor kredietverlening aan consumenten overeenkomstig de communautaire wetgeving.

Afdeling 2

Overige vereisten

Artikel 17

Gebruik van agenten, bijkantoren of instellingen waaraan werkzaamheden worden uitbesteed

1.   Een betalingsinstelling die voornemens is betalingsdiensten aan te bieden via een agent, verstrekt de bevoegde autoriteiten van haar lidstaat van herkomst de volgende informatie:

a)

naam en adres van de agent;

b)

een beschrijving van de interne controlemechanismen die door de agenten zullen worden gebruikt om de in Richtlijn 2005/60/EG neergelegde verplichtingen in verband met het witwassen van geld en terrorismefinanciering na te komen, en

c)

de identiteit van de bestuurders en de personen die verantwoordelijk zijn voor het beleid van de agent die bij het aanbieden van betalingsdiensten wordt gebruikt, alsmede het bewijs dat zij betrouwbaar en deskundig zijn.

2.   Wanneer de bevoegde autoriteiten overeenkomstig lid 1 de gegevens ontvangen, mogen zij de agent inschrijven in het krachtens artikel 13 aangelegde register.

3.   Indien de bevoegde autoriteiten overwegen dat de hun verstrekte gegevens incorrect zijn, kunnen zij maatregelen treffen om de gegevens te verifiëren alvorens zij de agent in het register inschrijven.

4.   Indien de bevoegde autoriteiten er na het verifiëren van de gegevens niet van overtuigd zijn dat de uit hoofde van lid 1 verstrekte gegevens correct zijn, weigeren zij de agent in te schrijven in het krachtens artikel 13 aangelegde register.

5.   Een betalingsinstelling die in een andere lidstaat betalingsdiensten wenst uit te voeren door een agent in te schakelen, volgt de in artikel 25 vastgestelde procedure. Voordat de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst krachtens het onderhavige artikel een agent in het register inschrijven, stellen zij de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst van dat voornemen in kennis en houden zij rekening met het standpunt van laatstgenoemde.

6.   Indien de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst goede redenen hebben om te vermoeden dat, in verband met de voorgenomen inschakeling van de agent of de voorgenomen vestiging van het bijkantoor, geld wordt of werd witgewassen of dat gepoogd wordt of gepoogd werd geld wit te wassen of terrorisme te financieren in de zin van Richtlijn 2005/60/EG, of dat de inschakeling van zo’n agent of vestiging van dergelijk bijkantoor het risico op witwassen van geld of financiering van terrorisme zou verhogen, stellen zij de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst daarvan in kennis, die vervolgens kunnen weigeren de agent of het bijkantoor in het register in te schrijven of, indien de registerinschrijving van de agent of het bijkantoor reeds heeft plaatsgevonden, deze kunnen doorhalen.

7.   Wanneer een betalingsinstelling voornemens is operationele taken van betalingsdiensten uit te besteden, stelt zij de bevoegde autoriteiten van haar lidstaat van herkomst daarvan in kennis.

Uitbesteding van belangrijke operationele taken mag niet wezenlijk afbreuk doen aan de kwaliteit van de interne controle van de betalingsinstelling en aan het vermogen van de bevoegde autoriteiten om te controleren of de betalingsinstelling alle verplichtingen uit hoofde van deze richtlijn nakomt.

Voor de toepassing van de tweede alinea wordt een operationele taak als belangrijk aangemerkt indien een gebrekkige of tekortschietende uitvoering ervan wezenlijk afbreuk zou doen de voortdurende inachtneming door een betalingsinstelling van de vergunningsvereisten van deze titel of van andere verplichtingen waaraan zij uit hoofde van deze richtlijn onderworpen is, voor haar financiële resultaten of voor de soliditeit of continuïteit van haar betalingsdiensten. De lidstaten zorgen ervoor dat betalingsinstellingen bij de uitbesteding van belangrijke operationele taken aan de volgende voorwaarden voldoen:

a)

de uitbesteding leidt er niet toe dat de hoogste leiding haar verantwoordelijkheid delegeert;

b)

de relatie en verplichtingen van de betalingsinstelling jegens haar cliënten uit hoofde van deze richtlijn worden niet gewijzigd;

c)

de voorwaarden waaraan de betalingsinstelling moet voldoen om overeenkomstig deze titel een vergunning te verkrijgen, en om deze behouden, worden niet ondermijnd, en

d)

geen van de andere voorwaarden waaronder de vergunning aan de betalingsinstelling is verleend, wordt opgeheven of gewijzigd.

8.   Betalingsinstellingen zorgen ervoor dat agenten of bijkantoren die voor hun rekening handelen, de betalingsdienstgebruikers daarvan in kennis stellen.

Artikel 18

Aansprakelijkheid

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat betalingsinstellingen die een beroep doen op derden voor de uitvoering van operationele taken, redelijke maatregelen nemen om te zorgen dat aan de vereisten van deze richtlijn wordt voldaan.

2.   De lidstaten schrijven voor dat betalingsinstellingen volledig aansprakelijk blijven voor alle handelingen van hun werknemers, of van agenten, bijkantoren of instellingen waaraan werkzaamheden zijn uitbesteed.

Artikel 19

Bijhouden van gegevens

De lidstaten schrijven voor dat betalingsinstellingen voor de toepassing van deze titel gedurende ten minste vijf jaar alle nodige gegevens bijhouden, onverminderd Richtlijn 2005/60/EG of andere toepasselijke communautaire of nationale wetgeving.

Afdeling 3

Bevoegde autoriteiten en toezicht

Artikel 20

Aanwijzing van bevoegde autoriteiten

1.   De lidstaten wijzen ofwel overheidsinstanties, ofwel lichamen die erkend zijn bij de nationale wetgeving of door overheidsinstanties die bij de nationale wetgeving daartoe uitdrukkelijk zijn gemachtigd, inclusief nationale centrale banken, aan als de bevoegde autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor het verlenen van een vergunning aan en het uitoefenen van bedrijfseconomisch toezicht op betalingsinstellingen die de taken waarin deze titel voorziet moeten uitoefenen.

De bevoegde autoriteiten zijn zodanig dat onafhankelijkheid van economische organisaties wordt gegarandeerd en dat belangenconflicten worden vermeden. Onverminderd de eerste alinea, worden betalingsinstellingen, kredietinstellingen, instellingen voor elektronisch geld of postscheque- en girodiensten niet aangewezen als bevoegde autoriteiten.

De lidstaten stellen de Commissie van deze aanwijzing in kennis.

2.   De lidstaten zien erop toe dat de overeenkomstig lid 1 aangewezen bevoegde autoriteiten alle bevoegdheden bezitten die nodig zijn voor de vervulling van hun taken.

3.   De lidstaten zorgen ervoor dat wanneer op hun grondgebied meer dan een autoriteit bevoegd is voor de onder deze titel vallende aangelegenheden, deze autoriteiten nauw samenwerken zodat zij hun respectieve taken effectief kunnen uitvoeren. Hetzelfde geldt wanneer de voor de onder deze titel vallende aangelegenheden bevoegde autoriteiten niet de bevoegde autoriteiten zijn die verantwoordelijk zijn voor het toezicht op kredietinstellingen.

4.   De in lid 1 genoemde taken van de bevoegde autoriteiten vallen onder de verantwoordelijkheid van de overeenkomstig lid 1 aangewezen bevoegde autoriteiten.

5.   Lid 1 strekt er niet toe dat de bevoegde autoriteiten gehouden zijn toezicht uit te oefenen op andere werkzaamheden van de betalingsinstellingen dan de verlening van de in de bijlage genoemde betalingsdiensten en de werkzaamheden vermeld in artikel 16, lid 1, onder a).

Artikel 21

Toezicht

1.   De lidstaten zien erop toe dat de controles die door de bevoegde autoriteiten worden uitgevoerd om na te gaan of het bepaalde in deze titel doorlopend wordt nageleefd, evenredig, en passend zijn en aansluiten bij de risico’s waaraan betalingsinstellingen zijn blootgesteld.

Om na te gaan of het bepaalde in deze titel wordt nageleefd, zijn de bevoegde autoriteiten gerechtigd de volgende maatregelen te nemen, in het bijzonder:

a)

van de betalingsinstelling verlangen dat zij alle gegevens verstrekt die zij nodig hebben om toezicht te houden op de naleving;

b)

inspecties ter plaatse te verrichten bij de betalingsinstelling, bij agenten en bij bijkantoren die betalingsdiensten aanbieden onder de verantwoordelijkheid van de betalingsinstelling, of bij entiteiten waaraan taken zijn uitbesteed;

c)

aanbevelingen, richtsnoeren en, voor zover van toepassing, bindende administratieve maatregelen uit te vaardigen, en

d)

in de in artikel 12 bedoelde gevallen de vergunning op te schorten of in te trekken.

2.   Onverminderd de voor de intrekking van de vergunning geldende procedures en de bepalingen van het strafrecht, bepalen de lidstaten dat hun respectieve bevoegde autoriteiten tegen betalingsinstellingen of tegen de personen die de feitelijke zeggenschap over de bedrijfswerkzaamheden van betalingsinstellingen uitoefenen, wanneer die de wettelijke of bestuursrechtelijke voorschriften inzake het toezicht op of de uitoefening van hun betalingsdienstenbedrijf overtreden, sancties kunnen uitspreken of maatregelen kunnen treffen welke beogen een eind te maken aan de geconstateerde overtredingen of de oorzaken daarvan weg te nemen.

3.   Onverminderd het bepaalde in artikel 6, artikel 7, leden 1 en 2 en artikel 8, zien de lidstaten erop toe dat de bevoegde autoriteiten de in lid 1 van dit artikel omschreven maatregelen kunnen nemen om ervoor te zorgen dat betalingsdiensten over voldoende kapitaal beschikken, met name wanneer de niet met betalingsdiensten verband houdende activiteiten van de betalingsinstelling afbreuk doen of dreigen te doen aan de financiële soliditeit van de betalingsinstelling.

Artikel 22

Beroepsgeheim

1.   De lidstaten zien erop toe dat alle personen die voor de bevoegde autoriteiten werkzaam zijn of zijn geweest, alsmede deskundigen die in opdracht van de bevoegde autoriteiten handelen, aan het beroepsgeheim zijn gebonden, zulks onverminderd de gevallen die onder het strafrecht vallen.

2.   Bij de uitwisseling van informatie in overeenstemming met artikel 24 wordt strikt de hand gehouden aan het beroepsgeheim ter bescherming van individuele en zakelijke rechten.

3.   Bij de toepassing van dit artikel kunnen de lidstaten mutatis mutandis rekening houden met de artikelen 44 tot en met 52 van Richtlijn 2006/48/EG.

Artikel 23

Beroep op de rechter

1.   De lidstaten zien erop toe dat beroep op de rechter mogelijk is tegen besluiten die de bevoegde autoriteiten jegens een betalingsinstelling nemen uit hoofde van wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die overeenkomstig deze richtlijn zijn vastgesteld.

2.   Lid 1 is ook van toepassing in geval van nalatigheid.

Artikel 24

Uitwisseling van informatie

1.   De bevoegde autoriteiten van de verschillende lidstaten werken onderling samen en in voorkomend geval met de Europese Centrale Bank en de nationale centrale banken van de lidstaten en met andere relevante, krachtens op betalingsdienstaanbieders toepasselijke communautaire of nationale wetgeving aangewezen bevoegde autoriteiten.

2.   De lidstaten staan tevens toe dat informatie wordt uitgewisseld tussen hun bevoegde autoriteiten en de volgende instanties:

a)

de bevoegde autoriteiten van een andere lidstaat die verantwoordelijk zijn voor de vergunningverlening aan en het toezicht op betalingsinstellingen;

b)

de Europese Centrale Bank en de nationale centrale banken van de lidstaten, in hun hoedanigheid van monetaire en toezichthoudende autoriteit, alsook, in voorkomend geval, andere overheidsinstanties die met het toezicht op betalings- en afwikkelingssystemen belast zijn;

c)

andere relevante instanties die zijn aangewezen krachtens deze richtlijn, Richtlijn 95/46/EG, Richtlijn 2005/60/EG en krachtens andere op betalingsdienstaanbieders toepasselijke Gemeenschapswetgeving, zoals wetgeving voor de bescherming van personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens, en ter bestrijding van het witwassen van geld en terrorismefinanciering.

Artikel 25

Uitoefening van het recht tot vestiging en het recht tot het vrij verrichten van diensten

1.   Elke vergunninghoudende betalingsinstelling die voor de eerste maal betalingsdiensten in een andere lidstaat dan haar lidstaat van herkomst wil aanbieden op grond van het recht tot vestiging of het recht tot het vrij verrichten van diensten, stelt de bevoegde autoriteiten van haar lidstaat van herkomst daarvan in kennis.

