Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32004R0364

Verordening (EG) nr. 364/2004 van de Commissie van 25 februari 2004 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 70/2001 wat betreft uitbreiding van het toepassingsgebied tot steun voor onderzoek en ontwikkeling

OJ L 63, 28.2.2004, p. 22–29 (ES, DA, DE, EL, EN, FR, IT, NL, PT, FI, SV)
Special edition in Czech: Chapter 08 Volume 003 P. 64 - 71
Special edition in Estonian: Chapter 08 Volume 003 P. 64 - 71
Special edition in Latvian: Chapter 08 Volume 003 P. 64 - 71
Special edition in Lithuanian: Chapter 08 Volume 003 P. 64 - 71
Special edition in Hungarian Chapter 08 Volume 003 P. 64 - 71
Special edition in Maltese: Chapter 08 Volume 003 P. 64 - 71
Special edition in Polish: Chapter 08 Volume 003 P. 64 - 71
Special edition in Slovak: Chapter 08 Volume 003 P. 64 - 71
Special edition in Slovene: Chapter 08 Volume 003 P. 64 - 71
Special edition in Bulgarian: Chapter 08 Volume 001 P. 225 - 232
Special edition in Romanian: Chapter 08 Volume 001 P. 225 - 232

No longer in force, Date of end of validity: 31/12/2006

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2004/364/oj

32004R0364

Verordening (EG) nr. 364/2004 van de Commissie van 25 februari 2004 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 70/2001 wat betreft uitbreiding van het toepassingsgebied tot steun voor onderzoek en ontwikkeling

Publicatieblad Nr. L 063 van 28/02/2004 blz. 0022 - 0029


Verordening (EG) nr. 364/2004 van de Commissie

van 25 februari 2004

tot wijziging van Verordening (EG) nr. 70/2001 wat betreft uitbreiding van het toepassingsgebied tot steun voor onderzoek en ontwikkeling

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 994/98 van de Raad van 7 mei 1998 betreffende de toepassing van de artikelen 92 en 93 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap op bepaalde soorten van horizontale steunmaatregelen(1), en met name op artikel 1, lid 1, onder a), punt i), en onder b),

Na bekendmaking van de ontwerp-verordening(2),

Na raadpleging van het Adviescomité inzake overheidssteun,

Overwegende hetgeen volgt:

(1) De definitie van kleine en middelgrote ondernemingen (hierna "KMO's" genoemd) in Verordening (EG) nr. 70/2001 van de Commissie van 12 januari 2001 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op staatssteun voor kleine en middelgrote ondernemingen(3) is die welke wordt gebruikt in Aanbeveling 96/280/EG van de Commissie van 3 april 1996 betreffende de definitie van de kleine en middelgrote ondernemingen(4). Die aanbeveling wordt met ingang van 1 januari 2005 vervangen door Aanbeveling 2003/361/EG van de Commissie van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen(5).

(2) De regels moeten worden verduidelijkt in gevallen waarin een investering plaatsvindt in een gebied dat in aanmerking komt voor regionale steun, doch in een sector waarin regionale steun is verboden. De regionalesteunplafonds behoren slechts te gelden indien zowel de regio waarin de investering plaatsvindt, als de sector waartoe de begunstigde behoort, voor regionale steun in aanmerking komt. De voorschriften inzake de verplichte aanmelding van individuele verlening van aanzienlijke steun boven bepaalde drempels dienen bijgevolg te worden verduidelijkt.

(3) De ervaring heeft geleerd dat het wenselijk is te beschikken over een eenvormig en vereenvoudigd systeem voor de opstelling van jaarlijkse verslagen overeenkomstig artikel 27 van Verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad van 22 maart 1999 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 93 van het EG-Verdrag(6). De specifieke bepalingen inzake de verslaglegging die in bijlage III bij Verordening (EG) nr. 70/2001 zijn vastgelegd, dienen derhalve slechts te gelden totdat een algemeen systeem voor de verslaglegging is vastgesteld.

(4) Het is noodzakelijk bepalingen vast te stellen ter beoordeling van de verenigbaarheid met de gemeenschappelijke markt van alle steun die zonder voorafgaande goedkeuring van de Commissie aan kleine en middelgrote ondernemingen werd verleend vóór de inwerkingtreding van Verordening (EG) nr. 70/2001.

(5) Onderzoek en ontwikkeling kunnen bijdragen tot economische groei, versterking van de concurrentiepositie en stimulering van de werkgelegenheid. Steun ten behoeve van onderzoek en ontwikkeling in KMO's is van het grootste belang, omdat een van de structurele nadelen van KMO's is gelegen in de moeilijkheden die zij kunnen ondervinden om toegang te krijgen tot nieuwe technologische ontwikkelingen en technologieoverdracht. Voorts heeft de Commissie in de communautaire kaderregeling inzake staatssteun ten behoeve van onderzoek en ontwikkeling(7) gesteld dat mag worden aangenomen dat staatssteun voor onderzoek en ontwikkeling KMO's zal stimuleren om zich meer met onderzoek en ontwikkeling bezig te houden, aangezien KMO's doorgaans slechts een beperkt percentage van hun omzet besteden aan onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten. Op grond van de ervaring die Commissie heeft opgedaan bij de toepassing van de communautaire kaderregeling inzake staatssteun voor onderzoek en ontwikkeling op KMO's, heeft zij dan ook besloten dat het gerechtvaardigd is dergelijke steun van voorafgaande aanmelding vrij te stellen, mede rekening houdend met het feit dat dergelijke steun de mededinging slechts in zeer beperkte mate ongunstig zal kunnen beïnvloeden. Dit geldt ook voor steun ten behoeve van haalbaarheidsstudies en steun om octrooikosten te dekken, alsmede voor individuele steun die bepaalde plafonds niet overschrijdt.

