EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32002H0413

Aanbeveling van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2002 betreffende de uitvoering van een geïntegreerd beheer van kustgebieden in Europa

OJ L 148, 6.6.2002, p. 24–27 (ES, DA, DE, EL, EN, FR, IT, NL, PT, FI, SV)

In force

ELI: http://data.europa.eu/eli/reco/2002/413/oj

32002H0413

Aanbeveling van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2002 betreffende de uitvoering van een geïntegreerd beheer van kustgebieden in Europa

Publicatieblad Nr. L 148 van 06/06/2002 blz. 0024 - 0027


Aanbeveling van het Europees Parlement en de Raad

van 30 mei 2002

betreffende de uitvoering van een geïntegreerd beheer van kustgebieden in Europa

(2002/413/EG)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, inzonderheid op artikel 175, lid 1,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité(1),

Gezien het advies van het Comité van de Regio's(2),

Overeenkomstig de procedure van artikel 251 van het Verdrag(3),

Overwegende hetgeen volgt:

(1) Het kustgebied is van groot belang voor het milieu, de economie, de maatschappij, de cultuur en de recreatie in Europa.

(2) De biodiversiteit van de kustgebieden is uniek qua flora en fauna.

(3) Er dient rekening te worden gehouden met hoofdstuk 17 van Agenda 21, aangenomen op de VN-conferentie over milieu en ontwikkeling in Rio in juni 1992.

(4) In het evaluatieverslag van het Europees Milieuagentschap van 1999 wordt gewezen op een steeds verdere aantasting van de omstandigheden in de kustgebieden van Europa, zowel wat de kusten zelf als wat de kwaliteit van het kustwater betreft.

(5) De kustgebieden in de Gemeenschap worden tevens bedreigd door de gevolgen van klimaatverandering, in het bijzonder zeespiegelstijgingen, verandering in stormfrequentie en stormkracht, en toename van kusterosie en overstromingen.

(6) De bevolkingsgroei en de ontwikkeling van de economische activiteit vormen een steeds grotere bedreiging voor zowel het milieuevenwicht als het sociale evenwicht in de kustgebieden.

(7) De achteruitgang van de visserijactiviteit en van de daarmee samenhangende werkgelegenheid maakt veel van de visserij afhankelijke gebieden uiterst kwetsbaar.

(8) De bestaande regionale verschillen in de Gemeenschap hebben tot gevolg dat het beheer en het behoud van elk kustgebied verschillen.

(9) Het is van cruciaal belang te komen tot een voor het milieu duurzaam, in economisch opzicht billijk, maatschappelijk verantwoord en met de gevoelige culturele elementen rekening houdend beheer van het kustgebied, dat de integriteit van dit belangrijk erfgoed op peil houdt en toch aandacht heeft voor de traditionele lokale activiteiten en gebruiken, voorzover die geen bedreiging inhouden voor gevoelige natuurgebieden en voor het behoud van de wilde soorten van de kustfauna en -flora.

(10) De Gemeenschap pleit voor een geïntegreerd beheer op grotere schaal door middel van horizontale instrumenten. De activiteiten op dit gebied dragen aldus bij aan het geïntegreerd beheer van kustgebieden.

(11) In haar mededelingen(4) aan het Europees Parlement en de Raad stelt de Commissie dat voor een geïntegreerd beheer van het kustgebied strategische, gecoördineerde en in onderling overleg vastgestelde maatregelen op lokaal en regionaal niveau nodig zijn, gestuurd en ondersteund door een passend kader op nationaal niveau.

(12) In het demonstratieprogramma van de Commissie voor een geïntegreerd beheer van kustgebieden worden de beginselen van een goed beheer van kustgebieden uiteengezet.

(13) Er is behoefte aan coherente actie op Europees niveau waarbij ook samenwerking met en raadpleging van regionale maritieme organisaties of internationale organisaties zoals de Internationale Maritieme Organisatie, nodig is om de grensoverschrijdende problemen van het kustgebied aan te pakken.

(14) Zowel in de resolutie van de Raad van 6 mei 1994 betreffende een communautaire strategie voor geïntegreerd beheer van de kustzones(5) als in de resolutie van de Raad van 25 februari 1992 betreffende het toekomstige beleid van de Gemeenschap met betrekking tot de Europese kustzone(6), wordt gesteld dat er voor de uitvoering van een gëintegreerd beheer van kustgebieden een gecoördineerd Europees optreden nodig is.

