Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32004R0772

Verordening (EG) nr. 772/2004 van de Commissie van 27 april 2004 betreffende de toepassing van artikel 81, lid 3, van het Verdrag op groepen overeenkomsten inzake technologieoverdracht (Voor de EER relevante tekst)

OJ L 123, 27.4.2004, p. 11–17 (ES, DA, DE, EL, EN, FR, IT, NL, PT, FI, SV)
Special edition in Czech: Chapter 08 Volume 003 P. 74 - 80
Special edition in Estonian: Chapter 08 Volume 003 P. 74 - 80
Special edition in Latvian: Chapter 08 Volume 003 P. 74 - 80
Special edition in Lithuanian: Chapter 08 Volume 003 P. 74 - 80
Special edition in Hungarian Chapter 08 Volume 003 P. 74 - 80
Special edition in Maltese: Chapter 08 Volume 003 P. 74 - 80
Special edition in Polish: Chapter 08 Volume 003 P. 74 - 80
Special edition in Slovak: Chapter 08 Volume 003 P. 74 - 80
Special edition in Slovene: Chapter 08 Volume 003 P. 74 - 80
Special edition in Bulgarian: Chapter 08 Volume 001 P. 235 - 241
Special edition in Romanian: Chapter 08 Volume 001 P. 235 - 241
Special edition in Croatian: Chapter 08 Volume 001 P. 291 - 297

No longer in force, Date of end of validity: 30/04/2014

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2004/772/oj

32004R0772

Verordening (EG) nr. 772/2004 van de Commissie van 27 april 2004 betreffende de toepassing van artikel 81, lid 3, van het Verdrag op groepen overeenkomsten inzake technologieoverdracht (Voor de EER relevante tekst)

Publicatieblad Nr. L 123 van 27/04/2004 blz. 0011 - 0017


Verordening (EG) nr. 772/2004 van de Commissie

van 27 april 2004

betreffende de toepassing van artikel 81, lid 3, van het Verdrag op groepen overeenkomsten inzake technologieoverdracht

(Voor de EER relevante tekst)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening nr. 19/65/EEG van de Raad van 2 maart 1965 betreffende de toepassing van artikel 85, lid 3, van het Verdrag op groepen van overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen(1), en met name op artikel 1,

Na bekendmaking van de ontwerpverordening(2),

Na raadpleging van het Adviescomité voor mededingingsregelingen en economische machtsposities,

Overwegende hetgeen volgt:

(1) Verordening nr. 19/65/EEG machtigt de Commissie artikel 81, lid 3, van het Verdrag bij verordening toe te passen op bepaalde groepen overeenkomsten inzake technologieoverdracht en op vergelijkbare onderling afgestemde feitelijke gedragingen die onder de toepassing van artikel 81, lid 1, vallen, wanneer bij die overeenkomsten of gedragingen slechts twee partijen betrokken zijn.

(2) Op grond van Verordening nr. 19/65/EEG heeft de Commissie met name Verordening (EG) nr. 240/96 van 31 januari 1996 inzake de toepassing van artikel 85, lid 3, van het Verdrag op groepen overeenkomsten betreffende technologieoverdracht(3) vastgesteld.

(3) Op 20 december 2001 heeft de Commissie een evaluatierapport inzake Verordening (EG) nr. 240/96 betreffende technologieoverdracht bekendgemaakt(4). Dit heeft een openbare discussie op gang gebracht over de toepassing van Verordening (EG) nr. 240/96 en in het algemeen over de toepassing van artikel 81, leden 1 en 3, van het Verdrag op overeenkomsten inzake technologieoverdracht. De lidstaten en derden die op het evaluatierapport hebben gereageerd, stonden over het algemeen gunstig ten aanzien van een hervorming van het mededingingsbeleid van de Gemeenschap met betrekking tot overeenkomsten inzake technologieoverdracht. Verordening (EG) nr. 240/96 dient daarom te worden ingetrokken.

(4) Deze verordening dient aan twee vereisten te voldoen: zij moet een daadwerkelijke mededinging waarborgen en zij moet de ondernemingen voldoende rechtszekerheid verschaffen. Bij het nastreven van deze doelstellingen dient rekening te worden gehouden met de noodzaak om de regelgeving en de toepassing ervan te vereenvoudigen. Er dient te worden afgestapt van de methode waarbij een lijst van vrijgestelde bepalingen wordt opgesteld, en er dient meer aandacht te worden besteed aan de omschrijving van de groepen overeenkomsten waarvoor tot een bepaald niveau van marktmacht een vrijstelling geldt, en aan het aangeven van de beperkingen of bepalingen die niet in dergelijke overeenkomsten mogen voorkomen. Dit is in overeenstemming met een benadering op economische grondslag, waarbij wordt beoordeeld welke uitwerking de overeenkomsten op de relevante markt hebben. Het is eveneens in overeenstemming met die benadering om een onderscheid te maken tussen overeenkomsten tussen concurrenten en overeenkomsten tussen niet-concurrenten.

