Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32002R2371

Verordening (EG) nr. 2371/2002 van de Raad van 20 december 2002 inzake de instandhouding en de duurzame exploitatie van de visbestanden in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid

OJ L 358, 31.12.2002, p. 59–80 (ES, DA, DE, EL, EN, FR, IT, NL, PT, FI, SV)
Special edition in Czech: Chapter 04 Volume 005 P. 460 - 481
Special edition in Estonian: Chapter 04 Volume 005 P. 460 - 481
Special edition in Latvian: Chapter 04 Volume 005 P. 460 - 481
Special edition in Lithuanian: Chapter 04 Volume 005 P. 460 - 481
Special edition in Hungarian Chapter 04 Volume 005 P. 460 - 481
Special edition in Maltese: Chapter 04 Volume 005 P. 460 - 481
Special edition in Polish: Chapter 04 Volume 005 P. 460 - 481
Special edition in Slovak: Chapter 04 Volume 005 P. 460 - 481
Special edition in Slovene: Chapter 04 Volume 005 P. 460 - 481
Special edition in Bulgarian: Chapter 04 Volume 006 P. 237 - 258
Special edition in Romanian: Chapter 04 Volume 006 P. 237 - 258
Special edition in Croatian: Chapter 04 Volume 003 P. 38 - 59

No longer in force, Date of end of validity: 31/12/2013; opgeheven door 32013R1380

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2002/2371/oj

31.12.2002   

NL

Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen

L 358/59


VERORDENING (EG) Nr. 2371/2002 VAN DE RAAD

van 20 december 2002

inzake de instandhouding en de duurzame exploitatie van de visbestanden in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, inzonderheid op artikel 37,

Gezien het voorstel van de Commissie (1),

Gezien het advies van het Europees Parlement (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EEG) nr. 3760/92 (3) van de Raad is een communautaire regeling voor de visserij en de aquacultuur ingevoerd. Op grond van die verordening moet de Raad vóór 31 december 2002 een besluit nemen over eventuele noodzakelijke aanpassingen.

(2)

Het toepassingsgebied van het gemeenschappelijk visserijbeleid beslaat evenzeer de instandhouding, het beheer en de exploitatie van de levende aquatische hulpbronnen en de aquacultuur, als de verwerking en afzet van visserij- en aquacultuurproducten voorzover deze activiteiten worden uitgeoefend op het grondgebied van de lidstaten, in communautaire wateren, door communautaire vissersvaartuigen of door onderdanen van de lidstaten, indachtig de bepalingen van artikel 117 van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee, onverminderd de primaire verantwoordelijkheid van de vlaggenstaat.

(3)

Aangezien vele visbestanden verder achteruitgaan, moet het gemeenschappelijk visserijbeleid worden verbeterd om te zorgen voor de levensvatbaarheid op lange termijn van de visserijsector via een duurzame exploitatie van de levende aquatische hulpbronnen op basis van degelijke wetenschappelijke adviezen en de voorzorgsaanpak, die gebaseerd is op dezelfde overwegingen als het in artikel 174 van het Verdrag genoemde voorzorgsbeginsel.

(4)

Het gemeenschappelijk visserijbeleid moet daarom tot doel hebben voor een duurzame exploitatie van de levende aquatische hulpbronnen en van de aquacultuur in de context van duurzame ontwikkeling te zorgen, daarbij op evenwichtige wijze rekening houdend met de milieu-, economische en sociale aspecten.

(5)

Het is belangrijk dat het beheer van het gemeenschappelijk visserijbeleid wordt geleid door het beginsel van goed bestuur en dat de in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid genomen maatregelen onderling verenigbaar en coherent met de andere takken van communautair beleid zijn.

(6)

Een duurzame exploitatie zal doeltreffender worden bereikt met een meerjarenaanpak van het visserijbeheer waarbij met meerjarige beheersplannen voor de bestanden op of binnen biologisch veilige grenzen wordt gewerkt. Voor de bestanden die zich buiten biologisch veilige grenzen bevinden, is de vaststelling van meerjarige herstelplannen een absolute prioriteit. Voor deze bestanden kunnen in overeenstemming met wetenschappelijke adviezen belangrijke verlagingen van de visserij-inspanning nodig zijn.

(7)

In deze meerjarige plannen dienen streefniveaus voor een duurzame exploitatie van de betrokken bestanden, bevissingsregels inzake de wijze waarop jaarlijkse beperkingen van de vangsten en/of van de visserij-inspanning moeten worden berekend, en andere specifieke beheersmaatregelen te worden vastgesteld, daarbij tevens rekening houdend met het effect op andere soorten.

(8)

De inhoud van de meerjarige plannen zou moeten stroken met de staat van instandhouding van de bestanden, de urgentie van het herstel ervan en de kenmerken van deze bestanden en van de visserij daarop.

(9)

Een duurzame exploitatie van de bestanden waarvoor geen meerjarig plan is vastgesteld, dient te worden gegarandeerd door de vangsten en/of de visserij-inspanning te beperken.

(10)

Er dient te worden voorzien in de vaststelling van noodmaatregelen door de lidstaten of de Commissie in het geval dat onmiddellijke actie nodig is wegens een ernstige bedreiging voor de instandhouding van hulpbronnen, of voor het mariene ecosysteem als gevolg van visserijactiviteiten.

(11)

De lidstaten moeten binnen hun zone van 12 zeemijl voor alle vissersvaartuigen geldende instandhoudings- en beheersmaatregelen kunnen nemen met dien verstande dat, als die maatregelen van toepassing zijn voor vissersvaartuigen uit andere lidstaten, de genomen maatregelen geen discriminatie mogen inhouden en er voorafgaand overleg moet hebben plaatsgevonden, en tevens op voorwaarde dat geen specifiek op instandhouding en beheer binnen dat gebied gerichte maatregelen zijn vastgesteld door de Gemeenschap.

(12)

De communautaire vloot moet worden verkleind om deze in overeenstemming te brengen met de beschikbare hulpbronnen en er dienen specifieke maatregelen te worden genomen om dat doel te bereiken, met inbegrip van de vaststelling van referentieniveaus voor de vangstcapaciteit die niet mogen worden overschreden, een speciale communautaire voorziening ter bevordering van de sloop van vissersvaartuigen en nationale regelingen voor toevoeging/onttrekking aan de vloot.

(13)

Elke lidstaat dient een nationaal register van vissersvaartuigen bij te houden dat ter beschikking van de Commissie moet worden gesteld voor het uitoefenen van toezicht op de omvang van de vloten van de lidstaten.

(14)

De geldende regels die de toegang tot de hulpbronnen binnen de zones van 12 zeemijl van de lidstaten beperken, hebben op bevredigende wijze gefunctioneerd en de instandhouding in de hand gewerkt door beperking van de visserij-inspanning in het gevoeligste deel van de communautaire wateren en instandhouding van de traditionele visserijactiviteiten waarvan de sociale en economische ontwikkeling van bepaalde kustgemeenschappen sterk afhankelijk is. Ze dienen derhalve verder te worden toegepast tot en met 31 december 2012.

(15)

Hoewel de andere in de communautaire regelgeving opgenomen beperkingen van de toegang vooralsnog dienen te worden gehandhaafd, moeten zij opnieuw worden bezien om te beoordelen of zij noodzakelijk zijn als garantie voor een duurzame visserij.

(16)

Gezien de onzekere economische situatie in de visserijsector en de mate waarin sommige kustgemeenschappen van de visserij afhankelijk zijn, is het noodzakelijk een relatieve stabiliteit van de visserijactiviteiten te garanderen door de vangstmogelijkheden over de lidstaten te verdelen op basis van een voorspelbaar aandeel in de bestanden voor elke lidstaat.

(17)

In het kader van deze stabiliteit moet, gelet op de tijdelijke biologische situatie van de visbestanden, rekening worden gehouden met de bijzondere behoeften van de regio's waar de plaatselijke bevolking zeer sterk is aangewezen op de visserij en aanverwante activiteiten zoals die door de Raad zijn aangegeven in zijn resolutie van 3 november 1976 (4) inzake bepaalde externe aspecten van het instellen in de Gemeenschap, met ingang van 1 januari 1977, van een visserijzone van 200 mijl, en meer in het bijzonder in bijlage VII daarvan.

(18)

De nagestreefde relatieve stabiliteit moet derhalve in deze zin worden begrepen.

(19)

Met het oog op een doeltreffende tenuitvoerlegging van het gemeenschappelijk visserijbeleid dient het communautaire controle- en handhavingssysteem voor de visserij te worden versterkt en moet de verdeling van de verantwoordelijkheden over de autoriteiten van de lidstaten en de Commissie nader worden verduidelijkt. Daartoe dienen in deze verordening de belangrijkste bepalingen te worden opgenomen die gelden voor de controle, inspectie en handhaving inzake de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid, van welke bepalingen reeds een gedeelte is vastgesteld bij Verordening (EEG) nr. 2847/93 van de Raad van 12 oktober 1993 tot invoering van een controleregeling voor het gemeenschappelijk visserijbeleid (5). Deze laatste verordening moet van kracht blijven totdat alle nodige uitvoeringsbepalingen zijn aangenomen.

(20)

De bepalingen inzake controle, inspectie en rechtshandhaving betreffen enerzijds de verplichtingen die gelden voor de kapiteins van vissersvaartuigen en voor de marktdeelnemers in de afzetketen, en bevatten anderzijds een nadere omschrijving van de onderscheiden verantwoordelijkheden van de lidstaten en de Commissie.

(21)

De Gemeenschap moet vangstmogelijkheden kunnen verlagen wanneer een lidstaat de hem toegekende vangstmogelijkheden heeft overschreden. Indien vast komt te staan dat een andere lidstaat schade heeft geleden doordat een lidstaat zijn vangstmogelijkheden heeft overschreden, dient de verlaging geheel of gedeeltelijk aan die lidstaat te worden toegewezen.

(22)

De lidstaten moeten ertoe worden verplicht om onverwijld maatregelen te nemen ter voorkoming van voortduren van ernstige inbreuken zoals omschreven in Verordening (EG) nr. 1447/1999 van de Raad van 24 juni 1999 tot vaststelling van een lijst van gedragingen die een ernstige inbreuk vormen op de voorschriften van het gemeenschappelijk visserijbeleid (6).

(23)

De Commissie moet onmiddellijke preventieve maatregelen kunnen nemen indien er aanwijzingen zijn dat de visserijactiviteiten een ernstige bedreiging zouden kunnen vormen voor de instandhouding van de levende aquatische hulpbronnen.

(24)

De Commissie dienen passende bevoegdheden te worden verleend opdat zij kan voldoen aan haar verplichting de tenuitvoerlegging van het gemeenschappelijk visserijbeleid door de lidstaten te controleren en te evalueren.

