Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32003R1560

Verordening (EG) nr. 1560/2003 van de Commissie van 2 september 2003 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 343/2003 van de Raad tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van de lidstaten wordt ingediend

OJ L 222, 5.9.2003, p. 3–23 (ES, DA, DE, EL, EN, FR, IT, NL, PT, FI, SV)
Special edition in Czech: Chapter 19 Volume 006 P. 200 - 220
Special edition in Estonian: Chapter 19 Volume 006 P. 200 - 220
Special edition in Latvian: Chapter 19 Volume 006 P. 200 - 220
Special edition in Lithuanian: Chapter 19 Volume 006 P. 200 - 220
Special edition in Hungarian Chapter 19 Volume 006 P. 200 - 220
Special edition in Maltese: Chapter 19 Volume 006 P. 200 - 220
Special edition in Polish: Chapter 19 Volume 006 P. 200 - 220
Special edition in Slovak: Chapter 19 Volume 006 P. 200 - 220
Special edition in Slovene: Chapter 19 Volume 006 P. 200 - 220
Special edition in Bulgarian: Chapter 19 Volume 006 P. 140 - 160
Special edition in Romanian: Chapter 19 Volume 006 P. 140 - 160
Special edition in Croatian: Chapter 19 Volume 010 P. 17 - 37

In force

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2003/1560/oj

32003R1560

Verordening (EG) nr. 1560/2003 van de Commissie van 2 september 2003 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 343/2003 van de Raad tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van de lidstaten wordt ingediend

Publicatieblad Nr. L 222 van 05/09/2003 blz. 0003 - 0023


Verordening (EG) nr. 1560/2003 van de Commissie

van 2 september 2003

houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 343/2003 van de Raad tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van de lidstaten wordt ingediend

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 343/2003 van de Raad van 18 februari 2003 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van de lidstaten wordt ingediend(1), en met name op artikel 15, lid 5, artikel 17, lid 3, artikel 18, lid 3, artikel 19, leden 3 en 5, artikel 20, leden 1, 3 en 4, en artikel 22, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1) Voor de daadwerkelijke tenuitvoerlegging van Verordening (EG) nr. 343/2003 moeten een aantal concrete regelingen worden gepreciseerd. Deze regelingen moeten duidelijk worden vastgesteld teneinde de samenwerking tussen de voor de toepassing bevoegde autoriteiten van de lidstaten te vergemakkelijken zowel wat de indiening en de behandeling van de overname- en terugnameverzoeken betreft als wat de verzoeken om informatie en de uitvoering van de overdrachten aangaat.

(2) Teneinde de grootst mogelijke continuïteit te garanderen tussen de op 15 juni 1990 te Dublin ondertekende overeenkomst betreffende de vaststelling van de staat die verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat bij een van de lidstaten van de Europese Gemeenschappen wordt ingediend(2), en Verordening (EG) nr. 343/2003, die deze vervangt, dient de onderhavige verordening te worden gebaseerd op de gemeenschappelijke beginselen, lijsten en formulieren die door het bij artikel 18 van genoemde overeenkomst ingestelde comité zijn goedgekeurd en waarin de wijzigingen zijn aangebracht die vereist zijn zowel ingevolge de invoering van nieuwe criteria en de formulering van een aantal bepalingen als door de lering die uit de ervaring is getrokken.

(3) De interactie tussen de bij Verordening (EG) nr. 343/2003 vastgestelde procedures en de toepassing van Verordening (EG) nr. 2725/2000 van de Raad van 11 december 2000 betreffende de instelling van "Eurodac" voor de vergelijking van vingerafdrukken ten behoeve van een doeltreffende toepassing van de Overeenkomst van Dublin(3) moet naar behoren in aanmerking worden genomen.

(4) Zowel voor de lidstaten als voor de betrokken asielzoekers is het wenselijk dat een procedure de mogelijkheid biedt een oplossing te vinden ingeval twee lidstaten van mening verschillen over de toepassing van de humanitaire clausule opgenomen in artikel 15 van Verordening (EG) nr. 343/2003.

(5) De totstandbrenging van een netwerk voor elektronische overdracht dat ten doel heeft de uitvoering van Verordening (EG) nr. 343/2003 te vergemakkelijken, vereist dat voorschriften worden ingevoerd met betrekking tot de toepasselijke technische normen en tot de wijze waarop het dient te worden gebruikt.

(6) Overeenkomstig artikel 21 van Verordening (EG) nr. 343/2003 is Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens(4) van toepassing op de verwerking ingevolge de onderhavige verordening.

(7) Overeenkomstig de artikelen 1 en 2 van het Protocol betreffende de positie van Denemarken, gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, is voor Denemarken, waarvoor Verordening (EG) nr. 343/2003 niet bindend is, de onderhavige verordening niet bindend en er evenmin van toepassing totdat een overeenkomst is gesloten waarbij Denemarken wordt toegestaan aan Verordening (EG) nr. 343/2003 deel te nemen.

(8) Overeenkomstig artikel 4 van de Overeenkomst van 19 januari 2001 tussen de Europese Gemeenschap, de Republiek IJsland en het Koninkrijk Noorwegen betreffende de criteria en de mechanismen voor de vaststelling van de staat die verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat in een lidstaat, in IJsland of in Noorwegen wordt ingediend(5), wordt de onderhavige verordening gelijktijdig toegepast door de lidstaten enerzijds en door IJsland en Noorwegen anderzijds. Voor de onderhavige verordening omvat de term "lidstaten" bijgevolg eveneens IJsland en Noorwegen.

(9) Het is van belang dat deze verordening zo spoedig mogelijk in werking treedt teneinde de toepassing van Verordening (EG) nr. 343/2003 mogelijk te maken.

(10) De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het comité ingesteld bij artikel 27 van Verordening (EG) nr. 343/2003,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

TITEL I PROCEDURES

HOOFDSTUK I HET OPSTELLEN VAN VERZOEKEN

Artikel 1

Het opstellen van een overnameverzoek

1. Een overnameverzoek wordt ingediend met gebruikmaking van het standaardformulier waarvan het model is opgenomen in bijlage I. Het formulier bevat verplichte rubrieken die volledig moeten worden ingevuld. De overige gedeelten worden ingevuld voorzover de informatie beschikbaar is. Aanvullende inlichtingen kunnen worden verstrekt in de daarvoor op het formulier gereserveerde ruimte.

