Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32007E0140

Gemeenschappelijk Standpunt 2007/140/GBVB van de Raad van 27 februari 2007 betreffende beperkende maatregelen tegen Iran

OJ L 61, 28.2.2007, p. 49–55 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, IT, LV, LT, HU, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)
OJ L 4M , 8.1.2008, p. 155–161 (MT)

No longer in force, Date of end of validity: 25/07/2010; opgeheven door 32010D0413

ELI: http://data.europa.eu/eli/compos/2007/140/oj

28.2.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 61/49


GEMEENSCHAPPELIJK STANDPUNT 2007/140/GBVB VAN DE RAAD

van 27 februari 2007

betreffende beperkende maatregelen tegen Iran

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name op artikel 15,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 23 december 2006 heeft de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties Resolutie 1737 (2006) (UNSCR 1737 (2006)) aangenomen, waarin Iran wordt aangemaand bepaalde proliferatiegevoelige nucleaire activiteiten onverwijld te staken, en waarbij enkele beperkende maatregelen tegen Iran worden afgekondigd.

(2)

De Raad van de Europese Unie toonde zich op 22 januari 2007 ingenomen met de maatregelen vervat in Resolutie 1737 (2006) van de VN-Veiligheidsraad en riep alle landen op ze volledig en onverwijld uit te voeren.

(3)

UNSCR 1737 (2006) verbiedt het al dan niet rechtstreeks leveren, verkopen en overdragen aan Iran van artikelen, materieel, uitrusting, goederen en technologie die Iran van nut zouden kunnen zijn bij met verrijking, opwerking of zwaar water verband houdende activiteiten, of bij de ontwikkeling van systemen voor de overbrenging van kernwapens. De artikelen, materieel, uitrusting, goederen en technologie komen voor op de lijsten van de Groep van Nucleaire Exportlanden en het Missile Technology Control Regime.

(4)

UNSCR 1737 (2006) verbiedt tevens het verstrekken van technische bijstand of opleiding, financiële bijstand, investeringen, tussenhandel en andere diensten die verband houden met voorwerpen waarvoor een exportverbod geldt. De Raad acht het raadzaam dit verbod ook te laten gelden voor alle artikelen die voorkomen op de lijsten van de Groep van Nucleaire Exportlanden en het Missile Technology Control Regime en vindt dat ook financiering onder dit verbod moet vallen.

(5)

UNSCR 1737 (2006) bepaalt dat de uitvoer van bepaalde andere artikelen ook moet worden verboden indien vastgesteld wordt dat zij zouden bijdragen tot activiteiten in verband met verrijking, opwerking of zwaar water of tot de ontwikkeling van systemen voor de overbrenging van kernwapens, of activiteiten waarover het IAEA zijn bezorgdheid heeft uitgesproken. De export van die artikelen moet derhalve afhankelijk gesteld worden van een vergunning die door de bevoegde autoriteiten van de lidstaten wordt verleend.

(6)

UNSCR 1737 (2006) verbiedt tevens dat onder het bovengenoemde exportverbod vallende artikelen van Iran worden aangekocht.

(7)

UNSCR 1737 (2006) roept de lidstaten op tot waakzaamheid ten aanzien van de binnenkomst in of doorreis over hun grondgebied van personen die zich bezighouden met, direct betrokken zijn bij, dan wel medewerking verlenen aan de proliferatiegevoelige nucleaire activiteiten van Iran, als genoemd in de bijlage bij UNSCR 1737 (2006), en van andere personen op wie de Veiligheidsraad of het overeenkomstig punt 18 van UNSCR 1737 (2006) ingestelde Comité („het Comité”) doelt.

(8)

Overeenkomstig de conclusies van de Raad van 22 januari 2007 en de doelstellingen van UNSCR 1737 (2006), moeten beperkingen gelden voor de toelating van personen op wie de Veiligheidsraad of het Comité doelt en voor de toelating van andere personen overeenkomstig dezelfde criteria als die welke de Veiligheidsraad of het Comité hanteren om de betrokkenen te identificeren.