(25)

Om te bereiken dat de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid worden nageleefd, moeten de samenwerking en coördinatie tussen alle betrokken autoriteiten worden geïntensiveerd, in het bijzonder door nationale inspecteurs te laten uitwisselen en door te bepalen dat de lidstaten inspectieverslagen die door communautaire inspecteurs, inspecteurs van een andere lidstaat of inspecteurs van de Commissie zijn opgesteld, voor de vaststelling van de feiten op dezelfde voet moeten behandelen als hun eigen inspectieverslagen.

(26)

De voor de uitvoering van deze verordening nodige maatregelen dienen te worden vastgesteld overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende bevoegdheden (7).

(27)

Om tot het bereiken van de doelstellingen van het gemeenschappelijk visserijbeleid bij te dragen dienen regionale adviesraden te worden opgericht zodat bij het gemeenschappelijk visserijbeleid van de kennis en ervaring van de betrokken vissers en van andere belanghebbenden kan worden geprofiteerd en rekening kan worden gehouden met de uiteenlopende omstandigheden die zich in de communautaire wateren voordoen.

(28)

Om te garanderen dat bij het gemeenschappelijk visserijbeleid van de beste wetenschappelijke, technische en economische adviezen wordt geprofiteerd, dient te worden bepaald dat de Commissie door een passend comité wordt bijgestaan.

(29)

Het is voor het bereiken van het fundamentele doel van de duurzame exploitatie van de levende aquatische hulpbronnen noodzakelijk en passend regels inzake de instandhouding en de exploitatie van die hulpbronnen vast te stellen. Overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om die doelstelling te verwezenlijken.

(30)

Gezien het aantal aan te brengen wijzigingen en het belang ervan, dient Verordening (EEG) nr. 3760/92 van de Raad te worden ingetrokken. Verordening (EEG) nr. 101/76 van de Raad van 19 januari 1976 houdende de totstandbrenging van een gemeenschappelijk structuurbeleid in de visserijsector (8) dient, omdat alle wezenlijke bepalingen ervan kunnen worden geschrapt, eveneens te worden ingetrokken,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK 1

TOEPASSINGSGEBIED EN DOELSTELLINGEN

Artikel 1

Toepassingsgebied

1.   Het gemeenschappelijk visserijbeleid heeft betrekking op de instandhouding, het beheer en exploitatie van levende aquatische hulpbronnen en de aquacultuur en op de verwerking en afzet van visserij- en aquacultuurproducten voorzover deze activiteiten worden uitgeoefend op het grondgebied van de lidstaten of in de communautaire wateren of door communautaire vissersvaartuigen of door onderdanen van de lidstaten, onverminderd de primaire verantwoordelijkheid van de vlaggenstaat.

2.   Het gemeenschappelijk visserijbeleid voorziet in coherente maatregelen met betrekking tot:

a)

de instandhouding, het beheer en de exploitatie van de levende aquatische hulpbronnen;

b)

de beperking van het milieueffect van de visserij;

c)

de voorwaarden voor toegang tot de wateren en hulpbronnen;

d)

het structuurbeleid en het beheer van de vlootcapaciteit;

e)

controle en handhaving;

f)

aquacultuur;

g)

de gemeenschappelijke ordening der markten; en

h)

de internationale betrekkingen.

Artikel 2

Doelstellingen

1.   Het gemeenschappelijk visserijbeleid garandeert een exploitatie van de levende aquatische hulpbronnen die voor duurzame omstandigheden op economisch, ecologisch en sociaal gebied zorgt.

Hiertoe volgt de Gemeenschap de voorzorgsaanpak bij het nemen van maatregelen die erop zijn gericht de levende aquatische hulpbronnen te beschermen en in stand te houden, voor een duurzame exploitatie van die hulpbronnen te zorgen en het effect van visserijactiviteiten op de mariene ecosystemen zo gering mogelijk te houden. Zij streeft naar een geleidelijke tenuitvoerlegging van een op het ecosysteem gebaseerde aanpak van het visserijbeheer. Zij streeft ernaar bij te dragen tot doelmatige visserijactiviteiten binnen een economisch levensvatbare en concurrerende visserij- en aquacultuursector, daarbij zorgend voor een redelijke levensstandaard voor degenen die van visserijactiviteiten afhankelijk zijn, en rekening houdend met de belangen van de consumenten.

2.   Het gemeenschappelijk visserijbeleid wordt geleid door de volgende beginselen van goed bestuur:

a)

duidelijke omschrijving van de verantwoordelijkheden op de communautaire, nationale en plaatselijke niveaus;

b)

een besluitvormingsproces dat op degelijke wetenschappelijke adviezen is gebaseerd en tijdig resultaten oplevert;

c)

een brede betrokkenheid van de belanghebbenden bij alle stadia van het beleid van concipiëring tot tenuitvoerlegging;

d)

consistentie met ander communautair beleid, en in het bijzonder het milieubeleid, het sociale beleid, het regionale beleid, het ontwikkelingsbeleid, het gezondheidsbeleid en het beleid inzake consumentenbescherming.

Artikel 3

Begripsomschrijvingen

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

a)

„communautaire wateren”: de wateren onder de soevereiniteit of jurisdictie van de lidstaten, met uitzondering van wateren die grenzen aan de in bijlage II van het Verdrag genoemde gebieden;

b)

„levende aquatische hulpbronnen”: beschikbare en toegankelijke levende mariene aquatische soorten, met inbegrip van anadrome en katadrome soorten tijdens hun mariene levensduur;

c)

„vissersvaartuig”: elk vaartuig dat is uitgerust voor commerciële exploitatie van levende aquatische hulpbronnen;

d)

„communautair vissersvaartuig”: een vissersvaartuig dat de vlag van een lidstaat voert en in de Gemeenschap is geregistreerd;

e)

„duurzame exploitatie”: de exploitatie van een bestand op een zodanige wijze dat de toekomstige exploitatie van het bestand niet in gevaar wordt gebracht, en dat die exploitatie geen negatieve gevolgen heeft voor de mariene ecosystemen;

f)

„visserijsterfte”: de vangsten van een bestand over een bepaalde periode in verhouding tot het gemiddelde bestand dat in die periode voor de visserij beschikbaar is;

g)

„bestand”: een levende aquatische hulpbron die in een bepaald beheersgebied voorkomt;

h)

„visserij-inspanning”: het product van de capaciteit en de activiteit van een vissersvaartuig; voor een groep vaartuigen is dit de som van de visserij-inspanningen van alle vaartuigen in de groep;

i)

„voorzorgsaanpak van het visserijbeheer”: het ontbreken van adequate wetenschappelijke informatie mag niet worden gebruikt als een motief voor het uitstellen of achterwege laten van beheersmaatregelen voor de instandhouding van de doelsoorten, de geassocieerde of afhankelijke soorten en de niet-doelsoorten en hun milieu;

j)

„grensreferentiepunten”: waarden van parameters voor de visbestanden (zoals biomassa of vissterfte) die niet bereikt mogen worden omdat ze verband houden met onbekende populatiedynamiek, bestandinstorting of verminderde populatietoename;

k)

„instandhoudingsreferentiepunten”: waarden van parameters voor de visbestanden (zoals biomassa of vissterfte) die in het visserijbeheer worden gebruikt, bijvoorbeeld voor het bepalen van een aanvaardbaar niveau van biologisch risico of een wenselijk opbrengstniveau;

l)

„biologisch veilige grenzen”: indicatoren voor de toestand van een bestand of de exploitatie daarvan waarbinnen het risico op onder- of overschrijding van bepaalde grensreferentiepunten gering is;

m)

„vangstbeperking”: een kwantitatieve beperking van de hoeveelheden van een bestand of groep bestanden die in een bepaalde periode worden aangeland, tenzij in het Gemeenschapsrecht anders is bepaald;

n)

„vangstcapaciteit”: de tonnage van een vaartuig in GT en het vermogen ervan in kW zoals gedefinieerd in artikelen 4 en 5 van Verordening (EEG) nr. 2930/86 van de Raad (9). Voor sommige typen van visserijactiviteit kan de capaciteit door de Raad worden vastgesteld aan de hand van bijvoorbeeld de hoeveelheid en/of de grootte van het vistuig van een vaartuig;

o)

„onttrekking aan de vloot”: de schrapping van een vissersvaartuig uit het vissersvlootregister van een lidstaat, mits aan artikel 15, lid 1, is voldaan;

p)

„toevoeging aan de vloot”: de registratie van een vissersvaartuig in het vissersvlootregister van een lidstaat;

q)

„vangstmogelijkheid”: een gekwantificeerd legaal recht om te vissen, in termen van vangsten en/of visserij-inspanning;

r)

„communautaire vangstmogelijkheid”: de vangstmogelijkheden die voor de Gemeenschap beschikbaar zijn in de communautaire wateren, vermeerderd met de totale communautaire vangstmogelijkheden buiten de communautaire wateren en verminderd met de aan derde landen toegewezen communautaire vangstmogelijkheden.

HOOFDSTUK II

INSTANDHOUDING EN DUURZAAMHEID

Artikel 4

Soorten maatregelen

1.   Voor het bereiken van de in artikel 2, lid 1, genoemde doelstellingen stelt de Raad communautaire maatregelen vast waarbij de toegang tot wateren en hulpbronnen en de duurzame uitoefening van visserijactiviteiten worden geregeld.

2.   De in lid 1 bedoelde maatregelen worden vastgesteld met inachtneming van de beschikbare wetenschappelijke, technische en economische adviezen, en in het bijzonder de verslagen die worden opgesteld door het overeenkomstig artikel 33, lid 1, opgerichte Wetenschappelijk, Economisch en Technisch Comité voor de Visserij (WTECV), alsmede in het licht van eventuele adviezen die zijn ontvangen van de in artikel 31 bedoelde regionale adviesraden. Met name kunnen voor elk bestand of voor groepen bestanden maatregelen worden genomen die erop zijn gericht de visserijsterfte en het milieueffect van visserijactiviteiten te beperken door:

a)

overeenkomstig artikel 5 herstelplannen vast te stellen;

b)

overeenkomstig artikel 6 beheersplannen vast te stellen;

c)

streefniveaus voor de duurzame exploitatie van bestanden te bepalen;

d)

de vangsten te beperken;

e)

aantal en type vast te stellen van de vissersvaartuigen die zijn gemachtigd om te vissen;

f)

de visserij-inspanning te beperken;

g)

technische maatregelen vast te stellen, waaronder

i)

maatregelen inzake de structuur van vistuig, het aantal en de grootte van het vistuig aan boord, de methoden voor het gebruik daarvan en de samenstelling van de vangsten die bij het vissen met dergelijk vistuig aan boord mogen worden gehouden,

ii)

zones en/of perioden waarin visserijactiviteiten worden verboden of beperkt, mede ter bescherming van paai- en kinderkamergebieden,

iii)

een minimummaat voor de individuele dieren die aan boord mogen worden gehouden en/of mogen worden aangeland,

iv)

specifieke maatregelen om de gevolgen van visserijactiviteiten voor mariene ecosystemen en niet-doelsoorten te beperken;

h)

stimulansen, met inbegrip van economische stimulansen, vast te stellen om een selectievere visserij of een visserij met minder nadelige consequenties te bevorderen;

i)

proefprojecten met alternatieve soorten visserijbeheerstechnieken uit te voeren.

