Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32007D0161

2007/161/EG: Beschikking van de Commissie van 10 augustus 2006 waarbij een concentratie verenigbaar wordt verklaard met de gemeenschappelijke markt en de werking van de EER-overeenkomst (Zaak COMP/M.4094 — Ineos/BP Dormagen) (Kennisgeving geschied onder nummer C(2006) 3592) (Voor de EER relevante tekst)

OJ L 69, 9.3.2007, p. 40–44 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, IT, LV, LT, HU, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

ELI: http://data.europa.eu/eli/dec/2007/161(1)/oj

9.3.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 69/40


BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE

van 10 augustus 2006

waarbij een concentratie verenigbaar wordt verklaard met de gemeenschappelijke markt en de werking van de EER-overeenkomst

(Zaak COMP/M.4094 — Ineos/BP Dormagen)

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2006) 3592)

(Slechts de tekst in de Engelse taal is authentiek)

(Voor de EER relevante tekst)

(2007/161/EG)

Op 10 augustus 2006 heeft de Commissie een beschikking gegeven met betrekking tot een zaak in het kader van artikel 8, lid 1, van Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad van 20 januari 2004 betreffende de controle op concentraties van ondernemingen (1). Een niet-vertrouwelijke versie van de volledige tekst van de beschikking is beschikbaar in de oorspronkelijke taal van de zaak en in de werktalen van de Commissie op de website van DG Concurrentie op het volgende adres: http://ec.europa.eu/comm/competiton/index_en.html

(1)

Op 24 januari 2006 ontving de Commissie een aanmelding waarin werd meegedeeld dat de onderneming INEOS Group Limited („Ineos”) voornemens is zeggenschap te verkrijgen over de onderneming BP Ethylene Oxide/Ethylene Glycol Business („BP Dormagen Business”) welke onder zeggenschap staat van British Petroleum Group („BP”), door de aankoop van aandelen.

(2)

Ineos is een naamloze vennootschap naar Brits recht met verschillende volledige dochterondernemingen die in de hele wereld actief zijn op het gebied van de productie, distributie, verkoop en het op de markt brengen van intermediaire en gespecialiseerde chemicaliën. Op 16 december 2006 verwierf Ineos Innovene, die de vroegere activiteiten van BP op het gebied van olefinen, afgeleide producten en geraffineerde producten behelst (met uitzondering van BP Dormagen Business, die het voorwerp uitmaakt van deze beschikking) en die verschillende petrochemische producten, waaronder olefinen, de afgeleide producten daarvan en een reeks geraffineerde producten vervaardigt (2). Die transactie werd door de Commissie op 9 december 2005 goedgekeurd (zaak COMP/M.4005 — Ineos/Innovene, de „hoofdtransactie”).

(3)

BP Dormagen Business, die alleen bestaat uit een fabriek in Keulen/Dormagen (Duitsland), staat thans onder zeggenschap van BP en is actief op het gebied van de productie van ethyleenoxide („EO”) en ethyleenglycol („EGs of glycolen”).

(4)

Het Adviescomité inzake concentraties bracht op de 143e bijeenkomst van 28 juli 2006 een gunstig advies uit over een door de Commissie aan het comité voorgelegde ontwerp-goedkeuringsbeschikking (3).

(5)

De raadadviseur-auditeur meldde in een verslag van 26 juli 2006 dat het recht van de partijen om te worden gehoord, gerespecteerd werd (3).

I.   DE RELEVANTE MARKTEN

Achtergrond

(6)

In haar onderzoek betreffende de hoofdtransactie analyseerde de Commissie de markten voor ethyleenoxide („EO”) en een aantal van zijn derivaten („EODs”), in het bijzonder, alcoholethoxylaten, glycolethers („GEs”) en ethanolaminen („EOAs”). De Commissie kwam tot de conclusie dat de hoofdtransactie geen ernstige twijfels deed rijzen over de verenigbaarheid ervan met de gemeenschappelijke markt op de horizontaal en verticaal verbonden markten.

