Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32000L0029

Richtlijn 2000/29/EG van de Raad van 8 mei 2000 betreffende de beschermende maatregelen tegen het binnenbrengen en de verspreiding in de Gemeenschap van voor planten en voor plantaardige producten schadelijke organismen

OJ L 169, 10.7.2000, p. 1–112 (ES, DA, DE, EL, EN, FR, IT, NL, PT, FI, SV)
Special edition in Czech: Chapter 03 Volume 029 P. 258 - 369
Special edition in Estonian: Chapter 03 Volume 029 P. 258 - 369
Special edition in Latvian: Chapter 03 Volume 029 P. 258 - 369
Special edition in Lithuanian: Chapter 03 Volume 029 P. 258 - 369
Special edition in Hungarian Chapter 03 Volume 029 P. 258 - 369
Special edition in Maltese: Chapter 03 Volume 029 P. 258 - 369
Special edition in Polish: Chapter 03 Volume 029 P. 258 - 369
Special edition in Slovak: Chapter 03 Volume 029 P. 258 - 369
Special edition in Slovene: Chapter 03 Volume 029 P. 258 - 369
Special edition in Bulgarian: Chapter 03 Volume 033 P. 68 - 175
Special edition in Romanian: Chapter 03 Volume 033 P. 68 - 175
Special edition in Croatian: Chapter 03 Volume 002 P. 189 - 296

In force

ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2000/29/oj

32000L0029

Richtlijn 2000/29/EG van de Raad van 8 mei 2000 betreffende de beschermende maatregelen tegen het binnenbrengen en de verspreiding in de Gemeenschap van voor planten en voor plantaardige producten schadelijke organismen

Publicatieblad Nr. L 169 van 10/07/2000 blz. 0001 - 0112


Richtlijn 2000/29/EG van de Raad

van 8 mei 2000

betreffende de beschermende maatregelen tegen het binnenbrengen en de verspreiding in de Gemeenschap van voor planten en voor plantaardige producten schadelijke organismen

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, inzonderheid op artikel 37,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van het Europees Parlement(1),

Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité(2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1) Richtlijn 77/93/EEG van de Raad van 21 december 1976 betreffende de beschermende maatregelen tegen het binnenbrengen en de verspreiding in de Gemeenschap van voor planten en voor plantaardige producten schadelijke organismen(3) is herhaaldelijk en ingrijpend gewijzigd(4). Derhalve dient zij om redenen van rationele ordening en van duidelijkheid van de tekst te worden gecodificeerd.

(2) De opbrengst van land- en tuinbouw neemt een zeer belangrijke plaats in in de Gemeenschap.

(3) Deze productie wordt voortdurend in gevaar gebracht door schadelijke organismen.

(4) Een bescherming van de planten tegen deze schadelijke organismen is beslist vereist om een daling van het productievermogen te verhinderen en bovendien de productiviteit in de landbouw te doen toenemen.

(5) De bestrijding van schadelijke organismen in de Gemeenschap welke geregeld wordt door een communautaire regeling op fytosanitair gebied, welke geldt voor de Gemeenschap als ruimte zonder binnengrenzen door middel van stelselmatige vernietiging ter plaatse, heeft slechts weinig zin indien niet gelijktijdig maatregelen worden getroffen tegen het binnenbrengen ervan in de Gemeenschap.

(6) De noodzaak van deze maatregelen werd reeds vroegtijdig ingezien en in verband hiermee werden talrijke nationale voorschriften en internationale verdragen opgesteld, waarvan het op 6 december 1951 in het kader van de Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties (FAO) gesloten Internationaal Verdrag voor de bescherming van planten van wereldomvattende betekenis is.

(7) Eén van de belangrijkste maatregelen bestaat in het opstellen van een lijst van bijzonder gevaarlijke schadelijke organismen waarvan het binnenbrengen in de Gemeenschap moet worden verboden, alsmede van een lijst van schadelijke organismen waarvan het via bepaalde planten of plantaardige producten binnenbrengen moet worden verboden.

(8) De aanwezigheid van bepaalde van deze schadelijke organismen bij het binnenbrengen van planten en plantaardige producten uit landen waar deze organismen voorkomen, kan niet doeltreffend worden gecontroleerd, en het is derhalve noodzakelijk in zo beperkt mogelijke mate verboden op het binnenbrengen van bepaalde planten en plantaardige producten in te stellen, of voor te schrijven dat in de producerende landen bijzondere controles worden verricht.

(9) Deze fytosanitaire controles dienen te worden beperkt tot het binnenbrengen van producten van oorsprong uit derde landen en tot de gevallen waarin duidelijke aanwijzingen bestaan dat een van de fytosanitaire bepalingen niet is nageleefd.

(10) Onder bepaalde voorwaarden moet de mogelijkheid worden geboden om van een aantal voorschriften afwijkingen toe te staan. Bovendien is uit de ervaring gebleken dat bepaalde van dergelijke afwijkingen even urgent kunnen zijn als vrijwaringsmaatregelen. Daarom dient de in deze richtlijn omschreven urgentieprocedure ook van toepassing te zijn op deze afwijkingen.

(11) Bij dreigend gevaar voor het op zijn grondgebied binnenkomen of de verbreiding van schadelijke organismen, dient de lidstaat waar het probleem is ontstaan ook andere dan de in deze richtlijn genoemde voorlopige beschermende maatregelen welke niet door deze richtlijn zijn voorzien, te treffen. De Commissie dient te worden ingelicht over alle gebeurtenissen die vaststelling van vrijwaringsmaatregelen vereisen.

(12) Gezien de omvang van het handelsverkeer in planten en plantaardige producten tussen de Franse overzeese departementen en de rest van de Gemeenschap, is het wenselijk de bij deze richtlijn ingevoerde bepalingen op deze departementen toe te passen. Wegens de bijzondere aard van de landbouwproductie in de Franse overzeese departementen dient te worden voorzien in aanvullende maatregelen ter bescherming van de gezondheid en het leven van de planten aldaar. De werkingssfeer van deze richtlijn moet tevens worden uitgebreid tot de beschermende maatregelen om te voorkomen dat uit andere delen van Frankrijk schadelijke organismen in de Franse overzeese departementen worden binnengebracht.

(13) Bij Verordening (EEG) nr. 1911/91 van de Raad van 26 juni 1991 betreffende de toepassing van de bepalingen van het Gemeenschapsrecht op de Canarische Eilanden(5) is besloten om de Canarische Eilanden in het douanegebied van de Gemeenschap op te nemen en het gemeenschappelijk beleid op die eilanden toe te passen. Volgens de artikelen 2 en 10 van die verordening wordt het gemeenschappelijk landbouwbeleid van toepassing vanaf het van kracht worden van een specifieke regeling voor de bevoorrading. Die toepassing moet voorts vergezeld gaan van specifieke maatregelen voor de landbouwproductie.

(14) Bij Besluit 91/314/EEG van de Raad van 26 juni 1991 tot instelling van een programma van speciaal op het afgelegen en insulaire karakter van de Canarische Eilanden afgestemde maatregelen (Poseican)(6) zijn de algemene lijnen aangegeven van de maatregelen die moeten worden genomen om rekening te houden met de specifieke omstandigheden en de problemen van de archipel.

(15) In het licht van de bijzondere fytosanitaire situatie op de Canarische Eilanden is het daarom wenselijk om de toepassing van bepaalde maatregelen van die richtlijn te verlengen met een periode die afloopt zes maanden na de datum waarop de lidstaten de toekomstige bepalingen met betrekking tot de bijlagen bij deze richtlijn voor de bescherming van de Franse overzeese departementen en de Canarische Eilanden ten uitvoer moeten hebben gelegd.

(16) Voor de toepassing van deze richtlijn moeten modellen van certificaten worden opgesteld die zijn goedgekeurd in het kader van het Internationaal Verdrag voor de bescherming van planten, zoals gewijzigd op 21 november 1979, in een gestandaardiseerde vorm die in nauwe samenwerking met internationale organisaties is opgemaakt. Ook dienen bepaalde regels te worden vastgesteld met betrekking tot de voorwaarden waaronder deze certificaten mogen worden afgegeven, het gebruik, gedurende een overgangsperiode, van de oude formulieren en de eisen inzake certificering bij het binnenbrengen van planten en plantaardige producten uit derde landen.

(17) Voor de invoer van planten of plantaardige producten van herkomst uit derde landen moeten de diensten welke in die landen verantwoordelijk zijn voor de afgifte van certificaten, in principe die diensten zijn die ook in het kader van het Internationaal Verdrag voor de bescherming van planten hiertoe bevoegd zijn. Het kan dienstig zijn lijsten van die diensten op te stellen voor de derde landen die geen partij zijn bij dat verdrag.

(18) De procedure voor het aanbrengen van bepaalde wijzigingen in de bijlage van deze richtlijn dient te worden vereenvoudigd.

(19) De werkingssfeer van deze richtlijn dient verduidelijkt te worden ten aanzien van hout. Daartoe dient gebruik te worden gemaakt van de gedetailleerde beschrijving van hout in de communautaire reglementering.

(20) Bepaalde soorten zaad worden vermeld bij de in de bijlagen bij deze richtlijn genoemde planten, plantaardige producten en andere materialen die door het land van oorsprong of het land van verzending aan een plantenziektekundig onderzoek moeten worden onderworpen voordat zij de Gemeenschap mogen worden binnengebracht of bij intracommunautair handelsverkeer.

(21) Het is dienstig te bepalen dat de officiële inspectie van uit derde landen afkomstige planten, plantaardige producten en andere materialen in bepaalde gevallen door de Commissie in het derde land van oorsprong wordt verricht.

(22) Deze inspecties van de Gemeenschap dienen te worden uitgevoerd door deskundigen die in dienst van de Commissie zijn, en ook door deskundigen die in dienst van een lidstaat zijn en ter beschikking van de Commissie zijn gesteld. De taak van deze deskundigen dient te worden omschreven in samenhang met de werkzaamheden die in het kader van de fytosanitaire regeling van de Gemeenschap moeten worden verricht.

(23) De werkingssfeer van de regeling mag niet langer tot het handelsverkeer tussen de lidstaten en derde landen beperkt blijven maar moet tot het handelsverkeer binnen de lidstaten worden uitgebreid.

(24) In beginsel moeten alle gebieden in de Gemeenschap in dezelfde mate tegen schadelijke organismen worden beschermd. Daarbij moet echter rekening worden gehouden met de ecologische verschillen en met de verspreiding van bepaalde schadelijke organismen. Derhalve moeten "beschermde gebieden" worden vastgesteld, waar bijzondere fytosanitaire risico's voor de planten bestaan, en er moet aan deze beschermde gebieden bijzondere bescherming worden geboden onder met de interne markt verenigbare voorwaarden.

(25) Voor de toepassing van de communautaire fytosanitaire regeling in een Gemeenschap zonder binnengrenzen en voor de invoering van beschermde gebieden moet een onderscheid worden gemaakt tussen de vereisten voor communautaire producten en voor uit derde landen ingevoerde producten en het is noodzakelijk om de schadelijke organismen te identificeren die voor bepaalde beschermde gebieden relevant zijn.

(26) De plaats van productie is het geschiktst om fytosanitaire controles te verrichten. Voor communautaire producten moeten dergelijke controles derhalve aldaar worden uitgevoerd en moeten mede alle relevante planten en plantaardige producten die daar worden geteeld, geproduceerd of gebruikt dan wel anderszins aanwezig zijn, alsmede het groeimedium dat daar wordt gebruikt, omvatten. Om een dergelijk controlesysteem doeltreffend te doen functioneren moeten alle producenten officieel worden geregistreerd.

(27) Voor een doeltreffender toepassing van de communautaire fytosanitaire regeling in de interne markt, moeten voor fytosanitaire controles andere beschikbare beambten dan die van de officiële plantenziektekundige diensten van de lidstaten kunnen worden ingezet, wier opleiding door de Gemeenschap zal worden gecoördineerd en financieel gesteund.

(28) Als de uitslag van de controles bevredigend is, moet in plaats van het fytosanitaire certificaat dat in het internationale handelsverkeer wordt gebruikt, een bepaald, aan het type product aangepast merkteken ("plantenpaspoort") op de producten worden aangebracht, teneinde te garanderen dat deze in de gehele Gemeenschap of in die delen ervan waarin deze mogen worden toegelaten, vrij in het verkeer kunnen zijn.

(29) Er moet worden vastgesteld welke officiële maatregelen dienen te worden getroffen indien de uitslag van de controles niet bevredigend is.

(30) Om de naleving van de communautaire fytosanitaire regeling in het kader van de interne markt te garanderen, moet een stelsel van officiële controles in de handelsstadia worden ingevoerd. Dit stelsel moet in de gehele Gemeenschap zo betrouwbaar en zo uniform mogelijk zijn, doch specifieke controles aan de grenzen tussen de lidstaten uitsluiten.

(31) In het raam van de interne markt moeten de fytosanitaire controles op producten uit derde landen in beginsel bij het voor de eerste maal binnenbrengen in de Gemeenschap worden verricht. Als de uitslag van de controles bevredigend is, moet voor de producten uit derde landen een plantenpaspoort worden afgegeven om te garanderen dat zij zich op dezelfde wijze als de communautaire producten vrij in het verkeer kunnen bevinden.

(32) Teneinde in de door de voltooiing van de interne markt gecreëerde nieuwe situatie de noodzakelijke waarborgen te kunnen bieden, moeten de nationale en de communautaire infrastructuur voor fytosanitaire inspecties aan de buitengrenzen van de Gemeenschap worden versterkt, waarbij in het bijzonder aandacht wordt geschonken aan die lidstaten waar, gezien de geografische ligging, schadelijke organismen in de Gemeenschap kunnen worden binnengebracht. De Commissie zal voorstellen hiertoe de nodige kredieten in de algemene begroting van de Europese Unie op te nemen.

(33) Om de doeltreffendheid van de communautaire fytosanitaire regeling in het kader van de interne markt te verbeteren, moeten de taken van de ambtenaren die belast zijn met fytosanitaire inspecties in de lidstaten worden geharmoniseerd. De Commissie zal derhalve vóór 1 januari 1993 een communautaire fytosanitaire gedragscode opstellen.

