EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32002R1360

Verordening (EG) nr. 1360/2002 van de Commissie van 13 juni 2002 betreffende de zevende aanpassing aan de vooruitgang van de techniek van Verordening (EEG) nr. 3821/85 van de Raad betreffende het controleapparaat in het wegvervoer (Voor de EER relevante tekst)

OJ L 207, 5.8.2002, p. 1–252 (ES, DA, DE, EL, EN, FR, IT, NL, PT, FI, SV)
Special edition in Czech: Chapter 07 Volume 006 P. 279 - 530
Special edition in Estonian: Chapter 07 Volume 006 P. 279 - 530
Special edition in Latvian: Chapter 07 Volume 006 P. 279 - 530
Special edition in Lithuanian: Chapter 07 Volume 006 P. 279 - 530
Special edition in Hungarian Chapter 07 Volume 006 P. 279 - 530
Special edition in Maltese: Chapter 07 Volume 006 P. 279 - 530
Special edition in Polish: Chapter 07 Volume 006 P. 279 - 530
Special edition in Slovak: Chapter 07 Volume 006 P. 279 - 530
Special edition in Slovene: Chapter 07 Volume 006 P. 279 - 530
Special edition in Bulgarian: Chapter 07 Volume 010 P. 3 - 254
Special edition in Romanian: Chapter 07 Volume 010 P. 3 - 254
Special edition in Croatian: Chapter 07 Volume 018 P. 11 - 262

No longer in force, Date of end of validity: 28/02/2014; opgeheven door 32014R0165 . Latest consolidated version: 25/08/2002

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2002/1360/oj

5.8.2002   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 207/1


VERORDENING (EG) Nr. 1360/2002 VAN DE COMMISSIE

van 13 juni 2002

betreffende de zevende aanpassing aan de vooruitgang van de techniek van Verordening (EEG) nr. 3821/85 van de Raad betreffende het controleapparaat in het wegvervoer

(Voor de EER relevante tekst)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EEG) nr. 3821/85 van de Raad van 20 december 1985 betreffende het controleapparaat in het wegvervoer (1), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2135/98 (2), en met name op de artikelen 17 en 18,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De technische specificaties van bijlage I B bij Verordening (EEG) nr. 3821/85 moeten worden aangepast aan de technische vooruitgang, in het bijzonder met het oog op de algemene veiligheid van het systeem en de interoperabiliteit tussen het controleapparaat en de bestuurderskaarten.

(2)

De aanpassing van de apparatuur vereist tevens een aanpassing van bijlage II bij Verordening (EEG) nr. 3821/85, waarin de goedkeuringsmerken en -certificaten zijn omschreven.

(3)

Het bij artikel 18 van Verordening (EEG) nr. 3821/85 ingestelde comité heeft geen advies uitgebracht over de in het voorstel vervatte maatregelen en de Commissie heeft dan ook aan de Raad een voorstel in verband met deze maatregelen voorgelegd.

(4)

Bij het aflopen van de termijn vastgesteld in artikel 18, lid 5, onder b), van Verordening (EEG) nr. 3821/85, had de Raad geen besluit genomen en het is derhalve aan de Commissie deze maatregelen vast te stellen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De bijlage bij Verordening (EG) nr. 2135/98 wordt vervangen door de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Bijlage II bij Verordening (EEG) nr. 3821/85 wordt als volgt gewijzigd:

1.

Hoofdstuk I, punt 1, eerste alinea, wordt als volgt gewijzigd:

Het onderscheidingsteken voor Griekenland „GR” wordt vervangen door „23”;

Het onderscheidingsteken voor Ierland „IRL” wordt vervangen door „24”;

Het onderscheidingsnummer „12” wordt toegevoegd voor Oostenrijk;

Het onderscheidingsnummer „17” wordt toegevoegd voor Finland;

Het onderscheidingsnummer „5” wordt toegevoegd voor Zweden.

2.

Hoofdstuk I, punt 1, tweede alinea, wordt als volgt gewijzigd:

De woorden „of van een tachograafkaart” worden tussengevoegd na het woord „registratieblad”.

3.

Hoofdstuk I, punt 2, wordt als volgt gewijzigd:

De woorden „en op elke tachograafkaart” worden tussengevoegd na het woord „registratieblad”.

4.

In hoofdstuk II worden de volgende woorden aan de titel toegevoegd „VOOR PRODUCTEN DIE VOLDOEN AAN BIJLAGE I”.

5.

Het volgende hoofdstuk III wordt toegevoegd:

„III.   GOEDKEURINGSCERTIFICAAT VOOR PRODUCTEN DIE VOLDOEN AAN BIJLAGE I B

De staat die de goedkeuring heeft afgegeven, verleent de aanvrager een goedkeuringscertificaat volgens onderstaand model. Voor de mededeling aan de overige lidstaten van afgegeven goedkeuringen of eventuele intrekkingen gebruikt elke lidstaat kopieën van dit document.

Image

.

Artikel 3

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 13 juni 2002.

Voor de Commissie

Loyola DE PALACIO

Vice-voorzitster


(1)  PB L 370 van 31.12.1985, blz. 8.

(2)  PB L 274 van 9.10.1998, blz. 1.


BIJLAGE

BIJLAGE I B

CONSTRUCTIE-, BEPROEVINGS-, INSTALLATIE- EN CONTROLEVOORSCHRIFTEN

Teneinde de interoperabiliteit van de software van de in deze bijlage omschreven apparatuur te behouden, zijn bepaalde afkortingen, termen en uitdrukkingen op het gebied van informatica in de tekst opgenomen in de taal van het origineel, namelijk het Engels. Bij bepaalde uitdrukkingen is voor de duidelijkheid tussen haakjes een letterlijke vertaling toegevoegd.

INHOUD

I.

DEFINITIES 8

II.

ALGEMENE KENMERKEN EN FUNCTIES VAN HET CONTROLEAPPARAAT 12

1.

Algemene kenmerken 12

2.

Functies 12

3.

Werkingsmodi 13

4.

Beveiliging 14

III.

FUNCTIONELE EN CONTRUCTIE-EISEN AAN HET CONTROLEAPPARAAT 14

1.

Bewaking van het inbrengen en uitnemen van controlekaarten 14

2.

Meting van snelheid en afgelegde afstand 14

2.1.

Meting van de afgelegde afstand 15

2.2.

Meting van de snelheid 15

3.

Tijdmeting 15

4.

Controleren van de activiteiten van de bestuurder 16

5.

Controleren van de status van de bestuurders 16

6.

Handmatige invoer door de bestuurders 16

6.1.

Invoer van begin- en eindpunt van de dagelijkse werkperiode 16

6.2.

Handmatige invoer van de activiteiten van de bestuurder 16

6.3.

Invoer van specifieke omstandigheden 18

7.

Beheer van bedrijfsvergrendelingen 18

8.

Bewaking van controleactiviteiten 18

9.

Detecteren van voorvallen en/of fouten 18

9.1.

„Inbrengen van een ongeldige kaart” 18

9.2.

„kaartconflict” 19

9.3.

„Tijdsoverlapping” 19

9.4.

„Rijden zonder een geschikte kaart” 19

9.5.

„Inbrengen van de kaart tijdens het rijden” 19

9.6.

„Laatste kaartsessie niet correct afgesloten” 19

9.7.

„Snelheidsoverschrijding” 19

9.8.

„Onderbreking van de stroomvoorziening” 20

9.9.

„Fout in de bewegingsgegevens” 20

9.10.

„Poging tot inbreuk op de beveiliging” 20

9.11.

„Kaart”-fout 20

9.12.

„Controleapparaat”-fout 20

10.

Ingebouwde beproeving en zelfbeproeving 20

11.

Lezen van het geheugen 21

12.

Registratie en opslag in het geheugen 21

12.1.

Identificatiegegevens van het apparaat 21

12.1.1.

Identificatiegegevens van de voertuigunit 21

12.1.2.

Identificatiegegevens van de bewegingsopnemer 22

12.2.

Beveiligingselementen 22

12.3.

Gegevens over het inbrengen en uitnemen van de bestuurderskaart 22

12.4.

Gegevens over de activiteiten van de bestuurder 23

12.5.

Plaatsen waar dagelijkse werkperioden beginnen en/of eindigen 23

12.6.

Gegevens over de kilometerstand 23

12.7.

Gedetailleerde snelheidsgegevens 23

12.8.

Gegevens over voorvallen 23

12.9.

Gegevens over fouten 25

12.10.

Kalibreringsgegevens 26

12.11.

Tijdafstellingsgegevens 26

12.12.

Gegevens over controleactiviteiten 26

12.13.

Gegevens over bedrijfsvergrendelingen 27

12.14.

Gegevens over overbrengingsactiviteiten 27

12.15.

Gegevens over specifieke omstandigheden 27

13.

Aflezen van de tachograafkaart 27

14.

Registratie en opslag op een tachograafkaart 27

15.

Visuele weergave 28

15.1

Standaardleesvenster 28

15.2.

Waarschuwingsleesvenster 29

15.3.

Toegang tot het menu 29

15.4.

Andere leesvensters 29

16.

Afdrukken 29

17.

Waarschuwingssignalen 30

18.

Overbrengen van gegevens naar externe media 31

19.

Uitvoeren van gegevens naar additionele externe inrichtingen 31

20.

Kalibrering 32

21.

Tijdafstelling 32

22.

Prestatiekenmerken 32

23.

Materialen 32

24.

Aanduidingen 33

IV.

FUNCTIONELE EN CONSTRUCIE-EISEN VOOR TACHOGRAAFKAARTEN 33

1.

Zichtbare gegevens 33

2.

Beveiliging 36

3.

Normen 36

4.

Milieu- en elektrotechnische specificaties 36

5.

Gegevensopslag 36

5.1.

Identificatie van de kaart en veiligheidsgegevens 37

5.1.1.

Toepassingsidentificatie 37

5.1.2.

Chipidentificatie 37

5.1.3.

IC-kaartidentificatie 37

5.1.4.

Beveiligingselementen 37

5.2.

Bestuurderskaart 37

5.2.1.

Kaartidentificatie 37

5.2.2.

Identificatie van de kaarthouder 38

5.2.3.

Informatie over het rijbewijs 38

5.2.4.

Gegevens over het gebruik van voertuigen 38

5.2.5.

Gegevens over de activiteiten van de bestuurder 38

5.2.6.

Plaatsen waar dagelijkse werkperioden beginnen en/of eindigen 39

5.2.7.

Gegevens over voorvallen 39

5.2.8.

Gegevens over fouten 40

5.2.9.

Gegevens over controleactiviteiten 40

5.2.10.

Gegevens over kaartsessies 40

5.2.11.

Gegevens over specifieke omstandigheden 40

5.3.

Werkplaatskaart 41

5.3.1.

Beveiligingselementen 41

5.3.2.

Kaartidentificatie 41

5.3.3.

Identificatie van de kaarthouder 41

5.3.4.

Gegevens over het geburik van voertuigen 41

5.3.5.

Gegevens over de activiteiten van de bestuurder 41

5.3.6.

Gegevens over begin en einde van dagelijkse werkperioden 41

5.3.7.

Gegevens over voorvallen en fouten 41

5.3.8.

Gegevens over controleactiviteiten 41

5.3.9.

Gegevens over kalibrering en tijdafstelling 42

5.3.10.

Gegevens over specifieke omstandigheden 42

5.4.

Controlekaart 42

5.4.1.

Kaartidentificatie 42

5.4.2.

Identificatie van de kaarthouder 42

5.4.3.

Gegevens over controleactiviteiten 42

5.5.

Bedrijfskaart 43

5.5.1.

Kaartidentificatie 43

5.5.2.

Identificatie van de kaarthouder 43

5.5.3.

Gegevens over bedrijfsactiviteiten 43

V.

INSTALLATIE VAN HET CONTROLEAPPARAAT 43

1.

Installatie 43

2.

Installatieplaatje 44

3.

Verzegeling 44

VI.

CONTROLES, INSPECTIES EN REPARATIES 45

1.

Erkenning van installateurs of werkplaatsen 45

2.

Controle van nieuwe of herstelde inrichtingen 45

3.

Controle van de installatie 45

4.

Periodieke controles 45

5.

Vaststelling van afwijkingen 46

6.

Reparaties 46

VII.

KAARTAFGIFTE 46

VIII.

GOEDKEURING VAN HET CONTROLEAPPARAAT EN DE TACHOGRAAFKAARTEN 46

1.

Algemeen 46

2.

Veiligheidscertificaat 47

3.

Functiecertificaat 47

4.

Interoperabiliteitscertificaat 47

5.

Typegoedkeuringscertificaat 48

6.

Bijzondere procedure: eerste interoperabiliteitscertificaten 48

Appendix 1:

Verklarende woordenlijst van de gegevens

Appendix 2:

Specificatie van tachograafkaarten

Appendix 3:

Pictogrammen

Appendix 4:

Afdrukken

Appendix 5:

Leesvenster

Appendix 6:

Externe interfaces

Appendix 7:

Protocollen voor gegevensoverdracht

Appendix 8:

Kalibratieprotocol

Appendix 9:

TYPEGOEDKEURING — LIJST VAN MINIMAAL VEREISTE BEPROEVINGEN

Appendix 10:

ALGEMENE BEVEILIGINGSDOELSTELLINGEN

Appendix 11:

ALGEMENE BEVEILIGINGSMECHANISMEN

I.   DEFINITIES

In deze bijlage wordt verstaan onder:

a)    „activering” : fase waarin het controleapparaat volledig operationeel wordt en alle functies, inclusief veiligheidsfuncties, uitvoert;

Het activeren van een controleapparaat vereist het gebruik van een werkplaatskaart en het invoeren van de pincode.

b)    „authenticatie” : een functie bestemd voor het vaststellen en verifiëren van een opgegeven identiteit;

c)    „authenticiteit” : de eigenschap dat informatie afkomstig is van een persoon wiens identiteit kan worden geverifieerd;

d)    „ingebouwd beproevingssysteem (BIT)” : beproevingen die op verzoek worden uitgevoerd en door de bestuurder of een externe inrichting gestart worden;

e)    „kalenderdag” : een dag van 00.00 uur tot en met 24.00 uur. Alle kalenderdagen hebben betrekking op de UTC-tijd (gecoördineerde wereldtijd);

f)    „kalibrering” : het bijwerken of bevestigen van voertuigparameters die in het geheugen opgeslagen zijn. Voertuigparameters zijn onder andere voertuigidentificatie (VIN-nummer, kentekennummer en de lidstaat van registratie) en voertuigkenmerken (w, k, l, bandenmaat, snelheidsbegrenzer (indien van toepassing), actuele UTC-tijd, actuele kilometerstand);

Voor het kalibreren van een controleapparaat is een werkplaatskaart nodig.

g)    „kaartnummer” : een nummer van 16 alfanumerieke tekens dat een tachograafkaart binnen een lidstaat op unieke wijze identificeert. Het kaartnummer omvat een opeenvolgende index (indien van toepassing), een vervangingsindex en een vernieuwingsindex;

Een kaart wordt dus op unieke wijze door de code van de lidstaat van afgifte en het kaartnummer geïdentificeerd.

h)    „opeenvolgende index van de kaart” : het 14e teken van een kaartnummer, dat wordt gebruikt om de verschillende kaarten te onderscheiden die afgegeven zijn aan een bedrijf of aan een instantie die meerdere tachograafkaarten mag bezitten. Het bedrijf of de instantie wordt op unieke wijze door de eerste 13 tekens van het kaartnummer geïdentificeerd;

i)    „vernieuwingsindex van de kaart” : het 16e alfanumerieke teken van een kaartnummer, dat bij elke vernieuwing van een tachograafkaart verhoogd wordt;

j)    „vervangingsindex van de kaart” : het 15e alfanumerieke teken van een kaartnummer, dat bij elke vervanging van een tachograafkaart verhoogd wordt;

k)    „kenmerkende coëfficiënt van het voertuig” : het getal dat de waarde aangeeft van het uitgangssignaal van het onderdeel van het voertuig (secundaire as van de versnellingsbak of wiel van voertuig) dat is verbonden met het controleapparaat wanneer het voertuig de afstand van één kilometer aflegt, gemeten onder normale beproevingsomstandigheden (zie hoofdstuk VI.5). De kenmerkende coëfficiënt wordt in impulsen per kilometer (w = … imp/km) uitgedrukt;

l)    „bedrijfskaart” : een door de autoriteiten van een lidstaat aan de eigenaar of houder van met het controleapparaat uitgeruste voertuigen afgegeven tachograafkaart;

De bedrijfskaart identificeert het bedrijf en met de bedrijfskaart kunnen de in het controleapparaat van dit bedrijf opgeslagen gegevens zichtbaar gemaakt, overgebracht en afgedrukt worden.

m)    „constante van het controleapparaat” : het getal dat de waarde aangeeft van het ingangssignaal dat nodig is ter aanwijzing en registratie van een afgelegde afstand van één kilometer; deze constante moet in impulsen per kilometer (k = … imp/km) worden uitgedrukt;

n)    „rijtijdperiode” wordt in het controleapparaat berekend als  (1) : de op dat moment verzamelde rijtijden van elke bestuurder afzonderlijk sinds de laatste BESCHIKBAARHEID of RUSTPAUZE of ONBEKENDE (2) periode van 45 minuten of meer (deze periode kan in een aantal periodes van 15 minuten of meer worden opgedeeld). De betreffende berekeningen houden, indien nodig, rekening met eerdere op de bestuurderskaart opgeslagen activiteiten. Wanneer de bestuurder zijn kaart niet heeft ingebracht, zijn de betreffende berekeningen gebaseerd op de geheugenregistraties over de lopende periode waarin geen kaart ingebracht was, en met betrekking tot de relevante lezer;

o)    „controlekaart” : een door de autoriteiten van een lidstaat aan de bevoegde autoriteiten afgegeven tachograafkaart;

De controlekaart identificeert de controle-instantie en mogelijk de met de controle belaste ambtenaar en verschaft toegang tot de in het geheugen of op de bestuurderskaart opgeslagen gegevens om deze te lezen, af te drukken en/of over te brengen.

p)    „cumulatieve rusttijd” wordt in het controleapparaat berekend als  (1) : de cumulatieve onderbreking van de rijtijd wordt berekend als de op dat moment verzamelde BESCHIKBAARHEID of RUSTPAUZE of ONBEKENDE (2) perioden van 15 minuten of meer van elke bestuurder afzonderlijk, sinds zijn laatste BESCHIKBAARHEID of RUSTPAUZE of ONBEKENDE (2) periode van 45 minuten of meer (deze periode kan in een aantal periodes van 15 minuten of meer worden opgedeeld).

De betreffende berekeningen houden, indien nodig, rekening met eerdere op de bestuurderskaart opgeslagen activiteiten. Bij de berekening wordt geen rekening gehouden met onbekende periodes van negatieve duur (begin van een onbekende periode > einde van een onbekende periode) ten gevolge van tijdsoverlapping tussen twee verschillende controleapparaten.