(5) Overeenkomsten inzake technologieoverdracht hebben betrekking op het in licentie geven van technologie. Deze overeenkomsten verbeteren gewoonlijk de economische efficiëntie en zijn concurrentiebevorderend, aangezien zij doublures in onderzoek en ontwikkeling kunnen beperken, de prikkels voor het verrichten van oorspronkelijk onderzoek en ontwikkeling kunnen versterken, vervolginnovatie kunnen aanwakkeren, de verspreiding kunnen vergemakkelijken en concurrentie op de productmarkt in het leven kunnen roepen.

(6) De waarschijnlijkheid dat dergelijke efficiëntiebevorderende en concurrentiebevorderende effecten opwegen tegen de mogelijke cconcurrentiebeperkende effecten die voortvloeien uit beperkingen die zijn opgenomen in overeenkomsten inzake technologieoverdracht, hangt af van de omvang van de marktmacht van de betrokken ondernemingen en bijgevolg van de mate waarin die ondernemingen concurrentie ondervinden van ondernemingen die beschikken over substitueerbare technologieën, of ondernemingen die substitueerbare producten produceren.

(7) Deze verordening dient zich uitsluitend bezig te houden met overeenkomsten waarbij de licentiegever de licentienemer machtigt de in licentie gegeven technologie, eventueel na verder onderzoek en ontwikkeling, te exploiteren voor de productie van goederen of diensten. Zij dient zich niet bezig te houden met licentieovereenkomsten ten behoeve van de toelevering van onderzoek en ontwikkeling. Zij dient zich evenmin bezig te houden met licentieovereenkomsten met het oog op de vorming van technologiepools, dit wil zeggen overeenkomsten waarbij technologieën worden bijeengebracht met het doel om de gevormde pakketten van intellectuele eigendomsrechten aan derden in licentie te geven.

(8) Voor de toepassing van artikel 81, lid 3, van het Verdrag bij verordening is het niet noodzakelijk te omschrijven welke overeenkomsten inzake technologieoverdracht onder artikel 81, lid 1, kunnen vallen. Bij de individuele toetsing van overeenkomsten aan artikel 81, lid 1, dient rekening te worden gehouden met verscheidene factoren, in het bijzonder de structuur en de dynamiek van de relevante technologie- en productmarkten.

(9) Het voordeel van de bij deze verordening vastgestelde groepsvrijstelling dient te worden beperkt tot die overeenkomsten waarvan met voldoende zekerheid kan worden aangenomen dat zij aan de voorwaarden van artikel 81, lid 3, voldoen. Om de voordelen en doelstellingen van technologieoverdracht te bereiken, dient het voordeel van deze verordening ook te gelden voor bepalingen in overeenkomsten inzake technologieoverdracht die niet het primaire voorwerp van die overeenkomsten vormen, maar die rechtstreeks verband houden met de toepassing van de in licentie gegeven technologie.

(10) Bij overeenkomsten inzake technologieoverdracht die worden gesloten tussen concurrenten, kan ervan worden uitgegaan dat, wanneer het gezamenlijke marktaandeel van de partijen niet groter is dan 20 % van de relevante markten en de overeenkomsten niet bepaalde soorten sterk mededingingverstorende beperkingen bevatten, deze over het algemeen tot een verbetering van de productie of van de verdeling der producten leiden en een billijk aandeel in de daaruit voortvloeiende voordelen de gebruikers ten goede komt.

(11) Bij overeenkomsten inzake technologieoverdracht die worden gesloten tussen niet-concurrenten, kan ervan worden uitgegaan dat, wanneer het individuele marktaandeel van elk van de partijen niet groter is dan 30 % van de relevante markten en de overeenkomsten niet bepaalde sterk mededingingverstorende beperkingen bevatten, deze over het algemeen tot een verbetering van de productie of van de verdeling der producten leiden en een billijk aandeel in de daaruit voortvloeiende voordelen de gebruikers ten goede komt.