Het verzoek omvat bovendien:

a) de kopie van alle bewijsmiddelen en indirecte bewijzen op grond waarvan kan worden aangenomen dat de aangezochte lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek, in voorkomend geval vergezeld van verklaringen over de omstandigheden waarin deze zijn verkregen en over de bewijskracht die de verzoekende lidstaat eraan toekent aan de hand van de in artikel 18, lid 3, van Verordening (EG) nr. 343/2003 bedoelde lijsten van bewijsmiddelen en indirecte bewijzen, die in bijlage II bij de onderhavige verordening zijn opgenomen;

b) in voorkomend geval, de kopie van de verklaringen die schriftelijk door de asielzoeker zijn verstrekt of in een proces-verbaal zijn opgenomen.

2. Wanneer het verzoek gebaseerd is op een treffer die door de centrale eenheid van Eurodac overeenkomstig artikel 4, lid 5, van Verordening (EG) nr. 2725/2000 is toegezonden, na vergelijking van de vingerafdrukken van de asielzoeker met krachtens artikel 8 van genoemde verordening eerder genomen en aan de centrale eenheid toegezonden vingerafdrukken, en overeenkomstig artikel 4, lid 6, van diezelfde verordening is gecontroleerd, omvat het tevens de door de centrale eenheid verstrekte gegevens.

3. Wanneer de verzoekende lidstaat overeenkomstig artikel 17, lid 2, van Verordening (EG) nr. 343/2003 om een spoedig antwoord vraagt, worden de omstandigheden van het asielverzoek alsmede de juridische en feitelijke redenen die een spoedig antwoord rechtvaardigen, in het verzoek vermeld.

Artikel 2

Het opstellen van een terugnameverzoek

Voor de indiening van een terugnameverzoek wordt gebruikgemaakt van het standaardformulier waarvan het model is opgenomen in bijlage III. Het verstrekt toelichting over de aard van en de gronden voor het verzoek en bevat de bepalingen van Verordening (EG) nr. 343/2003 waarop het is gebaseerd.

Het verzoek omvat bovendien de treffer die door de centrale eenheid van Eurodac overeenkomstig artikel 4, lid 5, van Verordening (EG) nr. 2725/2000 is verstrekt na vergelijking van de vingerafdrukken van de asielzoeker met de krachtens artikel 4, leden 1 en 2, van genoemde verordening eerder genomen en aan de centrale eenheid toegezonden vingerafdrukken, en overeenkomstig artikel 4, lid 6, van diezelfde verordening is gecontroleerd.

Voor terugnameverzoeken die betrekking hebben op asielverzoeken die zijn ingediend vóór de ingebruikneming van Eurodac wordt een set vingerafdrukken bij het formulier gevoegd.

HOOFDSTUK II REACTIE OP EEN VERZOEK

Artikel 3

Behandeling van een overnameverzoek

1. De juridische en feitelijke argumenten die in het verzoek zijn uiteengezet, worden onderzocht in het licht van de bepalingen van Verordening (EG) nr. 343/2003 en van de lijsten van bewijsmiddelen en indirecte bewijzen die in bijlage II bij de onderhavige verordening zijn opgenomen.

2. Ongeacht de criteria en bepalingen van Verordening (EG) nr. 343/2003 die in het overnameverzoek zijn vermeld, onderzoekt de aangezochte lidstaat, binnen de in artikel 18, leden 1 en 6, van genoemde verordening vastgestelde termijnen, uitvoerig en objectief en met inachtneming van alle inlichtingen waarover hij direct of indirect beschikt, of is aangetoond dat hij verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek. Wanneer uit het onderzoek van de aangezochte staat blijkt dat hij op grond van ten minste een van de criteria van Verordening (EG) nr. 343/2003 verantwoordelijk is, dient deze lidstaat zijn verantwoordelijkheid te erkennen.

Artikel 4

Behandeling van een terugnameverzoek

Wanneer een terugnameverzoek is gebaseerd op gegevens die door de centrale eenheid van Eurodac zijn verstrekt en door de verzoekende lidstaat overeenkomstig artikel 4, lid 6, van Verordening (EG) nr. 2725/2000 zijn gecontroleerd, erkent de aangezochte lidstaat zijn verantwoordelijkheid, tenzij uit zijn onderzoek blijkt dat zijn verantwoordelijkheid krachtens de bepalingen van artikel 4, lid 5, tweede alinea, of krachtens artikel 16, lid 2, 3 of 4, van Verordening (EG) nr. 343/2003 heeft opgehouden te bestaan. Het feit dat de verantwoordelijkheid krachtens deze bepalingen heeft opgehouden te bestaan, mag alleen worden ingeroepen op grond van feitelijke bewijzen of uitvoerige en verifieerbare verklaringen van de asielzoeker.

Artikel 5

Negatief antwoord

1. Wanneer de aangezochte lidstaat na onderzoek van oordeel is dat op grond van de voorgelegde elementen niet kan worden besloten dat hij verantwoordelijk is, wordt het negatieve antwoord dat hij de verzoekende lidstaat toezendt uitvoerig gemotiveerd en worden de redenen voor de weigering in detail uiteengezet.

2. Wanneer de verzoekende lidstaat van oordeel is dat de weigering op een beoordelingsfout berust of wanneer hij over aanvullende elementen beschikt die hij kan doen gelden, kan hij vragen dat zijn verzoek opnieuw wordt onderzocht. Van deze mogelijkheid moet gebruik worden gemaakt binnen de drie weken na ontvangst van het negatieve antwoord. De aangezochte lidstaat beijvert zich om binnen twee weken te antwoorden. Deze aanvullende procedure leidt er in geen geval toe dat de in artikel 18, leden 1 en 6, en artikel 20, lid 1, onder b), van Verordening (EG) nr. 343/2003 bedoelde termijnen opnieuw ingaan.