Artikel 5

Herstelplannen

1.   De Raad stelt bij voorrang herstelplannen vast voor de bevissing van bestanden die zich buiten biologisch veilige grenzen bevinden

2.   De herstelplannen zijn erop gericht het herstel van bestanden tot binnen biologisch veilige grenzen te bewerkstelligen.

Ze bevatten onder meer de instandhoudingsreferentiepunten, zoals streefniveaus waaraan wordt getoetst of bestanden zich zo hebben hersteld dat zij zich weer binnen biologisch veilige grenzen bevinden.

De streefniveaus worden uitgedrukt in:

a)

populatiegrootte en/of

b)

opbrengsten op lange termijn en/of

c)

visserijsterfte en/of

d)

stabiliteit van de vangsten.

De herstelplannen kunnen streefniveaus met betrekking tot andere levende aquatische hulpbronnen en de handhaving of verbetering van de staat van instandhouding van mariene ecosystemen bevatten.

Indien er meer dan één streefniveau wordt vastgesteld, vermelden de herstelplannen de volgorde van prioriteit van deze streefniveaus.

3.   De herstelplannen worden opgesteld op basis van de voorzorgsaanpak van het visserijbeheer en houden rekening met de grensreferentiepunten die door bevoegde wetenschappelijke instanties worden aanbevolen. Zij moeten waarborgen dat de bestanden duurzaam worden geëxploiteerd en dat de gevolgen van de visserijactiviteiten voor mariene ecosystemen op duurzame niveaus worden gehouden.

Ze kunnen betrekking hebben op zowel de bevissing van afzonderlijke bestanden als de exploitatie van meerdere bestanden door elkaar, en houden naar behoren rekening met interacties tussen bestanden en bevissing.

De herstelplannen omspannen meerdere jaren en vermelden het verwachte tijdsbestek waarbinnen de vastgestelde streefniveaus bereikt worden.

4.   De herstelplannen kunnen elke in artikel 4, lid 2, onder c) tot en met h), bedoelde maatregel omvatten, alsmede bevissingsregels die bestaan uit een vooraf vastgesteld samenstel van biologische parameters voor het bepalen van vangstbeperkingen.

De herstelplannen omvatten beperkingen van de visserij-inspanning, tenzij dat niet nodig is om het doel van het plan te verwezenlijken. De maatregelen die deel uitmaken van de herstelplannen moeten evenredig zijn met de doelstellingen, de streefniveaus en het verwachte tijdsbestek, en worden vastgesteld door de Raad met inachtneming van:

a)

de staat van instandhouding van het bestand of de bestanden;

b)

de biologische kenmerken van het bestand of de bestanden;

c)

de kenmerken van de visserij op de betrokken bestanden;

d)

de economische gevolgen van de maatregelen voor de betrokken visserij.

5.   De Commissie brengt verslag uit over de doeltreffendheid van de herstelplannen bij het bereiken van de streefniveaus.

Artikel 6

Beheersplannen

1.   De Raad stelt, voorzover nodig voor de instandhouding van de bestanden binnen biologisch veilige grenzen, beheersplannen vast voor de exploitatie van de bestanden op of binnen biologisch veilige grenzen.

2.   De beheersplannen omvatten instandhoudingsreferentiepunten zoals streefniveaus waaraan wordt getoetst of de bestanden zich binnen deze grenzen hebben gehandhaafd. Artikel 5, lid 2, punten a) tot en met d), is van toepassing.

De beheersplannen kunnen streefniveaus met betrekking tot andere levende aquatische hulpbronnen en de handhaving of verbetering van de staat van instandhouding van mariene ecosystemen bevatten.

Indien er meer dan één streefniveau wordt vastgesteld, vermelden de beheersplannen de volgorde van prioriteit van deze streefniveaus.

3.   De beheersplannen worden opgesteld op basis van de voorzorgsaanpak van het visserijbeheer en houden rekening met de grensreferentiepunten die door bevoegde wetenschappelijke instanties worden aanbevolen. Zij moeten waarborgen dat de bestanden duurzaam worden geëxploiteerd en dat de gevolgen van de visserijactiviteiten voor mariene ecosystemen op duurzame niveaus worden gehouden.

Ze kunnen betrekking hebben op zowel de bevissing van afzonderlijke bestanden als de exploitatie van meerdere bestanden door elkaar, en houden naar behoren rekening met interacties tussen bestanden en bevissing.

De beheersplannen omspannen meerdere jaren en vermelden het verwachte tijdsbestek waarbinnen de vastgestelde streefniveaus bereikt worden.

4.   De beheersplannen kunnen elke in artikel 4, lid 2, onder d) tot en met i), bedoelde maatregel omvatten, alsmede bevissingsregels die bestaan uit een vooraf vastgesteld samenstel van biologische parameters voor het bepalen van vangstbeperkingen.

De maatregelen die deel uitmaken van de beheersplannen moeten evenredig zijn met de doelstellingen, de streefniveaus en het verwachte tijdsbestek, en worden vastgesteld door de Raad met inachtneming van:

a)

de staat van instandhouding van het bestand of de bestanden;

b)

de biologische kenmerken van het bestand of de bestanden;

c)

de kenmerken van de visserij op de betrokken bestanden;

d)

de economische gevolgen van de maatregelen voor de betrokken visserij.

5.   De Commissie brengt verslag uit over de doeltreffendheid van de beheersplannen bij het bereiken van de streefniveaus.

Artikel 7

Noodmaatregelen van de Commissie

1.   Indien er bewijs is van een, onmiddellijke actie vereisende, ernstige bedreiging voor de instandhouding van levende aquatische hulpbronnen of voor het mariene ecosysteem als gevolg van visserijactiviteiten, kan de Commissie, op gemotiveerd verzoek van een lidstaat of op eigen initiatief, beslissen over noodmaatregelen waarvan de geldigheidsduur ten hoogste zes maanden bedraagt. De Commissie kan een nieuw besluit nemen om de maatregelen met ten hoogste zes maanden te verlengen.

2.   De lidstaat deelt het verzoek terzelfder tijd mee aan de Commissie, de overige lidstaten en de betrokken regionale adviesraden. Deze kunnen hun schriftelijke opmerkingen bij de Commissie indienen binnen vijf werkdagen nadat zij het verzoek hebben ontvangen.

De Commissie neemt een besluit binnen 15 werkdagen nadat zij het in lid 1 bedoelde verzoek heeft ontvangen.

3.   De noodmaatregelen worden onmiddellijk van kracht. Er wordt kennis van gegeven aan de betrokken lidstaten en zij worden bekendgemaakt in het Publicatieblad.

4.   De betrokken lidstaten kunnen het besluit van de Commissie binnen 10 werkdagen nadat zij de kennisgeving hebben ontvangen, voorleggen aan de Raad.

5.   De Raad kan binnen één maand na de datum van ontvangst van het schrijven waarbij een besluit aan hem is voorgelegd, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen een andersluidend besluit nemen.

Artikel 8

Noodmaatregelen van een lidstaat

1.   Indien er bewijs is van een ernstige en onvoorziene bedreiging voor de instandhouding van levende aquatische hulpbronnen of voor het mariene ecosysteem als gevolg van visserijactiviteiten, die zich voordoet in wateren onder de soevereiniteit of jurisdictie van een lidstaat, waarbij elk te langdurig uitstel zou leiden tot schade die moeilijk te herstellen zou zijn, kan die lidstaat noodmaatregelen nemen waarvan de geldigheidsduur ten hoogste drie maanden bedraagt.

2.   Lidstaten die voornemens zijn noodmaatregelen te nemen, geven de Commissie, de overige lidstaten en de betrokken regionale adviesraden door toezending van een ontwerp van die maatregelen, vergezeld van een toelichting, kennis van hun voornemen alvorens die maatregelen vast te stellen.

3.   De lidstaten en de betrokken regionale adviesraden kunnen hun schriftelijke opmerkingen bij de Commissie indienen binnen vijf werkdagen na de datum van kennisgeving. Binnen 15 werkdagen na de datum van kennisgeving wordt de maatregel door de Commissie bevestigd, ingetrokken of gewijzigd.

4.   Van het besluit van de Commissie wordt kennis gegeven aan de betrokken lidstaten. Het besluit wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.

5.   De betrokken lidstaten kunnen het besluit van de Commissie binnen 10 werkdagen na de kennisgeving ervan voorleggen aan de Raad.

6.   De Raad kan binnen één maand na de datum van ontvangst van het schrijven waarbij een besluit aan hem is voorgelegd, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen een andersluidend besluit nemen.

Artikel 9

Maatregelen van een lidstaat binnen de zone van 12 zeemijl

1.   Een lidstaat kan niet-discriminerende maatregelen voor de instandhouding en het beheer van visbestanden en om het effect van visserij op de instandhouding van mariene ecosystemen tot een minimum te beperken nemen binnen de zone van 12 zeemijl gerekend vanaf zijn basislijnen, op voorwaarde dat er specifiek voor die zone geen instandhoudings- en beheersmaatregelen zijn vastgesteld door de Gemeenschap. De maatregelen van de lidstaat zijn verenigbaar met de in artikel 2 omschreven doelstellingen en mogen niet minder strikt zijn dan de bestaande communautaire regelgeving.

Indien door een lidstaat te nemen maatregelen mogelijk gevolgen hebben voor de vaartuigen van een andere lidstaat, worden dergelijke maatregelen pas genomen nadat met de Commissie, de betrokken lidstaat en de betrokken regionale adviesraden overleg is gepleegd over een ontwerp van de maatregelen, vergezeld van een toelichting.

2.   Voor maatregelen die van toepassing zijn voor vissersvaartuigen uit andere lidstaten, gelden de bij artikel 8, leden 3 tot en met 6, vastgestelde procedures.

Artikel 10

Maatregelen van de lidstaten die uitsluitend van toepassing zijn op vissersvaartuigen die hun vlag voeren

De lidstaten kunnen alleen maatregelen voor de instandhouding en het beheer van bestanden in wateren onder hun soevereiniteit of jurisdictie nemen, indien:

a)

ze uitsluitend van toepassing zijn op vissersvaartuigen die de vlag van de betrokken lidstaat voeren en in de Gemeenschap zijn geregistreerd, of, in geval van visserijactiviteiten die niet door een vissersvaartuig worden verricht, op personen die in de betrokken lidstaten zijn gevestigd; en

b)

ze stroken met de in artikel 2, lid 1, genoemde doelstellingen, en niet minder strikt zijn dan de bestaande communautaire regelgeving.

HOOFDSTUK III

AANPASSING VAN DE VANGSTCAPACITEIT

Artikel 11

Aanpassing van de vangstcapaciteit

1.   De lidstaten nemen maatregelen ter aanpassing van de vangstcapaciteit van hun vloten met het doel een stabiel en permanent evenwicht tussen die vangstcapaciteit en hun vangstmogelijkheden te bewerkstelligen.

