EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32003L0020

Richtlijn 2003/20/EG van het Europees Parlement en de Raad van 8 april 2003 tot wijziging van Richtlijn 91/671/EEG van de Raad inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten betreffende het verplichte gebruik van veiligheidsgordels in voertuigen van minder dan 3,5 ton

OJ L 115, 9.5.2003, p. 63–67 (ES, DA, DE, EL, EN, FR, IT, NL, PT, FI, SV)
Special edition in Czech: Chapter 07 Volume 007 P. 277 - 281
Special edition in Estonian: Chapter 07 Volume 007 P. 277 - 281
Special edition in Latvian: Chapter 07 Volume 007 P. 277 - 281
Special edition in Lithuanian: Chapter 07 Volume 007 P. 277 - 281
Special edition in Hungarian Chapter 07 Volume 007 P. 277 - 281
Special edition in Maltese: Chapter 07 Volume 007 P. 277 - 281
Special edition in Polish: Chapter 07 Volume 007 P. 277 - 281
Special edition in Slovak: Chapter 07 Volume 007 P. 277 - 281
Special edition in Slovene: Chapter 07 Volume 007 P. 277 - 281
Special edition in Bulgarian: Chapter 07 Volume 011 P. 127 - 131
Special edition in Romanian: Chapter 07 Volume 011 P. 127 - 131
Special edition in Croatian: Chapter 07 Volume 008 P. 69 - 73

In force

ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2003/20/oj

32003L0020

Richtlijn 2003/20/EG van het Europees Parlement en de Raad van 8 april 2003 tot wijziging van Richtlijn 91/671/EEG van de Raad inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten betreffende het verplichte gebruik van veiligheidsgordels in voertuigen van minder dan 3,5 ton

Publicatieblad Nr. L 115 van 09/05/2003 blz. 0063 - 0067


Richtlijn 2003/20/EG van het Europees Parlement en de Raad

van 8 april 2003

tot wijziging van Richtlijn 91/671/EEG van de Raad inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten betreffende het verplichte gebruik van veiligheidsgordels in voertuigen van minder dan 3,5 ton

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 71, lid 1,

Gezien het voorstel van de Commissie(1),

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité(2),

Na raadpleging van het Comité van de Regio's,

Handelend volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag(3),

Overwegende hetgeen volgt:

(1) Artikel 153 van het Verdrag bepaalt onder andere dat de Gemeenschap bijdraagt tot de bescherming van de gezondheid, de veiligheid en de economische belangen van de consumenten om een hoog niveau van consumentenbescherming te waarborgen.

(2) In zijn resolutie van 13 maart 1984(4) heeft het Europees Parlement het verplichte gebruik van veiligheidsgordels op alle wegen in de stad en op het platteland tot prioriteitsmaatregel bestempeld. In zijn resolutie van 18 februari 1986(5) heeft het Europees Parlement benadrukt dat het gebruik van de veiligheidsgordel verplicht moet worden gesteld voor alle passagiers, met inbegrip van kinderen, behalve in het openbaar vervoer.

(3) In Richtlijn 91/671/EEG van de Raad(6) is bepaald dat het verplicht is op zitplaatsen die met gordels zijn uitgerust, kinderbeveiligingssystemen te gebruiken. Die richtlijn vermeldt niet welk type kinderbeveiligingssysteem geschikt is en staat het toe dat kinderen worden vervoerd zonder door een geschikt systeem te zijn beveiligd wanneer een dergelijk systeem niet beschikbaar is.

(4) Een consequenter gebruik van dergelijke systemen is nodig en derhalve ook een striktere inachtneming van het in artikel 2, tweede alinea, van die richtlijn bedoelde beginsel dat het gebruik verplicht is.

(5) Bij Besluit 97/836/EG van de Raad(7) is de Gemeenschap toegetreden tot de overeenkomst van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties betreffende het aannemen van eenvormige technische eisen voor wielvoertuigen, uitrustingsstukken en onderdelen die kunnen worden aangebracht en/of gebruikt op wielvoertuigen en de voorwaarden voor wederzijdse erkenning van goedkeuringen, verleend op basis van deze eisen.