(6) Derhalve dient het toepassingsgebied van Verordening (EG) nr. 70/2001 te worden uitgebreid tot steun voor onderzoek en ontwikkeling ten behoeve van KMO's in de meest uiteenlopende sectoren.

(7) Bepaalde definities in Verordening (EG) nr. 70/2001 dienen te worden gewijzigd om rekening te houden met de specifieke kenmerken van staatssteun ten behoeve van onderzoek en ontwikkeling, en andere dienen te worden toegevoegd. Met name moeten de in bijlage I bij de communautaire kaderregeling inzake staatssteun voor onderzoek en ontwikkeling vervatte definities betreffende de verschillende fasen van onderzoek en ontwikkeling worden opgenomen. De lijst van in aanmerking komende kosten moet met de lijst in bijlage II van de kaderregeling overeenstemmen, zij het met bepaalde verduidelijkingen die nodig zijn om rekening te houden met het feit dat een verordening rechtstreeks toepasselijk is in de lidstaten. Begunstigden mogen geen dubbele subsidiëring kunnen ontvangen voor dezelfde onderzoeksresultaten.

(8) De aanwijzingen die in de communautaire kaderregeling inzake staatssteun voor onderzoek en ontwikkeling worden gegeven om te bepalen of sommige maatregelen staatssteun vormen in de zin van artikel 87, lid 1, van het Verdrag, blijven voor de toepassing van deze verordening relevant.

(9) Teneinde de verspreiding van onderzoeksresultaten aan te moedigen, kunnen KMO's steun ontvangen voor de kosten van de verkrijging en validering van octrooien en andere industriële-eigendomsrechten die voortvloeien uit onderzoek- en ontwikkelingsactiviteiten. Als voorwaarde voor het vrijstellen van dergelijke steun mag niet gelden dat ook voor de activiteit die in het desbetreffende recht resulteerde, steun is ontvangen. Het is voldoende dat de activiteit voor onderzoeks- en ontwikkelingssteun in aanmerking zou zijn gekomen.

(10) Niet alle onderzoeks- en ontwikkelingssteun ten gunste van KMO's kan worden vrijgesteld op grond van Verordening (EG) nr. 70/2001. Het plafond dat in de communautaire kaderregeling inzake staatssteun voor onderzoek en ontwikkeling geldt voor individuele aanmeldingen, dient ook te gelden ten aanzien van individuele steun die op grond van die verordening kan worden vrijgesteld. Bijzondere regels zouden ook moeten blijven gelden voor binnen het toepassingsgebied van de Verklaring van de Ministerconferentie te Hannover van 6 november 1985 vallende Eureka-projecten die worden geacht van gemeenschappelijk Europees belang te zijn.

(11) Verordening (EG) nr. 70/2001 dient geen vrijstelling te verlenen voor steun die wordt verleend in de vorm van voorschotten welke, uitgedrukt als percentage van de in aanmerking komende kosten, de in die verordening vastgestelde steunintensiteit overschrijden en, zoals in de kaderregeling inzake staatssteun voor onderzoek en ontwikkeling is bepaald, slechts hoeven te worden terugbetaald indien de onderzoeksactiviteiten succesvol zijn, aangezien de Commissie terugbetaalbare steun van geval tot geval beoordeelt, rekening houdend met de voorgestelde voorwaarden voor terugbetaling.

(12) Verordening (EG) nr. 70/2001, zoals gewijzigd bij deze verordening, is slechts van toepassing op staatssteun ten behoeve van onderzoek en ontwikkeling die wordt verleend aan kleine en middelgrote ondernemingen. De communautaire kaderregeling inzake staatssteun voor onderzoek en ontwikkeling blijft van toepassing bij de beoordeling van alle bij de Commissie aangemelde steun ten behoeve van onderzoek en ontwikkeling.

(13) Bijgevolg dient Verordening (EG) nr. 70/2001 dienovereenkomstig te worden gewijzigd,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Verordening (EG) nr. 70/2001 wordt als volgt gewijzigd:

1. Artikel 1, lid 2, wordt als volgt gewijzigd:

a) letter a) komt als volgt te luiden:

"a) wat de artikelen 4 en 5 betreft, werkzaamheden die verband houden met de productie, verwerking of verhandeling van de in bijlage I bij het Verdrag opgenomen producten;";

b) de volgende letter d) wordt ingevoegd:

"d) steun die binnen het toepassingsgebied van Verordening (EG) nr. 1407/2002 van de Raad(8) valt.".