Artikel 6

Positief antwoord

Wanneer de aangezochte lidstaat erkent verantwoordelijk te zijn, wordt dit feit, onder opgave van de bepaling van Verordening (EG) nr. 343/2003 op grond waarvan, vermeld in het antwoord, dat nuttige aanwijzingen omvat voor de latere organisatie van de overdracht, zoals met name de gegevens van de dienst of de persoon waarmee contact kan worden opgenomen.

HOOFDSTUK III UITVOERING VAN DE OVERDRACHT

Artikel 7

Regeling betreffende de overdracht

1. De overdracht aan de verantwoordelijke staat gebeurt op een van de drie hierna genoemde wijzen:

a) op initiatief van de asielzoeker, waarbij een uiterste datum wordt vastgesteld;

b) onder de vorm van een gecontroleerd vertrek, waarbij de asielzoeker tot bij het instappen wordt vergezeld door een ambtenaar van de verzoekende staat en de plaats, datum en uur van zijn aankomst binnen een vooraf overeengekomen termijn ter kennis van de verantwoordelijke staat zijn gebracht;

c) onder geleide, waarbij de asielzoeker wordt vergezeld door een ambtenaar van de verzoekende staat of door de vertegenwoordiger van een daartoe door de verzoekende staat gemachtigde instantie, en aan de autoriteiten van de verantwoordelijke staat wordt overgedragen.

2. In de gevallen bedoeld in lid 1, onder a) en b), wordt aan de asielzoeker het in artikel 19, lid 3, en artikel 20, lid 1, onder e), van Verordening (EG) nr. 343/2003 vermelde doorlaatbewijs verstrekt, waarvan het model in bijlage IV bij de onderhavige verordening is opgenomen, teneinde het hem mogelijk te maken zich naar de verantwoordelijke staat te begeven en zijn identiteit aan te tonen wanneer hij zich meldt op de plaats en binnen de termijn die hem zijn opgegeven bij de kennisgeving van de beslissing betreffende zijn overname of terugname door de verantwoordelijke staat.

In het in lid 1, onder c), bedoelde geval wordt, wanneer de asielzoeker niet over identiteitsbewijzen beschikt, een doorlaatbewijs opgesteld. De plaats en het tijdstip van de overdracht worden in onderlinge overeenstemming door de betrokken lidstaten vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van artikel 8.

3. De lidstaat die tot de overdracht overgaat, ziet erop toe dat alle documenten van de asielzoeker hem voor zijn vertrek worden teruggegeven of aan de leden van zijn geleide worden toevertrouwd teneinde aan de bevoegde autoriteiten van de verantwoordelijke lidstaat te worden overhandigd, dan wel hem via andere passende kanalen worden bezorgd.

Artikel 8

Samenwerking met het oog op de overdracht

1. De verantwoordelijke lidstaat is verplicht de overdracht van de asielzoeker zo spoedig mogelijk toe te staan en erop toe te zien dat zijn binnenkomst niet wordt belemmerd. Hij dient in voorkomend geval de plaats op zijn grondgebied vast te stellen waar de asielzoeker aan de bevoegde autoriteiten zal worden overgedragen of overgeleverd, rekening houdend met de geografische beperkingen en de wijzen van vervoer waarover de overdragende lidstaat beschikt. Hij mag in geen geval eisen dat het geleide de asielzoeker verder begeleidt dan tot aan de plaats van aankomst van het internationale vervoermiddel waarvan gebruik is gemaakt of dat de overdragende lidstaat die zorg draagt voor het vervoer na het bereiken van deze plaats vervoerkosten blijft dragen.

2. De overdragende lidstaat organiseert het vervoer van de asielzoeker en zijn geleide en stelt in overleg met de verantwoordelijke lidstaat het uur van aankomst en, in voorkomend geval, de wijze van overdracht van de asielzoeker aan de bevoegde autoriteiten vast. De verantwoordelijke lidstaat kan een voorafgaande kennisgevingstermijn van drie werkdagen eisen.

Artikel 9

Uitstel van de overdracht en te laat verrichte overdrachten

1. De verantwoordelijke lidstaat wordt onverwijld in kennis gesteld van elk uitstel van de overdracht als gevolg van hetzij een beroeps- of bezwaarprocedure die opschortende werking heeft, hetzij van feitelijke omstandigheden zoals de gezondheidstoestand van de asielzoeker, de onbeschikbaarheid van het vervoermiddel of het feit dat de asielzoeker zich aan de uitvoering van de overdracht heeft onttrokken.

2. De lidstaat die om een van de in artikel 19, lid 4, en artikel 20, lid 2, van Verordening (EG) nr. 343/2003 bedoelde redenen niet tot de overdracht kan overgaan binnen de normale termijn van zes maanden die is vastgesteld in artikel 19, lid 3, en artikel 20, lid 1, onder d), van genoemde verordening stelt de verantwoordelijke staat daarvan vóór het verstrijken van deze termijn in kennis. Indien hij dat niet doet, berust de verantwoordelijkheid voor de behandeling van het asielverzoek en de andere uit Verordening (EG) nr. 343/2003 voortvloeiende verplichtingen overeenkomstig de bepalingen van artikel 19, lid 4, en artikel 20, lid 2, bij die lidstaat.

3. Wanneer een lidstaat om een van de in artikel 19, lid 4, en artikel 20, lid 2, van Verordening (EG) nr. 343/2003 bedoelde redenen na de normale termijn van zes maanden tot de overdracht overgaat, zorgt die lidstaat ervoor dat vooraf het nodige overleg met de verantwoordelijke lidstaat plaatsvindt.

Artikel 10

Overdracht na impliciete aanvaarding

1. Wanneer de aangezochte lidstaat krachtens artikel 18, lid 7, of artikel 20, lid 1, onder c), van Verordening (EG) nr. 343/2003, naar gelang van het geval, wordt geacht een verzoek tot overname of terugname te hebben aanvaard, zorgt de verzoekende lidstaat ervoor dat het nodige overleg plaatsvindt om de overdracht te organiseren.