(12) Er kan niet van worden uitgegaan dat, boven deze marktaandeeldrempels, overeenkomsten inzake technologieoverdracht onder artikel 81, lid 1, vallen. Een exclusieve licentieovereenkomst tussen niet-concurrerende ondernemingen bijvoorbeeld valt dikwijls niet onder artikel 81, lid 1. Er kan ook niet van worden uitgegaan dat, boven deze marktaandeeldrempels, overeenkomsten inzake technologieoverdracht welke onder artikel 81, lid 1, vallen, niet voldoen aan de voorwaarden voor vrijstelling. Evenmin kan echter worden aangenomen dat zij gewoonlijk objectieve voordelen zullen meebrengen van een dergelijke aard en omvang dat zij opwegen tegen de uit deze overeenkomsten voortvloeiende nadelen voor de mededinging.

(13) Deze verordening mag geen vrijstelling verlenen voor overeenkomsten inzake technologieoverdracht welke beperkingen bevatten die voor de verbetering van de productie of van de distributie niet onmisbaar zijn. In het bijzonder overeenkomsten inzake technologieoverdracht welke bepaalde sterk mededingingverstorende beperkingen bevatten, zoals het toepassen van vaste prijzen ten aanzien van derden, dienen, ongeacht de marktaandelen van de betrokken ondernemingen, van het voordeel van de in deze verordening vervatte groepsvrijstelling te worden uitgesloten. Indien dergelijke meest ingrijpende beperkingen ("hardcore"-beperkingen) in de overeenkomst voorkomen, dient de gehele overeenkomst van het voordeel van de groepsvrijstelling te worden uitgesloten.

(14) Om prikkels tot innovatie en de passende uitoefening van intellectuele-eigendomsrechten te beschermen, dienen bepaalde beperkingen van de groepsvrijstelling te worden uitgesloten. Dit geldt met name voor exclusieve "grant back"-verplichtingen voor scheidbare verbeteringen. Wanneer een dergelijke beperking in een licentieovereenkomst is opgenomen, dient alleen de desbetreffende beperking van het voordeel van de groepsvrijstelling te worden uitgesloten.

(15) De marktaandeeldrempels, de uitsluiting van overeenkomsten inzake technologieoverdracht die sterk mededingingverstorende beperkingen bevatten, en de uitgesloten beperkingen waarin deze verordening voorziet, bieden normaal een afdoende garantie dat de overeenkomsten waarvoor de groepsvrijstelling geldt, de deelnemende ondernemingen niet de mogelijkheid geven voor een wezenlijk deel van de betrokken producten de mededinging uit te schakelen.

(16) Wanneer in individuele gevallen overeenkomsten die aan de voorwaarden van deze verordening voldoen, toch met artikel 81, lid 3, onverenigbare gevolgen hebben, moet de Commissie het voordeel van de groepsvrijstelling kunnen intrekken. Dit kan met name het geval zijn wanneer de prikkels tot innovatie worden beperkt of wanneer de toegang tot markten wordt belemmerd.

(17) Verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag(5) machtigt de bevoegde autoriteiten van de lidstaten het voordeel van de groepsvrijstelling in te trekken met betrekking tot overeenkomsten inzake technologieoverdracht die met artikel 81, lid 3, van het Verdrag onverenigbare gevolgen hebben, wanneer die gevolgen zich voordoen op hun grondgebied of een gedeelte daarvan en dat grondgebied de kenmerken van een afzonderlijke geografische markt vertoont. De lidstaten dienen ervoor zorg te dragen dat de uitoefening van deze bevoegdheid tot intrekking geen afbreuk doet aan de eenvormige toepassing van de communautaire mededingingsregels in de gehele gemeenschappelijke markt, noch aan de volle werking van de ter uitvoering van deze regels genomen maatregelen.

(18) Ter versterking van het toezicht op parallelle netwerken van overeenkomsten inzake technologieoverdracht die een soortgelijke mededingingbeperkende werking hebben en meer dan 50 % van een bepaalde markt bestrijken, moet de Commissie deze verordening voor overeenkomsten inzake technologieoverdracht die bepaalde met de betrokken markt verband houdende beperkingen bevatten, buiten toepassing kunnen verklaren, waardoor artikel 81 weer onverkort van toepassing wordt op deze overeenkomsten.

(19) Deze verordening dient uitsluitend betrekking te hebben op overeenkomsten inzake technologieoverdracht tussen een licentiegever en een licentienemer. Dergelijke overeenkomsten vallen onder de verordening, zelfs indien bepalingen erin zijn opgenomen betreffende meer dan één handelsniveau, bijvoorbeeld wanneer aan de licentienemer de verplichting wordt opgelegd een bepaald distributiesysteem op te zetten en tevens wordt bepaald welke verplichtingen hij moet of mag opleggen aan de wederverkopers van de onder licentie vervaardigde producten. Die bepalingen en verplichtingen moeten evenwel stroken met de mededingingsregels die van toepassing zijn op leverings- en distributieovereenkomsten. Leverings- en distributieovereenkomsten tussen een licentienemer en zijn afnemers dienen niet onder de door deze verordening verleende vrijstelling te vallen.