(7)

De enige producten die BP Dormagen Business vervaardigt en verkoopt, zijn EO en EGs. Ineos produceert een ruim gamma van chemicaliën, waaronder EO en EO-derivaten (met inbegrip van EGs). Derhalve zijn er als gevolg van de voorgenomen overname van BP Dormagen Business door Ineos, alleen horizontale overlappingen op gebied van EO en EGs. Daarenboven bestaat er een verticale relatie met de upstreammarkt van EO (met betrekking tot ethyleen) en de downstreammarkt EO (met betrekking tot EO-derivaten).

Relevante productmarkten

(8)

EO is een kleurloos gas dat vrij komt bij de gedeeltelijke oxidatie van ethyleen. EO heeft een ethyleengehalte van 82 % en is een gevaarlijk product, dat zeer ontvlambaar en explosief is. Het is ook toxisch en kankerverwekkend. EO kan in de niet-gezuiverde vorm worden gebruikt om EG te produceren, of verder worden gezuiverd.

(9)

EGs zijn intermediaire chemicaliën die voornamelijk worden bekomen door de niet-katalytische hydratatie van EO. EGs zijn goed voor 37,5 % van de totale consumptie van EO in de EER en worden alleen geproduceerd door geïntegreerde EO-producenten.

(10)

Een alternatief voor de verwerking van EO is de verdere zuivering ervan: gezuiverd EO kan dan worden gebruikt voor de productie van verschillende andere chemische intermediaire producten. Het grootste deel van dit gezuiverd EO is bedoeld voor het eigen gebruik van de geïntegreerde EO-producenten om op de downstreammarkt EO-derivaten te vervaardigen. Het overschot wordt verkocht aan derden, die met de EO-producenten concurreren op de verschillende markten voor EO-derivaten.

Ethyleenoxide

(11)

De Commissie heeft ethyleenoxide onderzocht in vroegere zaken (4). Zij stelde vast dat er een afzonderlijke productmarkt voor EO bestaat, aangezien dit product een geringe substitueerbaarheid heeft, vooral wanneer het gebruikt wordt als een directe grondstof in chemische reacties. Het onderzoek in deze zaak bevestigde deze omschrijving van de productmarkt.

(12)

Aangezien alleen gezuiverd EO aan derden wordt verkocht, werd de beoordeling uit mededingingsoogpunt in deze zaak toegespitst op de markt voor gezuiverd EO. In een laat stadium van de procedure gaf Ineos aan dat het gezuiverd EO verder onderverdeeld kon worden in hoogwaardig EO („HG-EO”) of laagwaardig EO („LG-EO”), afhankelijk van het niveau van de onzuiverheden (voornamelijk het aldehydegehalte). Het marktonderzoek heeft evenwel bevestigd dat het niet nodig was de relevante productmarkt verder onder te verdelen volgens de mate van zuiverheid van het gezuiverd EO, aangezien alleen HG-EO aan derden werd verkocht.

(13)

De Commissie onderzocht tevens of een onderscheid moet worden gemaakt tussen de regelingen op lange termijn voor de levering van EO aan afnemers waarvan de fabriek op, of in de nabijheid van, het terrein van de leverancier ligt, en die via pijpleidingen verbonden zijn („on-site”), en de levering aan andere afnemers („off-site”) die op een andere manier plaatsvindt, bijvoorbeeld per vrachtwagen of spoor. De Commissie stelde vast dat er tussen deze twee leveringswijzen verschillen waren in prijsniveau, lengte van de contracten, en aangekochte hoeveelheden. De Commissie hoefde evenwel over deze kwestie niet te trancheren, aangezien de transactie de daadwerkelijke concurrentie niet aanzienlijk zou belemmeren, ongeacht of de on-site- en off-siteleveringen beschouwd worden als één enkele, dan wel twee afzonderlijke markten.

Ethyleenglycolen

(14)

Volgens Ineos vormen EGs een afzonderlijke productmarkt, overeenkomstig een eerdere beschikking van de Commissie (5). In een latere beschikking (6) heeft de Commissie evenwel opgemerkt dat, uit het oogpunt van de vraagzijde, het misschien noodzakelijk is een onderscheid te maken tussen de verschillende soorten EG. Die zijn: mono-ethyleenglycol („MEG”), di-ethyleenglycol („DEG”) en tri-ethyleenglycol („TEG”). MEG maakt het grootste deel van de productie uit (ongeveer 90 %), waarbij de rest van de productie verdeeld is tussen DEG (ongeveer 9 %) en TEG (ongeveer 1 %).