2. Wanneer de verantwoordelijke lidstaat door de verzoekende lidstaat daarom wordt verzocht, dient hij onverwijld en schriftelijk te bevestigen dat hij zijn uit de overschrijding van de antwoordtermijn voortvloeiende verantwoordelijkheid erkent. De verantwoordelijke lidstaat dient zo spoedig mogelijk de nodige maatregelen te nemen om de plaats van aankomst van de asielzoeker vast te stellen en, in voorkomend geval, het uur van aankomst en de wijze van overdracht van de asielzoeker aan de bevoegde autoriteiten met de verzoekende lidstaat overeen te komen.

HOOFDSTUK IV HUMANITAIRE CLAUSULE

Artikel 11

Situaties van afhankelijkheid

1. Artikel 15, lid 2, van Verordening (EG) nr. 343/2003 is van toepassing zowel wanneer de asielzoeker afhankelijk is van de hulp van het familielid dat zich op het grondgebied van een lidstaat bevindt als wanneer het familielid dat zich op het grondgebied van een lidstaat bevindt afhankelijk is van de hulp van de asielzoeker.

2. De in artikel 15, lid 2, van Verordening (EG) nr. 343/2003 beoogde situaties van afhankelijkheid worden zo veel mogelijk beoordeeld op grond van objectieve elementen, zoals medische attesten. Wanneer dergelijke elementen niet voorhanden zijn of niet kunnen worden overgelegd, kunnen de humanitaire redenen alleen worden geacht te zijn bewezen op grond van door de betrokken personen verstrekte overtuigende inlichtingen.

3. Teneinde te beoordelen of hereniging van de betrokken personen nodig en wenselijk is, wordt rekening gehouden met:

a) de familiesituatie die bestond in het land van herkomst;

b) de omstandigheden die ertoe hebben geleid dat de betrokken personen van elkaar werden gescheiden;

c) de stand van de verschillende in de lidstaten lopende asielprocedures of procedures inzake het vreemdelingenrecht.

4. Voor de toepassing van artikel 15, lid 2, van Verordening (EG) nr. 343/2003 is in ieder geval vereist dat wordt gewaarborgd dat de asielzoeker of het familielid daadwerkelijk de nodige hulp zal verlenen.

5. De lidstaat waar de hereniging plaatsheeft en de datum van de overdracht worden in onderlinge overeenstemming door de betrokken lidstaten vastgesteld, rekening houdende met:

a) het vermogen van de afhankelijke persoon om zich te verplaatsen;

b) de verblijfssituatie van de betrokken personen teneinde, in voorkomend geval, voorrang te geven aan de hereniging van de asielzoeker met het familielid, wanneer dit in de lidstaat waar het verblijft reeds over een verblijfstitel en middelen beschikt.

Artikel 12

Niet begeleide minderjarigen

1. Wanneer het besluit om een niet begeleide minderjarige toe te vertrouwen aan een ander familielid dan zijn vader, moeder of wettelijke voogd tot bijzondere moeilijkheden zou kunnen leiden, met name wanneer de betrokken volwassene woont buiten het rechtsgebied van de lidstaat waar de minderjarige asiel heeft aangevraagd, wordt de samenwerking tussen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, in het bijzonder de autoriteiten of rechterlijke instanties die belast zijn met de bescherming van de minderjarigen, vergemakkelijkt en worden de nodige maatregelen genomen om het deze autoriteiten mogelijk te maken zich met de vereiste kennis van zaken uit te spreken over het vermogen van de betrokken volwassene(n) om de minderjarige, onder voorwaarden die in overeenstemming zijn met zijn belang, onder zijn/hun hoede te nemen.

Daartoe wordt rekening gehouden met de mogelijkheden die op het gebied van de justitiële samenwerking in burgerlijke zaken worden geboden.

2. Het feit dat de duur van de procedures voor het onderbrengen van de minderjarige ertoe leidt dat de in artikel 18, leden 1 en 6, en artikel 19, lid 4, van Verordening (EG) nr. 343/2003 vastgestelde termijnen worden overschreden, vormt niet noodzakelijk een belemmering voor de voortzetting van de procedure om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is, of voor de uitvoering van de overdracht.

Artikel 13

Procedures

1. Het initiatief om een andere lidstaat op grond van artikel 15 van Verordening (EG) nr. 343/2003 om overname van een asielzoeker te verzoeken berust, naar gelang van het geval, bij de lidstaat waar het asielverzoek is ingediend en waar een procedure tot vaststelling van de verantwoordelijke lidstaat wordt gevoerd, of bij de verantwoordelijke lidstaat.

2. Het overnameverzoek omvat alle elementen waarover de verzoekende lidstaat beschikt om het de aangezochte staat mogelijk te maken de situatie te beoordelen.

3. De aangezochte lidstaat verricht de nodige verificaties om zich te vergewissen van, naar gelang van het geval, het bestaan van humanitaire redenen, met name van familiale of culturele aard, de situatie van afhankelijkheid van de betrokken persoon of van het vermogen of de verbintenis van de andere betrokken persoon om de verwachte hulp te bieden.

4. De betrokken personen moeten in ieder geval hun instemming hebben gegeven.

Artikel 14

Bemiddeling

1. Wanneer de lidstaten het blijvend oneens zijn over de noodzaak van een overdracht of een hereniging uit hoofde van artikel 15 van Verordening (EG) nr. 343/2003, of over de lidstaat waar de betrokken personen moeten worden herenigd, kunnen zij gebruikmaken van de bemiddelingsprocedure van lid 2 van dit artikel.

2. De bemiddelingsprocedure wordt ingeleid door een verzoek dat door een van de lidstaten die het niet eens zijn tot de voorzitter van het comité ingesteld bij artikel 27 van Verordening (EG) nr. 343/2003 wordt gericht. Door te aanvaarden dat gebruik wordt gemaakt van de bemiddelingsprocedure, verbinden de betrokken lidstaten zich ertoe zoveel mogelijk rekening te houden met de oplossing die zal worden voorgesteld.