(20) Deze verordening doet geen afbreuk aan de toepassing van artikel 82 van het Verdrag,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Definities

1. Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

a) "overeenkomsten": overeenkomsten, besluiten van een ondernemersvereniging of onderling afgestemde feitelijke gedragingen;

b) "overeenkomsten inzake technologieoverdracht": octrooilicentie- overeenkomsten, knowhowlicentieovereenkomsten, licentieovereenkomsten betreffende het auteursrecht op software of gemengde octrooi-, knowhow- of softwareauteursrechlicentieovereenkomsten, met inbegrip van dergelijke overeenkomsten die bepalingen bevatten betreffende de aan- of verkoop van producten, het in licentie geven van andere intellectuele-eigendomsrechten of de verkoop van intellectuele-eigendomsrechten, voorzover die bepalingen niet het primaire voorwerp van de overeenkomst vormen en rechtstreeks verband houden met de productie van de contractproducten; de verkoop van octrooien, knowhow, auteursrechten op software of een combinatie daarvan, waarbij het risico dat met de exploitatie van de technologie gepaard gaat, gedeeltelijk bij de verkoper blijft berusten, met name wanneer het bedrag dat voor de verkoop moet worden betaald, afhangt van de omzet die de afnemer behaalt met de producten die met behulp van de overgedragen technologie worden geproduceerd, of van de hoeveelheid producten die worden vervaardigd dan wel van het aantal verrichtingen uitgevoerd met behulp van de betrokken technologie, wordt eveneens beschouwd als een overeenkomst inzake technologieoverdracht;

c) "wederkerige overeenkomsten": overeenkomsten inzake technologieoverdracht waarbij twee ondernemingen elkaar, door middel van één contract dan wel afzonderlijke contracten, een octrooilicentie, een knowhowlicentie, een licentie betreffende het auteursrecht op software of een gemengde octrooi-, knowhow of softwareauteursrechtlicentie verlenen, welke licenties betrekking hebben op concurrerende technologieën of voor de productie van concurrerende producten kunnen worden gebruikt;

d) "niet-wederkerige overeenkomsten": overeenkomsten inzake technologieoverdracht waarbij een onderneming een andere onderneming een octrooilicentie, een knowhowlicentie, een licentie betreffende het auteursrecht op software of een gemengde octrooi-, knowhow- of softwareauteursrechtlicentie verleent, of waarbij twee ondernemingen elkaar een dergelijke licentie verlenen zonder dat deze licenties evenwel betrekking hebben op concurrerende technologieën of voor de productie van concurrerende producten kunnen worden gebruikt;

e) "product": een goed of een dienst, daaronder begrepen zowel intermediaire goederen en diensten als finale goederen en diensten;

f) "contractproducten": producten die met behulp van de in licentie gegeven technologie worden geproduceerd;

g) "intellectuele-eigendomsrechten": met name de industriële eigendomsrechten, knowhow, het auteursrecht en naburige rechten;

h) "octrooien": octrooien, octrooiaanvragen, gebruiksmodellen, aanvragen tot inschrijving van gebruiksmodellen, tekeningen en modellen, topografieën van halfgeleiderproducten, aanvullende beschermingscertificaten voor geneesmiddelen of andere producten waarvoor een dergelijk aanvullend beschermingscertificaat kan worden verkregen, en kwekerscertificaten;

i) "knowhow": een geheel van niet-geoctrooieerde praktische kennis die voortvloeit uit ervaring en onderzoek en die:

i) geheim is, dat wil zeggen niet algemeen bekend of gemakkelijk verkrijgbaar is;

ii) wezenlijk is, dat wil zeggen, belangrijk en nuttig is voor de productie van de contractproducten, en

iii) bepaald is, dat wil zeggen, zodanig volledig beschreven is dat kan worden nagegaan of deze kennis aan de criteria van geheim-zijn en wezenlijkheid voldoet;

j) "concurrerende ondernemingen": ondernemingen die concurreren op de relevante technologiemarkt en/of op de relevante productmarkt met dien verstande dat:

i) concurrerende ondernemingen op de "relevante technologiemarkt" ondernemingen zijn die, zonder inbreuk te maken op elkaars intellectuele-eigendomsrechten, concurrerende technologieën in licentie geven (daadwerkelijke concurrenten op de technologiemarkt); de relevante technologiemarkt omvat technologieën die op grond van hun kenmerken, hun royalty's en het gebruik waarvoor zij zijn bestemd, door de licentienemers als onderling verwisselbaar of substitueerbaar worden beschouwd;

