EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32001H0613

Aanbeveling van het Europees Parlement en de Raad van 10 juli 2001 inzake de mobiliteit binnen de Gemeenschap van studenten, personen in opleiding, vrijwilligers, leerkrachten en opleiders

OJ L 215, 9.8.2001, p. 30–37 (ES, DA, DE, EL, EN, FR, IT, NL, PT, FI, SV)

In force

ELI: http://data.europa.eu/eli/reco/2001/613/oj

32001H0613

Aanbeveling van het Europees Parlement en de Raad van 10 juli 2001 inzake de mobiliteit binnen de Gemeenschap van studenten, personen in opleiding, vrijwilligers, leerkrachten en opleiders

Publicatieblad Nr. L 215 van 09/08/2001 blz. 0030 - 0037


Aanbeveling van het Europees Parlement en de Raad

van 10 juli 2001

inzake de mobiliteit binnen de Gemeenschap van studenten, personen in opleiding, vrijwilligers, leerkrachten en opleiders

(2001/613/EG)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op de artikelen 149, lid 4, en 150, lid 4,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité(1),

Gezien het advies van het Comité van de Regio's(2),

Overeenkomstig de procedure van artikel 251 van het Verdrag(3),

Overwegende hetgeen volgt:

(1) De transnationale mobiliteit van personen draagt bij tot de ontplooiing van de verschillende nationale culturen, stelt de betrokkenen in de gelegenheid hun eigen culturele en beroepsbagage uit te breiden en stelt de gehele Europese samenleving in staat daarvan te profiteren; deze verworvenheden zijn des te noodzakelijker omdat de werkgelegenheidsperspectieven thans beperkt zijn en de arbeidsmarkt meer flexibiliteit en aanpassingsvermogen vereist.

(2) De mobiliteit van studenten, personen in opleiding, vrijwilligers, leerkrachten en opleiders maakt zowel in het kader van communautaire programma's als daarbuiten deel uit van het vrije verkeer van personen. Dit is een van de fundamentele vrijheden die in het Verdrag zijn verankerd. Het recht van vrij verkeer en vrij verblijf komt elke burger van de Unie toe, volgens de voorwaarden bepaald bij artikel 18 van het Verdrag.

(3) Richtlijn 68/360/EEG van de Raad van 15 oktober 1968, inzake de opheffing van de beperkingen van de verplaatsing en het verblijf van de werknemers der lidstaten en hun familie binnen de Gemeenschap(4), erkent het verblijfsrecht van werknemers en hun gezinsleden. De lidstaten zijn krachtens Richtlijn 93/96/EEG van de Raad van 29 oktober 1993, inzake het verblijfsrecht voor studenten(5), verplicht het verblijfsrecht toe te kennen aan iedere tot een beroepsopleiding toegelaten student die onderdaan is van een lidstaat, alsmede aan diens echtgenoot en hun ten laste komende kinderen, voor zover zij dit recht niet bezitten op grond van een andere bepaling van het Gemeenschapsrecht. Richtlijn 90/364/EEG van de Raad van 28 juni 1990 betreffende het verblijfsrecht(6) kent bovendien onder bepaalde voorwaarden op algemenere wijze het verblijfsrecht aan de burgers van de Unie toe.

(4) De mobiliteit van studenten, personen in opleiding, vrijwilligers, leerkrachten en opleiders valt ook onder het in artikel 12 van het Verdrag vastgelegde verbod van discriminatie op grond van nationaliteit. Dit beginsel, zoals uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie blijkt, geldt voor de onder het Verdrag vallende gebieden. Derhalve geldt het voor de gebieden onderwijs, opleiding en jeugdzaken.

(5) De Raad en de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, hebben op 14 december 2000 een resolutie houdende een actieplan voor mobiliteit(7) aangenomen, welk actieplan ook tijdens de Europese Raad van Nice is goedgekeurd.

