Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32007L0016

Richtlijn 2007/16/EG van de Commissie van 19 maart 2007 tot uitvoering van Richtlijn 85/611/EEG van de Raad tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe’s) wat de verduidelijking van bepaalde definities betreft (Voor de EER relevante tekst )

OJ L 79, 20.3.2007, p. 11–19 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, IT, LV, LT, HU, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)
OJ L 56M , 29.2.2008, p. 134–142 (MT)
Special edition in Croatian: Chapter 06 Volume 006 P. 34 - 42

In force

ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2007/16/oj

20.3.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 79/11


RICHTLIJN 2007/16/EG VAN DE COMMISSIE

van 19 maart 2007

tot uitvoering van Richtlijn 85/611/EEG van de Raad tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe’s) wat de verduidelijking van bepaalde definities betreft

(Voor de EER relevante tekst)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Richtlijn 85/611/EEG van de Raad van 20 december 1985 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe’s) (1), en met name op artikel 53 bis, onder a),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Richtlijn 85/611/EEG bevat verscheidene, soms met elkaar samenhangende definities van de activa die in aanmerking komen voor belegging door instellingen voor collectieve belegging in effecten, hierna „icbe’s” genoemd. Zo bevat de genoemde richtlijn onder meer een definitie van effecten en een definitie van geldmarktinstrumenten.

(2)

Sinds de vaststelling van Richtlijn 85/611/EEG is het scala aan financiële instrumenten dat op de financiële markten wordt verhandeld, aanzienlijk groter geworden, hetgeen tot onzekerheid heeft geleid over de vraag of bepaalde categorieën financiële instrumenten door de bedoelde definities worden bestreken. De onzekerheid bij de toepassing van de definities geeft aanleiding tot uiteenlopende interpretaties van de richtlijn.

(3)

Teneinde een eenvormige toepassing van Richtlijn 85/611/EEG te verzekeren, de lidstaten te helpen tot een consensus te komen over de vraag of een bepaalde activacategorie voor een icbe in aanmerking komt, en voorts te waarborgen dat de definities worden opgevat op een wijze die strookt met de aan Richtlijn 85/611/EEG ten grondslag liggende beginselen, zoals die welke betrekking hebben op risicospreiding en risicobeperking, alsmede met de mogelijkheid dat icbe’s op verzoek van de houders hun deelnemingsrechten terugbetalen en hun intrinsieke waarde berekenen telkens als deelnemingsrechten worden uitgegeven of terugbetaald, is het noodzakelijk om de bevoegde autoriteiten en de marktdeelnemers in dit opzicht meer zekerheid te bieden. Dit zal tevens een betere werking van de kennisgevingsprocedure voor de grensoverschrijdende aanbieding van icbe’s vergemakkelijken.

(4)

De in deze richtlijn neergelegde verduidelijkingen scheppen op zichzelf geen nieuwe operationele of gedragsverplichtingen voor de bevoegde autoriteiten of de marktdeelnemers. In plaats van dat er limitatieve lijsten van financiële instrumenten en transacties worden opgesteld, worden de basiscriteria verduidelijkt die moeten dienen als hulpmiddel bij de beoordeling of een categorie financiële instrumenten al dan niet onder de verschillende definities valt.

(5)

Of een bepaald activum voor icbe’s in aanmerking komt, dient niet alleen te worden beoordeeld aan de hand van de vraag of het onder de door deze richtlijn verduidelijkte definities valt, maar ook aan de hand van de andere vereisten van Richtlijn 85/611/EEG. De nationale bevoegde autoriteiten zouden door middel van het Comité van Europese effectenregelgevers kunnen samenwerken om in het kader van hun toezicht houdende taken tot gemeenschappelijke benaderingen te komen van de dagelijkse toepassing in de praktijk van deze verduidelijkingen, met name in samenhang met de andere vereisten van Richtlijn 85/611/EEG, zoals die betreffende de controle- en risicobeheersprocedures, en om de goede werking van het productpaspoort te garanderen.

(6)

In Richtlijn 85/611/EEG worden effecten uitsluitend uit formeel juridisch oogpunt gedefinieerd. De definitie van effecten is derhalve van toepassing op een breed scala aan financiële producten met uiteenlopende kenmerken en een uiteenlopende mate van liquiditeit. Voor elk van deze financiële producten moet de consistentie tussen de definitie van effecten en de andere bepalingen van de richtlijn worden gewaarborgd.

(7)

De fondsen van het „closed-end”-type vormen een activacategorie waarvan in Richtlijn 85/611/EEG niet uitdrukkelijk wordt aangegeven dat deze voor onder Richtlijn 85/611/EEG vallende icbe’s in aanmerking komt. De rechten van deelneming in fondsen van het „closed-end”-type worden evenwel vaak behandeld als effecten en veelal blijkt uit de toelating ervan tot de handel op een gereglementeerde markt, dat een dergelijke behandeling gerechtvaardigd is. Het is bijgevolg noodzakelijk, de marktdeelnemers en de bevoegde autoriteiten zekerheid te verschaffen over de vraag of rechten van deelneming in fondsen van het „closed-end”-type door de definitie van effecten worden bestreken. De nationale bevoegde autoriteiten zouden door middel van het Comité van Europese effectenregelgevers kunnen samenwerken om tot een gemeenschappelijke benadering te komen van de dagelijkse toepassing in de praktijk van de op de fondsen van het „closed-end”-type toepasselijke criteria, en met name die met betrekking tot minimale basisnormen voor corporate-governancemechanismen.