ii) concurrerende ondernemingen op de "relevante productmarkt" ondernemingen zijn die, bij afwezigheid van de overeenkomst inzake technologieoverdracht, beide actief zijn op de relevante product- en geografische markt of -markten waarop de contractproducten worden verkocht zonder inbreuk te maken op elkaars intellectuele-eigendomsrechten (daadwerkelijke concurrenten op de productmarkt) of die, op grond van realistische verwachtingen, de noodzakelijke bijkomende investeringen zouden doen of andere noodzakelijke overschakelingskosten zouden maken om bij een geringe maar duurzame stijging van de betrokken prijzen tijdig de relevante product- en geografische markt of -markten te kunnen betreden zonder inbreuk te maken op elkaars intellectuele-eigendomsrechten (potentiële concurrenten op de productmarkt); de relevante productmarkt omvat producten die op grond van hun kenmerken, hun prijzen en het gebruik waarvoor zij zijn bestemd, door de afnemers als onderling verwisselbaar of substitueerbaar worden beschouwd;

k) "selectief distributiestelsel": een distributiestelsel waarbij de licentiegever zich ertoe verbindt de productie van de contractproducten slechts in licentie te geven aan licentienemers die op grond van vastgestelde criteria zijn geselecteerd, en waarbij deze licentienemers zich ertoe verbinden de contractproducten niet aan niet-erkende distributeurs te verkopen;

l) "exclusief gebied": een gebied waarin slechts één onderneming gemachtigd is de contractproducten met de in licentie gegeven technologie te produceren, onverminderd de mogelijkheid om een andere licentienemer in dat gebied te machtigen de contractproducten uitsluitend voor een specifieke afnemer te produceren, wanneer deze alternatieve licentie is verleend om die afnemer een alternatieve voorzieningsbron te bieden;

m) "exclusieve klantenkring": een groep afnemers waaraan slechts één onderneming de met de in licentie gegeven technologie geproduceerde contractproducten actief mag verkopen;

n) "scheidbare verbetering": een verbetering die kan worden geëxploiteerd zonder inbreuk te maken op de in licentie gegeven technologie.

2. De begrippen "onderneming", "licentiegever" en "licentienemer" omvatten tevens hun respectieve verbonden ondernemingen.

Onder "verbonden ondernemingen" worden verstaan:

a) ondernemingen waarin een partij bij de overeenkomst rechtstreeks of middellijk:

i) hetzij de bevoegdheid heeft meer dan de helft van de stemrechten uit te oefenen;

ii) hetzij de bevoegdheid heeft meer dan de helft van de leden van de raad van toezicht, van de raad van bestuur of van de krachtens de wet tot vertegenwoordiging bevoegde organen te benoemen;

iii) hetzij het recht heeft de zaken van de onderneming te leiden;

b) ondernemingen die ten aanzien van een partij bij de overeenkomst rechtstreeks of middellijk over de onder a) bedoelde rechten of bevoegdheden beschikken;

c) ondernemingen waarin een onderneming zoals bedoeld onder b), rechtstreeks of middellijk over de onder a) genoemde rechten of bevoegdheden beschikt;

d) ondernemingen waarin één partij bij de overeenkomst gezamenlijk met één of meer van de ondernemingen zoals bedoeld onder a), b) of c), of waarin twee of meer van laatstgenoemde ondernemingen gezamenlijk over de onder a) bedoelde rechten of bevoegdheden beschikken;

e) ondernemingen waarin over de onder a) bedoelde rechten of bevoegdheden gezamenlijk wordt beschikt door:

i) partijen bij de overeenkomst of hun respectieve verbonden ondernemingen zoals bedoeld onder a), b), c) of d), of

ii) één of meer van de partijen bij de overeenkomst of één of meer van de met hen verbonden ondernemingen zoals bedoeld onder a), b), c), of d) en één of meer derden.

Artikel 2

Vrijstelling

Overeenkomstig artikel 81, lid 3, van het Verdrag en onder de in deze verordening vastgestelde voorwaarden wordt artikel 81, lid 1, van het Verdrag buiten toepassing verklaard voor overeenkomsten inzake technologieoverdracht die tussen twee ondernemingen worden gesloten en waarbij toestemming voor de productie van contractproducten wordt verleend.

Deze vrijstelling is van toepassing voorzover deze overeenkomsten mededingingsbeperkingen bevatten die binnen het toepassingsgebied van artikel 81, lid 1, van het Verdrag vallen. De vrijstelling geldt zolang het intellectuele-eigendomsrecht op de in licentie gegeven technologie niet is verstreken, vervallen of nietigverklaard of, in het geval van knowhow, zolang de knowhow geheim blijft, behalve wanneer deze algemeen bekend raakt door toedoen van de licentienemer, in welk geval de vrijstelling geldt voor de duur van de overeenkomst.

