EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32006R1084

Verordening (EG) nr. 1084/2006 van de Raad van 11 juli 2006 tot oprichting van het Cohesiefonds en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1164/94

OJ L 210, 31.7.2006, p. 79–81 (ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, SK, SL, FI, SV)
Special edition in Bulgarian: Chapter 14 Volume 002 P. 118 - 120
Special edition in Romanian: Chapter 14 Volume 002 P. 118 - 120
Special edition in Croatian: Chapter 14 Volume 002 P. 174 - 176

No longer in force, Date of end of validity: 31/12/2013; opgeheven door 32013R1300 . Latest consolidated version: 01/07/2013

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2006/1084/oj

31.7.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 210/79


VERORDENING (EG) Nr. 1084/2006 VAN DE RAAD

van 11 juli 2006

tot oprichting van het Cohesiefonds en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1164/94

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 161, tweede alinea,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien de instemming van het Europees Parlement (1),

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (2),

Gezien het advies van het Comité van de Regio's (3),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EG) nr. 1083/2006 van 11 juli 2006 houdende algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds en het Cohesiefonds (4) is een nieuw kader vastgesteld voor het optreden van de Structuurfondsen en het Cohesiefonds, met name door het vastleggen van de doelstellingen, beginselen en regels inzake partnerschap, programmering, evaluatie en beheer. De taak van het Cohesiefonds moet derhalve nader worden gepreciseerd ten opzichte van het nieuwe kader en ten opzichte van de taak die dit Fonds is toegekend in het Verdrag, en bijgevolg moet Verordening (EG) nr. 1164/94 van de Raad van 16 mei 1994 tot oprichting van een Cohesiefonds duidelijkheidshalve worden ingetrokken (5).

(2)

De door het Cohesiefonds gefinancierde projecten op het gebied van trans-Europese netwerken moeten in overeenstemming zijn met de richtsnoeren die ten aanzien van deze netwerken door de Raad en het Europees Parlement zijn goedgekeurd. Om ervoor te zorgen dat de inspanningen worden geconcentreerd, moet prioriteit worden gegeven aan projecten van gemeenschappelijk belang, zoals gedefinieerd in Beschikking nr. 1692/96/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 1996 betreffende communautaire richtsnoeren voor de ontwikkeling van een trans-Europees vervoersnet (6).

(3)

De Gemeenschap kan via het Cohesiefonds een bijdrage leveren aan acties die zijn opgezet om de milieudoelstellingen van de Gemeenschap zoals vastgesteld in artikel 6 en artikel 174 van het Verdrag, te verwezenlijken.

(4)

In Verordening (EG) nr. 1083/2006 is bepaald dat de subsidiabiliteit van de uitgaven op nationaal niveau moet worden vastgesteld, op enkele uitzonderingen na, waarvoor specifieke regels moeten worden vastgesteld. De uitzonderingen die verband houden met het Cohesiefonds moeten dus nader worden gepreciseerd.

(5)

De bijstandsverlening moet gebonden blijven aan de naleving van de in artikel 99 van het Verdrag vastgestelde voorwaarden inzake economische convergentie en aan de noodzaak van gezonde openbare financiën. In dit verband moeten stabiliteitsprogramma's worden uitgevoerd door de lidstaten die de euro hebben aangenomen en convergentieprogramma's door de lidstaten die de euro niet hebben aangenomen, zulks overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1466/97 van de Raad van 7 juli 1997 over versterking van het toezicht op begrotingssituaties en het toezicht op en de coördinatie van het economisch beleid (7); deze programma's moeten leiden tot het voorkomen van buitensporige overheidstekorten als bedoeld in artikel 104 van het Verdrag. De voorwaardelijkheid mag evenwel niet van toepassing zijn op vastleggingen die ten tijde van de schorsing reeds waren verricht,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Oprichting en taak van het Cohesiefonds

1.   Hierbij wordt een Cohesiefonds opgericht (hierna „het Fonds” genoemd), ter versterking van de economische en sociale cohesie van de Gemeenschap, om aldus de duurzame ontwikkeling te bevorderen.

2.   Voor het Fonds gelden Verordening (EG) nr. 1083/2006 en deze verordening.

Artikel 2

Toepassingsgebied van de bijstand

1.   Het Fonds verleent, met inachtneming van een passend evenwicht en rekening houdende met de specifieke behoeften aan investeringen en infrastructuur van iedere begunstigde lidstaat, bijstand voor acties op de volgende gebieden:

a)

trans-Europese vervoersnetwerken, en met name de prioritaire projecten van gemeenschappelijk belang, zoals vastgesteld bij Beschikking nr. 1692/96/EG;

b)

het milieu, met inachtneming van de prioriteiten van het communautaire milieubeleid zoals die zijn vastgesteld in het beleidsplan en actieprogramma inzake milieu. In dit verband kan ook bijstand uit het Fonds worden verleend op gebieden die verband houden met duurzame ontwikkeling met duidelijke milieuvoordelen, zoals energie-efficiëntie en hernieuwbare energiebronnen en, wat betreft vervoer dat geen verband houdt met de trans-Europese netwerken, spoorvervoer, vervoer via de binnenwateren en over zee, intermodale vervoerssystemen en de interoperabiliteit van die systemen, sturing van het verkeer over de weg, over zee en door de lucht, schoon stadsvervoer en openbaar vervoer.