(9)

UNSCR 1737 (2006) schrijft tevens voor dat alle tegoeden, andere financiële activa en economische middelen worden bevroren welke direct of indirect in het bezit zijn, eigendom zijn of onder het beheer staan van, hetzij personen of entiteiten die, volgens de Veiligheidsraad of het Comité, zich bezighouden met, direct betrokken zijn bij, dan wel medewerking verlenen aan, proliferatiegevoelige nucleaire activiteiten van Iran of de ontwikkeling van systemen voor de overbrenging van kernwapens, hetzij personen of entiteiten die namens hen of op hun aanwijzing handelen; hetzij entiteiten ten aanzien waarvan zij — ook op onrechtmatige wijze — de eigendom of de zeggenschap hebben; evenmin mogen er tegoeden, financiële activa of economische middelen aan of ten behoeve van die personen of entiteiten ter beschikking worden gesteld.

(10)

Conform de conclusies van de Raad van 22 januari 2007 en met het oog op de verwezenlijking van doelstellingen van UNSCR 1737 (2006), moeten de restrictieve maatregelen van overweging 9 ook van toepassing zijn op andere personen en entiteiten, overeenkomstig dezelfde criteria dan die welke de Veiligheidsraad of het Comité toepast om de betrokkenen te identificeren.

(11)

UNSCR 1737 (2006) roept de lidstaten op waakzaamheid te betrachten en te verhinderen dat gespecialiseerde vorming of opleiding aan Iraanse onderdanen wordt verstrekt, die bijdraagt aan proliferatiegevoelige nucleaire activiteiten van Iran en aan de ontwikkeling van systemen voor de overbrenging van kernwapens.

(12)

Voor de uitvoering van bepaalde maatregelen is een optreden van de Gemeenschap nodig,

HEEFT HET VOLGENDE GEMEENSCHAPPELIJK STANDPUNT VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   De directe of indirecte levering, verkoop of overdracht, ongeacht het land van herkomst, aan Iran, dan wel ten gebruike door of ten behoeve van Iran, door onderdanen van de lidstaten, dan wel over het grondgebied van de lidstaten of met gebruikmaking van onder hun vlag varende schepen of van luchtvaartuigen van hun nationale luchtvaartmaatschappijen, is verboden ten aanzien van de artikelen, het materieel, de uitrusting, de goederen en de technologie, met inbegrip van programmatuur, als hierna aangegeven:

a)

de artikelen, het materieel, de uitrusting, de goederen en de technologie die voorkomen op de lijsten van de Groep van Nucleaire Exportlanden en het Missile Technology Control Regime.

b)

alle andere artikelen, materieel, uitrusting, goederen en technologie, die volgens de Veiligheidsraad of het Comité kunnen bijdragen tot met verrijking, opwerking of zwaar water verband houdende activiteiten, of tot de ontwikkeling van systemen voor de overbrenging van kernwapens.

2.   Tevens is het verboden:

a)

aan personen, entiteiten of lichamen in Iran, of voor gebruik in Iran, direct of indirect technische bijstand of opleiding, investeringen of diensten als tussenhandelaar te verstrekken in verband met artikelen, materialen, uitrusting, goederen en technologie, bedoeld in lid 1, en in verband met het verstrekken, vervaardigen, onderhouden en gebruiken van die artikelen, materialen, uitrusting, goederen en technologie;

b)

aan personen, entiteiten of lichamen in Iran, of voor gebruik in Iran, in verband met de in lid 1 bedoelde artikelen en technologie direct of indirect financieringsmiddelen of financiële bijstand, in het bijzonder subsidies, leningen en exportkredietverzekering, te verstrekken voor de verkoop, levering, overdracht of uitvoer van die artikelen en technologie, of voor het verlenen van daarmee verband houdende technische opleiding, diensten of bijstand;

c)

bewust of opzettelijk deel te nemen aan activiteiten die ertoe strekken of tot gevolg hebben dat de in a) en b) bedoelde verbodsbepalingen worden omzeild.

3.   De artikelen, het materieel, de uitrusting, goederen en technologie, als bedoeld in lid 1 en al dan niet afkomstig van het grondgebied van Iran, mogen niet worden aangekocht van Iran door onderdanen van de lidstaten, of met gebruik van onder hun vlag varende schepen of van vliegtuigen van hun nationale luchtvaartmaatschappij.