Wanneer de bestuurder zijn kaart niet heeft ingebracht, zijn de betreffende berekeningen gebaseerd op de geheugenregistraties met betrekking tot de lopende periode waarin geen kaart ingebracht was, en met betrekking tot de relevante lezer;

q)    „geheugen” : een elektronisch geheugenmedium dat in het controleapparaat ingebouwd is;

r)    „digitale handtekening” : gegevens toegevoegd aan, of een cryptografische transformatie van een gegevensblok waarmee de ontvanger van de gegevens de authenticiteit en integriteit van de gegevens kan verifiëren;

s)    „overbrengen” : het kopiëren, samen met een digitale handtekening, van (een gedeelte van) de gegevens die in het geheugen van het voertuig of in het geheugen van de tachograafkaart opgeslagen zijn;

Bij het overbrengen mogen opgeslagen gegevens niet gewijzigd of gewist worden.

t)    „bestuurderskaart” : een door de autoriteiten van een lidstaat aan elke bestuurder afzonderlijk afgegeven tachograafkaart;

De bestuurderskaart identificeert de bestuurder en registreert de activiteiten van de bestuurder.

u)    „effectieve omtrek van de wielbanden” : gemiddelde afstand, afgelegd door elk van de wielen die het voertuig aandrijven, (aandrijfwielen) bij een volledige omwenteling. Het meten van deze afstanden moet geschieden onder normale beproevingsomstandigheden (hoofdstuk VI.5) en wordt als volgt uitgedrukt: „l = … mm”. Voertuigfabrikanten kunnen het meten van deze afstanden vervangen door een theoretische calculatie waarbij wordt uitgegaan van de verdeling van het gewicht op de assen, ongeladen voertuig in normale rijklare toestand (3). De methoden voor deze theoretische calculatie moeten door de bevoegde autoriteit van de lidstaat worden goedgekeurd;

v)    „voorval” : een door het controleapparaat ontdekt abnormaal functioneren dat mogelijk het gevolg is van een fraudepoging;

w)    „fout” : een door het controleapparaat ontdekt abnormaal functioneren dat mogelijk het gevolg is van een slechte werking van of storing in het apparaat;

x)    „installatie” : het plaatsen van het controleapparaat in een voertuig;

y)    „bewegingsopnemer” : deel van het controleapparaat dat een signaal afgeeft betreffende de snelheid van het voertuig en/of de afgelegde afstand;

z)    „ongeldige kaart” : een kaart die ongeldig is of waarvan de eerste authenticatie mislukt is, of waarvan de geldigheidsuur nog niet begonnen is of reeds verstreken is;

aa)    „niet verplicht” : wanneer het gebruik van het controleapparaat volgens de bepalingen van Verordening (EEG) nr. 3820/85 van de Raad niet vereist is.

bb)    „snelheidsoverschrijding” : overschrijding van de toegestane maximumsnelheid van het voertuig, omschreven als een periode van meer dan 60 seconden waarin de gemeten snelheid van het voertuig de maximumsnelheid waarop de snelheidsbegrenzer is afgesteld overschrijdt, zoals vastgelegd in Richtlijn 92/6/EEG van de Raad van 10 februari 1992 betreffende de installatie en het gebruik, in de Gemeenschap, van snelheidsbegrenzers in bepaalde categorieën motorvoertuigen (4).

cc)    „periodieke controle” : een reeks verrichtingen die worden uitgevoerd om te controleren of het controleapparaat goed werkt en de instellingen overeenkomen met de voertuigparameters;

dd)    „printer” : deel van het controleapparaat dat opgeslagen gegevens afdrukt;

ee)    „controleapparaat” : het volledige in wegvoertuigen in te bouwen apparaat om gegevens betreffende het rijden van deze voertuigen en bepaalde werktijden van hun bestuurder aan te geven en automatisch of semi-automatisch te registreren en op te slaan;

ff)    „vernieuwing” : afgifte van een nieuwe tachograafkaart wanneer een bestaande kaart verlopen of defect is en teruggestuurd is naar de autoriteit van afgifte. Vernieuwing geeft altijd de zekerheid dat er geen twee geldige kaarten zijn;

gg)    „reparatie” : reparatie van een bewegingsopnemer of van een voertuigunit die moet worden losgekoppeld van de stroomvoorziening of van andere componenten van het controleapparaat, of die moet worden geopend;

hh)    „vervanging” : afgifte van een tachograafkaart ter vervanging van een bestaande kaart, die als verloren, gestolen of defect gemeld is en die niet teruggestuurd is naar de autoriteit van afgifte. Bij vervanging bestaat altijd het risico dat twee geldige kaarten in omloop zijn;

ii)    „veiligheidscertificatie” : proces ter certificering, door een certificeringsinstantie van de ITSEC (5), dat het onderzochte controleapparaat (of een component daarvan) of de tachograafkaart voldoet aan de veiligheidseisen zoals vastgelegd in appendix 10 Algemene veiligheidsdoelstellingen;

jj)    „zelfbeproeving” : beproevingen die het controleapparaat periodiek en automatisch uitvoert om fouten te ontdekken;

kk)    „tachograafkaart” : smartcard voor gebruik in het controleapparaat. Het controleapparaat kan door middel van een tachograafkaart de identiteit (of identiteitsgroep) van de kaarthouder vaststellen en gegevens verzenden en opslaan. Een tachograafkaart is er in de volgende uitvoeringen:

bestuurderskaart,

controlekaart,

werkplaatskaart,

bedrijfskaart;

ll)    „typegoedkeuring” : een proces ter certificering, door een lidstaat, dat het onderzochte controleapparaat (of een component daarvan) of de tachograafkaart voldoet aan de eisen van deze verordening;

mm)    „bandenmaat” : de omschrijving van de afmetingen van de banden (externe aandrijfwielen) overeenkomstig Richtlijn 92/23/EEG (6);

nn)    „identificatienummer van het voertuig” : nummers die het voertuig identificeren: het kentekennummer van het voertuig met een indicatie van de lidstaat van registratie en het Voertuigidentificatienummer (VIN-nummer) (7);

oo)    „voertuigunit (VU)” : het controleapparaat met uitzondering van de bewegingsopnemer en de kabels waarmee de bewegingsopnemer aangesloten is. De voertuigunit mag uit een enkele unit bestaan of uit verscheidene units verspreid over het voertuig, mits de voertuigunit voldoet aan de veiligheidseisen van deze verordening;

pp)    voor de berekening in het controleapparaat betekent „week” : het tijdvak tussen maandag 00.00 uur UTC-tijd en zondag 24.00 uur UTC-tijd;

qq)    „werkplaatskaart” : een door de autoriteiten van een lidstaat aan een fabrikant van controleapparatuur, een installateur, een voertuigfabrikant of werkplaats afgegeven en door die lidstaat goedgekeurde tachograafkaart.

De werkplaatskaart identificeert de kaarthouder en met de werkplaatskaart kan het controleapparaat beproefd en gekalibreerd worden en/of kunnen gegevens worden overgebracht.

II.   ALGEMENE KENMERKEN EN FUNCTIES VAN HET CONTROLEAPPARAAT

000
Ieder met het controleapparaat uitgerust voertuig dat voldoet aan de bepalingen van deze bijlage, moet voorzien zijn van een aanwijsinrichting voor de snelheid en een kilometerteller. Deze functies kunnen in het controleapparaat worden opgenomen.

1.   Algemene kenmerken

Het controleapparaat moet gegevens betreffende de activiteiten van de bestuurder kunnen registreren, opslaan, tonen, afdrukken en uitvoeren.

001
Het controleapparaat bestaat uit kabels, een bewegingsopnemer en een voertuigunit.

002
De voertuigunit bestaat uit een verwerkingseenheid, een geheugen, een tijdklok, twee smartcard-interfaces (bestuurder en bijrijder), een printer, een leesvenster, een visueel waarschuwingssignaal, een kalibrerings-/overbrengingsverbinding en voorzieningen voor de invoer van gebruikersgegevens.

Het controleapparaat kan door middel van additionele verbindingen aan andere inrichtingen worden gekoppeld.

003
Elke integratie of verbinding van een al of niet goedgekeurde functie, inrichting of inrichtingen in c.q. met het controleapparaat mag de juiste en veilige werking van het controleapparaat niet schaden of kunnen schaden en mag niet in strijd zijn met de bepalingen van de Verordening.

Gebruikers van controleapparaten identificeren zich door middel van een tachograafkaart.

004
Het controleapparaat geeft selectieve toegangsrechten tot gegevens en functies overeenkomstig het type en/of de identiteit van de gebruiker.

Het controleapparaat registreert en slaat gegevens op in het geheugen en op de tachograafkaart.

Dit gebeurt in overeenstemming met Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (8).

2.   Functies

005
Het controleapparaat moet onderstaande functies kunnen uitvoeren:

bewaken van inbrengen en uitnemen van de kaart,

opnemen van snelheid en afstand,

opnemen van de tijd,

bewaken van de activiteiten van de bestuurder,

bewaken van de status van de bestuurders,

handmatige invoer door de bestuurders:

invoer van gegevens over begin- en eindpunt van de dagelijkse werkperiode,

handmatige invoer van de activiteiten van de bestuurder,

invoer van specifieke omstandigheden,

beheer van de bedrijfsvergrendelingen,

bewaken van controleactiviteiten,

detecteren van voorvallen en/of fouten,

ingebouwde beproeving en zelfbeproeving,

lezen van het geheugen,

registreren en opslaan in het geheugen,

lezen van de tachograafkaart,

registreren en opslaan op de tachograafkaart,

tonen,

afdrukken,

waarschuwen,

gegevens overbrengen naar externe media,

gegevens uitvoeren naar additionele externe inrichtingen,

kalibrering,

tijdafstelling.

3.   Werkingsmodi

006
Het controleapparaat heeft vier werkingsmodi:

operationele modus,

controlemodus,

kalibreringsmodus,

bedrijfsmodus.

007
Het controleapparaat wisselt naar de volgende werkingsmodus overeenkomstig de geldige tachograafkaart die in de kaartinterface ingebracht is:

Werkingsmodus

Lezer bestuurder

Geen kaart

Bestuurderskaart

Controlekaart

Werkplaatskaart

Bedrijfskaart

Lezer van de bijrijder

Geen kaart

Operationeel

Operationeel

Controle

Kalibrering

Bedrijf

Bestuurderskaart

Operationeel

Operationeel

Controle

Kalibrering

Bedrijf

Controlekaart

Controle

Controle

Controle (9)

Operationeel

Operationeel

Werkplaatskaart

Kalibrering

Kalibrering

Operationeel

Kalibrering (9)

Operationeel

Bedrijfskaart

Bedrijf

Bedrijf

Operationeel

Operationeel

Bedrijf (9)

009
Het controleapparaat negeert ingebrachte ongeldige kaarten. Het blijft echter mogelijk om gegevens op ongeldige kaarten zichtbaar te maken, af te drukken of over te brengen.

010
Alle functies vermeld onder II.2 werken in iedere werkingsmodus met de onderstaande uitzonderingen:

de kalibreringsfunctie is alleen toegankelijk in de kalibreringsmodus,

de tijdafstellingsfunctie is beperkt buiten de kalibreringmodus,

handmatige invoer door de bestuurder kan alleen plaatsvinden in de operationele modus of de kalibreringsmodus,

de beheersfunctie van bedrijfsvergrendelingen is alleen toegankelijk in de bedrijfsmodus,

het bewaken van controleactiviteiten werkt alleen in de controlemodus,

de overbrengingsfunctie is niet toegankelijk in de operationele modus (behoudens het bepaalde in voorschrift 150).

011
Het controleapparaat kan gegevens uitvoeren naar leesvenster, printer of externe interfaces met de onderstaande uitzonderingen:

in de operationele modus: persoonsidentificatie (naam en voornaam(namen)) die niet overeenkomt met een ingebrachte tachograafkaart, wordt niet getoond en een kaartnummer dat niet overeenkomt met een ingebrachte tachograafkaart wordt gedeeltelijk niet getoond (alle oneven tekens — gelezen van links naar rechts — worden niet getoond)

in de bedrijfsmodus: gegevens over de bestuurder (voorschriften 081, 084 en 087) kunnen alleen worden uitgevoerd tijdens perioden die niet door een ander bedrijf zijn vergrendeld (zoals geïdentificeerd door de eerste 13 cijfers van het bedrijfskaartnummer),

wanneer geen kaart in het controleapparaat ingebracht is: gegevens over de bestuurder kunnen alleen worden uitgevoerd voor de huidige en de 8 voorafgaande kalenderdagen.

4.   Beveiliging

De systeembeveiliging beoogt het geheugen zodanig te beveiligen dat niet geautoriseerde toegang tot en manipulatie van de gegevens wordt voorkomen en dat pogingen daartoe worden ontdekt, en dat de integriteit en authenticiteit van uitgewisselde gegevens tussen de bewegingsopnemer en de voertuigunit en de integriteit en authenticiteit van uitgewisselde gegevens tussen het controleapparaat en de tachograafkaart worden beveiligd en de integriteit en authenticiteit van overgebrachte gegevens geverifieerd worden.

012
Om de systeemveiligheid te realiseren, moet het controleapparaat voldoen aan de beveiligingseisen zoals gespecificeerd in de algemene beveiligingsdoelstellingen voor de bewegingsopnemer en voertuigunit (appendix 10).

III.   FUNCTIONELE EN CONSTRUCTIE-EISEN AAN HET CONTROLEAPPARAAT

1.   Bewaking van het inbrengen en uitnemen van controlekaarten

013
Het controleapparaat bewaakt de kaartinterfaces om het inbrengen en uitnemen van kaarten te detecteren.

014
Bij het inbrengen van de kaart moet het controleapparaat bepalen of de ingebrachte kaart een geldige tachograafkaart is; indien dit het geval is, wordt het kaarttype geïdentificeerd.

015
Het controleapparaat wordt zodanig geconstrueerd dat de tachograafkaart bij juiste invoer in de kaartinterface vergrendeld wordt.

016
De tachograafkaart kan alleen worden uitgenomen wanneer het voertuig stilstaat en nadat de relevante gegevens op de kaart opgeslagen zijn. Het uitnemen van de kaart vereist een doelgerichte handeling van de gebruiker.

2.   Meting van snelheid en afgelegde afstand

017
Deze functie meet continu de kilometerstand die overeenkomt met de totale door het voertuig afgelegde afstand en kan deze weergeven.

018
Deze functie meet continu en geeft de snelheid van het voertuig.

019
De snelheidsmeter geeft ook aan of het voertuig rijdt of stilstaat. Het voertuig rijdt wanneer de functie gedurende ten minste 5 seconden meer dan 1 imp/s van de bewegingsopnemer waarneemt; als dit niet het geval is, wordt aangenomen dat het voertuig stilstaat.

Inrichtingen die snelheid (tachometer) en totale afgelegde afstand (kilometerteller) zichtbaar maken en geïnstalleerd zijn in een voertuig dat uitgerust is met een controleapparaat dat voldoet aan de bepalingen van deze verordening, moeten voldoen aan de eisen betreffende de maximumtoleranties die vastgelegd zijn in deze bijlage (hoofdstuk III.2.1 en III.2.2).

2.1.   Meting van de afgelegde afstand

020
De afgelegde afstand kan worden gemeten:

hetzij bij vooruitrijden en achteruitrijden,

hetzij uitsluitend bij vooruitrijden.

021
Het controleapparaat moet afstanden van 0 tot 9 999 999,9 km meten.

022
De gemeten afstand moet binnen de onderstaande toleranties liggen (afstanden van ten minste 1 000 m):

± 1 % vóór installatie,

± 2 % bij installatie en periodieke controle,

± 4 % tijdens gebruik.

023
De resolutie van de gemeten afstand bedraagt ten minste 0,1 km.

2.2.   Meting van de snelheid

024
Het controleapparaat moet snelheden van 0 tot 220 km/h meten.

025
Om een maximumtolerantie op de getoonde snelheid van ± 6 km/h tijdens gebruik te garanderen en rekening houdend met:

een tolerantie van ± 2 km/h voor invoervariaties (bandenvariaties, …),

een tolerantie van ± 1 km/h voor metingen gedurende de installatie of periodieke controles,

moet het controleapparaat bij snelheden tussen 20 en 180 km/h en bij kenmerkende coëfficiënten van het voertuig tussen 4 000 en 25 000 imp/km de snelheid meten met een tolerantie van ± 1 km/h (bij constante snelheid).

Opmerking: De resolutie van de gegevensopslag geeft een additionele tolerantie van 0,5 km/h aan de door het controleapparaat opgeslagen snelheid.

025a
De snelheid moet binnen de normale toleranties correct worden gemeten binnen 2 seconden na het einde van een versnelling wanneer de versnelling maximaal 2 m/s2 bedraagt.

026
De resolutie van de gemeten snelheid bedraagt ten minste 1 km/h.

3.   Tijdmeting

027
De tijdmetingsfunctie moet voortdurend operationeel zijn en de UTC-datum en UTC-tijd digitaal leveren.

028
De UTC-datum en UTC-tijd worden gebruikt voor datering in het controleapparaat (registraties, afdrukken, gegevensuitwisseling, leesvenster, …).

029
Om de plaatselijke tijd zichtbaar te maken, is het mogelijk om de in het leesvenster getoonde tijd in stappen van een half uur te wijzigen.

030
Afwijkingen mogen niet meer dan ± 2 seconden per dag bedragen onder typegoedkeuringsvoorwaarden.

031
De resolutie van de gemeten tijd bedraagt ten minste 1 seconde.

032
De tijdmeting mag niet worden beïnvloed door een externe stroomonderbreking van minder dan 12 maanden onder typegoedkeuringsvoorwaarden.

4.   Controleren van de activiteiten van de bestuurder

033
Deze functie moet voortdurend en afzonderlijk de activiteiten van een bestuurder en een bijrijder controleren.

034
Activiteiten van de bestuurder zijn RIJDEN, WERKEN, BESCHIKBAARHEID of RUSTPAUZE.

035
De bestuurder en/of de bijrijder hebben de mogelijkheid om WERKEN, BESCHIKBAARHEID of RUSTPAUZE handmatig te selecteren.

036
Wanneer het voertuig rijdt, wordt RIJDEN automatisch geselecteerd voor de bestuurder en wordt BESCHIKBAARHEID automatisch geselecteerd voor de bijrijder.

037
Wanneer het voertuig stopt, wordt WERKEN automatisch geselecteerd voor de bestuurder.

038
De eerste verandering van activiteit die zich binnen 120 seconden na de automatische verandering naar WERK ten gevolge van het stoppen van het voertuig voordoet, wordt beschouwd als hebbende plaatsgevonden op het moment van het stoppen van het voertuig (de verandering naar WERK kan om die reden geannuleerd worden).

039
Deze functie moet veranderingen van activiteiten naar de registratiefuncties uitvoeren met een resolutie van een minuut.

040
Wanneer RIJDEN heeft plaatsgevonden binnen een kalenderminuut, dan wordt de hele minuut beschouwd als RIJDEN.

041
Wanneer RIJDEN heeft plaatsgevonden binnen de onmiddellijk voorafgaande en de onmiddellijk volgende kalenderminuut, dan wordt de hele minuut beschouwd als RIJDEN.

042
Wanneer een kalenderminuut niet wordt beschouwd als RIJDEN overeenkomstig de voorgaande bepalingen, dan wordt de hele minuut gerekend als de langste ononderbroken activiteit binnen de minuut (of als de laatste van een aantal even lange activiteiten).

043
Deze functie moet ook voortdurend de rijtijdperiode en de cumulatieve rusttijd van de bestuurder controleren.

5.   Controleren van de status van de bestuurders

044
Deze functie moet voortdurend en automatisch de status van de bestuurders controleren.

045
De status MET EEN PLOEG wordt geselecteerd wanneer twee geldige bestuurderskaarten in het apparaat worden ingebracht, de status ALLEEN wordt in alle andere gevallen geselecteerd.

6.   Handmatige invoer door de bestuurders

6.1.   Invoer van begin- en eindpunt van de dagelijkse werkperiode

046
Met deze functie kan het begin- en eindpunt van de dagelijkse werkperiode van een bestuurder en/of een bijrijder worden ingevoerd.

047
Plaatsen worden gedefinieerd als het land en — voorzover relevant — de regio.

048
Op het moment van uitnemen van een bestuurderskaart (of werkplaatskaart) moet het controleapparaat de bestuurder (bijrijder) vragen een „plaats waar de dagelijkse werkperiode eindigt” in te voeren.

049
Dit verzoek kan in het controleapparaat genegeerd worden.

050
Het is mogelijk om plaatsen waar de dagelijkse werkperiode begint en/of eindigt, zonder kaart in te voeren, of om ze in te voeren op andere tijdstippen dan tijdens het inbrengen of uitnemen van de kaart.

6.2.   Handmatige invoer van de activiteiten van de bestuurder

050a
Bij het inbrengen van de bestuurderskaart (of werkplaatskaart) — en alleen op dat moment — moet het controleapparaat:

de kaarthouder de datum en tijd van zijn laatste kaartuitneming doorgeven en,

de kaarthouder vragen zich te identificeren wanneer de huidige kaartinvoer een voortzetting van de lopende dagelijkse werkperiode inhoudt.

De kaarthouder kan de vraag onbeantwoord laten of positief dan wel negatief antwoorden:

als de kaarthouder de vraag negeert, vraagt het controleapparaat de kaarthouder naar een „plaats waar de dagelijkse werkperiode begint”. Deze vraag kan in het controleapparaat genegeerd worden. Wanneer een plaats wordt ingevoerd, wordt deze geregistreerd in het geheugen en op de tachograafkaart en gerelateerd aan de tijd van kaartinvoer.

in het geval van een positief of negatief antwoord vraagt het controleapparaat aan de kaarthouder om activiteiten handmatig in te voeren, met begin- en einddatum en begin- en eindtijd, waarbij uitsluitend WERKEN, BESCHIKBAARHEID of RUSTPAUZE mogen worden ingevoerd, en zulks uitsluitend voor de periode van de laatste kaartuitneming tot de actuele invoer. Deze activiteiten mogen elkaar niet overlappen. De onderstaande procedures moeten hierbij in acht worden genomen:

Wanneer de kaarthouder positief op de vraag antwoordt, moet het controleapparaat de kaarthouder vragen de activiteiten handmatig in te voeren, in chronologische volgorde, voor de periode na de laatste kaartuitneming tot de actuele invoer. Het proces eindigt wanneer de eindtijd van een handmatig ingevoerde activiteit gelijk is aan de tijd van kaartinvoer.

Als de kaarthouder negatief op de vraag antwoordt, moet het controleapparaat:

De kaarthouder vragen handmatig de activiteiten in chronologische volgorde in te voeren vanaf het tijdstip van kaartuitneming tot het tijdstip van het einde van de betreffende dagelijkse werkperiode (of wanneer de dagelijkse werkperiode doorgaat, het vermelden van de activiteiten met betrekking tot het betrokken voertuig op een registratieblad). Het controleapparaat moet daarom, voordat de kaarthouder iedere activiteit handmatig kan invoeren, de kaarthouder vragen of de eindtijd van de laatst geregistreerde activiteit het einde van een voorafgaande werkperiode weergeeft (zie onderstaande opmerking).

Opmerking: als de kaarthouder verzuimt de eindtijd van de voorafgaande werkperiode op te geven, en handmatig een activiteit invoert waarvan de eindtijd gelijk is aan de tijd van kaartinvoer, dan moet het controleapparaat:

aannemen dat de dagelijkse werkperiode is geëindigd bij het begin van de eerste RUSTPAUZE (of ONBEKENDE periode) na kaartuitneming of op het tijdstip van kaartuitneming wanneer geen rustpauze werd ingevoerd (en wanneer geen periode ONBEKEND is);

aannemen dat de begintijd (zie hieronder) gelijk is aan de tijd van kaartinvoer;

de onderstaande stappen volgen.

Vervolgens, indien de eindtijd van de betreffende werkperiode afwijkt van de tijd van kaartuitneming, of wanneer op dat moment geen plaats van einde van de dagelijkse werkperiode ingevoerd is, de kaarthouder vragen „de plaats waar de dagelijkse werkperiode is geëindigd, te bevestigen of in te voeren” (deze vraag kan in het controleapparaat genegeerd worden). Wanneer een plaats wordt ingevoerd, wordt deze alleen geregistreerd op de tachograafkaart en alleen wanneer deze afwijkt van de plaats die ingevoerd is bij kaartuitneming (indien een plaats werd ingevoerd), en wanneer deze betrekking heeft op de eindtijd van de werkperiode.

