Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32003R1799

Verordening (EG) nr. 1799/2003 van de Raad van 13 oktober 2003 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1210/2003 betreffende bepaalde specifieke restricties op de economische en financiële betrekkingen met Irak

OJ L 264, 15.10.2003, p. 12–13 (ES, DA, DE, EL, EN, FR, IT, NL, PT, FI, SV)
Special edition in Czech: Chapter 10 Volume 003 P. 310 - 311
Special edition in Estonian: Chapter 10 Volume 003 P. 310 - 311
Special edition in Latvian: Chapter 10 Volume 003 P. 310 - 311
Special edition in Lithuanian: Chapter 10 Volume 003 P. 310 - 311
Special edition in Hungarian Chapter 10 Volume 003 P. 310 - 311
Special edition in Maltese: Chapter 10 Volume 003 P. 310 - 311
Special edition in Polish: Chapter 10 Volume 003 P. 310 - 311
Special edition in Slovak: Chapter 10 Volume 003 P. 310 - 311
Special edition in Slovene: Chapter 10 Volume 003 P. 310 - 311
Special edition in Bulgarian: Chapter 10 Volume 003 P. 86 - 87
Special edition in Romanian: Chapter 10 Volume 003 P. 86 - 87
Special edition in Croatian: Chapter 10 Volume 002 P. 110 - 111

No longer in force, Date of end of validity: 31/12/2007

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2003/1799/oj

32003R1799

Verordening (EG) nr. 1799/2003 van de Raad van 13 oktober 2003 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1210/2003 betreffende bepaalde specifieke restricties op de economische en financiële betrekkingen met Irak

Publicatieblad Nr. L 264 van 15/10/2003 blz. 0012 - 0013


Verordening (EG) nr. 1799/2003 van de Raad

van 13 oktober 2003

tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1210/2003 betreffende bepaalde specifieke restricties op de economische en financiële betrekkingen met Irak

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op de artikelen 60 en 301,

Gelet op Gemeenschappelijk Standpunt 2003/495/GBVB van de Raad van 7 juli 2003 inzake Irak(1), gewijzigd bij Gemeenschappelijk Standpunt 2003/735/GBVB(2),

Gezien het voorstel van de Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1) Naar aanleiding van Resolutie 1483(2003) van de VN-Veiligheidsraad van 22 mei 2003 heeft de Raad Verordening (EG) nr. 1210/2003 van 7 juli 2003 betreffende bepaalde specifieke restricties op de economische en financiële betrekkingen met Irak(3) aangenomen, die onder andere voorziet in bevriezingsmaatregelen die tegen de vorige regering van Irak en tegen andere staatsentiteiten zijn gericht. Deze maatregelen zijn op 9 juli 2003 in werking getreden.

(2) Bij nader onderzoek van de relevante teksten is gebleken dat de resolutie niet vereist dat de bevriezingsmaatregelen worden toegepast op aan ministeries en andere overheidsinstanties toebehorende tegoeden en economische middelen die zich op 22 mei 2003 in Irak bevonden, maar dat land na die datum hebben verlaten.

(3) In het licht daarvan dient het verbod om tegoeden en economische middelen ter beschikking te stellen aan overheidsinstanties in Irak, waardoor de werking van die instanties wordt geschaad en de wederopbouw van Irak nodeloos wordt belemmerd, te worden herzien. Bijgevolg wordt de verklarende bepaling betreffende exportgerelateerde inkomende betalingen die via de in de desbetreffende bijlage van Verordening (EG) nr. 1210/2003 vermelde staatsbanken worden verricht, overbodig.

(4) Resolutie 1483(2003) stelt de bevriezing van tegoeden en economische middelen voor als de eerste stap in een proces dat leidt tot de overdracht daarvan naar het Ontwikkelingsfonds voor Irak. Deze maatregel geldt evenwel niet voor tegoeden en economische middelen die reeds vóór 22 mei 2003 in onderpand waren gegeven of waarover reeds vóór die datum een uitspraak is gedaan. Als deze tegoeden en economische middelen uitdrukkelijk van verplichte overdracht naar dat Fonds zijn vrijgesteld, is het niet dienstig ze te blijven bevriezen.

(5) Het feit dat tegoeden en economische middelen niet hoeven te worden bevroren, mag geen afbreuk doen aan de toepasselijkheid van de normale regels inzake erkenning en tenuitvoerlegging van scheidsrechterlijke en buitenlandse uitspraken. Voorts mag geen vrijstelling worden gegeven met betrekking tot uitspraken die ingaan tegen Verordening (EEG) nr. 3541/92 van de Raad van 7 december 1992 waarbij het verboden wordt gevolg te geven aan Iraakse eisen in verband met contracten en transacties op de uitvoering waarvan Resolutie 661(1990) van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties en verwante resoluties van toepassing zijn(4).