(8)

Aanvullende rechtszekerheid is tevens nodig met betrekking tot de indeling als effecten van financiële instrumenten die gekoppeld zijn aan de ontwikkeling van andere activa, met inbegrip van activa waarnaar in Richtlijn 85/611/EEG zelf niet wordt verwezen, of die door dergelijke activa worden gedekt. Er dient te worden verduidelijkt, dat, indien de koppeling aan de onderliggende waarde of aan een andere component van het instrument een element is dat als een in een contract besloten derivaat moet worden beschouwd, het financiële instrument tot de subcategorie effecten behoort waarin een element is besloten dat de vorm heeft van een derivaat. Dit heeft tot gevolg, dat met betrekking tot dat element de in Richtlijn 85/611/EEG vervatte criteria voor derivaten moeten worden toegepast.

(9)

Om onder de in Richtlijn 85/611/EEG vervatte definitie van geldmarktinstrumenten te vallen, dient een financieel instrument aan bepaalde criteria te voldoen. Het moet met name gewoonlijk op de geldmarkt worden verhandeld, liquide zijn en een waarde hebben die te allen tijde nauwkeurig kan worden vastgesteld. Er dient voor te worden gezorgd, dat deze criteria op eenvormige wijze worden toegepast en dat daarbij met bepaalde marktpraktijken rekening wordt gehouden. Tevens moet worden verduidelijkt, dat de criteria dienen te worden begrepen in samenhang met andere beginselen van Richtlijn 85/611/EEG. De definitie van geldmarktinstrumenten dient ook betrekking te hebben op financiële instrumenten die niet tot een gereglementeerde markt zijn toegelaten of daarop worden verhandeld en waarvoor Richtlijn 85/611/EEG aanvullende criteria vaststelt naast de algemene criteria die voor geldmarktinstrumenten gelden. Het is bijgevolg eveneens noodzakelijk, deze criteria te verduidelijken in het licht van de vereisten inzake de beleggersbescherming en met inachtneming van de in Richtlijn 85/611/EEG neergelegde beginselen, zoals de uit artikel 37 van die richtlijn voortvloeiende portefeuilleliquiditeit.

(10)

Op grond van Richtlijn 85/611/EEG moeten financiële derivaten als liquide financiële activa worden aangemerkt, indien zij aan de in genoemde richtlijn vastgelegde criteria voldoen. Het is noodzakelijk, een eenvormige toepassing van deze criteria te verzekeren. Tevens dient te worden verduidelijkt, dat deze criteria moeten worden opgevat op een wijze die strookt met de andere bepalingen van de richtlijn. Voorts dient te worden gepreciseerd, dat, indien kredietderivaten aan deze criteria voldoen, zij financiële derivaten in de zin van Richtlijn 85/611/EEG zijn en derhalve voor behandeling als liquide financiële activa in aanmerking komen.

(11)

De behoefte aan duidelijkheid is bijzonder dringend voor derivaten die op financiële indexen zijn gebaseerd. Thans bestaat er een breed scala aan financiële indexen die als onderliggende waarde voor een derivaat fungeren. Deze indexen variëren wat betreft de samenstelling en de weging van de componenten ervan. In al deze gevallen moet worden gewaarborgd, dat de icbe’s hun verplichtingen inzake de uit artikel 37 van Richtlijn 85/611/EEG voortvloeiende portefeuilleliquiditeit en de berekening van de intrinsieke waarde kunnen nakomen en dat deze verplichtingen niet in negatieve zin worden beïnvloed door de kenmerken van de onderliggende waarde van een derivaat. Verduidelijkt dient te worden, dat derivaten die gebaseerd zijn op financiële indexen waarvan de samenstelling voldoende gediversifieerd is, die voldoende representatief zijn voor de markt waarop zij betrekking hebben, en waarover passende gegevens betreffende de indexsamenstelling en indexberekening worden bekendgemaakt, onder de categorie derivaten vallen als liquide financiële activa. De nationale bevoegde autoriteiten zouden door middel van het Comité van Europese effectenregelgevers kunnen samenwerken, om tot gemeenschappelijke benaderingen te komen van de dagelijkse toepassing in de praktijk van deze criteria met betrekking tot indexen die gebaseerd zijn op activa die in de richtlijn niet specifiek als in aanmerking komende activa worden genoemd.