2.   De lidstaten dragen er zorg voor dat de in artikel 12 en lid 4 van dit artikel bedoelde referentieniveaus, uitgedrukt in GT en kW, voor de vangstcapaciteit niet worden overschreden.

3.   Er mag geen vaartuig met overheidssteun aan de vloot worden onttrokken tenzij de visvergunning zoals gedefinieerd in Verordening (EG) nr. 3690/93 van de Raad (10) en, in voorkomend geval, de machtigingen tot vissenzoals gedefinieerd in de desbetreffende verordeningen van tevoren zijn ingetrokken. De capaciteit die overeenkomt met de vergunning en, zo nodig, met de machtigingen tot vissen voor de betrokken takken van visserij, kan niet worden vervangen.

4.   Indien overheidssteun wordt verleend voor intrekkingen van vangstcapaciteit die verdergaan dan de capaciteitsverlaging die nodig is om de in artikel 12, lid 1, bedoelde referentieniveaus in acht te nemen, wordt de ingetrokken hoeveelheid capaciteit automatisch van de referentieniveaus afgetrokken. De aldus verkregen referentieniveaus worden de nieuwe referentieniveaus.

5.   De tonnage van vissersvaartuigen van 5 jaar en ouder mag toenemen door modernisering in verband met het hoofddek ter verbetering van de veiligheid aan boord, arbeidsomstandigheden, hygiëne en productkwaliteit, op voorwaarde dat de vangstcapaciteit van het vaartuig daardoor niet toeneemt. De overeenkomstig dit artikel en artikel 12 vastgestelde referentieniveaus worden daaraan aangepast. Met de corresponderende capaciteit hoeft geen rekening gehouden te worden als de lidstaten overeenkomstig artikel 13 de balans van de toevoeging/onttrekking opmaken.

De nadere bepalingen en voorwaarden voor dergelijke maatregelen kunnen volgens de procedure van artikel 30, lid 2, worden vastgesteld.

Artikel 12

Referentieniveaus voor de vissersvloten

1.   De Commissie stelt volgens de in artikel 30, lid 2, bedoelde procedure voor elke lidstaat referentieniveaus, uitgedrukt in GT en kW, vast voor de totale vangstcapaciteit van de communautaire vissersvaartuigen die de vlag van die lidstaat voeren.

De referentieniveaus zijn gelijk aan de som van de doelstellingen van het meerjarig oriëntatieprogramma 1997-2002 voor elk segment zoals voor 31 december 2002 vastgesteld overeenkomstig Beschikking 97/413/EG van de Raad (11).

2.   De uitvoeringsregels voor dit artikel kunnen worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 30, lid 2.

Artikel 13

Regeling voor toevoeging/onttrekking aan de vloot en totale capaciteitsvermindering

1.   De lidstaten beheren de toevoegingen aan de vloot en de onttrekkingen aan de vloot op zodanige wijze dat met ingang van 1 januari 2003

a)

de toevoegingen van nieuwe capaciteit aan de vloot zonder overheidssteun voordien gecompenseerd worden door onttrekkingen zonder overheidssteun die ten minste gelijk zijn aan de omvang van de nieuwe capaciteit;

b)

de toevoegingen van nieuwe capaciteit aan de vloot met na 1 januari 2003 verleende overheidssteun voordien gecompenseerd worden door onttrekkingen zonder overheidssteun die:

i)

ten minste gelijk zijn aan de omvang van de nieuwe capaciteit, voor de toevoeging van nieuwe vaartuigen van hoogstens 100 GT, dan wel

ii)

ten minste 1,35 maal de omvang van die nieuwe capaciteit bedragen, voor de toevoeging van nieuwe vaartuigen van meer dan 100 GT.

2.   Van 1 januari 2003 tot en met 31 december 2004 zal elke lidstaat die nieuwe overheidssteunverplichtingen aangaat voor vlootvernieuwing na 31 december 2002 een vermindering van de totale capaciteit van zijn vloot bewerkstelligen van 3 % voor de hele periode in vergelijking met de in artikel 12 bedoelde referentieniveaus.

3.   Er kunnen uitvoeringsregels voor dit artikel worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 30, lid 2.

Artikel 14

Uitwisseling van informatie

1.   Ieder jaar leggen de Commissie en de lidstaten een overzicht voor van de resultaten van het streven van de lidstaten naar een duurzaam evenwicht tussen visserijcapaciteit en vangstmogelijkheden. Dit overzicht wordt gebaseerd op een jaarverslag van iedere lidstaat dat uiterlijk op 30 april van het volgende jaar aan de Commissie moet worden toegezonden.

Het overzicht van de Commissie, met daaraan gehecht de verslagen van de lidstaten, wordt voor het eind van ieder jaar toegezonden aan het Europees Parlement en de Raad, tezamen met de adviezen van het WTECV en het bij artikel 30, lid 1, ingestelde Comité voor de visserij en de aquacultuur.

2.   Nadere regels voor deze uitwisselingen worden vastgesteld volgens de in artikel 30, lid 2, bedoelde procedure.

Artikel 15

Vissersvlootregisters

1.   Elke lidstaat houdt een register bij van de communautaire vissersvaartuigen die zijn vlag voeren, dat de minimuminformatie over de kenmerken en activiteit van de vaartuigen bevat die nodig is voor het beheer van de op communautair niveau vastgestelde maatregelen.

2.   Elke lidstaat stelt de in lid 1 bedoelde informatie ter beschikking van de Commissie.

3.   De Commissie zet een communautair gegevensbestand over de vissersvloot op dat de informatie bevat die zij overeenkomstig lid 2 ontvangt, en stelt dit gegevensbestand ter beschikking van de lidstaten. Het moet voldoen aan de communautaire voorschriften voor de bescherming van persoonsgegevens.

4.   De in lid 1 bedoelde informatie en de procedures voor de in de leden 2 en 3 bedoelde mededeling ervan kunnen worden vastgesteld volgens de in artikel 30, lid 2, bedoelde procedure.

Artikel 16

Voorwaarden voor communautaire financiële bijstand en beperking van de visserij-inspanning

1.   Financiële bijstand uit hoofde van Verordening (EG) nr. 2792/1999 van de Raad van 17 december 1999 tot vaststelling van de uitvoeringsbepalingen en voorwaarden voor de structurele acties van de Gemeenschap in de visserijsector (12) kan, met uitzondering van de premie voor het slopen van vissersvaartuigen, alleen worden toegekend wanneer een lidstaat het bepaalde in de artikelen 11, 13 en 15 van die verordening naleeft en de volgens Verordening (EG) nr. 2792/1999 van de Raad en Verordening (EG) nr. 366/2001 van de Commissie (13) vereiste informatie heeft verstrekt.

In dit verband kan de Commissie, na de betrokken lidstaat de gelegenheid te hebben geboden gehoord te worden, en voor zover zulks in verhouding staat tot de mate van niet-naleving, de communautaire financiële bijstand voor de betrokken lidstaat, in het kader van Verordening (EG) nr. 2792/1999 van de Raad schorsen.

2.   Indien op basis van de beschikbare informatie de Commissie van mening is dat de vlootcapaciteit van een lidstaat de bij de artikelen 11, 13 en 15 voorgeschreven capaciteit overschrijdt, deelt zij dat mee aan de betrokken lidstaat. Deze lidstaat beperkt zijn visserij-inspanning onmiddellijk tot het niveau dat bij naleving van de artikelen 11, 13 en 15 zou zijn bereikt, onverminderd de uit deze artikelen voortvloeiende verplichtingen. De betrokken lidstaat deelt zijn vlootreductieplan ter controle mee aan de Commissie, overeenkomstig de procedure van artikel 30, lid 2, ongeacht of de verlaging gelijkwaardig is aan de capaciteitsoverschrijding.

HOOFDSTUK IV

REGELS INZAKE DE TOEGANG TOT WATEREN EN HULPBRONNEN

Artikel 17

Algemene regels

1.   Behoudens de in het kader van hoofdstuk II vastgestelde maatregelen hebben communautaire vissersvaartuigen gelijke toegang tot de wateren en bestanden in alle andere communautaire wateren dan die welke in lid 2 worden bedoeld.

2.   In de wateren onder hun soevereiniteit of jurisdictie tot 12 zeemijl vanaf de basislijnen worden de lidstaten vanaf 1 januari 2003 tot en met 31 december 2012 gemachtigd de visserij te beperken tot de vissersvaartuigen die van oudsher in die wateren vissen vanuit havens aan de aangrenzende kust, onverminderd de regelingen die in het kader van bestaande nabuurschapsbetrekkingen tussen lidstaten bestaan voor communautaire vissersvaartuigen die de vlag van andere lidstaten voeren, en onverminderd de regelingen die zijn opgenomen in bijlage I, waarin voor elke lidstaat de geografische zones van de kustwateren van de andere lidstaten zijn vastgesteld waar visserijactiviteiten mogen plaatsvinden, evenals de soorten waarop deze activiteiten betrekking mogen hebben.

De Commissie legt het Europees Parlement en de Raad voor 31 december 2011 een verslag voor over de in dit lid bedoelde regelingen. De Raad besluit voor 31 december 2012 over de bepalingen die naar aanleiding van de bovengenoemde regelingen zullen worden vastgesteld.

Artikel 18

Shetland Box

1.   Voor soorten die in het in bijlage II gedefinieerde gebied van bijzonder belang zijn en die gezien de kenmerken van de exploitatie van deze soorten, biologisch gevoelig zijn, worden de visserijactiviteiten van communautaire vaartuigen met een lengte tussen de loodlijnen van ten minste 26 meter ten aanzien van andere demersale soorten dan kever en blauwe wijting onderworpen aan een stelsel van voorafgaande machtiging overeenkomstig het bepaalde in deze verordening, en met name in bijlage II.

2.   Uitvoeringsbepalingen en procedures voor de uitvoering van lid 1 kunnen worden vastgesteld volgens de in artikel 30, lid 2, bedoelde procedure.

Artikel 19

Herziening van de toegangsregels

1.   Uiterlijk op 31 december 2003 dient de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in over de in de communautaire regelgeving vastgestelde andere regels inzake de toegang tot wateren en hulpbronnen dan die welke in artikel 17, lid 2, worden bedoeld, in welk verslag de rechtvaardiging voor deze regels wordt beoordeeld in het licht van de doelstellingen op het gebied van instandhouding en duurzame exploitatie.

2.   Op basis van het in lid 1 bedoelde verslag en met inachtneming van het in artikel 17, lid 1, neergelegde beginsel beslist de Raad uiterlijk op 31 december 2004 over eventuele vereiste aanpassingen van die regels.