Artikel 3

Marktaandeeldrempels

1. Indien de ondernemingen die partij zijn bij de overeenkomst, concurrerende ondernemingen zijn, geldt de vrijstelling van artikel 2 voorzover het gezamenlijke marktaandeel van de partijen op de betrokken relevante technologie- en productmarkt niet meer dan 20 % bedraagt.

2. Indien de ondernemingen die partij zijn bij de overeenkomst, geen concurrerende ondernemingen zijn, geldt de vrijstelling van artikel 2 voorzover het marktaandeel van elk van de partijen op de betrokken relevante technologie- en productmarkt niet meer dan 30 % bedraagt.

3. Voor de toepassing van de leden 1 en 2 wordt het marktaandeel van een partij op de relevante technologiemarkt of -markten bepaald op basis van de aanwezigheid van de in licentie gegeven technologie op de relevante productmarkt of -markten. Het marktaandeel van de licentiegever op de relevante technologiemarkt is het gezamenlijke marktaandeel van de door de licentiegever en zijn licentienemers geproduceerde contractproducten op de relevante productmarkt.

Artikel 4

Meest ingrijpende beperkingen ("hardcore"-beperkingen)

1. Indien de ondernemingen die partij zijn bij de overeenkomst, concurrerende ondernemingen zijn, geldt de vrijstelling van artikel 2 niet voor overeenkomsten die, op zich of in combinatie met andere factoren waarover de partijen controle hebben, direct of indirect tot doel hebben:

a) de mogelijkheden van een van de partijen tot het vaststellen van haar prijzen bij verkoop van producten aan derden te beperken;

b) de productie te beperken, met uitzondering van beperkingen van de productie van contractproducten die aan de licentienemer worden opgelegd in een niet-wederkerige overeenkomst of die aan slechts één van de licentienemers worden opgelegd in een wederkerige overeenkomst;

c) markten of klanten toe te wijzen, met uitzondering van:

i) de verplichting die aan de licentienemer of licentienemers wordt opgelegd om met de in licentie gegeven technologie uitsluitend binnen één of meer technische gebruiksgebieden of één of meer productmarkten te produceren;

ii) de verplichting die in een niet-wederkerige overeenkomst aan de licentiegever en/of licentienemer wordt opgelegd om met de in licentie gegeven technologie niet binnen één of meer technische gebruiksgebieden, één of meer productmarkten of één of meer exclusieve gebieden die aan de andere partij zijn voorbehouden, te produceren;

iii) de verplichting die aan de licentiegever wordt opgelegd om de technologie niet aan een andere licentienemer in een specifiek gebied in licentie te geven;

iv) de beperking, in een niet-wederkerige overeenkomst, van actieve en/of passieve verkoop door de licentienemer en/of de licentiegever in het exclusieve gebied of aan de exclusieve klantenkring die aan de andere partij is voorbehouden;

v) de beperking, in een niet-wederkerige overeenkomst, van actieve verkoop door de licentienemer in het exclusieve gebied of aan de exclusieve klantenkring die door de licentiegever is toegewezen aan een andere licentienemer, mits laatstgenoemde ten tijde van het sluiten van zijn licentieovereenkomst geen concurrerende onderneming van de licentiegever was;

vi) de verplichting die aan de licentienemer wordt opgelegd om de contractproducten uitsluitend te produceren voor eigen gebruik, mits de licentienemer niet wordt beperkt met betrekking tot de actieve of passieve verkoop van de contractproducten als reserveonderdelen voor zijn eigen producten;

vii) de verplichting die in een niet-wederkerige overeenkomst aan de licentienemer wordt opgelegd om de contractproducten uitsluitend te produceren voor een specifieke afnemer, indien de licentie is verleend om die afnemer een alternatieve voorzieningsbron te bieden;

d) de mogelijkheden van de licentienemer tot het exploiteren van zijn eigen technologie te beperken of de mogelijkheden van een van de partijen bij de overeenkomst tot het verrichten van onderzoek en ontwikkeling te beperken, tenzij die laatste beperking onmisbaar is om te voorkomen dat de in licentie gegeven knowhow aan derden wordt bekendgemaakt.