2. Artikel 2 wordt als volgt gewijzigd:

a) Aan letter e) wordt de volgende alinea toegevoegd:"Voor steun ten behoeve van onderzoek en ontwikkeling (hierna 'O& O' genoemd) wordt de brutosteunintensiteit voor een O& O-project dat gezamenlijk door openbare onderzoeksinstellingen en ondernemingen wordt uitgevoerd, berekend op basis van de totale steun afkomstig van rechtstreekse steun van de overheid voor een specifiek onderzoeksproject en, voorzover deze als steun gelden, van bijdragen aan het project afkomstig van openbare hogeronderwijsinstellingen of onderzoeksinstellingen zonder winstoogmerk.".

b) De volgende letters h), i) en j) worden toegevoegd:

"h) 'fundamenteel onderzoek': een uitbreiding van de algemene wetenschappelijke en technische kennis zonder industriële of commerciële doelstellingen;

i) 'industrieel onderzoek': geprogrammeerd of kritisch onderzoek dat gericht is op het opdoen van nieuwe kennis met het doel deze kennis te gebruiken bij de ontwikkeling van nieuwe producten, processen of diensten, of om bestaande producten, processen of diensten aanmerkelijk te verbeteren;

j) 'preconcurrentiële ontwikkeling': de omzetting van de resultaten van industrieel onderzoek in plannen, schema's of ontwerpen voor nieuwe, gewijzigde of verbeterde producten, processen of diensten, ongeacht of deze voor verkoop of gebruik zijn bestemd, met inbegrip van de fabricage van een eerste prototype dat niet voor commerciële doeleinden kan worden aangewend. Voorts kan daaronder de conceptuele formulering en het ontwerp van alternatieve producten, processen of diensten worden verstaan en eerste demonstratie- of proefprojecten, voorzover deze projecten niet voor industriële toepassing of commerciële exploitatie kunnen worden gebruikt of geschikt gemaakt. Daaronder wordt niet verstaan routinematige of periodieke wijzigingen van bestaande producten, productielijnen, fabricageprocessen of diensten en andere courante werkzaamheden, zelfs indien deze wijzigingen verbeteringen kunnen zijn.".

3. In artikel 4 komen de leden 2 en 3 als volgt te luiden:

"2. Wanneer de investering plaatsvindt in gebieden of sectoren die op het tijdstip dat de steun wordt verleend, niet in aanmerking komen voor regionale steun op grond van artikel 87, lid 3, onder a) en c), van het Verdrag, mag de brutosteunintensiteit niet meer bedragen dan:

a) 15 % in het geval van kleine ondernemingen, of

b) 7,5 % in het geval van middelgrote ondernemingen.

3. Wanneer de investering plaatsvindt in gebieden en in sectoren die op het tijdstip dat de steun wordt verleend, voor regionale steun in aanmerking komen, mag de steunintensiteit het plafond dat voor regionale-investeringssteun is vastgesteld op de kaart die de Commissie voor elke lidstaat goedkeurt, niet overschrijden met meer dan:

a) 10 procentpunten bruto in gebieden die onder artikel 87, lid 3, onder c), vallen, mits de totale nettosteunintensiteit niet meer dan 30 % bedraagt, of

b) 15 procentpunten bruto in gebieden die onder artikel 87, lid 3, onder a), vallen, mits de totale nettosteunintensiteit niet meer dan 75 % bedraagt.

De hogere regionalesteunplafonds zijn slechts van toepassing, indien de steun wordt verleend op voorwaarde dat de investering ten minste gedurende vijf jaar behouden blijft in het gebied waar de steun wordt verleend, en op voorwaarde dat de begunstigde onderneming ten minste voor 25 % in de kosten van de investering bijdraagt.".

4. De volgende artikelen 5 bis, 5 ter en 5 quater worden ingevoegd:

"Artikel 5 bis

Steun voor onderzoek en ontwikkeling

1. Steun voor onderzoek en ontwikkeling is verenigbaar met de gemeenschappelijke markt in de zin van artikel 87, lid 3, onder c), van het Verdrag en is vrijgesteld van de aanmeldingsverplichting van artikel 88, lid 3, van het Verdrag, indien aan de in de leden 2 tot en met 5 vastgestelde voorwaarden is voldaan.

2. Het gesteunde project moet volledig binnen de in artikel 2, onder h), i) en j), omschreven onderzoeksfasen vallen.

3. De brutosteunintensiteit, berekend op basis van de in aanmerking komende kosten van het project, mag niet meer bedragen dan:

a) 100 % voor fundamenteel onderzoek,

b) 60 % voor industrieel onderzoek en

c) 35 % voor preconcurrentiële ontwikkeling.

Omvat een project diverse onderzoeks- en ontwikkelingsfasen, dan wordt de toegestane steunintensiteit berekend op basis van het gewogen gemiddelde van de onderscheiden toegestane steunintensiteiten, berekend op basis van de betrokken in aanmerking komende kosten.