(34) Het moet de lidstaten niet langer mogelijk zijn voor planten of plantaardige producten die van oorsprong uit andere lidstaten op hun grondgebied worden binnengebracht, bijzondere fytosanitaire bepalingen vast te stellen. Alle fytosanitaire bepalingen voor planten en plantaardige producten moeten op communautair niveau worden vastgesteld.

(35) Er moet een regeling voor financiële bijdragen van de Gemeenschap worden ingesteld om op communautair niveau de kosten te verdelen die verbonden kunnen zijn aan mogelijk nog overblijvende risico's bij toepassing van de communautaire regeling op fytosanitair gebied in het handelsverkeer.

(36) Er is een financiële bijdrage van de Gemeenschap nodig voor de verbetering van de infrastructuur voor fytosanitaire inspectie aan de buitengrenzen van de Gemeenschap om besmetting door schadelijke organismen uit derde landen te voorkomen.

(37) De regeling zou ook moeten voorzien in adequate bijdragen in bepaalde uitgaven voor specifieke maatregelen die de lidstaten hebben vastgesteld om besmetting door uit een derde land of een ander gebied van de Gemeenschap binnengebrachte schadelijke organismen tegen te gaan en zo nodig besmettingen uit te roeien en, indien mogelijk, de aangerichte schade te herstellen.

(38) Voor de vaststelling van de wijze waarop de financiële bijdrage van de Gemeenschap wordt verleend, dient in een versnelde procedure te worden voorzien.

(39) De garantie moet bestaan dat de Commissie in kennis wordt gesteld van alle gegevens betreffende de mogelijke oorzaken van het binnenbrengen van de betrokken schadelijke organismen.

(40) De Commissie moet met name toezien op de nauwgezette toepassing van de communautaire regeling op fytosanitair gebied.

(41) Indien blijkt dat het binnenbrengen van schadelijke organismen aan gebrekkige onderzoeken of inspecties toe te schrijven is, is de communautaire wetgeving, rekening houdend met bepaalde specifieke maatregelen, van toepassing wat de consequenties betreft.

(42) Een nauwe samenwerking is aan te bevelen tussen de lidstaten en de Commissie in het Permanent Plantenziektekundig Comité, ingesteld bij Besluit 76/894/EEG van de Raad(7).

(43) Deze richtlijn mag geen afbreuk doen aan de verplichtingen van de lidstaten aangaande de transponerings- en toepassingstermijnen in bijlage VIII, deel B,

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

1. Deze richtlijn heeft betrekking op de bescherming tegen het binnenbrengen op het grondgebied van de lidstaten van voor planten of plantaardige producten schadelijke organismen uit andere lidstaten of derde landen.

Deze richtlijn betreft tevens:

a) met ingang van 1 juni 1993 de beschermende maatregelen tegen de verspreiding van schadelijke organismen in de Gemeenschap via het verkeer van planten, plantaardige producten en andere daarmee samenhangende materialen binnen een lidstaat;

b) beschermende maatregelen om te voorkomen dat schadelijke organismen uit andere delen van Frankrijk in de Franse overzeese departementen en, omgekeerd, uit de Franse overzeese departementen in andere delen van Frankrijk worden binnengebracht;

c) beschermende maatregelen om te voorkomen dat schadelijke organismen uit andere delen van Spanje op de Canarische Eilanden en, omgekeerd, uit de Canarische Eilanden in andere delen van Spanje worden binnengebracht.

2. Onverminderd de voorwaarden die, rekening houdend met de uiteenlopende agrarische en ecologische omstandigheden, ter bescherming van de in bepaalde regio's van de Gemeenschap bestaande fytosanitaire situatie moeten worden vastgesteld, kunnen de in deze richtlijn bedoelde beschermende maatregelen volgens de procedure van artikel 18 worden aangevuld met maatregelen ter bescherming van de gezondheid en het leven van de planten in de Franse overzeese departementen en op de Canarische Eilanden.

3. Deze richtlijn is niet van toepassing op Ceuta en Melilla.

4. Iedere lidstaat gaat over tot instelling of aanwijzing van één centrale instantie die, onder toezicht van de nationale regering, belast is met de coördinatie van fytosanitaire aangelegenheden en met de desbetreffende contacten. Daartoe wordt bij voorkeur de officiële organisatie ter bescherming van planten aangewezen, die uit hoofde van het Internationaal Verdrag voor de bescherming van planten is ingesteld. Deze instantie, alsmede iedere latere verandering met betrekking daartoe, wordt aan de andere lidstaten en de Commissie bekendgemaakt.

5. Wat betreft de beschermende maatregelen tegen het binnenbrengen van schadelijke organismen uit de Franse overzeese departementen in andere delen van Frankrijk en in de andere lidstaten en tegen hun verspreiding binnen de Franse overzeese departementen, worden de data in lid 1, onder a), van het onderhavige artikel, in artikel 3, lid 4, artikel 4, leden 2 en 4, artikel 5, leden 2 en 4, artikel 6, leden 5 en 6, artikel 10, leden 1 en 2, en in artikel 13, leden 8, 10 en 11, vervangen door een datum die overeenkomt met het einde van een periode van zes maanden te rekenen vanaf de datum waarop de lidstaten de toekomstige bepalingen ten uitvoer moeten hebben gelegd die met betrekking tot de bijlagen I tot en met V van deze richtlijn zullen worden vastgesteld om de Franse overzeese departementen te beschermen. Met ingang van diezelfde datum vervallen lid 1, onder b), en lid 3 van het onderhavige artikel.

6. Wat betreft de beschermende maatregelen tegen het binnenbrengen van schadelijke organismen uit de Canarische Eilanden in andere delen van Spanje en in de andere lidstaten en tegen hun verspreiding op de Canarische Eilanden, worden de data in lid 1, onder a), van het onderhavige artikel, in artikel 3, lid 4, artikel 4, leden 2 en 4, artikel 5, leden 2 en 4, artikel 6, leden 5 en 6, artikel 10, leden 1 en 2, en in artikel 13, leden 8, 10 en 11, vervangen door een datum die overeenkomt met het einde van een periode van zes maanden te rekenen vanaf de datum waarop de lidstaten de toekomstige bepalingen ten uitvoer moeten hebben gelegd die met betrekking tot de bijlagen I tot en met V van deze richtlijn zullen worden vastgesteld om de Canarische Eilanden te beschermen. Met ingang van diezelfde datum vervalt lid 1, onder c), van het onderhavige artikel.

Artikel 2

1. In deze richtlijn wordt verstaan onder:

a) planten: levende planten en levende delen van planten, met inbegrip van zaden.

Onder levende delen van planten worden onder meer verstaan:

- vruchten - in botanische zin - die niet door middel van diepvriezen worden bewaard;

- groenten die niet door middel van diepvriezen worden bewaard;

- wortelknollen, knollen, stengelknollen, bollen, wortelstokken;

- snijbloemen;

- takken met loof;

- gevelde bomen die nog van loof zijn voorzien;

- plantenweefselcultures.

Onder "zaden" worden zaden in botanische zin verstaan, met uitzondering van zaden voor andere dan plantdoeleinden;

b) plantaardige producten: voortbrengselen van plantaardige oorsprong die niet verwerkt zijn of die een eenvoudige bewerking hebben ondergaan, voorzover het geen planten betreft;

c) opplant: iedere handeling betreffende het plaatsen van planten teneinde hun verdere groei of vermeerdering te bewerkstelligen;

d) voor opplant bestemde planten: - planten die reeds zijn geplant en zijn bestemd om geplant te blijven of om opnieuw te worden geplant nadat zij zijn binnengebracht, of

- planten die nog niet zijn geplant op het tijdstip van het binnenbrengen ervan, maar bestemd zijn om nadien te worden geplant;

e) schadelijke organismen: voor planten of plantaardige producten schadelijke organismen van dierlijke of plantaardige aard, alsmede dergelijke organismen in de vorm van virussen, mycoplasma's of andere ziekteverwekkers;

f) plantenpaspoort: een officieel label dat bewijst dat aan de fytosanitaire normen en aan de bijzondere eisen die bij deze richtlijn zijn vastgesteld, is voldaan, en dat daartoe:

- op communautair niveau voor verschillende soorten planten of plantaardige producten is gestandaardiseerd en

- is opgesteld door de verantwoordelijke officiële instantie van een lidstaat en afgegeven overeenkomstig de toepassingsbepalingen betreffende de bijzonderheden van de procedure voor de afgifte van plantenpaspoorten.

Voor specifieke soorten producten kunnen volgens de procedure van artikel 18 andere overeengekomen officiële merktekens dan het label worden vastgesteld.

De standaardisatie geschiedt volgens de procedure van artikel 18. In het kader van deze standaardisatie worden verschillende merktekens vastgesteld voor plantenpaspoorten die, overeenkomstig artikel 10, lid 1, tweede alinea, niet voor alle delen van de Gemeenschap geldig zijn;

g) de verantwoordelijke officiële instanties van een lidstaat zijn: i) de officiële organisatie(s) ter bescherming van planten van een lidstaat, als bedoeld in artikel 1, lid 4, of

ii) een overheidsinstantie, die:

- hetzij op nationaal niveau is ingesteld,

- hetzij - onder toezicht van de nationale autoriteiten, binnen door de grondwet van de betrokken lidstaat vastgestelde grenzen - op regionaal niveau is ingesteld.

De verantwoordelijke officiële instanties van een lidstaat kunnen, overeenkomstig de nationale wetgeving, hun in deze richtlijn bedoelde taken die onder hun gezag en toezicht moeten worden verricht, overdragen aan een publiek- of privaatrechtelijke rechtspersoon die, krachtens zijn officieel goedgekeurde statuten, uitsluitend belast is met specifieke taken van openbaar belang, op voorwaarde dat deze rechtspersoon en de leden daarvan geen enkel persoonlijk voordeel trekken uit het resultaat van de maatregelen die zij nemen.

De lidstaten zorgen voor een nauwe samenwerking van de in de eerste alinea, onder ii), bedoelde instanties met de onder i) bedoelde instanties.

Bovendien kan, overeenkomstig de procedure van artikel 18, een andere namens de in de eerste alinea, onder i), bedoelde instantie(s) ingestelde rechtspersoon die onder het gezag en toezicht van een dergelijke instantie handelt, worden erkend, op voorwaarde dat deze rechtspersoon geen enkel persoonlijk voordeel trekt uit het resultaat van de maatregelen die hij neemt.

De in artikel 1, lid 4, bedoelde ene centrale instantie stelt de Commissie in kennis van de verantwoordelijke officiële instanties van de betrokken lidstaat. De Commissie zendt deze informatie toe aan de andere lidstaten;

h) beschermd gebied: een gebied in de Gemeenschap waarin:

- één of meer van de in deze richtlijn vermelde, in één of meer delen van de Gemeenschap voorkomende schadelijke organismen niet endemisch zijn noch voorkomen, hoewel de omstandigheden daar voor de ontwikkeling daarvan gunstig zijn, of

- het gevaar bestaat dat bepaalde schadelijke organismen als gevolg van de ecologisch gunstige omstandigheden voor bijzondere culturen, worden aangetroffen, hoewel deze organismen niet endemisch zijn noch in de Gemeenschap voorkomen,

en dat, omdat het aan de in het eerste en het tweede streepje vastgestelde voorwaarden voldoet, en, in het in het eerste streepje bedoelde geval, op verzoek van de betrokken lidstaat/lidstaten, volgens de procedure van artikel 18 als zodanig is erkend. Voorwaarde hiervoor is wel dat voor dat doel geschikt onderzoek, dat onder toezicht van de in artikel 21 bedoelde deskundigen volgens de procedure van dat artikel is verricht, niet het tegendeel heeft bewezen. Het onderzoek met betrekking tot het in het tweede streepje genoemde geval is facultatief.

Als in een gebied aangetroffen schadelijk organisme wordt beschouwd, het schadelijk organisme waarvan bekend is dat het aldaar voorkomt en waartegen ter uitroeiing ervan geen officiële maatregelen zijn genomen of waartegen dergelijke maatregelen tijdens een periode van ten minste twee opeenvolgende jaren ondoeltreffend zijn gebleken.

De betrokken lidstaat of lidstaten organiseren, wat het in de eerste alinea, eerste streepje, bedoelde geval betreft, op een regelmatige en systematische basis officiële onderzoeken naar de aanwezigheid van organismen ten aanzien waarvan het beschermde gebied erkend is. Iedere vondst van een dergelijk organisme wordt onmiddellijk aan de Commissie ter kennis gebracht. Het daaraan verbonden risico wordt geëvalueerd door het Permanent Plantenziektekundig Comité en de passende maatregelen worden volgens de procedure van artikel 18 vastgesteld.

De bijzonderheden van de in de eerste en de derde alinea bedoelde onderzoeken kunnen overeenkomstig de procedure van artikel 18, en rekening houdend met erkende wetenschappelijke en statistische beginselen, worden vastgesteld.

De resultaten van de bedoelde onderzoeken worden ter kennis van de Commissie gebracht. De Commissie zendt deze informatie toe aan de andere lidstaten.

De Commissie legt vóór 1 januari 1998 een verslag aan de Raad voor over de werking van de regeling "beschermde gebieden", in voorkomend geval vergezeld van alle passende voorstellen;

i) officiële constatering of maatregel: een constatering die is gedaan of een maatregel die is genomen, onverminderd artikel 21,

- door vertegenwoordigers van de officiële plantenziektekundige dienst van een lidstaat of door onder hun verantwoordelijkheid handelende andere ambtenaren, in geval van constateringen of maatregelen die verband houden met de afgifte van de in artikel 7, lid 1, of artikel 8, lid 2, genoemde certificaten, of

- in alle andere gevallen, door dergelijke vertegenwoordigers of ambtenaren, dan wel door gekwalificeerde beambten in dienst van één van de verantwoordelijke officiële instanties van een lidstaat, op voorwaarde dat dergelijke beambten geen enkel persoonlijk voordeel trekken uit het resultaat van de maatregelen die zij treffen, en aan minimumnormen inzake kwalificatie voldoen.