2. Wanneer de ondernemingen die partij zijn bij de overeenkomst geen concurrerende ondernemingen zijn, geldt de vrijstelling van artikel 2 niet voor overeenkomsten die, op zich of in combinatie met andere factoren waarover de partijen controle hebben, direct of indirect tot doel hebben:

a) de mogelijkheden van een van de partijen tot het vaststellen van haar prijzen bij verkoop van producten aan derden te beperken, onverminderd de mogelijkheid een maximumprijs op te leggen of een verkoopprijs aan te raden, mits dit niet ten gevolge van door een van de partijen uitgeoefende druk of gegeven prikkels hetzelfde effect heeft als een vaste prijs of minimumprijs;

b) het gebied waarin of de klanten aan wie de licentienemer de contractproducten passief mag verkopen, te beperken, met uitzondering van:

i) de beperking van passieve verkoop in een exclusief gebied of aan een exclusieve klantenkring, voorbehouden aan de licentiegever;

ii) de beperking van passieve verkoop in een exclusief gebied of aan een exclusieve klantenkring, door de licentiegever toegewezen aan een andere licentienemer gedurende de eerste twee jaar waarin deze andere licentienemer de contractproducten in dat gebied of aan die klantenkring verkoopt;

iii) de verplichting om de contractproducten uitsluitend te produceren voor eigen gebruik, mits de licentienemer geen beperkingen worden opgelegd ten aanzien van de actieve en passieve verkoop van de contractproducten als reserveonderdelen voor zijn eigen producten;

iv) de verplichting om de contractproducten uitsluitend te produceren voor een specifieke afnemer, indien de licentie is verleend om die afnemer een alternatieve voorzieningsbron te bieden;

v) de beperking van de verkoop aan eindgebruikers door een op groothandelsniveau werkzame licentienemer;

vi) de beperking van de verkoop aan niet-erkende distributeurs door de leden van een selectief distributiestelsel;

c) de actieve of passieve verkoop aan eindgebruikers door een licentienemer die lid is van een selectief distributiestelsel en die op detailhandelsniveau werkzaam is, te beperken, onverminderd de mogelijkheid om een lid van het stelsel te verbieden vanuit een niet-erkende plaats van vestiging werkzaam te zijn.

3. Indien de ondernemingen die partij zijn bij de overeenkomst, ten tijde van de sluiting van de overeenkomst geen concurrerende ondernemingen zijn maar daarna concurrerende ondernemingen worden, blijft lid 2 en niet lid 1 gedurende de volledige looptijd van de overeenkomst van toepassing, tenzij de overeenkomst later op enig wezenlijk punt is gewijzigd.

Artikel 5

Uitgesloten beperkingen

1. De vrijstelling van artikel 2 geldt niet voor elk van de volgende in overeenkomsten inzake technologieoverdracht vervatte verplichtingen:

a) elke directe of indirecte verplichting van de licentienemer om aan de licentiegever of aan een door de licentiegever aangewezen derde een exclusieve licentie te verlenen op zijn eigen scheidbare verbeteringen aan of zijn eigen nieuwe toepassingen van de in licentie gegeven technologie;

b) elke directe of indirecte verplichting van de licentienemer om aan de licentiegever of aan een door de licentiegever aangewezen derde geheel of gedeeltelijk de rechten op zijn eigen scheidbare verbeteringen aan of zijn eigen nieuwe toepassingen van de in licentie gegeven technologie over te dragen;

c) elke directe of indirecte verplichting van de licentienemer om de geldigheid van intellectuele-eigendomsrechten die de licentiegever op de gemeenschappelijke markt bezit, niet aan te vechten, onverminderd de mogelijkheid te voorzien in de beëindiging van de overeenkomst inzake technologieoverdracht ingeval de licentienemer de geldigheid van één of meer van de in licentie gegeven intellectuele-eigendomsrechten aanvecht.

2. Wanneer de ondernemingen die partij zijn bij de overeenkomst, geen concurrerende ondernemingen zijn, geldt de vrijstelling van artikel 2 niet voor elke directe of indirecte verplichting die de mogelijkheden van de licentienemer om zijn eigen technologie te exploiteren, of de mogelijkheden van een van de partijen bij de overeenkomst om onderzoek en ontwikkeling te verrichten, beperkt, tenzij die laatste beperking onmisbaar is om te voorkomen dat de in licentie gegeven knowhow aan derden wordt bekendgemaakt.

Artikel 6

Intrekking in individuele gevallen

1. De Commissie kan overeenkomstig artikel 29, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1/2003 het voordeel van deze verordening intrekken, wanneer zij in een individueel geval vaststelt dat een overeenkomst inzake technologieoverdracht waarop de vrijstelling van artikel 2 van toepassing is, desondanks gevolgen heeft die met artikel 81, lid 3, van het Verdrag onverenigbaar zijn, en met name wanneer:

a) door technologieën van derden de toegang tot de markt wordt belemmerd, bijvoorbeeld door het cumulatieve effect van parallelle netwerken van gelijksoortige beperkende overeenkomsten die de licentienemers het gebruik van technologieën van derden verbieden;

b) de toegang van potentiële licentienemers tot de markt wordt beperkt, bijvoorbeeld door het cumulatieve effect van parallelle netwerken van gelijksoortige beperkende overeenkomsten die de licentiegevers verbieden om licenties te verlenen aan andere licentienemers;

c) de partijen zonder enige objectieve, geldige reden de in licentie gegeven technologie niet exploiteren.