(12)

Richtlijn 85/611/EEG merkt effecten en geldmarktinstrumenten die een element met de vorm van een derivaat bevatten, als een subcategorie effecten en geldmarktinstrumenten aan. Het feit dat een effect of een geldmarktinstrument een element met de vorm van een derivaat bevat, betekent immers niet dat het gehele financiële instrument wordt omgevormd tot een financieel derivaat dat niet onder de definitie van effect of geldmarktinstrument valt. Bijgevolg dient te worden verduidelijkt, of een financieel derivaat als een in een ander instrument besloten element kan worden beschouwd. Voorts houdt het feit dat een derivaat in een effect of geldmarktinstrument is besloten, het risico in, dat de bij Richtlijn 85/611/EEG voor derivaten vastgestelde voorschriften worden omzeild. Om die reden eist de richtlijn, dat het in het effect of het geldmarktinstrument besloten element met de vorm van een derivaat moet worden geïdentificeerd en dat de vastgestelde voorschriften moeten worden nageleefd. Gezien het niveau van financiële innovatie ligt de identificatie van een dergelijk element echter niet altijd voor de hand. Teneinde in dit opzicht meer zekerheid te bieden, dienen criteria voor de identificatie van dergelijke elementen te worden vastgesteld.

(13)

Op grond van Richtlijn 85/611/EEG vallen de technieken en instrumenten met betrekking tot effecten of geldmarktinstrumenten welke worden gebezigd voor een goed portefeuillebeheer, niet onder de definitie van effecten en geldmarktinstrumenten. Om deze definities duidelijker af te bakenen, dienen criteria te worden vastgesteld ter bepaling van de transacties die onder deze technieken en instrumenten vallen. Ook moet eraan worden herinnerd, dat deze technieken en instrumenten moeten worden begrepen in samenhang met de andere op icbe’s rustende verplichtingen, met name wat het risicoprofiel betreft. Dat wil zeggen, dat zij moeten samenhangen met de bij Richtlijn 85/611/EEG vastgestelde risicobeheersregels en risicospreidingsregels, alsook met de in die richtlijn neergelegde beperkingen op verkopen vanuit een ongedekte positie en het opnemen van leningen.

(14)

Richtlijn 85/611/EEG stelt criteria vast voor het definiëren van icbe’s die obligatie- of aandelenindexen volgen. Icbe’s die aan deze criteria voldoen, genieten een soepeler behandeling wat de begrenzing van de concentratie van beleggingen in één en dezelfde uitgevende instelling betreft. Het is bijgevolg noodzakelijk, tot een duidelijk begrip van deze criteria te komen en de eenvormige toepassing ervan in alle lidstaten te waarborgen. Dit houdt in, dat meer duidelijkheid moet worden geschapen omtrent de vraag wanneer een icbe kan worden aangemerkt als een icbe die een index volgt, waardoor meer zekerheid wordt verschaft aangaande de voorwaarden die een dergelijke voorkeursbehandeling rechtvaardigen van icbe’s die indexen volgen.

(15)

Het Comité van Europese effectenregelgevers is geraadpleegd ter verkrijging van technisch advies.

(16)

De in deze richtlijn vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Europees Comité voor het effectenbedrijf,

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Voorwerp

Bij deze richtlijn worden voorschriften vastgesteld ter verduidelijking van de volgende termen met het oog op een eenvormige toepassing ervan:

1)

effecten, zoals omschreven in artikel 1, lid 8, van Richtlijn 85/611/EEG;

2)

geldmarktinstrumenten, zoals omschreven in artikel 1, lid 9, van Richtlijn 85/611/EEG;

3)

liquide financiële activa, zoals bedoeld in de definitie van icbe’s in artikel 1, lid 2, van Richtlijn 85/611/EEG, wat de financiële derivaten betreft;

4)

effecten en geldmarktinstrumenten die een derivaat omvatten, zoals bedoeld in artikel 21, lid 3, vierde alinea, van Richtlijn 85/611/EEG;

5)

technieken en instrumenten die worden gebezigd met het oog op een goed portefeuillebeheer, zoals bedoeld in artikel 21, lid 2, van Richtlijn 85/611/EEG;

6)

icbe’s die indexen volgen, zoals bedoeld in artikel 22 bis, lid 1, van Richtlijn 85/611/EEG.

Artikel 2

Artikel 1, lid 8, van Richtlijn 85/611/EEG

Effecten

1.   De verwijzing in artikel 1, lid 8, van Richtlijn 85/611/EEG naar effecten wordt opgevat als een verwijzing naar financiële instrumenten die aan de volgende criteria voldoen:

a)

het potentiële verlies dat de icbe als gevolg van het aanhouden van deze instrumenten kan lijden, is beperkt tot het bedrag dat ervoor is betaald;

b)

de liquiditeit ervan doet geen afbreuk aan het vermogen van de icbe om aan artikel 37 van Richtlijn 85/611/EEG te voldoen;

c)

betrouwbare waarderingen zijn voor deze instrumenten op de volgende wijze beschikbaar:

i)

in het geval van de in artikel 19, lid 1, onder a) tot en met d), van Richtlijn 85/611/EEG bedoelde effecten die zijn toegelaten tot of worden verhandeld op een gereglementeerde markt, in de vorm van accurate, betrouwbare en regelmatig bekendgemaakte prijzen die ofwel marktprijzen zijn, ofwel prijzen die beschikbaar worden gesteld door waarderingssystemen die onafhankelijk van de uitgevende instelling zijn;

ii)

in het geval van de in artikel 19, lid 2, van Richtlijn 85/611/EEG bedoelde andere effecten, in de vorm van een periodieke waardering die wordt afgeleid uit de gegevens van de uitgevende instelling van het effect of uit vakkundig onderzoek op beleggingsgebied;

d)