De lidstaten dragen er zorg voor dat hun ambtenaren en gekwalificeerde beambten de nodige kwalificaties hebben voor een correcte toepassing van deze richtlijn. Voor deze kwalificaties kunnen volgens de procedure van artikel 18 richtsnoeren worden vastgesteld.

De Commissie stelt in het kader van het Permanent Plantenziektekundig Comité communautaire programma's op, op de toepassing waarvan zij toezicht uitoefent betreffende de aanvullende opleiding van de hierboven bedoelde ambtenaren en gekwalificeerde beambten, teneinde de op nationaal niveau verworven kennis en opgedane ervaring op het niveau van de voornoemde kwalificaties te brengen. Zij draagt bij in de financiering van deze aanvullende opleiding en stelt voor, de hiertoe noodzakelijke kredieten in de communautaire begroting op te nemen.

2. Behoudens uitdrukkelijk andersluidende bepalingen gelden de bepalingen van deze richtlijn voor hout alleen voorzover dit, geheel of gedeeltelijk, zijn natuurlijke ronde oppervlak, met of zonder schors, heeft behouden, dan wel de vorm heeft van plakjes, spanen, kleine stukjes, zaagsel, resten en afval van hout.

Onverminderd de bepalingen betreffende bijlage V, gelden bovengenoemde bepalingen ook voor hout, ongeacht of dit al dan niet aan de in de eerste alinea bedoelde voorwaarden voldoet, in de vorm van stuwmateriaal, tussenschotten, laadborden of verpakkingsmateriaal dat/die wordt/worden gebruikt bij het vervoer van voorwerpen van allerlei aard, voorzover het hout vanuit plantenziektekundig oogpunt een gevaar inhoudt.

Artikel 3

1. De lidstaten schrijven voor dat de in bijlage I, deel A, genoemde schadelijke organismen niet op hun grondgebied mogen worden binnengebracht.

2. De lidstaten schrijven voor dat de in bijlage II, deel A, genoemde planten of plantaardige producten niet op hun grondgebied mogen worden binnengebracht, indien zij zijn aangetast door de schadelijke organismen die daarbij in dat deel van die bijlage worden genoemd.

3. De leden 1 en 2 zijn, onder voorwaarden die overeenkomstig de procedure van artikel 17 kunnen worden vastgesteld, niet van toepassing bij een lichte aantasting van andere dan voor opplant bestemde planten door in bijlage I, deel A, of in bijlage II, deel A, vermelde schadelijke organismen die tevoren zijn vastgesteld in overeenstemming met de autoriteiten die de lidstaten op fytosanitair gebied vertegenwoordigen.

4. De lidstaten schrijven voor dat de leden 1 en 2 met ingang van 1 juni 1993 ook van toepassing zijn op de verspreiding van de betrokken schadelijke organismen via wegen die verband houden met het verkeer van planten, plantaardige producten of andere materialen binnen het grondgebied van een lidstaat.

5. De lidstaten schrijven voor dat vanaf 1 juni 1993:

a) de in bijlage I, deel B, genoemde schadelijke organismen;

b) de in bijlage II, deel B, genoemde planten en plantaardige producten, indien deze door de in die rubriek genoemde relevante schadelijke organismen zijn aangetast,

niet in de desbetreffende beschermde gebieden mogen worden binnengebracht of verspreid.

6. Volgens de procedure van artikel 18 worden:

a) de in de bijlagen I en II genoemde schadelijke organismen als volgt ingedeeld:

- organismen waarvan niet bekend is of zij in enig deel van de Gemeenschap worden aangetroffen en die voor de gehele Gemeenschap relevant zijn; deze worden opgenomen in bijlage I, deel A, rubriek I, respectievelijk in bijlage II, deel A, rubriek II;

- organismen waarvan bekend is dat zij in de gehele Gemeenschap worden aangetroffen maar waarvan de aanwezigheid endemisch noch geconstateerd is en die voor de gehele Gemeenschap relevant zijn; deze worden opgenomen in bijlage I, deel A, rubriek II, respectievelijk in bijlage II, deel A, rubriek II;

- andere organismen; deze worden opgenomen in bijlage I, deel B, respectievelijk in bijlage II, deel B, samen met het beschermde gebied waarvoor zij relevant zijn;

b) schadelijke organismen geschrapt, die in één of meer delen van de Gemeenschap endemisch zijn of geconstateerd, behalve die welke bedoeld zijn onder a), tweede en derde streepje;

c) de titels van de bijlagen I en II en de verschillende delen en rubrieken daarvan aan de punten a) en b) aangepast.

7. Volgens de procedure van artikel 18 kan worden besloten dat de lidstaten voorschrijven dat:

a) het binnenbrengen of verspreiden op hun grondgebied van nader omschreven, al dan niet geïsoleerde organismen die als schadelijk voor planten of plantaardige producten worden beschouwd doch niet in de bijlagen I en II zijn opgenomen, verboden is of daarvoor een speciale vergunning is vereist die onder volgens diezelfde procedure te specificeren voorwaarden wordt verstrekt;

b) het binnenbrengen of verspreiden op hun grondgebied van nader omschreven organismen die in bijlage II zijn opgenomen, maar voorkomen op andere dan de in die bijlage genoemde planten, en die als schadelijk voor planten en plantaardige producten worden beschouwd, verboden is of daarvoor een speciale vergunning is vereist die onder volgens diezelfde procedure te specificeren woorwaarden wordt verstrekt;

c) het binnenbrengen of verspreiden op hun grondgebied van nader omschreven, in de bijlagen I en II opgenomen, geïsoleerde organismen, die als schadelijk voor planten en plantaardige producten worden beschouwd, verboden is of daarvoor een speciale vergunning is vereist die onder volgens diezelfde procedure te specificeren voorwaarden wordt verstrekt.

De eerste alinea is eveneens van toepassing op deze organismen indien zij niet onder Richtlijn 90/220/EEG van de Raad van 23 april 1990 inzake de doelbewuste introductie van genetisch gemodificeerde micro-organismen in het milieu(8) of onder andere, bijzondere Gemeenschapsbepalingen inzake genetisch gemodificeerde organismen vallen.

Overeenkomstig de voorwaarden die volgens de procedure van artikel 18 worden vastgesteld, gelden de leden 1 en 5, onder a), en de leden 2 en 5, onder b), en lid 4 niet voor proefnemingen of wetenschappelijke doeleinden en voor selectiewerkzaamheden.

Nadat de in de eerste alinea bedoelde maatregelen zijn vastgesteld, gelden die punten, overeenkomstig de voorwaarden die volgens de procedure van artikel 18 worden vastgesteld, niet voor proefnemingen of wetenschappelijke doeleinden en voor selectiewerkzaamheden.

Artikel 4

1. De lidstaten schrijven voor dat de in bijlage III, deel A, genoemde planten of plantaardige producten niet op hun grondgebied mogen worden binnengebracht, voorzover deze van oorsprong zijn uit de landen die daarbij in dat deel van die bijlage worden genoemd.

2. De lidstaten schrijven voor dat met ingang van 1 juni 1993 de in bijlage III, deel B, genoemde planten, plantaardige producten of andere materialen niet in de betrokken op hun grondgebied gelegen beschermde gebieden mogen worden binnengebracht.

3. Bijlage III wordt volgens de procedure van artikel 18 zodanig herzien dat in deel A de planten, plantaardige producten en andere materialen worden vermeld die voor alle delen van de Gemeenschap fytosanitaire risico's opleveren en in deel B de planten, plantaardige producten en andere materialen die slechts voor beschermde gebieden fytosanitaire risico's opleveren. De beschermde gebieden worden in die bijlage gespecificeerd.

4. Met ingang van 1 juni 1993 is lid 1 niet meer op planten, plantaardige producten en andere materialen van oorsprong uit de Gemeenschap van toepassing.

5. Overeenkomstig de voorwaarden die volgens de procedure van artikel 18 worden vastgesteld, gelden de leden 1 en 2 niet voor proefnemingen of wetenschappelijke doeleinden en voor selectiewerkzaamheden.

6. Voorzover geen gevaar voor verspreiding van schadelijke organismen bestaat, kan een lidstaat bepalen dat de leden 1 en 2 in bepaalde afzonderlijke gevallen niet van toepassing zijn op planten, plantaardige producten en andere materialen, die in zijn onmiddellijke grensgebied met een derde land worden geteeld, geproduceerd of gebruikt en in deze lidstaat worden binnengebracht om daarmee op nabijgelegen plaatsen in de grensstreek van zijn grondgebied te worden bewerkt.

Wanneer de lidstaat zo'n ontheffing verleent, moet hij de plaats en de naam van degene die de bewerking uitvoert, specificeren. Deze gegevens, die regelmatig moeten worden bijgewerkt, dienen ter beschikking van de Commissie te staan.

Planten, plantaardige producten en andere materialen die onder een ontheffing uit hoofde van de eerste alinea vallen, moeten vergezeld gaan van een bewijsstuk waarin de plaats in het betrokken derde land is vermeld vanwaar de bedoelde planten, plantaardige producten en andere materialen afkomstig zijn.

Artikel 5

1. De lidstaten schrijven voor, dat de in bijlage IV, deel A, genoemde planten, plantaardige producten of andere materialen slechts op hun grondgebied mogen worden binnengebracht, indien is voldaan aan de bijzondere eisen die daarbij in dat deel van die bijlage worden vermeld.

2. De lidstaten verbieden met ingang van 1 juni 1993 het in de beschermde gebieden binnenbrengen van de in bijlage IV, deel B, genoemde planten, plantaardige producten of andere materialen en het verkeer ervan binnen die gebieden, tenzij is voldaan aan de bijzondere eisen die in dat deel van de bijlage worden vermeld.

3. Bijlage IV wordt aan de hand van de in artikel 3, lid 6, vastgestelde criteria volgens de procedure van artikel 18 herzien.

4. De lidstaten schrijven voor dat, met ingang van 1 juni 1993, het bepaalde in lid 1 ook van toepassing is op het verkeer van planten, plantaardige producten of andere materialen binnen het grondgebied van een lidstaat, zulks evenwel onverminderd artikel 6, lid 7. Het bepaalde in dit lid en in de leden 1 en 2 geldt niet voor het verkeer van kleine hoeveelheden planten, plantaardige producten, voedingsmiddelen of diervoeders wanneer deze bestemd zijn voor gebruik door de eigenaar of door de ontvanger voor niet-industriële en niet-commerciële doeleinden of voor verbruik tijdens het vervoer, op voorwaarde dat er geen gevaar bestaat voor verspreiding van schadelijke organismen.

5. Overeenkomstig de voorwaarden die volgens de procedure van artikel 18 worden vastgesteld, gelden de leden 1, 2 en 4 niet voor proefnemingen, noch voor wetenschappelijke doeleinden noch voor selectiewerkzaamheden.

6. Voorzover geen gevaar voor verspreiding van schadelijke organismen bestaat, kan een lidstaat bepalen dat de leden 1, 2 en 4 in bepaalde afzonderlijke gevallen niet van toepassing zijn op planten, plantaardige producten en andere materialen, die in zijn onmiddellijke grensgebied met een derde land worden geteeld, geproduceerd of gebruikt en in deze lidstaat worden binnengebracht om daarmee op nabijgelegen plaatsen in de grensstreek van zijn grondgebied te worden bewerkt.

Wanneer de lidstaat zo'n ontheffing verleent, moet hij de plaats en de naam van degene die de bewerking uitvoert, specificeren. Deze gegevens, die regelmatig moeten worden bijgewerkt, dienen ter beschikking van de Commissie te staan.

Planten, plantaardige producten en andere materialen die onder een ontheffing uit hoofde van de eerste alinea vallen, moeten vergezeld gaan van een bewijsstuk waarin de plaats in het betrokken derde land is vermeld vanwaar de bedoelde planten, plantaardige producten en andere materialen afkomstig zijn.

Artikel 6

1. De lidstaten schrijven ten aanzien van het binnenbrengen in een andere lidstaat van de in bijlage V, deel A, genoemde planten, plantaardige producten of andere materialen ten minste voor dat deze, alsmede hun verpakking, officieel grondig worden onderzocht, en wel geheel of aan de hand van een representatief monster, en dat zo nodig ook de gebruikte vervoermiddelen officieel worden onderzocht, teneinde na te gaan:

a) of zij niet zijn aangetast door de in bijlage I, deel A, genoemde schadelijke organismen;

b) ten aanzien van de in bijlage II, deel A, genoemde planten of plantaardige producten, of deze niet zijn aangetast door de schadelijke organismen die daarbij in dat deel van die bijlage worden genoemd;

c) ten aanzien van de in bijlage IV, deel A, genoemde planten, plantaardige producten of andere materialen, of deze beantwoorden aan de bijzondere eisen die daarbij in dat deel van die bijlage worden genoemd.

2. Zodra de maatregelen bedoeld in artikel 3, lid 6, onder a), en in artikel 5, lid 3, zijn vastgesteld, is lid 1 van het onderhavige artikel slechts van toepassing ten aanzien van bijlage I, deel A, rubriek II, bijlage II, deel A, rubriek II, en bijlage IV, deel A, rubriek II. Indien tijdens het overeenkomstig de onderhavige bepaling verrichte onderzoek in bijlage I, deel A, rubriek I, of bijlage II, deel A, rubriek I, opgenomen schadelijke organismen worden ontdekt, wordt geacht dat aan de voorwaarden van artikel 10 niet is voldaan.

3. De lidstaten schrijven de in lid 1 genoemde onderzoeksmaatregelen voor, teneinde te waarborgen dat ook de bepalingen van artikel 3, leden 4, 5 en 7, en artikel 5, lid 2, worden nageleefd, voorzover de lidstaat van bestemming gebruikmaakt van de in genoemde artikelen voorziene mogelijkheden.

4. De lidstaten schrijven voor dat het zaad dat in bijlage IV, deel A, wordt genoemd en dat bestemd is om in een andere lidstaat te worden binnengebracht, officieel moet worden onderzocht, teneinde zekerheid te verkrijgen dat het zaad voldoet aan de bijzondere eisen die daarop betrekking hebben en in dat deel van die bijlage worden vermeld.