De voorzitter van het comité wijst drie leden van het comité aan die drie lidstaten vertegenwoordigen die niet bij de zaak zijn betrokken. Deze ontvangen, schriftelijk of mondeling, de argumenten van de partijen en stellen binnen een termijn van één maand, in voorkomend geval na een stemming, één oplossing voor.

De voorzitter van het comité, of zijn plaatsvervanger, zit de beraadslagingen voor. Hij mag zijn standpunt kenbaar maken, maar neemt niet deel aan de stemming.

De voorgestelde oplossing is definitief, ongeacht of zij door de partijen wordt aanvaard of verworpen, en kan in geen geval worden herzien.

HOOFDSTUK V GEMEENSCHAPPELIJKE BEPALINGEN

Artikel 15

Indiening van de verzoeken

1. De verzoeken en antwoorden, alsmede alle schriftelijke correspondentie tussen de lidstaten met het oog op de toepassing van Verordening (EG) nr. 343/2003, worden zoveel mogelijk via het bij titel II van deze verordening ingestelde elektronische communicatienetwerk "DubliNet" toegezonden.

In afwijking van de eerste alinea mag de correspondentie tussen de met de uitvoering van de overdrachten belaste diensten en de bevoegde diensten van de aangezochte lidstaat voor het treffen van de praktische regelingen in verband met de wijze, het uur en de plaats van aankomst van de, met name onder geleide, overgedragen asielzoeker op andere wijzen worden toegezonden.

2. Alle verzoeken, antwoorden of correspondentie die afkomstig zijn van een in artikel 19 bedoeld nationaal toegangspunt worden geacht authentiek te zijn.

3. Het door het systeem verstrekte bericht van ontvangst geldt als bewijs van verzending en van datum en uur van ontvangst van het verzoek of van het antwoord.

Artikel 16

Voor de communicatie gebruikte taal

De voor de communicatie gebruikte taal of talen wordt/worden bilateraal in onderlinge overeenstemming door de lidstaten gekozen.

Artikel 17

Instemming van de betrokken personen

1. Voor de toepassing van de artikelen 7 en 8, van artikel 15, lid 1, en artikel 21, lid 3, van Verordening (EG) nr. 343/2003 waarin als voorwaarde is opgenomen dat de betrokken personen dat wensen of hun instemming geven, dient de instemming schriftelijk te worden gegeven.

2. In het geval van artikel 21, lid 3, van Verordening (EG) nr. 343/2003 moet de asielzoeker weten voor welke inlichtingen hij zijn toestemming geeft.

TITEL II INSTELLING VAN HET "DUBLINET"-NETWERK

HOOFDSTUK I TECHNISCHE NORMEN

Artikel 18

Totstandbrenging van "DubliNet"

1. De in artikel 22, lid 2, van Verordening (EG) nr. 343/2003 bedoelde veilige kanalen voor het elektronisch verzenden van verzoeken worden "DubliNet" genoemd.

2. DubliNet is gebaseerd op het gebruik van de algemene IDA-diensten bedoeld in artikel 4 van Besluit nr. 1720/1999/EG van het Europees Parlement en de Raad(6).

Artikel 19

Nationale toegangspunten

1. Elke lidstaat beschikt over een enkel bepaald nationaal toegangspunt.

2. De nationale toegangspunten zijn verantwoordelijk voor de behandeling van de inkomende gegevens en voor de verzending van de uitgaande gegevens.

3. De nationale toegangspunten zijn verantwoordelijk voor de toezending van een ontvangstbewijs voor elk inkomend bericht.

4. De formulieren waarvan het model in de bijlagen I en III bij deze verordening is gevoegd alsook het formulier betreffende het verzoek om informatie dat is opgenomen in bijlage V, worden in het door de Commissie verstrekte formaat tussen de nationale toegangspunten verzonden. De Commissie stelt de lidstaten in kennis van de technische normen waaraan moet zijn voldaan.

HOOFDSTUK II GEBRUIKSREGELS

Artikel 20

Referentienummer

1. Elk bericht draagt een referentienummer dat het mogelijk maakt eenduidig vast te stellen op welke zaak deze betrekking heeft en welke lidstaat het verzoek indient. Dit nummer moet het mogelijk maken vast te stellen of het bericht betrekking heeft op een overnameverzoek (type 1), een terugnameverzoek (type 2) of een verzoek om inlichtingen (type 3).

2. Het referentienummer begint met de letters die in Eurodac worden gebruikt om de lidstaat aan te geven. De code wordt gevolgd door de vermelding van het type verzoek volgens de indeling die in lid 1 is gegeven.

Wanneer een verzoek is gebaseerd op door Eurodac verstrekte gegevens, wordt het Eurodac-referentienummer toegevoegd.

Artikel 21

Continuïteit van de dienstverlening

1. De lidstaten nemen de nodige maatregelen om te garanderen dat hun nationaal toegangspunt ononderbroken functioneert.

2. Ingeval de werking van een nationaal toegangspunt gedurende meer dan zeven werkuren onderbroken blijft, stelt de lidstaat de uit hoofde van artikel 22, lid 1, van Verordening (EG) nr. 343/2003 aangewezen bevoegde autoriteiten alsmede de Commissie daarvan in kennis en neemt hij alle nodige maatregelen om te garanderen dat de werkzaamheden ten spoedigste normaal kunnen worden hervat.

3. Wanneer een nationaal toegangspunt gegevens heeft gezonden naar een nationaal toegangspunt waarvan de werking onderbroken is geweest, geldt het door de algemene IDA-diensten geproduceerde verzendbewijs als bewijs van de datum en het uur van verzending. De bij Verordening (EG) nr. 343/2003 voor de toezending van een verzoek of een antwoord vastgestelde termijnen worden tijdens de onderbreking van de werkzaamheden van het betrokken nationale toegangspunt niet opgeschort.

