Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32005R0856

Verordening (EG) nr. 856/2005 van de Commissie van 6 juni 2005 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 466/2001 wat betreft Fusarium-toxinen (Voor de EER relevante tekst)

OJ L 143, 7.6.2005, p. 3–8 (ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, IT, LV, LT, HU, NL, PL, PT, SK, SL, FI, SV)
OJ L 275M , 6.10.2006, p. 377–382 (MT)
Special edition in Bulgarian: Chapter 15 Volume 014 P. 254 - 259
Special edition in Romanian: Chapter 15 Volume 014 P. 254 - 259

No longer in force, Date of end of validity: 28/02/2007

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2005/856/oj

7.6.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 143/3


VERORDENING (EG) Nr. 856/2005 VAN DE COMMISSIE

van 6 juni 2005

tot wijziging van Verordening (EG) nr. 466/2001 wat betreft Fusarium-toxinen

(Voor de EER relevante tekst)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EEG) nr. 315/93 van de Raad van 8 februari 1993 tot vaststelling van communautaire procedures inzake verontreinigingen in levensmiddelen (1), en met name op artikel 2, lid 3,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EG) nr. 466/2001 van de Commissie (2) stelt maximumgehalten aan bepaalde verontreinigingen in levensmiddelen vast.

(2)

Sommige lidstaten hebben maximumgehalten voor Fusarium-toxinen, zoals deoxynivalenol (DON), zearalenon (ZEA) en fumonisinen, in bepaalde levensmiddelen vastgesteld of zijn dat van plan. Gezien de verschillen tussen de in de lidstaten toegestane gehalten en de concurrentievervalsing die daarvan het gevolg kan zijn, moeten op communautair niveau maatregelen worden genomen om, met inachtneming van het proportionaliteitsbeginsel, de eenheid van de markt te waarborgen.

(3)

Allerlei Fusarium-schimmels, algemeen voorkomende bodemschimmels, produceren verscheidene mycotoxinen van de klasse trichothecenen, zoals deoxynivalenol (DON), nivalenol (NIV), T-2- en HT-2-toxine en een aantal andere toxinen (zearalenon en fumonisinen). Fusarium-schimmels worden algemeen aangetroffen op graangewassen in de gematigde klimaatzones in Amerika, Europa en Azië. Verscheidene van de toxineproducerende Fusarium-schimmels kunnen, in verschillende mate, twee of meer van deze toxinen produceren.

(4)

Het Wetenschappelijk Comité voor de menselijke voeding heeft de Fusarium-toxinen in een reeks adviezen geëvalueerd, namelijk deoxynivalenol (DON) in december 1999, zearalenon in juni 2000, fumonisinen in oktober 2000 (bijgewerkt in april 2003), nivalenol in oktober 2000, T-2- en HT-2-toxine in mei 2001 en een groepsevaluatie van de trichothecenen in februari 2002.

(5)

Het Wetenschappelijk Comité zag in de beschikbare gegevens geen reden om een groeps-TDI (toelaatbare dagelijkse inname) voor de geëvalueerde trichothecenen vast te stellen en heeft de volgende TDI’s vastgesteld:

een TDI van 1 μg/kg lichaamsgewicht per dag voor deoxynivalenol (DON);

een voorlopige TDI (t-TDI) van 0,7 μg/kg lichaamsgewicht per dag voor nivalenol;

een gecombineerde TDI van 0,06 μg/kg lichaamsgewicht per dag voor T-2- en HT-2-toxine.

Voor de overige Fusarium-toxinen heeft het Wetenschappelijk Comité de volgende TDI’s vastgesteld:

een voorlopige TDI (t-TDI) van 0,2 μg/kg lichaamsgewicht per dag voor zearalenon;

een TDI van 2 μg/kg lichaamsgewicht per dag voor het totaal aan fumonisine B1, B2 en B3, alleen of in combinatie.