(15) De Europese Unie ondervindt sinds de resolutie van 6 mei 1994 een verdere toename van de druk op de natuurlijke hulpbronnen in de kustgebieden, een toename van de kustbevolking en een toename van de infrastructuur aan of voor de kust.

(16) In een geïntegreerd beheer van kustgebieden spelen talrijke factoren mee, waarvan ruimtelijke ordening en bodemgebruik echter slechts van bijkomstig belang zijn.

(17) Overeenkomstig het subsidiariteits- en het evenredigheidsbeginsel, zoals geformuleerd in artikel 5 van het Verdrag, en Protocol nr. 7 bij het Verdrag van Amsterdam betreffende de toepassing van het subsidiariteits- en het evenredigheidsbeginsel en gelet op de diversiteit van de situatie in de kustgebieden en van het wettelijk en institutioneel kader in de lidstaten, kunnen de doelstellingen van het voorgestelde optreden het best worden verwezenlijkt door actie op communautair niveau,

BEVELEN HET VOLGENDE AAN:

HOOFDSTUK I

Een strategische aanpak

De lidstaten houden rekening met de strategie voor duurzame ontwikkeling en met het besluit van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het zesde milieuactieprogramma(7), en volgen ten aanzien van het beheer van hun kustgebieden een strategische aanpak gebaseerd op:

a) bescherming van het kustmilieu, gebaseerd op een ecosysteembenadering, die de integriteit en de werking daarvan vrijwaart, en op het duurzame beheer van de natuurlijke hulpbronnen van zowel het zee- als het landgedeelte van het kustgebied;

b) de erkenning van de bedreiging van kustgebieden door de klimaatverandering en van de gevaren die voortvloeien uit de stijging van de zeespiegel en steeds frequenter en heviger stormen;

c) passende, ecologisch verantwoorde maatregelen ter bescherming van de kustgebieden, met inbegrip van bescherming van woongebieden langs de kust en van het cultureel erfgoed aldaar;

d) duurzame economische mogelijkheden en werkgelegenheid;

e) een functionerend maatschappelijk en cultureel systeem in de lokale gemeenschappen;

f) voldoende voor het publiek toegankelijke gebieden, zowel voor recreatie als voor esthetische doeleinden;

g) in het geval van afgelegen kustgemeenschappen: het behoud of de bevordering van hun samenhang;

h) een betere coördinatie van de acties die door alle betrokken autoriteiten zowel op zee als op het land worden ondernomen bij het beheer van de wisselwerking tussen de zee en het land.

HOOFDSTUK II

Beginselen

Bij de vastlegging van de nationale strategieën en de daarop gebaseerde maatregelen volgen de lidstaten de beginselen van een geïntegreerd beheer van de kustgebieden om een goed beheer van de kustgebieden te verzekeren; zij houden daarbij rekening met de verantwoorde aanpak, die onder meer is omschreven in het demonstratieprogramma van de Commissie voor een geïntegreerd beheer van de kustgebieden. Het beheer van kustgebieden berust in het bijzonder op:

a) een holistisch perspectief (thematisch en geografisch), dat rekening houdt met de onderlinge afhankelijkheid van en de verscheidenheid tussen de voor de kustgebieden relevante natuurlijke systemen en menselijke activiteiten;

b) een perspectief op lange termijn dat rekening houdt met het voorzorgsbeginsel en met de behoeften van de huidige en toekomstige generaties;

c) bij geleidelijk verlopende processen een adaptief beheer waardoor aanpassingen die gelijke tred houden met de ontwikkeling van zowel de problemen als de kennis daarover, worden vergemakkelijkt. Een en ander impliceert de noodzaak van een solide wetenschappelijke basis met betrekking tot de ontwikkeling van het kustgebied;

d) de specifieke lokale kenmerken en de grote diversiteit van de Europese kustgebieden, zodat door specifieke oplossingen en flexibele maatregelen aan hun concrete behoeften kan worden voldaan;

e) werken met natuurlijke processen en eerbiedigen van de draagkracht van de ecosystemen, zodat onze activiteiten op lange termijn milieuvriendelijker, sociaal meer verantwoord en economisch gezonder worden;

f) het betrekken van alle belanghebbenden (economische en sociale partners, de organisaties die de bewoners van kustgebieden vertegenwoordigen, NGO's en het bedrijfsleven) bij het beheersproces, bijvoorbeeld door middel van overeenkomsten en op basis van gedeelde verantwoordelijkheid;

g) steun en betrokkenheid van alle betrokken bestuursinstanties op nationaal, regionaal en lokaal niveau, waartussen passende contacten zouden moeten worden gelegd of onderhouden, teneinde de bestaande beleidsmaatregelen beter te coördineren. Partnerschappen met en tussen regionale en lokale autoriteiten zouden waar zulks passend is tot stand dienen te worden gebracht;

h) toepassing van een combinatie van instrumenten die erop toegesneden is de samenhang te vergemakkelijken tussen enerzijds de sectorale beleidsdoelstellingen onderling, en anderzijds die tussen ruimtelijke ordening en het beheer.