Vervolgens de kaarthouder vragen „de begintijd in te voeren” van de lopende dagelijkse werkperiode (of van de activiteiten met betrekking tot het onderhavige voertuig wanneer de kaarthouder eerder een registratieblad tijdens deze periode gebruikte) en de kaarthouder verzoeken om een „plaats waar de dagelijkse werkperiode begint” (deze vraag kan in het controleapparaat genegeerd worden). Wanneer een plaats wordt ingevoerd, wordt deze geregistreerd op de tachograafkaart en gerelateerd aan deze begintijd. Wanneer deze begintijd gelijk is aan de tijd van kaartinvoer, dan wordt de plaats ook in het geheugen geregistreerd.

Vervolgens, wanneer deze begintijd afwijkt van de tijd van kaartinvoer, de kaarthouder vragen om handmatig activiteiten in chronologische volgorde in te voeren vanaf deze begintijd tot de tijd van kaartinvoer. Het proces eindigt wanneer de eindtijd van een handmatig ingevoerde activiteit gelijk is aan de tijd van kaartinvoer.

De kaarthouder kan vervolgens een handmatig ingevoerde activiteit in het controleapparaat wijzigen tot de validatie door middel van selectie van een specifieke opdracht. Daarna is een wijziging niet meer mogelijk.

Antwoorden op de eerste vraag waarop geen invoer van activiteiten volgt, worden door het controleapparaat geïnterpreteerd als zijnde genegeerd door de kaarthouder.

Tijdens dit hele proces zal het controleapparaat niet langer dan de onderstaande time-outs wachten op invoer:

wanneer gedurende 1 minuut geen interactie met de manuele interface van het controleapparaat plaatsvindt (met een visueel en mogelijk hoorbaar waarschuwingssignaal na 30 seconden) of,

wanneer de kaart wordt uitgenomen of een andere bestuurderskaart (of werkplaatskaart) ingebracht wordt of,

zodra het voertuig begint te rijden,

in dit geval moet het controleapparaat de reeds ingevoerde gegevens valideren.

6.3.   Invoer van specifieke omstandigheden

050b
De bestuurder kan de twee onderstaande specifieke omstandigheden in real-time in het controleapparaat invoeren:

„NIET VERPLICHT (begin, einde)”

„VERVOER PER VEERBOOT/TREIN”

Een „VERVOER PER VEERBOOT/TREIN” mag niet voorkomen wanneer een „NIET VERPLICHT” omstandigheid geopend is.

Een geopende „NIET VERPLICHT” omstandigheid moet door het controleapparaat automatisch worden gesloten wanneer een bestuurderskaart wordt ingebracht of uitgenomen.

7.   Beheer van bedrijfsvergrendelingen

051
Deze functie beheert de vergrendelingen die een bedrijf aanbrengt, zodat het bedrijf alleen toegang heeft tot de gegevens in de bedrijfsmodus.

052
Bedrijfsvergrendelingen bestaan uit een begindatum/-tijd (lock-in) en een einddatum/-tijd (lock-out) in combinatie met de identiteit van het bedrijf zoals aangegeven door het bedrijfskaartnummer (bij lock-in).

053
Vergrendelingen kunnen alleen in real-time „ingeschakeld” of „uitgeschakeld” worden.

054
Het uitschakelen van de vergrendeling is alleen mogelijk door het bedrijf waarvan de vergrendeling „ingeschakeld” is (zoals geïdentificeerd door de eerste 13 cijfers van het bedrijfskaartnummer), of,

055
het uitschakelen van de vergrendeling gebeurt automatisch wanneer een ander bedrijf de vergrendeling inschakelt.

055a
Indien een bedrijf de vergrendeling inschakelt en de vorige vergrendeling voor hetzelfde bedrijf was, dan wordt aangenomen dat de vorige vergrendeling niet is „uitgeschakeld” en nog steeds is „ingeschakeld”.

8.   Bewaking van controleactiviteiten

056
Deze functie moet controle uitoefenen op het TONEN en AFDRUKKEN, op de activiteit van de VU en KAARTOVERBRENGINGEN die in de controlemodus uitgevoerd worden.

057
Deze functie moet ook controle uitoefenen op de SNELHEIDSOVERSCHRIJDING in de controlemodus. Controle van snelheidsoverschrijding wordt geacht te hebben plaatsgevonden wanneer, in de controlemodus, de afdruk „snelheidsoverschrijding” naar de printer of het leesvenster gezonden is, of wanneer gegevens over „voorvallen en fouten” uit het VU-geheugen worden overgebracht.

9.   Detecteren van voorvallen en/of fouten

058
Deze functie detecteert de onderstaande voorvallen en/of fouten:

9.1.   „Inbrengen van een ongeldige kaart”

059
Dit voorval treedt op bij het inbrengen van een ongeldige kaart en/of wanneer de geldigheid van een ingebrachte kaart verloopt.

9.2.   „Kaartconflict”

060
Dit voorval treedt op wanneer een van de combinaties van geldige kaarten die in de onderstaande tabel met een X gemerkt zijn, voorkomt:

Lezer van de bestuurder

Kaartconflict

Geen kaart

Bestuurderskaart

Controlekaart

Werkplaatskaart

Bedrijfskaart

Lezer van de bijrijder

Geen kaart

 

 

 

 

 

Bestuurderskaart

 

 

 

X

 

Controlekaart

 

 

X

X

X

Werkplaatskaart

 

X

X

X

X

Bedrijfskaart

 

 

X

X

X

9.3.   „Tijdsoverlapping”

061
Dit voorval treedt op wanneer de datum/tijd van de laatste uitneming van een bestuurderskaart, zoals van de kaart wordt gelezen, later is dan de actuele datum/tijd van het controleapparaat waarin de kaart ingebracht is.

9.4.   „Rijden zonder een geschikte kaart”

062
Dit voorval treedt op wanneer een van de combinaties van tachograafkaarten die in de onderstaande tabel met een X gemerkt zijn, voorkomt wanneer de activiteit van de bestuurder verandert in RIJDEN, of wanneer de werkingsmodus tijdens het RIJDEN verandert:

Rijden zonder een geschikte kaart

Lezer van de bestuurder

Geen (of ongeldige) kaart

Bestuurderskaart

Controlekaart

Werkplaatskaart

Bedrijfskaart

Lezer van de bijrijder

Geen (of ongeldige) kaart

X

 

X

 

X

Bestuurderskaart

X

 

X

X

X

Controlekaart

X

X

X

X

X

Werkplaatskaart

X

X

X

 

X

Bedrijfskaart

X

X

X

X

X

9.5.   „Inbrengen van de kaart tijdens het rijden”

063
Dit voorval treedt op wanneer een tachograafkaart tijdens het RIJDEN in een lezer wordt ingebracht.

9.6.   „Laatste kaartsessie niet correct afgesloten”

064
Dit voorval treedt op wanneer het controleapparaat bij kaartinvoer ontdekt dat, niettegenstaande de bepalingen van hoofdstuk III, punt 1, de voorafgaande kaartsessie niet correct afgesloten is (de kaart is uitgenomen voordat alle relevante gegevens op de kaart opgeslagen zijn). Dit voorval mag alleen optreden bij de bestuurderskaart en de werkplaatskaart. In dit geval moet de voertuigunit trachten zoveel mogelijk gegevens op de kaart te interpreteren en te recupereren.

9.7.   „Snelheidsoverschrijding”

065
Dit voorval treedt op bij elke snelheidsoverschrijding.

9.8.   „Onderbreking van de stroomvoorziening”

066
Dit voorval treedt op bij een onderbreking van ten minste 200 milliseconden in de stroomvoorziening van de bewegingsopnemer en/of de voertuigunit, echter niet in de kalibreringsmodus. De drempel van de onderbreking wordt door de fabrikant bepaald. De spanningsval ten gevolge van het starten van de motor van het voertuig mag dit voorval niet veroorzaken.

9.9.   „Fout in de bewegingsgegevens”

067
Dit voorval treedt op in het geval van een onderbreking in de normale gegevensstroom tussen de bewegingsopnemer en de voertuigunit en/of in het geval van een fout in de integriteit van de gegevens of in de authenticatie van de gegevens tijdens de gegevensuitwisseling tussen de bewegingsopnemer en de voertuigunit.

9.10.   „Poging tot inbreuk op de beveiliging”

068
Dit voorval treedt op bij elk ander voorval dat de beveiliging van de bewegingsopnemer en/of de voertuigunit aantast zoals gespecificeerd in de algemene beveiligingsdoelstellingen van deze componenten, echter niet in de kalibreringsmodus.

9.11.   „Kaart”-fout

069
Deze fout wordt veroorzaakt wanneer tijdens de werking een storing in de tachograafkaart optreedt.

9.12.   „Controleapparaat”-fout

070
Deze fout wordt veroorzaakt door de onderstaande storingen, echter niet in de kalibreringsmodus:

VU interne fout

Printerfout

Fout in het leesvenster

Overbrengingsfout

Fout in de opnemer.

10.   Ingebouwde beproeving en zelfbeproeving

071
Het controleapparaat moet zelf fouten detecteren door middel van zelfbeproevingen en ingebouwde beproevingen overeenkomstig onderstaande tabel:

Onderdelen ter beproeving

Zelfbeproeving

Ingebouwde beproeving

Software

 

Integriteit

Geheugen

Toegang

Toegang, gegevensintegriteit

Kaartinterfaces

Toegang

Toegang

Toetsenbord

 

Handmatige controle

Printer

(afhankelijk van de fabrikant)

Afdruk

Leesvenster

 

Visuele controle

Overbrenging (alleen uitgevoerd tijdens het overbrengen)

Correcte werking

 

Opnemer

Correcte werking

Correcte werking

11.   Lezen van het geheugen

072
Het controleapparaat moet alle gegevens kunnen lezen die in zijn geheugen opgeslagen zijn.

12.   Registratie en opslag in het geheugen

In dit punt:

wordt „365 dagen” gedefinieerd als 365 kalenderdagen van gemiddelde activiteit van de bestuurder in een voertuig. De gemiddelde activiteit per dag in een voertuig wordt gedefinieerd als ten minste 6 bestuurders of bijrijders, 6 cycli van kaartinvoer en kaartuitneming en 256 wijzigingen in de activiteiten. „365 dagen” omvat derhalve ten minste 2 190 bestuurders (bijrijders), 2 190 cycli van kaartinvoer en kaartuitneming en 93 440 wijzigingen in de activiteiten;

worden tijden geregistreerd met een resolutie van een minuut, tenzij anders aangegeven;

kilometerstanden worden geregistreerd met een resolutie van een kilometer;

snelheden worden geregistreerd met een resolutie van 1 km/h.

073
De in het geheugen opgeslagen gegevens mogen niet worden beïnvloed door een externe stroomonderbreking van minder dan 12 maanden onder typegoedkeuringsvoorwaarden.

074
Het controleapparaat moet in zijn geheugen impliciet of expliciet de volgende gegevens registreren en opslaan:

12.1.   Identificatiegegevens van het apparaat

12.1.1.   Identificatiegegevens van de voertuigunit

075
Het controleapparaat moet in zijn geheugen de volgende identificatiegegevens van de voertuigunit opslaan:

naam van de fabrikant,

adres van de fabrikant,

onderdeelnummer,

serienummer,

nummer van de softwareversie,

datum van installatie van de softwareversie,

bouwjaar,

goedkeuringsnummer.

076
Identificatiegegevens van de voertuigunit worden door de fabrikant van de voertuigunit definitief geregistreerd en opgeslagen, met uitzondering van softwaregerelateerde gegevens en het goedkeuringsnummer die in geval van een software-upgrade gewijzigd kunnen worden.

12.1.2.   Identificatiegegevens van de bewegingsopnemer

077
De bewegingsopnemer moet in zijn geheugen de volgende identificatiegegevens opslaan:

naam van de fabrikant,

onderdeelnummer,

serienummer,

goedkeuringsmerk,

identificatie van ingebouwde veiligheidscomponent (bijv. onderdeelnummer van de interne chip/verwerkingseenheid),

identificatie van het besturingssysteem (bijv. nummer van de softwareversie).

078
Identificatiegegevens van de bewegingsopnemer worden door de fabrikant van de bewegingsopnemer definitief in de bewegingsopnemer geregistreerd en opgeslagen.

079
De voertuigunit moet in zijn geheugen de volgende gekoppelde identificatiegegevens van de bewegingsopnemer registreren en opslaan:

serienummer,

goedkeuringsnummer,

datum van eerste koppeling.

12.2.   Beveiligingselementen

080
Het controleapparaat moet de volgende beveiligingselementen kunnen opslaan:

Europese openbare sleutel,

lidstaatcertificaat,

apparatuurcertificaat,

individuele sleutel van het apparaat.

De beveiligingselementen van het controleapparaat worden door de fabrikant van de voertuigunit in het apparaat ingebracht.

12.3.   Gegevens over het inbrengen en uitnemen van de bestuurderskaart

081
Telkens wanneer een bestuurders- of werkplaatskaart in het apparaat ingebracht of uitgenomen wordt, moet het controleapparaat in zijn geheugen het volgende registreren en opslaan:

de naam en voornaam van de kaarthouder zoals opgeslagen op de kaart;

het kaartnummer, de lidstaat van afgifte en de vervaldatum zoals opgeslagen op de kaart;

datum en tijd van inbrengen;

de kilometerstand bij kaartinvoer;

de lezer waarin de kaart wordt ingebracht;

datum en tijd van uitnemen;

de kilometerstand bij kaartuitneming;

de volgende informatie over het vorige door de bestuurder gebruikte voertuig zoals opgeslagen op de kaart:

kentekennummer en registerende lidstaat;

datum en tijd van kaartuitneming;

een teken dat aangeeft of de kaarthouder bij kaartinvoer handmatig activiteiten heeft ingevoerd.

082
Het geheugen moet deze gegevens ten minste 365 dagen vasthouden.

083
Wanneer de geheugencapaciteit volledig is gebruikt, komen de meest recente gegevens in de plaats van de oudste gegevens.

12.4.   Gegevens over de activiteiten van de bestuurder

084
Bij elke wijziging in de activiteiten van de bestuurder en/of de bijrijder, bij elke wijziging in de status van de bestuurders en telkens wanneer een bestuurders- of werkplaatskaart ingebracht of uitgenomen wordt, wordt door het controleapparaat het volgende geregistreerd en opgeslagen:

de status van de bestuurders (ALLEEN/MET EEN PLOEG);

de lezer (BESTUURDER, BIJRIJDER);

de status van de kaart in de betreffende lezer (INGEBRACHT, NIET INGEBRACHT) (Zie opmerking);

de activiteiten (RIJDEN, BESCHIKBAARHEID, WERKEN, RUSTPAUZE);

de datum en tijd van de wijziging.

Opmerking: INGEBRACHT betekent dat een geldige bestuurders- of werkplaatskaart in de lezer ingebracht is. NIET INGEBRACHT betekent het tegenovergestelde, d.w.z. er is geen geldige bestuurders- of werkplaatskaart in de lezer ingebracht (er is bijv. wel een bedrijfskaart ingebracht of er is geen kaart ingebracht).

Opmerking: Gegevens over activiteiten die door een bestuurder handmatig worden ingevoerd, worden niet in het geheugen geregistreerd.

085
Het geheugen moet de gegevens over de activiteiten van de bestuurder ten minste 365 dagen vasthouden.

086
Wanneer de geheugencapaciteit volledig is gebruikt, komen de meest recente gegevens in de plaats van de oudste gegevens.

12.5.   Plaatsen waar dagelijkse werkperioden beginnen en/of eindigen

087
Telkens wanneer een bestuurder (bijrijder) een plaats invoert waar een dagelijkse werkperiode begint en/of eindigt, moet het controleapparaat in zijn geheugen registreren en opslaan:

indien van toepassing, het bestuurderskaartnummer en de lidstaat van afgifte;

de datum en tijd van de invoer (of de datum/tijd gerelateerd aan de invoer wanneer deze door middel van de handmatige invoerprocedure wordt ingevoerd);

de soort invoer (begin of einde, omstandigheid van invoer);

het ingevoerde land en de ingevoerde regio;

de kilometerstand.

088
Het geheugen moet de begin- en/of eindgegevens van dagelijkse werkperioden ten minste 365 dagen vasthouden (in de veronderstelling dat een bestuurder twee registraties per dag invoert).

089
Wanneer de geheugencapaciteit volledig is gebruikt, komen de meest recente gegevens in de plaats van de oudste gegevens.

12.6.   Gegevens over de kilometerstand

090
Het controleapparaat moet elke kalenderdag om 0.00 uur de kilometerstand van het voertuig en de corresponderende datum in zijn geheugen registreren.

091
Het geheugen moet deze kilometerstanden ten minste 365 kalenderdagen kunnen opslaan.

092
Wanneer de geheugencapaciteit volledig is gebruikt, komen de meest recente gegevens in de plaats van de oudste gegevens.

12.7.   Gedetailleerde snelheidsgegevens

093
Het controleapparaat moet voor elke seconde van ten minste de laatste 24 uur waarin het voertuig gebruikt is, de snelheid van het voertuig en de corresponderende datum en tijd registeren en in het geheugen opslaan.

12.8.   Gegevens over voorvallen

Voor de toepassing van dit punt geldt dat de tijd met een resolutie van 1 seconde wordt geregistreerd.

094
Het controleapparaat moet in zijn geheugen de volgende gegevens voor elk gedetecteerd voorval volgens de onderstaande opslagvoorschriften registreren en opslaan:

Voorval

Opslagvoorschriften

Te registreren gegevens per voorval

Kaartconflict

de 10 meest recente voorvallen

datum en tijd van het begin van het voorval

datum en tijd van het einde van het voorval

kaartsoort, nummer en lidstaat van afgifte van de twee kaarten die het conflict veroorzaken

Rijden zonder een geschikte kaart

het langste voorval op elk van de laatste 10 dagen waarop een dergelijk voorval plaatshad

de 5 langste voorvallen gedurende de afgelopen 365 dagen

datum en tijd van het begin van het voorval

datum en tijd van het einde van het voorval

kaartsoort, nummer en lidstaat van afgifte van een bij het begin en/of einde van het voorval ingebrachte kaart

aantal vergelijkbare voorvallen op die dag

Inbrengen van de kaart tijdens het rijden

het laatste voorval op elk van de laatste 10 dagen waarop een dergelijk voorval plaatshad

datum en tijd van het voorval

kaartsoort, nummer en lidstaat van afgifte

aantal vergelijkbare voorvallen op die dag

Laatste kaartsessie niet correct afgesloten

de 10 meest recente voorvallen

datum en tijd van kaartinvoer

kaartsoort, nummer en lidstaat van afgifte

laatste sessiegegevens zoals af te lezen van de kaart:

datum en tijd van kaartinvoer

kentekennummer en lidstaat van registratie

Snelheidsoverschrijding (10)

het ernstigste voorval op elk van de laatste 10 dagen waarop een dergelijk voorval plaatshad (d.w.z. het voorval met de hoogste gemiddelde snelheid)

de 5 ernstigste voorvallen gedurende de afgelopen 365 dagen

het eerste voorval dat opgetreden is na de laatste kalibrering

datum en tijd van het begin van het voorval

datum en tijd van het einde van het voorval

maximumsnelheid gemeten tijdens het voorval

rekenkundige maximumsnelheid gemeten tijdens het voorval

kaartsoort, nummer en lidstaat van afgifte van de bestuurder (indien van toepassing)

aantal vergelijkbare voorvallen op die dag

Onderbreking in de stroomvoorziening (11)

het langste voorval op elk van de laatste 10 dagen waarop een dergelijk voorval plaatshad

de 5 langste voorvallen gedurende de afgelopen 365 dagen

datum en tijd van het begin van het voorval

datum en tijd van het einde van het voorval

kaartsoort, nummer en lidstaat van afgifte van de kaart die bij begin en/of einde van het voorval is ingebracht

aantal vergelijkbare voorvallen op die dag

Fout in de bewegingsgegevens

het langste voorval op elk van de laatste 10 dagen waarop een dergelijk voorval plaatshad

de 5 langste voorvallen gedurende de afgelopen 365 dagen

datum en tijd van het begin van het voorval

datum en tijd van het einde van het voorval

kaartsoort, nummer en lidstaat van afgifte van de kaart die bij begin en/of einde van het voorval is ingebracht

aantal vergelijkbare voorvallen op die dag

Poging tot inbreuk op de beveiliging

de 10 meest recente voorvallen per soort voorval

datum en tijd van het begin van het voorval

datum en tijd van het einde van het voorval (indien relevant)

kaartsoort, nummer en lidstaat van afgifte van de kaart die bij begin en/of einde van het voorval ingebracht is

soort voorval

12.9.   Gegevens over fouten

Voor de toepassing van dit punt geldt dat de tijd met een resolutie van 1 seconde wordt geregistreerd.

096
Het controleapparaat moet de volgende gegevens voor elke gedetecteerde fout registreren en in zijn geheugen opslaan volgens de onderstaande opslagvoorschriften:

Fout

Opslagvoorschriften

Te registreren gegevens per fout

Kaartfout

de 10 meest recente bestuurderskaartfouten

datum en tijd van het begin van de fout

datum en tijd van het einde van de fout

kaartsoort, nummer en lidstaat van afgifte

Fouten controleapparaat

de 10 meest recente fouten van iedere soort

de eerste fout na de laatste kalibrering

datum en tijd van het begin van de fout

datum en tijd van het einde van de fout

soort fout

kaartsoort, nummer en lidstaat van afgifte van de kaart die bij begin en/of einde van de fout ingebracht is

12.10.   Kalibreringsgegevens

097
Het controleapparaat moet gegevens registreren en in het geheugen opslaan met betrekking tot:

bekende kalibreringsparameters op het moment van activering;

de eerste kalibrering na activering;

de eerste kalibrering in het huidige voertuig (geïdentificeerd door zijn VIN-nummer);

de 5 meest recente kalibreringen (wanneer een aantal kalibreringen op dezelfde kalenderdag plaatsvinden, wordt alleen de laatste kalibrering van de dag opgeslagen).