(6) Verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op loontrekkenden en hun gezinnen, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen(8), is krachtens Verordening (EG) nr. 307/1999 van de Raad(9) gedeeltelijk van toepassing op studenten.

(7) Verordening (EEG) nr. 1612/68 van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap(10) voorziet in gelijke behandeling ten aanzien van de toegang tot onderwijs en beroepsopleiding van werknemers en hun gezinsleden die van hun recht op vrij verkeer gebruik hebben gemaakt.

(8) De erkenning van beroepskwalificaties met het oog op de toegang tot de gereglementeerde beroepen, zoals dat van leerkracht, en de uitoefening daarvan, is in de Gemeenschap geregeld door een algemene regeling die in de Richtlijnen 89/48/EEG van de Raad(11) en 92/51/EEG van de Raad(12) is neergelegd.

(9) De Raad heeft in zijn resoluties van 3 december 1992 over de doorzichtigheid van kwalificaties(13) en van 15 juli 1996 over de doorzichtigheid van beroepsopleidingscertificaten(14), de Commissie en de lidstaten verzocht maatregelen te nemen om het wederzijdse begrip van de kwalificatiestelsels van de verschillende lidstaten, alsmede van de kwalificaties zelf, te verbeteren door deze duidelijker, gemakkelijker leesbaar en dus doorzichtiger te maken. Een Europees forum voor transparantie in de beroepskwalificaties is opgericht met als taak concrete voorstellen te doen voor de uitvoering van deze resoluties. De eerste voorstellen zijn in februari 2000 ingediend.

(10) De deelname van jongeren aan transnationale vrijwilligersactiviteiten is nuttig met het oog op de latere beroepskeuze, bevordert de ontwikkeling van sociale vaardigheden en een evenwichtige integratie in de samenleving, en draagt zo bij tot het ontstaan van een actief burgerschap; bovendien dient vrijwilligerswerk, dat een niet-winstgevende en onbezoldigde concrete activiteit van solidariteit is, in het kader van de nationale wetgeving niet te worden gelijkgesteld met een baan.

(11) De Raad heeft de Commissie verzocht de haalbaarheid te onderzoeken van het op vrijwillige basis invoeren van een Europees bijvoegsel bij het diploma, om een synergie tot stand te brengen tussen academische erkenning en beroepserkenning(15). De werkzaamheden die de Commissie daartoe samen met de Raad van Europa en de UNESCO heeft ondernomen, zijn afgesloten en zullen weldra door een bewustmakingscampagne worden gevolgd.

(12) Ondanks bovengenoemde bepalingen, moest in het in oktober 1996 door de Commissie aangenomen Groenboek "Onderwijs, opleiding, onderzoek: de belemmeringen voor transnationale mobiliteit" worden vastgesteld dat er nog steeds belemmeringen voor de mobiliteit bestaan. Zo belemmeren bijvoorbeeld de verschillen tussen de lidstaten inzake de rechtspositie van studenten, personen in opleiding, leerkrachten en opleiders, met name voor wat betreft de bepalingen inzake verblijfsrecht, arbeidsrecht, sociale zekerheid of belastingen, de mobiliteit. Op dezelfde wijze vormt de niet-erkenning van het specifieke karakter van vrijwilligerswerk een belemmering voor de mobiliteit van vrijwilligers.

(13) Personen die in een andere lidstaat willen studeren, een opleiding willen volgen of in het jeugdwerk actief willen zijn, en in het bijzonder studenten, personen in opleiding, vrijwilligers, leerkrachten en opleiders, worden vaak ontmoedigd door het grote aantal belemmeringen voor mobiliteit, zoals blijkt uit de verzoekschriften die zij bij het Europees Parlement indienen. In dit verband moet het optreden van de Gemeenschap beantwoorden aan de wensen van haar burgers op het gebied van mobiliteit inzake onderwijs en opleiding.