(15)

In dit geval gaf het merendeel van de marktdeelnemers aan dat EGs verder moeten worden opgedeeld in drie marktsegmenten, voor MEG, DEG en TEG, omdat zij voor zeer verschillende toepassingen worden gebruikt en geheel niet substitueerbaar zijn. Uit het oogpunt van de aanbodzijde evenwel, worden MEG, DEG en TEG zonder uitzondering tezamen, en altijd in een soortgelijke verhouding vervaardigd. De precieze marktomschrijving werd opengelaten, aangezien de transactie de daadwerkelijke mededinging met betrekking tot EGs niet aanzienlijk zou belemmeren, ongeacht welke van de verschillende productmarktomschrijvingen als basis zou worden genomen.

Relevante geografische markten

Ethyleenoxide

(16)

In eerdere beschikkingen (7) was de Commissie van mening dat de geografische dimensie van de EO-markt waarschijnlijk West-Europa (gedefinieerd als de EER plus Zwitserland) omvat, hoewel de precieze marktomschrijving opengelaten werd. In dit geval zijn de relevante fabrieken gevestigd in Antwerpen (België), Lavera (Frankrijk) en Dormagen (Duitsland). Volgens Ineos bestrijkt de markt de gehele EER, aangezien EO uit deze fabrieken over lange afstanden wordt vervoerd (volgens de gegevens van Ineos, over meer dan 1 000 km in sommige gevallen, hoewel het merendeel van de leveringen binnen een straal van 600 km plaatsvindt). Een grote meerderheid van de afnemers en ten minste de helft van de concurrenten menen evenwel dat de geografische markt regionaal is. De per schip afgelegde afstanden lijken 0 km tot 800 km te bedragen, waarbij een grote meerderheid tussen 0 en 600 km ligt, wegens de transportkosten en omdat het om een gevaarlijk product gaat.

(17)

Op basis van de beperkingen inzake transportafstand omschreef de Commissie mogelijke regionale markten voor EO als volgt: i) Verenigd Koninkrijk en Ierland, ii) Noordse landen (Noorwegen, Zweden en Finland), iii) vasteland Noord-West-Europa (Mainland North-West Europe, of „MNWE” (Nederland, Denemarken, België, Luxemburg, Duitsland, Oostenrijk, Midden- en Noord-Frankrijk), iv) het mediterrane bassin (Italië, Portugal, Zuid-Frankrijk en Spanje), en v) Midden- en Oost-Europa. Bovendien stelde de Commissie dat regionale prijsverschillen en beperkte handelsstromen deze segmentatie van de geografische markt lijken te bevestigen. Het was evenwel niet nodig om tot een conclusie te komen over de exacte geografische markt voor EO, aangezien de Commissie heeft geconstateerd dat de transactie de daadwerkelijke mededinging niet aanzienlijk zou belemmeren, ongeacht met welke mogelijke geografische markt rekening werd gehouden (een geografische markt die de EER omvat, of die de MNWE omvat, de enige regionale markt waarop beide partijen actief waren).

Ethyleenglycolen

(18)

Ineos voerde aan, overeenkomstig de argumentatie in eerdere beschikkingen (8), dat de relevante geografische markt voor EGs ten minste West-Europa of zelfs de hele wereld omvat. Dat komt omdat EGs geen gevaarlijke producten zijn, en bijgevolg gemakkelijk vervoerd kunnen worden. De prijzen zijn, globaal gezien, vergelijkbaar, en de invoer in de EER, hoofdzakelijk uit het Midden-Oosten en Rusland, vertegenwoordigt ongeveer 13 % van de totale consumptie in de EER.

(19)

De grote meerderheid van de respondenten van het marktonderzoek bevestigden dat de geografische markt ten minste de EER omvat. Voor de doeleinden van de beschikking werd de exacte marktomschrijving evenwel opengelaten, aangezien de transactie de daadwerkelijke concurrentie op de gemeenschappelijke markt of een wezenlijk deel daarvan niet aanzienlijk zou belemmeren, ongeacht met welke omschrijving van de geografische markt rekening wordt gehouden.