5. Met ingang van 1 juni 1993, en onverminderd het bepaalde in lid 7, zijn de leden 1, 3 en 4 eveneens van toepassing op het verkeer in planten, plantaardige producten of andere materialen binnen het grondgebied van een lidstaat. Met betrekking tot de in bijlage I, deel B, of in bijlage II, deel B, genoemde schadelijke organismen en de in bijlage IV, deel B, genoemde bijzondere eisen zijn de leden 1, 3 en 4 niet van toepassing op het verkeer van planten, plantaardige producten of andere materialen dat plaatsvindt via een beschermd gebied of daarbuiten.

Het officiële onderzoek als bedoeld in de leden 1, 3 en 4, wordt overeenkomstig de volgende bepalingen verricht:

a) het moet betrekking hebben op alle relevante planten of plantaardige producten die de producent teelt, produceert of gebruikt of die anderszins op zijn bedrijf aanwezig zijn, alsmede op het gebruikte groeimedium;

b) het moet worden verricht op het bedrijf, bij voorkeur op de plaats van productie;

c) het moet regelmatig, en ten minste eenmaal per jaar, op daartoe geschikte tijdstippen worden verricht, en ten minste door middel van visuele waarneming, onverminderd de in bijlage IV genoemde bijzondere eisen; de verdere werkzaamheden kunnen plaatsvinden wanneer zulks overeenkomstig lid 8 is voorgeschreven.

Iedere producent bij wie op grond van de leden 1 tot en met 4 het in de tweede alinea bedoelde officiële onderzoek moet worden verricht, wordt in een officieel register opgenomen onder een registratienummer dat zijn identificatie mogelijk maakt. De Commissie heeft desgevraagd toegang tot de aldus opgestelde officiële registers.

De producent is onderworpen aan bepaalde overeenkomstig lid 8 vastgestelde verplichtingen. In het bijzonder stelt hij de verantwoordelijke officiële instantie van de betrokken lidstaat onverwijld in kennis van het op atypische wijze voorkomen van schadelijke organismen of symptomen of van andere abnormale feiten in verband met planten.

De leden 1, 3 en 4 gelden niet voor het verkeer van kleine hoeveelheden planten, plantaardige producten, voedingsmiddelen of diervoeders wanneer deze bestemd zijn voor gebruik door de eigenaar of door de ontvanger voor niet-industriële en niet-commerciële doeleinden of voor verbruik tijdens het vervoer, op voorwaarde dat er geen gevaar bestaat voor verspreiding van schadelijke organismen.

6. Met ingang van 1 juni 1993 schrijven de lidstaten voor dat de producenten van bepaalde, niet in bijlage V, deel A, vermelde planten, plantaardige producten of andere materialen, gespecificeerd overeenkomstig lid 8, of de in het productiegebied gelegen gemeenschappelijke opslagplaatsen of verzendingscentra eveneens in een officieel register op plaatselijk, regionaal of nationaal niveau worden ingeschreven overeenkomstig lid 5, derde alinea. Het in lid 5, tweede alinea, bedoelde onderzoek kan te allen tijde bij hen worden uitgevoerd.

Overeenkomstig lid 8 kan voor bepaalde planten, plantaardige producten en andere materialen, met inachtneming van de aard van de voorwaarden betreffende productie en afzet, een systeem worden ingesteld waarmee, zo mogelijk, tot hun oorsprong kan worden teruggegaan.

7. De lidstaten kunnen, indien geen verspreiding van schadelijke organismen te vrezen is, voorschrijven:

- dat de in de leden 5 en 6 bedoelde inschrijving niet geldt voor de kleine producenten of verwerkende bedrijven wier totale productie en verkoop van de relevante planten, plantaardige producten en andere materialen uitsluitend bestemd is voor eindverbruik voor personen op de plaatselijke markt die niet uit hoofde van hun beroep bij de productie van planten zijn betrokken (plaatselijk verkeer), of

- dat het in de leden 5 en 6 voorgeschreven officiële onderzoek niet geldt voor het plaatselijke verkeer van planten, plantaardige producten en andere materialen, geproduceerd door aldus vrijgestelde personen.

De bepalingen van deze richtlijn betreffende plaatselijk verkeer worden vóór 1 januari 1998 door de Raad opnieuw bezien op voorstel van de Commissie in het licht van de opgedane ervaring.

8. Volgens de procedure van artikel 18 worden uitvoeringsbepalingen vastgesteld met betrekking tot:

- minder strenge voorwaarden betreffende het verkeer van planten, plantaardige producten en van andere materialen binnen een beschermd gebied, dat voor genoemde planten, plantaardige producten en andere materialen ten aanzien van één of meer schadelijke organismen is vastgesteld,

- garanties voor het verkeer van planten, plantaardige producten en andere materialen via een beschermd gebied, dat voor genoemde planten, plantaardige producten of andere materialen ten aanzien van één of meer schadelijke organismen is vastgesteld,

- de frequentie en het tijdschema van het officiële onderzoek met inbegrip van de verdere werkzaamheden, bedoeld in lid 5, tweede alinea, onder c),

- de verplichtingen waaraan de ingeschreven producenten zijn onderworpen, bedoeld in lid 5, vierde alinea,

- de specificatie van de producten als bedoeld in lid 6, alsmede de producten waarvoor het in lid 6 bedoelde systeem wordt overwogen,

- andere vereisten met betrekking tot de in lid 7 bedoelde vrijstellingen, in het bijzonder wat betreft de begrippen "kleine producenten" en "plaatselijke markt" en de desbetreffende procedures.

9. Volgens de procedure van artikel 18 kunnen uitvoeringsbepalingen worden vastgesteld met betrekking tot de inschrijvingsprocedure en het inschrijvingsnummer, bedoeld in lid 5, derde alinea.

Artikel 7

1. Wanneer op grond van het in artikel 6, leden 1 en 3, voorgeschreven onderzoek kan worden aangenomen dat aan de in dat artikel genoemde voorwaarden is voldaan, kan een fytosanitair certificaat van het in bijlage VII, deel A, opgenomen model worden afgegeven, dat is opgesteld in ten minste één van de officiële talen van de Gemeenschap en dat, behalve voor wat de stempel en de ondertekening betreft, volledig in hoofdletters of volledig in machineschrift is ingevuld, bij voorkeur in één van de officiële talen van de lidstaat van bestemming.

De botanische benaming van de planten wordt in Latijnse letters aangegeven. Niet gecertificeerde wijziging of uitwisseling heeft nietigheid van het certificaat tot gevolg. Eventuele afschriften van dit certificaat worden alleen afgegeven met de gedrukte of gestempelde vermelding "kopie" of "duplicaat".

2. De lidstaten schrijven voor dat de in bijlage V, deel A, genoemde planten, plantaardige producten en andere materialen slechts op het grondgebied van een andere lidstaat mogen worden binnengebracht, indien zij vergezeld gaan van een overeenkomstig lid 1 afgegeven fytosanitair certificaat. Het fytosanitaire certificaat mag niet meer dan 14 dagen vóór de datum waarop de planten, plantaardige producten en andere materialen de lidstaat van verzending verlaten, worden opgesteld.

3. De door de lidstaten uit hoofde van artikel 6, lid 3, voorzover het zaad betreft als bedoeld in bijlage IV, deel B, en van artikel 6, lid 4, te treffen maatregelen worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 17, uiterlijk op 31 december 1991.

Artikel 8

1. Voorzover geen sprake is van een der in lid 2 genoemde gevallen schrijven de lidstaten voor dat de in bijlage V, deel A, genoemde planten, plantaardige producten en andere materialen, die uit een lidstaat op hun grondgebied zijn binnengebracht en zijn bestemd om in een andere lidstaat te worden binnengebracht, van een nieuw onderzoek overeenkomstig artikel 6 zijn vrijgesteld indien zij vergezeld gaan van een fytosanitair certificaat van een lidstaat, dat volgens het in bijlage VII, deel A, opgenomen model is opgesteld.

2. Wanneer planten, plantaardige producten of andere materialen uit één van de lidstaten in een tweede lidstaat zijn opgesplitst of opgeslagen of anders zijn verpakt en vervolgens in een derde lidstaat worden binnengebracht, is de tweede lidstaat vrijgesteld van een nieuw onderzoek overeenkomstig artikel 6 indien officieel is vastgesteld dat deze producten op zijn grondgebied niet hebben blootgestaan aan risico's waardoor deze niet meer zouden voldoen aan de in artikel 6 genoemde voorwaarden. In dat geval wordt een fytosanitair certificaat voor herverzending, in één enkel origineel exemplaar, van het in bijlage VII, deel B, opgenomen model afgegeven dat is opgesteld in ten minste één van de officiële talen van de Gemeenschap en dat, behalve wat de stempel en de ondertekening betreft, volledig in hoofdletters of volledig in machineschrift is ingevuld, bij voorkeur in één van de officiële talen van de lidstaat van bestemming. Dit certificaat moet worden gehecht aan het door de eerste lidstaat afgegeven fytosanitaire certificaat of aan een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift daarvan. Dit certificaat mag "fytosanitair certificaat voor wederuitvoer" worden genoemd. Artikel 7, lid 1, tweede alinea, is van overeenkomstige toepassing.

Het fytosanitaire certificaat voor herverzending mag niet meer dan 14 dagen vóór de datum waarop de planten, plantaardige producten of andere materialen het land van herverzending verlaten, worden opgesteld.

3. De leden 1 en 2 zijn eveneens van toepassing wanneer planten, plantaardige producten of andere materialen achtereenvolgens in verschillende lidstaten worden binnengebracht. Indien bij deze gelegenheid meer dan één fytosanitair certificaat voor herverzending is afgegeven, dienen de producten vergezeld te gaan van de volgende documenten:

a) het laatste fytosanitaire certificaat of het voor eensluidend gewaarmerkt afschrift daarvan;

b) het laatste fytosanitaire certificaat voor herverzending;

c) de fytosanitaire certificaten voor herverzending die werden afgegeven vóór het onder b) bedoelde certificaat, of de voor eensluidend gewaarmerkte afschriften daarvan.

Artikel 9

1. In het geval van planten, plantaardige producten of andere materialen waarop de bijzondere eisen van bijlage IV, deel A, van toepassing zijn, moet het uit hoofde van artikel 7 vereiste officiële fytosanitaire certificaat in het land van oorsprong van de planten, plantaardige producten en andere materialen zijn afgegeven. Deze bepaling is niet van toepassing:

- wat hout betreft, indien het krachtens de bijzondere eisen van bijlage IV, deel A, voldoende is dat het hout van de bast is ontdaan;

- in de overige gevallen, voorzover ook op andere plaatsen dan de plaats van oorsprong kan worden voldaan aan de bijzondere eisen van bijlage IV, deel A.

2. Lid 1 is eveneens van toepassing bij het binnenbrengen van de in bijlage IV, deel B, genoemde planten of plantaardige producten in de lidstaten die daarbij in dat deel van die bijlage worden genoemd.

Artikel 10

1. Wanneer op grond van het in artikel 6, leden 1, 3 en 4, voorgeschreven en overeenkomstig artikel 6, lid 5, verrichte onderzoek is aangetoond dat aan de in die bepalingen genoemde eisen is voldaan, wordt, met ingang van 1 juni 1993, in plaats van het in de artikelen 7 en 8 bedoelde fytosanitaire certificaat, een plantenpaspoort afgegeven, overeenkomstig de bepalingen die uit hoofde van lid 4 van het onderhavige artikel kunnen worden vastgesteld.

Wanneer het onderzoek geen betrekking heeft op eisen die voor de beschermde gebieden relevant zijn of wanneer wordt aangenomen dat aan die eisen niet is voldaan, is het afgegeven plantenpaspoort niet geldig voor genoemde gebieden en moet dat paspoort het op grond van artikel 2, lid 1, onder f), voor dergelijke gevallen vastgestelde merkteken hebben.

2. Met ingang van 1 juni 1993 mogen de in bijlage V, deel A, rubriek I, genoemde planten, plantaardige producten of andere materialen in de Gemeenschap slechts in het verkeer zijn, het plaatselijke verkeer in de zin van artikel 6, lid 7, uitgezonderd, indien op de planten, de plantaardige producten en de andere materialen, dan wel op de verpakkingen waarin en de vervoermiddelen waarmee zij worden vervoerd, een plantenpaspoort is aangebracht dat voor het betrokken grondgebied geldig is en dat overeenkomstig lid 1 is afgegeven.

Met ingang van 1 juni 1993 mogen de in bijlage V, deel A, rubriek II, genoemde planten, plantaardige producten en andere materialen slechts in een welbepaald beschermd gebied worden binnengebracht of daar in het verkeer zijn, indien op de planten, plantaardige producten en andere materialen, dan wel op de verpakkingen waarin of de vervoermiddelen waarmee zij worden vervoerd, een plantenpaspoort is aangebracht dat voor dat gebied geldig is en dat overeenkomstig lid 1 is afgegeven. Indien aan de in artikel 6, lid 8, bedoelde voorwaarden voor het vervoer via de beschermde gebieden is voldaan, is de bepaling van de onderhavige alinea niet van toepassing.

De eerste en de tweede alinea gelden niet voor het verkeer van kleine hoeveelheden planten, plantaardige producten, voedingsmiddelen of diervoeders wanneer deze bestemd zijn voor gebruik door de eigenaar of door de ontvanger voor niet-industriële en niet-commerciële doeleinden of voor verbruik tijdens het vervoer, op voorwaarde dat er geen gevaar bestaat voor verspreiding van schadelijke organismen.