2. Wanneer in een individueel geval een overeenkomst inzake technologieoverdracht waarop de vrijstelling van artikel 2 van toepassing is, op het grondgebied van een lidstaat, of op een deel daarvan, dat alle kenmerken van een afzonderlijke geografische markt vertoont, met artikel 81, lid 3, van het Verdrag onverenigbare gevolgen heeft, kan de mededingingsautoriteit van die lidstaat het voordeel van deze verordening met betrekking tot dat grondgebied overeenkomstig artikel 29, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1/2003 intrekken onder dezelfde omstandigheden zoals vermeld in lid 1 van dit artikel.

Artikel 7

Niet-toepassing van deze verordening

1. De Commissie kan overeenkomstig artikel 1 bis van Verordening nr. 19/65/EEG bij verordening verklaren dat, wanneer parallelle netwerken van gelijksoortige overeenkomsten inzake technologieoverdracht meer dan 50 % van een relevante markt bestrijken, deze verordening niet van toepassing is op overeenkomsten inzake technologieoverdracht die specifieke beperkingen met betrekking tot die markt omvatten.

2. Een verordening zoals bedoeld in lid 1 is niet eerder dan zes maanden na haar vaststelling van toepassing.

Artikel 8

Toepassing van de marktaandeeldrempels

1. Voor de toepassing van de in artikel 3 bepaalde marktaandeeldrempels gelden de dit lid vastgestelde regels.

Het marktaandeel wordt berekend aan de hand van gegevens betreffende de waarde van de verkopen op de markt; ingeval geen gegevens betreffende de waarde van de verkopen op de markt beschikbaar zijn, kan voor de bepaling van het marktaandeel van de betrokken onderneming gebruik worden gemaakt van ramingen die op andere betrouwbare marktinformatie, waaronder de omvang van de verkopen op de markt, gebaseerd zijn.

Het marktaandeel wordt berekend aan de hand van gegevens die betrekking hebben op het voorafgaande kalenderjaar.

Het marktaandeel van de in artikel 1, lid 2, tweede alinea, onder e), bedoelde ondernemingen wordt in gelijke delen toegerekend aan elke onderneming die over de in artikel 1, lid 2, tweede alinea, onder a), genoemde rechten of bevoegdheden beschikt.

2. Wanneer het in artikel 3, lid 1 of lid 2, bedoelde marktaandeel aanvankelijk niet meer dan respectievelijk 20 % of 30 % bedraagt, maar vervolgens boven dit niveau stijgt, blijft de vrijstelling van artikel 2 van toepassing gedurende twee opeenvolgende kalenderjaren volgende op het jaar waarin de drempel van respectievelijk 20 % of 30 % voor het eerst werd overschreden.

Artikel 9

Intrekking

Verordening (EG) nr. 240/96 wordt ingetrokken.

Verwijzingen naar de ingetrokken verordening gelden als verwijzingen naar de onderhavige verordening.

Artikel 10

Overgangsperiode

Het verbod van artikel 81, lid 1, van het Verdrag is gedurende de periode van 1 mei 2004 tot en met 31 maart 2006 niet van toepassing op overeenkomsten die op 30 april 2004 reeds van kracht waren en die niet aan de in deze verordening vastgestelde voorwaarden voor vrijstelling voldoen, maar die op 30 april 2004 wel aan de in Verordening (EG) nr. 240/96 vastgestelde voorwaarden voor vrijstelling voldeden.

Artikel 11

Geldigheidsduur

Deze verordening treedt in werking op 1 mei 2004.

De geldigheidsduur ervan verstrijkt op 30 april 2014.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 27 april 2004.

Voor de Commissie

Mario Monti

Lid van de Commissie

(1) PB 36 van 6.3.1965, blz. 533/65. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1/2003 (PB L 1 van 4.1.2003, blz. 1).

(2) PB C 235 van 1.10.2003, blz. 10.

(3) PB L 31 van 9.2.1996, blz. 2. Verordening gewijzigd bij de Toetredingsakte van 2003.

(4) COM(2001) 786 def.

(5) PB L 1 van 4.1.2003,blz. 1. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 411/2004 (PB L 68 van 6.3.2004, blz.1).

Top