adequate informatie is voor deze instrumenten op de volgende wijze beschikbaar:

i)

in het geval van de in artikel 19, lid 1, onder a) tot en met d), van Richtlijn 85/611/EEG bedoelde effecten die zijn toegelaten tot of worden verhandeld op een gereglementeerde markt, door middel van een regelmatige, accurate en uitgebreide informatieverstrekking aan de markt over het effect of, in voorkomend geval, over de portefeuille van het effect;

ii)

in het geval van de in artikel 19, lid 2, van Richtlijn 85/611/EEG bedoelde andere effecten, door middel van een regelmatige en accurate informatieverstrekking aan de icbe over het effect of, in voorkomend geval, over de portefeuille van het effect;

e)

zij zijn verhandelbaar;

f)

de verwerving ervan strookt met de beleggingsdoelstellingen of het beleggingsbeleid, of met beide, van de icbe overeenkomstig Richtlijn 85/611/EEG;

g)

met de eraan verbonden risico’s wordt afdoende rekening gehouden in het kader van het risicobeheersproces van de icbe.

Voor de toepassing van de punten b) en e) van de eerste alinea en tenzij de icbe over informatie beschikt die tot een andere kwalificatie leidt, worden financiële instrumenten die overeenkomstig artikel 19, lid 1, onder a), b) of c), van Richtlijn 85/611/EEG zijn toegelaten tot of worden verhandeld op een gereglementeerde markt, geacht geen afbreuk te doen aan het vermogen van de icbe om aan artikel 37 van Richtlijn 85/611/EEG te voldoen, en worden tevens geacht verhandelbaar te zijn.

2.   De in artikel 1, lid 8, van Richtlijn 85/611/EEG bedoelde effecten omvatten de volgende instrumenten:

a)

de rechten van deelneming in fondsen van het „closed-end”-type die de vorm van beleggingsmaatschappijen en beleggingsfondsen hebben en die aan de volgende criteria voldoen:

i)

zij voldoen aan de criteria van lid 1;

ii)

zij zijn aan op ondernemingen toepasselijke corporate-governancemechanismen onderworpen;

iii)

ingeval een andere entiteit namens het fonds van het „closed-end”-type het vermogensbeheer uitoefent, is deze entiteit aan nationale regelgeving ter bescherming van de belegger onderworpen;

b)

de rechten van deelneming in fondsen van het „closed-end”-type die bij overeenkomst zijn geregeld en die aan de volgende criteria voldoen:

i)

zij voldoen aan de criteria van lid 1;

ii)

zij zijn aan corporate-governancemechanismen onderworpen die gelijkwaardig zijn aan de onder a), ii), bedoelde die op ondernemingen toepasselijk zijn;

iii)

zij worden beheerd door een entiteit die aan nationale regelgeving ter bescherming van de belegger is onderworpen;

c)

financiële instrumenten die aan de volgende criteria voldoen:

i)

zij voldoen aan de criteria van lid 1;

ii)

zij worden gedekt door of zijn gekoppeld aan de ontwikkeling van andere activa die kunnen verschillen van die welke in artikel 19, lid 1, van Richtlijn 85/611/EEG worden bedoeld.

3.   Ingeval een in lid 2, onder c), vallend financieel instrument een component in de vorm van een besloten derivaat zoals bedoeld in artikel 10 van de onderhavige richtlijn bevat, zijn de voorschriften van artikel 21 van Richtlijn 85/611/EEG op deze component van toepassing.

Artikel 3

Artikel 1, lid 9, van Richtlijn 85/611/EEG

Instrumenten die gewoonlijk op de geldmarkt worden verhandeld

1.   De verwijzing in artikel 1, lid 9, van Richtlijn 85/611/EEG naar geldmarktinstrumenten als instrumenten die gewoonlijk op de geldmarkt worden verhandeld, wordt opgevat als een verwijzing naar de volgende instrumenten:

a)

financiële instrumenten die overeenkomstig artikel 19, lid 1, onder a), b) en c), van Richtlijn 85/611/EEG zijn toegelaten tot of worden verhandeld op een gereglementeerde markt;

b)

financiële instrumenten die niet tot de handel zijn toegelaten.

2.   De verwijzing in artikel 1, lid 9, van Richtlijn 85/611/EEG naar geldmarktinstrumenten als instrumenten die gewoonlijk op de geldmarkt worden verhandeld, wordt opgevat als een verwijzing naar financiële instrumenten die aan een van de volgende criteria voldoen:

a)

zij hebben een looptijd bij uitgifte van ten hoogste 397 dagen;

b)

zij hebben een resterende looptijd van ten hoogste 397 dagen;

c)

de opbrengst ervan ondergaat regelmatig en ten minste om de 397 dagen een aanpassing die overeenkomt met de geldmarktontwikkelingen;

d)

het risicoprofiel ervan, met inbegrip van het krediet- en renterisico, stemt overeen met dat van financiële instrumenten die een in onder a) of b) bedoelde looptijd hebben of waarvan de opbrengst een onder c) bedoelde aanpassing ondergaat.