Binnen een maand na ontvangst van deze kennisgeving stellen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst in kennis van de naam en het adres van de betalingsinstelling, de namen van de managers van het bijkantoor, de organisatiestructuur, en van de aard van de betalingsdiensten die deze instelling voornemens is op het grondgebied van de lidstaat van ontvangst aan te bieden.

2.   Teneinde, ten aanzien van een agent, een bijkantoor of een entiteit waaraan taken zijn uitbesteed, van een betalingsinstelling op het grondgebied van een andere lidstaat, de controles te verrichten en de maatregelen te nemen waarin artikel 21 voorziet, werkt de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst met de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst samen.

3.   In het kader van de samenwerking in overeenstemming met de leden 1 en 2 waarschuwt de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst telkens als zij een inspectie ter plaatse op het grondgebied van deze laatste beoogt te verrichten.

Indien beide autoriteiten dit wensen, kan de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst de taak om inspecties ter plaatse bij de betrokken instelling te verrichten, evenwel aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst delegeren.

4.   De bevoegde autoriteiten verschaffen elkaar alle essentiële en/of relevante informatie, in het bijzonder wanneer er sprake is van inbreuken of van vermoedelijke inbreuken door een agent of een bijkantoor of een entiteit waaraan taken zijn uitbesteed. Daartoe geven zij op verzoek alle relevante informatie en verstrekken zij op eigen initiatief alle essentiële informatie.

5.   De leden 1 tot en met 4 gelden onverminderd de verplichting van de bevoegde autoriteiten uit hoofde van Richtlijn 2005/60/EG en Verordening (EG) nr. 1781/2006, met name artikel 37, lid 1, van Richtlijn 2005/60/EG en artikel 15, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1781/2006, om erop toe te zien of te controleren dat de voorschriften van die wetsbesluiten worden nageleefd.

Afdeling 4

Ontheffing

Artikel 26

Voorwaarden

1.   Onverminderd artikel 13 kunnen de lidstaten geheel of gedeeltelijk ontheffing verlenen of toestaan dat hun bevoegde autoriteiten geheel of gedeeltelijk ontheffing verlenen van de toepassing van de procedure en de voorwaarden, vastgesteld in de afdelingen 1 tot en met 3, met uitzondering van artikel 20, 22, 23 en 24, en toestaan dat natuurlijke of rechtspersonen in het krachtens artikel 13 aangelegde register worden ingeschreven, wanneer:

a)

het gemiddelde van het totale bedrag van de betalingstransacties die de betrokkene de voorafgaande twaalf maanden heeft verricht, met inbegrip van die van agenten waarvoor hij volledig aansprakelijk is, niet hoger is dan 3 miljoen EUR per maand; dit vereiste wordt beoordeeld op basis van de in het programma van werkzaamheden begrote totale bedrag aan betalingstransacties, tenzij de bevoegde autoriteiten een aanpassing van dit programma verlangen, en

b)

geen van de met de leiding of de exploitatie van het betalingsdienstenbedrijf belaste natuurlijke personen veroordeeld is wegens strafbare feiten in verband met het witwassen van geld, terrorismefinanciering of andere financiële misdrijven.

2.   Van een natuurlijke of rechtspersoon met een registerinschrijving overeenkomstig lid 1 wordt verlangd dat hij zijn hoofdkantoor of vestigingsplaats heeft in de lidstaat waar hij zijn werkzaamheden feitelijk ontplooit.

3.   De in lid 1 bedoelde personen worden behandeld als betalingsinstellingen. Artikel 10, lid 9, en artikel 25 zijn echter niet op hen van toepassing.

4.   De lidstaten kunnen ook bepalen dat een natuurlijke of rechtspersoon met een registerinschrijving overeenkomstig lid 1 alleen sommige van de in artikel 16 opgesomde activiteiten mag ontplooien.

5.   De in lid 1 bedoelde personen stellen de bevoegde autoriteiten in kennis van elke verandering in hun situatie die relevant is voor de in genoemd lid gespecificeerde voorwaarde. De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de personen in kwestie, wanneer de in de leden 1, 2 en 4 gestelde voorwaarden niet langer vervuld zijn, binnen 30 kalenderdagen een vergunning aanvragen volgens de procedure van artikel 10.

6.   Dit artikel is niet van toepassing ten aanzien van de bepalingen van Richtlijn 2005/60/EG of ten aanzien van nationale bepalingen inzake witwasbestrijding.

Artikel 27

Kennisgeving en informatieverstrekking

Indien een lidstaat van de bij artikel 26 geboden ontheffingsmogelijkheid gebruikmaakt, stelt hij de Commissie uiterlijk 1 november 2009 daarvan in kennis en deelt hij de Commissie onverwijld elke latere wijziging mee. Voorts stelt de lidstaat de Commissie in kennis van het aantal betrokken natuurlijke en rechtspersonen en doet hij haar jaarlijks mededeling van de het totale bedrag van de betalingsdiensten die op 31 december van elk kalenderjaar zijn verricht, als bedoeld in artikel 26, lid 1, onder a).

HOOFDSTUK 2

Gemeenschappelijke bepalingen

Artikel 28

Toegang tot betalingssystemen

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat de regels voor de toegang van vergunninghoudende en in het register ingeschreven betalingsdienstaanbieders die rechtspersonen zijn tot betalingssystemen objectief, niet-discriminerend en evenredig zijn en de toegang niet sterker belemmeren dan nodig is voor de bescherming tegen specifieke risico’s zoals afwikkelingsrisico, exploitatierisico en bedrijfsrisico, en de bescherming van de financiële en operationele stabiliteit van het betalingssysteem.

Betalingssystemen mogen aan betalingsdienstaanbieders, betalingsdienstgebruikers of andere betalingssystemen in geen geval de volgende eisen opleggen:

a)

regels die effectieve deelneming aan andere betalingssystemen belemmeren;

b)

een regel die discrimineert tussen vergunninghoudende betalingsdienstaanbieders, of tussen betalingsdienstaanbieders met een registerinschrijving wat de rechten, plichten en aanspraken van deelnemers betreft, of

c)

enigerlei beperking op grond van de institutionele status.

2.   Lid 1 is niet van toepassing op:

a)

betalingssystemen die zijn aangewezen krachtens Richtlijn 98/26/EG;

b)

betalingssystemen welke uitsluitend bestaan uit betalingsdienstaanbieders die behoren tot een groep bestaande uit door kapitaalbanden verbonden entiteiten waarbij een van de verbonden entiteiten effectieve zeggenschap over de andere verbonden entiteiten heeft, en

c)

betalingssystemen waarbij de enige betalingsdienstaanbieder (een entiteit of groep):

optreedt als, of kan optreden als de betalingsdienstaanbieder voor zowel de betaler als de begunstigde, en is exclusief belast is met de bedrijfsvoering van het systeem, en

een vergunning verleent aan andere betalingsdienstaanbieders om deel te nemen aan het systeem, waarbij laatstgenoemden niet het recht hebben om met of onder elkaar vergoedingen te bedingen met betrekking tot het betalingssysteem, maar zij hun eigen prijzen mogen vaststellen ten aanzien van de betalers en de begunstigden.

Artikel 29

Verbod voor andere personen dan betalingsdienstaanbieders om betalingsdiensten aan te bieden

De lidstaten verbieden dat natuurlijke of rechtspersonen die noch betalingsdienstaanbieders zijn, noch uitdrukkelijk buiten de werkingssfeer van deze richtlijn zijn gelaten, de in de bijlage vermelde betalingsdiensten aanbieden.

TITEL III

TRANSPARANTIE VAN AAN BETALINGSDIENSTEN VERBONDEN VOORWAARDEN EN INFORMATIEVEREISTEN

HOOFDSTUK 1

Algemene bepalingen

Artikel 30

Toepassingsgebied

1.   Deze titel is van toepassing op eenmalige betalingstransacties, op raamcontracten en op de daaronder vallende betalingstransacties. De partijen kunnen overeenkomen dat deze titel in het geheel of ten dele niet van toepassing is wanneer de betalingsdienstgebruiker geen consument is.

2.   De lidstaten mogen bepalen dat de bepalingen van deze titel op micro-ondernemingen op dezelfde wijze worden toegepast als op consumenten.

3.   Deze richtlijn laat nationale maatregelen ter uitvoering van Richtlijn 87/102/EEG onverlet. Deze richtlijn laat ook andere toepasselijke communautaire of nationale wetgeving onverlet met betrekking tot de niet bij deze richtlijn geharmoniseerde aspecten van de voorwaarden voor kredietverlening aan consumenten overeenkomstig het Gemeenschapsrecht.

Artikel 31

Andere bepalingen in Gemeenschapswetgeving

Deze titel doet geen afbreuk aan Gemeenschapswetgeving waarbij nog andere vereisten inzake voorafgaande informatie worden opgelegd.

Voor zover evenwel ook Richtlijn 2002/65/EG van toepassing is, worden de informatievereisten van artikel 3, lid 1, van die richtlijn, met uitzondering van punt 2, onder c) tot en met g), punt 3, onder a), d) en e), en punt 4, onder b), van dat lid vervangen door de artikelen 36, 37, 41 en 42 van de onderhavige richtlijn.

Artikel 32

Kosten voor informatie

1.   De betalingsdienstaanbieder mag de betalingsdienstgebruiker geen kosten aanrekenen voor krachtens deze titel verstrekte informatie.

2.   De betalingsdienstaanbieder en de betalingsdienstgebruiker kunnen overeenkomen dat kosten worden aangerekend voor door de betalingsdienstgebruiker gevraagde aanvullende of frequenter of met andere communicatiemiddelen verstrekte informatie dan in het raamcontract is bepaald.

3.   Kosten die de betalingsdienstaanbieder krachtens lid 2 mag aanrekenen zijn passend en in overeenstemming met de kosten die de betalingsdienstaanbieder feitelijk heeft gemaakt.

Artikel 33

Bewijslast inzake informatievereisten

De lidstaten kunnen bepalen dat de bewijslast ten bewijze van de naleving van de informatievereisten uit hoofde van deze titel bij de betalingsdienstaanbieder ligt.

Artikel 34

Derogatie van informatievereisten voor instrumenten voor de betaling van kleine bedragen en elektronisch geld

1.   Met betrekking tot betaalinstrumenten die overeenkomstig het raamcontract uitsluitend worden gebruikt voor afzonderlijke betalingstransacties van maximaal 30 EUR, met een uitgavenlimiet van 150 EUR of waarop maximaal een bedrag van 150 EUR tegelijk kan worden opgeslagen:

a)

in afwijking van de artikelen 41, 42 en 46 verstrekt de betalingsdienstaanbieder de betaler uitsluitend informatie over de voornaamste kenmerken van de betalingsdienst, met inbegrip van de wijze waarop van het betaalinstrument gebruik kan worden gemaakt, de aansprakelijkheid, alle in rekening gebrachte kosten en andere belangrijke informatie die nodig is om een weloverwogen besluit te nemen, en geeft hij tevens aan waar andere in artikel 42 bedoelde informatie en voorwaarden op gemakkelijk toegankelijke wijze beschikbaar zijn gesteld;

b)

overeengekomen kan worden dat, in afwijking van artikel 44, de betalingsdienstaanbieder niet verplicht is wijzigingen in de voorwaarden van het raamcontract voor te stellen op de wijze als bepaald in artikel 41, lid 1;

c)

overeengekomen kan worden dat in afwijking van de artikelen 47 en 48, na uitvoering van een betalingstransactie:

i)

de betalingsdienstaanbieder uitsluitend een referentie verstrekt of beschikbaar stelt waarmee de gebruiker van de betalingsdienst de betalingstransactie, het daarmee gemoeide bedrag en de kosten ervan kan identificeren, en/of in het geval van verschillende gelijkaardige betalingstransacties aan dezelfde begunstigde, uitsluitend informatie over het totale bedrag en de kosten van deze betalingstransacties;

ii)

de betalingsdienstaanbieder niet verplicht is de onder i) bedoelde informatie te verstrekken of beschikbaar te stellen als het betaalinstrument anoniem wordt gebruikt of als de verstrekking hiervan voor de betalingsdienstaanbieder uit technisch oogpunt onmogelijk is. De betalingsdienstaanbieder biedt de betaler echter een mogelijkheid de opgeslagen bedragen te verifiëren.

2.   Voor nationale betalingstransacties mogen de lidstaten of hun bevoegde autoriteiten de in lid 1 genoemde bedragen verlagen of verdubbelen. Voor voorafbetaalde betaalinstrumenten mogen de lidstaten die bedragen verhogen tot 500 EUR.

HOOFDSTUK 2

Eenmalige betalingstransacties

Artikel 35

Toepassingsgebied

1.   Dit hoofdstuk is van toepassing op eenmalige betalingstransacties die niet onder een raamcontract vallen.

2.   Wanneer een betalingsopdracht voor een eenmalige betalingstransactie wordt doorgegeven via een onder een raamcontract vallend betaalinstrument, is de betalingsdienstaanbieder niet verplicht informatie te verstrekken of beschikbaar te stellen die reeds uit hoofde van een raamcontract met een andere betalingsdienstaanbieder aan de betalingsdienstgebruiker is verstrekt of volgens het raamcontract aan hem zal worden verstrekt.