Bij samenwerkingsprojecten mag het maximale steunbedrag voor elke begunstigde niet meer bedragen dan de toegestane steunintensiteit welke wordt berekend op basis van de in aanmerking komende kosten die door de betrokken begunstigde zijn gemaakt.

4. De in lid 3 bedoelde plafonds mogen als volgt worden verhoogd tot een maximale brutosteunintensiteit van 75 % voor industrieel onderzoek en van 50 % voor preconcurrentiële ontwikkeling:

a) Wanneer het project plaatsvindt in een gebied dat, op het tijdstip waarop de steun wordt verleend, voor regionale steun in aanmerking komt, mag de maximale steunintensiteit worden verhoogd met 10 procentpunten bruto in gebieden die onder artikel 87, lid 3, onder a), van het Verdrag vallen, en met 5 procentpunten bruto in gebieden die onder artikel 87, lid 3, onder c), van het Verdrag vallen;

b) wanneer het project gericht is op het uitvoeren van onderzoek met potentiële multisectorale toepassingen en een multidisciplinaire benadering overeenkomstig de doelstellingen, taken en technische streefdoelen van een specifiek project of programma in het kader van het zesde communautaire kaderprogramma op het gebied van onderzoek en ontwikkeling, vastgesteld bij Besluit nr. 1513/2002/EG van het Europees Parlement en de Raad(9), of in het kader van eventuele latere kaderprogramma's op het gebied van onderzoek en ontwikkeling of van Eureka, mag de maximale steunintensiteit worden verhoogd met 15 procentpunten bruto;

c) de maximale steunintensiteit mag worden verhoogd met 10 procentpunten indien aan een van de volgende voorwaarden is voldaan:

i) het project wordt uitgevoerd op basis van daadwerkelijke grensoverschrijdende samenwerking waarbij ten minste twee onafhankelijke partners uit twee lidstaten zijn betrokken, met name in het kader van de coördinatie van het nationale O& O-beleid; geen enkele onderneming in de lidstaat die steun verleent, mag meer dan 70 % van de in aanmerking komende kosten dragen, of

ii) het project wordt uitgevoerd op basis van daadwerkelijke samenwerking tussen een onderneming en een openbare onderzoeksinstelling, in het bijzonder in het kader van de coördinatie van het nationale O& O-beleid, wanneer de openbare onderzoekinstelling ten minste 10 % van de in aanmerking komende projectkosten draagt en het recht heeft de resultaten te publiceren voorzover deze voortvloeien uit door die instelling verricht onderzoek, of

iii) de resultaten van het project worden ruim verspreid via technische en wetenschappelijke conferenties of bekendgemaakt in wetenschappelijke en technische tijdschriften met collegiale toetsing.

Voor de toepassing van de punten i) en ii) geldt onderaanneming niet als daadwerkelijke samenwerking.

5. Voor de toepassing van dit artikel gelden de volgende kosten als in aanmerking komende kosten:

a) personeelskosten (onderzoekers, technici en ander ondersteunend personeel voorzover zij zich met het onderzoeksproject bezighouden);

b) kosten van apparatuur en uitrusting voorzover en voor zolang zij worden gebruikt voor het onderzoeksproject. Indien deze apparatuur en uitrusting niet tijdens hun volledige levensduur voor het onderzoeksproject worden gebruikt, worden alleen de afschrijvingskosten overeenstemmend met de looptijd van het project, berekend volgens een goede boekhoudpraktijk, als in aanmerking komende kosten beschouwd;

c) kosten van gebouwen en grond, voorzover en voor zolang zij worden gebruikt voor het onderzoeksproject. Wat gebouwen betreft, worden alleen de afschrijvingskosten overeenstemmend met de levensduur van het project, berekend volgens een goede boekhoudpraktijk, als in aanmerking komende kosten beschouwd. Wat grond betreft, komen de kosten van de commerciële overdracht of de daadwerkelijk ontstane investeringskosten in aanmerking;

d) kosten van advisering en gelijksoortige diensten die uitsluitend voor het onderzoek worden gebruikt, met inbegrip van onderzoek, technische kennis en octrooien die bij externe bronnen tegen marktprijzen werden aangekocht of waarvoor een licentie werd verkregen, wanneer de betrokken transactie overeenkomstig het 'arm's length'-beginsel werd uitgevoerd en er geen heimelijke afspraken zijn geweest. Deze kosten kunnen slechts tot maximaal 70 % van de totale in aanmerking komende projectkosten worden gesubsidieerd;

e) extra algemene vaste kosten die rechtstreeks uit het onderzoeksproject voortvloeien;

f) andere exploitatiekosten, waaronder die van materiaal, leveranties en dergelijke producten, die rechtstreeks voortvloeien uit de onderzoeksactiviteit.

Artikel 5 ter

Steun voor technische haalbaarheidsstudies

Steun voor technische haalbaarheidstudies ter voorbereiding van industriële onderzoeksactiviteiten of preconcurrentiële-ontwikkelingsactiviteiten is verenigbaar met de gemeenschappelijke markt in de zin van artikel 87, lid 3, onder c), van het Verdrag en is vrijgesteld van de aanmeldingsverplichting van artikel 88, lid 3, van het Verdrag, op voorwaarde dat de brutosteunintensiteit, berekend op basis van de studiekosten, niet meer bedraagt dan 75 %.