TITEL III OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 22

Voor de toepassing van de Overeenkomst van Dublin opgesteld doorlaatbewijs

De voor de toepassing van de Overeenkomst van Dublin gedrukte doorlaatbewijzen worden voor de overdracht van de asielzoekers overeenkomstig Verordening (EG) nr. 343/2003 aanvaard gedurende een termijn van ten hoogste 18 maanden te rekenen vanaf de inwerkingtreding van deze verordening.

Artikel 23

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 2 september 2003.

Voor de Commissie

António Vitorino

Lid van de Commissie

(1) PB L 50 van 25.2.2003, blz. 1.

(2) PB C 254 van 19.8.1997, blz. 1.

(3) PB L 316 van 15.12.2000, blz. 1.

(4) PB L 281 van 23.11.1995, blz. 31.

(5) PB L 93 van 3.4.2001, blz. 40.

(6) PB L 203 van 3.8.1999, blz. 9.

BIJLAGE I

>PIC FILE= "L_2003222NL.001002.TIF">

>PIC FILE= "L_2003222NL.001101.TIF">

>PIC FILE= "L_2003222NL.001201.TIF">

>PIC FILE= "L_2003222NL.001301.TIF">

BIJLAGE II

(Er wordt hierna verwezen naar de artikelen van Verordening (EG) nr. 343/2003 van de Raad)

LIJST A BEWIJSMIDDELEN

I. Vaststelling van de staat die verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek

1. Aanwezigheid van een gezinslid (vader, moeder, voogd) van een niet-begeleide minderjarige asielzoeker (artikel 6)

Bewijzen

- schriftelijke bevestiging van de informatie door de andere lidstaat;

- registeruittreksels;

- verblijfstitels van het gezinslid;

- document ter staving van de familierelatie, indien voorhanden;

- indien niet voorhanden, zo nodig, DNA- of bloedonderzoek.

2. Legaal verblijf van een in een lidstaat als vluchteling erkend gezinslid (artikel 7)

Bewijzen

- schriftelijke bevestiging van de informatie door de andere lidstaat;

- registeruittreksels;

- verblijfstitels van houder van de vluchtelingenstatus;

- document ter staving van de familierelatie, indien voorhanden;

- instemming van de betrokkenen.

3. Aanwezigheid van een gezinslid als asielzoeker over wiens verzoek nog geen beslissing in eerste aanleg is genomen in een lidstaat (artikel 8)

Bewijzen

- schriftelijke bevestiging van de informatie door de andere lidstaat;

- registeruittreksels;

- voorlopige verblijfsvergunning afgegeven aan de betrokken persoon tijdens de behandeling van zijn asielverzoek;

- document ter staving van de familierelatie, indien voorhanden;

- indien niet voorhanden, zo nodig, DNA- of bloedonderzoek;

- instemming van de betrokkenen.

4. Geldige verblijfstitels (artikel 9, leden 1 en 3) en verblijfstitels die sedert minder dan twee jaar [en sedert de inwerkingtreding van de verordening] verlopen zijn (artikel 9, lid 4)

Bewijzen

- verblijfstitel;

- uittreksel uit het vreemdelingenregister of uit soortgelijke registers;

- rapportage/bevestiging van de informatie door de lidstaat die de verblijfstitel heeft afgegeven.

5. Geldige visa (artikel 9, leden 2 en 3) en visa die sedert minder dan zes maanden [en sedert de inwerkingtreding van de verordening] verlopen zijn (artikel 9, lid 4)

Bewijzen

- afgegeven visum (geldig of verlopen, naar gelang van het geval);

- uittreksel uit het vreemdelingenregister of uit soortgelijke registers;

- rapportage/bevestiging van de informatie door de lidstaat die het visum heeft afgegeven.

6. Legale binnenkomst op het grondgebied via een buitengrens (artikel 11)

Bewijzen

- inreisstempel in een paspoort;

- uitreisstempel van een aan een lidstaat grenzende staat, rekening houdend met de reisroute van de asielzoeker en de datum van grensoverschrijding;

- vervoerbewijs aan de hand waarvan de inreis via een buitengrens formeel kan worden vastgesteld;

- inreisstempel of soortgelijke aantekening in een reisdocument.

7. Illegale binnenkomst op het grondgebied via een buitengrens (artikel 10, lid 1)

Bewijzen

- treffer in het kader van Eurodac vastgesteld ten gevolge van de vergelijking van de vingerafdrukken van de asielzoeker met de krachtens artikel 8 van de "Eurodac"-verordening verzamelde vingerafdrukken;

- inreisstempel in een vals of vervalst paspoort;

- uitreisstempel van een aan een lidstaat grenzende staat, rekening houdend met de reisroute van de asielzoeker en de datum van grensoverschrijding;

- vervoerbewijs aan de hand waarvan de inreis via een buitengrens formeel kan worden vastgesteld;

- inreisstempel of soortgelijke aantekening in een reisdocument.

8. Verblijf van meer dan vijf maanden op het grondgebied van een lidstaat (artikel 10, lid 2)

Bewijzen

- verblijfsvergunningen afgegeven tijdens de behandeling van een aanvraag voor een verblijfstitel;

- uitnodigingen het grondgebied te verlaten of besluit tot verwijdering die met vijf maanden tussentijd of meer zijn vastgesteld, waaraan geen gevolg is gegeven;

- uittreksels uit registers van ziekenhuizen, gevangenissen, gesloten opvangcentra.

9. Uitreis uit het grondgebied van de lidstaten (artikel 16, lid 3)

Bewijzen

- uitreisstempel;

- registeruittreksels van de derde staat (bewijs van het verblijf);

- vervoerbewijs aan de hand waarvan de inreis of uitreis via een buitengrens formeel kan worden vastgesteld;

- rapportage/bevestiging door de lidstaat via welke de asielzoeker het grondgebied van de lidstaten verlaten heeft;

- stempel van een aan een lidstaat grenzende derde staat, rekening houdend met de reisroute van de asielzoeker en de datum van grensoverschrijding.