Artikel 2

1.   De rechtstreekse of indirecte levering, verkoop of overdracht aan Iran, dan wel ten gebruike door of ten behoeve van Iran, door onderdanen van de lidstaten, over het grondgebied van de lidstaten of met gebruikmaking van onder hun vlag varende schepen of van luchtvaartuigen van hun nationale luchtvaartmaatschappij, van artikelen, materieel, uitrusting, goederen en technologie, met inbegrip van programmatuur, die niet onder artikel 1 vallen, en die kunnen bijdragen tot met verrijking, opwerking of zwaar water verband houdende activiteiten of tot de ontwikkeling van systemen voor de overbrenging van kernwapens of voor de uitoefening van activiteiten in verband met andere thema's waarover het IAEA zijn bezorgdheid heeft uitgesproken of heeft verklaard dat er nog geen duidelijkheid bestaat, wordt derhalve afhankelijk gesteld van een vergunning waarover door de bevoegde autoriteiten van de lidstaten per geval een besluit wordt genomen. De Europese Gemeenschap neemt de nodige maatregelen om te bepalen welke artikelen onder deze bepalingen moeten vallen.

2.   Het verstrekken van:

a)

technische bijstand of opleiding, investeringen of diensten als tussenhandelaar, direct of indirect, in verband met artikelen, materieel, uitrusting, goederen en technologie, bedoeld in lid 1, en in verband met het verstrekken, vervaardigen, onderhouden en gebruiken daarvan, aan personen, entiteiten of lichamen in Iran, of voor gebruik in Iran;

b)

financieringsmiddelen of financiële bijstand in verband met de in lid 1 bedoelde artikelen en technologie, in het bijzonder subsidies, leningen en exportkredietverzekering, voor de verkoop, levering, overdracht of uitvoer van die artikelen, of voor het verlenen van daarmee verband houdende technische opleiding, diensten of bijstand, direct of indirect, aan personen, entiteiten of lichamen in Iran, of voor gebruik in Iran.

is eveneens onderworpen aan een vergunning van de bevoegde autoriteit van de exporterende lidstaat.

3.   De bevoegde autoriteiten van de lidstaten verlenen geen vergunning voor het leveren, verkopen en overdragen aan Iran van artikelen, materieel, uitrusting, goederen en technologie bedoeld in lid 1, indien zij oordelen dat de bedoelde verkoop, levering, overdracht of uitvoer, dan wel het leveren van de betrokken dienst, zou bijdragen tot de in lid 1 bedoelde activiteiten.

Artikel 3

De in artikel 1, leden 1 en 2, vervatte maatregelen zijn niet van toepassing ten aanzien van artikelen en bijstand waarvan het Comité, vooraf en per geval, bepaalt dat de levering, verkoop, overdracht of verstrekking kennelijk niet zal bijdragen aan de ontwikkeling van Iraanse technologie waarmee proliferatiegevoelige nucleaire activiteiten en de ontwikkeling van systemen voor de overbrenging van kernwapens worden ondersteund, daaronder begrepen de gevallen waarin de voorwerpen of de bijstand bestemd zijn voor voedselvoorziening, landbouw, medische zorg of andere humanitaire doeleinden, op voorwaarde dat:

a)

de desbetreffende contracten adequate waarborgen omtrent het eindgebruik bevatten, en

b)

Iran zich ertoe verbonden heeft de voorwerpen niet te gebruiken bij proliferatiegevoelige nucleaire activiteiten of voor de ontwikkeling van systemen voor de overbrenging van kernwapens.

Artikel 4

1.   De lidstaten nemen de nodige maatregelen om binnenkomst in of doorreis over hun grondgebied te beletten van:

a)

personen genoemd in de bijlage bij UNSCR 1737 (2006), en van andere personen op wie de Veiligheidsraad of het Comité doelt overeenkomstig punt 10 van UNSCR 1737. Die personen worden in bijlage I opgesomd.

b)

andere personen die niet vallen onder bijlage I, en die zich bezighouden met, rechtstreeks betrokken zijn bij, dan wel steun verlenen aan, proliferatiegevoelige nucleaire activiteiten van Iran of de ontwikkeling van systemen voor de overbrenging van kernwapens, met name doordat zij betrokken zijn bij de aanschaf van de artikelen, de goederen, de uitrusting, het materieel en de technologie in bijlage II, waarvoor een verbod geldt.