Artikel 5 quater

Steun voor octrooikosten

1. Steun voor de kosten van de verkrijging en validering van octrooien en andere industriële-eigendomsrechten is verenigbaar met de gemeenschappelijke markt in de zin van artikel 87, lid 3, onder c), van het Verdrag en is vrijgesteld van de aanmeldingsverplichting van artikel 88, lid 3, van het Verdrag tot hetzelfde steunpeil als zou gelden ten aanzien van O& O-steun voor de onderzoeksactiviteiten die in de betrokken industriële-eigendomsrechten hebben geresulteerd.

2. Voor de toepassing van lid 1 gelden de volgende kosten als in aanmerking komende kosten:

a) alle kosten die worden gemaakt voorafgaand aan de verlening van het recht in het eerste rechtsgebied, met inbegrip van de kosten met betrekking tot de voorbereiding, indiening en verdere afhandeling van de aanvraag, alsmede de kosten van een hernieuwde aanvraag voordat het recht is verleend;

b) kosten van vertaling en andere kosten die worden gemaakt met het oog op de verkrijging of validering van het recht in andere rechtsgebieden;

c) kosten ter verzekering van de geldigheid van het recht tijdens de officiële afhandeling van de aanvraag en mogelijke oppositieprocedures, zelfs indien dergelijke kosten worden gemaakt na de verlening van het recht.".

5. Artikel 6 komt als volgt te luiden:

"Artikel 6

Individuele verlening van aanzienlijke steun

1. In het geval van steun die onder de artikelen 4 en 5 valt, is een individuele steunverlening krachtens deze verordening niet vrijgesteld, indien een van de volgende drempels wordt bereikt:

a) de totale in aanmerking komende kosten van het project in zijn geheel bedragen ten minste 25 miljoen EUR, en

i) in gebieden of sectoren die niet voor regionale steun in aanmerking komen, bedraagt de brutosteunintensiteit ten minste 50 % van de in artikel 4, lid 2, vastgestelde plafonds;

ii) in gebieden en sectoren die voor regionale steun in aanmerking komen, bedraagt de nettosteunintensiteit ten minste 50 % van het nettosteunplafond zoals op de regionalesteunkaart voor het betrokken gebied vastgesteld, of

b) het totale brutosteunbedrag bedraagt ten minste 15 miljoen EUR.

2. In het geval van steun die onder de artikelen 5 bis, 5 ter en 5 quater valt, is een individuele steunverlening krachtens deze verordening niet vrijgesteld, indien de volgende drempels worden bereikt:

a) de totale in aanmerking komende kosten van het project in zijn geheel bedragen voor alle aan het project deelnemende ondernemingen ten minste 25 miljoen EUR, en

b) voorgesteld wordt steun te verlenen met een brutosubsidie-equivalent van ten minste 5 miljoen EUR aan één of meer van de afzonderlijke ondernemingen.

Ingeval de steun wordt verleend aan een Eureka-project worden de in de eerste alinea genoemde drempels vervangen door de volgende:

a) de totale in aanmerking komende kosten van het Eureka-project bedragen voor alle aan het project deelnemende ondernemingen ten minste 40 miljoen EUR, en

b) voorgesteld wordt steun te verlenen met een brutosubsidie-equivalent van ten minste 10 miljoen EUR aan één of meer van de afzonderlijke ondernemingen.".

6. Het volgende artikel 6 bis wordt toegevoegd:

"Artikel 6 bis

Steun waarvoor voorafgaande aanmelding bij de Commissie verplicht blijft

1. Krachtens deze verordening wordt geen vrijstelling verleend voor steun, ongeacht of het individuele steun dan wel steun in het kader van een steunregeling betreft, die wordt verleend in de vorm van één of meer voorschotten die uitsluitend hoeven te worden terugbetaald indien de onderzoeksactiviteiten succesvol zijn, wanneer het totale bedrag van de voorschotten, uitgedrukt als percentage van de in aanmerking komende kosten, hoger ligt dan de in artikel 5 bis, 5 ter of 5 quater vastgestelde intensiteiten of het in het artikel 6, lid 2, vastgestelde maximum.

2. Deze verordening doet geen afbreuk aan de verplichting van een lidstaat om individuele steunverleningen aan te melden op grond van andere instrumenten op het gebied van staatssteun, inzonderheid de verplichting tot aanmelding bij of mededeling aan de Commissie van steun die wordt verleend aan een onderneming die herstructureringssteun ontvangt in de zin van de communautaire richtsnoeren voor reddings- en herstructureringssteun aan ondernemingen in moeilijkheden(10) en de verplichting om regionale steun ten behoeve van grote investeringsprojecten aan te melden overeenkomstig de toepasselijke multisectorale kaderregeling.".