3. Een plantenpaspoort kan naderhand en overal in de Gemeenschap door een ander plantenpaspoort worden vervangen overeenkomstig de volgende bepalingen:

- een plantenpaspoort mag alleen worden vervangen wanneer hetzij een partij wordt opgesplitst, hetzij verscheidene partijen of delen daarvan worden samengevoegd, hetzij wanneer, onverminderd de bijzondere voorwaarden in bijlage IV, de fytosanitaire status van partijen wordt gewijzigd, hetzij in andere, volgens lid 4 gespecificeerde gevallen;

- de vervanging kan alleen geschieden op verzoek van een al dan niet producent zijnde natuurlijke persoon of rechtspersoon, die conform de van overeenkomstige toepassing zijnde bepalingen van artikel 6, lid 5, derde alinea, in een officieel register is ingeschreven;

- het vervangende plantenpaspoort mag slechts worden opgesteld door de verantwoordelijke officiële instantie van het gebied waarin het bedrijf dat de aanvraag heeft ingediend, zich bevindt en uitsluitend indien de identiteit van het betrokken product kan worden gegarandeerd en kan worden gewaarborgd dat er zich sedert de verzending door de producent geen risico van infectie door in de bijlagen I en II opgenomen schadelijke organismen heeft voorgedaan;

- de vervangingsprocedure moet in overeenstemming zijn met de volgens lid 4 vast te stellen bepalingen;

- het vervangende plantenpaspoort moet een volgens lid 4 gespecificeerd speciaal merkteken bevatten, waarop het nummer is vermeld van de oorspronkelijke producent of, in geval van wijziging van de fytosanitaire status, van de handelaar die verantwoordelijk is voor die wijziging.

4. Volgens de procedure van artikel 18 kunnen uitvoeringsbepalingen worden vastgesteld met betrekking tot:

- de nadere regels voor de procedure voor de afgifte van plantenpaspoorten, overeenkomstig lid 1;

- de voorwaarden waaronder een plantenpaspoort mag worden vervangen, overeenkomstig lid 3, eerste streepje;

- de nadere regels voor de in lid 3, derde streepje, bedoelde procedure met betrekking tot het vervangende plantenpaspoort;

- het voor het vervangende plantenpaspoort vereiste speciale merkteken, als bedoeld in lid 3, vijfde streepje.

Artikel 11

1. Wanneer het op grond van het in artikel 6, leden 1, 3 en 4, voorgeschreven en overeenkomstig artikel 6, lid 5, verrichte onderzoek niet de conclusie toelaat dat aan de aldaar genoemde eisen is voldaan, mag onverminderd het bepaalde in lid 2 van het onderhavige artikel geen plantenpaspoort worden afgegeven.

2. Wanneer in voorkomende gevallen uit de uitslag van het betrokken onderzoek blijkt dat een deel van de planten of plantaardige producten die door de producent worden geteeld, geproduceerd of gebruikt, of die anderszins op zijn bedrijf aanwezig zijn dan wel een deel van het op dat bedrijf gebruikte groeimedium, geen enkel gevaar voor verspreiding van schadelijke organismen kunnen opleveren, is voor dat deel lid 1 niet van toepassing.

3. In de gevallen waarin lid 1 van toepassing is, worden voor de betrokken planten, plantaardige producten of groeimedia naar gelang van het geval één of meer van de volgende officiële maatregelen getroffen:

- passende behandeling, gevolgd door afgifte van het passende plantenpaspoort overeenkomstig artikel 10, indien aangenomen wordt dat ingevolge de behandeling aan de voorwaarden is voldaan;

- toelating voor verkeer, onder officieel toezicht, naar gebieden, waar zij geen bijkomend risico opleveren;

- toelating voor verkeer, onder officieel toezicht, naar plaatsen van industriële verwerking;

- vernietiging.

Volgens de procedure van artikel 18 kunnen uitvoeringsbepalingen worden vastgesteld met betrekking tot:

- de voorwaarden waaronder één of meer van de in de eerste alinea bedoelde maatregelen al dan niet in aanmerking moeten worden genomen;

- de nadere regels en voorwaarden met betrekking tot deze maatregelen.

4. In de gevallen waarin lid 1 van toepassing is, worden de activiteiten van de producent geheel of gedeeltelijk geschorst tot blijkt dat er voor de verspreiding van schadelijke organismen geen risico meer bestaat. Zolang deze schorsing duurt, is artikel 10 niet van toepassing.

5. Wanneer op grond van een overeenkomstig artikel 6 verricht officieel onderzoek geoordeeld wordt dat de in artikel 6, lid 6, bedoelde producten niet vrij zijn van in de bijlagen I en II opgenomen schadelijke organismen, zijn de leden 2, 3 en 4 van het onderhavige artikel van overeenkomstige toepassing.

Artikel 12

1. De lidstaten mogen geen enkele aanvullende verklaring op de in de artikelen 7, 8 of 9 bedoelde fytosanitaire certificaten eisen.

2. Wanneer wordt vastgesteld dat een deel van een partij planten, plantaardige producten of andere materialen is aangetast door in de bijlagen I en II genoemde schadelijke organismen, is het op het grondgebied binnenbrengen van het andere gedeelte niet verboden, indien er geen enkel vermoeden bestaat dat dit gedeelte is aangetast en indien verbreiding van de schadelijke organismen uitgesloten lijkt.

3. De lidstaten schrijven voor dat op fytosanitaire certificaten of fytosanitaire certificaten voor herverzending die bij het op hun grondgebied binnenbrengen van planten, plantaardige producten of andere materialen worden overgelegd, een stempel van binnenkomst van de bevoegde dienst wordt aangebracht, dat ten minste de naam van die dienst alsmede de datum van binnenkomst vermeldt.

4. De lidstaten zien erop toe dat hun plantenziektekundige dienst die van de lidstaat van nieuwe verzending op de hoogte stelt van alle gevallen waarin planten, plantaardige producten of andere materialen uit die lidstaat in beslag zijn genomen op grond van fytosanitaire verboden of beperkingen. Deze mededelingen laten de maatregelen onverlet die de eerstgenoemde plantenziektekundige dienst noodzakelijk acht ten aanzien van de in beslag genomen zending, en geschieden zo spoedig mogelijk, zodat de betrokken plantenziektekundige diensten de situatie kunnen onderzoeken, met name om de nodige maatregelen te nemen om te vermijden dat dergelijke gevallen zich opnieuw voordoen en om, waar zulks passend en mogelijk is, ten aanzien van de in beslag genomen zending maatregelen te nemen die aangepast zijn aan het risiconiveau van het betrokken geval. Volgens de procedure van artikel 17 kan hiertoe een gestandaardiseerd informatiesysteem worden ingesteld.

5. Met ingang van 1 januari 1993 verrichten de lidstaten overeenkomstig de volgende bepalingen aselectief en zonder onderscheid ten aanzien van de oorsprong van de planten, de plantaardige producten en andere materialen, officiële controles om na te gaan of aan deze richtlijn en met name aan artikel 10, lid 2, is voldaan:

- incidentele controles, overal waar en telkens wanneer planten, plantaardige producten of andere materialen in het verkeer zijn;

- incidentele controles, op bedrijven waar planten, plantaardige producten en andere materialen worden geteeld, geproduceerd, opgeslagen of te koop aangeboden, alsmede op bedrijven van kopers;

- incidentele controles, tegelijkertijd met controles van documenten die om andere dan fytosanitaire redenen worden uitgevoerd.

De controles dienen regelmatig te worden uitgevoerd in de overeenkomstig artikel 10, lid 3, en artikel 13, lid 8, in een officieel register opgenomen bedrijven; zij kunnen regelmatig worden uitgevoerd in de overeenkomstig artikel 6, lid 6, in een officieel register opgenomen bedrijven.

Indien feiten aan het licht zijn gekomen die doen vermoeden dat niet aan één of meer bepalingen van deze richtlijn is voldaan, mogen gerichte controles worden uitgevoerd.

6. Commerciële kopers van planten, plantaardige producten of andere materialen moeten, wanneer zij eindgebruikers zijn die uit hoofde van hun beroep bij de productie van planten zijn betrokken, de desbetreffende plantenpaspoorten ten minste één jaar bewaren en de betreffende gegevens in hun administratie vermelden.

Inspecteurs hebben in alle productie- en afzetstadia toegang tot de planten, de plantaardige producten en andere materialen. Zij hebben het recht om alle onderzoek te verrichten dat voor de betrokken officiële controles nodig is, met inbegrip van die welke met de plantenpaspoorten en met de administratie verband houden.

7. De in artikel 21 bedoelde deskundigen kunnen de lidstaten bijstaan bij de officiële controles.

8. Wanneer op grond van de overeenkomstig de leden 5 en 6 uitgevoerde officiële controles is vastgesteld dat planten, plantaardige producten en andere materialen risico's meebrengen voor de verspreiding van schadelijke organismen, worden officiële maatregelen overeenkomstig artikel 11, lid 3, getroffen.

Artikel 13

1. De lidstaten schrijven ten aanzien van het op hun grondgebied binnenbrengen van ten minste de in bijlage V, deel B, genoemde planten, plantaardige producten of andere materialen, van herkomst uit derde landen, ten minste voor:

a) dat deze planten, plantaardige producten of andere materialen, alsmede hun verpakking, officieel grondig worden onderzocht en wel geheel of aan de hand van een representatief monster en dat zo nodig ook de vervoermiddelen officieel grondig worden onderzocht, teneinde, voorzover dit kan worden geconstateerd, na te gaan:

- of zij niet zijn aangetast door de in bijlage I, deel A, genoemde schadelijke organismen;

- ten aanzien van de in bijlage II, deel A, genoemde planten of plantaardige producten, of deze niet zijn aangetast door de schadelijke organismen die daarbij in dat deel van die bijlage worden genoemd;

- ten aanzien van de in bijlage IV, deel A, genoemde planten, plantaardige producten of andere materialen, of deze beantwoorden aan de bijzondere eisen die daarbij in dat deel van die bijlage worden genoemd;

b) dat deze vergezeld dienen te gaan van de in artikel 7 of 8 voorgeschreven certificaten, en dat het fytosanitaire certificaat niet meer dan 14 dagen vóór de datum waarop de planten, plantaardige producten of andere materialen het land van verzending hebben verlaten, mag zijn opgesteld. De in artikel 7 of 8 voorgeschreven certificaten moeten gegevens bevatten overeenkomstig het model dat is opgenomen in de bijlage bij het Internationaal Verdrag voor de bescherming van planten van 6 december 1951, zoals gewijzigd op 21 november 1979, ongeacht de lay-out daarvan, en worden afgegeven door diensten die daartoe bevoegd zijn in het kader van genoemd verdrag of - voor landen die geen partij bij dit verdrag zijn - op grond van de wettelijke bepalingen of voorschriften van het land. Er kunnen volgens de procedure van artikel 17 lijsten worden opgesteld van de diensten die in de verschillende derde landen bevoegd zijn om de certificaten af te geven.

In afwijking van de eerste alinea mogen de fytosanitaire certificaten van het model dat is opgenomen in de bijlage bij het Internationaal Verdrag voor de bescherming van planten van 6 december 1951, in zijn oorspronkelijke versie, gedurende een overgangsperiode worden gebruikt. De datum waarop die periode afloopt, kan worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 17.

2. Lid 1 van het onderhavige artikel is van toepassing op de gevallen bedoeld in artikel 6, lid 4, en in artikel 7, lid 3.

3. Lidstaten kunnen eveneens voorschrijven dat de zendingen uit derde landen die volgens de aangifte geen planten, plantaardige producten of andere materialen als bedoeld in bijlage V, deel B, bevatten, officieel worden gecontroleerd wanneer er ernstige redenen zijn om aan te nemen dat op de voorschriften op dit gebied inbreuk is gepleegd.

Volgens de procedure van artikel 17:

- kan worden aangegeven in welke gevallen die controles dienen te worden uitgevoerd;

- kunnen de methoden voor dergelijke controles worden vastgesteld.

Mocht na de controle twijfel blijven bestaan ten aanzien van de identiteit van de zending, en met name ten aanzien van geslacht, soort of oorsprong, dan wordt de zending geacht planten, plantaardige producten of andere materialen als bedoeld in bijlage V, deel B, te bevatten.

4. Op voorwaarde dat er geen gevaar bestaat voor verspreiding van schadelijke organismen, zijn:

- de leden 1 en 2 van het onderhavige artikel niet van toepassing wanneer planten, plantaardige producten of andere materialen rechtstreeks worden overgebracht naar een andere plaats in de Gemeenschap via het grondgebied van een derde land;

- de leden 1 en 2 van het onderhavige artikel en artikel 4, lid 1, niet van toepassing bij doorvoer over het grondgebied van de Gemeenschap;

- de leden 1 en 2 van het onderhavige artikel niet van toepassing op het verkeer van kleine hoeveelheden planten, plantaardige producten, voedingsmiddelen of diervoeders wanneer deze bestemd zijn voor gebruik door de eigenaar of door de ontvanger voor niet-industriële en niet-commerciële doeleinden of voor verbruik tijdens het vervoer.

5. Overeenkomstig de voorwaarden die volgens de procedure van artikel 18 worden vastgesteld, gelden de leden 1 en 2 van het onderhavige artikel niet voor proefnemingen noch voor wetenschappelijke doeleinden noch voor selectiewerkzaamheden.

6. Voorzover geen gevaar voor verspreiding van schadelijke organismen bestaat, kan een lidstaat bepalen dat de leden 1 en 2 in bepaalde afzonderlijke gevallen niet van toepassing zijn op planten, plantaardige producten en andere materialen, die in zijn onmiddellijke grensgebied met een derde land worden geteeld, geproduceerd of gebruikt en in deze lidstaat worden binnengebracht om daarmee op nabijgelegen plaatsen in de grensstreek van zijn grondgebied te werken.

Wanneer de lidstaat zo'n ontheffing verleent, moet hij de plaats en de naam van degene die aldus werkt specificeren. Deze gegevens, die regelmatig moeten worden bijgewerkt, dienen ter beschikking van de Commissie te staan.

Planten, plantaardige producten en andere materialen die onder een ontheffing uit hoofde van de eerste alinea vallen, moeten vergezeld gaan van een bewijsstuk waarin de plaats in het betrokken derde land is vermeld vanwaar de bedoelde planten, plantaardige producten en andere materialen afkomstig zijn.