Artikel 36

Algemene voorlichting vooraf

1.   De lidstaten schrijven voor dat de betalingsdienstaanbieder, voordat de betalingsdienstgebruiker door een contract of een aanbod betreffende een eenmalige betalingstransactie gebonden is, hem op gemakkelijk toegankelijke wijze dein artikel 37 bedoelde informatie en voorwaarden ter beschikking moet stellen. Op verzoek van de betalingsdienstgebruiker verstrekt de betalingsdienstaanbieder hem de informatie en voorwaarden op papier of op een andere duurzame drager. De informatie en voorwaarden worden in gemakkelijk te begrijpen bewoordingen en in duidelijke en bevattelijke vorm verstrekt in een officiële taal van de lidstaat waar de betalingsdienst wordt aangeboden of in een andere taal die tussen de partijen is overeengekomen.

2.   Indien het contract betreffende een eenmalige betalingstransactie op verzoek van de betalingsdienstgebruiker is gesloten met gebruikmaking van een techniek voor communicatie op afstand welke het de betalingsdienstaanbieder onmogelijk maakt zich aan lid 1 te houden, voldoet deze onmiddellijk na de uitvoering van de betalingstransactie aan zijn verplichtingen uit hoofde van genoemd lid.

3.   De verplichtingen uit hoofde van lid 1 kunnen ook worden nagekomen door het verstrekken van een exemplaar van het ontwerpcontract betreffende een eenmalige betalingstransactie of de ontwerpbetalingsopdracht waarin de in artikel 37 bedoelde informatie en voorwaarden zijn opgenomen.

Artikel 37

Informatie en voorwaarden

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat de volgende informatie en voorwaarden aan de betalingsdienstgebruiker worden verstrekt of ter beschikking worden gesteld:

a)

gedetailleerde informatie of unieke identificator die door de betalingsdienstgebruiker moet worden verstrekt opdat een betalingsopdracht correct kan worden uitgevoerd;

b)

de maximale uitvoeringstermijn voor de aangeboden betalingsdienst;

c)

alle kosten die door de betalingsdienstgebruiker aan zijn betalingsdienstaanbieder verschuldigd zijn en, voor zover van toepassing, de uitsplitsing van de bedragen van eventuele kosten;

d)

voor zover van toepassing, de bij de betalingstransactie toe te passen feitelijke of referentiewisselkoers.

2.   Voor zover van toepassing moeten de overige in artikel 42 bedoelde informatie en voorwaarden op gemakkelijk toegankelijke wijze aan de betalingsdienstgebruiker ter beschikking worden gesteld.

Artikel 38

Informatie aan de betaler na ontvangst van de betalingsopdracht

Onmiddellijk na de ontvangst van de betalingsopdracht wordt de volgende informatie door de betalingsdienstaanbieder van de betaler op dezelfde wijze als in artikel 36, lid 1, is bepaald, aan de betaler verstrekt of ter beschikking gesteld:

a)

een referentie aan de hand waarvan de betaler kan uitmaken om welke betalingstransactie het gaat, en, in voorkomend geval, de informatie betreffende de begunstigde;

b)

het bedrag van de betalingstransactie in de in de betalingsopdracht gebruikte valuta;

c)

het bedrag van de voor de betalingstransactie door de betaler verschuldigde kosten en, voor zover van toepassing, de uitsplitsing van de bedragen van dergelijke kosten;

d)

voor zover van toepassing, de door de betalingsdienstaanbieder van de betaler bij de betalingstransactie gehanteerde wisselkoers, of een desbetreffende referentie, indien deze verschilt van de overeenkomstig artikel 37, lid 1, onder d), aangeboden wisselkoers, en het bedrag van de betalingstransactie na die valutawissel; en

e)

de datum van ontvangst van de betalingsopdracht.

Artikel 39

Informatie aan de begunstigde na uitvoering

Onmiddellijk na de uitvoering van de betalingstransactie wordt de volgende informatie door de betalingsdienstaanbieder van de begunstigde op dezelfde wijze als in artikel 36, lid 1, is bepaald, aan de begunstigde verstrekt of ter beschikking gesteld:

a)

de referentie aan de hand waarvan de begunstigde kan uitmaken om welke betalingstransactie en, in voorkomend geval, om welke betaler het gaat, en alle bij de betalingstransactie gevoegde informatie;

b)

het bedrag van de betalingstransactie, in de valuta waarin de geldmiddelen ter beschikking van de begunstigde worden gesteld;

c)

het bedrag van de voor de betalingstransactie door de begunstigde verschuldigde kosten en, voor zover van toepassing, de uitsplitsing van de bedragen van dergelijke kosten;

d)

voor zover van toepassing, de door de betalingsdienstaanbieder van de begunstigde bij de betalingstransactie gehanteerde wisselkoers, en het bedrag van de betalingstransactie vóór die valutawissel, en

e)

de valutadatum van de creditering.

HOOFDSTUK 3

Raamcontracten

Artikel 40

Toepassingsgebied

Dit hoofdstuk is van toepassing op betalingstransacties die onder een raamcontract vallen.

Artikel 41

Algemene voorlichting vooraf

1.   De lidstaten schrijven voor dat de betalingsdienstaanbieder, ruimschoots voordat de betalingsdienstgebruiker door een raamcontract of aanbod gebonden is, hem op papier of op een andere duurzame drager de in artikel 42 bedoelde informatie en voorwaarden verstrekken. De informatie en voorwaarden worden in gemakkelijk te begrijpen bewoordingen en in duidelijke en bevattelijke vorm verstrekt in een officiële taal van de lidstaat waar de betalingsdienst wordt aangeboden of in een andere taal die door de partijen is overeengekomen.

2.   Wanneer het raamcontract op verzoek van de betalingsdienstgebruiker is gesloten met gebruikmaking van een techniek voor communicatie op afstand welke het de betalingsdienstaanbieder onmogelijk maakt zich aan lid 1 te houden, voldoet deze onmiddellijk na de sluiting van het raamcontract aan zijn verplichtingen uit hoofde van dat lid.

3.   De verplichtingen uit hoofde van lid 1 kunnen ook worden nagekomen door het verstrekken van een exemplaar van het ontwerpraamcontract waarin de in artikel 42 bedoelde informatie en voorwaarden zijn opgenomen.

Artikel 42

Mededeling van de voorwaarden

De lidstaten zorgen ervoor dat de volgende informatie en voorwaarden aan de betalingsdienstgebruiker worden verstrekt:

1.

betalingsdienstaanbieder:

a)

de naam van de betalingsdienstaanbieder, het geografische adres van zijn hoofdkantoor en, in voorkomend geval, het geografische adres van zijn agent of bijkantoor in de lidstaat waar de betalingsdienst wordt aangeboden, en enig ander adres, inclusief e-mailadres, dat relevant is voor de communicatie met de betalingsdienstaanbieder, en

b)

de gegevens betreffende de relevante toezichthoudende autoriteiten en betreffende het krachtens artikel 13 ingestelde register of een ander relevant openbaar register waarin de betalingsdienstaanbieder met het oog op zijn vergunning is ingeschreven en het registratienummer of gelijkaardig middel waarmee de registerinschrijvingen gecontroleerd kunnen worden;

2.

gebruik van een betalingsdienst:

a)

een beschrijving van de voornaamste kenmerken van de aan te bieden betalingsdienst;

b)

de gedetailleerde informatie of de unieke identificator die door de betalingsdienstgebruiker moet worden verstrekt opdat een betalingsopdracht correct kan worden uitgevoerd;

c)

de vorm waarin en de procedure volgens welke de instemming met het uitvoeren van een betalingstransactie wordt verstrekt, respectievelijk wordt ingetrokken, overeenkomstig de artikelen 54 en 66;

d)

een referentie aan het in artikel 64 omschreven tijdstip van ontvangst van een betalingsopdracht en aan het eventueel door de betalingsdienstaanbieder bepaalde uiterste tijdstip;

e)

de maximumuitvoeringstermijn voor de aangeboden betalingsdiensten, en

f)

de vermelding of de mogelijkheid bestaat uitgavenlimieten voor het gebruik van het betaalinstrument overeenkomstig artikel 55, lid 1, overeen te komen;

3.

kosten en rentevoet en wisselkoers:

a)

alle kosten die door de betalingsdienstgebruiker aan zijn betalingsdienstaanbieder verschuldigd zijn en, voor zover van toepassing, de uitsplitsing van de bedragen van eventuele kosten;

b)

voor zover van toepassing, de toe te passen rentevoet en wisselkoers, of, indien de referentierentevoet en -wisselkoers te hanteren zijn, de wijze van berekening van de feitelijke interesten en de relevante datum en de index of basis voor de vaststelling van die referentierentevoet of -wisselkoers, en

c)

indien overeengekomen, de onmiddellijke toepassing van wijzigingen in de referentierentevoet of -wisselkoers en de informatievereisten met betrekking tot de wijzigingen overeenkomstig artikel 44, lid 2;

4.

communicatie:

a)

voor zover van toepassing, de technieken voor communicatie, met inbegrip van de technische vereisten van de apparatuur van de betalingsdienstgebruiker, zoals tussen de partijen voor de mededeling van informatie en kennisgevingen overeenkomstig deze richtlijn overeengekomen;

b)

de wijze waarop en de frequentie waarmee informatie krachtens deze richtlijn moet worden verstrekt of ter beschikking moet worden gesteld;

c)

de taal of talen waarin het raamcontract wordt gesloten en waarin de communicatie gedurende de looptijd van de contractuele betrekking plaatsvindt, en

d)

een vermelding dat de betalingsdienstgebruiker het recht heeft de contractuele voorwaarden van het raamcontract en informatie en voorwaarden overeenkomstig artikel 43 te ontvangen;

5.

beschermende en corrigerende maatregelen:

a)

voor zover van toepassing, een beschrijving van de maatregelen die de betalingsdienstgebruiker moet nemen om de veilige bewaring van een betaalinstrument te waarborgen alsook de wijze waarop de betalingsdienstaanbieder in kennis moet worden gesteld voor de toepassing van artikel 56, lid 1, onder b);

b)

indien overeengekomen, de voorwaarden waaronder de betalingsdienstaanbieder zich het recht voorbehoudt het gebruik van een betaalinstrument te blokkeren overeenkomstig artikel 55;

c)

informatie over de aansprakelijkheid van de betaler overeenkomstig artikel 61, onder vermelding van het relevante bedrag;

d)

op welke wijze en binnen welke termijn de betalingsdienstgebruiker de betalingsdienstaanbieder in kennis moet stellen van een niet-toegestane of foutief uitgevoerde betalingstransactie overeenkomstig artikel 58, onder vermelding van de aansprakelijkheid van de betalingsdienstaanbieder voor niet-toegestane betalingstransacties overeenkomstig artikel 60;

e)

informatie over de aansprakelijkheid van de betalingsdienstaanbieder voor de uitvoering van betalingstransacties overeenkomstig artikel 75, en

f)

de voorwaarden voor terugbetaling overeenkomstig de artikelen 62 en 63;

6.

wijzigingen in en beëindiging van het raamcontract:

a)

indien overeengekomen, de informatie dat de betalingsdienstgebruiker geacht wordt overeenkomstig artikel 44 wijzigingen in de voorwaarden te hebben aanvaard tenzij hij de betalingsdienstaanbieder vóór de voorgestelde datum van inwerkingtreding van die wijzigingen ervan in kennis heeft gesteld dat hij de wijzigingen niet aanvaardt;

b)

de looptijd van het contract, en

c)

een vermelding dat de betalingsdienstgebruiker het recht heeft een raamcontract te beëindigen en alle afspraken met betrekking tot beëindiging overeenkomstig artikel 44, lid 1, en artikel 45;

7.

rechtsmiddelen:

a)

de contractuele bepalingen inzake het op de overeenkomst toepasselijke recht en/of inzake de bevoegde rechter, en

b)

de klachten- en de buitengerechtelijke beroepsprocedures die voor de betalingsdienstgebruiker overeenkomstig de artikelen 80 tot en met 83 openstaan.

Artikel 43

Toegang tot informatie en tot de voorwaarden van het raamcontract

Gedurende de contractuele relatie heeft de betalingsdienstgebruiker te allen tijde het recht de contractuele voorwaarden van het raamcontract alsmede de in artikel 42 vermelde informatie en voorwaarden op papier of op een andere duurzame drager te vragen.

Artikel 44

Wijzigingen in de voorwaarden van het raamcontract

1.   Elke wijziging in het raamcontract en in de in artikel 42 vermelde informatie en voorwaarden wordt uiterlijk twee maanden vóór de datum van de beoogde inwerkingtreding ervan door de betalingsdienstaanbieder voorgesteld op dezelfde wijze als in artikel 41, lid 1, is bepaald.