(14) In het kader van de bepaling van artikel 293 van het Verdrag dat de lidstaten waar nodig bilaterale onderhandelingen openen om hun onderdanen te verzekeren van de afschaffing van dubbele belasting binnen de Gemeenschap, zij eraan herinnerd dat dit netwerk van bilaterale overeenkomsten nog steeds niet volledig is, hetgeen tot gevolg heeft dat er nog belemmeringen voor de mobiliteit bestaan.

(15) Het Groenboek bevatte een reeks voorstellen om deze belemmeringen weg te nemen. Deze hebben in het kader van de in alle lidstaten over dit onderwerp georganiseerde discussies brede steun gekregen. Deze belemmeringen voor de mobiliteit moeten derhalve worden opgeheven. Speciale aandacht moet worden geschonken aan de behoeften van de meest benadeelde en meest kwetsbare groepen, zoals gehandicapten.

(16) De Europese Raad heeft zich tijdens zijn bijeenkomst in Lissabon van 23 en 24 maart 2000 uitgesproken vóór mobiliteit als een wezenlijk onderdeel van de nieuwe kennismaatschappij en de bevordering van het levenslang leren. De Europese Raad heeft de lidstaten, de Raad en de Commissie opgeroepen om:

- de nodige, onder hun bevoegdheid vallende maatregelen te nemen, teneinde de mobiliteit van studenten, docenten en opleiders te bevorderen, in het bijzonder door belemmeringen weg te nemen, door een grotere transparantie bij de erkenning van kwalificaties en van tijdvakken van studie en opleiding, alsook door specifieke maatregelen om tegen 2002 de belemmeringen voor de mobiliteit van leerkrachten weg te nemen;

- een Europees model voor curricula vitae uit te werken, teneinde de mobiliteit te verbeteren door de onderwijs en opleidingsinstellingen, alsmede de werkgevers, te helpen om de verworven kennis beter te beoordelen.

De Europese Raad heeft de Raad en de Commissie daarnaast verzocht na te denken over de oprichting van een Europese databank van banen en leermogelijkheden om mobiliteit te vergemakkelijken en tegelijkertijd werklozen beter in staat te stellen een baan te vinden en de lacunes in hun vaardigheden op te vullen.

(17) Mobiliteit draagt bij tot het ontdekken van een nieuwe culturele en sociale realiteit. Dientengevolge moet de culturele voorbereiding en een eerste kennismaking met de leefwijze, de scholing en de werkomstandigheden in de verschillende Europese landen worden vergemakkelijkt, evenals de terugkeer van de betrokkenen onder goede omstandigheden in hun eigen land, vooral door het verstrekken van een interculturele opleiding ten behoeve van de relevante contactpersonen van de doelgroepen (docenten en administraties van universiteiten, docenten van beroepsopleidingen, leerkrachten en hoofden van onderwijsinstellingen, personeel van de organisaties die met de uitwisselingen belast zijn, zowel in het land van herkomst als in het gastland), en moeten de onderwijs en opleidingsinstellingen worden gestimuleerd om personeel te benoemen voor de coördinatie en om hun interculturele opleiding te vergemakkelijken.

(18) Deze aanbeveling wordt gedaan overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel, neergelegd in artikel 5 van het Verdrag, in die zin dat een optreden van de Gemeenschap in aanvulling op de acties van de lidstaten noodzakelijk is om de belemmeringen voor de mobiliteit weg te nemen. Hiertoe moet worden beklemtoond dat de mobiliteit, aangezien zij bij uitstek grensoverschrijdend is, optreden van de Gemeenschap vergt. De onderhavige aanbeveling voldoet ook aan het evenredigheidsbeginsel, dat in hetzelfde artikel is neergelegd, aangezien zij niet verder gaat dan nodig is om de nagestreefde doelstellingen te verwezenlijken.

(19) Deze aanbeveling wil de samenwerking tussen de lidstaten op het gebied van de mobiliteit bevorderen door hun maatregelen te ondersteunen met volledige eerbiediging van hun verantwoordelijkheden, in het kader van hun nationale wetgeving, met name wat betreft de uitvoering van de verzoeken die deze aanbeveling behelst.