098
De volgende gegevens moeten bij elke kalibrering worden geregistreerd:

doel van de kalibrering (activering, eerste installatie, installatie, periodieke controle);

naam en adres van de werkplaats;

werkplaatskaartnummer, de lidstaat die de kaart afgeeft, en de vervaldatum van de kaart;

VIN-nummer van het voertuig;

geactualiseerde en bevestigde parameters: w, k, l, bandenmaat, instelling van de snelheidsbegrenzer, kilometerstand (oude en nieuwe waarden), datum en tijd (oude en nieuwe waarden).

099
De bewegingsopnemer moet de volgende installatiegegevens van de bewegingsopnemer registreren en in zijn geheugen opslaan:

eerste verbinding met een VU (datum, tijd, goedkeuringsnummer en serienummer van de VU);

laatste verbinding met een VU (datum, tijd, goedkeuringsnummer en serienummer van de VU).

12.11.   Tijdafstellingsgegevens

100
Het controleapparaat moet gegevens registreren en in zijn geheugen opslaan met betrekking tot:

de meest recente tijdafstelling,

de 5 belangrijkste tijdafstellingen sinds de laatste kalibrering,

uitgevoerd in de kalibreringsmodus buiten het kader van een normale kalibrering (def. f).

101
De volgende gegevens moeten voor elke tijdafstelling worden geregistreerd:

datum en tijd, oude waarde;

datum en tijd, nieuwe waarde;

naam en adres van de werkplaats;

werkplaatskaartnummer, de lidstaat die de kaart afgeeft, en de vervaldatum van de kaart.

12.12.   Gegevens over controleactiviteiten

102
Het controleapparaat moet de volgende gegevens met betrekking tot de 20 meest recente controleactiviteiten registreren en in zijn geheugen opslaan:

datum en tijd van de controle;

controlekaartnummer en de lidstaat die de kaart afgeeft;

aard van de controle (tonen en/of afdrukken en/of VU overbrengen en/of kaart overbrengen).

103
In het geval van overbrengen worden de data van de oudste en van de meest recent overgebrachte dagen ook geregistreerd.

12.13.   Gegevens over bedrijfsvergrendelingen

104
Het controleapparaat moet de volgende gegevens met betrekking tot de 20 meest recente bedrijfsvergrendelingen registreren en in zijn geheugen opslaan:

datum en tijd van vergrendeling;

datum en tijd van ontgrendeling;

bedrijfskaartnummer en de lidstaat die de kaart afgeeft;

naam en adres van het bedrijf.

12.14.   Gegevens over overbrengingsactiviteiten

105
Het controleapparaat moet de volgende gegevens met betrekking tot de laatste geheugenoverbrenging naar externe media tijdens de bedrijfs- en kalibreringsmodus registreren en in zijn geheugen opslaan:

datum en tijd van overbrenging;

bedrijfskaart- of werkplaatskaartnummer en de lidstaat die de kaart afgeeft;

naam van het bedrijf of de werkplaats.

12.15.   Gegevens over specifieke omstandigheden

105a
Het controleapparaat moet de volgende gegevens met betrekking tot specifieke omstandigheden in zijn geheugen registreren:

datum en tijd van de invoer;

aard van de specifieke omstandigheid.

105b
Het geheugen moet gegevens over specifieke omstandigheden ten minste 365 dagen vasthouden (in de veronderstelling dat gemiddeld 1 omstandigheid per dag wordt geopend en gesloten). Wanneer de opslagcapaciteit volledig is gebruikt, komen de meest recente gegevens in de plaats van de oudste gegevens.

13.   Aflezen van de tachograafkaart

106
Het controleapparaat moet van de tachograafkaart de noodzakelijke gegevens aflezen:

om de kaartsoort, de kaarthouder, het eerder gebruikte voertuig, de datum en tijd van de laatste kaartuitneming en de op dat moment geselecteerde activiteit te identificeren;

om te controleren of de laatste kaartsessie correct afgesloten werd;

om de rijtijdperiode van de bestuurder, de cumulatieve rustperiode en de opgetelde rijtijden gedurende de voorafgaande en de lopende week te berekenen;

om gevraagde afdrukken met betrekking tot op de bestuurderskaart geregistreerde gegevens te leveren;

om een bestuurderskaart naar externe media over te brengen.

107
In het geval van een leesfout moet het controleapparaat dezelfde leesopdracht maximaal drie keer opnieuw uitvoeren. Wanneer dit niet lukt moet de kaart defect en ongeldig worden verklaard.

14.   Registratie en opslag op een tachograafkaart

108
Het controleapparaat moet de „gegevens van de kaartsessie” onmiddellijk na kaartinvoer op de bestuurderskaart of werkplaatskaart zetten.

109
Het controleapparaat moet de gegevens die op een geldige bestuurderskaart, werkplaatskaart en/of controlekaart opgeslagen zijn, bijwerken met behulp van alle noodzakelijke gegevens die verband houden met de periode waarin de kaart ingebracht is, en met alle noodzakelijke gegevens betreffende de kaarthouder. De gegevens die op deze kaarten moeten worden opgeslagen, worden gespecificeerd in hoofdstuk IV.

109a
Het controleapparaat moet de gegevens over de activiteiten van de bestuurder en de plaats (zoals gespecificeerd in hoofdstuk IV, punten 5.2.5 en 5.2.6) bijwerken, die opgeslagen zijn op een geldige bestuurderskaart of werkplaatskaart, waarbij de gegevens over activiteiten en plaats handmatig door de kaarthouder worden ingevoerd.

110
Het bijwerken van gegevens op de tachograafkaart moet zodanig geschieden dat, indien noodzakelijk en rekening houdend met de opslagcapaciteit van de kaart, nieuwe gegevens in de plaats komen van de oudste gegevens.

111
In het geval van een schrijffout moet het controleapparaat dezelfde schrijfopdracht maximaal drie keer opnieuw uitvoeren. Wanneer dit niet lukt moet de kaart defect en ongeldig worden verklaard.

112
Voordat een bestuurderskaart uitgenomen wordt en nadat alle relevante gegevens op de kaart opgeslagen zijn, moet het controleapparaat de „gegevens van de kaartsessie” terugplaatsen.

15.   Visuele weergave

113
Het leesvenster moet ten minste 20 tekens bevatten.

114
De tekens moeten minimaal 5 mm hoog en 3,5 mm breed zijn.

114a
Het leesvenster ondersteunt de in ISO 8859, deel 1 en 7, gedefinieerde tekensets Latin1 en Greek, als gespecificeerd in appendix 1, hoofdstuk 4 „Tekensets”. Het leesvenster kan vereenvoudigde tekens gebruiken (bijv. letters met een accent kunnen zonder accent worden getoond, of onderkastletters kunnen als bovenkastletters worden getoond).

115
Het leesvenster moet voorzien zijn van een voldoende sterke, niet verblindende verlichting.

116
Aanwijzingen moeten aan de buitenzijde van het controleapparaat zichtbaar zijn.

117
Het controleapparaat moet:

standaardgegevens;

gegevens met betrekking tot waarschuwingssignalen;

gegevens met betrekking tot de toegang tot het menu;

andere door de gebruiker opgevraagde gegevens

zichtbaar maken.

Aanvullende informatie kan door het controleapparaat worden getoond, mits deze duidelijk te onderscheiden is van de hierboven vermelde vereiste informatie.

118
Het leesvenster van het controleapparaat moet de pictogrammen of pictogramcombinaties zoals vermeld in appendix 3 gebruiken. Extra pictogrammen of pictogramcombinaties kunnen ook door het leesvenster worden getoond wanneer deze duidelijk te onderscheiden zijn van de voornoemde pictogrammen of pictogramcombinaties.

119
Het leesvenster moet altijd ingeschakeld zijn wanneer het voertuig rijdt.

120
Het controleapparaat kan een handmatige of automatische voorziening hebben om het leesvenster uit te schakelen wanneer het voertuig stilstaat.

De vorm van het leesvenster wordt gespecificeerd in appendix 5.

15.1.   Standaardleesvenster

121
Wanneer geen andere informatie getoond hoeft te worden, moet het controleapparaat standaard de volgende informatie weergeven:

de plaatselijke tijd (de uitkomst van UTC-tijd + instelling door de bestuurder);

de werkingsmodus;

de lopende activiteiten van de bestuurder en de lopende activiteiten van de bijrijder;

informatie met betrekking tot de bestuurder:

indien zijn lopende activiteit RIJDEN is: zijn lopende rijtijdperiode en zijn lopende cumulatieve rusttijd;

indien zijn lopende activiteit niet RIJDEN is: de lopende duur van zijn activiteit (sinds deze geselecteerd werd) en zijn lopende cumulatieve rusttijd;

informatie met betrekking tot de bijrijder:

de lopende duur van zijn activiteit (sinds deze geselecteerd werd).

122
De gegevens met betrekking tot elke bestuurder moeten duidelijk en ondubbelzinnig worden getoond. Wanneer de informatie met betrekking tot de bestuurder en de bijrijder niet tegelijkertijd kan worden getoond, geeft het controleapparaat standaard de informatie weer met betrekking tot de bestuurder en kan de gebruiker de informatie met betrekking tot de bijrijder zichtbaar maken.

123
Als de breedte van het leesvenster onvoldoende is om de werkingsmodus standaard te tonen, moet het controleapparaat kort de nieuwe werkingsmodus tonen wanneer deze wijzigt.

124
Het controleapparaat moet bij kaartinvoer kort de naam van de kaarthouder tonen.

124a
Wanneer een „NIET VERPLICHT” omstandigheid wordt geopend, dan moet het standaardleesvenster door middel van het relevante pictogram tonen dat de omstandigheid geopend is (Het is aanvaardbaar dat de lopende activiteit van de bestuurder niet tegelijkertijd wordt getoond).

15.2.   Waarschuwingsleesvenster

125
Het controleapparaat moet waarschuwingssignalen voornamelijk door middel van de pictogrammen van appendix 3 tonen, die waar nodig worden aangevuld met additionele numerieke informatie. Een letterlijke beschrijving van de waarschuwing kan in de voorkeurstaal van de bestuurder worden toegevoegd.

15.3.   Toegang tot het menu

126
Het controleapparaat moet de benodigde opdrachten door middel van een geschikte menustructuur leveren.

15.4.   Andere leesvensters

127
Het is mogelijk om op verzoek selectief zichtbaar te maken:

de UTC-datum en UTC-tijd;

de werkingsmodus (indien deze niet standaard wordt getoond);

de rijtijdperiode en cumulatieve rusttijd van de bestuurder;

de rijtijdperiode en cumulatieve rusttijd van de bijrijder;

de rijtijdperiode van de bestuurder van de afgelopen en de lopende week;

de rijtijdperiode van de bijrijder van de afgelopen en de lopende week;

de inhoud van de zes afgedrukte documenten in hetzelfde formaat als de afdrukken zelf.

128
De inhoud van de afdrukken moet sequentieel, regel voor regel, worden getoond. Indien de breedte van het leesvenster minder dan 24 tekens is, moet de gebruiker de volledige informatie door middel van een geschikt middel (een aantal regels, scrollen, …) krijgen. Afgedrukte regels van handgeschreven informatie kunnen op het leesvenster worden weggelaten.

16.   Afdrukken

129
Het controleapparaat moet informatie uit zijn geheugen en/of van de tachograafkaart overeenkomstig de zes onderstaande documenten afdrukken:

dagelijkse afdruk van de kaart van de activiteiten van de bestuurder;

dagelijkse afdruk van de voertuigunit (VU) van de activiteiten van de bestuurder;

afdruk van de kaart van voorvallen en fouten;

afdruk van de voertuigunit van voorvallen en fouten;

afdruk van technische gegevens;

afdruk van snelheidsoverschrijding.

De gedetailleerde vorm en inhoud van deze afdrukken worden gespecificeerd in appendix 4.

Additionele gegevens kunnen aan het einde van de afdruk worden opgenomen.

Het controleapparaat mag extra afdrukken leveren, indien deze duidelijk te onderscheiden zijn van de zes voornoemde documenten.

130
De „dagelijkse afdruk van de kaart van de activiteiten van de bestuurder” en de „afdruk van de kaart van voorvallen en fouten” zijn alleen beschikbaar wanneer een bestuurderskaart of een werkplaatskaart in het controleapparaat ingebracht is. Het controleapparaat werkt de opgeslagen gegevens op de betrokken kaart bij voordat met afdrukken wordt begonnen.

131
Om de „dagelijkse afdruk van de kaart van de activiteiten van de bestuurder” of de „afdruk van de kaart van voorvallen en fouten” te leveren moet het controleapparaat:

automatisch de bestuurderskaart of de werkplaatskaart selecteren indien een van deze kaarten ingebracht is, dan wel

een opdracht geven om de bronkaart te selecteren of om de kaart in de lezer van de bestuurder te selecteren indien twee kaarten in het controleapparaat ingebracht zijn.

132
De printer moet 24 tekens per regel afdrukken.

133
De minimale tekengrootte moet 2,1 mm hoog en 1,5 mm breed zijn.

133a
De printer ondersteunt de in ISO 8859, deel 1 en 7, gedefinieerde tekensets Latin1 en Greek, zoals gespecificeerd in appendix 1, hoofdstuk 4 „Tekensets”.

134
De printers zijn zo ontworpen dat zij de bedoelde afdrukken kunnen maken met een dusdanige afdrukscherpte dat leesfouten worden vermeden.

135
Afmetingen en gegevens moeten bij normale luchtvochtigheid (10-90 %) en temperatuur bewaard blijven.

136
Op het door het controleapparaat gebruikte papier moet het relevante goedkeuringsmerk staan. Daarnaast moet op het papier vermeld staan voor welk(e) type(n) controleapparatuur dit papier geschikt is. De afdrukken moeten onder normale opslagomstandigheden voor wat betreft lichtsterkte, vochtigheid en temperatuur, gedurende ten minste een jaar duidelijk leesbaar en identificeerbaar blijven.

137
Bovendien moeten op deze documenten geschreven aantekeningen, zoals de handtekening van de bestuurder, kunnen worden aangebracht.

138
Op „paper out” voorvallen tijdens het afdrukken reageert het controleapparaat door, zodra papier bijgevuld is, het afdrukken vanaf het begin te herstarten of door te gaan met het afdrukken en een ondubbelzinnige referentie naar het reeds afgedrukte gedeelte te geven.

17.   Waarschuwingssignalen

139
Het controleapparaat moet de bestuurder waarschuwen als een voorval en/of fout wordt gedetecteerd.

140
Een waarschuwing met betrekking tot een onderbreking in de stroomvoorziening kan worden uitgesteld totdat de stroomvoorziening is hersteld.

141
Het controleapparaat moet de bestuurder bij een naderende overschrijding van de maximale rijtijdperiode van vier en een half uur 15 minuten van tevoren waarschuwen.

142
De vorm van de waarschuwingssignalen is visueel en daarnaast kunnen akoestische waarschuwingssignalen worden gegeven.

143
De visuele waarschuwingssignalen moeten voor de gebruiker duidelijk herkenbaar zijn, ze moeten in het gezichtsveld van de bestuurder liggen en overdag zowel als 's nachts duidelijk afleesbaar zijn.

144
De visuele waarschuwingssignalen kunnen in het controleapparaat ingebouwd zijn en/of zich buiten het controleapparaat bevinden.

145
In het laatste geval heeft het een „T”-symbool en is de kleur ervan geel of oranje.

146
De waarschuwingssignalen moeten ten minste 30 seconden duren, tenzij de bestuurder deze bevestigt door op een toets van het controleapparaat te drukken. Deze eerste bevestiging mag de getoonde reden van de waarschuwing zoals bedoeld in de volgende alinea niet uitwissen.

147
De reden van de waarschuwing moet op het controleapparaat worden getoond en zichtbaar blijven totdat de bestuurder deze door het drukken op een specifieke toets van het controleapparaat of door het geven van een opdracht bevestigt.

148
Aanvullende waarschuwingssignalen kunnen worden ingebouwd, mits de bestuurder hierdoor niet in verwarring wordt gebracht met betrekking tot de reeds gedefinieerde waarschuwingssignalen.

18.   Overbrengen van gegevens naar externe media

149
Het controleapparaat moet op verzoek vanuit zijn geheugen of vanaf een bestuurderskaart via de kalibrerings-/overbrengingsverbinding gegevens naar externe opslagmedia kunnen overbrengen. Het controleapparaat werkt de opgeslagen gegevens op de betrokken kaart bij voordat met overbrenging van gegevens wordt begonnen.

150
Verder is er een optie waardoor het controleapparaat in elke werkingsmodus gegevens via een andere verbinding naar een door dit kanaal geauthentiseerd bedrijf kan overbrengen. In dit geval zijn de gegevenstoegangsrechten in de bedrijfsmodus van toepassing op deze overbrenging.

151
Opgeslagen gegevens worden door overbrenging niet gewijzigd of verwijderd.

De elektrotechnische interface van de kalibrerings-/overbrengingsverbinding wordt gespecificeerd in appendix 6.

Overbrengingsprotocollen worden gespecificeerd in appendix 7.

19.   Uitvoeren van gegevens naar additionele externe inrichtingen

152
Wanneer het controleapparaat geen aanwijsinrichtingen voor de tachometer en/of de kilometerteller heeft, moet het controleapparaat uitvoersignalen leveren die de snelheid van het voertuig (tachometer) en/of de totale door het voertuig afgelegde afstand (kilometerstand) tonen.

153
De voertuigunit moet tevens de volgende gegevens uitvoeren met behulp van een geschikte functiegebonden seriële verbinding die niet afhankelijk is van een facultatieve CAN-busverbinding (ISO 11898 Road vehicles — Interchange of digital information — Controller Area Network (CAN) for high speed communication), waardoor de verwerking van deze gegevens door andere elektronische units in het voertuig mogelijk wordt:

lopende UTC-datum en UTC-tijd;

snelheid van het voertuig;

totale door het voertuig afgelegde afstand (kilometerteller);

lopende door de bestuurder en bijrijder geselecteerde activiteiten;

informatie of een tachograafkaart in de lezer van de bestuurder en in de lezer van de bijrijder ingebracht is en (indien van toepassing) informatie over de identificatie van de betreffende kaarten (kaartnummer en lidstaat van afgifte).

Naast deze gegevens kunnen ook andere gegevens worden uitgevoerd.

Wanneer de ontsteking van het voertuig ingeschakeld is, worden deze gegevens permanent getoond. Wanneer de ontsteking van het voertuig uitgeschakeld is, genereert iedere wijziging in de activiteiten van de bestuurder of van de bijrijder en/of het inbrengen of uitnemen van een tachograafkaart een overeenkomstige uitvoer van gegevens. In het geval dat uitvoer van de gegevens niet heeft plaatsgevonden terwijl de ontsteking van het voertuig uitgeschakeld is, komen deze gegevens ter beschikking zodra de ontsteking van het voertuig weer ingeschakeld is.

20.   Kalibrering

154
De kalibreringsfunctie moet:

de bewegingsopnemer automatisch met de VU verbinden;

de constante van het controleapparaat (k) digitaal aan de kenmerkende coëfficiënt van het voertuig (w) aanpassen (voertuigen met twee of meer brugoverbrengingen worden uitgerust met een schakeltoestel waarmee deze verschillende overbrengingen automatisch op een lijn worden gebracht met de overbrenging waarvoor het apparaat aan het voertuig aangepast is);

(onbeperkt) de lopende tijd afstellen;

de lopende kilometerstand bijstellen;

in het geheugen opgeslagen identificatiegegevens van de bewegingsopnemer bijwerken;

andere parameters van het controleapparaat bijwerken of bevestigen: VIN-nummer van het voertuig, w, l, bandenmaat en instelling van de snelheidsbegrenzer indien van toepassing.

155
Het verbinden van de bewegingsopnemer met de VU moet ten minste bestaan uit:

het bijwerken van installatiegegevens van de bewegingsopnemer die door de bewegingsopnemer worden vastgehouden (indien nodig);

het kopiëren van essentiële identificatiegegevens van de bewegingsopnemer naar het geheugen van de VU.

156
De kalibreringsfunctie kan via de kalibrerings-/overbrengingsverbinding essentiële gegevens invoeren in overeenstemming met het kalibreringsprotocol gedefinieerd in appendix 8. Met de kalibreringsfunctie kunnen ook via andere verbindingen essentiële gegevens worden ingevoerd.

21.   Tijdafstelling

157
Met de tijdafstellingsfunctie kan de lopende tijd met maximaal 1 minuut voor een periode van minimaal 7 dagen worden bijgesteld.

158
In de kalibreringsmodus kan de lopende tijd met de tijdafstellingsfunctie zonder beperkingen worden bijgesteld.

22.   Prestatiekenmerken

159
De voertuigunit moet binnen het temperatuurbereik van − 20 °C tot + 70 °C naar behoren functioneren en de bewegingsopnemer binnen het temperatuurbereik van − 40 °C tot + 135 °C. De inhoud van het geheugen moet bij temperaturen tot − 40 °C bewaard blijven.

160
Het controleapparaat moet binnen het vochtigheidsbereik van 10 % tot 90 % naar behoren functioneren.

161
Het controleapparaat moet tegen overspanning, polariteitomkering en kortsluiting worden beveiligd.

162
Het controleapparaat moet voldoen aan Richtlijn 95/54/EG van de Commissie (12) tot aanpassing aan de technische vooruitgang van Richtlijn 72/245/EEG van de Raad met betrekking tot elektromagnetische compatibiliteit en moet tegen elektrostatische ontladingen en stootspanning worden beveiligd.

23.   Materialen

163
Alle samenstellende delen van het controleapparaat moeten uitgevoerd zijn in materiaal van voldoende stabiliteit en mechanische sterkte en met onveranderlijke elektrische en magnetische eigenschappen.