Artikel 4

Artikel 1, lid 9, van Richtlijn 85/611/EEG

Liquide instrumenten waarvan de waarde te allen tijde nauwkeurig kan worden vastgesteld

1.   De verwijzing in artikel 1, lid 9, van Richtlijn 85/611/EEG naar geldmarktinstrumenten als instrumenten die liquide zijn, wordt opgevat als een verwijzing naar financiële instrumenten die tegen beperkte kosten binnen een voldoende kort tijdsbestek kunnen worden vervreemd, rekening gehouden met de op de icbe rustende verplichting om haar rechten van deelneming op verzoek van een houder in te kopen of terug te betalen.

2.   De verwijzing in artikel 1, lid 9, van Richtlijn 85/611/EEG naar geldmarktinstrumenten als instrumenten waarvan de waarde te allen tijde nauwkeurig kan worden vastgesteld, wordt opgevat als een verwijzing naar financiële instrumenten waarvoor accurate en betrouwbare waarderingssystemen beschikbaar zijn die aan de volgende criteria voldoen:

a)

zij stellen de icbe in staat, een intrinsieke waarde te berekenen die overeenstemt met de waarde waartegen het in portefeuille gehouden financiële instrument zou kunnen worden verhandeld tussen ter zake goed ingelichte, tot een transactie bereid zijnde partijen die onafhankelijk zijn;

b)

zij zijn gebaseerd op marktgegevens of op waarderingsmodellen, met inbegrip van systemen die op de geamortiseerde kostprijs zijn gebaseerd.

3.   Aan de in de leden 1 en 2 vermelde criteria wordt geacht te zijn voldaan in het geval van gewoonlijk op de geldmarkt verhandelde financiële instrumenten in de zin van artikel 1, lid 9, van Richtlijn 85/611/EEG die overeenkomstig artikel 19, lid 1, onder a), b) of c), van genoemde richtlijn zijn toegelaten tot of worden verhandeld op een gereglementeerde markt, tenzij de icbe over informatie beschikt die tot een andere kwalificatie leidt.

Artikel 5

Artikel 19, lid 1, onder h), van Richtlijn 85/611/EEG

Instrumenten waarvan de emissie of de emittent aan regelgeving is onderworpen met het oog op de bescherming van beleggers en spaargelden

1.   De verwijzing in artikel 19, lid 1, onder h), van Richtlijn 85/611/EEG naar geldmarktinstrumenten die niet op een gereglementeerde markt worden verhandeld en waarvan de emissie of de emittent zelf aan regelgeving is onderworpen met het oog op de bescherming van beleggers en spaargelden, wordt opgevat als een verwijzing naar financiële instrumenten die aan de volgende criteria voldoen:

a)

zij voldoen aan een van de criteria van artikel 3, lid 2, en aan alle criteria van artikel 4, leden 1 en 2;

b)

er is passende informatie voor deze instrumenten beschikbaar, met inbegrip van informatie die een passende beoordeling van de aan een belegging in dergelijke instrumenten verbonden kredietrisico’s mogelijk maakt, rekening gehouden met de leden 2, 3 en 4 van dit artikel;

c)

zij zijn vrij overdraagbaar.

2.   Voor de onder artikel 19, lid 1, onder h), tweede en vierde streepje, van Richtlijn 85/611/EEG vallende geldmarktinstrumenten of voor de geldmarktinstrumenten die worden uitgegeven door een regionale of plaatselijke overheid van een lidstaat, dan wel door een internationale publiekrechtelijke instelling, maar die niet worden gegarandeerd door een lidstaat of, in geval van een federale staat die een lidstaat is, door een van de deelstaten van de federatie, houdt de in lid 1, onder b), van dit artikel bedoelde passende informatie het volgende in:

a)

informatie over zowel de uitgifte of het uitgifteprogramma als over de juridische en financiële situatie van de uitgevende instelling vóór de emissie van het geldmarktinstrument;

b)

actualisering van de onder a) bedoelde informatie op regelmatige basis en telkens als er zich een significante gebeurtenis voordoet;

c)

controle van de onder a) bedoelde informatie door ter zake gekwalificeerde derden die geen instructies aannemen van de uitgevende instelling;

d)

beschikbare en betrouwbare statistieken over de uitgifte of het uitgifteprogramma.

3.   Voor de onder artikel 19, lid 1, onder h), derde streepje, van Richtlijn 85/611/EEG vallende geldmarktinstrumenten houdt de in lid 1, onder b), van dit artikel bedoelde passende informatie het volgende in:

a)

informatie over de uitgifte of het uitgifteprogramma dan wel over de juridische en financiële situatie van de uitgevende instelling vóór de emissie van het geldmarktinstrument;

b)

actualisering van de onder a) bedoelde informatie op regelmatige basis en telkens als er zich een significante gebeurtenis voordoet;

c)

beschikbare en betrouwbare statistieken over de uitgifte of het uitgifteprogramma dan wel van andere gegevens die een adequate beoordeling van de aan een belegging in dergelijke instrumenten verbonden kredietrisico’s mogelijk maakt.

4.   Voor alle onder artikel 19, lid 1, onder h), eerste streepje, van Richtlijn 85/611/EEG vallende geldmarktinstrumenten, met uitzondering van die bedoeld in lid 2 van dit artikel en die welke door de Europese Centrale Bank of door een centrale bank van een lidstaat worden uitgegeven, houdt de in lid 1, onder b), van dit artikel bedoelde passende informatie inlichtingen in over de uitgifte of het uitgifteprogramma dan wel over de juridische en financiële situatie van de uitgevende instelling vóór de uitgifte van het geldmarktinstrument.