Voor zover van toepassing overeenkomstig artikel 42, punt 6, onder a), deelt de betalingsdienstaanbieder de betalingsdienstgebruiker mee dat hij wordt geacht deze wijzigingen te hebben aanvaard indien hij de betalingsdienstaanbieder niet vóór de voorgestelde datum van inwerkingtreding van die wijzigingen ervan in kennis heeft gesteld dat hij de wijzigingen niet aanvaardt. In dat geval vermeldt de betalingsdienstaanbieder eveneens dat de betalingsdienstgebruiker het recht heeft het raamcontract onmiddellijk kosteloos te beëindigen voor de datum waarop de voorgestelde wijzigingen van toepassing worden.

2.   Wijzigingen in de rentevoet of de wisselkoers kunnen met onmiddellijke ingang zonder kennisgeving worden toegepast, mits het recht daartoe in het raamcontract is overeengekomen en de wijzigingen gebaseerd zijn op de overeenkomstig artikel 42, punt 3, onder b) en c), overeengekomen referentierentevoet of -wisselkoers. De betalingsdienstgebruiker wordt zo spoedig mogelijk van elke wijziging in de rentevoet in kennis gesteld op dezelfde wijze als in artikel 41, lid 1, is bepaald, tenzij door de partijen is overeengekomen dat de informatie met een specifieke frequentie of op een specifieke wijze moet worden verstrekt of ter beschikking moet worden gesteld. Wijzigingen in de rentevoet of de wisselkoers die ten gunste van de betalingsdienstgebruiker uitvallen, kunnen zonder kennisgeving worden toegepast.

3.   Wijzigingen in de bij betalingstransacties gebruikte rentevoet of wisselkoers worden uitgevoerd en berekend op een neutrale wijze die betalingsdienstgebruikers niet discrimineert.

Artikel 45

Opzegging

1.   De betalingsdienstgebruiker kan het raamcontract te allen tijde beëindigen tenzij door de partijen een opzegtermijn is overeengekomen. Die termijn mag niet langer zijn dan een maand.

2.   Een raamcontract dat voor een termijn van meer dan twaalf maanden of voor onbepaalde duur is gesloten, kan door de betalingsdienstgebruiker na het verstrijken van die termijn van twaalf maanden kosteloos worden beëindigd. In alle andere gevallen zijn de voor beëindiging aan te rekenen kosten passend en in overeenstemming met de feitelijke kosten.

3.   Indien zulks in het raamcontract is overeengekomen, kan de betalingsdienstaanbieder een voor onbepaalde duur gesloten raamcontract beëindigen door op de wijze als bepaald in artikel 41, lid 1, een opzegtermijn van ten minste twee maanden in acht te nemen.

4.   Op gezette tijden aangerekende kosten voor betalingsdiensten zijn slechts naar evenredigheid verschuldigd door de betalingsdienstgebruiker tot de beëindiging van het contract. Indien die kosten vooraf zijn betaald, worden zij naar evenredigheid terugbetaald.

5.   Dit artikel doet geen afbreuk aan de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten betreffende het recht van de partijen om het raamcontract onafdwingbaar of nietig te verklaren.

6.   De lidstaten kunnen in gunstiger bepalingen voor de betalingsdienstgebruikers voorzien.

Artikel 46

Vóór de uitvoering van een afzonderlijke betalingstransactie te verstrekken informatie

In geval van een door de betaler geïnitieerde afzonderlijke betalingstransactie uit hoofde van een raamcontract, verstrekt een betalingsdienstaanbieder op verzoek van de betaler voor deze specifieke betalingstransactie expliciete informatie over de maximum uitvoeringstermijn en de door de betaler verschuldigde kosten en, voor zover van toepassing, de uitsplitsing van de bedragen van eventuele kosten.

Artikel 47

Informatie aan de betaler over afzonderlijke betalingstransacties

1.   Nadat het bedrag van een afzonderlijke betalingstransactie van de rekening van de betaler is gedebiteerd of, indien de betaler geen betaalrekening gebruikt, na de ontvangst van de betalingsopdracht, verstrekt de betalingsdienstaanbieder van de betaler op de wijze als bepaald in artikel 41, lid 1, de betaler onverwijld de volgende informatie:

a)

een referentie aan de hand waarvan de betaler kan uitmaken om welke betalingstransactie het gaat en, in voorkomend geval, de informatie betreffende de begunstigde;

b)

het bedrag van de betalingstransactie in de valuta waarin de betaalrekening van de betaler wordt gedebiteerd of in de voor de betalingsopdracht gebruikte valuta;

c)

het bedrag van de voor de betalingstransactie door de betaler verschuldigde kosten en voor zover van toepassing, de uitsplitsing daarvan, ofwel de aan de betaler aan te rekenen interesten;

d)

voor zover van toepassing, de door de betalingsdienstaanbieder van de betaler bij de betalingstransactie gehanteerde wisselkoers, en het bedrag van de betalingstransactie na die valutawissel, en

e)

de valutadatum van de debitering of de datum van ontvangst van de betalingsopdracht.

2.   Een raamcontract kan de voorwaarde omvatten dat de in lid 1 bedoelde informatie op gezette tijden en ten minste eenmaal per maand moet worden verstrekt of ter beschikking moet worden gesteld op de overeengekomen wijze die de betaler de mogelijkheid biedt informatie ongewijzigd op te slaan en te reproduceren.

3.   De lidstaten mogen echter verlangen dat de betalingsdienstaanbieder eenmaal per maand kosteloos op papier informatie verstrekt.

Artikel 48

Informatie aan de begunstigde over afzonderlijke betalingstransacties

1.   Na de uitvoering van een afzonderlijke betalingstransactie verstrekt de betalingsdienstaanbieder van de begunstigde op de wijze als bepaald in artikel 41, lid 1, de begunstigde onverwijld de volgende informatie:

a)

de referentie aan de hand waarvan de begunstigde kan uitmaken om welke betalingstransactie en, in voorkomend geval, om welke betaler het gaat, en alle bij de betalingstransactie gevoegde informatie;

b)

het bedrag van de betalingstransactie, in de valuta waarin de rekening van de begunstigde wordt gecrediteerd;

c)

het bedrag van de voor de betalingstransactie door de betaler verschuldigde kosten, en voor zover van toepassing de uitsplitsing daarvan, ofwel de aan de begunstigde aan te rekenen interesten;

d)

voor zover van toepassing, de door de betalingsdienstaanbieder van de begunstigde bij de betalingstransactie gehanteerde wisselkoers, en het bedrag van de betalingstransactie vóór die valutawissel, en

e)

de valutadatum van de creditering.

2.   Een raamcontract kan de voorwaarde bevatten dat de in lid 1 bedoelde informatie op gezette tijden en ten minste eenmaal per maand moet worden verstrekt of ter beschikking moet worden gesteld op een overeengekomen wijze die de betaler de mogelijkheid biedt informatie ongewijzigd op te slaan en te reproduceren.

3.   De lidstaten mogen echter verlangen dat de betalingsdienstaanbieder eenmaal per maand kosteloos op papier informatie verstrekt.

HOOFDSTUK 4

Gemeenschappelijke bepalingen

Artikel 49

Valuta en valutawissel

1.   De betalingen vinden plaats in de valuta die tussen de partijen zijn overeengekomen.

2.   Wanneer vóór het initiëren van de betalingstransactie een valutawisseldienst wordt aangeboden en wanneer die valutawisseldienst op het verkooppunt of door de begunstigde wordt aangeboden, stelt de partij die de valutawisseldienst aan de betaler aanbiedt, de betaler in kennis van alle aan te rekenen kosten, alsook van de wisselkoers die bij de omrekening van de betalingstransactie zal worden gehanteerd.

De betaler stemt in met de op deze basis aangeboden valutawisseldienst.

Artikel 50

Informatie over extra kosten of kortingen

1.   Wanneer de begunstigde een vergoeding verlangt of een korting aanbiedt voor het gebruik van een bepaald betaalinstrument, wordt de betaler daarover door de begunstigde ingelicht voordat de betalingstransactie wordt geïnitieerd.

2.   Wanneer een betalingsdienstaanbieder of een derde een vergoeding verlangt voor het gebruik van een bepaald betaalinstrument, licht hij de betalingsdienstgebruiker daarover in voordat de betalingstransactie wordt geïnitieerd.

TITEL IV

RECHTEN EN PLICHTEN MET BETREKKING TOT DE AANBIEDING EN HET GEBRUIK VAN BETALINGSDIENSTEN

HOOFDSTUK 1

Gemeenschappelijke bepalingen

Artikel 51

Toepassingsgebied

1.   Wanneer de betalingsdienstgebruiker geen consument is, kunnen de partijen overeenkomen dat artikel 52, lid 1, artikel 54, lid 2, tweede alinea en de artikelen 59, 61, 62, 63, 66 en 75 in het geheel of ten dele niet van toepassing zijn. De partijen kunnen ook een andere termijn overeenkomen dan die welke is gesteld bij artikel 58.

2.   De lidstaten kunnen bepalen dat artikel 83 niet van toepassing is wanneer de betalingsdienstgebruiker geen consument is.

3.   De lidstaten kunnen bepalen dat de bepalingen van deze titel op micro-ondernemingen op dezelfde wijze worden toegepast als op consumenten.

4.   Deze richtlijn laat Richtlijn 87/102/EEG onverlet. Deze richtlijn laat ook andere toepasselijke communautaire of nationale wetgeving onverlet met betrekking tot de niet bij deze richtlijn geharmoniseerde aspecten van de voorwaarden voor kredietverlening aan consumenten overeenkomstig het Gemeenschapsrecht.

Artikel 52

Toepasselijke kosten

1.   De betalingsdienstaanbieder mag de betalingsdienstgebruiker geen kosten aanrekenen voor het vervullen van zijn informatieverplichtingen of de toepassing van corrigerende of preventieve maatregelen uit hoofde van deze titel, tenzij in artikel 65, lid 1, artikel 66, lid 5, of artikel 74, lid 2, anders is bepaald. De aan te rekenen kosten worden overeengekomen tussen de betalingsdienstgebruiker en de betalingsdienstaanbieder; zij zijn passend en in overeenstemming met de kosten die de betalingsdienstaanbieder feitelijk gemaakt heeft.

2.   Wanneer met een betalingstransactie geen valutawissel gemoeid is, schrijven de lidstaten voor dat de betaler en de begunstigde elk voor zich de door hun respectieve betalingsdienstaanbieder in rekening gebrachte kosten betalen.

3.   De betalingsdienstaanbieder belet niet dat de begunstigde van de betaler een vergoeding vraagt of een korting aanbiedt voor het gebruik van een bepaald betaalinstrument. De lidstaten mogen echter het recht om een vergoeding te verlangen voor met debetkaarten verrichte betalingen ontzeggen of beperken, met inaanmerkingneming van de noodzaak concurrentie en het gebruik van efficiënte betaalinstrumenten aan te moedigen.

Artikel 53

Derogatie voor instrumenten voor de betaling van kleine bedragen en elektronisch geld

1.   Met betrekking tot betaalinstrumenten die overeenkomstig het raamcontract uitsluitend worden gebruikt voor afzonderlijke betalingstransacties van maximaal 30 EUR, met een uitgavenlimiet van 150 EUR of waarop maximaal een bedrag van 150 EUR tegelijk kan worden opgeslagen, kunnen betalingsdienstaanbieders met hun betalingsdienstgebruikers overeenkomen:

a)

dat artikel 56, lid 1, onder b), artikel 57, lid 1, punten c) en d), en artikel 61, leden 4 en 5, niet van toepassing zijn als het betaalinstrument niet kan worden geblokkeerd of verder gebruik ervan niet kan worden geblokkeerd;

b)

dat de artikelen 59, 60 en 61, leden 1 en 2, niet van toepassing zijn als het betaalinstrument anoniem wordt gebruikt of de betalingsdienstaanbieder om andere met het betaalinstrument verband houdende redenen niet het bewijs kan leveren dat de betalingstransactie is geauthentificeerd;

c)

dat in afwijking van artikel 65, lid 1, de betalingsdienstaanbieder niet verplicht is de betalingsdienstgebruiker in kennis te stellen van de weigering van een betalingsopdracht als uit de context duidelijk blijkt dat de opdracht niet is uitgevoerd;

d)

dat in afwijking van artikel 66 de betaler de betalingsopdracht niet kan herroepen nadat hij de betalingsopdracht of de begunstigde heeft ingestemd met de uitvoering van de betalingstransactie;

e)

dat in afwijking van de artikelen 69 en 70, andere uitvoeringstermijnen worden toegepast.

2.   Voor nationale betalingstransacties mogen de lidstaten of hun bevoegde autoriteiten de in lid 1 genoemde bedragen verlagen of verdubbelen. Voor vooraf betaalde betaalinstrumenten mogen zij die bedragen verhogen tot 500 EUR.