(6)

In het kader van Richtlijn 93/5/EEG van de Raad van 25 februari 1993 betreffende de bijstand aan de Commissie en de samenwerking van de lidstaten bij het wetenschappelijk onderzoek van vraagstukken in verband met levensmiddelen (3) is SCOOP-taak (wetenschappelijke samenwerking) 3.2.10 „Collection of occurrence data on Fusarium toxins in food and assessment of dietary intake by the population of EU member States” (4), uitgevoerd. Deze taak is in september 2003 afgerond.

Uit de resultaten van deze taak bleek dat Fusarium-mycotoxinen in de Gemeenschap op grote schaal verspreid zijn in de voedselketen. De voornaamste bronnen van inname van Fusarium-toxinen via de voeding zijn producten op basis van granen, in het bijzonder tarwe en maïs. De inname van Fusarium-toxinen via de voeding ligt bij de hele bevolking en bij volwassenen vaak onder de TDI’s voor de desbetreffende toxinen, maar ligt bij risicogroepen zoals zuigelingen en peuters dicht bij of in sommige gevallen zelfs boven de TDI’s.

(7)

Met name voor deoxynivalenol ligt de inname via de voeding bij peuters en adolescenten dicht bij de TDI. Voor T-2- en HT-2-toxinen overschreedt de geschatte dagelijkse inname in de meeste gevallen de t-TDI. Wel zij opgemerkt dat de meeste gegevens over het vóórkomen van T-2- en HT-2-toxinen zijn verkregen met analysemethoden met een hoge aantoonbaarheidsgrens en dat het aantal monsters boven de aantoonbaarheidsgrens minder dan 20 % bedroeg. De schatting van de inname via de voeding werd dus sterk beïnvloed door de aantoonbaarheidsgrens van de gebruikte analysemethoden. Voor nivalenol lag de inname steeds ver onder de t-TDI. Voor alle overige trichothecenen die in het kader van bovengenoemde SCOOP-taak werden onderzocht, zoals 3-acetyldeoxynivalenol, 15-acetyldeoxynivalenol, fusarenon-X, T2-triol, diacetoxyscirpenol, neosolaniol, monoacetoxyscirpenol en verrucol, was de inname via de voeding, voorzover er gegevens beschikbaar zijn, steeds laag.

(8)

Voor zearalenon ligt de gemiddelde dagelijkse inname aanzienlijk lager dan de TDI. Wel moet aandacht worden besteed aan bevolkingsgroepen die in het kader van de taak niet in kaart gebracht zijn en regelmatig veel producten consumeren die vaak met zearalenon besmet zijn, en aan voedsel bestemd voor kinderen, aangezien peuters weinig gevarieerd eten.

(9)

Voor fumonisinen ligt de geschatte inname via de voeding bij de meeste bevolkingsgroepen ver onder de TDI. De inname van fumonisinen via de voeding neemt sterk toe als alleen consumenten worden beschouwd. Toch ligt de inname via de voeding ook bij deze groep consumenten onder de TDI. Uit de resultaten van de controle op de oogst van 2003 blijkt wel dat maïs en maïsproducten zeer zwaar met fumonisinen besmet kunnen zijn. Er moeten dus maatregelen worden genomen om te voorkomen dat dergelijke sterk besmette maïs en maïsproducten in de voedselketen terechtkomen.

(10)

Fusarium-soorten besmetten graangewassen vóór de oogst. Met betrekking tot Fusarium-besmetting en mycotoxinevorming zijn verscheidene risicofactoren in kaart gebracht. De weersomstandigheden tijdens de groei, en met name tijdens de bloei, hebben een grote invloed op het mycotoxinegehalte. Goede landbouwpraktijken, waarbij de risicofactoren tot een minimum worden teruggebracht, kunnen echter tot op zekere hoogte besmetting door Fusarium-schimmels voorkomen.