Artikel 6

Artikel 19, lid 1, onder h), van Richtlijn 85/611/EEG

Instelling die onderworpen is en voldoet aan bedrijfseconomische voorschriften die naar het oordeel van de bevoegde autoriteiten ten minste even stringent zijn als die welke in het Gemeenschapsrecht zijn vastgesteld

De verwijzing in artikel 19, lid 1, onder h), derde streepje, van Richtlijn 85/611/EEG naar een instelling die onderworpen is en voldoet aan bedrijfseconomische voorschriften die naar het oordeel van de bevoegde autoriteiten ten minste even stringent zijn als die welke in het Gemeenschapsrecht zijn vastgesteld, wordt opgevat als een verwijzing naar een uitgevende instelling die onderworpen is en voldoet aan bedrijfseconomische voorschriften en die tevens aan een van de volgende criteria voldoet:

1)

zij is gevestigd in de Europese Economische Ruimte;

2)

zij is gevestigd in de tot de Groep van Tien behorende OESO-landen;

3)

zij heeft ten minste een zodanige rating dat zij als investeringswaardig wordt aangemerkt;

4)

op basis van een diepgaande analyse van de uitgevende instelling kan worden aangetoond, dat de op deze uitgevende instelling toepasselijke bedrijfseconomische voorschriften ten minste even stringent zijn als die welke in het Gemeenschapsrecht zijn vastgesteld.

Artikel 7

Artikel 19, lid 1, onder h), van Richtlijn 85/611/EEG

Effectiseringsinstrumenten waarvoor een bankliquiditeitenlijn bestaat

1.   De verwijzing in artikel 19, lid 1, onder h), vierde streepje, van Richtlijn 85/611/EEG naar effectiseringsinstrumenten wordt opgevat als een verwijzing naar voor effectiseringsdoeleinden opgezette constructies in de vorm van een vennootschap of een trust of in een contractuele vorm.

2.   De verwijzing in artikel 19, lid 1, onder h), vierde streepje, van Richtlijn 85/611/EEG naar bankliquiditeitenlijnen wordt opgevat als een verwijzing naar bankfaciliteiten die worden gewaarborgd door een financiële instelling die zelf aan artikel 19, lid 1, onder h), derde streepje, van Richtlijn 85/611/EEG voldoet.

Artikel 8

Artikel 1, lid 2, en artikel 19, lid 1, onder g), van Richtlijn 85/611/EEG

Liquide financiële activa in verband met financiële derivaten

1.   De verwijzing in artikel 1, lid 2, van Richtlijn 85/611/EEG naar liquide financiële activa wordt met betrekking tot financiële derivaten opgevat als een verwijzing naar financiële derivaten die aan de volgende criteria voldoen:

a)

de onderliggende waarden ervan bestaan uit een of meer van de volgende elementen:

i)

de in artikel 19, lid 1, van Richtlijn 85/611/EEG opgesomde activa, met inbegrip van de financiële instrumenten die een of meer kenmerken van deze activa bezitten;

ii)

rentetarieven;

iii)

wisselkoersen of valuta’s;

iv)

financiële indexen;

b)

in het geval van OTC-derivaten wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 19, lid 1, onder g), tweede en derde streepje, van Richtlijn 85/611/EEG.

2.   De in artikel 19, lid 1, onder g), van Richtlijn 85/611/EEG bedoelde financiële derivaten worden geacht instrumenten te omvatten die aan de volgende criteria voldoen:

a)

zij maken de overdracht van het kredietrisico van een in lid 1, onder a), van dit artikel bedoeld activum mogelijk, onafhankelijk van de andere risico’s die aan dit activum zijn verbonden;

b)

zij resulteren niet in de levering of overdracht, met inbegrip in de vorm van contanten, van andere activa dan die welke zijn bedoeld in artikel 19, leden 1 en 2, van Richtlijn 85/611/EEG;

c)

zij voldoen aan de criteria voor OTC-derivaten welke zijn vastgesteld in artikel 19, lid 1, onder g), tweede en derde streepje, van Richtlijn 85/611/EEG en in de leden 3 en 4 van het onderhavige artikel;

d)

met de risico’s ervan wordt afdoende rekening gehouden bij het risicobeheersproces van de icbe en bij haar interne controlemechanismen ingeval zich de kans voordoet op informatieasymmetrie tussen de icbe en de wederpartij bij het kredietderivaat, als gevolg van de mogelijke toegang van de wederpartij tot niet-openbare informatie over ondernemingen waarvan de activa worden gebruikt als onderliggende waarden door kredietderivaten.

3.   Voor de toepassing van artikel 19, lid 1, onder g), derde streepje, van Richtlijn 85/611/EEG wordt de verwijzing naar de waarde in het economische verkeer opgevat als een verwijzing naar het bedrag waarvoor een activum kan worden verhandeld, of een verplichting kan worden afgewikkeld, tussen ter zake goed ingelichte, tot een transactie bereid zijnde, onafhankelijke partijen in een transactie onder normale mededingingsvoorwaarden.

