EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32001Y0120(02)

Advies van de Europese Centrale Bank van 20 december 2000 op verzoek van de Raad van de Europese Unie conform artikel 105, lid 4, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap inzake een voorstel voor een verordening van de Raad betreffende de bescherming van de euro tegen valsemunterij (CON/00/20)

OJ C 19, 20.1.2001, p. 18–19 (ES, DA, DE, EL, EN, FR, IT, NL, PT, FI, SV)

No longer in force, Date of end of validity: 28/06/2001

32001Y0120(02)

Advies van de Europese Centrale Bank van 20 december 2000 op verzoek van de Raad van de Europese Unie conform artikel 105, lid 4, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap inzake een voorstel voor een verordening van de Raad betreffende de bescherming van de euro tegen valsemunterij (CON/00/20)

Publicatieblad Nr. C 019 van 20/01/2001 blz. 0018 - 0019


Advies van de Europese Centrale Bank

van 20 december 2000

op verzoek van de Raad van de Europese Unie conform artikel 105, lid 4, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap inzake een voorstel voor een verordening van de Raad betreffende de bescherming van de euro tegen valsemunterij

(CON/00/20)

(2001/C 19/09)

1. Op 11 september 2000 ontving de Europese Centrale Bank (ECB) van de Raad van de Europese Unie een verzoek om een advies inzake het Commissievoorstel COM(2000) 492 def. van 26 juli 2000 voor een verordening van de Raad betreffende de bescherming van de euro tegen valsemunterij (hierna aangeduid als "het Commissievoorstel"). Dit advies is zowel op de tekst van het Commissievoorstel, alsmede op de tekst van de ontwerpverordening gebaseerd, zoals die momenteel luidt na beraadslagingen in de werkgroep van de Raad inzake fraudebestrijding (hierna aangeduid als de "ontwerpverordening").

2. De bevoegdheid van de ECB om een advies uit te brengen is gebaseerd op artikel 105, lid 4, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (hierna aangeduid als "het Verdrag"). Overeenkomstig de eerste zin van artikel 17.5 van het Reglement van Orde van de ECB is dit advies door de Raad van bestuur van de ECB goedgekeurd.

3. In zijn algemeenheid verwelkomt de ECB het Commissievoorstel. Binnen de Gemeenschap dient een homogeen en doorzichtig stelsel te worden verzekerd teneinde aangelegenheden inzake valsemunterij met de euro te behandelen en dienen aan de betrokken overheidsinstanties van de lidstaten, alsmede aan kredietinstellingen en entiteiten die beroepshalve cash-actviteiten uitoefenen bepaalde verplichtingen te worden opgelegd. Het Commissievoorstel is bijzonder welkom, omdat het tracht een voldoende mate van harmonisatie te verwezenlijken, het publiek voor te lichten en van algemene toepassing te zijn in alle lidstaten. Het Commissievoorstel zal het verwerken van gegevens inzake valsemunterij met de euro vergemakkelijken en de samenwerking binnen de Europese Unie, alsmede met derde landen bevorderen.

4. De ECB onderschrijft de visie neergelegd in de toelichting in het Commissievoorstel, namelijk dat inzake de strategische en operationele aspecten van de strijd tegen valsemunterij met de euro het rechtskader van Europol dient te worden versterkt.

5. De ECB laat het aan de Raad over om een besluit te nemen over de passende rechtsgrondslag voor de ontwerpverordening. In dit verband steunt de ECB echter de aanpak van het Voorzitterschap van de Raad om de tekst van dit ontwerp in twee onderscheiden wetsteksten op te splitsen, waarbij de ene tekst binnen het rechtskader van de Gemeenschap (eerste pijler) moet worden aangenomen en de andere tekst binnen het kader van titel VI van het Verdrag betreffende de Europese Unie (derde pijler).

Dit advies richt zich op de tekst die binnen het rechtskader van de Gemeenschap moet worden aangenomen.