7. In volgens de procedure van artikel 18 goed te keuren technische regelingen tussen de Commissie en de bevoegde instanties van sommige derden landen kan worden bepaald dat de in lid 1, onder a), van het onderhavige artikel bedoelde inspectiewerkzaamheden op gezag van de Commissie, en overeenkomstig de terzake dienende bepalingen van artikel 21, ook kunnen worden uitgevoerd in het betrokken derde land in samenwerking met de officiële instantie voor gewasbescherming van dat land.

8. Met betrekking tot zendingen naar een beschermd gebied is vanaf 1 juni 1993 lid 1, onder a), van toepassing op in deel B van, respectievelijk, bijlagen I, II en IV genoemde schadelijke organismen en bijzondere eisen. Met ingang van dezelfde datum is lid 1, onverminderd de specifieke overeenkomsten die de Gemeenschap in dit verband met bepaalde derde landen heeft gesloten, van toepassing bij het voor het eerst binnenbrengen van de betreffende planten, plantaardige producten en andere materialen in de Gemeenschap.

De lidstaten schrijven voor dat de importeurs, ongeacht of zij al dan niet producent zijn, conform de van overeenkomstige toepassing zijnde bepalingen van artikel 6, lid 5, moeten worden ingeschreven in een officieel register.

Controles van de documenten en van de identiteit, alsmede de controles betreffende het in acht nemen van artikel 4, moeten worden uitgevoerd op het tijdstip dat de betreffende planten, plantaardige producten of andere materialen voor het eerst in de Gemeenschap worden binnengebracht, in samenhang met de overige administratieve formaliteiten in verband met de invoer met inbegrip van de douaneformaliteiten.

Fytosanitaire controles worden uitgevoerd op de plaatsen waar de in de derde alinea genoemde controles worden uitgevoerd, of in de nabijheid ervan. De bevoegde instanties van de lidstaten zenden de lijst van de plaatsen van binnenkomst aan de Commissie en aan de andere lidstaten. In bijzondere gevallen kunnen fytosanitaire controles evenwel worden uitgevoerd op de plaats van bestemming, indien specifieke garanties worden gegeven met betrekking tot het vervoer van planten, plantaardige producten of andere materialen. Uitvoeringsbepalingen, die minimumvoorwaarden kunnen behelzen, worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 18. De fytosanitaire controles worden beschouwd als een verplicht onderdeel van de in de derde alinea bedoelde formaliteiten.

De lidstaten mogen slechts op grond van de bepalingen van de in lid 7 genoemde technische regelingen van de bepalingen van het onderhavige lid afwijken.

9. De Gemeenschap verleent de lidstaten een financiële bijdrage met het oog op de versterking van de controle-infrastructuur, voorzover het gaat om fytosanitaire controles die worden verricht overeenkomstig het bepaalde in lid 8, vierde alinea.

Deze bijdrage dient ter verbetering van de uitrusting van niet op de plaats van bestemming gevestigde controleposten wat betreft apparatuur en installaties die nodig zijn voor controle en onderzoek en eventueel voor de in lid 11 bedoelde maatregelen, boven het niveau dat reeds bereikt is doordat voldaan is aan de minimumvoorwaarden die in de uitvoeringsbepalingen zijn voorgeschreven op grond van lid 8, vierde alinea.

De Commissie stelt de opneming in de algemene begroting van de Europese Unie voor van daartoe benodigde kredieten.

Binnen de grenzen van de voor deze doeleinden beschikbare kredieten, dekt de bijdrage van de Gemeenschap tot 50 % van de uitgaven die rechtstreeks met de verbetering van apparatuur en installaties verband houden.

De details worden volgens de procedure van artikel 18 vastgesteld bij een toepassingsverordening.

Over de toekenning en het bedrag van de financiële bijdrage van de Gemeenschap wordt besloten volgens de procedure van artikel 18 in het licht van de gegevens en documenten die de betrokken lidstaat verstrekt heeft en eventueel van de resultaten van onderzoeken die onder verantwoordelijkheid van de Commissie door de in artikel 21 bedoelde deskundigen zijn uitgevoerd, alsmede rekening houdend met de voor de betrokken doeleinden beschikbare kredieten.

10. Met ingang van 1 juni 1993 is artikel 10, leden 1 en 3, dienovereenkomstig van toepassing op de in lid 1 van dit artikel bedoelde planten, plantaardige producten en andere materialen, voorzover deze in bijlage V, deel A, worden genoemd, wanneer op grond van de in lid 8 voorgeschreven controle blijkt dat aan de in lid 1 bedoelde eisen is voldaan.

11. Met ingang van 1 juni 1993 worden, wanneer de in lid 8 voorgeschreven controles niet de conclusie toelaten dat aan de in lid 1 bedoelde eisen is voldaan, onmiddellijk één of meer van de volgende officiële maatregelen genomen:

- passende behandeling, indien aangenomen wordt dat als gevolg van behandeling aan de voorwaarden is voldaan;

- verwijdering van geïnfecteerde/aangetaste producten uit de zending;

- oplegging van quarantaine tot de resultaten van de officiële onderzoeken of tests beschikbaar zijn;

- weigering of toestemming tot verzending naar een bestemming buiten de Gemeenschap;

- vernietiging.

Artikel 11, lid 3, tweede alinea, is van overeenkomstige toepassing.

In het geval van een verwijdering als genoemd in de eerste alinea, tweede streepje, of een weigering als genoemd in de eerste alinea, vierde streepje, bepalen de lidstaten dat de fytosanitaire certificaten of de fytosanitaire certificaten voor wederuitvoer die worden getoond wanneer de planten, plantaardige producten of andere materialen voor binnenbrenging op hun grondgebied worden voorgelegd, door de onderscheiden bevoegde officiële instanties ongeldig worden verklaard. Bij de ongeldigverklaring krijgt het certificaat, van die instanties, op de voorzijde ervan, duidelijk zichtbaar een driehoekig rood stempel met de vermelding "certificaat ongeldig verklaard", dat ten minste de naam van die instanties en de datum van weigering aangeeft. De vermelding gebeurt in hoofdletters en luidt in ten minste één van de officiële talen van de Gemeenschap.

Artikel 14

Op voorstel van de Commissie stelt de Raad de wijzigingen vast die aangebracht moeten worden in de bijlagen.

Onderstaande beslissingen worden evenwel genomen volgens de procedure van artikel 17:

a) de aanvullingen op bijlage III met betrekking tot bepaalde planten, plantaardige producten of andere materialen van oorsprong uit bepaalde derde landen, op voorwaarde dat:

i) een verzoek om opneming van deze aanvullingen wordt ingediend door een lidstaat die reeds bijzondere verbodsbepalingen toepast inzake het binnenbrengen van die producten van oorsprong uit derde landen,

ii) in het land van oorsprong aanwezige schadelijke organismen in fytosanitair opzicht een gevaar vormen voor de hele Gemeenschap of voor een deel ervan en

iii) de eventuele aanwezigheid ervan op de betrokken producten bij het binnenbrengen ervan niet doeltreffend kan worden ontdekt;

b) de aanvullingen op de andere bijlagen met betrekking tot bepaalde planten, plantaardige producten of andere materialen van oorsprong uit bepaalde derde landen, op voorwaarde dat:

i) een verzoek om opneming van deze aanvullingen wordt ingediend door een lidstaat die reeds bijzondere verbodsbepalingen of beperkingen toepast met betrekking tot het binnenbrengen van die producten van oorsprong uit derde landen en

ii) de in het land van oorsprong aanwezige schadelijke organismen voor de hele Gemeenschap of voor een deel ervan in fytosanitair opzicht een gevaar vormen voor bepaalde teelten waarbij de omvang van de eventuele schade niet kan worden voorspeld;

c) elke wijziging van deel B van de bijlagen, in overeenstemming met de betrokken lidstaat;

d) elke andere wijziging die in het licht van de ontwikkeling van de wetenschappelijke of technische kennis in de bijlagen moet worden aangebracht.

Artikel 15

1. Volgens de procedure van artikel 17 of, in dringende gevallen, de procedure van artikel 19, kunnen de lidstaten op hun verzoek worden gemachtigd om af te wijken:

- van artikel 4, leden 1 en 2, voor wat betreft bijlage III, deel A en deel B, onverminderd het bepaalde in artikel 4, lid 5, alsmede van artikel 5, leden 1 en 2, en van artikel 13, lid 1, onder a), derde streepje, voor wat betreft de andere eisen die genoemd worden in bijlage IV, deel A, rubriek I, en in deel B van die bijlage;

- van artikel 7, lid 2, en artikel 13, lid 1, onder b), in het geval van hout, indien gelijkwaardige waarborgen worden gegeven,

voorzover op grond van één of meer van de volgende factoren:

- de oorsprong van de planten of de plantaardige producten;

- een gepaste behandeling;

- bijzondere voorzorgsmaatregelen voor het gebruik van de planten of de plantaardige producten,

is komen vast te staan dat niet behoeft te worden gevreesd voor de verspreiding van schadelijke organismen.

Het gevaar wordt beoordeeld aan de hand van de beschikbare wetenschappelijke en technische gegevens; indien deze gegevens onvoldoende zijn, worden zij aangevuld door het inwinnen van nadere inlichtingen of, in voorkomend geval, door naspeuringen die op gezag van de Commissie, en overeenkomstig de terzake dienende bepalingen van artikel 21, in het land van oorsprong van de betrokken planten, plantaardige producten of andere materialen worden verricht.

Iedere vergunning geldt individueel in het gehele gebied van de Gemeenschap of in een deel daarvan onder voorwaarden die rekening houden met het risico van verspreiding van schadelijke organismen door het betrokken product in beschermde gebieden, of in bepaalde gebieden, rekening houdend met verschillen in agrarische en ecologische omstandigheden. In dergelijke gevallen zijn de betrokken lidstaten bij hun besluitvorming in verband met het verlenen van de vergunningen uitdrukkelijk van bepaalde verplichtingen ontheven.

Dit risico wordt op basis van de beschikbare wetenschappelijke en technische gegevens vastgesteld; indien deze in onvoldoende mate beschikbaar zijn, moeten zij worden aangevuld door bijkomend onderzoek of, in voorkomend geval, door onderzoek dat in het land van oorsprong van de planten, plantaardige producten of andere materialen door de Commissie wordt uitgevoerd.

2. Voor de afwijkingen bedoeld in lid 1 wordt voor elk afzonderlijk geval een officiële constatering geëist dat aan de voorwaarden voor het toestaan van de afwijking is voldaan.

3. De lidstaten delen de Commissie mede welke afwijkingen zij overeenkomstig lid 1 hebben toegestaan. De Commissie stelt de andere lidstaten jaarlijks van deze mededelingen in kennis.

Volgens de procedure van artikel 17 kunnen de lidstaten van deze mededelingen worden vrijgesteld.

Artikel 16

1. Elke lidstaat stelt de Commissie en de andere lidstaten onverwijld in kennis van de aanwezigheid op zijn grondgebied van in bijlage I, deel A, rubriek I, of in bijlage II, deel A, rubriek I, genoemde schadelijke organismen, alsook van het voorkomen van in bijlage I, deel A, rubriek II, in bijlage I, deel B, in bijlage II, deel A, rubriek II, of in bijlage II, deel B, genoemde schadelijke organismen op een deel van zijn grondgebied waar de aanwezigheid ervan tot dan toe niet bekend was.

De lidstaat neemt alle noodzakelijke maatregelen om de schadelijke organismen uit te roeien of, indien dat niet mogelijk is, in te dijken. Hij stelt de Commissie en de andere lidstaten in kennis van de genomen maatregelen.

2. Elke lidstaat stelt de Commissie en de andere lidstaten onverwijld in kennis van het daadwerkelijke of het vermoede verschijnen van niet in bijlage I of II genoemde schadelijke organismen waarvan de aanwezigheid op zijn grondgebied onbekend was. Hij stelt de Commissie en de overige lidstaten ook in kennis van de beschermende maatregelen die hij heeft genomen of voornemens is te nemen. Deze maatregelen moeten onder meer van dien aard zijn dat het gevaar voor de verspreiding van het betrokken schadelijke organisme op het grondgebied van de andere lidstaten wordt voorkomen.

De betrokken lidstaat neemt ten aanzien van de zendingen planten, plantaardige producten of andere materialen uit derde landen die worden geacht een acuut gevaar op te leveren omdat in lid 1 en in de eerste alinea van het onderhavige lid bedoelde schadelijke organismen daardoor kunnen worden binnengebracht of verspreid, onmiddellijk de nodige maatregelen om het grondgebied van de Gemeenschap tegen dat gevaar te beschermen en hij stelt de Commissie en de overige lidstaten hiervan in kennis.

Indien een lidstaat van mening is dat er een ander acuut gevaar dreigt dan bedoeld in de tweede alinea stelt hij de Commissie en de andere lidstaten onverwijld in kennis van de maatregelen die volgens hem moeten worden genomen. Indien deze maatregelen naar zijn mening niet snel genoeg worden genomen om te voorkomen dat op zijn grondgebied een schadelijk organisme wordt binnengebracht of verspreid, kan hij, zolang de Commissie geen maatregelen krachtens lid 3 heeft vastgesteld, voorlopig de aanvullende maatregelen nemen die hij nodig acht.

De Commissie dient uiterlijk op 31 december 1992 bij de Raad een verslag in over de werking van deze bepaling, in voorkomend geval vergezeld van voorstellen.

3. In de gevallen bedoeld in de leden 1 en 2, onderzoekt de Commissie de situatie zo spoedig mogelijk in het kader van het Permanent Plantenziektekundig Comité. Op gezag van de Commissie, en overeenkomstig de terzake dienende bepalingen van artikel 21, kan ter plaatse onderzoek worden verricht. De noodzakelijke maatregelen met inbegrip van die welke een besluit kunnen inhouden om de door de lidstaten genomen maatregelen te herroepen of te wijzigen, kunnen worden genomen volgens de procedure van artikel 19. De Commissie volgt de ontwikkeling van de situatie en, naar gelang van die ontwikkeling, past zij deze maatregelen volgens dezelfde procedure aan of trekt zij deze in. Zolang volgens genoemde procedure geen besluit is vastgesteld, kan de lidstaat de door hem getroffen maatregelen handhaven.