7. In artikel 8 komt lid 1 als volgt te luiden:

"1. De in de artikelen 4 tot en met 6 vastgestelde steunplafonds zijn van toepassing, ongeacht of de steun ten behoeve van het gesteunde project volledig met staatsmiddelen dan wel gedeeltelijk door de Gemeenschap wordt bekostigd.".

8. In artikel 9 komt lid 3 als volgt te luiden:

"3. De lidstaten stellen jaarlijks een verslag over de toepassing van deze verordening op overeenkomstig de uitvoeringsbepalingen inzake vorm en inhoud van jaarlijkse verslagen, welke worden vastgesteld overeenkomstig artikel 27 van Verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad(11).

Tot de inwerkingtreding van die uitvoeringsbepalingen stellen de lidstaten jaarlijks een verslag op over de toepassing van deze verordening voor elk geheel kalenderjaar of gedeelte daarvan waarin deze verordening van toepassing is, en wel in de in bijlage III vastgelegde vorm alsook in elektronische vorm. De lidstaten dienen dit verslag uiterlijk drie maanden na het verstrijken van de desbetreffende verslagperiode bij de Commissie in.".

9. Het volgende artikel 9 bis wordt ingevoegd:

"Artikel 9 bis

Overgangsbepalingen

1. Aanmeldingen van steun voor onderzoek en ontwikkeling die op 19 maart 2004 in behandeling zijn, worden beoordeeld aan de hand van de communautaire kaderregeling inzake staatssteun ten behoeve van onderzoek en ontwikkeling, terwijl alle overige, in behandeling zijnde aanmeldingen worden beoordeeld overeenkomstig de bepalingen van deze verordening.

2. Steunregelingen die ten uitvoer zijn gelegd vóór de datum van inwerkingtreding van deze verordening, en steun die op grond van deze regelingen, zonder de goedkeuring van de Commissie en met veronachtzaming van de aanmeldingsverplichting van artikel 88, lid 3, van het Verdrag werd verleend, zijn verenigbaar met de gemeenschappelijke markt in de zin van artikel 87, lid 3, van het Verdrag en zijn op grond van deze verordening vrijgesteld indien aan de voorwaarden van artikel 3, lid 2, onder a), en lid 3, van deze verordening is voldaan.

Individuele steun die buiten enige regeling vóór de datum van inwerkingtreding van deze verordening, zonder de goedkeuring van de Commissie en met veronachtzaming van de aanmeldingsverplichting van artikel 88, lid 3, van het Verdrag werd verleend, is verenigbaar met de gemeenschappelijke markt in de zin van artikel 87, lid 3, van het Verdrag en is vrijgesteld indien aan alle voorwaarden van deze verordening, behalve de in artikel 3, lid 1, vereiste uitdrukkelijke verwijzing naar deze verordening, is voldaan.

Alle steun die niet aan deze voorwaarden voldoet, wordt door de Commissie beoordeeld aan de hand van de desbetreffende kaderregelingen, richtsnoeren, mededelingen en bekendmakingen.".

10. Bijlage I wordt vervangen door de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 1, punt 10, is van toepassing met ingang van 1 januari 2005.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 25 februari 2004.

Voor de Commissie

Mario Monti

Lid van de Commissie

(1) PB L 142 van 14.5.1998, blz. 1.

(2) PB C 190 van 12.8.2003, blz. 3.

(3) PB L 10 van 13.1.2001, blz. 33.

(4) PB L 107 van 30.4.1996, blz. 4.

(5) PB L 124 van 20.5.2003, blz. 36.

(6) PB L 83 van 27.3.1999, blz. 1. Verordening gewijzigd bij de Akte van Toetreding van 2003.

(7) PB C 45 van 17.2.1996, blz. 5.

(8) PB L 205 van 2.8.2002, blz. 1.

(9) PB L 232 van 29.8.2002, blz. 1.

(10) PB C 288 van 9.10.1999, blz. 2.

(11) PB L 83 van 27.3.1999, blz. 1.

Bijlage

"Bijlage I

Definitie van kleine en middelgrote ondernemingen

(Uittreksel uit Aanbeveling 2003/361/EG van de Commissie van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen - PB L 124 van 20.5.2003, blz. 36)

DOOR DE COMMISSIE VASTGESTELDE DEFINITIE VAN MIDDELGROTE, KLEINE EN MICRO-ONDERNEMINGEN

Artikel 1

Onderneming

Als onderneming wordt beschouwd iedere eenheid, ongeacht haar rechtsvorm, die een economische activiteit uitoefent. Met name worden als zodanig beschouwd eenheden die individueel of in familieverband ambachtelijke of andere activiteiten uitoefenen, personenvennootschappen en verenigingen die regelmatig een economische activiteit uitoefenen.

Artikel 2

Aantal werkzame personen en financiële drempels ter bepaling van de categorieën ondernemingen

1. Tot de categorie kleine, middelgrote en micro-ondernemingen (KMO's) behoren ondernemingen waar minder dan 250 personen werkzaam zijn en waarvan de jaaromzet 50 miljoen EUR of het jaarlijkse balanstotaal 43 miljoen EUR niet overschrijdt.