II. Verplichting tot overname of terugname door de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek

1. Procedure tot vaststelling van de verantwoordelijke lidstaat lopende in de lidstaat waar het asielverzoek is ingediend (artikel 4, lid 5)

Bewijzen

- treffer in het kader van Eurodac vastgesteld ten gevolge van de vergelijking van de vingerafdrukken van de asielzoeker met de krachtens artikel 4 van de "Eurodac"-verordening verzamelde vingerafdrukken;

- door de asielzoeker ingevuld formulier;

- door de autoriteiten opgesteld proces-verbaal;

- bij de indiening van een asielverzoek genomen vingerafdrukken;

- uittreksels uit registers en soortgelijke bestanden;

- schriftelijk verslag van de autoriteiten als bewijs van indiening van een asielverzoek.

2. Lopende of eerdere asielverzoeken (artikel 16, lid 1, onder c), d) en e))

Bewijzen

- treffer in het kader van Eurodac vastgesteld ten gevolge van de vergelijking van de vingerafdrukken van de asielzoeker met de krachtens artikel 4 van de "Eurodac"-verordening verzamelde vingerafdrukken;

- door de asielzoeker ingevuld formulier;

- door de autoriteiten opgesteld proces-verbaal;

- bij de indiening van een asielverzoek genomen vingerafdrukken;

- uittreksels uit registers en soortgelijke bestanden;

- schriftelijk verslag van de autoriteiten als bewijs van indiening van een asielverzoek.

3. Uitreis uit het grondgebied van de lidstaten (artikel 4, lid 5; artikel 16, lid 3)

Bewijzen

- uitreisstempel;

- registeruittreksels van de derde staat (bewijs van het verblijf);

- stempel van een aan een lidstaat grenzende derde staat, rekening houdend met de reisroute van de asielzoeker en de datum van grensoverschrijding;

- schriftelijk bewijs van de autoriteiten ter staving van de daadwerkelijke verwijdering van de vreemdeling.

4. Verwijdering van het grondgebied van de lidstaten (artikel 16, lid 4)

Bewijzen

- schriftelijk bewijs van de autoriteiten ter staving van de daadwerkelijke verwijdering van de vreemdeling;

- uitreisstempel;

- bevestiging van de informatie over de verwijdering door de derde staat.

LIJST B INDIRECTE BEWIJZEN

I. Vaststelling van de staat die verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek

1. Aanwezigheid van een gezinslid (vader, moeder, voogd) van een minderjarige niet-begeleide asielzoeker (artikel 6)

Indirect bewijs(1)

- verifieerbare indicaties van de asielzoeker;

- verklaringen van de betrokken gezinsleden;

- rapportage/bevestiging van de informatie door een internationale organisatie, zoals bijvoorbeeld de UNHCR.

2. Legaal verblijf van een in een lidstaat als vluchteling erkend gezinslid (artikel 7)

Indirect bewijs

- verifieerbare indicaties van de asielzoeker;

- rapportage/bevestiging van de informatie door een internationale organisatie, zoals bijvoorbeeld de UNHCR.

3. Aanwezigheid van een gezinslid als asielzoeker over wiens asielverzoek nog geen beslissing in eerste aanleg is genomen in een lidstaat (artikel 8)

Indirect bewijs

- verifieerbare indicaties van de asielzoeker;

- rapportage/bevestiging van de informatie door een internationale organisatie, zoals bijvoorbeeld de UNHCR.

4. Geldige verblijfstitels (artikel 9, leden 1 en 3) en verblijfstitels die sedert minder dan twee jaar [en sedert de inwerkingtreding van de verordening] verlopen zijn (artikel 9, lid 4)

Indirect bewijs

- gedetailleerde en verifieerbare verklaringen van de asielzoeker;

- rapportage/bevestiging van de informatie door een internationale organisatie, zoals bijvoorbeeld de UNHCR.

- rapportage/bevestiging van de informatie door de lidstaat die de verblijfstitel niet heeft afgegeven;

- rapportage/bevestiging van de informatie door gezinsleden, reisgenoten, enz.

5. Geldige visa (artikel 9, leden 2 en 3) en visa die sedert minder dan zes maanden [en sedert de inwerkingtreding van de verordening] verlopen zijn (artikel 9, lid 4)

Indirect bewijs

- gedetailleerde en verifieerbare verklaringen van de asielzoeker;

- rapportage/bevestiging van de informatie door een internationale organisatie, zoals bijvoorbeeld de UNHCR;

- rapportage/bevestiging van de informatie door de lidstaat die het visum niet heeft afgegeven;

- rapportage/bevestiging van de informatie door gezinsleden, reisgenoten, enz.

6. Legale binnenkomst op het grondgebied via een buitengrens (artikel 11)

Indirect bewijs

- gedetailleerde en verifieerbare verklaringen van de asielzoeker;

- rapportage/bevestiging van de informatie door een internationale organisatie, zoals bijvoorbeeld de UNHCR;

- rapportage/bevestiging van de informatie door een andere lidstaat of een derde staat;

- rapportage/bevestiging van de informatie door gezinsleden, reisgenoten, enz.;

- vingerafdrukken, behalve wanneer de autoriteiten deze hebben moeten nemen bij overschrijding van de buitengrens. In dat geval gelden de vingerafdrukken als bewijs in de zin van lijst A;

- vervoerbewijzen;

- hotelrekeningen;

- toegangsbewijzen voor openbare of particuliere instellingen in de lidstaten;

- afspraakkaarten voor arts, tandarts, enz.;

- gegevens die aantonen dat de asielzoeker gebruik heeft gemaakt van de diensten van een reisbureau;

- andere indirecte bewijzen van dezelfde aard.

7. Illegale binnenkomst op het grondgebied via een buitengrens (artikel 10, lid 1)

Indirect bewijs

- gedetailleerde en verifieerbare verklaringen van de asielzoeker;

- rapportage/bevestiging van de informatie door een internationale organisatie, zoals bijvoorbeeld de UNHCR;

- rapportage/bevestiging van de informatie door een andere lidstaat of door een derde staat;

- rapportage/bevestiging van de informatie door gezinsleden, reisgenoten, enz.;

- vingerafdrukken, behalve wanneer de autoriteiten deze hebben moeten nemen bij overschrijding van de buitengrens. In dat geval gelden de vingerafdrukken als bewijs in de zin van lijst A;

- vervoerbewijzen;

- hotelrekeningen;

- toegangsbewijzen voor openbare of particuliere instellingen in de lidstaten;

- afspraakkaarten voor arts, tandarts, enz.;

- gegevens die aantonen dat de asielzoeker gebruik heeft gemaakt van de diensten van een mensensmokkelaar of een reisbureau;

- andere indirecte bewijzen van dezelfde aard.