(11)

Voor de bescherming van de volksgezondheid is het belangrijk dat maximumgehalten voor onbewerkte granen worden vastgesteld, om te voorkomen dat sterk besmette granen in de voedselketen terechtkomen en om te bevorderen en erop toe te zien dat tijdens de veld-, oogst- en opslagfase van de productieketen alle nodige maatregelen worden genomen (door de toepassing van goede landbouw-, oogst- en opslagpraktijken). Het maximumgehalte voor onbewerkte granen moet worden toegepast op granen die voor een eerste bewerking in de handel worden gebracht, aangezien het geplande gebruik (voor voeding, diervoeder of industrieel gebruik) van de granen in deze fase bekend is. Reinigen, sorteren en drogen worden niet als een eerste bewerking beschouwd voorzover er daarbij geen fysieke handeling op de graankorrels zelf wordt uitgeoefend; pellen wordt daarentegen wel als een eerste bewerking beschouwd.

(12)

Bij de vaststelling van de maximumgehalten moet rekening worden gehouden met de huidige blootstelling van de mens in verhouding tot de toelaatbare inname van de desbetreffende toxine. De maximumgehalten moeten redelijkerwijs kunnen worden nageleefd door goede praktijken in alle productie- en distributiefasen. Een dergelijke aanpak zorgt ervoor dat exploitanten van levensmiddelenbedrijven alle nodige maatregelen nemen om besmetting zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken met het oog op de volksgezondheid.

(13)

Voor maïs zijn nog niet alle factoren die bij de vorming van Fusarium-toxinen, en met name zearalenon en fumonisine B1 en B2, betrokken zijn, precies bekend. Daarom wordt exploitanten van levensmiddelenbedrijven in de graanketen enige tijd gegund om te onderzoeken hoe deze mycotoxinen ontstaan en welke maatregelen moeten worden genomen om de aanwezigheid ervan zoveel mogelijk te voorkomen. Voorgesteld wordt om vanaf 2007 maximumgehalten op basis van de momenteel beschikbare gegevens over het vóórkomen toe te passen indien er vóór die datum geen specifieke maximumgehalten op basis van nieuwe gegevens over het vóórkomen en de vorming zijn vastgesteld.

(14)

Door reiniging en bewerking kan het Fusarium-gehalte in onbewerkte granen in uiteenlopende mate worden verminderd in bewerkte graanproducten. Aangezien de mate van vermindering varieert, moet een maximumgehalte voor graanproducten voor eindgebruikers worden vastgesteld om de consument te beschermen, en is uitvoerbare wetgeving nodig. Bij het vaststellen van maximumgehalten voor graanproducten voor eindgebruikers moet pragmatisch te werk worden gegaan. Voorts moet een maximumgehalte voor belangrijke, van granen afgeleide voedselingrediënten worden vastgesteld met het oog op een efficiënte handhaving en de bescherming van de volksgezondheid.

(15)

Aangezien in rijst slechts geringe besmetting met Fusarium-toxinen wordt aangetroffen, worden voor rijst en rijstproducten geen maximumgehalten voorgesteld.

(16)

Voor 3-acetyldeoxynivalenol, 15-acetyldeoxynivalenol en fumonisine B3 hoeven geen specifieke maatregelen te worden overwogen. Eventuele maatregelen tegen met name deoxynivalenol en fumonisine B1 en B2 zouden de bevolking namelijk ook beschermen tegen ontoelaatbare blootstelling aan 3-acetyldeoxynivalenol, 15-acetyldeoxynivalenol en fumonisine B3, aangezien deze stoffen samen voorkomen. Hetzelfde geldt voor nivalenol, dat in zekere mate samen met deoxynivalenol voorkomt. De blootstelling van de mens aan nivalenol wordt overigens aanzienlijk lager dan de t-TDI geschat.

(17)

Momenteel zijn weinig gegevens beschikbaar over de aanwezigheid van T-2- en HT-2-toxine. Ook moet dringend een gevoelige analysemethode ontwikkeld en gevalideerd worden. Toch blijkt uit schattingen van de inname duidelijk dat de aanwezigheid van T-2- en HT-2-toxine een probleem voor de volksgezondheid kan zijn. De ontwikkeling van een gevoelige methode, de verzameling van meer gegevens over het vóórkomen en meer onderzoek naar de factoren die van invloed zijn op de aanwezigheid van T-2- en HT-2-toxine in graan en graanproducten, en met name in haver en haverproducten, zijn dan ook noodzakelijk en een hoge prioriteit.