2. Binnen de categorie KMO's is een "kleine onderneming" een onderneming waar minder dan 50 personen werkzaam zijn en waarvan de jaaromzet of het jaarlijkse balanstotaal 10 miljoen EUR niet overschrijdt.

3. Binnen de categorie KMO's is een "micro-onderneming" een onderneming waar minder dan tien personen werkzaam zijn en waarvan de jaaromzet of het jaarlijkse balanstotaal 2 miljoen EUR niet overschrijdt.

Artikel 3

Soorten ondernemingen welke voor de berekening van het aantal werkzame personen en van de financiële bedragen in aanmerking worden genomen

1. Een "zelfstandige onderneming" is elke onderneming die niet als partneronderneming in de zin van lid 2 of als verbonden onderneming in de zin van lid 3 wordt aangemerkt.

2. "Partnerondernemingen" zijn alle ondernemingen die niet als verbonden ondernemingen in de zin van lid 3 worden aangemerkt en waartussen de volgende band bestaat: een onderneming (van een hoger niveau) heeft, alleen of samen met één of meer verbonden ondernemingen in de zin van lid 3, 25 % of meer van het kapitaal of de stemrechten van een andere onderneming (van een lager niveau).

Ook al wordt de drempel van 25 % bereikt of overschreden, toch kan een onderneming als zelfstandige onderneming of als onderneming zonder partnerondernemingen worden aangemerkt, indien het om de volgende categorieën investeerders gaat en mits deze individueel noch gezamenlijk met de betrokken onderneming verbonden zijn in de zin van lid 3:

a) openbare participatiemaatschappijen, risicokapitaalmaatschappijen, natuurlijke personen of groepen natuurlijke personen die geregeld risicokapitaal beleggen ("business angels") en eigen middelen in niet ter beurze genoteerde ondernemingen investeren, mits de totale investering van deze "business angels" in eenzelfde onderneming 1250000 EUR niet overschrijdt;

b) universiteiten of onderzoekscentra zonder winstoogmerk;

c) institutionele beleggers, met inbegrip van regionale ontwikkelingsfondsen;

d) autonome lokale autoriteiten, die een jaarlijkse begroting hebben onder 10 miljoen EUR en minder dan 5000 inwoners tellen.

3. "Verbonden ondernemingen" zijn ondernemingen die met elkaar een van de volgende banden onderhouden:

a) een onderneming heeft de meerderheid van de stemrechten van de aandeelhouders of vennoten van een andere onderneming;

b) een onderneming heeft het recht om de meerderheid van de leden van het bestuurs-, leidinggevend of toezichthoudend orgaan van een andere onderneming te benoemen of te ontslaan;

c) een onderneming heeft het recht om een overheersende invloed op een andere onderneming uit te oefenen op grond van een met deze onderneming gesloten overeenkomst of een bepaling in de statuten van laatstgenoemde onderneming;

d) een onderneming die aandeelhouder of vennoot is van een andere onderneming, heeft op grond van een met andere aandeelhouders of vennoten van die andere onderneming gesloten overeenkomst als enige zeggenschap over de meerderheid van de stemrechten van de aandeelhouders of vennoten van laatstgenoemde onderneming.

Er wordt verondersteld dat geen overheersende invloed wordt uitgeoefend, indien de in lid 2, tweede alinea, genoemde investeerders zich niet direct of indirect met het beheer van de betrokken onderneming bemoeien, onverminderd de rechten die zij als aandeelhouders of vennoten bezitten.

Ondernemingen worden eveneens als verbonden ondernemingen beschouwd indien zij via één of meer andere ondernemingen of via in lid 2 bedoelde investeerders een van de in de eerste alinea bedoelde banden onderhouden.

Ondernemingen die via een natuurlijke persoon of een in gemeenschappelijk overleg handelende groep van natuurlijke personen een van deze banden onderhouden, worden eveneens als verbonden ondernemingen beschouwd indien zij hun activiteiten of een deel van hun activiteiten op dezelfde markt of op verwante markten uitoefenen.

Als verwante markt wordt beschouwd de producten- of dienstenmarkt die zich direct boven of onder het niveau van de relevante markt bevindt.

4. Behoudens de in lid 2, tweede alinea, bedoelde gevallen kan een onderneming niet als KMO worden aangemerkt, indien één of meer overheidsinstanties of openbare lichamen gezamenlijk direct of indirect zeggenschap heeft of hebben over 25 % of meer van het kapitaal of de stemrechten.

5. Ondernemingen kunnen een verklaring opstellen over hun hoedanigheid van zelfstandige onderneming, partneronderneming of verbonden onderneming en de gegevens met betrekking tot de in artikel 2 vermelde drempels. Ook wanneer het wegens de spreiding van het kapitaal onmogelijk is precies te weten wie het in handen heeft, kan deze verklaring toch worden opgesteld mits de onderneming te goeder trouw verklaart dat zij terecht mag aannemen niet voor 25 % of meer in handen te zijn van één onderneming of van verscheidene verbonden ondernemingen gezamenlijk of via natuurlijke personen afzonderlijk of in een groep. Dergelijke verklaringen doen geen afbreuk aan de controles of verificaties waarin de nationale of communautaire regelgeving voorziet.