164
Alle inwendige delen van het apparaat moeten bij normale gebruiksomstandigheden tegen vocht en stof beschermd zijn.

165
De voertuigunit moet voldoen aan beschermingsklasse IP 40 en de bewegingsopnemer moet voldoen aan beschermingsklasse IP 64, volgens IEC 529.

166
Het controleapparaat moet wat het ergonomisch ontwerp betreft, voldoen aan de toepasselijke technische specificaties.

167
Het controleapparaat moet tegen onopzettelijke beschadiging worden beschermd.

24.   Aanduidingen

168
Indien het controleapparaat de kilometerstand en snelheid van het voertuig toont, moeten onderstaande aanduidingen in het leesvenster voorkomen:

bij het getal voor de afstandsaanduiding, de voor het meten van de afstand gebruikte eenheid, weergegeven door het symbool „km”;

bij het getal voor de snelheidsaanduiding, de aanduiding „km/h”.

Het controleapparaat kan ook de snelheid in mijl per uur tonen, in welk geval voor de snelheidsaanduiding het symbool „mph” gebruikt wordt.

169
Een identificatieplaatje met de volgende gegevens moet op elk afzonderlijk samenstellend deel van het controleapparaat worden aangebracht:

naam en adres van de fabrikant van het apparaat;

onderdeelnummer en bouwjaar;

serienummer van het apparaat;

goedkeuringsmerk van het type controleapparaat.

170
Wanneer er onvoldoende fysieke ruimte is voor alle bovengenoemde gegevens, moeten op het identificatieplaatje ten minste voorkomen: de naam of het logo van de fabrikant en het onderdeelnummer van het controleapparaat.

IV.   FUNCTIONELE EN CONSTRUCTIE-EISEN VOOR TACHOGRAAFKAARTEN

1.   Zichtbare gegevens

De voorkant bevat:

 

171
naar gelang de soort kaart de vermelding „Bestuurderskaart” of „Controlekaart” of „Werkplaatskaart” of „Bedrijfskaart”, in hoofdletters, gedrukt in de taal/talen van de lidstaat die de kaart afgeeft.

 

172
dezelfde vermelding in de overige talen van de Gemeenschap, op zodanige wijze gedrukt dat deze de achtergrond van de kaart vormen:

ES

TARJETA DEL CONDUCTOR

TARJETA DE CONTROL

TARJETA DEL CENTRO DE ENSAYO

TARJETA DE LA EMPRESA

DK

FØRERKORT

KONTROLKORT

VÆRKSTEDSKORT

VIRKSOMHEDSKORT

DE

FAHRERKARTE

KONTROLLKARTE

WERKSTATTKARTE

UNTERNEHMENSKARTE

EL

ΚΑΡΤΑ ΟΔΗΟΥ

ΚΑΡΤΑ ΕΛΕΓΧΟΥ

ΚΑΡΤΑ ΚΕΝΤΡΟΥ ΔΟΚΙΜΩΝ

ΚΑΡΤΑ ΕΠΙΧΕΙΡΗΣΗΣ

EN

DRIVER CARD

CONTROL CARD

WORKSHOP CARD

COMPANY CARD

FR

CARTE DE CONDUCTEUR

CARTE DE CONTROLEUR

CARTE D'ATELIER

CARTE D'ENTREPRISE

GA

CÁRTA TIOMÁNAÍ

CÁRTA STIÚRTHA

CÁRTA CEARDLAINNE

CÁRTA COMHLACHTA

IT

CARTA DEL CONDUCENTE

CARTA DI CONTROLLO

CARTA DELL'OFFICINA

CARTA DELL'AZIENDA

NL

BESTUURDERS KAART

CONTROLEKAART

WERKPLAATSKAART

BEDRIJFSKAART

PT

CARTÃO DE CONDUTOR

CARTÃO DE CONTROLO

CARTÃO DO CENTRO DE ENSAIO

CARTÃO DE EMPRESA

FI

KULJETTAJA KORTTILLA

VALVONTA KORTILLA

TESTAUSASEMA KORTILLA

YRITYSKORTILLA

SV

FÖRARKORT

KONTROLLKORT

VERKSTADSKORT

FÖRETAGSKORT

 

173
de vermelding van de naam van de lidstaat die de kaart afgeeft (facultatief);

 

174
het onderscheidingsteken van de lidstaat die de kaart afgeeft, negatief afgedrukt in een door twaalf gele sterren omringde blauwe rechthoek. De onderscheidingstekens zijn:

B

België

DK

Denemarken

D

Duitsland

GR

Griekenland

E

Spanje

F

Frankrijk

IRL

Ierland

I

Italië

L

Luxemburg

NL

Nederland

A

Oostenrijk

P

Portugal

FIN

Finland

S

Zweden

UK

Verenigd Koninkrijk

 

175
de gegevens die specifiek zijn voor de afgegeven kaart, met de volgende nummers:

 

Bestuurderskaart

Controlekaart

Bedrijfs- of Werkplaatskaart

1.

Naam van de bestuurder

Naam van de controle-instantie

Naam van het bedrijf of de werkplaats

2.

Voorna(a)men van de bestuurder

Achternaam van de controleur

(indien van toepassing)

Achternaam van de kaarthouder

(indien van toepassing)

3.

Geboortedatum van de bestuurder

Voornaam van de controleur

(indien van toepassing)

Voornaam van de kaarthouder

(indien van toepassing)

4.(a)

De datum van afgifte van de kaart

(b)

Eventuele datum waarop de kaart ongeldig wordt

(c)

Naam van de autoriteit die de kaart afgeeft (mag op kant 2 worden gedrukt)

(d)

Ander nummer dan dat in rubriek 5, dat nuttig is voor de administratie van de kaart (facultatief)

5.(a)

Rijbewijsnummer (op het moment van afgifte van de bestuurderskaart)

 

 

5.(b)

Kaartnummer

6.

Foto van de bestuurder

Foto van de controleur (facultatief)

7.

Handtekening van de bestuurder

Handtekening van de houder (facultatief)

8.

Woon- of verblijfplaats of postadres van de houder (facultatief)

Postadres van de controle-instantie

Postadres van het bedrijf of de werkplaats

 

176
data moeten in de vorm van „dd/mm/jjjj” of „dd.mm.jjjj” (dag, maand, jaar) worden geschreven.

De achterkant bevat:

 

177
een toelichting bij de genummerde rubrieken op kant 1 van de kaart;

 

178
zo nodig, en met de uitdrukkelijke schriftelijke instemming van de houder, kunnen gegevens die geen verband houden met de administratie van de kaart in deze ruimte worden opgenomen; de toevoeging van deze vermeldingen heeft geen gevolgen voor het gebruik van het model als tachograafkaart.

Image

179
Tachograafkaarten moeten worden gedrukt met de volgende achtergrondkleuren:

bestuurderskaart: wit,

controlekaart: blauw,

werkplaatskaart: rood,

bedrijfskaart: geel.

180
Tachograafkaarten moeten ten minste de volgende eigenschappen hebben om de kaart te beschermen tegen vervalsing en misbruik:

een beveiligde achtergrond met fijne guillochepatronen en regenboogdruk,

bij de foto moeten de beveiligde achtergrond en de foto elkaar overlappen,

ten minste één tweekleurige microzeefdrukregel.

181
Na overleg met de Commissie kunnen lidstaten kleuren of aanduidingen, zoals nationale symbolen of beveiligingstekens, toevoegen, onverminderd de andere bepalingen van deze bijlage.

2.   Beveiliging

De beveiliging van het systeem beoogt het beschermen van de integriteit en authenticiteit van de tussen de kaarten en het controleapparaat uitgewisselde gegevens, het beschermen van de integriteit en authenticiteit van de gegevens die van de kaarten gehaald wordt, het uitvoeren van bepaalde schrijfopdrachten op de kaarten uitsluitend mogelijk te maken voor het controleapparaat, het uitsluiten van mogelijke vervalsing van op de kaarten opgeslagen gegevens, alsmede het voorkomen van manipulaties en het detecteren van pogingen daartoe.

182
Teneinde het systeem te beveiligen, moeten tachograafkaarten voldoen aan de eisen zoals vastgelegd in de algemene beveiligingsdoelstellingen voor tachograafkaarten (appendix 10).

183
Tachograafkaarten moeten door andere inrichtingen zoals personal computers gelezen kunnen worden.

3.   Normen

184
De tachograafkaarten moeten aan de volgende normen voldoen:

ISO/IEC 7810 Identification cards — Physical characteristics

ISO/IEC 7816 Identification cards — Integrated circuits with contacts:

Deel 1: Physical characteristics,

Deel 2: Dimensions and location of the contacts,

Deel 3: Electronic signals and transmission protocols,

Deel 4: Inter-industry commands for interchange,

Deel 8: Security related inter-industry commands,

ISO/IEC 10373 Identification cards — Test methods.

4.   Milieu- en elektrotechnische specificaties

185
De tachograafkaart moet onder alle klimatologische omstandigheden die zich normaliter op het grondgebied van de Gemeenschap voordoen, en ten minste binnen het temperatuurbereik van − 25 °C tot + 70 °C met incidentele pieken tot + 85 °C naar behoren kunnen functioneren. „Incidenteel” betekent niet meer dan 4 uur per keer en niet meer dan 100 keer tijdens de levensduur van de kaart.

186
De tachograafkaart moet binnen het vochtigheidsbereik van 10 % tot 90 % naar behoren kunnen functioneren.

187
De tachograafkaart moet vijf jaar lang naar behoren kunnen functioneren indien de vastgestelde milieu- en elektrotechnische grenswaarden niet overschreden worden.

188
Tijdens de werking moet de tachograafkaart voldoen aan Richtlijn 95/54/EG van de Commissie van 31 oktober 1995 (13) inzake elektromagnetische compatibiliteit en moet de kaart beveiligd zijn tegen elektrostatische ontladingen.

5.   Gegevensopslag

Voor de toepassing van dit punt

wordt de tijd met een resolutie van 1 minuut geregistreerd, tenzij anders gespecificeerd;

worden kilometerstanden met een resolutie van 1 kilometer geregistreerd;

wordt de snelheid met een resolutie van 1 km/h geregistreerd.

De functies, opdrachten en logische structuren van de tachograafkaart die voldoen aan de gegevensopslageisen, worden gespecificeerd in appendix 2.

189
Dit punt specificeert de minimale opslagcapaciteit voor de verschillende gegevensbestanden. De tachograafkaart moet de effectieve opslagcapaciteit van deze gegevensbestanden aan het controleapparaat mededelen.

Eventuele additionele gegevens die op de tachograafkaart kunnen worden opgeslagen en betrekking hebben op andere toepassingen die de kaart eventueel kan ondersteunen, moeten opgeslagen worden overeenkomstig Richtlijn 95/46/EG (14).

5.1.   Identificatie van de kaart en veiligheidsgegevens

5.1.1.   Toepassingsidentificatie

190
De tachograafkaart moet de volgende toepassingsidentificatiegegevens kunnen opslaan:

toepassingsidentificatie van de tachograaf,

type tachograafkaartidentificatie.

5.1.2.   Chipidentificatie

191
De tachograafkaart moet de volgende identificatiegegevens van het Integrated Circuit (IC) opslaan:

IC-serienummer,

IC-productiereferenties.

5.1.3.   IC-kaartidentificatie

192
De tachograafkaart moet de volgende smartcard-identificatiegegevens opslaan:

serienummer van de kaart (inclusief productiereferenties),

typegoedkeuringsnummer van de kaart,

persoonlijke identificatie van de kaart (ID),

embedder ID,

IC-identificatiesymbool.

5.1.4.   Beveiligingselementen

193
De tachograafkaart moet de volgende beveiligingselementen kunnen opslaan:

Europese openbare sleutel,

lidstaatcertificaat,

kaartcertificaat,

persoonlijke sleutel van de kaart.

5.2.   Bestuurderskaart

5.2.1.   Kaartidentificatie

194
De bestuurderskaart moet de volgende kaartidentificatiegegevens kunnen opslaan:

kaartnummer,

lidstaat van afgifte, autoriteit van afgifte, datum van afgifte,

datum van afgifte van de kaart en datum waarop de kaart ongeldig wordt.

5.2.2.   Identificatie van de kaarthouder

195
De bestuurderskaart moet de volgende identificatiegegevens van de kaarthouder kunnen opslaan:

de naam van de houder,

de voorna(a)m(en) van de houder,

geboortedatum,

voorkeurstaal.

5.2.3.   Informatie over het rijbewijs

196
De bestuurderskaart moet de volgende rijbewijsgegevens kunnen opslaan:

lidstaat van afgifte, autoriteit van afgifte,

rijbewijsnummer (op het moment van afgifte van de kaart).

5.2.4.   Gegevens over het gebruik van voertuigen

197
De bestuurderskaart moet voor elke kalenderdag waarop de kaart wordt gebruikt, en voor elke gebruiksperiode van een bepaald voertuig op die dag (deze periode omvat de opeenvolgende cyclus van inbrengen en uitnemen van de betrokken kaart in het voertuig) de volgende gegevens kunnen opslaan:

datum en tijd van het eerste gebruik van het voertuig (d.w.z. de eerste kaartinvoer voor deze gebruiksperiode van het voertuig, of 00.00 uur wanneer de gebruiksperiode op dat moment voortduurt);

kilometerstand van het voertuig op dat moment;

datum en tijd van het laatste gebruik van het voertuig, (d.w.z. de laatste kaartuitneming voor deze gebruiksperiode van het voertuig, of 23.59 uur wanneer de gebruiksperiode op dat moment voortduurt);

kilometerstand van het voertuig op dat moment;

kentekennummer en lidstaat waar het voertuig geregistreerd is.

198
De bestuurderskaart moet ten minste 84 registraties kunnen opslaan.

5.2.5.   Gegevens over de activiteiten van de bestuurder

199
De bestuurderskaart moet voor elke kalenderdag waarop de kaart wordt gebruikt of waarvoor de bestuurder handmatig activiteiten heeft ingevoerd, de volgende gegevens kunnen opslaan:

de datum;

een dagelijkse aanwezigheidsteller (met één verhoogd voor elk van de betrokken kalenderdagen);

de totale afstand die de bestuurder gedurende deze dag heeft afgelegd;

de bestuurdersstatus om 00.00 uur;

wanneer de bestuurder zijn activiteiten wijzigt en/of wanneer de status van de bestuurders verandert en/of wanneer hij zijn kaart heeft ingebracht of uitgenomen:

de status van de bestuurders (ALLEEN/MET EEN PLOEG);

de lezer (BESTUURDER, BIJRIJDER);

de status van de kaart (INGEBRACHT, NIET INGEBRACHT);

de activiteiten (RIJDEN, BESCHIKBAARHEID, WERKEN, ONDERBREKING/RUST);

het tijdstip van de wijziging.

200
Het geheugen van de bestuurderskaart moet de gegevens over de activiteiten van de bestuurder ten minste 28 dagen vasthouden (een bestuurder wijzigt zijn activiteiten gemiddeld 93 keer per dag).

201
De gegevens genoemd in de voorschriften 197 en 199 moeten zodanig worden opgeslagen, dat de activiteiten in de volgorde van optreden kunnen worden opgezocht, zelfs in het geval van tijdsoverlapping.

5.2.6.   Plaatsen waar dagelijkse werkperioden beginnen en/of eindigen

202
De bestuurderskaart moet de volgende door de bestuurder ingevoerde gegevens betreffende de plaatsen waar dagelijkse werkperioden beginnen en/of eindigen, kunnen opslaan:

de datum en tijd van de invoer (of de datum/tijd van de invoer indien deze handmatig geschiedt);

de soort invoer (begin of einde, omstandigheid van invoer);

het ingevoerde land en de ingevoerde regio;

de kilometerstand van het voertuig.

203
Het geheugen van de bestuurderskaart moet ten minste 42 registraties kunnen opslaan.

5.2.7.   Gegevens over voorvallen

Voor de toepassing van dit punt wordt de tijd met een resolutie van 1 seconde geregistreerd.

204
De bestuurderskaart moet gegevens kunnen opslaan over de volgende voorvallen, die door het controleapparaat gedetecteerd zijn terwijl de kaart was ingebracht:

tijdsoverlapping (indien deze kaart het voorval heeft veroorzaakt);

kaartinvoer tijdens het rijden (indien deze kaart aanleiding is voor het voorval);

laatste kaartsessie niet correct afgesloten (indien deze kaart aanleiding is voor het voorval);

onderbreking van de stroomvoorziening;

fout in de bewegingsgegevens;

pogingen de beveiliging op te heffen of te omzeilen.

205
De bestuurderskaart moet de volgende gegevens over deze voorvallen kunnen opslaan:

code van het voorval;

datum en tijd van het begin van het voorval (of van de kaartvoer indien het voorval op dat moment plaatsvond);

datum en tijd van het einde van het voorval (of van de kaartvoer indien het voorval op dat moment plaatsvond);

kentekennummer en lidstaat van registratie van het voertuig waarin het voorval plaatsvond.

Opmerking: In het geval van „Tijdsoverlapping”:

moeten datum en tijd van het begin van het voorval overeenkomen met de datum en tijd van kaartuitneming uit het vorige voertuig;

moeten datum en tijd van het einde van het voorval overeenkomen met de datum en tijd van kaartinvoer in het huidige voertuig;

moeten voertuiggegevens overeenkomen met die van het voertuig dat het voorval heeft veroorzaakt.

Opmerking: In het geval van „Laatste kaartsessie niet correct afgesloten”:

moeten datum en tijd van het begin van het voorval overeenkomen met de datum en tijd van kaartinvoer van de sessie die niet correct afgesloten is;

moeten datum en tijd van het einde van het voorval overeenkomen met de datum en tijd van kaartvoer van de sessie tijdens welke het voorval ontdekt werd (lopende sessie);

moeten voertuiggegevens overeenkomen met het voertuig waarin de sessie niet correct afgesloten werd.

206
De bestuurderskaart moet gegevens over de 6 meest recente voorvallen van elke soort (d.w.z. 36 voorvallen) kunnen opslaan.

5.2.8.   Gegevens over fouten

Voor de toepassing van dit punt wordt de tijd met een resolutie van 1 seconde geregistreerd.

207
De bestuurderskaart moet gegevens kunnen opslaan met betrekking tot de volgende fouten, die het controleapparaat heeft gedetecteerd terwijl de kaart was ingebracht:

kaartfout (indien deze kaart aanleiding is voor het voorval);

fout in controleapparaat.

208
De bestuurderskaart moet de volgende gegevens over deze fouten kunnen opslaan:

foutcode;

datum en tijd van het begin van de fout (of van de kaartinvoer indien de fout op dat moment voortduurde);

datum en tijd van het einde van de fout (of van de kaartuitneming indien de fout op dat moment voortduurde);

kentekennummer en lidstaat van registratie van het voertuig waarin de fout optrad.

209
De bestuurderskaart moet gegevens over de twaalf meest recente fouten van elke soort (d.w.z. 24 fouten) kunnen opslaan.

5.2.9.   Gegevens over controleactiviteiten

210
De bestuurderskaart moet de volgende gegevens met betrekking tot controleactiviteiten opslaan:

datum en tijd van de controle;

controlekaartnummer en lidstaat die de kaart heeft afgegeven;

soort controle (tonen en/of printen en/of VU-overbrenging en/of kaartoverbrenging (zie opmerking));

overgebrachte periode, in het geval van overbrenging;

kentekennummer en lidstaat van registratie van het voertuig waarin de controle plaatsvond.

Opmerking: De beveiligingseisen impliceren dat kaartoverbrenging uitsluitend geregistreerd wordt wanneer de overbrenging plaatsvindt via een controleapparaat.

211
De bestuurderskaart moet één van deze registraties kunnen vasthouden.

5.2.10.   Gegevens over kaartsessies

212
De bestuurderskaart moet gegevens opslaan met betrekking tot het voertuig waarin de lopende sessie geopend is:

datum en tijd waarop de sessie geopend werd (d.w.z. kaartinvoer), met een resolutie van een seconde;

kentekennummer en lidstaat van registratie.

5.2.11.   Gegevens over specifieke omstandigheden

212a
De bestuurderskaart moet de volgende gegevens met betrekking tot specifieke omstandigheden kunnen opslaan, die ingevoerd werden terwijl de kaart in een lezer ingebracht was:

datum en tijd van de invoer;

aard van de specifieke omstandigheid.

212b
De bestuurderskaart moet 56 van dergelijke registraties kunnen vasthouden.

5.3.   Werkplaatskaart

5.3.1.   Beveiligingselementen

213
De werkplaatskaart moet een Personal Identification Number (pincode) kunnen opslaan.

214
De werkplaatskaart moet de cryptografische sleutels voor het verbinden van de bewegingsopnemers aan de voertuigunits kunnen opslaan.

5.3.2.   Kaartidentificatie

215
De werkplaatskaart moet de volgende kaartidentificatiegegevens kunnen opslaan:

kaartnummer;

lidstaat van afgifte, autoriteit van afgifte, datum van afgifte;

datum van afgifte van de kaart en datum waarop de kaart ongeldig wordt.

5.3.3.   Identificatie van de kaarthouder

216
De werkplaatskaart moet de volgende identificatiegegevens van de kaarthouder kunnen opslaan:

naam van de werkplaats;

adres van de werkplaats;

naam van de houder;

voorna(a)m(en) van de houder;

voorkeurstaal.

5.3.4.   Gegevens over het gebruik van voertuigen

217
De werkplaatskaart moet de gegevens over het gebruik van voertuigen op dezelfde manier kunnen opslaan als een bestuurderskaart.

218
De werkplaatskaart moet ten minste 4 van dergelijke registraties kunnen opslaan.

5.3.5.   Gegevens over de activiteiten van de bestuurder

219
De werkplaatskaart moet de gegevens over de activiteiten van de bestuurder op dezelfde manier kunnen opslaan als een bestuurderskaart.

220
De werkplaatskaart moet de gegevens over de activiteiten van de bestuurder ten minste gedurende 1 dag met gemiddelde activiteiten van de bestuurder vasthouden.