(6) Aangezien deze wijzigingen verband houden met de uitlegging van Resolutie 1483(2003), is het dienstig ze met terugwerkende kracht te laten gelden vanaf de datum waarop Verordening (EG) nr. 1210/2003 in werking is getreden,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Verordening (EG) nr. 1210/2003 wordt als volgt gewijzigd:

1. artikel 4 wordt vervangen door:

"Artikel 4

1. Alle tegoeden en economische middelen van de vorige regering van Irak, of van overheidsinstellingen, overheidsondernemingen, met inbegrip van bedrijven naar privaat recht waarin de overheid een meerderheidsaandeel heeft, dan wel een aandeel dat zeggenschap verleent, of van agentschappen van die regering, als geïdentificeerd door het Sanctiecomité en opgenomen in bijlage III, die zich op 22 mei 2003 buiten Irak bevonden, worden bevroren.

2. Alle tegoeden en economische middelen die toebehoren aan, eigendom zijn van of in het bezit zijn van de volgende personen, als geïdentificeerd door het Sanctiecomité en opgenomen in bijlage IV, worden bevroren:

a) voormalig president Saddam Hussein;

b) hoge functionarissen van zijn regime;

c) hun naaste familieleden, of

d) rechtspersonen, instanties of entiteiten waarvan de eigendom of de zeggenschap, rechtstreeks of onrechtstreeks, berust bij de onder de punten a), b) en c) bedoelde personen of bij enige natuurlijke of rechtspersoon die namens hen of op hun aanwijzing handelt.

3. Er mogen geen tegoeden rechtstreeks of onrechtstreeks ter beschikking worden gesteld van of ten behoeve van de in bijlage IV genoemde natuurlijke of rechtspersonen, instanties of entiteiten.

4. Er mogen geen economische middelen rechtstreeks of onrechtstreeks ter beschikking worden gesteld van of ten behoeve van de in bijlage IV genoemde natuurlijke of rechtspersonen, instanties of entiteiten, indien die personen, instanties of entiteiten daardoor in staat worden gesteld tegoeden, goederen of diensten te verkrijgen.";

2. artikel 5, lid 2, wordt geschrapt;

3. artikel 6 wordt vervangen door:

"Artikel 6

1. In afwijking van artikel 4 kunnen de in bijlage V genoemde bevoegde autoriteiten van de lidstaten toestaan dat de bevroren tegoeden of economische middelen worden vrijgegeven als aan alle volgende voorwaarden is voldaan:

a) de tegoeden of economische middelen zijn vóór 22 mei 2003 in een gerechtelijk, administratief of scheidsrechterlijk onderpand gegeven of er is vóór die datum een gerechtelijke, administratieve of scheidsrechterlijke uitspraak over gedaan,

b) de tegoeden of economische middelen zullen uitsluitend worden aangewend om te voldoen aan vorderingen die door een dergelijk onderpand zijn gewaarborgd of door een dergelijke uitspraak geldig zijn verklaard, binnen de grenzen van de toepasselijke wetten en reglementen tot vaststelling van de rechten van de personen die titularis zijn van dergelijke vorderingen,

c) het voldoen aan de vordering is niet in strijd met Verordening (EEG) nr. 3541/92 en

d) de erkenning van het onderpand of van de uitspraak is niet in strijd met de openbare orde van de betrokken lidstaat.

2. In alle andere gevallen worden tegoeden, economische middelen en opbrengsten uit economische middelen die op grond van artikel 4 zijn bevroren, slechts vrijgegeven met het oog op overdracht aan het Ontwikkelingsfonds voor Irak, dat wordt beheerd door de Centrale Bank van Irak, onder de voorwaarden die zijn neergelegd in Resolutie 1483(2003) van de VN-Veiligheidsraad.";

4. de titel van bijlage V wordt vervangen door:

"Lijst van de in de artikelen 6, 7 en 8 bedoelde bevoegde autoriteiten.".

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 9 juli 2003.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Luxemburg, 13 oktober 2003.

Voor de Raad

De voorzitter

F. Frattini

(1) PB L 169 van 8.7.2003, blz. 72.

(2) Zie bladzijde 40 van dit Publicatieblad.

(3) PB L 169 van 8.7.2003, blz. 6.

(4) PB L 361 van 10.12.1992, blz. 1.

Top