3.   De artikelen 60 en 61 zijn ook van toepassing op elektronisch geld in de zin van artikel 1, lid 3, onder b), van Richtlijn 2000/46/EG, tenzij de betalingsdienstaanbieder van de betaler niet de mogelijkheid heeft de rekening of het instrument te blokkeren. De lidstaten kunnen deze derogatie beperken tot rekeningen of instrumenten met een bepaalde waarde.

HOOFDSTUK 2

Toestaan van betalingstransacties

Artikel 54

Instemming en het intrekken van instemming

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat een betalingstransactie pas als toegestaan wordt aangemerkt indien de betaler heeft ingestemd met de uitvoering van de betalingsopdracht. Een betalingstransactie kan voorafgaand aan de uitvoering of, indien overeengekomen door de betaler en zijn betalingsdienstaanbieder, na de uitvoering door de betaler worden toegestaan.

2.   De instemming om een betalingstransactie of een reeks betalingstransacties te doen uitvoeren wordt verleend in de tussen de betaler en zijn betalingsdienstaanbieder overeengekomen vorm.

Bij gebreke van een dergelijke instemming wordt een betalingstransactie als niet toegestaan aangemerkt.

3.   De instemming kan te allen tijde, doch uiterlijk op het tijdstip van het onherroepelijk worden krachtens artikel 66, door de betaler worden ingetrokken. Hetzelfde geldt voor een instemming met de uitvoering van een reeks betalingstransacties, die kan worden ingetrokken met als gevolg dat iedere toekomstige betalingstransactie als niet-toegestaan wordt aangemerkt.

4.   De procedure voor het verlenen van de instemming wordt overeengekomen tussen de betaler en de betalingsdienstaanbieder.

Artikel 55

Restricties op het gebruik van het betaalinstrument

1.   Wanneer voor de mededeling van de instemming van een specifiek betaalinstrument gebruik wordt gemaakt, kunnen de betaler en zijn betalingsdienstaanbieder uitgavenlimieten overeenkomen voor betalingsdiensten die met dat betaalinstrument zijn verricht.

2.   Indien zulks in het raamcontract is overeengekomen, kan de betalingsdienstaanbieder zich het recht voorbehouden een betaalinstrument te blokkeren om objectief gerechtvaardigde redenen die verband houden met de veiligheid van het betaalinstrument, het vermoeden van niet-toegestaan of frauduleus gebruik van het betaalinstrument of, in geval van een betaalinstrument met een kredietlijn, het aanzienlijk toegenomen risico dat de betaler niet in staat is zijn betalingsplicht na te komen.

3.   In dergelijke gevallen informeert de betalingsdienstaanbieder de betaler op de overeengekomen wijze van de blokkering van het betaalinstrument en van de redenen daarvoor, indien mogelijk voordat het betaalinstrument wordt geblokkeerd, en ten laatste onmiddellijk daarna, tenzij dat informeren objectief gerechtvaardigde veiligheidsoverwegingen zou doorkruisen of verboden is krachtens andere toepasselijke communautaire of nationale wetgeving.

4.   De betalingsdienstaanbieder deblokkeert het betaalinstrument of vervangt dit door een nieuw betaalinstrument zodra de redenen voor de blokkering niet langer bestaan.

Artikel 56

Plichten van de betalingsdienstgebruiker met betrekking tot betaalinstrumenten

1.   De betalingsdienstgebruiker die gemachtigd is om een betaalinstrument te gebruiken, voldoet aan de volgende verplichtingen:

a)

hij gebruikt het betaalinstrument overeenkomstig de voorwaarden die op de uitgifte en het gebruik van het betaalinstrument van toepassing zijn, en

b)

hij stelt de betalingsdienstaanbieder, of de door laatstgenoemde gespecificeerde entiteit, onverwijld in kennis wanneer hij zich rekenschap geeft van het verlies, de diefstal of onrechtmatig gebruik van het betaalinstrument of van het niet-toegestane gebruik ervan.

2.   Voor de toepassing van lid 1, onder a), neemt de betalingsdienstgebruiker, zodra hij een betaalinstrument ontvangt, in het bijzonder alle redelijke maatregelen om de veiligheid van de gepersonaliseerde veiligheidskenmerken ervan te waarborgen.

Artikel 57

Plichten van de betalingsdienstaanbieder met betrekking tot betaalinstrumenten

1.   De betalingsdienstaanbieder die het betaalinstrument uitgeeft, voldoet aan de volgende verplichtingen:

a)

hij zorgt ervoor dat de gepersonaliseerde veiligheidskenmerken van een betaalinstrument niet toegankelijk zijn voor andere partijen dan de betalingsdienstgebruiker die gerechtigd is het betaalinstrument te gebruiken, onverminderd de verplichtingen van de betalingsdienstgebruiker overeenkomstig artikel 56;

b)

hij zendt geen ongevraagd betaalinstrument toe, tenzij een betaalinstrument dat reeds aan de betalingsdienstgebruiker verstrekt is, moet worden vervangen;

c)

hij zorgt ervoor dat er te allen tijde passende middelen beschikbaar zijn om de betalingsdienstgebruiker in staat te stellen een kennisgeving krachtens artikel 56, lid 1, onder b), te doen of om deblokkering te verzoeken op grond van artikel 55, lid 4; de betalingsdienstaanbieder verstrekt de betalingsdienstgebruiker desgevraagd de middelen waarmee laatstgenoemde kan bewijzen, tot achttien maanden na de kennisgeving, dat hij een dergelijke kennisgeving heeft gedaan, en

d)

hij belet dat het betaalinstrument nog kan worden gebruikt zodra de kennisgeving overeenkomstig artikel 56, lid 1, onder b), is gedaan.

2.   De betalingsdienstaanbieder draagt het risico van het zenden van een betaalinstrument aan de betaler of het zenden van gepersonaliseerde veiligheidskenmerken ervan.

Artikel 58

Kennisgeving van niet-toegestane of foutieve betalingstransacties

De betalingsdienstgebruiker die zich rekenschap geeft van een niet-toegestane of foutieve betalingstransactie welke aanleiding geeft tot een vordering, met inbegrip van een vordering krachtens artikel 75, verkrijgt alleen rectificatie van zijn betalingsdienstaanbieder indien hij hem onverwijld en uiterlijk dertien maanden na de valutadatum van de debitering kennis geeft van de bewuste transactie, tenzij de betalingsdienstaanbieder, in voorkomend geval, de informatie betreffende die betalingstransactie niet overeenkomstig titel III heeft verstrekt of ter beschikking heeft gesteld.

Artikel 59

Bewijs inzake authentificatie en uitvoering van betalingstransacties

1.   De lidstaten schrijven voor dat, wanneer een betalingsdienstgebruiker ontkent dat hij een uitgevoerde betalingstransactie heeft toegestaan of aanvoert dat de betalingstransactie niet correct is uitgevoerd, zijn betalingsdienstaanbieder gehouden is het bewijs te leveren dat de betalingstransactie is geauthentificeerd, juist is geregistreerd, is geboekt en niet door een technische storing of enig ander falen is beïnvloed.

2.   Wanneer een betalingsdienstgebruiker ontkent dat hij een uitgevoerde betalingstransactie heeft toegestaan, vormt het feit dat het gebruik van een betaalinstrument door de betalingsdienstaanbieder is geregistreerd op zichzelf niet noodzakelijkerwijze afdoende bewijs dat de betalingstransactie door de betaler is toegestaan of dat de betaler frauduleus heeft gehandeld of opzettelijk of met grove nalatigheid een of meer van zijn verplichtingen uit hoofde van artikel 56 niet is nagekomen.

Artikel 60

Aansprakelijkheid van de betalingsdienstaanbieder wegens niet-toegestane betalingstransacties

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat, onverminderd artikel 58, de betalingsdienstaanbieder van de betaler, in geval van een niet-toegestane betalingstransactie, de betaler onmiddellijk het bedrag van de niet-toegestane betalingstransactie terugbetaalt en, in voorkomend geval, de betaalrekening die met dat bedrag was gedebiteerd, herstelt in de toestand zoals die geweest zou zijn mocht de niet-toegestane betalingstransactie niet hebben plaatsgevonden.

2.   Aanvullende financiële compensatie kan worden vastgesteld overeenkomstig het recht dat van toepassing is op het tussen de betaler en zijn betalingsdienstaanbieder gesloten contract.

Artikel 61

Aansprakelijkheid van de betaler wegens niet-toegestane betalingstransacties

1.   In afwijking van artikel 60 draagt de betaler tot een bedrag van ten hoogste 150 EUR het verlies met betrekking tot niet-toegestane betalingstransacties dat voortvloeit uit het gebruik van een verloren of gestolen betaalinstrument of, indien de betaler heeft nagelaten de veiligheid van de gepersonaliseerde veiligheidskenmerken ervan te waarborgen, uit onrechtmatig gebruik van een betaalinstrument.

2.   De betaler draagt alle verliezen die uit niet-toegestane betalingstransacties voortvloeien, indien deze zich hebben voorgedaan doordat hij frauduleus heeft gehandeld of opzettelijk of met grove nalatigheid een of meer verplichtingen uit hoofde van artikel 56 niet is nagekomen. In dergelijke gevallen is het in lid 1 van dit artikel bedoelde maximumbedrag niet van toepassing.

3.   In gevallen waarin de betaler niet frauduleus of opzettelijk zijn verplichtingen uit hoofde van artikel 56 heeft verzaakt, kunnen de lidstaten de in de leden 1 en 2, van dit artikel bedoelde aansprakelijkheid beperken, met name rekening houdend met de aard van de gepersonaliseerde veiligheidskenmerken van het betaalinstrument en met de omstandigheden waarin het is verloren, gestolen of onrechtmatig werd gebruikt.

4.   Na de kennisgeving overeenkomstig artikel 56, lid 1, onder b), heeft het gebruik van het verloren, gestolen of wederrechtelijk toegeëigende betaalinstrument geen financiële gevolgen voor de betaler, tenzij deze frauduleus heeft gehandeld.

5.   Indien de betalingsdienstaanbieder nalaat om overeenkomstig artikel 57, lid 1, onder c), passende middelen beschikbaar te stellen waarmee te allen tijde kennisgeving kan worden gedaan van verlies, diefstal of wederrechtelijke toe-eigening van een betaalinstrument, is de betaler niet aansprakelijk voor de financiële gevolgen die uit het gebruik van dat betaalinstrument voortvloeien, tenzij hij frauduleus heeft gehandeld.

Artikel 62

Terugbetalingen van door of via een begunstigde geïnitieerde betalingstransactie

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat een betaler recht heeft op de terugbetaling door zijn betalingsdienstaanbieder van een toegestane, door of via een begunstigde geïnitieerde, betalingstransactie die reeds is uitgevoerd, indien de volgende voorwaarden vervuld zijn:

a)

toen de transactie werd toegestaan, is niet het precieze bedrag van de betalingstransactie gespecificeerd, en

b)

het bedrag van de betalingstransactie ligt hoger dan de betaler, op grond van zijn eerdere uitgavenpatroon, de voorwaarden van zijn raamcontract en relevante aspecten van de zaak, redelijkerwijs had kunnen verwachten.

De betaler verstrekt de betalingsdienstaanbieder op diens verzoek de feitelijke elementen omtrent die voorwaarden.

De terugbetaling bestaat uit het volledige bedrag van de uitgevoerde betalingstransactie.

Voor automatische debiteringen kunnen de betaler en zijn betalingsdienstaanbieder in het raamcontract overeenkomen dat de betaler ook recht heeft op een terugbetaling door zijn betalingsdienstaanbieder als de in de eerste alinea vermelde voorwaarden voor terugbetaling niet vervuld zijn.

2.   Voor de toepassing van lid 1, eerste alinea, onder b), kan de betaler evenwel geen met een valutawissel verband houdende redenen aanvoeren indien de referentiewisselkoers is toegepast die hij overeenkomstig artikel 37, lid 1, onder d), en artikel 42, punt 3, onder b), met zijn betalingsdienstaanbieder is overeengekomen.

3.   In het raamcontract tussen de betaler en de betalingsdienstaanbieder kan worden overeengekomen dat de betaler geen recht heeft op terugbetaling als hij zijn instemming met de uitvoering van de betalingstransactie rechtstreeks aan zijn betalingsdienstaanbieder heeft gericht en er, in voorkomend geval, informatie betreffende de toekomstige betalingstransactie gedurende ten minste vier weken voor de vervaldag op een overeengekomen wijze door de betalingsdienstaanbieder of door de begunstigde aan de betaler was verstrekt of ter beschikking was gesteld.

Artikel 63

Verzoeken om terugbetaling van door of via de begunstigde geïnitieerde betalingstransacties

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat de betaler gedurende een periode van acht weken na de datum waarop de geldmiddelen zijn gedebiteerd, om de in artikel 62 bedoelde terugbetaling van een toegestane, door of via een begunstigde geïnitieerde betalingstransactie kan verzoeken.