Artikel 20

Toewijzing van de vangstmogelijkheden

1.   De Raad beslist met gekwalificeerde meerderheid van stemmen op voorstel van de Commissie over vangstbeperkingen en/of beperkingen van de visserij-inspanning en de verdeling van de vangstmogelijkheden over de lidstaten, en ook over de bij die beperkingen behorende voorwaarden. De vangstmogelijkheden zullen zodanig tussen de lidstaten worden verdeeld dat voor iedere lidstaat de relatieve stabiliteit van de visserijactiviteiten voor elk visbestand of elke visserijtak gewaarborgd is.

2.   Wanneer de Gemeenschap nieuwe vangstmogelijkheden opent, neemt de Raad een besluit over de toewijzing van die mogelijkheden, rekening houdend met de belangen van elke lidstaat.

3.   Elke lidstaat neemt voor de vaartuigen die zijn vlag voeren een besluit betreffende de methode voor de toewijzing van de voor die lidstaat bestemde vangstmogelijkheden, overeenkomstig het Gemeenschapsrecht. Hij stelt de Commissie van de toewijzingsmethode in kennis.

4.   De Raad bepaalt de vangstmogelijkheden die in de communautaire wateren beschikbaar zijn voor derde landen, en wijst die mogelijkheden aan elk derde land toe.

5.   De lidstaten mogen, na kennisgeving aan de Commissie, de aan hen toegewezen vangstmogelijkheden in hun geheel of voor een deel onderling ruilen.

HOOFDSTUK V

COMMUNAUTAIR CONTROLE- EN HANDHAVINGSSYSTEEM

Artikel 21

Doelstellingen

De toegang tot wateren en hulpbronnen en de uitoefening van activiteiten als bedoeld in artikel 1 worden gecontroleerd en de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid wordt gehandhaafd op grond van het communautaire controle- en handhavingssysteem.

Artikel 22

Voorwaarden voor de toegang tot wateren en hulpbronnen en voor de afzet van visserijproducten

1.   Activiteiten binnen het toepassingsgebied van het gemeenschappelijk visserijbeleid zijn verboden, tenzij aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a)

een vissersvaartuig heeft zijn vergunning en, in voorkomend geval, zijn machtigingen tot vissen aan boord;

b)

een vissersvaartuig beschikt over een aan boord geïnstalleerd functionerend systeem waarmee het door middel van systemen voor toezicht op afstand kan worden opgespoord en geïdentificeerd. Deze voorwaarde geldt voor vaartuigen van meer dan 18 meter lengte over alles vanaf 1 januari 2004 en voor vaartuigen van meer dan 15 meter over alles vanaf 1 januari 2005;

c)

informatie over de visserijactiviteiten, met inbegrip van aanlandingen en overladingen, wordt door de kapitein onverwijld vastgelegd en gemeld. Kopieën van de vastgelegde informatie worden ter beschikking van de autoriteiten gesteld. De Raad zal in 2004 een besluit nemen over de verplichting om die informatie elektronisch door te geven. De lidstaten zullen in samenwerking met de Commissie voor 1 juni 2004 proefprojecten uitvoeren ter beoordeling van de te gebruiken technologie;

d)

de kapitein laat inspecteurs aan boord toe en werkt met hen samen; indien een waarnemersregeling van toepassing is, laat de kapitein ook waarnemers aan boord toe en werkt hij met hen samen;

e)

de kapitein neemt de voorwaarden en beperkingen met betrekking tot aanlandingen, overladingen, gezamenlijke beoefening van de visserij, vistuig, netten en het merken en identificeren van vaartuigen in acht.

2.   Visserijproducten mogen slechts worden afgezet als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

a)

visserijproducten mogen vanaf een vaartuig uitsluitend worden verkocht aan geregistreerde kopers of in geregistreerde afslagen;

b)

de koper van visserijproducten van een vaartuig bij de eerste verkoop moet geregistreerd zijn bij de autoriteiten;

c)

de koper van visserijproducten bij de eerste verkoop legt facturen of verkoopdocumenten over aan de autoriteiten, tenzij de verkoop plaatsvindt in een geregistreerde afslag die zelf verplicht is facturen of verkoopdocumenten aan de autoriteiten over te leggen;

d)

alle in de Gemeenschap aangelande of ingevoerde visserijproducten waarvoor geen facturen en ook geen verkoopdocumenten aan de autoriteiten zijn overgelegd en die worden vervoerd naar een andere plaats dan die waar zij zijn aangeland of ingevoerd, gaan vergezeld van een door de vervoerder opgesteld document totdat de eerste verkoop heeft plaatsgevonden;

e)

de personen die verantwoordelijk zijn voor de gebouwen en terreinen of de transportvoertuigen, verlenen toegang aan inspecteurs en werken met hen samen;

f)

indien voor een bepaalde soort een minimummaat is vastgesteld, moeten de voor de verkoop, de opslag of het vervoer verantwoordelijke ondernemingen de geografische oorsprong van de producten kunnen bewijzen.

Een koper die producten koopt die nadien niet op de markt worden gebracht maar enkel voor particulier verbruik worden gebruikt, is vrijgesteld van de in dit lid bedoelde verplichtingen.

3.   Voor de uitvoering van de leden 1 en 2 kunnen nadere regels worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 30, lid 2.

Deze regels kunnen met name betrekking hebben op verplichtingen inzake documentering, vastlegging, verslaglegging en informatieverstrekking van lidstaten, kapiteins, en alle andere rechtspersonen en natuurlijke personen die binnen het toepassingsgebied van artikel 1 vallende activiteiten ontplooien.

De regels kunnen ook in uitzonderingen op de in de leden 1 en 2 bedoelde verplichtingen voorzien mits die uitzonderingen kunnen worden gerechtvaardigd op grond van het te verwaarlozen effect op levende aquatische hulpbronnen of op grond van de onevenredige last die de verplichtingen zouden veroorzaken in vergelijking met het economische belang van de activiteit.

Artikel 23

Verplichtingen van de lidstaten

1.   Tenzij in communautaire regelgeving anders is bepaald, dragen de lidstaten zorg voor een doeltreffende controle, inspectie en handhaving ten aanzien van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid.

2.   De lidstaten controleren de activiteiten die binnen het toepassingsgebied van het gemeenschappelijk visserijbeleid op hun grondgebied of in de wateren onder hun soevereiniteit of jurisdictie worden uitgevoerd. Ten aanzien van de communautaire vissersvaartuigen die hun vlag voeren, en onverminderd de primaire verantwoordelijkheid van de vlaggenstaat, hun onderdanen oefenen zij ook controle uit op de toegang tot de wateren en hulpbronnen en de visserijactiviteiten buiten de communautaire wateren. Zij zijn verantwoordelijk voor het plaatsen van waarnemers aan boord van vissersvaartuigen en voor het nemen van passende besluiten, onder meer het verbieden van visserijactiviteiten.

3.   De lidstaten treffen de maatregelen, wijzen de financiële en personele middelen toe en zetten de administratieve en technische structuren op die voor een doeltreffende controle, inspectie en handhaving noodzakelijk zijn, met inbegrip van satellietvolgsystemen. De Raad zal in 2004 een besluit nemen over de verplichting om een systeem voor teledetectie in te stellen. De lidstaten zullen in samenwerking met de Commissie voor 1 juni 2004 proefprojecten uitvoeren ter beoordeling van de te gebruiken technologie. In elke lidstaat zal één enkele autoriteit verantwoordelijk zijn voor de coördinatie van het verzamelen en verifiëren van de informatie over visserijactiviteiten en voor het rapporteren aan en samenwerken met de Commissie.

4.   Wanneer de Commissie vaststelt dat een lidstaat de hem toegewezen vangstmogelijkheden heeft overschreden, verlaagt zij de toekomstige vangstmogelijkheden van die lidstaat.

Indien een lidstaat als rechtstreeks gevolg van het feit dat een andere lidstaat de hem toegewezen quota heeft overschreden, zijn eigen vangstmogelijkheden niet volledig heeft kunnen benutten, mogen vangstmogelijkheden die gelijkwaardig zijn aan die welke uit hoofde van lid 1 zijn afgetrokken, volledig of gedeeltelijk aan die lidstaat worden toegewezen. Over die toewijzing wordt beslist met inachtneming van het belang de bestanden in stand te houden en het belang van vergoeding van de beide betrokken lidstaten.

De Commissie neemt besluiten overeenkomstig de procedure van artikel 30, lid 2.

5.   Nadere bepalingen voor de uitvoering van dit artikel kunnen worden vastgesteld volgens de in artikel 30, lid 2, bedoelde procedure, onder meer met betrekking tot de aanwijzing door de lidstaten van de in lid 3 van dit artikel bedoelde autoriteit, en de voorschriften voor het inzetten van waarnemers, hun verantwoordelijkheid, taken en kosten.

Artikel 24

Inspectie en handhaving

De lidstaten nemen de nodige inspectie- en handhavingsmaatregelen om op hun grondgebied of in de wateren onder hun soevereiniteit of jurisdictie de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid te verzekeren. Zij nemen ook handhavingsmaatregelen met betrekking tot de visserijactiviteiten buiten de communautaire wateren van de communautaire vissersvaartuigen die hun vlag voeren, en van hun onderdanen.

Deze maatregelen omvatten:

a)

steekproefcontroles en inspecties van vissersvaartuigen en van de gebouwen en terreinen van bedrijven en andere partijen die met het gemeenschappelijk visserijbeleid verband houdende activiteiten ontplooien;

b)

visuele waarnemingen van vissersvaartuigen;

c)

onderzoek betreffende en rechtsvervolging van inbreuken en sancties overeenkomstig artikel 25;

d)

preventieve maatregelen overeenkomstig artikel 25, lid 5;

e)

maatregelen teneinde te voorkomen dat hun onderdanen betrokken zijn bij visserijactiviteiten die in strijd zijn met de toepasselijke instandhoudings- en beheersmaatregelen, onverminderd de primaire verantwoordelijkheid van de vlaggenstaat.

De genomen maatregelen worden naar behoren gedocumenteerd. Zij moeten doeltreffend, afschrikkend en evenredig zijn.

Nadere bepalingen, met inbegrip van benchmarks, voor de uitvoering van dit artikel kunnen worden vastgesteld volgens de in artikel 30, lid 3, bedoelde procedure.

Artikel 25

Vervolgactie bij inbreuken

1.   Wanneer de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid niet zijn nageleefd zien de lidstaten erop toe dat tegen de verantwoordelijke natuurlijke personen of rechtspersonen passende maatregelen worden getroffen waaronder administratieve maatregelen of strafvervolging overeenkomstig hun nationale recht.

2.   De overeenkomstig lid 1 ingeleide procedures moeten er, conform de terzake doende bepalingen van de nationale wetgeving, toe kunnen leiden dat de verantwoordelijken het economische voordeel van de inbreuken daadwerkelijk verliezen en dat resultaten behaald worden die in verhouding staan tot de ernst van die inbreuken, zodat verdere overtredingen van dezelfde aard effectief worden ontraden.