2.   Het juiste evenwicht in de bijstand dient in partnerschap tussen de lidstaten en de Commissie te worden overeengekomen.

Artikel 3

Subsidiabiliteit van de uitgaven

De volgende uitgaven komen niet in aanmerking voor een bijdrage uit het Cohesiefonds:

a)

debetrente;

b)

de aankoop van grond voor een bedrag van meer dan 10 % van de totale voor steun in aanmerking komende uitgaven in verband met de betrokken concrete actie;

c)

huisvesting;

d)

de ontmanteling van kerncentrales; en

e)

terugvorderbare BTW.

Artikel 4

Voorwaarden voor bijstandsverlening uit het Fonds

1.   De financiële bijstand uit het Fonds is aan de volgende voorwaarden gebonden:

a)

indien de Raad overeenkomstig artikel 104, lid 6, van het Verdrag heeft besloten dat een lidstaat een buitensporig overheidstekort heeft, en

b)

overeenkomstig artikel 104, lid 8, van het Verdrag heeft vastgesteld dat de betrokken lidstaat geen gevolg heeft gegeven aan een aanbeveling van de Raad op grond van artikel 104, lid 7, van het Verdrag,

kan hij besluiten de vastleggingen uit het Fonds voor de betrokken lidstaat geheel of gedeeltelijk te schorsen per 1 januari van het jaar dat op het schorsingsbesluit volgt.

2.   Indien de Raad vaststelt dat de betrokken lidstaat doeltreffende corrigerende maatregelen heeft genomen, besluit hij onverwijld de schorsing van de betrokken vastleggingen op te heffen. Terzelfder tijd besluit de Raad, op voorstel van de Commissie, om de geschorste vastlegging volgens de procedure van het Interinstitutioneel Akkoord van 17 mei 2006 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie over de begrotingsdiscipline, de verbetering van de begrotingsprocedure en goed financieel beheer (8), opnieuw op de begroting te plaatsen.

3.   De Raad neemt de in de leden 1 en 2 bedoelde besluiten met gekwalificeerde meerderheid van stemmen en op voorstel van de Commissie.

Artikel 5

Overgangsregelingen

1.   Deze verordening doet geen afbreuk aan de voortzetting noch aan de wijziging, met inbegrip van de gehele of gedeeltelijke intrekking, van projecten of andere vormen van bijstand die door de Commissie zijn goedgekeurd op grond van Verordening (EG) nr. 1164/94; de betrokken regelgeving blijft derhalve op die bijstand of projecten van toepassing totdat deze worden afgesloten.

2.   In het kader van Verordening (EG) nr. 1164/94 bij de Commissie ingediende aanvragen voor grote projecten in de zin van de artikelen 39, 40 en 41 van Verordening (EG) nr. 1083/2006 blijven geldig, mits die aanvragen binnen twee maanden na 1 januari 2007 indien nodig zodanig worden aangevuld dat zij met de bepalingen van deze verordening en met bovengenoemde artikelen van Verordening (EG) nr. 1083/2006 in overeenstemming zijn.

Artikel 6

Intrekking

1.   Onverminderd artikel 105, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1083/2006 en artikel 5 van deze verordening, wordt Verordening (EG) nr. 1164/94 ingetrokken met ingang van 1 januari 2007.

2.   Verwijzingen naar de ingetrokken verordening moeten als verwijzingen naar deze verordening worden beschouwd.

Artikel 7

Herzieningsclausule

De Raad beziet deze verordening uiterlijk op 31 december 2013 opnieuw overeenkomstig artikel 161 van het Verdrag.

Artikel 8

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 11 juli 2006.

Voor de Raad

De voorzitter

E. HEINÄLUOMA


(1)  Instemming betuigd op 4 juli 2006 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).

(2)  PB C 255 van 14.10.2005, blz. 88.

(3)  PB C 231 van 20.9.2005, blz. 35.

(4)  Zie blz. 25 van dit Publicatieblad.

(5)  PB L 130 van 25.5.1994, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij de Toetredingsakte van 2003.

(6)  PB L 228 van 9.9.1996, blz. 1. Beschikking laatstelijk gewijzigd bij Beschikking nr. 884/2004/EG (PB L 167 van 30.4.2004, blz. 1).

(7)  PB L 209 van 2.8.1997, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1055/2005 (PB L 174 van 7.7.2005, blz. 1).

(8)  PB C 139 van 14.6.2006, blz. 1.


Top