4.   Voor de toepassing van artikel 19, lid 1, onder g), derde streepje, van Richtlijn 85/611/EEG wordt de verwijzing naar een betrouwbare en verifieerbare waardering opgevat als een verwijzing naar een door de icbe verrichte waardering die overeenstemt met de in lid 3 van het onderhavige artikel bedoelde waarde in het economische verkeer, die niet slechts op de marktnoteringen van de wederpartij is gebaseerd en die aan de volgende criteria voldoet:

a)

de grondslag voor de waardering is ofwel een betrouwbare actuele marktwaarde van het instrument ofwel, indien een dergelijke waarde niet beschikbaar is, een prijsbepalingsmodel waarbij van een passende en erkende methode gebruik wordt gemaakt;

b)

de waardering wordt door een van de volgende parijen geverifieerd:

i)

een passende derde die onafhankelijk is van de wederpartij van het OTC-derivaat; de verificatie geschiedt met een passende frequentie en op een zodanige wijze dat de icbe deze kan controleren;

ii)

een eenheid binnen de icbe die onafhankelijk is van de met het vermogensbeheer belaste afdeling en die daartoe voldoende is toegerust.

5.   De verwijzing in artikel 1, lid 2, en artikel 19, lid 1, onder g), van Richtlijn 85/611/EEG naar liquide financiële activa wordt opgevat als een uitsluiting van van grondstoffen afgeleide instrumenten.

Artikel 9

Artikel 19, lid 1, onder g), van Richtlijn 85/611/EEG

Financiële indexen

1.   De verwijzing in artikel 19, lid 1, onder g), van Richtlijn 85/611/EEG naar financiële indexen wordt opgevat als een verwijzing naar indexen die aan de volgende criteria voldoen:

a)

zij zijn voldoende gediversifieerd, in die zin dat aan de volgende criteria is voldaan:

i)

de index is op een zodanige wijze samengesteld, dat prijsbewegingen of handelsactiviteiten die op een component ervan betrekking hebben, geen onevenredige invloed op de ontwikkeling van de gehele index hebben;

ii)

ingeval de index is samengesteld uit in artikel 19, lid 1, van Richtlijn 85/611/EEG bedoelde activa, is de samenstelling ervan ten minste gediversifieerd overeenkomstig artikel 22 bis van genoemde richtlijn;

iii)

ingeval de index is samengesteld uit andere dan de in artikel 19, lid 1, van Richtlijn 85/611/EEG bedoelde activa, is deze gediversifieerd op een wijze die gelijkwaardig is aan die welke bij artikel 22 bis van genoemde richtlijn is bepaald;

b)

zij zijn voldoende representatief voor de markt waarop zij betrekking hebben, in die zin dat aan de volgende criteria is voldaan:

i)

de index geeft op relevante en passende wijze de ontwikkeling weer van een representatieve groep onderliggende waarden;

ii)

de index wordt periodiek herzien of herijkt op basis van voor het publiek beschikbare criteria om ervoor te zorgen dat hij een afspiegeling blijft vormen van de markten waarop hij betrekking heeft;

iii)

de onderliggende waarden zijn zodanig liquide, dat de gebruikers indien nodig de index kunnen reconstrueren;

c)

zij worden op passende wijze bekendgemaakt, in die zin dat aan de volgende criteria is voldaan:

i)

het proces voor de bekendmaking ervan berust op gedegen procedures voor de verzameling van de prijzen en voor de berekening en vervolgens de publicatie van de indexwaarde en omvat tevens prijsbepalingsprocedures voor componenten waarvoor geen marktprijs beschikbaar is;

ii)

wezenlijke gegevens over aangelegenheden, zoals de methode voor de berekening en herijking van de index, indexwijzigingen en operationele moeilijkheden bij het verstrekken van actuele of nauwkeurige informatie worden tijdig en op ruime schaal verstrekt.

2.   Ingeval de samenstelling van de activa die door de financiële derivaten overeenkomstig artikel 19, lid 1, van Richtlijn 85/611/EEG als onderliggende waarden worden gebruikt, niet voldoet aan de criteria van lid 1 van het onderhavige artikel, worden deze financiële derivaten, mits zij voldoen aan de criteria van artikel 8, lid 1, van de onderhavige richtlijn, aangemerkt als financiële derivaten die gebaseerd zijn op een combinatie van de in artikel 8, lid 1, onder a), i), ii) en iii), bedoelde activa.

Artikel 10

Artikel 21, lid 3, vierde alinea, van Richtlijn 85/611/EEG

Effecten en geldmarktinstrumenten die derivaten bevatten

1.   De verwijzing in artikel 21, lid 3, vierde alinea, van Richtlijn 85/611/EEG naar effecten die een derivaat omvatten, wordt opgevat als een verwijzing naar financiële instrumenten die voldoen aan de criteria van artikel 2, lid 1, van de onderhavige richtlijn en die een component omvatten die aan de volgende criteria voldoet:

a)

op grond van de betrokken component kunnen sommige of alle kasstromen die anders uit hoofde van het als basiscontract fungerende effect vereist zouden zijn, worden gewijzigd volgens een gespecificeerde rentevoet, prijs van een financieel instrument, wisselkoers, koers- of prijsindex, kredietrating, kredietindex of andere variabele, en bijgevolg op eenzelfde wijze variëren als een losstaand derivaat;

b)

de economische kenmerken en risico’s van het component houden geen nauw verband met de economische kenmerken en risico’s van het basiscontract;

c)

hij heeft een significant effect op het risicoprofiel en de prijsvorming van het effect.