2.   Lid 1 houdt niet in dat de lidstaten verplicht zijn hun eigen onderdanen de toegang tot het grondgebied te ontzeggen.

3.   Lid 1 laat de gevallen onverlet waarin lidstaten uit hoofde van het internationale recht gebonden zijn, en wel:

i)

als gastland van een internationale intergouvernementele organisatie;

ii)

als gastland van een internationale conferentie die is bijeengeroepen door, of plaatsvindt onder auspiciën van, de Verenigde Naties;

iii)

krachtens een multilaterale overeenkomst die voorrechten en immuniteiten verleent;

iv)

krachtens het Concordaat (Verdrag van Lateranen) van 1929 dat werd gesloten tussen de Heilige Stoel (Vaticaanstad) en Italië.

4.   Lid 3 is ook van toepassing op gevallen waarin een lidstaat optreedt als gastland van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE).

5.   De Raad wordt naar behoren geïnformeerd over alle gevallen waarin een lidstaat krachtens lid 3 of lid 4 een ontheffing verleent.

6.   De lidstaten kunnen ontheffing voor het nemen van de krachtens lid 1 opgelegde maatregelen verlenen indien zij van oordeel zijn dat een reis gerechtvaardigd is op grond van:

i)

dringende humanitaire noden, met inbegrip van religieuze verplichtingen,

ii)

de noodzaak te voldoen aan de doelstellingen van UNSCR 1737 (2006), ook wanneer artikel XV van het statuut van de IAEA in het geding is,

iii)

het bijwonen van vergaderingen van intergouvernementele instanties, met inbegrip van door de Europese Unie geïnitieerde vergaderingen, of vergaderingen waarvoor een lidstaat als fungerend voorzitter van de OVSE als gastheer optreedt, wanneer een politieke dialoog wordt gevoerd waarbij de democratie, de mensenrechten en de rechtsstaat in Iran rechtstreeks worden bevorderd.

7.   Een lidstaat die de in lid 6 bedoelde ontheffingen wil verlenen, brengt zulks schriftelijk ter kennis van de Raad. De ontheffing wordt geacht te zijn toegestaan, tenzij één of meer leden van de Raad binnen twee werkdagen na ontvangst van de kennisgeving van de voorgestelde vrijstelling, schriftelijk bezwaar maken bij de Raad. Indien één of meer leden van de Raad bezwaar maken, kan de Raad met een gekwalificeerde meerderheid van stemmen besluiten de voorgestelde ontheffing te verlenen.

8.   Wanneer een lidstaat krachtens de leden 3, 4, en 6 een machtiging verleent tot binnenkomst op of doorreis via zijn grondgebied van in de bijlage I of II vermelde personen, dan geldt deze machtiging uitsluitend voor het doel waarvoor ze is verleend en voor de daarbij betrokken personen.

9.   Indien ontheffing is verleend, stellen de lidstaten het Comité in kennis van de binnenkomst op of de doorreis over hun grondgebied van de in bijlage I genoemde personen.

Artikel 5

1.   Alle tegoeden en economische middelen die direct of indirect in het bezit zijn, eigendom zijn, of onder het beheer staan van

a)

personen en entiteiten die zijn aangewezen in de bijlage bij UNSCR 1737, en van andere personen of entiteiten die door de Veiligheidsraad of het Comité zijn aangewezen overeenkomstig punt 12 van UNSCR 1737. Die personen of entiteiten worden in bijlage I opgesomd,

b)

niet onder bijlage I vallende personen en entiteiten die zich bezighouden met, rechtstreeks betrokken zijn bij, dan wel steun verlenen aan, proliferatiegevoelige nucleaire activiteiten van Iran of de ontwikkeling van systemen voor de overbrenging van kernwapens, hetzij personen of entiteiten die namens hen of op hun aanwijzing handelen, hetzij entiteiten ten aanzien waarvan zij — ook op onrechtmatige wijze — de eigendom of de zeggenschap hebben, zoals opgesomd in bijlage II, worden bevroren.