II.   BEOORDELING

Ethyleenoxide

(20)

De totale omvang van de EO-markt in de EER, met inbegrip van de productie voor eigen gebruik, beloopt ongeveer 3 000 ktpa (kiloton per jaar). De commerciële markt is goed voor ongeveer 18 % van de totale productie, of circa 560 ktpa, waarvan ongeveer 33 % naar waarde bestemd is voor on-siteafnemers, en 67 % voor off-siteafnemers.

(21)

In termen van marktstructuur, gaat het bij de transactie om een fusie tussen twee van de drie grootste EO-leveranciers, wat leidt tot gezamenlijke marktaandelen van meer dan 45 %, ongeacht welke redelijke omschrijving van de relevante product- en geografische markten voor EO daarvoor in aanmerking wordt genomen. De dichtste concurrent van de samengevoegde entiteit, Shell, vertegenwoordigt 15-25 % van de totale commerciële markt voor zowel on-site- als off-siteleveringen. Alle overige concurrenten hebben marktaandelen van minder dan 10 % (velen minder dan 5 %), wat zowel de totale als de off-siteverkopen betreft.

(22)

Aangezien de commerciële markt evenwel een redelijk klein aandeel in de totale productie vertegenwoordigt, kunnen relatief kleine veranderingen in de totale productie een aanzienlijke impact hebben op de commerciële markt. Daarom heeft de Commissie zich in haar beoordeling geconcentreerd op het belang van het EO voor eigen gebruik voor de geïntegreerde producenten, en de gevolgen daarvan voor de verkopen aan derden. De Commissie onderzocht de voorwaarden met betrekking tot de levering van EO en, in het bijzonder, de factoren die druk zouden kunnen uitoefenen op het gedrag van de samengevoegde entiteit op de commerciële markt voor EO.

(23)

Daarvoor ging de Commissie na van welke aspecten de beschikbaarheid van EO op de commerciële markt afhangt: de productiecapaciteit voor EO; de zuiveringscapaciteit; het gebruik van EO op de downstreammarkt, in het bijzonder, het onderscheid tussen EGs en andere soorten van gebruik; de stimulansen om extra EO intern te gebruiken en/of op de commerciële markt te verkopen.

(24)

Ten eerste ging de Commissie na of de concurrenten van de partijen momenteel voldoende onbenutte EO-capaciteit hebben om de commerciële markt te bevoorraden. In dit opzicht is de zuiveringscapaciteit het kritieke onderdeel, aangezien de verkopen op de commerciële markt alleen gezuiverd EO omvatten. Uit het onderzoek bleek dat, hoewel de fabrieken van de partijen een belangrijk deel vertegenwoordigen van de ongebruikte zuiveringscapaciteit, hun concurrenten met hun reservecapaciteit in staat zouden zijn het concurrentiebeperkende gedrag van de partijen aan banden te leggen, aangezien het daarbij over aanzienlijke volumen gaat in vergelijking met de relatief kleine commerciële markt.

(25)

Een belangrijk onderdeel van de beoordeling van de Commissie in deze zaak was ook toegespitst op de relatie tussen de productie van gezuiverd EO en EGs. Bij een vermindering van de productie van EGs, kunnen geïntegreerde producenten (die zowel EO als EGs vervaardigen) hun productie van gezuiverd EO verhogen. Deze relatie is gebaseerd op het feit dat voor beide producten dezelfde grondstof (ongezuiverd EO) wordt gebruikt en dat er dus, wanneer de productie van EGs daalt, een hoeveelheid ongezuiverd EO vrijkomt dat dan gebruikt kan worden voor de productie van extra hoeveelheden gezuiverd EO — voor zover de zuiveringscapaciteit niet beperkt is.

(26)

Ineos verklaarde dat MEG gebruikt wordt als bufferproduct, dat EO-producenten in staat stelt over te schakelen van en naar de levering van EO of andere EO-derivaten, afhankelijk van de marktomstandigheden. Om dit te bewijzen, verstrekte Ineos twee econometrische studies waaruit blijkt dat, in het verleden, de concurrenten van de partijen hun productie van gezuiverd EO konden verhogen ten nadelen van de productie van glycolen, in antwoord op tekorten bij de fabrieken van Ineos en BP Dormagen Business. Vastgesteld werd dat een daling van de EO-verkoop door de betrokken fabrieken (in bepaalde mate) gecompenseerd werd door een stijging van de verkoop van EO door de concurrenten.