5.3.6.   Gegevens over begin en einde van dagelijkse werkperioden

221
De werkplaatskaart moet de gegevens over begin en einde van dagelijkse werkperioden op dezelfde manier kunnen opslaan als een bestuurderskaart.

222
De werkplaatskaart moet ten minste 3 registraties kunnen vasthouden.

5.3.7.   Gegevens over voorvallen en fouten

223
De werkplaatskaart moet de gegevens over voorvallen en fouten op dezelfde manier kunnen opslaan als een bestuurderskaart.

224
De werkplaatskaart moet gegevens over de drie meest recente voorvallen van elke soort (d.w.z. 18 voorvallen) en de zes meest recente fouten van elke soort (d.w.z. 12 fouten) kunnen opslaan.

5.3.8.   Gegevens over controleactiviteiten

225
De werkplaatskaart moet de gegevens over controleactiviteiten op dezelfde manier kunnen opslaan als een bestuurderskaart.

5.3.9.   Gegevens over kalibrering en tijdafstelling

226
De werkplaatskaart moet registraties van kalibreringen en/of tijdafstellingen kunnen vasthouden die uitgevoerd worden terwijl de kaart in een controleapparaat ingebracht is.

227
Elke kalibreringsregistratie moet de volgende gegevens bevatten:

doel van de kalibrering (eerste installatie, installatie, periodieke inspectie);

VIN-nummer van het voertuig;

bijgewerkte of bevestigde parameters (w, k, l, bandenmaat, instelling van de snelheidsbegrenzer, kilometerstand (nieuwe en oude waarde), datum en tijd (nieuwe en oude waarde);

identificatienummer van het controleapparaat (onderdeelnummer en serienummer van de VU, serienummer van de bewegingsopnemer).

228
De werkplaatskaart moet ten minste 88 registraties kunnen opslaan.

229
De werkplaatskaart moet een teller bevatten die het totale aantal kalibreringen aangeeft dat met de kaart uitgevoerd is.

230
De werkplaatskaart moet een teller bevatten die het aantal kalibreringen sinds de laatste overbrenging aangeeft.

5.3.10.   Gegevens over specifieke omstandigheden

230a
De werkplaatskaart moet gegevens over specifieke omstandigheden op dezelfde manier kunnen opslaan als een bestuurderskaart. De werkplaatskaart moet 2 registraties kunnen opslaan.

5.4.   Controlekaart

5.4.1.   Kaartidentificatie

231
De controlekaart moet de volgende kaartidentificatiegegevens opslaan:

kaartnummer;

lidstaat van afgifte, autoriteit van afgifte, datum van afgifte;

ingangsdatum van de geldigheid van de kaart en datum waarop de kaart ongeldig wordt (indien van toepassing).

5.4.2.   Identificatie van de kaarthouder

232
De controlekaart moet de volgende identificatiegegevens van de kaarthouder kunnen opslaan:

naam van de controle-instantie;

adres van de controle-instantie;

naam van de houder;

voorna(a)m(en) van de houder;

voorkeurstaal.

5.4.3.   Gegevens over controleactiviteiten

233
De controlekaart moet de volgende gegevens met betrekking tot controleactiviteiten kunnen opslaan:

datum en tijd van de controle;

soort controle (tonen en/of printen en/of VU-overbrenging en/of kaartoverbrenging);

overgebrachte periode (indien van toepassing);

kentekennummer en lidstaat waarin het gecontroleerde voertuig geregistreerd staat;

kaartnummer en lidstaat die de gecontroleerde bestuurderskaart afgegeven heeft.

234
De controlekaart moet ten minste 230 registraties kunnen vasthouden.

5.5.   Bedrijfskaart

5.5.1.   Kaartidentificatie

235
De bedrijfskaart moet de volgende kaartidentificatiegegevens kunnen opslaan:

kaartnummer;

lidstaat van afgifte, autoriteit van afgifte, datum van afgifte;

ingangsdatum van de geldigheid van de kaart en datum waarop de kaart ongeldig wordt (indien van toepassing).

5.5.2.   Identificatie van de kaarthouder

236
De bedrijfskaart moet de volgende identificatiegegevens van de kaarthouder kunnen opslaan:

naam van het bedrijf;

adres van het bedrijf.

5.5.3.   Gegevens over bedrijfsactiviteiten

237
De bedrijfskaart moet de volgende gegevens over bedrijfsactiviteiten kunnen opslaan:

datum en tijd van de activiteit;

soort activiteit (vergrendeling en/of ontgrendeling van VU en/of VU-overbrenging en/of kaartoverbrenging);

overgebrachte periode (indien van toepassing);

kentekennummer en registrerende instantie van de lidstaat van het voertuig;

kaartnummer en lidstaat die de kaart afgegeven heeft (in het geval van kaartoverbrenging).

238
De bedrijfskaart moet ten minste 230 van dergelijke registraties kunnen vasthouden.

V.   INSTALLATIE VAN HET CONTROLEAPPARAAT

1.   Installatie

239
Nieuwe controleapparaten moeten in niet-geactiveerde toestand geleverd worden aan installateurs of voertuigfabrikanten. Alle kalibreringsparameters, zoals vermeld in hoofdstuk III.20, moeten daarbij ingesteld zijn op de juiste en geldige standaardwaarden. Indien geen specifieke waarde geschikt is, moeten letters op „?” en cijfers op „0” worden gezet.

240
Vóór de activering moet het controleapparaat toegang geven tot de kalibreringsfunctie, zelfs wanneer het apparaat zich niet in de kalibreringsmodus bevindt.

241
Vóór de activering mag het controleapparaat geen gegevens zoals genoemd in punt III.12.3 tot en met III.12.9 en punt III.12.12 tot en met III.12.14 registreren of opslaan.

242
Tijdens de installatie moeten de voertuigfabrikanten alle bekende parameters instellen.

243
Voertuigfabrikanten of installateurs moeten het geïnstalleerde controleapparaat activeren voordat het voertuig het bedrijf verlaat waar de installatie plaatsvond.

244
De activering van het controleapparaat moet automatisch worden opgestart bij de eerste invoer van een werkplaatskaart in een van zijn kaartinterfaces.

245
Eventuele specifieke verbindingen tussen de bewegingsopnemer en de voertuigunit moeten voor of tijdens de activering automatisch plaatsvinden.

246
Na de activering moet het controleapparaat alle functies uitvoeren en toegang geven tot alle gegevens.

247
De registratie- en opslagfuncties van het controleapparaat moeten na de activering volledig operationeel zijn.

248
Na de installatie moet een kalibrering volgen. Bij de eerste kalibrering wordt het kentekennummer ingevoerd; deze kalibrering vindt binnen 2 weken na de installatie of na de toewijzing van het kentekennummer plaats.

248a
Het controleapparaat moet zodanig in het voertuig worden geïnstalleerd dat de bestuurder gemakkelijk vanaf zijn zitplaats toegang heeft tot de noodzakelijke functies.

2.   Installatieplaatje

249
Na controle van het controleapparaat bij de installatie wordt op, in of naast het controleapparaat een installatieplaatje aangebracht, dat duidelijk zichtbaar en gemakkelijk toegankelijk is. Na iedere controle door een erkende installateur of werkplaats dient het oude plaatje door een nieuw te worden vervangen.

250
Op het plaatje moeten ten minste de volgende gegevens zijn aangebracht:

naam, adres of handelsnaam van de erkende installateur of werkplaats;

kenmerkende coëfficiënt van het voertuig in de vorm „w = … imp/km”,

constante van het controleapparaat in de vorm „k = … imp/km”,

effectieve omtrek van de wielbanden in de vorm „l = … mm”,

bandenmaat;

datum waarop de kenmerkende coëfficiënt van het voertuig vastgesteld en de effectieve omtrek van de wielbanden gemeten is;

VIN-nummer van het voertuig.

3.   Verzegeling

251
De volgende onderdelen moeten worden verzegeld:

alle verbindingen die, wanneer ze verbroken zouden worden, tot niet-traceerbare wijzigingen of niet-traceerbaar verlies van gegevens zouden leiden;

het installatieplaatje, tenzij het zodanig aangebracht is dat het niet kan worden verwijderd zonder de daarop aangebrachte aanduidingen te vernietigen.

252
De bovengenoemde verzegelingen mogen worden verwijderd:

in noodgevallen;

voor het plaatsen, afstellen of repareren van een snelheidsbegrenzer of alle andere tot de verkeersveiligheid bijdragende inrichtingen, op voorwaarde dat het controleapparaat op betrouwbare en juiste wijze blijft functioneren en door een erkende installateur of werkplaats (als bedoeld in hoofdstuk VI) onmiddellijk na het plaatsen van de snelheidsbegrenzer dan wel alle andere tot de verkeersveiligheid bijdragende inrichtingen opnieuw verzegeld wordt, of in alle andere gevallen binnen zeven dagen.

253
Iedere verbreking van deze zegels moet schriftelijk worden gemotiveerd; deze motivering dient ter beschikking van de bevoegde autoriteit te worden gehouden.

VI.   CONTROLES, INSPECTIES EN REPARATIES

Voorschriften betreffende de omstandigheden waarin verzegelingen verwijderd mogen worden, zoals vermeld in artikel 12, lid 5 van Verordening (EEG) nr. 3821/85, laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2135/98, worden beschreven in hoofdstuk V.3 van deze bijlage.

1.   Erkenning van installateurs of werkplaatsen

De lidstaten erkennen, certificeren en controleren regelmatig de instanties die de

installaties,

controles,

inspecties en

reparaties moeten verrichten.

In het kader van artikel 12, lid 1, van deze verordening worden werkplaatskaarten uitsluitend afgegeven aan voor het activeren en/of kalibreren van controleapparaten erkende installateurs en/of werkplaatsen die voldoen aan deze bijlage en, tenzij voldoende gerechtvaardigd:

niet in aanmerking komen voor een bedrijfskaart;

wiens andere bedrijfsactiviteiten geen potentieel gevaar voor de totale veiligheid van het systeem opleveren zoals beschreven in appendix 10.

2.   Controle van nieuwe of herstelde inrichtingen

254
Iedere afzonderlijke inrichting, zij het nieuw of hersteld, wordt gecontroleerd uit het oogpunt van juiste werking en nauwkeurigheid van de aflezing en registratie, waarbij de in hoofdstuk III.2.1 en III.2.2 vastgelegde grenswaarden moeten worden gehanteerd, door middel van de verzegeling overeenkomstig hoofdstuk V.3 en kalibrering.

3.   Controle van de installatie

255
Na plaatsing in een voertuig moeten de gehele installatie en het controleapparaat voldoen aan de bepalingen betreffende de maximumtoleranties zoals vastgelegd in hoofdstuk III.2.1 en III.2.2.

4.   Periodieke controles

256
Periodieke controles van de in de voertuigen geïnstalleerde inrichtingen moeten na iedere reparatie van de inrichting, of na iedere wijziging van de kenmerkende coëfficiënt van het voertuig of van de effectieve omtrek van de wielbanden, of wanneer de UTC-tijd van de inrichting meer dan 20 minuten afwijkt, of wanneer het kentekennummer gewijzigd is en ten minste om de twee jaar (24 maanden) na de laatste controle plaatsvinden.

257
Het volgende moet worden gecontroleerd:

de goede werking van het controleapparaat, met name de gegevensopslag op de tachograafkaart;

de naleving van het bepaalde in hoofdstuk III.2.1 en III.2.2 inzake de maximumtoleranties bij installatie;

de aanwezigheid van het goedkeuringsmerk op het controleapparaat;

de aanwezigheid van het installatieplaatje;

de ongeschonden staat van de zegels van het apparaat en van de andere installatieonderdelen;

de bandenmaat en de effectieve omtrek van de banden.

258
Bij deze controles moet een kalibrering plaatsvinden.

5.   Vaststelling van afwijkingen

259
De vaststelling van de afwijkingen bij installatie en gebruik geschiedt onder de volgende omstandigheden, die beschouwd moeten worden als normale beproevingsvoorwaarden:

onbelast voertuig, in normale rijklare toestand;

bandenspanning overeenkomstig de door de fabrikant verstrekte gegevens;

slijtage van de banden binnen de door de nationale voorschriften toegestane grenzen;

voortbeweging van het voertuig:

het voertuig moet zich, aangedreven door zijn eigen motor, langs een rechte lijn over een vlakke ondergrond bewegen met een snelheid van 50 ± 5 km/u. Het meettraject moet ten minste 1 000 m lang zijn;

de test mag ook uitgevoerd worden met alternatieve methoden, zoals op een geschikte proefbank, op voorwaarde dat deze even nauwkeurig zijn.

6.   Reparaties

260
Werkplaatsen kunnen gegevens van het controleapparaat overbrengen en deze gegevens teruggeven aan de betreffende transportonderneming.

261
Erkende werkplaatsen moeten een certificaat van onmogelijkheid van gegevensoverdracht aan de transportondernemingen afgeven, wanneer vooraf geregistreerde gegevens ten gevolge van de slechte werking van het controleapparaat zelfs na reparatie door de betrokken werkplaats niet kunnen worden overgebracht. De werkplaatsen bewaren een kopie van elk afgegeven certificaat gedurende ten minste een jaar.

VII.   KAARTAFGIFTE

De door de lidstaten vastgestelde werkwijze bij kaartafgifte moet aan het volgende voldoen:

 

262
Het kaartnummer van het eerste exemplaar van een tachograafkaart dat aan een aanvrager verstrekt wordt, moet een opeenvolgende index (indien van toepassing), een vervangingsindex en een vernieuwingsindex op de stand „0” hebben.

 

263
Van de kaartnummers van alle niet-persoonlijke tachograafkaarten, die aan een enkele controle-instantie, een enkele werkplaats of een enkele transportonderneming zijn afgegeven, moeten de eerste 13 cijfers hetzelfde zijn; verder moeten ze allemaal een andere opeenvolgende index hebben.

 

264
Een tachograafkaart die ter vervanging van een bestaande tachograafkaart wordt afgegeven, moet hetzelfde kaartnummer hebben als de vervangen kaart, met uitzondering van de vervangingsindex die met „1” moet worden verhoogd (in de volgorde 0, …, 9, A, …, Z).

 

265
Een tachograafkaart die ter vervanging van een bestaande tachograafkaart wordt afgegeven, moet dezelfde vervaldatum hebben als de vervangen kaart.

 

266
Een tachograafkaart die ter vernieuwing van een bestaande tachograafkaart wordt afgegeven, moet hetzelfde kaartnummer hebben als de bestaande kaart met uitzondering van de vervangingsindex die op „0” moet worden teruggezet en de vernieuwingsindex die met „1” moet worden verhoogd (in de volgorde 0, …, 9, A, …, Z).

 

267
Het ruilen van een bestaande tachograafkaart ten einde administratieve gegevens te wijzigen moet in dezelfde lidstaat geschieden volgens de voorschriften voor vernieuwing, of de voorschriften van eerste afgifte wanneer de ruiling plaatsvindt in een andere lidstaat.

 

268
In het geval van niet-persoonlijke werkplaats- of controlekaarten moet bij de „naam van de kaarthouder” de naam van de werkplaats of de controle-instantie worden ingevuld.

VIII.   GOEDKEURING VAN HET CONTROLEAPPARAAT EN DE TACHOGRAAFKAARTEN

1.   Algemeen

In dit hoofdstuk betekent het woord „controleapparaat”„controleapparaat of zijn samenstellende delen”. Er is geen goedkeuring vereist voor de verbindingskabel(s) tussen de bewegingsopnemer en de VU. Het in het controleapparaat gebruikte papier wordt als een samenstellend deel van het controleapparaat beschouwd.

269
Het controleapparaat moet met alle geïntegreerde inrichtingen ter goedkeuring worden aangeboden.

270
De goedkeuring van het controleapparaat en van de tachograafkaarten omvat beproevingen van de beveiliging, functiebeproevingen en interoperabiliteitsbeproevingen. Positieve beproevingsresultaten worden op een relevant certificaat vermeld.

271
De goedkeuringsautoriteiten van de lidstaten verlenen geen goedkeuringscertificaat overeenkomstig artikel 5 van deze verordening, zolang zij niet in het bezit zijn van:

een beveiligingscertificaat,

een functiecertificaat

en een interoperabiliteitscertificaat

voor het controleapparaat of de tachograafkaart waarvoor goedkeuring wordt aangevraagd.

272
De autoriteit die de goedkeuring voor het apparaat verleende, moet vooraf over elke wijziging in de software of hardware van het apparaat of in de aard van de voor de fabricage gebruikte materialen worden geïnformeerd. Deze autoriteit moet de verlenging van de goedkeuring aan de fabrikant bevestigen of kan een aanpassing of een bevestiging van de relevante functie-, beveiligings- en/of interoperabiliteitscertificaten eisen.

273
Procedures voor aanpassing van de in-situ software van het controleapparaat moeten worden goedgekeurd door de autoriteit die de typegoedkeuring voor het controleapparaat verleende. Een aanpassing van de software mag de in het controleapparaat opgeslagen gegevens over de activiteiten van de bestuurder wijzigen noch verwijderen. Software mag alleen onder de verantwoordelijkheid van de fabrikant van het apparaat aangepast worden.

2.   Veiligheidscertificaat

274
Het veiligheidscertificaat wordt afgegeven in overeenstemming met de bepalingen van appendix 10 van deze bijlage.

3.   Functiecertificaat

275
Eenieder die een typegoedkeuring aanvraagt, moet de goedkeuringsautoriteit van de lidstaat de door die autoriteit noodzakelijk geachte benodigdheden en documentatie verschaffen.

276
Een functiecertificaat wordt alleen aan de fabrikant afgegeven nadat in elk geval alle functiebeproevingen als gespecificeerd in appendix 9, succesvol afgesloten zijn.

277
De goedkeuringsautoriteit geeft het functiecertificaat af. Dit certificaat moet behalve de naam van de ontvanger en de identificatie van het model ook een gedetailleerde lijst van uitgevoerde beproevingen en behaalde resultaten vermelden.

4.   Interoperabiliteitscertificaat

278
Interoperabiliteitsbeproevingen worden door een laboratorium in opdracht en onder verantwoordelijkheid van de Europese Commissie uitgevoerd.

279
Het laboratorium moet de verzoeken van fabrikanten om interoperabiliteitsbeproevingen in chronologische volgorde van binnenkomst registreren.

280
Verzoeken worden officieel geregistreerd wanneer het laboratorium in het bezit is van:

alle benodigdheden en documenten die nodig zijn voor deze interoperabiliteitsbeproevingen;

het corresponderende beveiligingscertificaat;

het corresponderende functiecertificaat.

De fabrikant moet over de registratiedatum van het verzoek worden geïnformeerd.

281
Het laboratorium onderwerpt een controleapparaat of een tachograafkaart niet aan interoperabiliteitsbeproevingen wanneer voor dat apparaat of die kaart geen beveiligingscertificaat en functiecertificaat afgegeven is.

282
Een fabrikant die een interoperabiliteitsbeproeving aanvraagt, moet alle benodigdheden en documenten die nodig zijn voor het uitvoeren van de beproeving, aan het voor deze beproeving verantwoordelijke laboratorium verstrekken.

283
Alle typen controleapparatuur en alle tachograafkaarten

waarvan de goedkeuring nog steeds geldig is of,

waarvan de goedkeuring aangevraagd is en die een geldig interoperabiliteitscertificaat hebben,

moeten overeenkomstig de bepalingen van punt 5 van appendix 9 van deze bijlage onderworpen worden aan interoperabiliteitsbeproevingen.

284
Het laboratorium geeft het interoperabiliteitscertificaat alleen aan de fabrikant af nadat alle vereiste interoperabiliteitsbeproevingen succesvol afgerond zijn.

285
Indien de interoperabiliteitsbeproevingen bij een of meer controleapparaten of tachograafkaarten, als vereist volgens voorschrift 283, niet succesvol afgerond zijn, wordt het interoperabiliteitscertificaat pas afgegeven nadat de betreffende fabrikant de noodzakelijke wijzigingen heeft aangebracht en de apparatuur respectievelijk kaarten de daaropvolgende interoperabiliteitsbeproevingen met succes hebben doorstaan. Het laboratorium moet de oorzaak van het probleem met hulp van de betreffende fabrikanten vaststellen en moet de fabrikant die het verzoek ingediend heeft, helpen bij het vinden van een technische oplossing. Als de fabrikant zijn product heeft gewijzigd, dient hij bij de bevoegde instantie na te vragen of het veiligheidscertificaat en het functiecertificaat nog steeds geldig zijn.

286
Het interoperabiliteitscertificaat is zes maanden geldig. Aan het einde van deze periode wordt het ingetrokken wanneer de fabrikant geen corresponderend goedkeuringscertificaat heeft ontvangen. Het certificaat moet door de fabrikant naar de goedkeuringsautoriteit van de lidstaat worden gezonden die het functiecertificaat heeft afgegeven.

287
Elk onderdeel dat de oorzaak kan zijn van een interoperabiliteitsfout, mag niet worden gebruikt om voordelen of een dominante positie te verkrijgen.

5.   Typegoedkeuringscertificaat

288
De goedkeuringsautoriteit van de lidstaat geeft het goedkeuringscertificaat af zodra de autoriteit in het bezit is van de drie vereiste certificaten.

289
Op het moment van afgifte aan de fabrikant moet de goedkeuringsautoriteit een kopie van het goedkeuringscertificaat aan het voor de interoperabiliteitsbeproevingen verantwoordelijke laboratorium verstrekken.

290
Het voor de interoperabiliteitsbeproevingen bevoegde laboratorium moet een publiek toegankelijke website beheren waarop de lijst van typen controleapparaten of tachograafkaarten wordt bijgewerkt:

waarvoor een verzoek om interoperabiliteitsbeproevingen geregistreerd is;

die een interoperabiliteitscertificaat (ook tijdelijk) hebben ontvangen;

die een typegoedkeuringscertificaat hebben ontvangen.