(6) Met haar toetreding tot deze overeenkomst heeft de Gemeenschap ingestemd met een gespecificeerde lijst van reglementen die krachtens de overeenkomst zijn vastgesteld, waaronder het reglement inzake de goedkeuring van beveiligingssystemen voor kinderen in motorvoertuigen.

(7) Hoewel het aantal kinderen dat dodelijk letsel oploopt bij auto-ongevallen, relatief gering is in verhouding tot het aantal kinderen dat als voetganger of fietser ten gevolge van een ongeval overlijdt, moeten de communautaire voorschriften ter bescherming van kinderen worden aangescherpt. Uit onderzoek is met name gebleken dat het gebruik van kinderbeveiligingssystemen er belangrijk toe kan bijdragen dat letsel bij botsingen beperkt blijft, en dat kinderen zonder beveiliging bij botsingen een risico op meer en ernstiger letsel lopen dan kinderen met beveiliging.

(8) Het is evenwel aangewezen dat de lidstaten met instemming van de Commissie in zeer bijzondere situaties een aantal vrijstellingen kunnen verlenen voor het vervoer op hun grondgebied; het is voorts dienstig dat de lidstaten de nodige maatregelen nemen om misbruik tegen te gaan.

(9) Aangezien steeds meer voertuigen van de categorieën M2 en M3 uitgerust zijn met veiligheidsgordels conform de Richtlijnen 96/36/EG(8), 96/37/EG(9) en 96/38/EG(10) van de Commissie, ligt het voor de hand te eisen dat de passagiers die ook werkelijk dragen. Passagiers van voertuigen van die categorieën dienen te worden gewezen op de verplichting hun veiligheidsgordels te dragen wanneer het voertuig in beweging is.

(10) Er zijn momenteel geen erkende studies op communautair niveau over het gebruik van beveiligingssystemen door kinderen jonger dan drie jaar in voertuigen van de categorieën M2 en M3. Gezien het belang van de bescherming van kinderen tegen alle typen van ongevallen moet de Commissie derhalve dergelijke studies uitvoeren om te bepalen welke communautaire regeling het best op in deze voertuigen vervoerde kinderen kan worden toegepast. In afwachting van de voltooiing van deze studies moeten de lidstaten evenwel de toe te passen regeling kunnen kiezen.

(11) De ontwikkeling van de techniek op het gebied van beveiligingssystemen staat niet stil. Derhalve dient te worden voorzien in een regeling voor technische aanpassing.

(12) De voor de uitvoering van deze richtlijn vereiste maatregelen dienen te worden vastgesteld overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden(11),

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Richtlijn 91/671/EEG wordt als volgt gewijzigd:

1. De titel wordt vervangen door: "Richtlijn van de Raad van 16 december 1991 betreffende het verplichte gebruik van veiligheidsgordels en kinderbeveiligingssystemen in voertuigen";

2. artikel 1 wordt vervangen door:

"Artikel 1

1. Deze richtlijn is van toepassing op alle voor het wegverkeer bestemde motorvoertuigen op ten minste vier wielen en met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van meer dan 25 km/uur, die behoren tot de in bijlage II bij Richtlijn 70/156/EEG(12) omschreven categorieën M1, M2, M3, N1, N2 en N3.

2. Voor de toepassing van deze richtlijn:

- gelden de definities van beveiligingssystemen, met inbegrip van veiligheidsgordels en kinderbeveiligingssystemen voor voertuigen van de categorieën M1 en N1, en de onderdelen daarvan, die zijn opgenomen in bijlage I van Richtlijn 77/541/EEG(13);

- wordt onder 'naar achteren gericht' verstaan: in een richting tegenovergesteld aan de normale rijrichting van het voertuig.

3. Kinderbeveiligingssystemen worden in vijf 'gewichtsgroepen' ingedeeld:

a) groep 0 voor kinderen met een gewicht van minder dan 10 kg;

b) groep 0 + voor kinderen met een gewicht van minder dan 13 kg;

c) groep I voor kinderen met een gewicht van 9 kg tot 18 kg;

d) groep II voor kinderen met een gewicht van 15 kg tot 25 kg;

e) groep III voor kinderen met een gewicht van 22 kg tot 36 kg.