4. De uitvoeringsbepalingen van de leden 1 en 2 worden, zo nodig, vastgesteld volgens de procedure van artikel 18.

Artikel 17

1. In de gevallen waarin wordt verwezen naar de in dit artikel omschreven procedure, leidt de voorzitter van het Permanent Plantenziektekundig Comité, hierna het "Comité" genoemd, deze procedure onverwijld bij het Comité in, hetzij op eigen initiatief, hetzij op verzoek van een lidstaat.

2. De vertegenwoordiger van de Commissie legt het Comité een ontwerp voor van de te nemen maatregelen. Het Comité brengt advies uit over dit ontwerp binnen een termijn die de voorzitter kan vaststellen naar gelang van de urgentie van de materie. Het Comité spreekt zich uit met de meerderheid van stemmen die in artikel 205, lid 2, van het Verdrag is voorgeschreven voor de aanneming van de besluiten die de Raad op voorstel van de Commissie dient te nemen. Bij stemming in het Comité worden de stemmen van de vertegenwoordigers van de lidstaten gewogen overeenkomstig genoemd artikel. De voorzitter neemt niet aan de stemming deel.

3. De Commissie stelt de maatregelen vast en legt deze onmiddellijk ten uitvoer, wanneer zij in overeenstemming zijn met het advies van het Comité. Wanneer zij hiermede niet in overeenstemming zijn of wanneer het Comité geen advies heeft uitgebracht, legt de Commissie onverwijld een voorstel voor aan de Raad betreffende de te nemen maatregelen. De Raad stelt de maatregelen vast met gekwalificeerde meerderheid van stemmen.

Indien de Raad binnen drie maanden na indiening van het voorstel geen maatregelen heeft vastgesteld, stelt de Commissie de voorgestelde maatregelen vast en legt zij deze onmiddellijk ten uitvoer, behalve wanneer de Raad zich met gewone meerderheid van stemmen heeft uitgesproken tegen genoemde maatregelen.

Artikel 18

1. In de gevallen waarin wordt verwezen naar de in dit artikel omschreven procedure, leidt de voorzitter van het Comité deze procedure onverwijld bij het Comité in, hetzij op eigen initiatief, hetzij op verzoek van een lidstaat.

2. De vertegenwoordiger van de Commissie legt het Comité een ontwerp voor van de te nemen maatregelen. Het Comité brengt advies uit over dit ontwerp binnen een termijn die de voorzitter kan vaststellen naar gelang van de urgentie van de materie. Het Comité spreekt zich uit met de meerderheid van stemmen die in artikel 205, lid 2, van het Verdrag is voorgeschreven voor de aanneming van de besluiten die de Raad op voorstel van de Commissie dient te nemen. Bij stemming in het Comité worden de stemmen van de vertegenwoordigers van de lidstaten gewogen overeenkomstig genoemd artikel. De voorzitter neemt niet aan de stemming deel.

3. De Commissie stelt de maatregelen vast en legt deze onmiddellijk ten uitvoer, wanneer zij in overeenstemming zijn met het advies van het Comité. Wanneer zij hiermede niet in overeenstemming zijn of wanneer het Comité geen advies heeft uitgebracht, legt de Commissie onverwijld een voorstel voor aan de Raad betreffende de te nemen maatregelen. De Raad stelt de maatregelen vast met gekwalificeerde meerderheid van stemmen.

Indien de Raad binnen drie maanden na indiening van het voorstel geen maatregelen heeft vastgesteld, stelt de Commissie de voorgestelde maatregelen vast.

Artikel 19

1. In de gevallen waarin wordt verwezen naar de in dit artikel omschreven procedure, leidt de voorzitter van het Comité deze procedure onverwijld bij het Comité in hetzij op eigen initiatief, hetzij op verzoek van een lidstaat.

2. De vertegenwoordiger van de Commissie legt het Comité een ontwerp voor van de te nemen maatregelen. Het Comité brengt binnen de twee dagen advies uit over dit ontwerp. Het Comité spreekt zich uit met de meerderheid van stemmen die in artikel 205, lid 2, van het Verdrag is voorgeschreven voor de aanneming van de besluiten die de Raad op voorstel van de Commissie dient te nemen. Bij stemming in het Comité worden de stemmen van de vertegenwoordigers van de lidstaten gewogen overeenkomstig genoemd artikel. De voorzitter neemt niet aan de stemming deel.

3. De Commissie stelt de maatregelen vast en legt deze onmiddellijk ten uitvoer, wanneer zij in overeenstemming zijn met het advies van het Comité. Wanneer zij hiermede niet in overeenstemming zijn of wanneer het Comité geen advies heeft uitgebracht, legt de Commissie onverwijld een voorstel voor aan de Raad betreffende de te nemen maatregelen. De Raad stelt de maatregelen vast met gekwalificeerde meerderheid van stemmen.

Indien de Raad binnen vijftien dagen na indiening van het voorstel geen maatregelen heeft vastgesteld, stelt de Commissie de voorgestelde maatregelen vast en legt zij deze onmiddellijk ten uitvoer, behalve wanneer de Raad zich met gewone meerderheid van stemmen heeft uitgesproken tegen genoemde maatregelen.

Artikel 20

1. Deze richtlijn doet geen afbreuk aan de communautaire bepalingen inzake de fytosanitaire eisen voor planten en plantaardige producten, tenzij deze richtlijn uitdrukkelijk voorziet in strengere eisen of deze toelaat.

2. Wijzigingen in deze richtlijn die nodig zijn voor de samenhang met de communautaire bepalingen bedoeld in lid 1, worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 18.

3. De lidstaten kunnen, bij het op hun grondgebied binnenbrengen van planten of plantaardige producten, inzonderheid die welke worden genoemd in bijlage VI, alsmede van hun verpakking of vervoermiddelen, bijzondere fytosanitaire maatregelen treffen tegen schadelijke organismen, die, in het algemeen, opgeslagen planten of plantaardige producten aantasten.

Artikel 21

1. Met het oog op een juiste en eenvormige toepassing van deze richtlijn en onverminderd de op gezag van de lidstaten verrichte controles, kan de Commissie in het kader van de in lid 3 opgesomde taken en overeenkomstig de bepalingen van dit artikel op haar gezag, al of niet ter plaatse, door deskundigen controles doen uitvoeren.

Wanneer deze controles in een lidstaat worden uitgevoerd, moet dit geschieden in samenwerking met de officiële instantie voor gewasbescherming van die lidstaat, op de wijze die nader is aangegeven in de leden 4 en 5 en overeenkomstig de bepalingen van lid 7.

2. De in lid 1 bedoelde deskundigen kunnen:

- in dienst van de Commissie zijn;

- in dienst van een lidstaat zijn en tijdelijk of ad hoc ter beschikking van de Commissie zijn gesteld.

Zij moeten in ten minste één lidstaat de voor de uitvoering en controle van officiële fytosanitaire inspecties vereiste kwalificaties hebben verworven.

3. De in lid 1 bedoelde controles kunnen worden uitgevoerd met betrekking tot de volgende taken:

- het toezien op het onderzoek bedoeld in artikel 6;

- het toezien op of, in het kader van het bepaalde in lid 5, vijfde alinea, van het onderhavige artikel, het in samenwerking met de lidstaten verrichten van het onderzoek bedoeld in artikel 13, lid 1;

- het verrichten van de in de technische regelingen bedoeld in artikel 13, lid 7, omschreven werkzaamheden;

- het verrichten van de in artikel 15, lid 1, en artikel 16, lid 3, bedoelde onderzoeken en naspeuringen;

- het bijstaan van de Commissie bij de taken bedoeld in lid 6;

- het vervullen van iedere andere taak die door de Raad, op voorstel van de Commissie, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen aan de deskundigen wordt opgedragen.

4. Met het oog op het verrichten van de in lid 3 opgesomde taken kunnen de in lid 1 bedoelde deskundigen:

- kwekerijen, landbouwbedrijven en andere plaatsen bezoeken waar planten, plantaardige producten of andere materialen worden of zijn geteeld, geproduceerd, verwerkt of opgeslagen;

- de plaatsen bezoeken waar onderzoek uit hoofde van artikel 6 of artikel 13 wordt verricht;

- functionarissen van de officiële instanties voor gewasbescherming van de lidstaten raadplegen;

- nationale inspecteurs van de lidstaten vergezellen wanneer dezen werkzaamheden voor de toepassing van deze richtlijn verrichten.

5. In het kader van de samenwerking bedoeld in lid 1, tweede alinea, wordt de officiële instantie voor gewasbescherming van de betrokken lidstaat tijdig in kennis gesteld van de uit te voeren taak, zodat de nodige voorzieningen kunnen worden getroffen.

De lidstaten doen al hetgeen redelijkerwijs mogelijk is om ervoor te zorgen dat de doelstellingen en doeltreffendheid van de inspecties niet in het gedrang komen. De lidstaten dienen ervoor te zorgen dat de deskundigen hun taak ongehinderd kunnen vervullen en doen al hetgeen redelijkerwijs mogelijk is om dezen, op hun verzoek, de benodigde beschikbare voorzieningen te verschaffen, met inbegrip van het materiaal en laboratoriumpersoneel. De Commissie vergoedt de uit dergelijke verzoeken voortvloeiende uitgaven binnen de grenzen van de voor dat doel op de algemene begroting van de Europese Unie uitgetrokken middelen.

De deskundigen dienen, in alle gevallen waarin de nationale wetgeving zulks vereist, naar behoren gemachtigd te zijn door de officiële organisatie voor plantenbescherming van de betrokken lidstaat, en zij dienen zich te houden aan de regels en gebruiken die gelden voor het personeel van deze lidstaat.

Wanneer het gaat om het toezien op het onderzoek bedoeld in artikel 6 of op inspecties bedoeld in artikel 13, lid 1, of op het verrichten van onderzoek bedoeld in artikel 15, lid 1, en in artikel 6, lid 3, mag ter plaatse geen beslissing worden genomen. De deskundigen brengen van hun activiteiten en bevindingen verslag uit aan de Commissie.

Wanneer het om het verrichten van inspecties bedoeld in artikel 13, lid 1, gaat worden deze inspecties geïntegreerd in een bestaand inspectieprogramma en worden de door de betrokken lidstaat vastgestelde procedures in acht genomen; in geval van gezamenlijke inspectie staat de betrokken lidstaat het binnenbrengen van een zending in de Gemeenschap slechts dan toe indien daarover overeenstemming bestaat tussen de instantie voor gewasbescherming van de betrokken lidstaat en de Commissie. Overeenkomstig de procedure van artikel 18 kan deze voorwaarde worden uitgebreid tot andere onherroepelijke eisen die aan zendingen worden gesteld voordat deze de Gemeenschap worden binnengebracht indien die uitbreiding blijkens de ervaring noodzakelijk is. Bij gebreke van overeenstemming tussen de deskundige van de Gemeenschap en de nationale inspecteur, neemt de betrokken lidstaat in afwachting van een definitieve beslissing de nodige conservatoire maatregelen.

In elk geval worden de nationale bepalingen op het gebied van strafrechtelijke procedures en administratieve sancties toegepast volgens de gebruikelijke procedures. Wanneer de deskundigen een vermoeden hebben van enige inbreuk op de bepalingen van de onderhavige richtlijn, dient dit ter kennis te worden gebracht van de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaat.

6. De Commissie:

- richt een netwerk op voor de melding van de nieuwe gevallen waarin schadelijke organismen zijn aangetroffen;

- doet aanbevelingen voor aanwijzingen die de deskundigen en de nationale inspecteurs bij het verrichten van hun werkzaamheden tot richtsnoer zullen dienen.

Om de Commissie bij het vervullen van deze laatste taak bij te staan, stellen de lidstaten haar in kennis van hun huidige werkwijze bij nationale inspecties op fytosanitair gebied.

7. De Commissie stelt volgens de procedure van artikel 18 de uitvoeringsbepalingen van dit artikel vast, met inbegrip van de bepalingen die van toepassing zijn op de samenwerking bedoeld in lid 1, tweede alinea.

8. De Commissie brengt uiterlijk 31 december 1994 aan de Raad verslag uit over de bij de tenuitvoerlegging van dit artikel opgedane ervaring. De Raad neemt, op voorstel van de Commissie, met gekwalificeerde meerderheid de nodige maatregelen om, in voorkomend geval, deze bepalingen in het licht van deze ervaring aan te passen.

Artikel 22

Indien vastgesteld of vermoed wordt dat een schadelijk organisme in de Gemeenschap is binnengebracht of zich daar verspreidt, kunnen de lidstaten overeenkomstig de artikelen 23 en 24 in aanmerking komen voor een financiële bijdrage "fytosanitaire bestrijdingsmaatregelen" van de Gemeenschap voor de dekking van de uitgaven die rechtstreeks voortvloeien uit de noodzakelijke maatregelen die zijn getroffen of die worden overwogen met het oog op de bestrijding van dat schadelijke organisme om het uit te roeien of, als dat niet mogelijk is, de verspreiding ervan tegen te gaan. De Commissie stelt de opneming in de algemene begroting van de Europese Unie voor van daartoe benodigde kredieten.

Artikel 23

1. Aan de betrokken lidstaat kan, op zijn verzoek, de in artikel 22 bedoelde financiële bijdrage van de Gemeenschap worden toegekend, wanneer vastgesteld is dat het al dan niet in de bijlagen I en II genoemde schadelijke organisme in kwestie:

- vermeld is en een kennisgeving welke overeenkomstig artikel 16, lid 1 of lid 2, eerste alinea, gedaan is en

- een acuut gevaar betekent voor de gehele Gemeenschap of een gedeelte daarvan, doordat het voorkomt in een gebied waar, hetzij de aanwezigheid van dit organisme tot op dat moment niet bekend was, hetzij dit organisme uitgeroeid is of wordt en

- via partijen planten, plantaardige producten of andere materialen uit een derde land of uit een ander gebied van de Gemeenschap dit gebied binnengebracht is.