3.   De sancties die voortvloeien uit de in lid 2 bedoelde procedures, kunnen, naargelang de ernst van de overtreding, met name omvatten:

a)

boetes;

b)

inbeslagneming van verboden vistuig en verboden vangsten;

c)

conservatoir beslag op het vaartuig;

d)

tijdelijke stillegging van het vaartuig;

e)

schorsing van de vergunning;

f)

intrekking van de vergunning.

4.   Onverminderd de in de leden 1, 2 en 3 bedoelde verplichtingen, stelt de Raad op basis van de opsomming in lid 3, een lijst van maatregelen op die door de lidstaten moeten worden toegepast ten aanzien van ernstige inbreuken zoals omschreven in Verordening (EG) nr. 1447/1999. Die lijst doet geen afbreuk aan de keuze van de lidstaten om die maatregelen, overeenkomstig hun nationale wetgeving, uit te voeren door middel van administratieve maatregelen of strafvervolging, zoals bedoeld in artikel 1.

5.   De lidstaten nemen onmiddellijke maatregelen om te voorkomen dat vaartuigen of natuurlijke of rechtspersonen die op heterdaad worden betrapt bij een ernstige inbreuk zoals omschreven in Verordening (EG) nr. 1447/1999, daarmee doorgaan.

Artikel 26

Verantwoordelijkheden van de Commissie

1.   Onverminderd de verantwoordelijkheden van de Commissie op grond van het Verdrag, evalueert en controleert de Commissie de toepassing van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid door de lidstaten en vergemakkelijkt zij de coördinatie en de samenwerking tussen de lidstaten.

2.   Indien er aanwijzingen zijn dat niet wordt voldaan aan de regels inzake instandhouding, controle, inspectie of handhaving in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid en dat dit de instandhouding van de levende aquatische hulpbronnen ernstig in gevaar kan brengen of de doeltreffende werking van het communautaire controle- en handhavingssysteem in het gedrang kan brengen, als gevolg waarvan onmiddellijke actie nodig is, brengt de Commissie de betrokken lidstaat schriftelijk van haar bevindingen op de hoogte en geeft zij hem ten minste vijftien werkdagen de tijd om aan te tonen dat de regels worden nageleefd, en zijn opmerkingen kenbaar te maken. De Commissie houdt bij elke maatregel die zij uit hoofde van lid 3 neemt rekening met de opmerkingen van de lidstaten.

3.   Indien er aanwijzingen zijn dat visserijactiviteiten in een bepaald geografisch gebied de instandhouding van de levende aquatische hulpbronnen ernstig in gevaar dreigen te brengen, kan de Commissie preventieve maatregelen nemen.

Die maatregelen moeten in verhouding staan tot het ernstige gevaar voor de instandhouding van de levende aquatische hulpbronnen.

Zij mogen niet langer dan drie weken duren. Zij kunnen, voorzover nodig voor de instandhouding van de levende aquatische hulpbronnen, bij een volgens de in artikel 30, lid 2, bedoelde procedure genomen besluit worden verlengd tot maximaal zes maanden.

De maatregelen zullen onmiddellijk worden opgeheven wanneer de Commissie van oordeel is dat er geen gevaar meer is.

4.   Wanneer het quotum van een lidstaat, de toewijzing aan een lidstaat of het voor een lidstaat beschikbare deel wordt geacht te zijn opgebruikt, kan de Commissie op basis van de beschikbare informatie de visserijactiviteiten onmiddellijk doen stopzetten.

5.   Onverminderd artikel 23, lid 2, controleert de Commissie de visserijactiviteiten in communautaire wateren van vissersvaartuigen die de vlag van een derde land voeren wanneer zulks bij communautaire regelgeving is voorgeschreven. Hiertoe werken de Commissie en de betrokken lidstaten samen en coördineren zij hun acties.

6.   Nadere regels voor de toepassing van dit artikel kunnen worden vastgesteld volgens de in artikel 30, lid 2, bedoelde procedure.

Artikel 27

Evaluatie en controle door de Commissie

1.   Met het oog op de evaluatie en controle van de toepassing van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid door de lidstaten kan de Commissie uit eigen beweging en met haar eigen middelen het initiatief nemen tot en uitvoering geven aan audits, onderzoekingen, verificaties en inspecties met betrekking tot de toepassing van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid door de lidstaten. Door haar kunnen met name worden geverifieerd:

a)

de uitvoering en de toepassing van die regels door de lidstaten en hun bevoegde autoriteiten;

b)

de overeenstemming van de nationale bestuurlijke praktijken en inspectie- en bewakingsactiviteiten met de regels;

c)

het bestaan van de vereiste documenten en de overeenstemming daarvan met de toepasselijke regels;

d)

de omstandigheden waaronder de controle- en handhavingsactiviteiten door de lidstaten worden uitgevoerd.

Voor deze doeleinden kan de Commissie inspecties uitvoeren op vissersvaartuigen en in de gebouwen en op de terreinen van bedrijven en andere partijen die met het gemeenschappelijk visserijbeleid verband houdende activiteiten ontplooien, en heeft zij toegang tot alle voor de uitoefening van haar bevoegdheid benodigde informatie en documenten. De inspecties die de Commissie uit eigen beweging en zonder de medewerking van inspecteurs van de betrokken lidstaat uitvoert, vinden alleen plaats op vaartuigen en plaatsen van eerste aanlanding of eerste verkoop, en beperken zich tot gebieden of bestanden waarvoor een specifiek toezichtsprogramma bestaat uit hoofde van artikel 34 quater van Verordening (EEG) nr. 2847/93.

De inspecteurs van de Commissie leggen een schriftelijke bevoegdheidsverklaring voor waarin hun identiteit en hun hoedanigheid zijn aangegeven. De inspecteurs van de Commissie hebben geen hogere bevoegdheden dan de nationale inspecteurs en zij hebben geen politie- en handhavingsbevoegdheid. Een inspectie door de Commissie zonder de medewerking van inspecteurs van de betrokken lidstaat kan niet plaatsvinden als de te inspecteren partij bezwaar maakt.

De lidstaten verlenen de Commissie de bijstand die zij nodig heeft om die taken te vervullen.

2.   De inspectieverslagen worden ter beschikking van de betrokken lidstaten gesteld.

De Commissie biedt de betrokken lidstaat de gelegenheid om opmerkingen te maken bij de bevindingen in het verslag. Het moet voldoen aan de communautaire voorschriften voor de bescherming van persoonsgegevens.

Wanneer de Commissie op eigen initiatief en zonder begeleiding van nationale inspecteurs van de betrokken lidstaat een inspectie uitvoert, brengt zij de lidstaat daarvan binnen één dag na afloop van de inspectie op de hoogte en stelt zij binnen een maand een verslag over de bevindingen ter beschikking.

De lidstaten zijn niet verplicht om op basis van de bevindingen van de bovengenoemde verslagen tegen personen op te treden.

3.   Nadere regels voor de toepassing van dit artikel kunnen worden vastgesteld volgens de in artikel 30, lid 2, bedoelde procedure.

4.   Om de drie jaar stelt de Commissie ten behoeve van het Europees Parlement en de Raad een evaluatieverslag op over de acties overeenkomstig lid 1 en over de toepassing van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid door de lidstaten. Elk jaar wordt de lidstaten meegedeeld hoeveel inspecties de Commissie uit hoofde van lid 1 in elke lidstaat heeft uitgevoerd, uitgesplitst naar soort inspectie.

Artikel 28

Samenwerking en coördinatie

1.   De lidstaten werken met elkaar en met derde landen samen om de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid te verzekeren. Hiertoe verlenen de lidstaten andere lidstaten en derde landen de bijstand die voor het verzekeren van de naleving van die regels nodig is.

2.   In het geval van controle en inspectie met betrekking tot grensoverschrijdende visserijactiviteiten zorgen de lidstaten ervoor dat hun acties in het kader van dit hoofdstuk worden gecoördineerd. Hiertoe wisselen de lidstaten inspecteurs uit.

3.   Onverminderd de primaire verantwoordelijkheid van de kuststaat mogen de lidstaten in alle communautaire wateren buiten de wateren die onder de soevereiniteit van een andere lidstaat vallen, communautaire vissersvaartuigen die hun vlag voeren inspecteren.

De lidstaten mogen in alle communautaire wateren buiten de wateren die onder hun soevereiniteit ten aanzien van vissersvaartuigen vallen inspecties uitvoeren volgens de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid, maar alleen

a)

na toestemming van de betrokken kust-lidstaat, of

b)

als er een specifiek toezichtsprogramma is aangenomen overeenkomstig artikel 34 quater van Verordening (EG) nr. 2847/93 van de Raad.

De lidstaten mogen in internationale wateren ook communautaire vissersvaartuigen inspecteren die de vlag van een andere lidstaat voeren.

In alle andere dan de in dit lid bedoelde gevallen kunnen de lidstaten elkaar machtigen inspecties uit te voeren volgens de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid.

4.   Op basis van aan de Commissie meegedeelde besluiten van de lidstaten over de aanstelling van personen of het inzetten van middelen stelt de Commissie volgens de in artikel 30, lid 2, bedoelde procedure een lijst op van communautaire inspecteurs, inspectievaartuigen en inspectievliegtuigen en andere inspectiemiddelen die zijn gemachtigd om inspecties overeenkomstig dit hoofdstuk uit te voeren in communautaire wateren en op communautaire vissersvaartuigen.

5.   Door communautaire inspecteurs of inspecteurs van een andere lidstaat of inspecteurs van de Commissie opgestelde inspectie- en bewakingsverslagen vormen in alle lidstaten toelaatbaar bewijsmateriaal bij administratieve of gerechtelijke procedures. Voor de vaststelling van feiten worden zij op dezelfde voet behandeld als inspectie- en bewakingsverslagen van de lidstaten.

6.   Nadere regels voor de toepassing van dit artikel kunnen worden vastgesteld volgens de in artikel 30, lid 2, bedoelde procedure.

Lid 3 en lid 4 van dit artikel zijn slechts toepasselijk nadat nadere bepalingen voor de uitvoering zijn vastgesteld.

HOOFDSTUK VI

BESLUITVORMING EN RAADPLEGING

Artikel 29

Besluitvormingsprocedure

Tenzij in deze verordening anders is bepaald, neemt de Raad besluiten volgens de procedure van artikel 37 van het Verdrag.

Artikel 30

Comité voor de visserij en de aquacultuur

1.   De Commissie wordt bijgestaan door een Comité voor de visserij en de aquacultuur.

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 4 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing.

De in artikel 4, lid 3, van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn wordt vastgesteld op 20 werkdagen.

3.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 5 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing.

De in artikel 5, lid 6, van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn wordt vastgesteld op 60 werkdagen.

4.   Het Comité stelt zijn reglement van orde vast.

Artikel 31

Regionale adviesraden

1.   Er worden regionale adviesraden opgericht om bij te dragen tot de verwezenlijking van de in artikel 2, lid 1, omschreven doelstellingen, en met name om de Commissie te adviseren over aangelegenheden inzake het visserijbeheer voor bepaalde zeegebieden of visserijzones.