HOOFDSTUK III

Nationale inventarisatie

De lidstaten stellen een nationale inventaris op, of werken die bij, om te analyseren welke belangrijke actoren, wetten en instellingen het beheer van het kustgebied beïnvloeden. In deze inventaris zouden:

a) de volgende sectoren (maar niet uitsluitend deze) in overweging moeten worden genomen: visserij en aquacultuur, vervoer, energie, beheer van hulpbronnen, bescherming van soorten en habitats, cultureel erfgoed, werkgelegenheid, regionale ontwikkeling in zowel plattelands- als stadsgebieden, toerisme en recreatie, industrie en mijnbouw, afvalbeheer, landbouw en onderwijs;

b) alle bestuursniveaus moeten worden opgenomen;

c) de belangen, de rol en de bezorgdheden van de burgers, de NGO's en het bedrijfsleven moeten worden geanalyseerd;

d) relevante interregionale organisaties en samenwerkingsstructuren moeten worden geïdentificeerd, en

e) de vigerende beleids- en wetgevende maatregelen moeten worden geïnventariseerd.

HOOFDSTUK IV

Nationale strategieën

1. Op basis van de resultaten van de inventarisatie ontwikkelt elke betrokken lidstaat, in partnerschap met naar gelang van het geval de regionale autoriteiten of interregionale organisaties, één nationale strategie of - indien nuttig - meerdere strategieën om de beginselen voor een geïntegreerd beheer van het kustgebied ten uitvoer te brengen.

2. Deze strategieën kunnen specifiek voor het kustgebied zijn of onderdeel zijn van geografisch breder opgezette strategieën of programma's voor de bevordering van een geïntegreerd beheer van een groter gebied.

3. In het kader van deze strategieën zou het dienstig zijn:

a) de respectieve rollen, alsook de mechanismen voor de coördinatie daarvan, te identificeren van de verschillende bestuursinstanties in het land of de regio onder wier bevoegdheid tot het kustgebied behorende activiteiten of hulpbronnen vallen. Deze rolspecificatie zou afdoende toezicht, en een passende strategie en samenhang tussen de acties mogelijk moeten maken;

b) de geschikte combinatie van instrumenten voor de uitvoering van de in hoofdstuk II neergelegde beginselen binnen de nationale, regionale of lokale wettelijke en bestuursrechtelijke context te identificeren. Bij de ontwikkeling van deze strategie zouden de lidstaten moeten overwegen of het een goede zaak zou zijn:

i) nationale strategische plannen voor hun kustgebied te ontwikkelen ter bevordering van geïntegreerd beheer, waardoor onder meer de verdere verstedelijking en de exploitatie van het landelijk gebied zodanig in de hand kunnen worden gehouden dat de natuurlijke kenmerken van het kustgebied bewaard blijven;

ii) door middel van mechanismen voor grondaankoop en verklaringen dat gronden tot het openbare domein behoren, te zorgen voor publieke toegang voor recreatiedoeleinden zonder afbreuk te doen aan de bescherming van gevoelige gebieden;

iii) contractuele overeenkomsten of convenanten met gebruikers van het kustgebied, met inbegrip van milieuconvenanten met de industrie, te ontwikkelen;

iv) economische en fiscale stimuleringsmaatregelen toe te passen, en

v) mechanismen voor regionale ontwikkeling aan te wenden;

c) nationale en, waar zulks passend is, regionale of plaatselijke wetgeving, beleid en programma's te ontwikkelen of te behouden die betrekking hebben op zowel de in zee als op het land gelegen delen van de kustgebieden;

d) met name maatregelen aan te geven om initiatieven van onderop voor, en de deelneming van het publiek aan het geïntegreerde beheer van het kustgebied en de hulpbronnen daarvan te stimuleren;