2.   Binnen de tien werkdagen na ontvangst van een verzoek om terugbetaling betaalt de betalingsdienstaanbieder het volledige bedrag van de betalingstransactie terug, of motiveert hij waarom hij weigert tot terugbetaling over te gaan, met opgave van de instanties waarbij de betaler de zaak overeenkomstig de artikelen 80 tot en met 83 aanhangig kan maken indien hij de aangevoerde motivering niet aanvaardt.

Het in de eerste alinea bedoelde recht van de betalingsdienstaanbieder om de terugbetaling te weigeren, is niet van toepassing in het geval van artikel 62, lid 1, vierde alinea.

HOOFDSTUK 3

Uitvoering van betalingstransacties

Afdeling 1

Betalingsopdrachten, provisies en overgemaakte bedragen

Artikel 64

Ontvangst van betalingsopdrachten

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat het tijdstip van ontvangst het tijdstip is waarop de rechtstreeks door de betaler of onrechtstreeks door of via een begunstigde gegeven betalingsopdracht door de betalingsdienstaanbieder van de betaler wordt ontvangen. Indien het tijdstip van ontvangst voor de betalingsdienstaanbieder niet op een werkdag valt, wordt de ontvangen betalingsopdracht geacht op de eerstvolgende werkdag te zijn ontvangen. De betalingsdienstaanbieder kan een uiterste tijdstip aan het einde van een werkdag vaststellen, na welk tijdstip een ontvangen betalingsopdracht geacht wordt op de eerstvolgende werkdag te zijn ontvangen.

2.   Indien de betalingsdienstgebruiker die een betalingsopdracht initieert, en zijn betalingsdienstaanbieder overeenkomen dat de uitvoering van de betalingsopdracht aanvangt op een specifieke datum, aan het einde van een bepaalde termijn of op de dag waarop de betaler geldmiddelen ter beschikking van zijn betalingsdienstgebruiker heeft gesteld, wordt het tijdstip van ontvangst van de opdracht voor de toepassing van artikel 69 geacht op de overeengekomen dag te vallen. Indien de overeengekomen dag geen werkdag is voor de betalingsdienstaanbieder, wordt de ontvangen betalingsopdracht geacht op de eerstvolgende werkdag te zijn ontvangen.

Artikel 65

Weigering van betalingsopdrachten

1.   Wanneer de betalingsdienstaanbieder weigert een betalingsopdracht uit te voeren, wordt de betalingsdienstgebruiker in kennis gesteld van deze weigering en, indien mogelijk, van de redenen daarvoor en van de procedure voor de correctie van eventuele feitelijke onjuistheden die tot de weigering hebben geleid, tenzij andere toepasselijke communautaire of nationale wetgeving dit verbiedt.

De betalingsdienstaanbieder verstrekt zo spoedig mogelijk de kennisgeving — of stelt deze ter beschikking — op de overeengekomen wijze, en in elk geval binnen de overeenkomstig artikel 69 vermelde termijnen.

In het raamcontract kan de voorwaarde worden gesteld dat de betalingsdienstaanbieder voor die kennisgeving kosten mag aanrekenen indien de weigering objectief gerechtvaardigd is.

2.   Indien alle in het raamcontract van de betaler gestelde voorwaarden vervuld zijn, weigert de betalingsdienstaanbieder van de betaler niet een toegestane betalingsopdracht uit te voeren, ongeacht of de betalingsopdracht door een betaler dan wel door een begunstigde is geïnitieerd, tenzij andere toepasselijke communautaire of nationale wetgeving dit verbiedt.

3.   Een betalingsopdracht waarvan de uitvoering is geweigerd, wordt geacht niet ontvangen te zijn voor de toepassing van de artikelen 69 en 75.

Artikel 66

Onherroepbaarheid van een betalingsopdracht

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat de betalingsdienstgebruiker een betalingsopdracht niet kan herroepen zodra de betalingsdienstaanbieder van de betaler die heeft ontvangen, tenzij anders is bepaald in dit artikel.

2.   Wanneer de betalingstransactie door of via de begunstigde is geïnitieerd, kan de betaler de betalingsopdracht niet herroepen nadat hij de betalingsopdracht of zijn instemming met de uitvoering van de betalingstransactie aan de begunstigde heeft verstrekt.

3.   In het geval van een automatische afschrijving en onverminderd de rechten inzake terugbetaling kan de betaler de betalingsopdracht evenwel herroepen, ten laatste aan het einde van de werkdag die voorafgaat aan de dag waarop de betaalrekening volgens afspraak wordt gedebiteerd.

4.   In het in artikel 64, lid 2, bedoelde geval kan de betalingsdienstgebruiker een betalingsopdracht herroepen tot uiterlijk het einde van de werkdag die aan de overeengekomen dag voorafgaat.

5.   Na de in de leden 1 tot en met 4 bedoelde termijnen kan de betalingsopdracht alleen worden herroepen indien zulks tussen de betalingsdienstgebruiker en zijn betalingsdienstaanbieder is overeengekomen. In het in leden 2 en 3 bedoelde geval is ook het akkoord van de begunstigde vereist. Indien zulks in het raamcontract is overeengekomen, mag de betalingsdienstaanbieder voor de herroeping kosten aanrekenen.

Artikel 67

Overgemaakte en ontvangen bedragen

1.   De lidstaten schrijven voor dat de betalingsdienstaanbieder van de betaler, de betalingsdienstaanbieder van de begunstigde en eventuele intermediairs van de betalingsdienstaanbieders het volledige bedrag van de betalingstransactie overmaken en op het overgemaakte bedrag geen kosten inhouden.

2.   De begunstigde en zijn betalingsdienstaanbieder kunnen evenwel overeenkomen dat de betalingsdienstaanbieder zijn kosten op het overgemaakte bedrag inhoudt voordat hij de rekening van de begunstigde daarmee crediteert. In dat geval worden het volledige bedrag van de betalingstransactie en de kosten afzonderlijk vermeld in de informatie die aan de begunstigde wordt verstrekt.

3.   Indien andere kosten dan die bedoeld in lid 2 op het overgemaakte bedrag worden ingehouden, zorgt de betalingsdienstaanbieder van de betaler ervoor dat de begunstigde het volledige bedrag van de door de betaler geïnitieerde betalingstransactie ontvangt. Wanneer de betalingstransactie door de begunstigde wordt geïnitieerd, zorgt diens betalingsdienstaanbieder ervoor dat het volledige bedrag van de betalingstransactie door de begunstigde wordt ontvangen.

Afdeling 2

Uitvoeringstermijn en valutadatum

Artikel 68

Toepassingsgebied

1.   Deze afdeling is van toepassing op:

a)

betalingstransacties in euro;

b)

binnenlandse betalingstransacties in de valuta van de lidstaat in kwestie buiten de eurozone, en

c)

betalingstransacties met slechts één valutawissel tussen de euro en de valuta van een lidstaat die de euro niet als munt heeft, mits de vereiste valutawissel wordt uitgevoerd in de betrokken lidstaat waar de euro niet de munteenheid is en, bij grensoverschrijdende betalingstransacties, de overmaking in euro geschiedt.

2.   Deze afdeling is van toepassing op andere betalingstransacties, tenzij tussen de betalingsdienstgebruiker en zijn betalingsdienstaanbieder anders overeengekomen is, met uitzondering van artikel 73, ten aanzien waarvan de partijen niet over enige vrijheid beschikken. Indien de betalingsdienstgebruiker en zijn betalingsdienstaanbieder evenwel een periode overeenkomen die langer is dan in artikel 69 is bepaald, mag die periode voor intracommunautaire betalingstransacties niet langer zijn dan vier werkdagen na het tijdstip van ontvangst overeenkomstig artikel 64.

Artikel 69

Betalingstransacties op een betaalrekening

1.   De lidstaten schrijven voor dat de betalingsdienstaanbieder van de betaler er voor moet zorgen dat de rekening van de betalingsdienstaanbieder van de begunstigde uiterlijk aan het einde van de eerstvolgende werkdag na het tijdstip van ontvangst overeenkomstig artikel 64 voor het bedrag van de betalingstransactie wordt gecrediteerd. Tot 1 januari 2012 kunnen een betaler en zijn betalingsdienstaanbieder een termijn van ten hoogste drie werkdagen overeenkomen. Deze termijnen kunnen voor betalingstransacties die op papier worden geïnitieerd, met nogmaals een werkdag worden verlengd.

2.   De lidstaten schrijven voor dat de betalingsdienstaanbieder van de begunstigde het bedrag van de betalingstransactie valuteert en beschikbaar stelt op de betaalrekening van de begunstigde zodra de betalingsdienstaanbieder het geld ontvangen heeft overeenkomstig artikel 73.

3.   De lidstaten schrijven voor dat de betalingsdienstaanbieder van de begunstigde een door of via de begunstigde geïnitieerde betalingsopdracht toezendt aan de betalingsdienstaanbieder van de betaler binnen de tussen de begunstigde en zijn betalingsdienstaanbieder overeengekomen termijnen, zodat automatische debiteringen op de afgesproken datum kunnen plaatsvinden.

Artikel 70

De begunstigde heeft geen betaalrekening bij de betalingsdienstaanbieder

Wanneer de begunstigde geen betaalrekening bij de betalingsdienstaanbieder heeft, worden de geldmiddelen door de betalingsdienstaanbieder die de geldmiddelen ten behoeve van de begunstigde ontvangt, aan de begunstigde ter beschikking gesteld binnen de in artikel 69 gespecificeerde termijn.

Artikel 71

Op een betaalrekening gedeponeerde contanten

Wanneer een consument contanten op een betaalrekening bij een betalingsdienstaanbieder deponeert in de valuta van die betaalrekening, zorgt die betalingsdienstaanbieder ervoor dat het bedrag onmiddellijk na het tijdstip van ontvangst van de geldmiddelen beschikbaar wordt gesteld en wordt gevaluteerd. Wanneer de betalingsdienstgebruiker geen consument is, wordt het bedrag uiterlijk op de eerstvolgende werkdag na de ontvangst van de geldmiddelen op de betaalrekening van de begunstigde beschikbaar gesteld en gevaluteerd.

Artikel 72

Binnenlandse betalingstransacties

Voor binnenlandse betalingstransacties kunnen de lidstaten voorzien in kortere maximale uitvoeringstermijnen dan die welke in deze afdeling zijn bepaald.

Artikel 73

Valutadatum en beschikbaarheid van geldmiddelen

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat de valutadatum van de creditering van de betaalrekening van de begunstigde uiterlijk valt op de werkdag waarop het bedrag van de betalingstransactie op de rekening van de betalingsdienstaanbieder van de begunstigde wordt gecrediteerd.

De betalingsdienstaanbieder van de begunstigde zorgt ervoor dat het bedrag van de betalingstransactie ter beschikking van de begunstigde komt zodra dat bedrag op de rekening van de betalingsdienstaanbieder van de begunstigde is gecrediteerd.

2.   De lidstaten zorgen ervoor dat de valutadatum van de debitering van de betaalrekening van de betaler niet vroeger valt dan het tijdstip waarop het bedrag van de betalingstransactie van die rekening is gedebiteerd.

Afdeling 3

Aansprakelijkheid

Artikel 74

Onjuiste unieke identificatoren

1.   Indien een betalingsopdracht wordt uitgevoerd op basis van de unieke identificator, wordt de betalingsopdracht geacht correct te zijn uitgevoerd wat de in de unieke identificator gespecificeerde begunstigde betreft.

2.   Indien de unieke identificator die door de betalingsdienstgebruiker is verstrekt, onjuist is, is de betalingsdienstaanbieder uit hoofde van artikel 75 niet aansprakelijk voor de niet-uitvoering of gebrekkige uitvoering van de betalingstransactie.

De betalingsdienstaanbieder van de betaler levert evenwel redelijke inspanningen om de met de betalingstransactie gemoeide geldmiddelen terug te verkrijgen.

Indien zulks in het raamcontract is overeengekomen, mag de betalingsdienstaanbieder de betalingsdienstgebruiker voor het terugverkrijgen kosten aanrekenen.

3.   Indien de betalingsdienstgebruiker aanvullende informatie verstrekt naast de informatie die krachtens artikel 37, lid 1, onder a), of artikel 42, punt 2), onder b), vereist is, is de betalingsdienstaanbieder alleen aansprakelijk voor de uitvoering van betalingstransacties overeenkomstig de unieke identificator die door de betalingsdienstgebruiker is gespecificeerd.