(20) Deze aanbeveling heeft betrekking op onderdanen van de lidstaten die in een andere lidstaat dan de lidstaat van herkomst ervaring willen opdoen. Er zij evenwel aan herinnerd dat de Europese Raad tijdens zijn bijeenkomst in Tampere op 15 en 16 oktober 1999 heeft verklaard dat de Europese Unie "de onderdanen van derde landen die wettig op het grondgebied van een lidstaat verblijven op billijke wijze moet behandelen" en dat een energieker beleid inzake integratie ernaar moet streven aan deze personen rechten te verlenen en plichten op te leggen die vergelijkbaar zijn met die van de burgers van de Unie. De onderdanen van derde landen die wettig in een lidstaat verblijven, zouden in die lidstaat een aantal uniforme rechten moeten verkrijgen die zo dicht mogelijk bij de rechten van de burgers van de Unie liggen.

(21) Aan de communautaire programma's inzake onderwijs, beroepsopleiding en jeugd kan worden deelgenomen door de lidstaten van de Europese Vrijhandelsassociatie die deelnemen aan de Europese Economische Ruimte en door de landen van Midden en Oost-Europa (LMOE), overeenkomstig de voorwaarden die zijn vastgesteld in de Europaovereenkomsten, in de aanvullende protocollen daarbij en in de besluiten van de respectieve associatieraden, door Cyprus, alsmede door Malta en door Turkije. In dit verband zouden deze landen bij deze aanbeveling moeten worden betrokken en moet de mobiliteit van hun onderdanen die in het kader van een communautair programma studeren, een opleiding volgen, vrijwilligerswerk verrichten, dan wel als leerkracht of opleider actief zijn in de Europese Unie, worden vergemakkelijkt.

(22) Communautaire programma's, waaronder de hierboven genoemde, hebben de ontwikkeling op communautair niveau mogelijk gemaakt van goede praktijken en belangrijke instrumenten om de mobiliteit van studenten, personen in opleiding, vrijwilligers, leerkrachten en opleiders te vergemakkelijken. Er moet naar een zo breed mogelijke toepassing van deze goede praktijken en deze instrumenten worden gestreefd,

I. BEVELEN de lidstaten AAN:

1. Maatregelen voor alle onder deze aanbeveling vallende categorieën van personen:

a) de maatregelen nemen die zij passend achten om de wettelijke en bestuursrechtelijke belemmeringen weg te nemen voor de mobiliteit van personen die in een andere lidstaat een studiecyclus of een opleiding willen volgen, vrijwilligerswerk willen verrichten, of er als leerkracht of opleider willen werken, met name binnen het kader van de communautaire programma's (zoals Socrates, Leonardo da Vinci en Jeugd), maar ook daarbuiten; in samenwerking met de Commissie de uitwisseling bevorderen van ervaringen en goede praktijken met betrekking tot de transnationale mobiliteit van de betrokken personen en tot de verschillende aspecten van deze aanbeveling;

b) de maatregelen nemen die zij passend achten om taal en cultuurbarrières terug te dringen, bijvoorbeeld:

- het leren van ten minste twee communautaire talen aan te moedigen en de jongeren met name ontvankelijk te maken voor het burgerschap van de Unie en de eerbiediging van de culturele en sociale verschillen;

- stimuleren dat ieder mobiliteitsinitiatief wordt voorafgegaan door een voorbereiding op de vreemde taal en cultuur;

c) de ontwikkeling van verschillende regelingen voor financiële steun voor mobiliteit bevorderen (toelagen, beurzen, subsidies, leningen enz.) en met name:

- de overdraagbaarheid van nationale beurzen en toelagen vergemakkelijken;