e) waar nodig, bronnen te identificeren voor de duurzame financiering van initiatieven van gëintegreerd beheer van kustgebieden en te onderzoeken hoe het best gebruik kan worden gemaakt van de bestaande financieringsmechanismen, zowel op communautair als op nationaal niveau;

f) mede in het kader van de herziening van het communautaire beleid, mechanismen te identificeren waarmee de communautaire wetgeving en het communautaire beleid met gevolgen voor het kustgebied volledig en op gecoördineerde wijze kunnen worden uitgevoerd en toegepast;

g) hierin adequate systemen op te nemen voor de monitoring van, en de verspreiding van informatie onder het publiek over het betreffende kustgebied. Door deze systemen zou er informatie in een geschikte en compatibele vorm moeten worden verzameld en verstrekt aan besluitvormers op nationaal, regionaal en lokaal niveau om een geïntegreerd beheer te vergemakkelijken. Onder andere de werkzaamheden van het Europees Milieuagentschap kunnen te dien einde als basis worden benut. Deze gegevens zouden overeenkomstig de desbetreffende communautaire wetgeving, inzonderheid de richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake de toegang van het publiek tot milieu-informatie en tot intrekking van Richtlijn 90/313/EG(8), voor het publiek beschikbaar moeten zijn;

h) te bepalen hoe passende nationale opleidings- en onderwijsprogramma's de uitvoering van de beginselen van geïntegreerd beheer in het kustgebied kunnen ondersteunen.

HOOFDSTUK V

Samenwerking

1. De lidstaten bevorderen de dialoog met de buurlanden aan dezelfde regionale zee, waaronder niet-lidstaten, gaan een dergelijke dialoog aan of behouden deze, teneinde mechanismen op te zetten voor een betere coördinatie van de aanpak van grensoverschrijdende vraagstukken.

2. De lidstaten zorgen er door samenwerking met de Gemeenschapsinstellingen en andere bij het kustgebied betrokken partijen ook actief voor dat vorderingen worden geboekt inzake de totstandkoming van een gemeenschappelijke aanpak van het gëintegreerd beheer van kustgebieden, en onderzoeken daarbij de noodzaak van een Europees forum voor kustbelanghebbenden. In dit proces zou gezocht moeten worden naar manieren om gebruik te maken van bestaande instellingen en overeenkomsten.

3. In deze context wordt de samenwerking met de kandidaat-lidstaten behouden en uitgebreid.

HOOFDSTUK VI

Rapportage en toetsing

1. De lidstaten brengen 45 maanden na de aanneming van deze aanbeveling verslag uit bij de Commissie over de ervaringen bij de uitvoering daarvan.

2. Deze verslagen zijn voor het publiek beschikbaar en bevatten met name informatie over:

a) de resultaten van de nationale inventarisatie;

b) de voorgestelde strategie(ën) op nationaal niveau voor de uitvoering van een geïntegreerd beheer van kustgebieden;

c) een samenvatting van de maatregelen die voor de uitvoering van de nationale strategie(ën) zijn genomen;

d) een evaluatie van de verwachte effecten van de strategie(ën) op de stand van zaken van de kustzone;

e) een evaluatie van de tenuitvoerlegging en toepassing van de communautaire wetgeving en het Gemeenschapsbeleid die voor kustgebieden gevolgen hebben.

3. De Commissie zou deze aanbeveling uiterlijk 55 maanden na de datum van aanneming ervan moeten herzien en bij het Europees Parlement en de Raad een evaluatieverslag moeten indienen, zo nodig vergezeld van een voorstel voor verdere communautaire maatregelen.

Gedaan te Brussel, 30 mei 2002.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

P. Cox

Voor de Raad

De voorzitter

J. Piqué I Camps

(1) PB C 155 van 29.5.2001, blz. 17.

(2) PB C 148 van 18.5.2001, blz. 23.

(3) Advies van het Europees Parlement van 5 juli 2001 (PB C 65 E van 14.3.2002, blz. 309), gemeenschappelijk standpunt van de Raad van 13 december 2001 (PB C 58 E van 5.3.2002, blz. 1) en besluit van het Europees Parlement van 10 april 2002. Besluit van de Raad van 7 mei 2002.

(4) COM(97) 744 en COM(2000) 547.

(5) PB C 135 van 18.5.1994, blz. 2.

(6) PB C 59 van 6.3.1992, blz. 1.

(7) Nog niet verschenen in het Publicatieblad.

(8) Nog niet verschenen in het Publicatieblad.

Top