Artikel 75

Niet-uitvoering of gebrekkige uitvoering

1.   Wanneer een betalingsopdracht door de betaler wordt geïnitieerd, is de betalingsdienstaanbieder van de betaler, onverminderd artikel 58, artikel 74, leden 2 en 3, en artikel 78, jegens de betaler aansprakelijk voor de juiste uitvoering van de betalingstransactie, tenzij hij tegenover de betaler en, voor zover relevant, tegenover de betalingsdienstaanbieder van de begunstigde kan bewijzen dat de betalingsdienstaanbieder van de begunstigde het bedrag van de betalingstransactie heeft ontvangen overeenkomstig artikel 69, lid 1, in welk geval de betalingsdienstaanbieder van de begunstigde aansprakelijk is jegens de begunstigde voor de juiste uitvoering van de betalingstransactie.

Wanneer de betalingsdienstaanbieder van de betaler aansprakelijk is uit hoofde van de eerste alinea, betaalt hij de betaler onverwijld het bedrag van de niet-uitgevoerde of gebrekkig uitgevoerde betalingstransactie terug en herstelt hij, in voorkomend geval, de betaalrekening die met dat bedrag was gedebiteerd, in de toestand zoals die geweest zou zijn mocht de gebrekkig uitgevoerde betalingstransactie niet hebben plaatsgevonden.

Wanneer de betalingsdienstaanbieder van de begunstigde aansprakelijk is uit hoofde van de eerste alinea, stelt hij onmiddellijk het bedrag van de betalingstransactie ter beschikking van de begunstigde en crediteert hij, voor zover van toepassing, de betaalrekening van de begunstigde met het overeenkomstige bedrag.

Wanneer een betalingstransactie niet of gebrekkig is uitgevoerd en de betalingsopdracht door de betaler was geïnitieerd, tracht de betalingsdienstaanbieder van de betaler, ongeacht de aansprakelijkheid uit hoofde van dit lid, desgevraagd onmiddellijk de betalingstransactie te traceren en stelt hij de betaler op de hoogte van de resultaten daarvan.

2.   Wanneer een betalingsopdracht door of via de begunstigde wordt geïnitieerd, is de betalingsdienstaanbieder van de begunstigde, onverminderd artikel 58, artikel 74, leden 2 en 3, en artikel 78, aansprakelijk jegens de begunstigde voor de juiste verzending van de betalingsopdracht aan de betalingsdienstaanbieder van de betaler, overeenkomstig artikel 69, lid 3. Wanneer de betalingsdienstaanbieder van de begunstigde aansprakelijk is uit hoofde van deze alinea, geeft hij de betrokken betalingsopdracht onmiddellijk door aan de betalingsdienstaanbieder van de betaler.

Voorts is de betalingsdienstaanbieder van de begunstigde, onverminderd artikel 58, artikel 74, leden 2 en 3, en artikel 78, aansprakelijk jegens de begunstigde voor het behandelen van de geldtransactie overeenkomstig zijn verplichtingen krachtens artikel 73. Wanneer de betalingsdienstaanbieder van de begunstigde aansprakelijk is uit hoofde van de eerste alinea, zorgt hij ervoor dat het bedrag van de betalingstransactie onmiddellijk ter beschikking van de begunstigde wordt gesteld zodra de rekening van de betalingsdienstaanbieder van de begunstigde met het overeenkomstige bedrag is gecrediteerd.

Bij een niet-uitgevoerde of gebrekkig uitgevoerde betalingstransactie waarvoor de betalingsdienstaanbieder van de begunstigde niet aansprakelijk is uit hoofde van de eerste en de tweede alinea, is de betalingsdienstaanbieder van de betaler aansprakelijk jegens de betaler. Wanneer de betalingsdienstaanbieder van de betaler aansprakelijk is uit hoofde van de eerste alinea, betaalt hij, in voorkomend geval, de betaler onverwijld het bedrag van de niet-uitgevoerde of gebrekkig uitgevoerde betalingstransactie terug en herstelt hij de betaalrekening die met dat bedrag was gedebiteerd, in de toestand zoals die geweest zou zijn mocht de gebrekkig uitgevoerde betalingstransactie niet hebben plaatsgevonden, zulks telkens onverwijld.

Wanneer een betalingstransactie niet of gebrekkig is uitgevoerd en de betalingsopdracht door of via de begunstigde was geïnitieerd, tracht de betalingsdienstaanbieder van de begunstigde, ongeacht de aansprakelijkheid uit hoofde van dit lid, desgevraagd onmiddellijk de betalingstransactie te traceren en stelt hij de begunstigde op de hoogte van de resultaten daarvan.

3.   Betalingsdienstaanbieders zijn daarenboven aansprakelijk jegens hun respectieve betalingsdienstgebruikers voor de kosten waarvoor zij verantwoordelijk zijn en de interesten die de betalingsdienstgebruiker worden aangerekend wegens niet-uitvoering of gebrekkige uitvoering van de betalingstransactie.

Artikel 76

Aanvullende financiële compensatie

Elke aanvullende financiële compensatie naast die waarin deze afdeling voorziet, kan worden vastgesteld overeenkomstig het recht dat van toepassing is op het tussen de betalingsdienstgebruiker en zijn betalingsdienstaanbieder gesloten contract.

Artikel 77

Recht van regres

1.   Wanneer de aansprakelijkheid van een betalingsdienstaanbieder uit hoofde van artikel 75 kan worden toegerekend aan een andere betalingsdienstaanbieder of een intermediair, vergoedt die betalingsdienstaanbieder of die intermediair eerstgenoemde betalingsdienstaanbieder voor alle verliezen die zijn opgelopen en/of de bedragen die zijn betaald uit hoofde van artikel 75.

2.   Aanvullende financiële compensatie kan worden vastgesteld conform tussen de betalingsdienstaanbieders en/of intermediairs gesloten overeenkomsten en het recht dat van toepassing is op de tussen hen gesloten overeenkomst.

Artikel 78

Geen aansprakelijkheid

De aansprakelijkheid krachtens hoofdstuk 2 en 3 geldt niet in abnormale en onvoorziene omstandigheden die onafhankelijk zijn van de wil van degene die zich erop beroept en waarvan de gevolgen ondanks alle voorzorgsmaatregelen niet konden worden voorkomen, noch wanneer een betalingsdienstaanbieder uit hoofde van nationale of communautaire wetgeving andere wettelijke verplichtingen heeft.

HOOFDSTUK 4

Gegevensbescherming

Artikel 79

Gegevensbescherming

De lidstaten staan toe dat betalingssystemen en betalingsdienstaanbieders persoonsgegevens verwerken wanneer zulks noodzakelijk is voor de voorkoming van, het onderzoek naar en de opsporing van betalingsfraude. De verwerking van dergelijke persoonsgegevens geschiedt in overeenstemming met Richtlijn 95/46/EG.

HOOFDSTUK 5

Klachten- en buitengerechtelijke beroepsprocedures voor de beslechting van geschillen

Afdeling 1

Klachtenprocedures

Artikel 80

Klachten

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat procedures voorhanden zijn die betalingsdienstgebruikers en andere belanghebbenden, met inbegrip van consumentenverenigingen, de mogelijkheid bieden bij de bevoegde autoriteiten klachten in te dienen met betrekking tot beweerde inbreuken van betalingsdienstaanbieders op de ter uitvoering van deze richtlijn vastgestelde bepalingen van nationaal recht.

2.   In voorkomend geval en onverminderd het recht om overeenkomstig het nationale procesrecht een klacht aan een rechterlijke instantie voor te leggen, wordt de klager in het antwoord van de bevoegde autoriteit geïnformeerd over de krachtens artikel 83 in het leven geroepen buitengerechtelijke procedures.

Artikel 81

Sancties

1.   De lidstaten stellen de voorschriften vast ten aanzien van de sancties die gelden voor overtredingen van de ter uitvoering van deze richtlijn vastgestelde bepalingen van nationaal recht en nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat deze sancties ook worden toegepast. De sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.

2.   De lidstaten stellen de Commissie uiterlijk op 1 november 2009 in kennis van de in lid 1 bedoelde voorschriften en van de overeenkomstig artikel 82 bevoegde autoriteiten en delen haar alle latere wijzigingen daarvan onverwijld mee.

Artikel 82

Bevoegde autoriteiten

1.   De lidstaten nemen alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de klachtenprocedures en sancties bedoeld in respectievelijk artikel 80, lid 1, en artikel 81, lid 1, worden toegepast door de autoriteiten die gemachtigd zijn om de uit hoofde van deze afdeling vastgestelde bepalingen van nationaal recht te doen naleven.

2.   In geval van inbreuk of vermoedelijke inbreuk op de uit hoofde van titel III en titel IV vastgestelde bepalingen van nationaal recht fungeren de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst van de betalingsdienstgebruiker als de in lid 1 bedoelde bevoegde autoriteit; in het geval van agenten en bijkantoren die betalingsdiensten aanbieden in het kader van de vrijheid van vestiging, zijn dit evenwel de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst.

Afdeling 2

Buitengerechtelijk beroep

Artikel 83

Buitengerechtelijke geschillenbeslechting

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat adequate en effectieve buitengerechtelijke klachten- en verhaalprocedures voor de beslechting van geschillen tussen betalingsdienstgebruikers en hun betalingsdienstaanbieders met betrekking tot uit deze richtlijn voortvloeiende rechten en plichten worden opgezet, waarbij eventueel een beroep wordt gedaan op bestaande organen.

2.   De lidstaten zien erop toe dat deze organen actief met elkaar samenwerken bij de beslechting van grensoverschrijdende geschillen.

TITEL V

UITVOERINGSMAATREGELEN EN COMITÉ VOOR BETALINGEN

Artikel 84

Uitvoeringsmaatregelen

Teneinde rekening te houden met de technische en de marktontwikkelingen op het gebied van betalingsdiensten en de eenvormige toepassing van deze richtlijn te garanderen, kan de Commissie volgens de in artikel 85, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing de volgende uitvoeringsmaatregelen vaststellen; die niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn beogen te wijzigen:

a)

aanpassen van de lijst van werkzaamheden in de bijlage bij deze richtlijn, overeenkomstig de artikelen 2 tot en met 4 en artikel 16;

b)

wijzigen van de omschrijving van een micro-onderneming in de zin van artikel 4, punt 26, overeenkomstig een wijziging van Aanbeveling 2003/361/EG;

c)

bijstellen van de in artikel 26, lid 1, en artikel 61, lid 1, gespecificeerde bedragen, ten einde met inflatie en significante marktontwikkelingen rekening te houden.

Artikel 85

Comité

1.   De Commissie wordt bijgestaan door een Comité voor betalingen.

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn artikel 5 bis, leden 1 tot en met 4, en artikel 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van de bepalingen van artikel 8 van dat besluit.

TITEL VI

SLOTBEPALINGEN

Artikel 86

Volledige harmonisatie

1.   Onverminderd artikel 30, lid 2, artikel 33, artikel 34, lid 2, artikel 45, lid 6, artikel 47, lid 3, artikel 48, lid 3, artikel 51, lid 2, artikel 52, lid 3, artikel 53, lid 2, artikel 61, lid 3, en de artikelen 72 en 88 mogen de lidstaten, in zoverre deze richtlijn geharmoniseerde bepalingen bevat, geen andere bepalingen handhaven of vaststellen dan die welke in deze richtlijn zijn vervat.

2.   Wanneer een lidstaat gebruikmaakt van de in lid 1 bedoelde mogelijkheden, stelt hij de Commissie daarvan in kennis, alsook van eventuele latere wijzigingen. De Commissie stelt deze informatie beschikbaar voor het publiek via een website of op een andere gemakkelijk toegankelijke wijze.

3.   De lidstaten zien erop toe dat betalingsdienstaanbieders niet ten nadele van betalingsdienstgebruikers afwijken van de bepalingen van nationaal recht die uitvoering geven aan of overeenstemmen met bepalingen van deze richtlijn, tenzij laatstgenoemde bepalingen daarin uitdrukkelijk voorzien.

Betalingsdienstaanbieders mogen evenwel besluiten betalingsdienstgebruikers gunstiger voorwaarden te bieden.

Artikel 87

Evaluatie

Uiterlijk op 1 november 2012 dient de Commissie bij het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en de Europese Centrale Bank een verslag in over de uitvoering en de gevolgen van deze richtlijn, en meer bepaald over:

de vraag of het nodig is het toepassingsgebied van de richtlijn uit te breiden tot betalingstransacties in alle valuta en tot betalingstransacties waarbij slechts een van de betalingsdienstaanbieders in de Gemeenschap gevestigd is;

de toepassing van de artikelen 6, 8 en 9 betreffende de prudentiële vereisten voor betalingsinstellingen, met name wat betreft het eigen vermogen en de beschermingsvereisten (afscherming);

de mogelijke gevolgen van kredietverlening door betalingsinstellingen in verband met betalingsdiensten als bedoeld in artikel 16, lid 3;

de mogelijke gevolgen van de vergunningsvereisten voor betalingsinstellingen met betrekking tot de mededinging tussen betalingsinstellingen en andere aanbieders van betalingsdiensten, en belemmeringen voor markttoegang voor nieuwe aanbieders van betalingsdiensten;

de toepassing van de artikelen 34 en 53 en de vraag of het nodig is het toepassingsgebied van deze richtlijn opnieuw te bezien met betrekking tot betaalinstrumenten voor de betaling van kleine bedragen en elektronisch geld, en

de toepassing en de werking van de artikelen 69 en 75 voor alle soorten betaalinstrumenten,

indien nodig samen met een voorstel tot herziening van de richtlijn.