- de maatregelen nemen die zij passend achten om ervoor te zorgen dat de procedures voor het overmaken of uitbetalen van deze beurzen en andere toelagen in het buitenland worden vergemakkelijkt en vereenvoudigd;

d) de maatregelen nemen die zij passend achten om de totstandbrenging van een Europese ruimte van kwalificaties te bevorderen, dat wil zeggen, de betrokken personen in staat te stellen om in de betrokken academische en beroepskringen van hun lidstaat van oorsprong erkenning te verkrijgen voor de in het gastland verkregen bewijsstukken en de aldaar opgedane ervaring; dat zou kunnen gebeuren door het bevorderen van de doelstellingen van de resoluties van 1992 en 1996 over de doorzichtigheid van kwalificaties en van opleidingscertificaten, door het gebruik van het document "Europass-opleidingen" zoals bedoeld in Besluit 1999/51/EG van de Raad(16) van 21 december 1998, inzake de bevordering van Europese trajecten in alternerende beroepsopleidingen, waaronder het leerlingwezen en van het Europees supplement bij het diploma aan te moedigen, en door gevolg te geven aan de conclusies van de Europese Raad van Lissabon van 23 en 24 maart 2000, met name door de uitwerking van een Europees kader van basisvaardigheden en een gemeenschappelijk Europees model voor het opstellen van curricula vitae;

e) onderzoeken in welke mate de personen die onder deze aanbeveling vallen, de steunregelingen kunnen genieten die in het gastland aan dezelfde categorieën van personen worden verstrekt, zoals tariefverminderingen op het openbaar vervoer, steun voor huisvesting en maaltijden, toegang tot bibliotheken en musea, met uitzondering van socialezekerheidsuitkeringen; in dit verband zou moeten worden nagedacht over de invoering van een "mobiliteitskaart";

f) ertoe bijdragen dat wie belang stelt in mobiliteit gemakkelijk toegang krijgt tot alle nuttige informatie aangaande de mogelijkheden om in de andere lidstaten te studeren, een opleiding te volgen, vrijwilligerswerk te verrichten dan wel als leerkracht of opleider werkzaam te zijn, door de werkzaamheden van het netwerk van nationale informatiecentra voor academische erkenning, van het Europese netwerk van informatiecentra en van "Europa rechtstreeks" met name uit te breiden tot:

- een betere verspreiding van informatie over de mogelijkheden tot en de voorwaarden voor (in het bijzonder over de instrumenten voor financiële steun) verwezenlijking van de transnationale mobiliteit;

- informeren van de burgers over hun rechten, krachtens Verordening (EEG) nr. 1408/71 en de bestaande wederzijdse regelingen inzake sociale zekerheid, wanneer zij tijdelijk in een andere lidstaat woonachtig zijn;

- stimuleren van de opleiding van de bestuurlijk verantwoordelijken op alle niveaus en van de regelmatige voorlichting over het communautaire acquis inzake mobiliteit;

- deelname aan het opzetten van een gegevensbank over de mogelijkheden op het gebied van werkgelegenheid en scholing, in het kader van gedecentraliseerde procedures, door maximaal gebruik te maken van de bestaande structuren en mechanismen, zoals het EURES-netwerk;

g) de maatregelen nemen die zij passend achten, opdat de categorieën van personen die onder deze aanbeveling vallen, in hun lidstaat van oorsprong op gelijke wijze worden behandeld als dezelfde categorieën van personen die niet een transnationale mobiliteitservaring aangaan;

h) de maatregelen nemen die zij passend achten voor het opheffen van de belemmeringen voor de mobiliteit van onderdanen van derde landen die deelnemen aan communautaire programma's, met name Socrates, Leonardo da Vinci of Jeugd, en uit dien hoofde studeren of een opleiding volgen, vrijwilligerswerk verrichten dan wel als leerkracht of opleider werkzaam zijn.