Artikel 4

Gegevens voor de berekening van het aantal werkzame personen en van de financiële bedragen en referentieperiode

1. De gegevens voor de berekening van het aantal werkzame personen en van de financiële bedragen hebben betrekking op het laatste afgesloten boekjaar en worden jaarlijks berekend. Zij worden vanaf de datum van afsluiting van de rekeningen in aanmerking genomen. Het bedrag van de omzet wordt berekend exclusief belasting over de toegevoegde waarde (BTW) en andere indirecte rechten of heffingen.

2. Wanneer een onderneming op de datum van afsluiting van de rekeningen vaststelt dat de op jaarbasis berekende gegevens boven of onder de in artikel 2 aangegeven drempels voor het aantal werkzame personen of de financiële maxima liggen, verkrijgt of verliest zij de hoedanigheid van middelgrote, kleine of micro-onderneming slechts wanneer deze situatie zich in twee opeenvolgende boekjaren voordoet.

3. In het geval van recent opgerichte ondernemingen waarvan de eerste jaarrekening nog niet is afgesloten, worden de in aanmerking te nemen gegevens bepaald door middel van een in de loop van het boekjaar te goeder trouw gemaakte schatting.

Artikel 5

Aantal werkzame personen

Het aantal werkzame personen komt overeen met het aantal arbeidsjaareenheden (AJE), dat wil zeggen het aantal personen dat het gehele desbetreffende jaar voltijds in de betrokken onderneming of voor rekening van deze onderneming heeft gewerkt. Het werk van personen die niet het gehele jaar hebben gewerkt, deeltijdwerk ongeacht de duur ervan en seizoenarbeid worden in breuken van AJE uitgedrukt. Het aantal werkzame personen bestaat uit:

a) de loontrekkenden,

b) de personen die voor deze onderneming werken, er een ondergeschikte verhouding mee hebben en voor het nationale recht met loontrekkenden gelijkgesteld zijn,

c) de eigenaren-bedrijfsleiders,

d) de vennoten die geregeld een activiteit in de onderneming uitoefenen en van de onderneming financiële voordelen genieten.

Leerlingen en studenten die een beroepsopleiding volgen en een leer- of beroepsopleidingsovereenkomst hebben, worden niet meegeteld in het aantal werkzame personen. De duur van zwangerschaps- en ouderschapsverlof wordt niet meegerekend.

Artikel 6

Vaststelling van de gegevens van de onderneming

1. In het geval van een zelfstandige onderneming worden de gegevens, met inbegrip van het aantal werkzame personen, uitsluitend op basis van de rekeningen van die onderneming vastgesteld.

2. De gegevens, met inbegrip van het aantal werkzame personen, van een onderneming die partnerondernemingen of verbonden ondernemingen heeft, worden vastgesteld op basis van de rekeningen en andere gegevens van de onderneming of, zo van toepassing, van de geconsolideerde rekeningen van de onderneming of van de geconsolideerde rekeningen waarin de onderneming door consolidatie is opgenomen.

De in de eerste alinea bedoelde gegevens worden samengeteld met de gegevens van de eventuele partnerondernemingen van de betrokken onderneming, die zich meteen boven of onder het niveau van die onderneming bevinden. De samentelling geschiedt in evenredigheid met het aandeel in het kapitaal of de stemrechten (het hoogste van de twee percentages). Bij wederzijdse participatie geldt het hoogste van deze percentages.

De in de eerste en tweede alinea bedoelde gegevens worden samengeteld met alle, nog niet door consolidatie in de rekeningen opgenomen gegevens (100 %) van de eventuele, direct of indirect met de betrokken onderneming verbonden ondernemingen.

3. Voor de toepassing van lid 2 resulteren de gegevens van de partnerondernemingen van de betrokken onderneming uit de, indien van toepassing, geconsolideerde rekeningen en andere gegevens. Deze worden samengeteld met alle gegevens (100 %) van de met deze partnerondernemingen verbonden ondernemingen, tenzij hun gegevens reeds door consolidatie daarin zijn opgenomen.

Voor de toepassing van het genoemde lid 2 resulteren de gegevens van de met de betrokken onderneming verbonden ondernemingen uit hun, indien van toepassing, geconsolideerde rekeningen en andere gegevens. Deze worden evenredig samengeteld met de gegevens van de eventuele partnerondernemingen van deze verbonden ondernemingen, die zich meteen boven of onder het niveau van laatstgenoemde ondernemingen bevinden, mits deze gegevens in de geconsolideerde rekeningen nog niet zijn opgenomen in een verhouding die ten minste gelijk is aan het in lid 2, tweede alinea, vastgestelde percentage.

4. Indien het aantal werkzame personen van een bepaalde onderneming niet uit de geconsolideerde rekeningen blijkt, wordt het berekend door de gegevens van haar partnerondernemingen evenredig samen te tellen en daaraan de gegevens toe te voegen van de ondernemingen waarmee zij is verbonden."

Top