(18)

Verordening (EG) nr. 466/2001 moet dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(19)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Verordening (EG) nr. 466/2001 wordt als volgt gewijzigd:

1)

Artikel 2, lid 3, komt als volgt te luiden:

„3.   Onverminderd artikel 3, lid 1, en artikel 4, lid 3, is het verboden:

a)

producten die niet voldoen aan de in bijlage I vastgestelde maximumgehalten te gebruiken als ingrediënt bij de vervaardiging van samengestelde of andere levensmiddelen;

b)

producten die voldoen aan de maximumgehalten te mengen met producten die de in bijlage I vastgestelde maximumgehalten overschrijden;

c)

in geval van verontreinigingen vermeld in deel 2 (mycotoxinen) van bijlage I, opzettelijk verontreinigingen uit de producten te verwijderen door middel van chemische behandelingen.”.

2)

Aan artikel 5 wordt het volgende lid 5 toegevoegd:

„5.   De Commissie herziet uiterlijk op 1 juli 2008 de punten 2.4, 2.5, 2.6 en 2.7 van deel 2 van bijlage I wat betreft de maximumgehalten voor deoxynivalenol, zearalenon en fumonisine B1 en B2 en teneinde een maximumgehalte voor T-2- en HT-2-toxine in granen en graanproducten vast te stellen.

Daartoe stellen de lidstaten en de belanghebbende partijen de Commissie elk jaar in kennis van de resultaten van het uitgevoerde onderzoek, waaronder de gegevens over het vóórkomen, en de voortgang van de toepassing van preventieve maatregelen ter voorkoming van verontreiniging door deoxynivalenol, zearalenon, T-2- en HT-2-toxine en fumonisine B1 en B2.”.

3)

Bijlage I wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 juli 2006. Deze verordening is niet van toepassing op producten die vóór 1 juli 2006 overeenkomstig de toepasselijke bepalingen in de handel zijn gebracht. De bewijslast betreffende het tijdstip waarop de producten in de handel zijn gebracht, ligt bij de exploitant van het desbetreffende levensmiddelenbedrijf.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 6 juni 2005.

Voor de Commissie

Markos KYPRIANOU

Lid van de Commissie


(1)  PB L 37 van 13.2.1993, blz. 1. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1882/2003 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 284 van 31.10.2003, blz. 1).

(2)  PB L 77 van 16.3.2001, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 208/2005 (PB L 34 van 8.2.2005, blz. 3).

(3)  PB L 52 van 4.3.1993, blz. 18. Richtlijn gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1882/2003.

(4)  Rapport beschikbaar op de website van de Commissie, DG Gezondheid en consumentenbescherming (http://europa.eu.int/comm/food/fs/scoop/task3210.pdf).


BIJLAGE

In deel 2 (mycotoxinen) van bijlage I worden de volgende punten 2.4, 2.5, 2.6 en 2.7 ingevoegd:

„Product (2)

Maximumgehalte

(μg/kg)

Bemonsteringsmethode

Referentieanalysemethode

2.4.   

DEOXYNIVALENOL (DON)

2.4.1.

Onbewerkte granen (3), met uitzondering van harde tarwe, haver en maïs

1 250

Richtlijn 2005/38/EG (1)

Richtlijn 2005/38/EG

2.4.2.

Onbewerkte harde tarwe en haver

1 750

Richtlijn 2005/38/EG

Richtlijn 2005/38/EG

2.4.3.

Onbewerkte maïs

 (4)

Richtlijn 2005/38/EG

Richtlijn 2005/38/EG

2.4.4.

Meel van granen, met inbegrip van maïsbloem, maïsgrutten en maïsmeel (5)

750

Richtlijn 2005/38/EG

Richtlijn 2005/38/EG

2.4.5.

Brood, gebak, koekjes, granensnacks en ontbijtgranen

500

Richtlijn 2005/38/EG

Richtlijn 2005/38/EG

2.4.6.