Artikel 88

Overgangsbepaling

1.   Onverminderd Richtlijn 2005/60/EG of andere relevante communautaire wetgeving, bieden de lidstaten rechtspersonen die in overeenstemming met het nationale recht dat vóór 25 december 2007 van kracht was, de werkzaamheden van betalingsinstellingen in de zin van deze richtlijn hebben aangevangen, de gelegenheid deze werkzaamheden tot 30 april 2011 in de betrokken lidstaat zonder vergunning krachtens artikel 10 voort te zetten. Personen die niet binnen dit tijdsbestek een vergunning hebben gekregen, wordt het overeenkomstig artikel 29 verboden betalingsdiensten aan te bieden.

2.   Niettegenstaande lid 1 wordt aan financiële instellingen die vóór 25 december 2007 overeenkomstig het nationale recht werkzaamheden genoemd in punt 4 van bijlage I bij Richtlijn 2006/48/EG zijn aangevangen en die voldoen aan de voorwaarden van artikel 24, lid 1, eerste alinea, onder e), van die richtlijn, vrijstelling van het vergunningsvereiste van artikel 10 verleend. Zij stellen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst evenwel vóór 25 december 2007 van deze werkzaamheden in kennis. Die kennisgeving bevat bovendien de gegevens die het bewijs leveren dat zij voldoen aan de vereisten van artikel 5, onder a), d), g) tot en met i), k) en l), van deze richtlijn. Indien de bevoegde autoriteiten ervan overtuigd zijn dat aan die vereisten wordt voldaan, krijgen de betrokken betalingsinstellingen een registerinschrijving overeenkomstig artikel 13 van deze richtlijn. De lidstaten kunnen toestaan dat hun bevoegde autoriteiten deze financiële instellingen vrijstellen van de vereisten van artikel 5.

3.   De lidstaten kunnen bepalen dat de in lid 1 bedoelde rechtspersonen automatisch een vergunning krijgen en in het krachtens artikel 13 aangelegde register worden ingeschreven indien de bevoegde autoriteiten reeds over het bewijs beschikken dat de in de artikelen 5 en 10 gestelde eisen worden nageleefd. De bevoegde autoriteiten informeren de betrokken entiteiten alvorens hen een vergunning wordt verleend.

4.   Onverminderd Richtlijn 2005/60/EG of andere relevante communautaire wetgeving, kunnen de lidstaten natuurlijke of rechtspersonen die in overeenstemming met het nationale recht dat vóór 25 december 2007 van kracht was, de werkzaamheden van betalingsinstellingen hebben aangevangen en voor een ontheffing krachtens artikel 26 in aanmerking komen, de mogelijkheid bieden deze werkzaamheden gedurende een overgangsperiode van niet meer dan drie jaar in de betrokken lidstaat zonder een ontheffing krachtens artikel 26 en zonder registerinschrijving krachtens artikel 13 voort te zetten. Personen die niet binnen dit tijdsbestek een ontheffing hebben gekregen, wordt het overeenkomstig artikel 29 verboden betalingsdiensten aan te bieden.

Artikel 89

Wijziging van Richtlijn 97/7/EG

Artikel 8 van Richtlijn 97/7/EG wordt geschrapt.

Artikel 90

Wijziging van Richtlijn 2002/65/EG

Richtlijn 2002/65/EG wordt als volgt gewijzigd:

1.

aan artikel 4 wordt het volgende lid toegevoegd:

„5.   Voor zover Richtlijn 2007/64/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 november 2007 betreffende betalingsdiensten in de interne markt (28) ook van toepassing is, worden de informatievereisten van artikel 3, lid 1, van de onderhavige richtlijn, met uitzondering van punt 2, onder c) tot en met g), punt 3, onder a), d) en e), en punt 4, onder b), vervangen door de artikelen 36, 37, 41 en 42 van eerstgenoemde richtlijn.

2.

artikel 8 wordt geschrapt.

Artikel 91

Wijziging van Richtlijn 2005/60/EG

Richtlijn 2005/60/EG wordt als volgt gewijzigd:

1.

in artikel 3, lid 2, wordt littera a), vervangen door:

„a)

een onderneming die geen kredietinstelling is en die een of meer van de werkzaamheden verricht die zijn opgenomen onder de punten 2 tot en met 12 en 14 van bijlage I bij Richtlijn 2006/48/EG, met inbegrip van de werkzaamheden van wisselkantoren;”;

2.

in artikel 15 worden de leden 1 en 2 vervangen door:

„1.   Wanneer een lidstaat toestaat dat op zijn op eigen grondgebied gevestigde krediet- en financiële instellingen, bedoeld in artikel 2, lid 1, punt 1 of punt 2, een beroep wordt gedaan als derden, staat die lidstaat deze instellingen en personen in elk geval toe de uitkomst van de in artikel 8, lid 1, onder a) tot en met c), vastgelegde klantenonderzoeksprocedures die door een in artikel 2, lid 1, punt 1 of punt 2, bedoelde instelling (met uitzondering van wisselkantoren en instellingen omschreven in artikel 4, punt 4, van Richtlijn 2007/64/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 november 2007 betreffende betalingsdiensten in de interne markt (29) die hoofdzakelijk de betalingsdiensten verlenen als bedoeld in punt 6 van de bijlage bij die richtlijn, met inbegrip van de natuurlijke en rechtspersonen waarvoor een ontheffing overeenkomstig artikel 26 van die richtlijn is verleend), overeenkomstig deze richtlijn in een andere lidstaat zijn uitgevoerd en die aan de vereisten van de artikelen 16 en 18 voldoen, te erkennen en te aanvaarden, overeenkomstig het bepaalde in artikel 14, ook al zijn de documenten of gegevens voor het vervullen van deze vereisten verschillend van die welke vereist zijn in de lidstaat waarnaar de cliënt wordt doorverwezen.

2.   Wanneer een lidstaat toestaat dat op zijn op eigen grondgebied gevestigde wisselkantoren, bedoeld in artikel 3, punt 2, onder a), en betalingsinstellingen als omschreven in artikel 4, punt 4, van Richtlijn 2007/64/EG markt die hoofdzakelijk de betalingsdiensten verlenen als bedoeld in punt 6 van de bijlage bij die richtlijn, een beroep wordt gedaan als derden, staat die lidstaat deze wisselkantoren en geldovermakingskantoren in elk geval toe de uitkomst van de in artikel 8, lid 1, onder a) tot en met c), vastgelegde klantenonderzoeksprocedures die door dezelfde categorie instellingen van een andere lidstaat overeenkomstig deze richtlijn zijn uitgevoerd en die aan de vereisten van de artikelen 16 en 18 van deze richtlijn voldoen, te erkennen en te aanvaarden, overeenkomstig het bepaalde in artikel 14 van deze richtlijn, ook al zijn de documenten of gegevens voor het vervullen van deze vereisten verschillend van die welke vereist zijn in de lidstaat waarnaar de cliënt wordt doorverwezen.

3.

in artikel 36, lid 1, wordt de tweede volzin geschrapt.

Artikel 92

Wijziging van Richtlijn 2006/48/EG

Bijlage I bij Richtlijn 2006/48/EG wordt als volgt gewijzigd:

1.

punt 4 wordt vervangen door:

„4.

„betalingsdiensten” als omschreven in artikel 4, punt 3 van Richtlijn 2007/64/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 november 2007 betreffende betalingsdiensten in de interne markt (30)

2.

punt 5 wordt vervangen door:

„5.

Uitgifte en beheer van andere betaalmiddelen (bijvoorbeeld reischeques en kredietbrieven) voor zover deze werkzaamheid niet wordt bestreken door punt 4.”.

Artikel 93

Intrekking

Richtlijn 97/5/EG wordt ingetrokken met ingang van 1 november 2009.

Artikel 94

Omzetting

1.   De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk 1 november 2009 aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2.   De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mee die zij op het onder deze richtlijn vallend gebied vaststellen.

Artikel 95

Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 96

Adressaten

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Straatsburg, 13 november 2007.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

H.-G. PÖTTERING

Voor de Raad

De voorzitter

M. LOBO ANTUNES


(1)  PB C 109 van 9.5.2006, blz. 10.

(2)  Advies van het Europees Parlement van 24 april 2007 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 15 oktober 2007.

(3)  PB L 43 van 14.2.1997, blz. 25.

(4)  PB L 344 van 28.12.2001, blz. 13.

(5)  PB L 365 van 24.12.1987, blz. 72.

(6)  PB L 317 van 24.11.1988, blz. 55.

(7)  PB L 208 van 2.8.1997, blz. 52.

(8)  PB L 177 van 30.6.2006, blz. 1. Richtlijn gewijzigd bij Richtlijn 2007/44/EG (PB L 247 van 21.9.2007, blz. 1).

(9)  PB L 275 van 27.10.2000, blz. 39.

(10)  PB L 222 van 14.8.1978, blz. 11. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2006/46/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 224 van 16.8.2006, blz. 1).

(11)  PB L 193 van 18.7.1983, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2006/99/EG (PB L 363 van 20.12.2006, blz. 137).

(12)  PB L 372 van 31.12.1986, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2006/46/EG.

(13)  PB L 42 van 12.2.1987, blz. 48. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 98/7/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 101 van 1.4.1998, blz. 17).

(14)  PB L 166 van 11.6.1998, blz. 45.

(15)  PB L 124 van 20.5.2003, blz. 36.

(16)  PB L 149 van 11.6.2005, blz. 22.

(17)  PB L 178 van 17.7.2000, blz. 1.

(18)  PB L 271 van 9.10.2002, blz. 16. Richtlijn gewijzigd bij Richtlijn 2005/29/EG.

(19)  PB L 281 van 23.11.1995, blz. 31. Richtlijn gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1882/2003 (PB L 284 van 31.10.2003, blz. 1).

(20)  PB C 27 van 26.1.1998, blz. 34.

(21)  PB L 144 van 4.6.1997, blz. 19. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2005/29/EG.

(22)  PB L 309 van 25.11.2005, blz. 15.

(23)  PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23. Besluit gewijzigd bij Besluit 2006/512/EG (PB L 200 van 22.7.2006, blz. 11).

(24)  PB C 321 van 31.12.2003, blz. 1.

(25)  PB L 345 van 8.12.2006, blz. 1.

(26)  PB L 157 van 9.6.2006, blz. 87.

(27)  PB L 243 van 11.9.2002, blz. 1.

(28)  PB L 319 5.12.2007, blz 1.”;

(29)  PB L 319 5.12.2007, blz 1.”;

(30)  PB L 319 5.12.2007, blz 1.”;


BIJLAGE

BETALINGSDIENSTEN (ARTIKEL 4, PUNT 3)

1.

Diensten waarbij de mogelijkheid wordt geboden contanten op een betaalrekening te plaatsen alsook alle verrichtingen die voor het exploiteren van een betaalrekening vereist zijn.

2.

Diensten waarbij de mogelijkheid wordt geboden contanten van een betaalrekening op te nemen alsook alle verrichtingen die voor het beheren van een betaalrekening vereist zijn.

3.

Uitvoering van betalingstransacties, met inbegrip van geldovermakingen, op een betaalrekening bij de betalingsdienstaanbieder van de gebruiker of bij een andere betalingsdienstaanbieder:

uitvoering van automatische debiteringen, met inbegrip van eenmalige automatische debiteringen;

uitvoering van betalingstransacties via een betaalkaart of een soortgelijk instrument;

uitvoering van overmakingen, met inbegrip van automatische betalingsopdrachten.

4.

Uitvoering van betalingstransacties waarbij de geldmiddelen zijn gedekt door een kredietlijn die aan de betalingsdienstgebruiker wordt verstrekt:

uitvoering van automatische debiteringen, met inbegrip van eenmalige automatische debiteringen;

uitvoering van betalingstransacties via een betaalkaart of een soortgelijk instrument;

uitvoering van overmakingen, met inbegrip van doorlopende opdrachten.

5.

Uitgifte en/of aanvaarding van betaalinstrumenten.

6.

Geldtransfers.

7.

Uitvoering van betalingstransacties waarbij de instemming van de betaler met een betalingstransactie wordt doorgegeven met behulp van een telecommunicatie-, digitaal of IT-instrument en de betaling rechtstreeks geschiedt aan de exploitant van de telecommunicatiediensten, het IT-systeem of het netwerk, die louter optreedt als intermediair tussen de betalingsdienstgebruiker en de persoon die de goederen levert of de diensten verricht.


Top