2.   Tegoeden of economische middelen worden, direct noch indirect, aan of ten behoeve van de in lid 1 bedoelde personen of entiteiten ter beschikking gesteld.

3.   Uitzonderingen kunnen worden toegestaan voor tegoeden en economische middelen die:

a)

noodzakelijk zijn om te voorzien in basisbehoeften, zoals betalingen voor voedsel, huur of hypotheeklasten, geneesmiddelen of geneeskundige behandelingen, belastingen, verzekeringspremies en openbare voorzieningen;

b)

uitsluitend bestemd zijn voor de betaling van redelijke honoraria en vergoeding van gemaakte kosten in verband met de verlening van juridische diensten;

c)

uitsluitend bestemd zijn voor de betaling van honoraria of kosten, overeenkomstig het nationaal recht, voor alleen het houden of beheren van bevroren tegoeden en economische middelen,

mits de betrokken lidstaat het Comité kennis heeft gegeven van zijn voornemen om, naar gelang van het geval, de toegang tot de tegoeden en economische middelen toe te staan, en het Comité niet binnen vijf werkdagen na de kennisgeving een negatief besluit heeft genomen.

4.   Tevens kunnen uitzonderingen worden toegestaan voor tegoeden en economische middelen die:

a)

noodzakelijk zijn ter dekking van buitengewone uitgaven, na kennisgeving door de betrokken lidstaat aan het Comité en goedkeuring door het Comité;

b)

het voorwerp zijn van een justitieel, administratief of arbitrair retentierecht of vonnis, in welk geval de tegoeden en economische middelen kunnen worden gebruikt om het retentierecht uit te oefenen of het vonnis ten uitvoer te leggen, mits het retentierecht of het vonnis dateert van vóór de datum van inwerkingtreding van UNSCR 1737 (2006), en niet ten goede komt aan een in lid 1 bedoelde persoon of entiteit; de uitzondering wordt toegestaan na kennisgeving door de betrokken lidstaat aan het Comité.

5.   Lid 2 is niet van toepassing op de bijboeking op bevroren rekeningen van:

a)

rente of andere inkomsten op bevroren rekeningen; of

b)

betalingen op bevroren rekeningen die verschuldigd zijn wegens contracten, overeenkomsten of verplichtingen die vóór 23 december 2006 zijn gesloten of zijn ontstaan,

mits deze rente, andere inkomsten en betalingen onder lid 1 blijven vallen.

6.   Lid 1 belet niet dat een aangewezen persoon of entiteit betalingen doet die verschuldigd zijn wegens een contract dat is gesloten voordat de persoon of entiteit op de lijst werd geplaatst, mits de betrokken lidstaat heeft bepaald dat:

a)

het contract geen verband houdt met de artikelen, het materieel, de uitrusting, de goederen, de technologie, de opleiding, de financiële bijstand, de investeringen, de tussenhandel en de diensten, bedoeld in artikel 1;

b)

de betaling niet direct of indirect wordt ontvangen door een in lid 1 bedoelde persoon of entiteit;

de betaling geschiedt nadat de betrokken lidstaat het Comité kennis heeft gegeven van hun voornemen de betaling te verrichten of te ontvangen, dan wel te dien einde, naar gelang van het geval, toestemming te verlenen tot het vrijgeven van de bevroren tegoeden of economische middelen, tien werkdagen voordat de toestemming wordt verleend.

Artikel 6

De lidstaten nemen overeenkomstig hun nationale wetgeving de nodige maatregelen om te verhinderen dat, op hun grondgebied of door hun onderdanen, gespecialiseerde vorming of opleiding aan Iraanse onderdanen wordt verstrekt, die bijdraagt aan proliferatiegevoelige activiteiten van Iran en aan de ontwikkeling van systemen voor de overbrenging van kernwapens.