6.   Bijzondere procedure: eerste interoperabiliteitscertificaten

291
Tot vier maanden nadat het eerste controleapparaat met de tachograafkaarten (bestuurders-, werkplaats-, controle- en bedrijfskaart) als interoperabel gecertificeerd is, wordt een afgegeven interoperabiliteitscertificaat (inclusief het allereerste) met betrekking tot tijdens deze periode geregistreerde verzoeken, als tijdelijk beschouwd.

292
Wanneer aan het einde van deze periode alle betreffende producten onderling interoperabel zijn, worden alle corresponderende interoperabiliteitscertificaten definitief.

293
Wanneer tijdens deze periode interoperabiliteitsfouten worden ontdekt, moet het voor de interoperabiliteitsbeproevingen verantwoordelijke laboratorium de oorzaak van de problemen met hulp van alle betrokken fabrikanten vaststellen en moeten de fabrikanten de noodzakelijke wijzigingen aanbrengen.

294
Indien zich aan het einde van deze periode nog steeds interoperabiliteitsproblemen voordoen, moet het voor de interoperabiliteitsbeproevingen verantwoordelijke laboratorium in samenwerking met de betreffende fabrikanten en de goedkeuringsautoriteiten die de corresponderende functiecertificaten hebben afgegeven, de oorzaken van de interoperabiliteitsfouten detecteren en vaststellen welke wijzigingen door de betreffende fabrikanten moeten worden aangebracht. Het zoeken naar technische oplossingen duurt maximaal twee maanden, waarna, indien geen algemene oplossing gevonden wordt, de Commissie na overleg met het voor de interoperabiliteitsbeproevingen verantwoordelijke laboratorium beslist welke apparaten en kaarten een definitief interoperabiliteitscertificaat krijgen. De Commissie motiveert haar beslissing.

295
Elk verzoek om interoperabiliteitsbeproevingen dat door het laboratorium geregistreerd wordt tussen het einde van de periode van vier maanden nadat het eerste tijdelijke interoperabiliteitscertificaat afgegeven is, en de datum waarop de Commissie haar beslissing zoals genoemd onder 294, moet worden opgeschort totdat de aanvankelijke interoperabiliteitsproblemen opgelost zijn. Deze verzoeken worden vervolgens in chronologische volgorde van registratie behandeld.

Appendix 1

VERKLARENDE WOORDENLIJST VAN DE GEGEVENS

INHOUD

1.

Inleiding 54

1.1.

Methoden ter definitie van gegevenssoorten 54

1.2.

Referenties 54

2.

Definities van gegevenssoorten 55

2.1.

ActivityChangeInfo (Informatie over wijziging van de activiteiten) 55

2.2.

Adres 56

2.3.

BCDString (Binair-decimale codenotatie) 56

2.4.

CalibrationPurpose (Kalibreringsdoel) 56

2.5.

CardActivityDailyRecord (Dagelijkse registratie van de activiteiten op de kaart) 57

2.6.

CardActivityLengthRange (Lengtebereik van de activiteiten op de kaart) 57

2.7.

CardApprovalNumber (Goedkeuringsnummer van de kaart) 57

2.8.

CardCertificate (Kaartcertificaat) 57

2.9.

CardChipIdentification (Identificatie van de kaartchip) 57

2.10.

CardConsecutiveIndex (Opeenvolgende index van de kaart) 58

2.11.

CardControlActivityDataRecord (Gegevensregistratie van controleactiviteiten op de kaart) 58

2.12.

CardCurrentUse (Huidig gebruik kaart) 58

2.13.

CardDriverActivity (Bestuurdersactiviteiten op de kaart) 58

2.14.

CardDrivingLicenceInformation (Rijbewijsinformatie op kaart) 59

2.15.

CardEventData (Voorvalgegevens op kaart) 59

2.16.

CardEventRecrord (Voorvalregistratie op kaart) 59

2.17.

CardFaultData (Foutgegevens op kaart) 60

2.18.

CardFaultRecord (Registratie van kaartfouten) 60

2.19.

CardIccIdentification (IC-Identificatie kaart) 60

2.20.

CardIdentification (Kaartidentificatie) 61

2.21.

CardNumber (Kaartnummer) 61

2.22.

CardPlaceDailyWorkPeriod (Plaatsen van dagelijkse werkperiodes) 61

2.23.

CardPrivateKey (Particuliere sleutel van de kaart) 62

2.24.

CardPublicKey (Openbare sleutel van de kaart) 62

2.25.

CardRenewalIndex (Vernieuwingsindex van de kaart) 62

2.26.

CardReplacementIndex (Vervangingsindex van de kaart) 62

2.27.

CardSlotNumber (Nummer van de kaartlezer) 62

2.28.

CardSlotsStatus (Status van de kaartlezers) 62

2.29.

CardStructureVersion (Versie van de kaartstructuur) 63

2.30.

CardVehicleRecord (Registratie van het gebruik van het voertuig) 63

2.31.

CardVehiclesUsed (Gebruikte voertuigen op de kaart) 63

2.32.

Certificate (Certificaat) 64

2.33.

CertificateContent (Inhoud van het certificaat) 64

2.34.

CertificateHolderAuthorisation (Autorisatie van de certificaathouder) 64

2.35.

CertificateRequestID (ID van verzoek om certificaat) 65

2.36.

CertificationAuthorityKID (Sleutel-ID van de certificeringsautoriteit) 65

2.37.

CompanyActivityData (Gegevens over bedrijfsactiviteiten) 65

2.38.

CompanyActivityType (Sort bedrijfsactiviteit) 66

2.39.

CompanyCardApplicationIdentification (Toepassingsidentificatie van de bedrijfskaart) 66

2.40.

CompanyCardHolderIdentification (Identificatie van de bedrijfskaarthouder) 66

2.41.

ControlCardApplicationIdentification (Toepassingsidentificatie van de controlekaart) 67

2.42.

ControlCardControlActivityData (Gegevens over controleactiviteiten van de controlekaart) 67

2.43.

ControlCardHolderIdentification (Identificatie van de controlekaarthouder) 67

2.44.

ControlType (Soort controle) 68

2.45.

CurrentDateTime (Huidige datum en tijd) 68

2.46.

DailyPresenceCounter (Dagelijkse-aanwezigheidsteller) 68

2.47.

Datef (Datumeenheid) 69

2.48.

Distance (Afstand) 69

2.49.

DriverCardApplicationIdentification (Toepassingsidentificatie van de bestuurderskaart) 69

2.50.

DriverCardHolderIdentification (Identificatie van de bestuurderskaarthouder) 69

2.51.

EntryTypeDailyWorkPeriod (Soort invoer van de dagelijkse werkperiode) 70

2.52.

EquipmentType (Soort inrichting) 70

2.53.

EuropeanPublicKey (Europese openbare sleutel) 70

2.54.

EventFaultType (Soorten voorvallen en fouten) 70

2.55.

EventFaultRecordPurpose (Doel van de voorvallen-foutenregistratie) 71

2.56.

ExtendedSerialNumber (Verlengd serienummer) 72

2.57.

FullCardNumber (Volledig kaartnummer) 72

2.58.

HighResOdometer (Zeer nauwkeurige kilometerteller) 72

2.59.

HighResTripDistance (Zeer nauwkeurige reisafstand) 72

2.60.

HolderName (Naam van de houder) 72

2.61.

K-ConstantOfRecordingEquipment (K-Constante van het controleapparaat) 73

2.62.

KeyIdentifier (Sleutelidentificatiesymbool) 73

2.63.

L-TyreCircumference (L-omtrek van de wielbanden) 73

2.64.

Language (Taal) 73

2.65.

LastCardDownload 73

2.66.

ManualInputFlag (Label voor handmatige invoer) 73

2.67.

ManufacturerCode (Code van de fabrikant) 74

2.68.

MemberStateCertificate (Lidstaatcertificaat) 74

2.69.

MemberStatePublicKey (Openbare sleutel van een lidstaat) 75

2.70.

Name (Naam) 75

2.71.

NationAlpha (Alfanumerieke code van een land) 75

2.72.

NationNumeric (Numerieke code van een land) 76

2.73.

NoOfCalibrationRecords (Aantal kalibreringsregistraties) 77

2.74.

NoOfCalibrationSinceDonwload (Aantal kalibreringen sinds de laatste overbrenging) 77

2.75.

NoOfCardPlaceRecords (Aantal plaatsregistraties) 77

2.76.

NoOfCardVehicleRecords (Aantal voertuigregistraties) 77

2.77.

NoOfCompanyActivityRecords (Aantal registraties van bedrijfsactiviteiten) 77

2.78.

NoOfControlActivityRecords (Aantal registraties van controleactiviteiten) 78

2.79.

NoOfEventsPerType (Aantal voorvallen per soort) 78

2.80.

NoOfFaultsPerType (Aantal fouten per soort) 78

2.81.

OdometerValueMidnight (Kilometerstand om 0.00 uur) 78

2.82.

OdometerShort (Verkorte kilometerstand) 78

2.83.

OverspeedNumber (Aantal snelheidoverschrijdingen) 78

2.84.

PlaceRecord (Plaatsregistratie) 78

2.85.

PreviousVehicleInfo (Informatie over het vorige voertuig) 79

2.86.

PublicKey (Openbare sleutel) 79

2.87.

RegionAlpha (Alfanumerieke code van een regio) 79

2.88.

RegionNumeric (Numerieke code van een regio) 79

2.89.

RSAKeyModulus (Modulus van de RSA sleutel) 80

2.90.

RSAKeyPrivateExponent (Particuliere exponent van de RSA sleutel) 80

2.91.

RSAKeyPublicExponent (Openbare exponent van de RSA-sleutel) 80

2.92.

SensorApprovalNumber (Goedkeuringsnummer van de opnemer) 80

2.93.

SensorIdentification (Identificatie van de opnemer) 80

2.94.

SensorInstallation (Installatie van de opnemer) 81

2.95.

SensorInstallationSecData (Beveiligingsgegevens over de installatie van de opnemer) 81

2.96.

SensorOSIdentifiee (Identificatiesymbool van het OS van de opnemer) 81

2.97.

SensorPaired (Verbonden opnemer) 81

2.98.

SensorPairingDate (Datum van verbinding van de opnemer) 82

2.99.

SensorSerialNumber (Serienummer van de opnemer) 82

2.100.

SensorSCIdentifier (Identificatiesymbool van de beveiligingscomponent van de opnemer) 82

2.101.

Signature (Handtekening) 82

2.102.

SimilarEventsNumber (Aantal vergelijkbare voorvallen) 82

2.103.

SpecificConditionType (Soort specifieke omstandigheid) 82

2.104.

SpecificConditionRecord (Registratie van een specifieke omstandigheid) 82

2.105.

Speed (Snelheid) 83

2.106.

SpeedAuthorised (Toegestane snelheid) 83

2.107.

SpeedAverage (Gemiddelde snelheid) 83

2.108.

SpeedMax (Maximumsnelheid) 83

2.109.

TDesSessionKey (TDes-sessiesleutel) 83

2.110.

TimeReal (Tijdklok) 83

2.111.

TyreSize (Bandenmaat) 83

2.112.

VehicleIdentificationNumber (Voertuigidentificatienummer) 84

2.113.

VehicleRegistrationIdentification (Identificatie van de voertuigregistratie) 84

2.114.

VehicleRegistrationNumber (Kentekennummer) 84

2.115.

VuActivityDailyData (Gegevens over de dagelijkse activiteiten van de VU) 84

2.116.

VuApprovalNumber (Goedkeuringsnummer van de VU) 84

2.117.

VuCalibrationData (Kalibreringsgegevens van de VU) 84

2.118.

VuCalibrationRecord (Kalibreringsregistratie van de VU) 85

2.119.

VuCardIWData (Gegevens over het inbrengen en uitnemen van een kaart) 85

2.120.

VuCardIWRecord (Registratie van het inbrengen en uitnemen van een kaart) 86

2.121.

VuCertificate (VU-certificaat) 86

2.122.

VuCompanyLocksData (Gegevens over bedrijfsvergrendelingen van de VU) 86

2.123.

VuCompanyLocksRecord (Registratie van bedrijfsvergrendelingen van de VU) 87

2.124.

VuControlActivityData (Gegevens over controleactiviteiten van de VU) 87

2.125.

VuControlActivityRecord (Registratie van controleactiviteiten van de VU) 87

2.126.

VuDataBlockCounter (Teller van gegevensblokken van de VU) 87

2.127.

VuDetailedSpeedBlock (Gedetailleerd snelheidsblok van de VU) 87

2.128.

VuDetailedSpeedData (Gedetailleerde snelheidsgegevens van de VU) 88

2.129.

VuDownloadablePeriod (Over te brengen periode van de VU) 88

2.130.

VuDownloadActivityData (Gegevens over overbrengingsactiviteiten van de VU) 88

2.131.

VuEventData (Gegevens over voorvallen van de VU) 88

2.132.

VuEventRecord (Voorvallenregistratie van de VU) 89

2.133.

VuFaultData (Gegevens over fouten van de VU) 89

2.134.

VuFaultRecord (Foutenregistratie van de VU) 89

2.135.

VuIdentification (Identificatie van de VU) 90

2.136.

VuManufacturerAddress (Adres van de fabrikant van de VU) 90

2.137.

VuManufacturerName (Naam van de fabrikant van de VU) 90

2.138.

VuManufacturingDate (Bouwjaar van de VU) 90

2.139.

VuOverSpeedingControlData (Controlegegevens over snelheidsoverschrijding van de VU) 91

2.140.

VuOverSpeedingEventData (Gegevens over voorvallen van snelheidsoverschrijding van de VU) 91

2.141.

VuOverSpeedingEventRecord (Voorvallenregistraties van snelheidsoverschrijding van de VU) 91

2.142.

VuPartNumber (Onderdeelnummer van de VU) 91

2.143.

VuPlaceDailyWorkPeriodData (Gegevens over plaatsen van dagelijkse werkperiodes van de VU) 92

2.144.

VuPlaceDailyWorkPeriodRecord (Registraties van plaatsen van dagelijkse werkperiodes van de VU) 92

2.145.

VuPrivateKey (Particuliere sleutel van de VU) 92

2.146.

VuPublicKey (Openbare sleutel van de VU) 92

2.147.

VuSerialNumber (Serienummer van de VU) 92

2.148.

VuSoftInstallationDate (Datum van installatie van de software in de VU) 92

2.149.

VuSoftwareIdentification (Identificatie van de software van de VU) 92

2.150.

VuSoftwareVersion (Softwareversie van de VU) 93

2.151.

VuSpecificConditionData (Gegevens over specifieke omstandigheden van de VU) 93

2.152.

VuTimeAdjustmentData (Tijdafstellingsgegevens van de VU) 93

2.153.

VuTimeAdjustmentRecord (Tijdafstellingsregistraties van de VU) 93

2.154.

W-VehicleCharacteristicConstant (Kenmerkende coëfficiënt van het voertuig) 93

2.155.

WorkshopCardApplicationIdentification (Toepassingsidentificatie van de werkplaatskaart) 94

2.156.

WorkshopCardCalibrationData (Kalibreringsgegevens van de werklaatskaart) 94

2.157.

WorkshopCardCalibrationRecord (Kalibreringsregistratie van de werkplaatskaaart) 94

2.158.

WorkshopCardHolderIdentification (Identificatie van de werkplaatskaarthouder) 95

2.159.

WorkshopCardPIN (PIN-code van de werkplaatskaart) 95

3.

Definities van waardenbereik en afmetingenbereik 96

3.1.

Definities voor de bestuurderskaart 96

3.2.

Definities voor de werkplaatskaart 96

3.3.

Definities voor de controlekaart 96

3.4.

Definities voor de bedrijfskaart 96

4.

Tekensets 96

5.

Codering 96

1.   INLEIDING

Deze appendix specificeert gegevensvormen, gegevenselementen en gegevensstructuren voor gebruik in het controleapparaat en de tachograafkaarten.

1.1.   Methoden ter definitie van gegevenssoorten

Deze appendix gebruikt Abstract Syntax Notation One (ASN.1) om gegevenssoorten te definiëren. Hierdoor is het zonder een toepassings- en omgevingsafhankelijke specifieke overdrachtssyntaxis (coderingsregels) mogelijk enkelvoudige en gestructureerde gegevens te definiëren.

ASN.1-conventies voor soortbenaming worden gebruikt in overeenstemming met ISO/IEC 8824-1. Dit betekent dat:

waar mogelijk de betekenis van de gegevenssoort door middel van de geselecteerde benamingen wordt aangeduid;

daar waar een gegevenssoort een samenstelling van andere gegevenssoorten is, de benaming van de gegevenssoort toch een enkele reeks alfabetische tekens is die begint met een hoofdletter. Hoofdletters worden echter in de benaming gebruikt om de corresponderende betekenis te verduidelijken;

over het algemeen hebben de benamingen van de gegevenssoorten betrekking op de benaming van de gegevenssoorten waaruit ze samengesteld zijn, de inrichting waarin de gegevens opgeslagen zijn en de aan de gegevens gerelateerde functie.

Indien een ASN.1-soort als onderdeel van een andere norm reeds gedefinieerd is en indien hij relevant is voor gebruik in het controleapparaat, dan wordt deze ASN.1-soort in deze appendix gedefinieerd.

Om verscheidene soorten coderingsregels mogelijk te maken, is een aantal ASN.1-soorten in deze appendix beperkt door identificatiesymbolen voor het waardenbereik. Deze identificatiesymbolen worden in paragraaf 3 gedefinieerd.

1.2.   Referenties

De onderstaande referenties worden in deze appendix gebruikt:

ISO 639

Code for the representation of names of languages. First Edition: 1988.

EN 726-3

Identification cards systems — Telecommunications integrated circuit(s) cards and terminals — Part 3: Application independent card requirements. December 1994.

ISO 3779

Road vehicles — Vehicle identification number (VIN) — Content and structure. Edition 3: 1983.

ISO/IEC 7816-5

Information technology — Identification cards — Integrated circuit(s) cards with contacts — Part 5: Numbering system and registration procedure for application identifiers. First edition: 1994 + Amendment 1: 1996.

ISO/IEC 8824-1

Information technology — Abstract Syntax Notation 1 (ASN.1): Specification of basic notation. Edition 2: 1998.

ISO/IEC 8825-2

Information technology — ASN.1 encoding rules: Specification of Packed Encoding Rules (PER). Edition 2: 1998.

ISO/IEC 8859-1

Information technology — 8 bit single-byte coded graphic character sets — Part 1: Latin alphabet No.1. First edition: 1998.

ISO/IEC 8859-7

Information technology — 8 bit single-byte coded graphic character sets — Part 7: Latin/Greek alphabet. First edition: 1987.

ISO 16844-3

Road vehicles — Tachograph systems — Motion Sensor Interface. WD 3-20/05/99.

2.   DEFINITIES VAN GEGEVENSSOORTEN

Voor elk van de onderstaande gegevenssoorten bestaat de standaardwaarde voor een „onbekende” of een „niet-toepasbare” inhoud in het opvullen van het gegevenselement met ′FF′ bytes.

2.1.   ActivityChangeInfo (Informatie over wijziging van de activiteiten)

Met deze gegevenssoort kunnen een lezerstatus op 00:00 en/of een bestuurderstatus op 00:00 en/of wijzigingen van activiteiten en/of wijzigingen in de rijstatus van bestuurders en/of wijzigingen in de status van de kaart voor een bestuurder of een bijrijder gecodeerd worden binnen een woord van twee bytes. Deze gegevenssoort is gerelateerd aan de voorschriften 084, 109a, 199 en 219.

ActivityChangeInfo ::= OCTET STRING (SIZE(2))

Waardetoekenning — octet-uitgericht: ′scpaattttttttttt′B (16 bits)

 

Voor geheugenregistraties (of lezerstatus):

′s′B

Lezer:

 

′0′B: BESTUURDER,

 

′1′B: BIJRIJDER,

′c′B

Status van de bestuurders:

 

′0′B: ALLEEN,

 

′1′B: MET EEN PLOEG,

′p′B

Status van de bestuurderskaart (of werkplaatskaart) in de relevante lezer:

 

′0′B: INGEBRACHT, een kaart is ingebracht,

 

′1′B: NIET-INGEBRACHT, er is geen kaart ingebracht (of er is een kaart uitgenomen),

′aa′B

Activiteit:

 

′00′B: ONDERBREKING/RUST,

 

′01′B: BESCHIKBAARHEID,

 

′10′B: WERK,

 

′11′B: RIJDEN,

′ttttttttttt′B

Tijd van de wijziging: aantal minuten vanaf 00.00 uur op de betreffende dag.

 

Voor bestuurderskaartregistraties (of werkplaatskaartregistraties) (en bestuurderstatus):

′s′B

Lezer (niet relevant wanneer ′p′ = 1, behoudens onderstaande opmerking):

 

′0′B: BESTUURDER,

 

′1′B: BIJRIJDER,

′c′B

Status van de bestuurders (geval ′p′ = 0) of

Volgende status van de activiteiten (geval ′p′ = 1):

′0′B: ALLEEN,

′0′B: MET EEN PLOEG,

′1′B: ONBEKEND

′1′B: BEKEND (= handmatig ingevoerd)

′p′B

Status van de kaart:

 

′0′B: INGEBRACHT, de kaart is in een controleapparaat ingebracht,

 

′1′B: NIET INGEBRACHT, de kaart is niet ingebracht (of de kaart is uitgenomen),

′aa′B

Activiteit (niet relevant wanneer ′p′ = 1 en ′c′ = 0 behoudens onderstaande opmerking):

 

′00′B: ONDERBREKING/RUST,

 

′01′B: BESCHIKBAARHEID,

 

′10′B: WERK,

 

′11′B: RIJDEN,

′ttttttttttt′B

Tijd van de wijziging: aantal minuten vanaf 00.00 uur op de betreffende dag.