4. Er zijn twee categorieën kinderbeveiligingssystemen:

a) integrale beveiligingssystemen, die bestaan uit een combinatie van riemen of flexibele componenten met een sluiting, verstelinrichtingen en bevestigingsonderdelen, soms tevens voorzien van een zitje en/of botsingsscherm, en met één of meer eigen geïntegreerde riemen kunnen worden bevestigd;

b) niet-integrale beveiligingssystemen, die kunnen bestaan uit een gedeeltelijke beveiliging die bij gecombineerd gebruik met een gordel voor volwassenen die om het lichaam van het kind heen gaat of waarmee het systeem waarin het kind wordt geplaatst, wordt bevestigd, een volledig kinderbeveiligingssysteem vormt.";

3. artikel 2 wordt vervangen door:

"Artikel 2

1. Voertuigen van de categorieën M1, N1, N2 en N3

a) i) De lidstaten stellen voor alle inzittenden van voertuigen van de categorieën M1, N1, N2 en N3 die aan het wegverkeer deelnemen, het gebruik van de beveiligingssystemen waarmee de voertuigen uitgerust zijn verplicht.

Kinderen van minder dan 150 cm lang in voertuigen van de categorieën M1, N1, N2 en N3 die uitgerust zijn met beveiligingssystemen moeten worden vervoerd in een integraal of niet-integraal kinderbeveiligingssysteem in de zin van artikel 1, lid 4, onder a) en b), dat is aangepast aan het gewicht van het kind overeenkomstig artikel 1, lid 3.

In voertuigen van de categorieën M1, N1, N2 en N3 die niet met beveiligingssystemen uitgerust zijn:

- mogen geen kinderen van minder dan drie jaar vervoerd worden,

- moeten kinderen die drie jaar of ouder zijn en die minder dan 150 cm lang zijn, onverminderd ii), op een andere zitplaats dan een van de voorstoelen worden vervoerd.

ii) De lidstaten kunnen op hun grondgebied toestaan dat kinderen met een lengte van minder dan 150 cm, doch ten minste 135 cm, beveiligd worden door een veiligheidsgordel voor volwassenen. Deze op lengte gebaseerde drempels zullen opnieuw worden bezien volgens de procedure van artikel 7 ter, lid 2.

iii) De lidstaten kunnen evenwel toestaan dat de onder i) en ii) bedoelde kinderen op hun grondgebied niet door een kinderbeveiligingssysteem worden beveiligd wanneer zij in taxi's worden vervoerd. Deze kinderen moeten evenwel in taxi's zonder beveiligingssysteem op een andere zitplaats dan een van de voorstoelen worden vervoerd.

b) Kinderen mogen niet in een naar achteren gericht kinderzitje op een passagierszitplaats met een voorairbag vervoerd worden, tenzij de airbag is uitgeschakeld of automatisch op toereikende wijze wordt uitgeschakeld.

c) Wanneer een kinderbeveiligingssysteem wordt gebruikt, moet dat zijn goedgekeurd overeenkomstig de normen van Reglement 44/03 van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties of Richtlijn 77/541/EEG of een latere aanpassing daarvan.

d) Tot en met 9 mei 2008 mogen de lidstaten het gebruik van kinderbeveiligingssystemen toestaan die goedgekeurd zijn volgens de bij de ingebruikneming van het beveiligingssysteem in de lidstaat geldende nationale normen of volgens nationale normen die gelijkwaardig zijn met Reglement 44/03 van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties of Richtlijn 77/541/EEG.

2. Voertuigen van de categorieën M2 en M3

a) Bij voertuigen van de categorieën M2 en M3 die aan het wegverkeer deelnemen, schrijven de lidstaten voor dat alle inzittenden van drie jaar of ouder de veiligheidssystemen moeten gebruiken waarmee de voertuigen uitgerust zijn, wanneer zij zich op hun zitplaats bevinden.