2. Specifieke maatregelen voor studenten:

a) het vergemakkelijken van de erkenning, in het land van oorsprong, voor academische doeleinden, van de in het gastland doorgebrachte studieperiode. Daartoe dient het gebruik van het Europees studiepuntenoverdrachtsysteem (ECTS) te worden aangemoedigd. Dit systeem is gebaseerd op doorzichtigheid van de studieprogramma's en waarborgt de erkenning van academische verworvenheden dankzij een van tevoren tussen de student, de instelling van herkomst en de gastinstelling gesloten overeenkomst;

b) het nemen van passende maatregelen om ervoor te zorgen dat de besluiten van de bevoegde autoriteiten inzake academische erkenning binnen een redelijke termijn worden genomen, worden gemotiveerd en er administratief beroep en/of beroep in rechte tegen kan worden ingesteld;

c) de onderwijsinstelling aanmoedigen, als administratieve bijlage bij een diploma een Europees bijvoegsel te verstrekken waarin de gevolgde studie wordt beschreven teneinde de erkenning ervan te vergemakkelijken;

d) de leerlingen en de studenten aanmoedigen, een deel van hun opleiding in een andere lidstaat te volgen en de erkenning van de studieperiodes die in dat kader in een andere lidstaat zijn voltooid, vergemakkelijken;

e) passende maatregelen nemen of stimuleren teneinde het studenten gemakkelijker te maken om, met het oog op het verkrijgen van een verblijfsvergunning, aan te tonen dat zij voor ziektekosten gedekt of verzekerd zijn;

f) de integratie (studieadvisering, -begeleiding, enz.) van de mobiele student in het onderwijsstelsel van het gastland en zijn reïntegratie in dat van zijn land van herkomst vergemakkelijken, naar het voorbeeld van wat in het kader van het communautaire programma Socrates gebruikelijk is.

3. Specifieke maatregelen voor personen in opleiding:

a) de erkenning, in het land van oorsprong, van de blijkens een attest in het gastland gevolgde opleiding bevorderen; daartoe dient het gebruik van, onder andere, het document "Europass-opleidingen" te worden bevorderd;

b) het gebruik aanmoedigen van doorzichtiger modellen voor getuigschriften van beroepsopleiding, zoals bedoeld in de resolutie van 1996 over de doorzichtigheid van beroepsopleidingscertificaten en in de voorstellen van het Europees forum voor transparantie in de beroepskwalificaties, die met name ten doel hebben om:

- met de officiële nationale certificaten een vertaling van die certificaten en/of een Europees supplement bij het certificaat af te geven;

- nationale referentiepunten aan te wijzen, die informatie moeten verstrekken over de nationale beroepskwalificaties;

c) de maatregelen nemen die zij passend achten overeenkomstig de communautaire regelgeving en in het kader van hun nationale wetgeving, opdat personen die zich naar een andere lidstaat begeven om daar een erkende opleiding te volgen, niet ten gevolge van hun mobiliteit een ongelijke behandeling ontvangen op het gebied van de relevante sociale bescherming, met inbegrip van de administratieve formaliteiten inzake deze bescherming, zoals de gezondheidszorg en andere relevante gebieden;

d) op administratief vlak de maatregelen nemen die zij passend achten, opdat gemakkelijker het bewijs kan worden verkregen dat personen die een opleiding in een andere lidstaat beginnen over toereikende financiële middelen beschikken, zoals bepaald in Richtlijn 90/364/EEG van de Raad.

4. Specifieke maatregelen voor vrijwilligers:

a) ervoor zorgen dat in de nationale wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen rekening wordt gehouden met het specifieke karakter van vrijwilligerswerk;

b) aanmoedigen dat het in het gastland verrichte vrijwilligerswerk in het land van oorsprong in aanmerking wordt genomen middels een bewijs van deelneming door de betrokken personen aan de vrijwilligersprojecten, met een beschrijving van de werkzaamheden, in het kader van het streven naar een gemeenschappelijk Europees model voor het opstellen van curricula vitae;

c) overeenkomstig de communautaire regelgeving en in het kader van hun nationale wetgeving de maatregelen nemen die zij passend achten, opdat vrijwilligers en hun gezinnen niet ten gevolge van hun mobiliteit een ongelijke behandeling ontvangen op het gebied van de relevante sociale bescherming, zoals de gezondheidszorg en de op het welzijn van de gezinnen gerichte beleidsmaatregelen;

d) in het kader van hun nationale wetgeving de maatregelen nemen die zij passend achten, opdat onbezoldigd erkend vrijwilligerswerk niet gelijkgesteld wordt met een baan.