2.   De regionale adviesraden worden hoofdzakelijk samengesteld uit vissers en andere vertegenwoordigers van groepen die belang hebben bij het gemeenschappelijk visserijbeleid, zoals vertegenwoordigers van visserij en aquacultuur, milieu- en consumentenbelangen, en wetenschappelijke deskundigen uit alle lidstaten met visserijbelangen in het betrokken zeegebied of de betrokken visserijzone.

3.   Vertegenwoordigers van nationale en regionale overheden met visserijbelangen in het betrokken zeegebied of de betrokken visserijzone hebben het recht om als lid of waarnemer deel te nemen aan de regionale adviesraden. De Commissie kan hun vergaderingen bijwonen.

4.   De regionale adviesraden kunnen door de Commissie worden geraadpleegd over de voorstellen voor op grond van artikel 37 van het Verdrag vast te stellen maatregelen zoals meerjarige herstel- of beheersplannen die de Commissie voornemens is in te dienen en die specifiek betrekking hebben op de visserij in het betrokken gebied. Zij kunnen eveneens door de Commissie en de lidstaten over andere maatregelen worden geraadpleegd. Deze raadplegingen geschieden onverminderd de raadpleging van het WTECV en van het Comité voor de visserij en de acquacultuur.

5.   De regionale adviesraden kunnen

a)

uit eigen beweging of op verzoek van de Commissie of een lidstaat aan de Commissie of de betrokken lidstaat aanbevelingen en suggesties met betrekking tot aangelegenheden inzake het visserijbeheer voorleggen;

b)

de Commissie of de betrokken lidstaat informeren over problemen met betrekking tot de uitvoering van communautaire voorschriften en aan de Commissie of de betrokken lidstaat aanbevelingen en suggesties voorleggen om die problemen aan te pakken;

c)

alle andere activiteiten ontplooien die nodig zijn voor de vervulling van hun functies.

De regionale adviesraden brengen het Comité voor de visserij en de acquacultuur op de hoogte van hun activiteiten.

Artikel 32

Procedure voor de oprichting van regionale adviesraden

De Raad beslist over de oprichting van een regionale adviesraad. Een regionale adviesraad bestrijkt zeegebieden onder de jurisdictie van ten minste twee lidstaten. Een regionale adviesraad stelt zijn reglement van orde vast.

Artikel 33

Wetenschappelijk Comité voor de visserij en de aquacultuur

1.   Er wordt een Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de visserij (WTECV) ingesteld. Het WTECV wordt op gezette tijden geraadpleegd over aangelegenheden betreffende de instandhouding en het beheer van levende aquatische hulpbronnen, met inbegrip van biologische, economische, milieu-, sociale en technische overwegingen.

2.   De Commissie houdt rekening met de adviezen van het WTECV wanneer zij in het kader van deze verordening voorstellen voor visserijbeheer indient.

HOOFDSTUK VII

SLOTBEPALINGEN

Artikel 34

Intrekkingen

1.   De Verordeningen (EEG) nr. 3760/92 en (EEG) nr. 101/76 worden ingetrokken.

2.   Verwijzingen naar de bepalingen van de bij lid 1 ingetrokken verordeningen gelden als verwijzingen naar de overeenkomstige bepalingen van de onderhavige verordening.

Artikel 35

Toetsing

De Commissie brengt vóór eind 2012 bij het Europees Parlement en de Raad verslag uit over de werking van het Gemeenschappelijk Visserijbeleid wat betreft de hoofdstukken II en III.

Artikel 36

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2003.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 20 december 2002.

Voor de Raad

De voorzitster

M. FISCHER BOEL


(1)  PB C 203 E van 27.8.2002, blz. 284.

(2)  Advies uitgebracht op 5 december 2002 (nog niet gepubliceerd in het Publicatieblad).

(3)  PB L 389 van 31.12.1992, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1181/98 (PB L 164 van 9.6.1998, blz. 1).

(4)  PB C 105 van 7.5.1981, blz. 1.

(5)  PB L 261 van 20.10.1993, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1965/2001 van de Commissie (PB L 268 van 9.10.2001, blz. 23).

(6)  PB L 167 van 2.7.1999, blz. 5.

(7)  PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.

(8)  PB L 20 van 28.1.1976, blz. 19.

(9)  PB L 274 van 25.9.1986, blz. 1. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 3259/94 (PB L 339 van 29.12.1994, blz. 11).

(10)  PB L 341 van 31.12.1993, blz. 93.

(11)  PB L 175 van 3.7.1997, blz. 27. Besluit gewijzigd bij Besluit 2002/70/EG (PB L 31 van 31.12.2002, blz. 77).

(12)  PB L 337 van 30.12.1999, blz. 10. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 179/2002 (PB L 31 van 1.2.2002, blz. 25).

(13)  PB L 55 van 24.2.2001, blz. 3.


BIJLAGE I

TOEGANG TOT KUSTWATEREN IN DE ZIN VAN ARTIKEL 17, LID 2

1.   KUSTWATEREN VAN HET VERENIGD KONINKRIJK

A.   TOEGANG VOOR FRANKRIJK

Geografisch gebied

Soort

Hoeveelheid of bijzondere bepalingen

Kust van het Verenigd Koninkrijk (6 tot 12 zeemijl)

1.

Berwick-upon-Tweed east

Coquet Island east

Haring

Onbeperkt

2.

Flamborough Head east

Spurn Head east

Haring

Onbeperkt

3.

Lowestoft east

Lymle Regis south

Alle soorten

Onbeperkt

4.

Lyme Regis south

Eddystone south

Demersale soorten

Onbeperkt

5.

Eddystone south

Longships south-west

Demersale soorten

Onbeperkt

Sint-Jacobsschelp

Onbeperkt

Kreeft

Onbeperkt

Langoesten

Onbeperkt

6.

Longships south-west

Hartland Point north-west

Demersale soorten

Onbeperkt

Langoesten

Onbeperkt

Kreeft

Onbeperkt

7.

Van Hartland Point tot aan een lijn getrokken vanaf het noorden van Lundy Island

Demersale soorten

Onbeperkt

8.

Van een lijn rechtwijzend west van Lundy Island tot Cardigan Harbour

Alle soorten

Onbeperkt

9.

Point Lynas North

Morecambe Light Vessel east

Alle soorten

Onbeperkt

10.

County Down

Demersale soorten

Onbeperkt

11.

New Island north-east

Sanda Island south-west

Alle soorten

Onbeperkt

12.

Port Stewart north

Barra Head west

Alle soorten

Onbeperkt

13.

57°40' NB

Butt of Lewis west

Alle soorten, behalve

schaal- en weekdieren

Onbeperkt

14.

St Kilda, Flannan Islands

Alle soorten

Onbeperkt

15.

Ten westen van de lijn die Butt of Lewis lighthouse verbindt met het punt op 59°30' NB-5°45' WL

Alle soorten

Onbeperkt

B.   TOEGANG VOOR IERLAND

Geografisch gebied

Soort

Hoeveelheid of bijzondere bepalingen

Kust van het Verenigd Koninkrijk (6 tot 12 zeemijl)

1.

Point Lynas north Mull of

Galloway south

Demersale soorten

Onbeperkt

Langoestine

Onbeperkt

2.

Mull of Oa wes

Barra Head west

Demersale soorten

Onbeperkt

Langoestine

Onbeperkt

C.   TOEGANG VOOR DUITSLAND

Geografisch gebied

Soort

Hoeveelheid of bijzondere bepalingen

Kust van het Verenigd Koninkrijk (6 tot 12 zeemijl)

1.

East of Shetlands en Fair Isle tussen lijnen rechtwijzend zuidoost van Sumburgh Head lighthouse, rechtwijzend noordoost van Skroo lighthouse en rechtwijzend zuidwest van Skadan lighthouse

Haring

Onbeperkt

2.

Berwick-upon-Tweed east Whitby High lighthouse east

Haring

Onbeperkt

3.

North Foreland lighthouse east Dungeness new lighthouse south

Haring

Onbeperkt

4.

Zone rond St Kilda

Haring

Onbeperkt

Makreel

Onbeperkt

5.

Butt of Lewis lighthouse west naar de lijn die Butt of Lewis lighthouse verbindt met het punt 59°30' NB — 5°45' WL

Haring

Onbeperkt

6.

Zone rond North Rona en Sulisker (Sulasgeir)

Haring

Onbeperkt

D.   TOEGANG VOOR NEDERLAND

Geografisch gebied

Soort

Hoeveelheid of bijzondere bepalingen

Kust van het Verenigd Koninkrijk (6 tot 12 zeemijl)

1.

East of Shetlands en Fair Isle tussen lijnen rechtwijzend zuidoost van Sumburgh Head lighthouse, rechtwijzend noordoost van Skroo lighthouse en rechtwijzend zuidwest van Skadan lighthouse

Haring

Onbeperkt

2.

Berwick upon Tweed east Flamborough Head east

Haring

Onbeperkt

3.

North Foreland east Dungeness new lighthouse south

Haring

Onbeperkt

E.   TOEGANG VOOR BELGIË

Geografisch gebied

Soort

Hoeveelheid of bijzondere bepalingen

Kust van het Verenigd Koninkrijk (6 tot 12 zeemijl)

1.

Berwick upon Tweed east

Coquer Island east

Haring

Onbeperkt

2.

Cromer north

North Foreland east

Demersale soorten

Onbeperkt

3.

North Foreland east

Dungeness new lighthouse south

Demersale soorten

Onbeperkt

Haring

Onbeperkt

4.

Dungeness new lighthouse south Selsey Bill south

Demersale soorten

Onbeperkt

5.

Straight Point south-east South Bishop north-west

Demersale soorten

Onbeperkt

2.   IERSE KUSTWATEREN

A.   TOEGANG VOOR FRANKRIJK

Geografisch gebied

Soort

Hoeveelheid of bijzondere bepalingen

Ierse kust (6 tot 12 zeemijl)

1.

Erris Head north-west

Sybil Point west

Demersale soorten

Onbeperkt

Langoestine

Onbeperkt

2.

Mizen Head south

Stags south

Demersale soorten

Onbeperkt

Langoestine

Onbeperkt

Makreel

Onbeperkt

3.

Stags south

Cork south

Demersale soorten

Onbeperkt

Langoestine

Onbeperkt

Makreel

Onbeperkt

Haring

Onbeperkt

4.

Cork south Carnsore Point south

Alle soorten

Onbeperkt

5.

Carnsore Point south Haulbowline south-east

Alle soorten, behalve

schaal- en weekdieren

Onbeperkt

B.   TOEGANG VOOR HET VERENIGD KONINKRIJK

Geografisch gebied

Soort

Hoeveelheid of bijzondere bepalingen

Ierse kust (6 tot 12 zeemijl)

1.

Mine Head south

Hook Point

Demersale soorten

Onbeperkt

Haring

Onbeperkt

Makreel

Onbeperkt

2.