Artikel 7

1.   De Raad wijzigt bijlage I op basis van de vaststellingen van de Veiligheidsraad of het Comité.

2.   De Raad stelt de lijst in bijlage II vast en keurt wijzigingen daarin goed, op voorstel van lidstaten of de Commissie met eenparigheid van stemmen.

Artikel 8

1.   Dit gemeenschappelijk standpunt wordt, met name in het licht van de toepasselijke UNSC-besluiten, naar gelang van het geval herzien, gewijzigd of ingetrokken.

2.   De in artikel 4, lid 1, onder b), en in artikel 5, lid 1, onder b), bedoelde maatregelen worden met regelmatige tussenpozen en ten minste om de 12 maanden opnieuw bezien. Zij zijn niet meer van toepassing ten aanzien van de betrokken personen of entiteiten indien de Raad overeenkomstig de in artikel 7, lid 2, bedoelde procedure vaststelt dat niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden voor de toepassing ervan.

Artikel 9

Dit gemeenschappelijk standpunt treedt in werking op de dag van zijn vaststelling.

Artikel 10

Dit gemeenschappelijk standpunt wordt in het Publicatieblad van de Europese Unie bekendgemaakt.

Gedaan te Brussel, 27 februari 2007.

Voor de Raad

De voorzitter

P. STEINBRÜCK


BIJLAGE I

Lijst van de in artikel 4, lid 1, onder a), en in artikel 5, lid 1, onder a), bedoelde personen en entiteiten

A.

Natuurlijke Personen

1.

Mohammad Qannadi, vice-president onderzoek en ontwikkeling AEIO

2.

Behman Asgarpour, operationeel directeur (Arak)

3.

Dawood Agha-Jani, hoofd PFEP (Natanz)

4.

Ehsan Monajemi, directeur bouwprojecten, Natanz

5.

Jafar Mohammadi, technisch adviseur AEOI (beheert de productie van kleppen voor centrifuges)

6.

Ali Hajinia Leilabadi, algemeen directeur Mesbah Energy Company

7.

Luitenant-generaal Mohammad Mehdi Nejad Nouri, rector van de Malek Ashtar universiteit voor defensietechnologie (departement scheikunde, verbonden aan MODALF, heeft experimenten met beryllium uitgevoerd)

8.

Generaal Hosein Salimi, bevelhebber van de luchtmacht, IRGC (Pasdaran)

9.

Ahmad Vahid Dastjerdi, hoofd van de AIO

10.

Reza-Gholi Esmaeli, hoofd van het departement handel en internationale aangelegenheden, AIO

11.

Bahmanyar Morteza Bahmanyar, hoofd van het departement financiën en begroting, AIO

12.

Generaal-majoor Yahya Rahim Safavi, bevelhebber, IRGC (Pasdaran)

B.

Entiteiten

1.

Atomic Energy Organisation of Iran (Iraanse organisatie voor atoomenergie)

2.

Mesbah Energy Company (leverancier voor de A40 onderzoeksreactor — Arak)

3.

Kala-Electric (alias Kalaye Electric) (leverancier voor de PFEP — Natanz)

4.

Pars Trash Company (neemt deel aan het centrifugeprogramma, genoemd in IAEA rapporten)

5.

Farayand Technique (neemt deel aan het centrifugeprogramma, genoemd in IAEA rapporten)

6.

Defence Industries Organisation (DIO) (overkoepelende entiteit onder controle van het MODAFL; ondergeschikten zijn betrokken geweest bij de productie van componenten in het kader van het centrifugeprogramma en bij het rakettenprogramma)

7.

7th of Tir (ondergeschikt aan DIO, en alom beschouwd als zijnde rechtstreeks betrokken bij het kernprogramma)

8.

Shahid Hemmat Industrial Group (SHIG) (ondergeschikt aan AIO)

9.

Shahid Bagheri Industrial Group (SBIG) (ondergeschikt aan AIO)

10.

Fajr Industrial Group (voormalige Instrumentation Factory Plant, ondergeschikt aan AIO)


BIJLAGE II

Lijst van de in artikel 4, lid 1, onder b), en in artikel 5, lid 1, onder b), bedoelde personen


Top