5. Specifieke maatregelen voor leerkrachten en opleiders:

a) zoveel mogelijk rekening houden met de problemen van tijdelijk in een andere lidstaat werkzame leerkrachten of opleiders die onder de wetgeving van meerdere lidstaten vallen en de samenwerking op dit gebied aanmoedigen;

b) de maatregelen nemen die zij passend achten om het leerkrachten en opleiders gemakkelijker te maken in een andere lidstaat werkzaam te zijn, bijvoorbeeld:

- door regelingen in te stellen voor de vervanging van leerkrachten en opleiders die deelnemen aan Europese mobiliteit;

- door erop toe te zien dat er mechanismen worden ingesteld om hen gemakkelijker in de gastinstelling te doen integreren;

- door te overwegen om, volgens op nationaal niveau bepaalde regels, "Europese opleidingsperiodes" in te voeren, zodat gemakkelijker ervaring kan worden opgedaan met mobiliteit;

c) de invoering aanmoedigen van een Europese dimensie in de beroepssfeer van leerkrachten en opleiders, met name:

- in de inhoud van de opleidingsprogramma's voor leerkrachten en opleiders;

- door het bevorderen van contacten tussen de in verschillende lidstaten gelegen opleidingscentra voor leerkrachten en opleiders, onder meer door het organiseren van uitwisselingen en stageperiodes in een andere lidstaat;

d) bevorderen dat Europese mobiliteit in aanmerking wordt genomen als een van de bestanddelen van de loopbaan van leerkrachten en opleiders.

II. VERZOEKEN de lidstaten:

- om binnen twee jaar na de goedkeuring van deze aanbeveling, en vervolgens elke twee jaar, een evaluatieverslag op te stellen en aan de Commissie voor te leggen over de maatregelen die zij genomen hebben ingevolge de hierboven en in het actieplan voor mobiliteit gedane aanbevelingen.

III. VERZOEKEN de Commissie:

a) een groep van deskundigen in te stellen, waarin alle lidstaten zijn vertegenwoordigd, bestaande uit ambtenaren die op nationaal niveau verantwoordelijk zijn voor de tenuitvoerlegging van deze aanbevelingen en de maatregelen in het actieplan voor mobiliteit, teneinde de uitwisseling van informatie en ervaringen hierover mogelijk te maken;

b) met de lidstaten en de sociale partners te blijven samenwerken in, onder andere, het Europees forum voor transparantie in de beroepskwalificaties, teneinde adequate informatie en ervaringen over de uitvoering van de in deze aanbeveling genoemde maatregelen te kunnen uitwisselen;

c) twee jaar en zes maanden na de goedkeuring van deze aanbeveling, en vervolgens elke twee jaar, aan het Europees Parlement, de Raad, het Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's een overzicht voor te leggen van de hierboven in deel II genoemde verslagen van de lidstaten en in dat overzicht aan te geven, op welke gebieden de maatregelen van de lidstaten goed door communautaire actie kunnen worden aangevuld;

d) na te gaan hoe in de Gemeenschap een kaart voor scholieren, studenten, personen in opleiding en vrijwilligers kan worden ingevoerd, waarmee de houders van dit soort kaarten tijdens hun mobiliteitsperiode diverse reducties kunnen verkrijgen;

e) voorstellen uit te werken ter bevordering van de samenwerking op het gebied van de doorzichtigheid van de kwalificaties, in het bijzonder wat betreft de toegang tot de Europass voor derde landen die deelnemen aan communautaire programma's, alsmede met betrekking tot de certificaten van beroepsopleiding;

f) na te gaan hoe, in samenwerking met de lidstaten, het best maatregelen kunnen worden genomen om informatie uit te wisselen over de mogelijkheden inzake onderwijs, opleiding, vrijwilligerswerk, activiteiten als leerkracht of opleider in de andere lidstaten.