(27)

De Commissie concludeerde dat deze studies, die weliswaar hun beperkingen hadden, erop wezen dat deze concurrenten de concurrentiebeperkende gedragingen van de samengevoegde entiteit mogelijk konden neutraliseren.

(28)

De Commissie schatte vervolgens in hoe groot deze potentiële overstap van glycolen naar gezuiverd EO zou kunnen zijn, rekening houdend met alle capaciteitsbeperkingen. De Commissie stelde vast dat, in het geval van de grootst mogelijke te verwachten daling van de glycolenproductie en in geval van een unilaterale prijsverhoging door de samengevoegde entiteit, de potentiële overstap van glycolen naar gezuiverd EO, ervoor zou zorgen dat aanzienlijke hoeveelheden op de commerciële markt voor EO terecht zouden komen in vergelijking met de huidige totale omvang van die markt.

(29)

De Commissie ging ook na welke invloed de nieuwe glycolencapaciteit, die op gang komt in het Midden-Oosten en Azië, zou hebben op de marktsituatie in Europa. Zij stelde vast dat deze nieuwe EO-productiecapaciteit waarschijnlijk zal resulteren in een stijging van de uitvoer van EGs naar de EER, en dat als gevolg daarvan een vermindering van de EG-productie in de EER kon worden verwacht. Dit zou op zijn beurt het aanbod van EO in de EER voor de verkoop aan derden, en de interne productie van andere EO-derivaten kunnen doen stijgen.

(30)

Derhalve meende de Commissie dat de gevolgen van de transactie naar de toekomst toe dienden te worden beoordeeld, d.w.z. gerelateerd aan de prognoses en de redelijkerwijze te verwachten ontwikkelingen in de toekomst.

(31)

Uit het onderzoek van de Commissie bleek dat de totale reservecapaciteit voor de productie van EO in de EER naar verwachting de komende jaren zal groeien en de benuttingsgraad zal afnemen. De ongebruikte zuiveringscapaciteit zal wellicht in de nabije toekomst dan wel dalen, maar zal evenwel, aangezien de commerciële markt relatief klein in en in de nabije toekomst waarschijnlijk niet aanzienlijk zal groeien, nog steeds als rem kunnen fungeren ingeval de samengevoegde entiteit unilateraal de prijzen zou verhogen.

(32)

Bovendien werd, om de invloed van de verwachte invoer van glycolen uit het Midden-Oosten naar de Europese commerciële markt voor EO te beoordelen, rekening gehouden met de toekomstige economische stimulansen van EO-producenten om de commerciële markt te bevoorraden. Om de voorspelde daling van het EO-verbruik voor glycolen te compenseren en om de benuttingsgraad bij de EO-productie zo hoog mogelijk te houden, zullen EO-producenten andere afzetmogelijkheden voor hun EO moeten vinden. Aangezien alle andere EO-derivaten (behalve de glycolen) en de commerciële markt, als grondstof gezuiverd EO nodig hebben, zullen de Europese EO-producenten ertoe aangezet worden om hun huidige zuiveringscapaciteit op te voeren.

(33)

De Commissie kwam tot de bevinding dat een uitbreiding van het zuiveringsonderdeel binnen de EO-productie goedkoper is en vaak niet gepaard hoeft te gaan met andere investeringen binnen de fabriek. Aangenomen dat de concurrenten hun huidige zuiveringscapaciteit zullen kunnen verhogen om de verwachte daling van de productie van glycolen op te vangen, zal de mate van deze verhoging afhangen van hoeveel EO de EO-producenten zelf gebruiken voor de vervaardiging van EODs, hun mogelijkheden om hun EOD-capaciteit op te voeren en hun bereidheid om EO voor eigen gebruik aan te wenden of op de commerciële markt te verkopen.