6. De ECB verwelkomt het feit dat de in de ontwerpverordening neergelegde maatregelen ook van toepassing zullen zijn op toekomstige eurobankbiljetten en euromunten, die nog niet zijn uitgegeven maar bestemd zijn om in omloop te worden gebracht als wettig betaalmiddel overeenkomstig artikel 5 van het Kaderbesluit van de Raad van 29 mei 2000 tot versterking, door middel van strafrechtelijke en andere sancties, van de bescherming tegen valsemunterij in verband met het in omloop brengen van de euro(1).

7. De ECB neemt nota van het feit, dat een aantal bepalingen van de ontwerpverordening ook van toepassing zullen zijn op niet-geautoriseerde bankbiljetten, die als volgt worden gedefinieerd: (i) bankbiljetten die zijn vervaardigd met gebruikmaking van rechtmatige faciliteiten of materialen, maar in strijd zijn met de bepalingen op grond waarvan de bevoegde autoriteiten munt in omloop mogen brengen; of (ii) bankbiljetten die in strijd met de bepalingen, op grond waarvan de bevoegde autoriteiten bankbiljetten in omloop mogen brengen, in omloop zijn gebracht. De ECB is van mening, dat dergelijke bankbiljetten, alhoewel zij illegaal zijn vervaardigd of in omloop zijn gebracht, geen vervalsingen zijn en niet kunnen worden onderscheiden van echte bankbiljetten. Gezien het feit, dat de ontwerpverordening beoogt het voorkomen van valsemunterij te vergemakkelijken, kunnen de bepalingen ervan slechts in beperkte mate van toepassing zijn op niet-geautoriseerde bankbiljetten.

8. De ontwerpverordening voorziet voor bevoegde nationale autoriteiten, Europol en de Commissie toegang tot de technische en statistische informatie van de ECB. Deze informatie, met name technische informatie, zal zeer vertrouwelijk zijn. De ECB organiseert toegang tot dergelijke informatie krachtens haar eigen rechtskader. Het rechtskader noopt de ECB ertoe het vaststellen van nieuwe namaakklassen onverwijld mede te delen aan nationale autoriteiten, Europol en de Commissie, opdat zij hun taken kunnen uitoefenen. Gezien de zeer vertrouwelijke aard van de gedetailleerde technische informatie, middels welke echte bankbiljetten kunnen worden onderscheiden van vervalsingen, moet de ECB voorwaarden kunnen verbinden aan of bepaalde vertrouwelijkheidsregelingen kunnen verlangen voor een dergelijke toegang, die hoe dan ook slechts kan worden verleend onder voorbehoud van de respectieve bevoegdheden van de partijen, die dergelijke informatie nodig hebben.

9. De ontwerpverordening dient te verzekeren dat de Nationale Centra voor Analyse (NAC's) over de mogelijkheid beschikken om alle vermoede vervalsingen te onderzoeken en te analyseren. Doorgaans dienen alle vervalsingen naar de NAC's te worden gestuurd; slechts onder specifieke omstandigheden (e.g. grote hoeveelheden in beslag genomen vervalsingen), zou een onderzoek ter plekke door de NAC's kunnen worden voorzien. Aldus zou worden verzekerd dat de analyse van specifieke tekortkomingen van vervalsingen met gespecialiseerde materialen op de grootst mogelijke hoeveelheid monsters kan worden uitgevoerd.

10. De toelichting in het Commissievoorstel voorziet ter uitvoering van de ontwerpverordening in het vaststellen van coördinatieprocedures tussen de ECB, Europol en de Commissie. De ECB verwelkomt dit initiatief.

11. De ECB begrijpt, dat aan de kwestie van het verplicht installeren van technische apparatuur ter voorkoming van de reproductie van bankbiljetten op kleurenkopieerapparaten en apparatuur voor grafische reproductie nog gewerkt wordt. De ECB herhaalt haar bezorgdheid ten aanzien van deze kwestie zoals neergelegd in haar Aanbeveling 1999/C 11/08 van 7 juli 1998 betreffende de vaststelling van bepaalde maatregelen ter vergroting van de rechtsbescherming van eurobankbiljetten en -munten(2).

12. Dit Advies wordt gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.

Gedaan te Frankfurt am Main, 20 december 2000.

De President van de ECB

Willem F. Duisenberg

(1) PB L 140 van 14.6.2000, blz. 1.

(2) PB C 11 van 15.1.1999, blz. 13.

Top