Deegwaren (droge)

750

Richtlijn 2005/38/EG

Richtlijn 2005/38/EG

2.4.7.

Bewerkte voedingsmiddelen voor zuigelingen en peuters en babyvoeding op basis van granen (6)

200

Richtlijn 2005/38/EG

Richtlijn 2005/38/EG


Product (7)

Maximumgehalte

(μg/kg)

Bemonsteringsmethode

Referentieanalysemethode

2.5.   

ZEARALENON

2.5.1.

Onbewerkte granen (8), met uitzondering van maïs

100

Richtlijn 2005/38/EG

Richtlijn 2005/38/EG

2.5.2.

Onbewerkte maïs

 (9)

Richtlijn 2005/38/EG

Richtlijn 2005/38/EG

2.5.3.

Meel van granen, met uitzondering van maïsbloem

75

Richtlijn 2005/38/EG

Richtlijn 2005/38/EG

2.5.4.

Maïsbloem, maïsmeel, maïsgrutten en geraffineerde maïsolie (10)

 (9)

Richtlijn 2005/38/EG

Richtlijn 2005/38/EG

2.5.5.

— Brood, gebak, koekjes

50

Richtlijn 2005/38/EG

Richtlijn 2005/38/EG

— Maïssnacks en ontbijtgranen op basis van maïs

 (9)

— Overige granensnacks en ontbijtgranen

50

2.5.6. —

Bewerkte voedingsmiddelen voor zuigelingen en peuters op basis van maïs

 (9)

Richtlijn 2005/38/EG

Richtlijn 2005/38/EG

Overige bewerkte voedingsmiddelen voor zuigelingen en peuters en babyvoeding op basis van granen (11)

20


Product

Maximumgehalte FB1 + FB2

(μg/kg)

Bemonsteringsmethode

Referentieanalysemethode

2.6.   

FUMONISINEN (12)

2.6.1.

Onbewerkte maïs (13)

 (14)

Richtlijn 2005/38/EG

Richtlijn 2005/38/EG

2.6.2.

Maïsgrutten, maïsmeel en maïsbloem (15)

 (14)

Richtlijn 2005/38/EG

Richtlijn 2005/38/EG

2.6.3.

Voedingsmiddelen op basis van maïs voor rechtstreekse consumptie, met uitzondering van 2.6.2 en 2.6.4

 (14)

Richtlijn 2005/38/EG

Richtlijn 2005/38/EG

2.6.4.

Bewerkte voedingsmiddelen voor zuigelingen en peuters en babyvoeding op basis van maïs (16)

 (14)

Richtlijn 2005/38/EG

Richtlijn 2005/38/EG


Product (18)

Maximumgehalte

(μg/kg)

Bemonsteringsmethode

Referentieanalysemethode

2.7.   

EN HT-2-TOXINE (17)

2.7.1.

Onbewerkte granen (19) en graanproducten

 (20)

Richtlijn 2005/38/EG

Richtlijn 2005/38/EG


(1)  Zie bladzijde 18 van dit Publicatieblad.

(2)  Uitsluitend voor de toepassing van de maximumgehalten aan deoxynivalenol, zearalenon, fumonisine B1 en B2 en T-2- en HT-2-toxine in de punten 2.4, 2.5, 2.6 en 2.7 omvatten „granen” geen rijst en omvatten „graanproducten” geen rijstproducten.

(3)  De maximumgehalten voor „onbewerkte granen” zijn van toepassing op granen die voor eerste bewerking in de handel worden gebracht. De maximumgehalten zijn echter wel van toepassing op granen die vanaf het verkoopseizoen 2005-2006 worden geoogst en overgenomen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 824/2000 van de Commissie van 19 april 2000 tot vaststelling van de procedures voor de overneming van granen door de interventiebureaus, en tot vaststelling van de analysemethoden voor de bepaling van de kwaliteit (PB L 100 van 20.4.2000, blz. 31), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 777/2004 (PB L 123 van 27.4.2004, blz. 50).