2.   De geldmarktinstrumenten die voldoen aan een van de criteria van artikel 3, lid 2, en aan alle criteria van artikel 4, leden 1 en 2, en die een component bevatten die voldoet aan de criteria van lid 1 van het onderhavige artikel, worden aangemerkt als geldmarktinstrumenten dat een derivaat omvatten.

3.   Een effect of een geldmarktinstrument wordt niet geacht een derivaat te omvatten, wanneer het een component bevat die onafhankelijk van het effect of het geldmarktinstrument contractueel overdraagbaar is. Een dergelijke component wordt als een afzonderlijk financieel instrument beschouwd.

Artikel 11

Artikel 21, lid 2, van Richtlijn 85/611/EEG

Technieken en instrumenten die worden gebezigd met het oog op een goed portefeuillebeheer

1.   De verwijzing in artikel 21, lid 2, van Richtlijn 85/611/EEG naar technieken en instrumenten die betrekking hebben op effecten en welke worden gebezigd met het oog op een goed portefeuillebeheer, wordt opgevat als een verwijzing naar technieken en instrumenten die aan de volgende criteria voldoen:

a)

zij zijn economisch gepast in die zin dat zij kostendoelmatig zijn;

b)

zij worden gehanteerd met het oog op de verwezenlijking van een of meer van de volgende specifieke doelstellingen:

i)

de vermindering van de risico’s;

ii)

de terugbrenging van de kosten;

iii)

het genereren van extra kapitaal of inkomsten voor de icbe, waarbij het daaraan verbonden risico samenhangt met het risicoprofiel van de icbe en de in artikel 22 van Richtlijn 85/611/EEG neergelegde risicospreidingsregels;

c)

met de aan deze technieken en instrumenten verbonden risico’s wordt afdoende rekening gehouden in het kader van het risicobeheersproces van de icbe.

2.   De technieken en instrumenten die aan de criteria van lid 1 voldoen en die op geldmarktinstrumenten betrekking hebben, worden aangemerkt als technieken en instrumenten met betrekking tot geldmarktinstrumenten welke worden gebezigd met het oog op een goed portefeuillebeheer, zoals bedoeld in artikel 21, lid 2, van Richtlijn 85/611/EEG.

Artikel 12

Artikel 22 bis, lid 1, van Richtlijn 85/611/EEG

Icbe’s die een index volgen

1.   De verwijzing in artikel 22 bis, lid 1, van Richtlijn 85/611/EEG naar het volgen van de samenstelling van een bepaalde aandelen- of obligatie-index wordt opgevat als een verwijzing naar het volgen van de samenstelling van de onderliggende activa van de index, onder meer ook met gebruikmaking van derivaten of andere technieken en instrumenten zoals bedoeld in artikel 21, lid 2, van Richtlijn 85/611/EEG en artikel 11 van de onderhavige richtlijn.

2.   De verwijzing in artikel 22 bis, lid 1, eerste streepje, van Richtlijn 85/611/EEG naar een index waarvan de samenstelling voldoende gediversifieerd is, wordt opgevat als een verwijzing naar een index die voldoet aan de in artikel 22 bis, lid 1, van genoemde richtlijn vastgelegde risicospreidingsregels.

3.   De verwijzing in artikel 22 bis, lid 1, tweede streepje, van Richtlijn 85/611/EEG naar een index die voldoende representatief is, wordt opgevat als een verwijzing naar een index waarvan de opsteller gebruikmaakt van een erkende methode die in het algemeen niet resulteert in de uitsluiting van een belangrijke uitgevende instelling op de markt waarop de index betrekking heeft.

4.   De verwijzing in artikel 22 bis, lid 1, derde streepje, van Richtlijn 85/611/EEG naar een index die op passende wijze wordt bekendgemaakt, wordt opgevat als een verwijzing naar een index die aan de volgende criteria voldoet:

a)

hij is toegankelijk voor het publiek;

b)

de opsteller van de index is onafhankelijk van de icbe die de index volgt.

Punt b) belet niet, dat opstellers van indexen en de icbe deel uitmaken van dezelfde economische groep, op voorwaarde dat effectieve regelingen zijn getroffen voor het beheer van belangenconflicten.

Artikel 13

Omzetting

1.   De lidstaten dienen uiterlijk op 23 maart 2008 de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen en bekend te maken om aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mee, alsmede een tabel ter weergave van het verband tussen die bepalingen en deze richtlijn.

Zij passen die bepalingen toe vanaf 23 juli 2008.

Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor die verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2.   De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mee die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 14

Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de derde dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 15

Adressaten

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 19 maart 2007.

Voor de Commissie

Charlie McCREEVY

Lid van de Commissie


(1)  PB L 375 van 31.12.1985, blz. 3. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2005/1/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 79 van 24.3.2005, blz. 9).


Top