8. Verblijf van meer dan vijf maanden op het grondgebied van een lidstaat (artikel 10, lid 2)

Indirect bewijs

- gedetailleerde en verifieerbare verklaringen van de asielzoeker;

- rapportage/bevestiging van de informatie door een internationale organisatie, zoals bijvoorbeeld de UNHCR;

- rapportage/bevestiging van de informatie door een niet-gouvernementele organisatie, bijvoorbeeld een organisatie die zorgt voor onderdak voor behoeftigen;

- rapportage/bevestiging van de informatie door gezinsleden, reisgenoten, enz.;

- vingerafdrukken;

- vervoerbewijzen;

- hotelrekeningen;

- toegangsbewijzen voor openbare of particuliere instellingen in de lidstaten;

- afspraakkaarten voor arts, tandarts, enz.;

- gegevens die aantonen dat de asielzoeker gebruik heeft gemaakt van de diensten van een mensensmokkelaar of een reisbureau;

- andere indirecte bewijzen van dezelfde aard.

9. Uitreis uit het grondgebied van de lidstaten (artikel 16, lid 3)

Indirect bewijs

- gedetailleerde en verifieerbare verklaringen van de asielzoeker;

- rapportage/bevestiging van de informatie door een internationale organisatie, zoals bijvoorbeeld de UNHCR;

- rapportage/bevestiging van de informatie door een andere lidstaat;

- uitreisstempel indien de asielzoeker het grondgebied van de lidstaten gedurende ten minste drie maanden heeft verlaten;

- rapportage/bevestiging van de informatie door gezinsleden, reisgenoten, enz.;

- vingerafdrukken, behalve wanneer de autoriteiten deze hebben moeten nemen bij overschrijding van de buitengrens. In dat geval gelden de vingerafdrukken als bewijs in de zin van lijst A;

- vervoerbewijzen;

- hotelrekeningen;

- afspraakkaarten voor arts, tandarts, enz.;

- gegevens die aantonen dat de asielzoeker gebruik heeft gemaakt van de diensten van een mensensmokkelaar of een reisbureau;

- andere indirecte bewijzen van dezelfde aard.

II. Verplichting tot overname of terugname door de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek

1. Procedure voor de vaststelling van de verantwoordelijke lidstaat lopende in de lidstaat waar het asielverzoek is ingediend (artikel 4, lid 5)

Indirect bewijs

- gedetailleerde en verifieerbare verklaringen van de asielzoeker;

- rapportage/bevestiging van de informatie door een internationale organisatie, zoals bijvoorbeeld de UNHCR;

- rapportage/bevestiging van de informatie door gezinsleden, reisgenoten, enz.;

- rapportage/bevestiging door een andere lidstaat.

2. Lopende of eerdere asielverzoeken (artikel 16, lid 1, onder c), d) en e))

Indirect bewijs

- verifieerbare verklaringen van de asielzoeker;

- rapportage/bevestiging van de informatie door een internationale organisatie, zoals bijvoorbeeld de UNHCR;

- rapportage/bevestiging van de informatie door een andere lidstaat.

3. Uitreis uit het grondgebied van de lidstaten (artikel 4, lid 5; artikel 16, lid 3)

Indirect bewijs

- gedetailleerde en verifieerbare verklaringen van de asielzoeker;

- rapportage/bevestiging van de informatie door een internationale organisatie, zoals bijvoorbeeld de UNHCR;

- rapportage/bevestiging van de informatie door een andere lidstaat;

- uitreisstempel indien de asielzoeker het grondgebied van de lidstaten gedurende ten minste drie maanden heeft verlaten;

- rapportage/bevestiging van de informatie door gezinsleden, reisgenoten, enz.;

- vingerafdrukken, behalve wanneer de autoriteiten deze hebben moeten nemen bij overschrijding van de buitengrens. In dat geval gelden de vingerafdrukken als bewijs in de zin van lijst A;

- vervoerbewijzen;

- hotelrekeningen;

- afspraakkaarten voor arts, tandarts, enz.;

- gegevens die aantonen dat de asielzoeker gebruik heeft gemaakt van de diensten van een mensensmokkelaar of een reisbureau;

- andere indirecte bewijzen van dezelfde aard.

4. Verwijdering van het grondgebied van de lidstaten (artikel 16, lid 4)

Indirect bewijs

- verifieerbare verklaringen van de asielzoeker;

- rapportage/bevestiging van de informatie door een internationale organisatie, zoals bijvoorbeeld de UNHCR;

- uitreisstempel indien de asielzoeker het grondgebied van de lidstaten gedurende ten minste drie maanden heeft verlaten;

- rapportage/bevestiging van de informatie door gezinsleden, reisgenoten, enz.;

- vingerafdrukken, behalve wanneer de autoriteiten deze hebben moeten nemen bij overschrijding van de buitengrens. In dat geval gelden de vingerafdrukken als bewijs in de zin van lijst A;

- vervoerbewijzen;

- hotelrekeningen;

- afspraakkaarten voor arts, tandarts, enz.;

- gegevens die aantonen dat de asielzoeker gebruik heeft gemaakt van de diensten van een mensensmokkelaar of een reisbureau;

- andere indirecte bewijzen van dezelfde aard.

(1) Steeds in combinatie met een bewijs in de zin van lijst A.

BIJLAGE III

>PIC FILE= "L_2003222NL.002002.TIF">

>PIC FILE= "L_2003222NL.002101.TIF">

BIJLAGE IV

>PIC FILE= "L_2003222NL.002202.TIF">

BIJLAGE V

>PIC FILE= "L_2003222NL.002302.TIF">

Top