Onder „eerste bewerking” wordt een fysieke of thermische behandeling, met uitzondering van drogen, van de graankorrels verstaan.

Reinigen, sorteren en drogen worden niet als een „eerste bewerking” beschouwd aangezien er daarbij geen fysieke handeling op de graankorrels zelf wordt uitgeoefend en aangezien de korrels na het reinigen en sorteren heel blijven.

(4)  Indien vóór 1 juli 2007 geen specifiek gehalte is vastgesteld, is vanaf die datum het gehalte van 1 750 μg/kg van toepassing op in dit punt vermelde maïs.

(5)  Deze categorie omvat ook soortgelijke producten met een andere naam, bijvoorbeeld griesmeel.

(6)  Bewerkte voedingsmiddelen op basis van granen voor zuigelingen en peuters zoals gedefinieerd in artikel 1 van Richtlijn 96/5/EG van de Commissie van 16 februari 1996 inzake bewerkte voedingsmiddelen op basis van granen en babyvoeding voor zuigelingen en peuters (PB L 49 van 28.2.1996, blz. 17), laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2003/13/EG (PB L 41 van 14.2.2003, blz. 33).

Het maximumgehalte voor bewerkte voedingsmiddelen op basis van granen voor zuigelingen en peuters en babyvoeding heeft betrekking op de droge stof.

(7)  Uitsluitend voor de toepassing van de maximumgehalten aan deoxynivalenol, zearalenon, fumonisine B1 en B2 en T-2- en HT-2-toxine in de punten 2.4, 2.5, 2.6 en 2.7 omvatten „granen” geen rijst en omvatten „graanproducten” geen rijstproducten.

(8)  De maximumgehalten voor „onbewerkte granen” zijn van toepassing op granen die voor eerste bewerking in de handel worden gebracht. De maximumgehalten zijn echter wel van toepassing op granen die vanaf het verkoopseizoen 2005-2006 worden geoogst en overgenomen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 824/2000 van de Commissie van 19 april 2000 tot vaststelling van de procedures voor de overneming van granen door de interventiebureaus, en tot vaststelling van de analysemethoden voor de bepaling van de kwaliteit (PB L 100 van 20.4.2000, blz. 31), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 777/2004 (PB L 123 van 27.4.2004, blz. 50).

Onder „eerste bewerking” wordt een fysieke of thermische behandeling, met uitzondering van drogen, van de graankorrels verstaan.

Reinigen, sorteren en drogen worden niet als een „eerste bewerking” beschouwd aangezien er daarbij geen fysieke handeling op de graankorrels zelf wordt uitgeoefend en aangezien de korrels na het reinigen en sorteren heel blijven.

(9)  Indien vóór 1 juli 2007 geen specifiek gehalte is vastgesteld is het gehalte van

200 μg/kg vanaf die datum van toepassing op onbewerkte maïs;

200 μg/kg vanaf die datum van toepassing op maïsbloem, maïsmeel, maïsgrutten en geraffineerde maïsolie;

50 μg/kg vanaf die datum van toepassing op maïssnacks en ontbijtgranen op basis van maïs;

20 μg/kg vanaf die datum van toepassing op bewerkte voedingsmiddelen voor zuigelingen en peuters op basis van maïs.

(10)  Deze categorie omvat ook soortgelijke producten met een andere naam, bijvoorbeeld griesmeel.

(11)  Bewerkte voedingsmiddelen op basis van granen voor zuigelingen en peuters zoals gedefinieerd in artikel 1 van Richtlijn 96/5/EG van de Commissie van 16 februari 1996 inzake bewerkte voedingsmiddelen op basis van granen en babyvoeding voor zuigelingen en peuters (PB L 49 van 28.2.1996, blz. 17), laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2003/13/EG (PB L 41 van 14.2.2003, blz. 33).

Het maximumgehalte voor bewerkte voedingsmiddelen op basis van granen voor zuigelingen en peuters en babyvoeding heeft betrekking op de droge stof.

(12)  Het maximumgehalte is van toepassing op de som van fumonisine B1 (FB1) en fumonisine B2 (FB2).