Gedaan te Brussel, 10 juli 2001.

Voor het Europees Parlement

De voorzitster

N. Fontaine

Voor de Raad

De voorzitter

D. Reynders

(1) PB C 168 van 16.6.2000, blz. 25.

(2) PB C 317 van 6.11.2000, blz. 53.

(3) Advies van het Europees Parlement van 5 oktober 2001 (nog niet verschenen in het Publicatieblad), gemeenschappelijk standpunt van de Raad van 19 januari 2001 (PB C 70 van 2.3.2001, blz. 1) en besluit van het Europees Parlement van 15 mei 2001 (nog niet verschenen in het Publicatieblad). Besluit van de Raad van 26 juni 2001.

(4) PB L 257 van 19.10.1968, blz. 13. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij de Toetredingsakte van 1994.

(5) PB L 317 van 18.12.1993, blz. 59.

(6) PB L 180 van 13.7.1990, blz. 26.

(7) PB C 371 van 23.12.2000, blz. 4.

(8) PB L 149 van 5.7.1971, blz. 2. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1399/1999 (PB L 164 van 30.6.1999, blz. 1).

(9) PB L 38 van 12.2.1999, blz. 1.

(10) PB L 257 van 19.10.1968, blz. 2. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EEG) nr. 2434/92 (PB L 245 van 26.8.1992, blz. 1).

(11) PB L 19 van 24.1.1989, blz. 16.

(12) PB L 209 van 24.7.1992, blz. 25. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2000/5/EG van de Commissie (PB L 54 van 26.2.2000, blz. 42).

(13) PB C 49 van 19.2.1993, blz. 1.

(14) PB C 224 van 1.8.1996, blz. 7.

(15) PB C 195 van 6.7.1996, blz. 6.

(16) PB L 17 van 22.1.1999, blz. 45.

BIJLAGE

IN DE AANBEVELING BEDOELDE CATEGORIEËN VAN PERSONEN

De hieronder vermelde personen vallen slechts onder deze aanbeveling voorzover zij, gedurende een tijdelijk verblijf, ervaring willen opdoen met mobiliteit tussen twee staten - de staat van oorsprong en de gaststaat - waarna de betrokkenen in principe naar hun land van oorsprong terugkeren. Die personen behouden hun wettelijke verblijfplaats, zoals vastgelegd in de wetgeving van elke lidstaat, in de staat van oorsprong.

I. Studenten

Personen die in een van de in artikel 149, lid 2, derde streepje, van het Verdrag bedoelde onderwijsinstellingen een studie volgen.

II. Personen in opleiding

Personen die, ongeacht hun leeftijd en beroepssituatie, een beroepsopleiding van eender welk niveau volgen, met inbegrip van het hoger onderwijs.

III. Vrijwilligers

Personen, en zeer in het bijzonder jongeren, die in het kader van het onderdeel "Europees vrijwilligerswerk" van het communautair actieprogramma "Jeugd" dan wel in het kader van andere grensoverschrijdende vrijwilligersprojecten die aan soortgelijke voorwaarden voldoen, een niet-winstgevende en onbezoldigde activiteit van concrete solidariteit verrichten, waardoor zij sociale vaardigheden kunnen verwerven en zij zich persoonlijk kunnen ontplooien.

IV. Leerkrachten

Personen die onderricht geven in onderwijsinstellingen zoals bedoeld in artikel 149, lid 2, derde streepje, van het Verdrag.

V. Opleiders

Personen die, in een van de in artikel 150, lid 2, vierde streepje, van het Verdrag bedoelde onderwijs- of opleidingsinstellingen, dan wel in opleidingscentra of in bedrijven, een opleiding verzorgen.

Top