Hook Point

Carlingford Lough

Demersale soorten

Onbeperkt

Haring

Onbeperkt

Makreel

Onbeperkt

Langoestine

Onbeperkt

Sint-Jacobsschelpen

Onbeperkt

C.   TOEGANG VOOR NEDERLAND

Geografisch gebied

Soort

Hoeveelheid of bijzondere bepalingen

Ierse kust (6 tot 12 zeemijl)

1.

Stags south

Carnsore Point south

Haring

Onbeperkt

Makreel

Onbeperkt

D.   TOEGANG VOOR DUITSLAND

Geografisch gebied

Soort

Hoeveelheid of bijzondere bepalingen

Ierse kust (6 tot 12 zeemijl)

1.

Old Head of Kinsale south

Carnsore Point south

Haring

Onbeperkt

2.

Cork south

Carnsore Point south

Makreel

Onbeperkt

E.   TOEGANG VOOR BELGIË

Geografisch gebied

Soort

Hoeveelheid of bijzondere bepalingen

Ierse kust (6 tot 12 zeemijl)

1.

Cork south

Carnsore Point south

Demersale soorten

Onbeperkt

2.

Wicklow Head east

Carlingford Lough south-east

Demersale soorten

Onbeperkt

3.   BELGISCHE KUSTWATEREN

Geografisch gebied

Lidstaten

Soort

Hoeveelheid of bijzondere bepalingen

3 tot 12 zeemijl

Nederland

Alle soorten

Onbeperkt

Frankrijk

Haring

Onbeperkt

4.   DEENSE KUSTWATEREN

Geografisch gebied

Lidstaten

Soort

Hoeveelheid of bijzondere bepalingen

Noordzeekust

(Deens-Duitse grens tot Hanstholm) (6 tot 12 zeemijl)

Duitsland

Platvis Platvis

Onbeperkt

Garnalen

Onbeperkt

Deens-Duitse grens tot Blåvands Huk

Nederland

Platvis

Onbeperkt

Rondvis

Onbeperkt

Blåvands Huk tot Bovbjerk

België

Kabeljauw

Onbeperkt, alleen in juni en juli

Schelvis

Onbeperkt, alleen in juni en juli

Duitsland

Platvis

Onbeperkt

Nederland

Schol

Onbeperkt

Tong

Onbeperkt

Thyborøron tot Hanstholm

België

Wijting

Onbeperkt, alleen in juni en juli

Schol

Onbeperkt, alleen in juni en juli

Duitsland

Platvis

Onbeperkt

Sprot

Onbeperkt

Kabeljauw

Onbeperkt

Koolvis

Onbeperkt

Schelvis

Onbeperkt

Makreel

Onbeperkt

Haring

Onbeperkt

Wijting

Onbeperkt

Nederland

Kabeljauw

Onbeperkt

Schol

Onbeperkt

Tong

Onbeperkt

Skagerrak

(Hanstholm-Skagen)

(4 tot 12 zeemijl)

België

Schol

Onbeperkt, alleen in juni en juli

Duitsland

Platvis

Onbeperkt

Sprot

Onbeperkt

Kabeljauw

Onbeperkt

Koolvis

Onbeperkt

Schelvis

Onbeperkt

Makreel

Onbeperkt

Haring

Onbeperkt

Wijting

Onbeperkt

Nederland

Kabeljauw

Onbeperkt

Schol

Onbeperkt

Schol

Onbeperkt

Kattegat

(3 tot 12 mijl)

Duitsland

Kabeljauw

Onbeperkt

Platvis

Onbeperkt

Langoestine

Onbeperkt

Haring

Onbeperkt

Ten noorden van Sjaelland tot de breedtecirkel die Forsnæs lighthouse doorsnijdt

Duitsland

Sprot

Onbeperkt

Oostzee (inbegrepen Bælterne, Sundet en Bornholm)

3 tot 12 zeemijl

Duitsland

Platvis

Onbeperkt

Kabeljauw

Onbeperkt

Haring

Onbeperkt

Sprot

Onbeperkt

Aal

Onbeperkt

Zalm

Onbeperkt

Wijting

Onbeperkt

Makreel

Onbeperkt

Skagerrak

(4 tot 12 mijl)

Zweden

Alle soorten

Onbeperkt

Kattegat

(31 tot 12 mijl)

Zweden

Alle soorten

Onbeperkt

Oostzee

(3 tot 12 mijl)

Zweden

Alle soorten

Onbeperkt

5.   DUITSE KUSTWATEREN

Geografisch gebied

Lidstaten

Soort

Hoeveelheid of bijzondere bepalingen

Noordzeekust

(3 tot 12 zeemijl)

alle kusten

Denemarken

Demersale soorten

Onbeperkt

Sprot

Onbeperkt

Zandspiering

Onbeperkt

Nederland

Demersale soorten

Onbeperkt

Garnalen

Onbeperkt

Deens-Duitse grens tot de noordpunt van Amrum op 54°43' NB

Denemarken

Garnalen

Onbeperkt

Zone rond Helgoland

Verenigd Koninkrijk

Kabeljauw

Onbeperkt

Schol

Onbeperkt

Oostzee

(3 tot 12 mijl)

Denemarken

Kabeljauw

Onbeperkt

Schol

Onbeperkt

Haring

Onbeperkt

Sprot

Onbeperkt

Aal

Onbeperkt

Wijting

Onbeperkt

Makreel

Onbeperkt

6.   KUSTWATEREN VAN FRANKRIJK EN VAN DE OVERZEESE DEPARTEMENTEN

Geografisch gebied

Lidstaten

SoortSpecie

Hoeveelheid of bijzondere bepalingen

Noord-Oost-Atlantische kust (6 tot 12 zeemijl)

Belgisch-Franse grens tot het oosten van het departement La Manche (monding van La Vire — Grandcamp-les-Bains 49°23'30" NB — 1°2' WL richting noordnoordoost)

België

Demersale soorten

Onbeperkt

Sint-Jacobsschelpen

Onbeperkt

Nederland

Alle soorten

Onbeperkt

Duinkerken (2°20' OL) tot Kaap Antifer (0°10' OL)

Duitsland

Haring

Onbeperkt, alleen van oktober tot en met december

Belgisch-Franse grens tot Kaap Alprech Ouest (50°42'30" NB — 1°33'30" OL)

Verenigd Koninkrijk

Alle soorten

Onbeperkt

Atlantische kust (6 tot 12 zeemijl)

Spaans-Franse grens tot 46°08' NB

Spanje

Ansjovis

Gerichte visserij, onbeperkt, alleen van 1 maart tot en met 30 juni

Visserij voor levend aas, alleen van 1maart tot en met 31 oktober

Sardine

Onbeperkt, alleen va, 1 januari tot en met 28 februari en van 1 juli tot en met 31 december

Voorts worden de activiteiten met betrekking tot de hierboven genoemde soorten uitgeoefend overeenkomstig en binnen de grenzen van de activiteiten in 1 984

Middellandse-Zeekust (6 tot 12 zeemijl)

Grens Spanje/Cap Leucate

Spanje

Alle soorten

Onbeperkt

7.   SPAANSE KUSTWATEREN

Geografisch gebied

Lidstaten

Soort

Hoeveelheid of bijzondere bepalingen

Atlantische kust (6 tot 12 zeemijl)

Frans-Spaanse grens tot de vuurtoren van Cap Mayor (3°47' WL)

Frankrijk

Pelagische soorten

Onbeperkt, overeenkomstig en binnen de grenzen van de activiteiten in 1 984

Middellandse-Zeekust (6 tot 12 zeemijl) Grens

Frankrijk/Cap Creus

Frankrijk

Alle soorten

Onbeperkt

8.   NEDERLANDSE KUSTWATEREN

Geografisch gebied

Lidstaten

Soort

Hoeveelheid of bijzondere bepalingen

(3 tot 12 zeemijl) — Hele kust

België

Alle soorten

Onbeperkt

Denemarken

Demersale soorten

Onbeperkt

Sprot

Onbeperkt

Zandspiering

Onbeperkt

Horsmakreel

Onbeperkt

Duitsland

Kabeljauw

Onbeperkt

Garnalen

Onbeperkt

(6 tot 12 zeemijl) — Hele kust

Frankrijk

Alle soorten

Onbeperkt

Zuidpunt van Texel ten westen tot de grens Nederland/Duitsland

Verenigd Koninkrijk

Demersale soorten

Onbeperkt

9.   FINSE KUSTWATEREN

Geografisch gebied

Lidstaten

Soort

Hoeveelheid of bijzondere bepalingen

Oostzee (4 tot 12 mijl) (2)

Zweden

Alle soorten

Onbeperkt

10.   ZWEEDSE KUSTWATEREN

Geografisch gebied

Lidstaten

Soort

Hoeveelheid of bijzondere bepalingen

Skagerrak (4 tot 12 zeemijl)

Denemarken

Alle soorten

Onbeperkt

Kattegat (3 (3) tot 12 mijl)

Denemarken

Alle soorten

Onbeperkt

Oostzee (4 tot 12 mijl)

Denemarken

Alle soorten

Onbeperkt

Finland

Alle soorten

Onbeperkt


(1)  Gemeten vanaf de kustlijn.

(2)  3 tot 12 mijl rond de Bogskär Eilanden.

(3)  Gemeten vanaf de kustlijn.


BIJLAGE II

SHETLAND BOX

A.   Geografische definitie

Het gebied binnen een lijn die loopt van het punt op de westkust van Schotland op 58° 30' NB naar 59° 30' NB — 6° 15' WL,

van 58° 30' NB — 6° 15' WL naar 59° 30' NB — 5° 45' WL,

van 59° 30' NB — 5° 45' WL naar 59° 30' NB — 3° 45' WL,

langs de 12-zeemijlslijn ten noorden van de Orkaden,

van 59° 30' NB — 3° 00' WL naar 61° 00' NB — 3° 00' WL,

van 61° 00' NB — 3° 00' WL naar 61° 00' NB — 0° 00',

langs de 12-zeemijlslijn ten noorden van de Shetlands,

van 61° 00' NB — 0° 00' WL naar 59° 30' NB — 0° 00',

van 59° 30' NB — 0° 00' WL naar 59° 30' NB — 1° 00' WL,

van 59° 30' NB — 1° 00' WL naar 59° 00' NB — 1° 00' WL,

van 59° 00' NB — 1° 00' WL naar 59° 00' NB — 2° 00' WL,

van 59° 00' NB — 2° 00' WL naar 58° 30' NB — 2° 00' WL,

van 58° 30' NB — 2° 00' WL naar 58° 30' NB — 3° 00' WL,

van 58° 30' NB — 3° 00' WL naar de oostkust van Schotland, op 58° 30' NB.

B.   Toegestane visserij-inspanning

Maximumaantal vissersvaartuigen met een lengte tussen de loodlijnen van ten minste 26 m dat mag vissen op andere demersale soorten dan kever en blauwe wijting:

Lidstaten

Toegestaan aantal vissersvaartuigen

Frankrijk

52

Verenigd Koninkrijk

62

Duitsland

12

België

2


Top