De kinderbeveiligingssystemen worden goedgekeurd overeenkomstig lid 1, onder c) en d).

b) Aan de passagiers van voertuigen van de categorieën M2 en M3 wordt meegedeeld dat het verplicht is een veiligheidsgordel te dragen wanneer zij zich op hun zitplaats bevinden en het voertuig in beweging is. Dit wordt hun op één of meer van de volgende manieren meegedeeld:

- door de chauffeur,

- door de conducteur, de reisleider of een als groepsleider aangewezen persoon,

- met behulp van audiovisuele middelen (bijv. een videoband),

- door opschriften en/of het door de lidstaten overeenkomstig het in de bijlage vervatte communautaire model vastgestelde pictogram, duidelijk aangebracht op iedere zitplaats.";

4. artikel 4 wordt geschrapt;

5. artikel 6 wordt vervangen door:

"Artikel 6

De lidstaten kunnen voor het vervoer op hun grondgebied met instemming van de Commissie andere vrijstellingen verlenen dan die welke in artikel 5 worden genoemd, teneinde:

- rekening te houden met bijzondere fysieke gesteldheden of bijzondere omstandigheden van beperkte duur;

- een doeltreffende uitoefening van bepaalde beroepsactiviteiten mogelijk te maken;

- te garanderen dat politie, veiligheidsdiensten en hulpdiensten hun taken naar behoren kunnen vervullen;

- toe te staan dat, wanneer het na installatie van twee kinderbeveiligingssystemen achterin voertuigen van de categorieën M1 en N1 wegens plaatsgebrek onmogelijk is nog een derde systeem te installeren, een derde kind van drie jaar of ouder en met een lengte van minder dan 150 cm beveiligd wordt door een gordel voor volwassenen;

- toe te staan dat op andere zitplaatsen dan de voorstoelen van een voertuig van de categorieën M1 en N1, wanneer het gaat om incidenteel vervoer over korte afstand door een andere persoon dan de ouders en er in dat voertuig geen of een onvoldoende aantal kinderbeveiligingssystemen beschikbaar zijn, kinderen van drie jaar of ouder worden beveiligd door een veiligheidsgordel voor volwassenen;

- rekening te houden met de bijzondere gebruiksomstandigheden van voertuigen van de categorieën M2 en M3 voor plaatselijk vervoer in de stad of in stedelijk gebied of waarin staanplaatsen zijn toegestaan.";

6. de volgende artikelen worden toegevoegd:

"Artikel 6 bis

De lidstaten kunnen met instemming van de Commissie andere tijdelijke vrijstellingen verlenen dan die welke in de artikelen 5 en 6 worden genoemd, teneinde met inachtneming van de nationale regelgeving en met het oog op het verrichten van plaatselijk vervoer, met name het vervoer van en naar school, in voertuigen van de categorieën M2 en M3 een groter aantal kinderen zittend te kunnen vervoeren dan er zitplaatsen met veiligheidsgordels beschikbaar zijn.

De door de lidstaat vastgestelde geldigheidsduur van die vrijstellingen mag niet meer zijn dan vijf jaar vanaf 9 mei 2003.

Artikel 6 ter

De lidstaten kunnen voor het vervoer op hun grondgebied andere tijdelijke vrijstellingen verlenen dan die welke in de artikelen 5 en 6 worden genoemd, teneinde met inachtneming van de regelgeving van de betrokken lidstaat toe te staan dat er op andere zitplaatsen dan de voorstoelen van voertuigen van de categorieën M1 en N1 meer personen vervoerd worden dan er zitplaatsen zijn met veiligheidsgordels of beveiligingssystemen.

De door de lidstaat vastgestelde geldigheidsduur van die vrijstellingen mag niet meer zijn dan vijf jaar vanaf 9 mei 2003.";

7. de volgende artikelen worden toegevoegd:

"Artikel 7 bis

1. Teneinde rekening te houden met de vooruitgang van de techniek kunnen de artikelen 2 en 6 worden aangepast volgens de procedure van artikel 7 ter, lid 2.