(13)  Het maximumgehalte voor „onbewerkte maïs” is van toepassing op maïs die voor eerste bewerking in de handel wordt gebracht. De maximumgehalten zijn echter wel van toepassing op maïs die vanaf het verkoopseizoen 2006-2007 wordt geoogst en overgenomen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 824/2000 van de Commissie van 19 april 2000 tot vaststelling van de procedures voor de overneming van granen door de interventiebureaus, en tot vaststelling van de analysemethoden voor de bepaling van de kwaliteit (PB L 100 van 20.4.2000, blz. 31), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 777/2004 (PB L 123 van 27.4.2004, blz. 50).

Onder „eerste bewerking” wordt een fysieke of thermische behandeling, met uitzondering van drogen, van de graankorrels verstaan.

Reinigen, sorteren en drogen worden niet als een „eerste bewerking” beschouwd aangezien er daarbij geen fysieke handeling op de graankorrels zelf wordt uitgeoefend en aangezien de korrels na het reinigen en sorteren heel blijven.

(14)  Indien vóór 1 oktober 2007 geen specifiek gehalte is vastgesteld is het gehalte van

2 000 μg/kg vanaf die datum van toepassing op onbewerkte maïs;

1 000 μg/kg vanaf die datum van toepassing op maïsbloem, maïsmeel, maïsgrutten en maïsgriesmeel;

400 μg/kg vanaf die datum van toepassing op voedingsmiddelen op basis van maïs voor rechtstreekse consumptie;

200 μg/kg vanaf die datum van toepassing op bewerkte voedingsmiddelen voor zuigelingen en peuters en babyvoeding op basis van maïs.

(15)  Deze categorie omvat ook soortgelijke producten met een andere naam, bijvoorbeeld griesmeel.

(16)  Bewerkte voedingsmiddelen op basis van granen voor zuigelingen en peuters zoals gedefinieerd in artikel 1 van Richtlijn 96/5/EG van de Commissie van 16 februari 1996 inzake bewerkte voedingsmiddelen op basis van granen en babyvoeding voor zuigelingen en peuters (PB L 49 van 28.2.1996, blz. 17), laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2003/13/EG (PB L 41 van 14.2.2003, blz. 33).

Het maximumgehalte voor bewerkte voedingsmiddelen op basis van granen voor zuigelingen en peuters en babyvoeding heeft betrekking op de droge stof.

(17)  Het maximumgehalte betreft de som van T-2- en HT-2-toxine.

(18)  Uitsluitend voor de toepassing van de maximumgehalten aan deoxynivalenol, zearalenon, fumonisine B1 en B2 en T-2- en HT-2-toxine in de punten 2.4, 2.5, 2.6 en 2.7 omvatten „granen” geen rijst en omvatten „graanproducten” geen rijstproducten.

(19)  De maximumgehalten voor „onbewerkte granen” zijn van toepassing op granen die voor eerste bewerking in de handel worden gebracht.

Onder „eerste bewerking” wordt een fysieke of thermische behandeling, met uitzondering van drogen, van de graankorrels verstaan. Reinigen, sorteren en drogen worden niet als een „eerste bewerking” beschouwd aangezien er daarbij geen fysieke handeling op de graankorrels zelf wordt uitgeoefend en aangezien de korrels na het reinigen en sorteren heel blijven.

(20)  Zo nodig zal vóór 1 juli 2007 een maximumgehalte worden vastgesteld.

Momenteel zijn weinig gegevens beschikbaar over de aanwezigheid van T-2- en HT-2-toxine. Toch blijkt uit schattingen van de inname duidelijk dat de aanwezigheid van T-2- en HT-2-toxine een probleem voor de volksgezondheid kan zijn. De ontwikkeling van een gevoelige methode, de verzameling van meer gegevens over het vóórkomen en meer onderzoek naar de factoren die van invloed zijn op de aanwezigheid van T-2- en HT-2-toxine in graan en graanproducten, en met name in haver en haverproducten, zijn dan ook noodzakelijk en een hoge prioriteit.”


Top