Opmerking in geval van „kaartuitneming”:

Wanneer de kaart wordt uitgenomen:

′s′ is relevant en geeft de lezer aan waarvan de kaart wordt uitgenomen,

′c′ moet op 0 worden gezet,

′p′ moet op 1 worden gezet,

′aa′ moet de lopende, op dat moment geselecteerde activiteit coderen.

Ten gevolge van een handmatige invoer kunnen de bits ′c′ en ′aa′ van het (op een kaart opgeslagen) woord later worden overschreven om de invoer weer te geven.

2.2.   Adres

Een adres.

Address ::= SEQUENCE {

 

codePage

INTEGER (0..255),

address

OCTET STRING (SIZE(35))

}

 

codePage specificeert het onderdeel van ISO/IEC 8859 dat wordt gebruikt om het adres te coderen,

address is een overeenkomstig ISO/IEC 8859-codePage gecodeerd adres.

2.3.   BCDString (binair-decimale codenotatie)

De BCDString wordt toegepast voor de BCD-weergave (Binary Code Decimal). Deze gegevenssoort wordt gebruikt om een decimaal cijfer in een semi-byte (4 bits) weer te geven. BCDString is gebaseerd op het ′CharacterStringType′ van ISO/IEC 8824-1.

BCDString ::= CHARACTER STRING (WITH COMPONENTS {

identification ( WITH COMPONENTS {

fixed PRESENT }) })

BCDString gebruikt een „hstring”-notatie. Het uiterst linkse hexadecimale cijfer moet de meest significante semi-byte van de eerste byte zijn. Om een veelvoud van bytes aan te maken, moeten zoveel semi-bytes eindigend op nul worden ingebracht als nodig zijn vanaf de uiterst linkse semi-bytepositie in de eerste byte.

De toegestane cijfers zijn: 0, 1, … 9.

2.4.   CalibrationPurpose (Kalibreringsdoel)

Code die verklaart waarom een verzameling kalibreringsparameters geregistreerd werd. Deze gegevenssoort is gerelateerd aan de voorschriften 097 en 098.

CalibrationPurpose ::= OCTET STRING (SIZE(1))

Waardetoekenning:

′00′H

gereserveerde waarde,

′01′H

activering: registratie van kalibreringsparameters die op het moment van activering van de VU, bekend zijn,

′02′H

eerste installatie: eerste kalibrering van de VU na activering,

′03′H

installatie: eerste kalibrering van de VU in het huidige voertuig,

′04′H

periodieke controle.

2.5.   CardActivityDailyRecord (Dagelijkse registratie van de activiteiten op de kaart)

Op een kaart opgeslagen informatie met betrekking tot de activiteiten van de bestuurder op een bepaalde dag. Deze gegevenssoort is gerelateerd aan de voorschriften 199 en 219.

CardActivityDailyRecord ::= SEQUENCE {

 

activityPreviousRecordLength

INTEGER(0..CardActivityLengthRange),

activityRecordLength

INTEGER(0..CardActivityLengthRange),

activityRecordDate

TimeReal,

activityDailyPresenceCounter

DailyPresenceCounter,

activityDayDistance

Distance,

activityChangeInfo

SET SIZE(1..1440) OF ActivityChangeInfo

}

 

activityPreviousRecordLength is de totale lengte in bytes van de voorafgaande dagelijkse registratie. De maximale waarde wordt toegekend door de lengte van de OCTET STRING die deze registraties bevat (zie CardActivityLengthRange paragraaf 3). Wanneer deze registratie de oudste dagelijkse registratie is, moet de waarde van activityPreviousRecordLength op 0 worden gezet.

activityRecordLength is de totale lengte in bytes van deze registratie. De maximale waarde wordt toegekend door de lengte van de OCTET STRING die deze registraties bevat.

activityRecordDate is de datum van de registratie.

activityDailyPresenceCounter is de dagelijkse aanwezigheidsteller voor de kaart op deze dag.

activityDayDistance is de totale op deze dag afgelegde afstand.

activityChangeInfo is de verzameling ActivityChangeInfo-gegevens voor de bestuurder op deze dag. Het kan maximaal 1 440 waarden bevatten (één wijziging van de activiteiten per minuut). Deze verzameling bevat altijd de activityChangeInfo waarmee de bestuurderstatus op 00:00 wordt gecodeerd.

2.6.   CardActivityLengthRange (Lengtebereik van de activiteiten op de kaart)

Aantal beschikbare bytes op een bestuurders- of werkplaatskaart voor het opslaan van registraties van de activiteiten van de bestuurder.

CardActivityLengthRange ::= INTEGER(0..216-1)

Waardetoekenning: zie paragraaf 3.

2.7.   CardApprovalNumber (Goedkeuringsnummer van de kaart)

Goedkeuringsnummer van de kaart.

CardApprovalNumber ::= IA5String(SIZE(8))

Waardetoekenning: niet gespecificeerd.

2.8.   CardCertificate (Kaartcertificaat)

Certificaat van de openbare sleutel van een kaart.

CardCertificate ::= Certificate

2.9.   CardChipIdentification (Identificatie van de kaartchip)

Op een kaart opgeslagen informatie met betrekking tot de identificatie van het integrated circuit (IC) van de kaart (voorschrift 191).

CardChipIdentification ::= SEQUENCE {

 

icSerialNumber

OCTET STRING (SIZE(4)),

icManufacturingReferences

OCTET STRING (SIZE(4))

}

 

icSerialNumber is het serienummer van het IC zoals gedefinieerd in EN 726-3.

icManufacturingReferences is het identificatiesymbool van de fabrikant van het IC en fabricage-elementen zoals gedefinieerd in EN 726-3.

2.10.   CardConsecutiveIndex (Opeenvolgende index van de kaart)

Een opeenvolgende index van de kaart (definitie h)).

CardConsecutiveIndex ::= IA5String(SIZE(1))

Waardetoekenning: (zie hoofdstuk VII van deze bijlage)

Volgorde voor verhoging: ′0, …, 9, A, … , Z, a, … , z′

2.11.   CardControlActivityDataRecord (Gegevensregistratie van controleactiviteiten op de kaart)

Op een bestuurders- of werkplaatskaart opgeslagen informatie met betrekking tot de laatste controle van de bestuurder (voorschriften 210 en 225).

CardControlActivityDataRecord ::= SEQUENCE {

 

controlType

controlType,

controlTime

TimeReal,

controlCardNumber

FullCardNumber,

controlVehicleRegistration

VehicleRegistrationIdentification,

controlDownloadPeriodBegin

TimeReal,

controlDownloadPeriodEnd

TimeReal,

}

 

controlType is het type controle.

controlTime is de datum en tijd van de controle.

controlCardNumber is het FullCardNumber van de controleur die de controle heeft uitgevoerd.

controlVehicleRegistration is het kentekennummer en de registrerende lidstaat van het voertuig waarin de controle plaatsvond.

controlDownloadPeriodBegin en controlDownloadPeriodEnd is de overgebrachte periode in geval van overbrenging.

2.12.   CardCurrentUse (Huidig gebruik kaart)

Informatie over het werkelijke gebruik van de kaart (voorschrift 212).

CardCurrentUse ::= SEQUENCE {

 

sessionOpenTime

TimeReal,

sessionOpenVehicle

VehicleRegistrationIdentification

}

 

sessionOpenTime is de tijd waarop de kaart voor het huidige gebruik ingebracht wordt. Dit element wordt bij kaartuitneming op nul gezet.

sessionOpenVehicle is de identificatie van het thans gebruikte voertuig, die ingesteld wordt bij kaartinbrenging. Dit element wordt bij kaartuitneming op nul gezet.

2.13.   CardDriverActivity (Bestuurdersactiviteiten op de kaart)

Op een bestuurders- of werkplaatskaart opgeslagen informatie met betrekking tot de activiteiten van de bestuurder (voorschriften 199 en 219).

CardDriverActivity ::= SEQUENCE {

 

activityPointerOldestDayRecord

INTEGER(0..CardActivityLengthRange-1),

activityPointerNewestRecord

INTEGER(0..CardActivityLengthRange-1),

activityDailyRecords

OCTET STRING (SIZE(CardActivityLengthRange))

}

 

activityPointerOldestDayRecord is de specificatie van het begin van de geheugenplaats (aantal bytes vanaf het begin van de string) van de oudste volledige dagregistratie in de activityDailyRecords string. De maximale waarde wordt door de lengte van de string aangegeven.

activityPointerNewestRecord is de specificatie van het begin van de geheugenplaats (aantal bytes vanaf het begin van de string) van de meest recente dagregistratie in de activityDailyRecords string. De maximale waarde wordt door de lengte van de string aangegeven.

activityDailyRecords is de beschikbare ruimte voor het opslaan van gegevens over de activiteiten van de bestuurder (gegevensstructuur: CardActivityDailyRecord) voor elke kalenderdag waarop de kaart gebruikt is.

Waardetoekenning: deze bytestring wordt periodiek met registraties van de CardActivityDailyRecord gevuld. Bij het eerste gebruik begint de opslag met de eerste byte van de string. Alle nieuwe records worden aan het einde van het voorgaande record toegevoegd. Wanneer de string vol is, gaat de opslag verder bij de eerste byte van de string, onafhankelijk van een onderbreking binnen een gegevenselement. Voor het invoeren van nieuwe gegevens over activiteiten in de string (uitbreiding van de lopende activityDailyRecord, of invoeren van een nieuwe activityDailyRecord), die oudere gegevens over activiteiten vervangen, moet het activityPointerOldestDayRecord bijgewerkt worden om de nieuwe locatie van de oudste volledige dagregistratie weer te geven; de activityPreviousRecordLength van deze (nieuwe) oudste volledige dagregistratie moet op 0 worden teruggezet.

2.14.   CardDrivingLicenceInformation (Rijbewijsinformatie op kaart)

Op een bestuurderskaart opgeslagen informatie met betrekking tot de rijbewijsgegevens van de kaarthouder (voorschrift 196).

CardDrivingLicenceInformation ::= SEQUENCE {

 

drivingLicenceIssuingAuthority

Name,

drivingLicenceIssuingNation

NationNumeric,

drivingLicenceNumber

IA5String(SIZE(16))

}

 

drivingLicenceIssuingAuthority is de autoriteit die verantwoordelijk is voor afgifte van het rijbewijs.

drivingLicenceIssuingNation is de nationaliteit van de autoriteit die het rijbewijs heeft afgegeven.

drivingLicenceNumber is het nummer van het rijbewijs.

2.15.   CardEventData (Voorvalgegevens op kaart)

Op een bestuurders- of werkplaatskaart opgeslagen informatie met betrekking tot de aan de kaarthouder te wijten voorvallen (voorschriften 204 en 223).

CardEventData ::= SEQUENCE SIZE(6) OF {

 

cardEventRecords

SET SIZE(NoOfEventsPerType) OF CardEventRecord

}

 

CardEventData is een sequentie, gerangschikt op oplopende waarde van EventFaultType, van cardEventRecords (behoudens registraties die verband houden met pogingen tot inbreuk op de beveiliging, die in de laatste reeks van de sequentie worden verzameld).

cardEventRecords is een reeks voorvalregistraties van een bepaald type voorval (of categorie voor voorvallen met betrekking tot pogingen tot inbreuk op de beveiliging).

2.16.   CardEventRecord (Voorvalregistratie op kaart)

Op een bestuurders- of werkplaatskaart opgeslagen informatie met betrekking tot een aan de kaarthouder te wijten voorval (voorschriften 205 en 223).

CardEventRecord ::= SEQUENCE {

 

eventType

EventFaultType,

eventBeginTime

TimeReal,

eventEndTime

TimeReal,

eventVehicleRegistration

VehicleRegistrationIdentification

}

 

eventType is het type voorval.

eventBeginTime is de datum en tijd van het begin van het voorval.

eventEndTime is de datum en tijd van het einde van het voorval.

eventVehicleRegistration is het kentekennummer van de registrerende lidstaat van het voertuig waarin het voorval plaatsvond.

2.17.   CardFaultData (Foutgegevens op kaart)

Op een bestuurders- of werkplaatskaart opgeslagen informatie met betrekking tot de aan de kaarthouder te wijten fouten (voorschriften 207 en 223).

CardFaultData ::= SEQUENCE SIZE(2) OF {

 

cardFaultRecords

SET SIZE(NoOfFaultsPerType) OF CardFaultRecord

}

 

CardFaultData is een sequentie van een registratieverzameling van controleapparaatfouten gevolgd door een registratieverzameling van kaartfouten.

cardFaultRecords is een reeks foutenregistraties van een bepaalde foutencategorie (controleapparaat of kaart).

2.18.   CardFaultRecord (Registratie van kaartfouten)

Op een bestuurders- of werkplaatskaart opgeslagen informatie met betrekking tot een aan de kaarthouder te wijten fout (voorschriften 208 en 223).

CardFaultRecord ::= SEQUENCE {

 

faultType

EventFaultType,

faultBeginTime

TimeReal,

faultEndTime

TimeReal,

faultVehicleRegistration

VehicleRegistrationIdentification

}

 

faultType is het type fout.

faultBeginTime is de datum en tijd van het begin van de fout.

faultEndTime is de datum en tijd van het einde van de fout.

faultVehicleRegistration is het kentekennummer en de registrerende lidstaat van het voertuig waarin de fout plaatsvond.

2.19.   CardIccIdentification (IC-identificatie kaart)

Op een kaart opgeslagen informatie met betrekking tot de identificatie van het integrated circuit (IC) van de kaart (voorschrift 192).

CardIccIdentification ::= SEQUENCE {

 

clockStop

OCTET STRING (SIZE(1)),

cardExtendedSerialNumber

ExtendedSerialNumber,

cardApprovalNumber

CardApprovalNumber

cardPersonaliserID

OCTET STRING (SIZE(1)),

embedderIcAssemblerId

OCTET STRING (SIZE(5)),

icIdentifier

OCTET STRING (SIZE(2))

}

 

clockStop is de klokonderbrekingsmodus zoals gedefinieerd in EN 726-3.

cardExtendedSerialNumber is het serienummer en de fabricagereferentie van de IC-kaart zoals gedefinieerd in EN 726-3 en nader gespecificeerd door de gegevenssoort ExtendedSerialNumber.

cardApprovalNumber is het goedkeuringsnummer van de kaart.

cardPersonaliserID is de persoonlijke identificatie (ID) van de kaart zoals gedefinieerd in EN 726-3.

embedderIcAssemblerId is het identificatiesymbool van de embedder/IC-assembleur zoals gedefinieerd in EN 726-3.

icIdentifier is het identificatiesymbool van de IC op de kaart en van de fabrikant van het IC zoals gedefinieerd in EN 726-3.

2.20.   CardIdentification (Kaartidentificatie)

Op een kaart opgeslagen informatie met betrekking tot de identificatie van de kaart (voorschriften 194, 215, 231, 235).

CardIdentification ::= SEQUENCE

 

cardIssuingMemberState

NationNumeric,

cardNumber

CardNumber,

cardIssuingAuthorityName

Name,

cardIssueDate

TimeReal,

cardValidityBegin

TimeReal,

cardExpiryDate

TimeReal

}

 

cardIssuingMemberState is de code van de lidstaat die de kaart heeft afgegeven.

cardNumber is het kaartnummer van de kaart.

cardIssuingAuthorityName is de naam van de autoriteit die de kaart heeft afgegeven.

cardIssueDate is de datum van afgifte van de kaart aan de huidige houder.

cardValidityBegin is de datum waarop de geldigheid van de kaart ingaat.

cardExpiryDate is de datum waarop de geldigheid van de kaart afloopt.

2.21.   CardNumber (Kaartnummer)

Een kaartnummer zoals gedefinieerd in definitie g.

CardNumber ::= CHOICE {

 

SEQUENCE {

 

driverIdentification

IA5String(SIZE(14)),

cardReplacementIndex

CardReplacementIndex,

cardRenewalIndex

CardRenewalIndex

}

 

SEQUENCE {

 

ownerIdentification

IA5String(SIZE(13)),

cardConsecutiveIndex

CardConsecutiveIndex,

cardReplacementIndex

CardReplacementIndex,

cardRenewalIndex

CardRenewalIndex

}

 

}

 

driverIdentification is de unieke identificatie van een bestuurder in een lidstaat.

ownerIdentification is de unieke identificatie van een bedrijf of een werkplaats of een controle-instantie in een lidstaat.

cardConsecutiveIndex is de opeenvolgende index van de kaart.

cardReplacementIndex is de vervangingsindex van de kaart.

cardRenewalIndex is de vernieuwingsindex van de kaart.

De eerste keuzesequentie is geschikt voor het coderen van een bestuurderskaartnummer, de tweede keuzesequentie is geschikt voor het coderen van werkplaats-, controle- en bedrijfskaartnummers.

2.22.   CardPlaceDailyWorkPeriod (Plaatsen van dagelijkse werkperioden)

Op een bestuurders- en werkplaatskaart opgeslagen informatie met betrekking tot de plaatsen waar dagelijkse werkperioden beginnen en/of eindigen (voorschriften 202 en 221).

CardPlaceDailyWorkPeriod ::= SEQUENCE {

 

placePointerNewestRecord

INTEGER(0..NoOfCardPlaceRecords-1),

placeRecords

SET SIZE(NoOfCardPlaceRecords) OF PlaceRecord

}

 

placePointerNewestRecord is de index van de laatst bijgewerkte plaatsregistratie.

Waardetoekenning: Cijfer dat correspondeert met de teller van de plaatsregistratie, beginnend met ′0′ voor de eerste plaatsregistratie in de structuur.

placeRecords is de reeks registraties die de informatie met betrekking tot ingevoerde plaatsen bevat.

2.23.   CardPrivateKey (Particuliere sleutel van de kaart)

De particuliere sleutel van een kaart.

CardPrivateKey ::= RSAKeyPrivateExponent

2.24.   CardPublicKey (Openbare sleutel van de kaart)

De openbare sleutel van een kaart.

CardPublicKey ::= PublicKey

2.25.   CardRenewalIndex (Vernieuwingsindex van de kaart)

Een vernieuwingsindex van de kaart (definitie i).

CardRenewalIndex ::= IA5String(SIZE(1))

Waardetoekenning: (zie hoofdstuk VII van deze bijlage).

′0′ Eerste afgifte.

Volgorde van verhoging: ′0, …, 9, A, …, Z′

2.26.   CardReplacementIndex(Vervangingsindex van de kaart)

Een vervangingsindex van de kaart (definitie j).

CardReplacementIndex ::= IA5String(SIZE(1))

Waardetoekenning: (zie hoofdstuk VII van deze bijlage).

′0′ Originele kaart.

Volgorde van verhoging: ′0, …, 9, A, …, Z′

2.27.   CardSlotNumber (Nummer van de kaartlezer)

Code ter onderscheiding van de twee lezers van een voertuigunit.

CardSlotNumber ::= INTEGER {

 

driverSlot

(0),

co-driverSlot

(1)

}

 

Waardetoekenning: niet nader gespecificeerd.

2.28.   CardSlotsStatus (Status van de kaartlezers)

Code die de soort kaarten aangeeft die in de twee lezers van de voertuigunit ingebracht zijn.

CardSlotsStatus ::= OCTET STRING (SIZE(1))

Waardetoekenning — octet-uitgericht: ′ccccdddd′B:

′cccc′B

Identificatie van de soort kaart die ingebracht is in de lezer van de bijrijder,

′dddd′B

Identificatie van de soort kaart die ingebracht is in de lezer van de bestuurder,

met de onderstaande identificatiecodes:

′0000′B

er is geen kaart ingebracht,

′0001′B

er is een bestuurderskaart ingebracht,

′0010′B

er is een werkplaatskaart ingebracht,

′0011′B

er is een controlekaart ingebracht,

′0100′B

er is een bedrijfskaart ingebracht.

2.29.   CardStructureVersion (Versie van de kaartstructuur)

Code die de versie aangeeft van de in een tachograafkaart geïmplementeerde structuur.

CardStructureVersion ::= OCTET STRING (SIZE(2))

Waardetoekenning ′aabb′H:

′aa′H

Index voor wijzigingen van de structuur,

′bb′H

Index voor wijzigingen betreffende het gebruik van de voor de structuur gedefinieerde gegevenselementen, gegeven door de high byte.

2.30.   CardVehicleRecord (Registratie van het gebruik van het voertuig)

Op een bestuurders- of werkplaatskaart opgeslagen informatie met betrekking tot de gebruiksperiode van een voertuig gedurende een kalenderdag (voorschriften 197 en 217).

CardVehicleRecord ::= SEQUENCE {

 

vehicleOdometerBegin

OdometerShort,

vehicleOdometerEnd

OdometerShort,

vehicleFirstUse

TimeReal,

vehicleLastUse

TimeReal,

vehicleRegistration

VehicleRegistrationIdentification,

vuDataBlockCounter

VuDataBlockCounter

}

 

vehicleOdometerBegin is de kilometerstand van het voertuig aan het begin van de gebruiksperiode van het voertuig.

vehicleOdometerEnd is de kilometerstand van het voertuig aan het einde van de gebruiksperiode van het voertuig.

vehicleFirstUse is de datum en tijd van het begin van de gebruiksperiode van het voertuig.

vehicleLastUse is de datum en tijd van het einde van de gebruiksperiode van het voertuig.

vehicleRegistration is het kentekennummer en de registrerende lidstaat van het voertuig.

vuDataBlockCounter is de waarde van de VuDataBlockCounter bij de laatste selectie van de gebruiksperiode van het voertuig.

2.31.   CardVehiclesUsed (Gebruikte voertuigen op de kaart)

Op een bestuurders- of werkplaatskaart opgeslagen informatie met betrekking tot de door de kaarthouder gebruikte voertuigen (voorschriften 197 en 217).

CardVehiclesUsed := SEQUENCE {