2. De Commissie blijft studies uitvoeren naar de meest adequate beveiligingssystemen ter verbetering van de bescherming van alle inzittenden tegen alle mogelijke ongevallen en legt aan het Europees Parlement en de Raad een verslag voor over het resultaat van die studies, alsmede over de toepassing van deze richtlijn, met name over de door de lidstaten krachtens artikel 6 toegekende vrijstellingen, teneinde de wenselijkheid van een aanscherping van de veiligheidsmaatregelen en de noodzaak van sterkere harmonisering te beoordelen. In voorkomend geval dient de Commissie op basis van dat verslag passende voorstellen in.

Artikel 7 ter

1. De Commissie wordt bijgestaan door een comité.

2. Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 5 en 7 van Besluit 1999/468/EG(14) van toepassing, met inachtneming van artikel 8 van dat besluit.

De in artikel 5, lid 6, van Besluit 1999/468/EG genoemde termijn wordt vastgesteld op drie maanden.

3. Het comité stelt zijn reglement van orde vast.";

8. de bijlage bij deze richtlijn wordt toegevoegd.

Artikel 2

De lidstaten stellen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast om uiterlijk op 9 mei 2006 aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

Wanneer de lidstaten die bepalingen vaststellen, wordt in de bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor de verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

Artikel 3

Deze richtlijn treedt in werking op de dag van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 4

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Luxemburg, 8 april 2003.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

P. Cox

Voor de Raad

De voorzitter

G. Drys

(1) PB C 96 E van 27.3.2001, blz. 330.

(2) PB C 260 van 17.9.2001, blz. 30.

(3) Advies van het Europees Parlement van 31 mei 2002 (PB C 47 E van 21.2.2002, blz. 156), gemeenschappelijk standpunt van de Raad van 14 november 2002 (PB C 299 E van 3.12.2002, blz. 38) en besluit van het Europees Parlement van 11 maart 2003 (nog niet verschenen in het Publicatieblad).

(4) PB C 104 van 16.4.1984, blz. 38.

(5) PB C 68 van 24.3.1986, blz. 35.

(6) PB L 373 van 31.12.1991, blz. 26.

(7) PB L 346 van 17.12.1997, blz. 78.

(8) Richtlijn 96/36/EG van de Commissie van 17 juni 1996 tot aanpassing aan de stand van de techniek van Richtlijn 77/541/EEG van de Raad betreffende veiligheidsgordels en bevestigingssystemen in motorvoertuigen (PB L 178 van 17.7.1996, blz. 15).

(9) Richtlijn 96/37/EG van de Commissie van 17 juni 1996 houdende aanpassing aan de technische vooruitgang van Richtlijn 74/408/EEG van de Raad inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende de binneninrichting van motorvoertuigen (sterkte van de zitplaatsen en van hun bevestiging) (PB L 186 van 25.7.1996, blz. 28).

(10) Richtlijn 96/38/EG van de Commissie van 17 juni 1996 tot aanpassing aan de stand van de techniek van Richtlijn 76/115/EEG van de Raad betreffende bevestigingspunten voor veiligheidsgordels van motorvoertuigen (PB L 187 van 26.7.1996, blz. 95).

(11) PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.

(12) Richtlijn 70/156/EEG van de Raad van 6 februari 1970 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten betreffende de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan (PB L 42 van 23.2.1970, blz. 1). Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2001/116/EG van de Commissie (PB L 18 van 21.1.2002, blz. 1).

(13) Richtlijn 77/541/EEG van de Raad van 28 juni 1977 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake veiligheidsgordels en bevestigingssystemen in motorvoertuigen (PB L 220 van 29.8.1977, blz. 95). Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2000/3/EG van de Commissie (PB L 53 van 25.2.2000, blz. 1).

(14) PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.

BIJLAGE

"BIJLAGE

COMMUNAUTAIR MODEL VAN HET PICTOGRAM DAT DUIDELIJK WORDT AANGEBRACHT OP ELKE ZITPLAATS DIE VOORZIEN IS VAN EEN VEILIGHEIDSGORDEL IN VOERTUIGEN VAN DE CATEGORIEËN M2 EN M3 DIE ONDER RICHTLIJN 91/671/EEG VALLEN

(Kleur: witte figuur op blauwe achtergrond)

>PIC FILE= "L_2003115NL.006703.TIF">"

Top