(34)

Uit het onderzoek van de Commissie is gebleken dat de EOD-capaciteit van de geïntegreerde producenten in de nabije toekomst gedeeltelijk zal worden ingeperkt wegens de gestegen vraag naar EODs. Een uitbreiding van de EOD-productiecapaciteit is duurder en neemt meer tijd in beslag dan een uitbreiding van de EO-zuiveringscapaciteit. Bijgevolg zal niet al het gezuiverde EO, dat vrijkomt als gevolg van de daling van de productie van glycolen in de EER, geabsorbeerd worden door een grotere EOD-productie van geïntegreerde producenten. Het zal bijgevolg beschikbaar worden voor de commerciële markt.

(35)

Derhalve kan een aanzienlijke belemmering van de daadwerkelijke concurrentie op de commerciële markt voor EO uitgesloten worden. EO-afnemers zullen beschikken over alternatieve leveranciers die afdoende druk kunnen uitoefenen op het gedrag van de samengevoegde entiteit.

Glycolen

(36)

De wereldwijde productie en consumptie van EG beloopt naar raming ongeveer 17 000 ktpa, waarvan in de EER ongeveer 1 700 ktpa wordt geproduceerd voor een vraag van ongeveer 1 950 ktpa. De mondiale vraag is de recente jaren relatief stabiel gebleven, in het bijzonder als gevolg van de vraag in China en het Midden-Oosten naar MEG voor gebruik in polyestertextiel. Dit stimuleerde op zijn beurt investeringen in een aanzienlijke nieuwe EG-capaciteit in Azië en het Midden-Oosten, die naar verwachting in de komende jaren op gang zal komen.

(37)

Uit het onderzoek van de Commissie bleek dat het marktaandeel van de samengevoegde entiteit op de totale commerciële markt niet groter zou zijn dan 5 %, voor gelijk welke mogelijke omschrijving van de productmarkt. Op een commerciële markt die de hele EER omvat, zou het aandeel van de samengevoegde entiteit niet boven de 20 % uitkomen, voor gelijk welke relevante productmarkt. Ook zou de samengevoegde entiteit te maken krijgen met concurrentie van verschillende sterke concurrenten, zoals BASF, MEGlobal, Sabic, Shell, Clariant, alsook van de ingevoerde producten.

(38)

In het licht van het beperkte marktaandeel van de samengevoegde entiteit, de aanwezigheid van belangrijke concurrenten met vergelijkbare of grotere marktaandelen en de voorspelde daling van de glycolenproductie in Europa (als gevolg van een stijging van de invoer), kwam de Commissie tot de conclusie dat de voorgenomen transactie niet leidt tot concurrentieproblemen op de markt voor EG.

III.   CONCLUSIE

(39)

Wegens de hierboven uiteengezette redenen concludeerde de Commissie dat de voorgenomen concentratie de daadwerkelijke concurrentie op de gemeenschappelijke markt of een aanzienlijk deel daarvan, niet beduidend belemmert, met name als het gevolg van de totstandbrenging of versterking van een machtspositie. Derhalve dient de concentratie overeenkomstig artikel 8, lid 1, van de concentratieverordening en artikel 57 van de EER-overeenkomst verenigbaar met de gemeenschappelijke markt te worden verklaard.


(1)  PB L 24 van 29.1.2004, blz. 1.

(2)  Innovene had drie vestigingen in de EER: Grangemouth (Verenigd Koninkrijk), Lavera (Frankrijk) en Dormagen (Duitsland). Grangemouth en Lavera werden door Ineos overgenomen in het kader van de hoofdtransactie.

(3)  PB C 54 van 9.3.2007.

(4)  Zaak COMP/M.2345 — Deutsche BP/Erdölchemie van 26 april 2001 en zaak COMP/M.4005 — Ineos/Innovene van 9 december 2005.

(5)  Zaak COMP/M.2345 — Deutsche BP/Erdölchemie van 26 april 2001.

(6)  Zaak COMP/M.3467 — Dow Chemicals/Pic/White Sands JV van 28 juni 2004.

(7)  Zaak COMP/M.2345 — Deutsche BP/Erdölchemie van 26 april 2001 en zaak COMP/M.4005 — Ineos/Innovene van 9 december 2005.

(8)  Zaak COMP/M.2345 — Deutsche BP/Erdölchemie van 26 april 2001, zaak COMP/M.3467 — DOW Chemicals/Pic/White Sands JV van 28 juni 2004.


Top