2. Als noodzakelijke maatregelen in de zin van artikel 22 worden beschouwd:

a) destructie, ontsmetting, uitroeiing van ongedierte, sterilisatie, reiniging of elke andere behandeling die door een officiële instantie of op verzoek van een officiële instantie wordt uitgevoerd ten aanzien van:

i) planten, plantaardige producten en andere materialen, waaruit de partij(en) bestaat (bestaan) waarmee het schadelijke organisme in het betrokken gebied is binnengebracht en waarvan vastgesteld is of vermoed wordt dat zij besmet zijn,

ii) planten, plantaardige producten en andere materialen waarvan vastgesteld is of vermoed wordt dat zij door het binnengebrachte schadelijke organisme besmet zijn omdat zij uit planten van de betrokken partij(en) zijn verkregen of zich in de nabijheid van planten, plantaardige producten of andere materialen van die partij(en) of daaruit verkregen planten hebben bevonden,

iii) substraten en bedrijfsterreinen waarvan vastgesteld is of vermoed wordt dat zij door het betrokken schadelijke organisme besmet zijn,

iv) materialen die gebruikt zijn voor de productie, de onmiddellijke of de eindverpakking en de opslag alsmede de lokalen voor opslag of onmiddellijke verpakking, en de vervoermiddelen die in aanraking zijn geweest met de planten, plantaardige producten en andere materialen als hierboven bedoeld;

b) inspecties of tests die door een officiële instantie of op verzoek van een officiële instantie zijn uitgevoerd om na te gaan of en in welke mate er sprake is van besmetting door het binnengebrachte schadelijke organisme;

c) verbod of beperking ten aanzien van het gebruik van substraten, cultuurgrond, of lokalen, planten, plantaardige producten en andere materialen anders dan de materialen van de betrokken partij(en) of de daaruit verkregen materialen, indien dit verbod of deze beperking berust op officiële beslissingen over de fytosanitaire risico's in verband met het binnengebrachte schadelijke organisme.

3. Als uitgaven in rechtstreeks verband met de in lid 2 bedoelde noodzakelijke maatregelen worden beschouwd betalingen uit overheidskredieten:

- ter dekking van de volledige of gedeeltelijke kosten van de in lid 2, onder a) en b), bedoelde maatregelen, met uitzondering van de kosten in verband met de normale werking van de betrokken officiële verantwoordelijke instantie, of

- ter volledige of gedeeltelijke compensatie van de andere financiële verliezen dan de winstderving die rechtstreeks verband houden met één of meer maatregelen als bedoeld in lid 2, onder c).

In afwijking van de bepalingen van de eerste alinea, tweede streepje, kan volgens de procedure van artikel 18 in een toepassingsverordening worden gespecificeerd in welke gevallen een compensatie voor de winstderving beschouwd wordt als uitgave die rechtstreeks verband houdt met de noodzakelijke maatregelen, behoudens inachtneming van de in lid 5 in dit verband gespecificeerde voorwaarden, alsook de tijdslimieten die in die gevallen van toepassing zijn, met een maximum van drie jaar.

4. Onverminderd het bepaalde in artikel 16 dient de betrokken lidstaat, om de financiële bijdrage van de Gemeenschap te kunnen genieten, vóór het eind van het kalenderjaar dat volgt op het jaar waarin het schadelijke organisme werd ontdekt, het verzoek bij de Commissie in en stelt hij de Commissie en de overige lidstaten onmiddellijk in kennis van:

- de referentie van de kennisgeving bedoeld in lid 1, eerste streepje,

- de aard en de verbreiding van het schadelijke organisme bedoeld in artikel 22, alsmede van het tijdstip, de plaats en de wijze waarop het ontdekt is,

- de gegevens van de partijen bedoeld in lid 1, derde streepje, waarmee het schadelijke organisme binnengebracht is,

- de noodzakelijke maatregelen die zijn genomen of worden overwogen waarvoor om een financiële bijdrage van de Gemeenschap wordt verzocht en van het tijdschema van deze maatregelen, alsmede

- de verkregen resultaten en van de werkelijke of geraamde kosten van de verrichte of te verrichten uitgaven en van het gedeelte daarvan dat is of moet worden betaald uit overheidskredieten die de lidstaat voor de uitvoering van die noodzakelijke maatregelen heeft uitgetrokken.

Wanneer het schadelijke organisme vóór 30 januari 1997 is ontdekt, wordt laatstgenoemde datum beschouwd als de datum van ontdekking in de zin van het onderhavige lid en van lid 5, op de voorwaarde dat de werkelijke datum van ontdekking niet vóór 1 januari 1995 ligt. Deze bepaling geldt echter niet met betrekking tot de compensatie van winstderving, bedoeld in lid 3, tweede alinea, behalve in uitzonderlijke gevallen, onder de voorwaarden van de toepassingsverordening als bedoeld in lid 3, bij winstderving die zich daarna voordoet.

5. Onverminderd artikel 24, wordt over de toekenning en het bedrag van de financiële bijdrage van de Gemeenschap besloten volgens de procedure van artikel 18 in het licht van de gegevens en documenten die de betrokken lidstaat volgens het bepaalde in lid 4 verstrekt heeft en eventueel van de resultaten van de onderzoeken die onder verantwoordelijkheid van de Commissie door de in artikel 21 bedoelde deskundigen zijn uitgevoerd uit hoofde van artikel 16, lid 3, eerste alinea, en rekening houdend met de omvang van het in lid 1, tweede streepje, bedoelde gevaar en met de voor deze doeleinden beschikbare kredieten.

Binnen de grenzen van de voor deze doeleinden beschikbare kredieten, dekt de financiële bijdrage van de Gemeenschap tot 50 %, en in geval van compensatie voor winstderving als bedoeld in lid 3, tweede alinea, tot 25 %, van de uitgaven die rechtstreeks met de in lid 2 bedoelde noodzakelijke maatregelen verband houden, voor zover deze binnen twee jaar na de datum van ontdekking van het schadelijke organisme bedoeld in artikel 22 zijn genomen of voor die periode worden overwogen.

Deze periode kan volgens dezelfde procedure worden verlengd indien uit de situatie kan worden afgeleid dat het doel van de maatregelen binnen een redelijke extra termijn bereikt zal worden. De financiële bijdrage van de Gemeenschap zal in de betrokken jaren degressief zijn.

Indien de lidstaat de volgens lid 4, derde streepje, vereiste informatie over de identiteit van de partijen niet kan verstrekken, deelt hij mee waar het schadelijke organisme vermoedelijk vandaan komt en waarom de partijen niet geïdentificeerd konden worden. Over de financiële bijdrage kan volgens dezelfde procedure worden beslist in het licht van de resultaten van de evaluatie van deze inlichtingen.

De wijze van toepassing van het onderhavige lid wordt volgens de procedure van artikel 18 in een toepassingsverordening vastgesteld.

6. Rekening houdend met de ontwikkeling van de situatie in de Gemeenschap, kan volgens de procedure van artikel 18 of 19 worden besloten dat andere acties ten uitvoer zullen worden gelegd of dat voor door de betrokken lidstaat getroffen of overwogen maatregelen bepaalde aanvullende eisen of voorwaarden worden gesteld, indien die noodzakelijk zijn voor de verwezenlijking van de beoogde doelstellingen.

Over de toekenning van de financiële bijdrage van de Gemeenschap in verband met die andere acties, eisen of voorwaarden wordt volgens dezelfde procedure besloten. Binnen de grenzen van de voor deze doeleinden beschikbare kredieten, dekt de financiële bijdrage van de Gemeenschap tot 50 % van de uitgaven die rechtstreeks met die andere acties, eisen of voorwaarden verband houden.

Wanneer die andere acties, eisen of voorwaarden hoofdzakelijk gericht zijn op de bescherming van andere delen van het grondgebied van de Gemeenschap dan dat van de betrokken lidstaat, kan volgens dezelfde procedure besloten worden om met de financiële bijdrage van de Gemeenschap meer dan 50 % van de uitgaven te dekken.

De financiële bijdrage van de Gemeenschap is beperkt in de tijd en is in de betrokken jaren degressief.

7. De toekenning van een financiële bijdrage van de Gemeenschap laat de eventuele rechten van de betrokken lidstaat of van individuele personen onverlet om krachtens hun nationale recht, het Gemeenschapsrecht of het internationale recht uitgaven, verliezen of andere schade te verhalen op derden, met inbegrip van andere lidstaten, in de in artikel 24, lid 3, bedoelde gevallen. Deze rechten gaan van rechtswege op de Gemeenschap over op het moment dat de financiële bijdrage van de Gemeenschap wordt gestort voorzover deze bijdrage de uitgaven, verliezen of andere schade dekt.

8. De financiële bijdrage van de Gemeenschap kan in verscheidene tranches worden gestort.

Indien blijkt dat de toegekende financiële bijdrage van de Gemeenschap niet langer gerechtvaardigd is, geldt het volgende.

Het bedrag van de uit hoofde van de leden 5 en 6 aan de betrokken lidstaat toegekende financiële bijdrage van de Gemeenschap kan worden verminderd of opgeschort indien op grond van de door de lidstaat verstrekte inlichtingen, of van de resultaten van de onder de verantwoordelijkheid van de Commissie door de in artikel 21 bedoelde deskundigen verrichte onderzoeken, of van de resultaten van het passende onderzoek dat de Commissie heeft uitgevoerd volgens soortgelijke procedures als die van artikel 39 van Verordening (EG) nr. 1260/1999 van de Raad van 21 juni 1999 houdende algemene bepalingen betreffende de Structuurfondsen(9)

- de noodzakelijke maatregelen die krachtens lid 5 of lid 6 in aanmerking komen voor de financiële bijdrage ten onrechte geheel of gedeeltelijk onuitgevoerd zijn gebleven of dat de voorwaarden en termijnen die volgens die bepalingen zijn vastgesteld of door de doelstellingen zijn vereist ten onrechte niet zijn nageleefd, of

- dat de maatregelen niet meer nodig zijn, of een situatie als beschreven in artikel 39 van Verordening (EG) nr. 1260/1999 wordt bevestigd.

9. De artikelen 8 en 9 van Verordening (EG) nr. 1258/1999 van de Raad van 17 mei 1999 betreffende de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid(10) zijn mutatis mutandis van toepassing.

10. De door de Gemeenschap uit hoofde van de leden 5 en 6 aan de betrokken lidstaat toegekende financiële bijdrage dient door die lidstaat geheel of gedeeltelijk aan de Gemeenschap te worden terugbetaald, indien uit de in lid 8 vermelde bronnen blijkt dat:

a) de noodzakelijke maatregelen waarvan is uitgegaan krachtens de leden 5 en 6:

i) niet zijn uitgevoerd, of

ii) niet overeenkomstig de volgens die bepalingen vastgestelde of door de doelstellingen vereiste voorwaarden en termijnen zijn uitgevoerd, of

b) de betaalde bedragen werden gebruikt voor andere doeleinden dan die waarvoor de financiële bijdrage was toegekend, of

c) een situatie als beschreven in artikel 39 van Verordening (EG) nr. 1260/1999 wordt ontdekt.

De in lid 7, tweede zin, bedoelde rechten gaan op het moment dat de bijdrage is teruggestort van rechtswege weer op de betrokken lidstaat over, voorzover deze bijdrage de uitgaven dekt.

Over de bedragen die niet worden terugbetaald overeenkomstig de bepalingen van het Financieel Reglement en in overeenstemming met de maatregelen die de Commissie volgens de procedure van artikel 18 bepaalt, zijn moratoire interesten verschuldigd.

Artikel 24

1. Met betrekking tot de oorzaken van het voorkomen van het schadelijke organisme bedoeld in artikel 22, geldt het volgende.

De Commissie gaat na of het voorkomen van het schadelijke organisme in het betrokken gebied het gevolg is van het verkeer in dit gebied van één of meer partijen waarin dit schadelijke organisme voorkomt en stelt vast uit welke lidstaat/lidstaten de partij(en) afkomstig is (zijn).

De lidstaat waarvan de partij(en) waarin het schadelijke organisme voorkomt afkomstig is (zijn), ongeacht of deze dezelfde is als bovenbedoelde, stelt de Commissie op haar verzoek onmiddellijk in kennis van alle gegevens over de oorsprong van de partij(en) en de administratieve afwikkeling van het dossier met inbegrip van de in deze richtlijn voorgeschreven onderzoeken, inspecties en controles, teneinde na te gaan waarom deze lidstaat niet heeft ontdekt dat de partij(en) niet in overeenstemming was (waren) met de bepalingen van de onderhavige richtlijn. Hij stelt de Commissie op haar verzoek ook in kennis van de bestemming van alle andere partijen die tijdens een bepaalde periode afkomstig waren van dezelfde oorsprong.

Om de gegevens aan te vullen kunnen onder de verantwoordelijkheid van de Commissie door de in artikel 21 bedoelde deskundigen onderzoeken worden ingesteld.

2. De uit hoofde van deze bepalingen of die van artikel 16, lid 3, verkregen gegevens worden door het Comité onderzocht om een beeld te krijgen van de eventuele tekortkomingen van de communautaire regeling voor de bestrijding van plantenziekten of de toepassing daarvan, en de maatregelen waarmee deze tekortkomingen kunnen worden opgeheven.

De in lid 1 bedoelde gegevens worden ook gebruikt om overeenkomstig de bepalingen van het Verdrag vast te stellen of het niet in overeenstemming met de richtlijn zijn van de partij(en) waaraan het voorkomen van de schadelijke organismen in het betrokken gebied te wijten is, niet door de lidstaat van herkomst is ontdekt omdat deze niet heeft voldaan aan één van zijn verplichtingen uit hoofde van het Verdrag en de bepalingen van de onderhavige richtlijn, met name in verband met de in artikel 6 voorgeschreven onderzoeken of de in artikel 13, lid 1, voorgeschreven inspecties.

3. Wanneer met betrekking tot de in artikel 23, lid 1, bedoelde lidstaat de in lid 2 bedoelde conclusie wordt getrokken, wordt aan deze lidstaat geen financiële bijdrage van de Gemeenschap toegekend of, indien de bijdrage reeds is toegekend, wordt deze niet gestort, of, indien de bijdrage reeds is gestort, wordt deze aan de Gemeenschap terugbetaald. In dit laatste geval is artikel 23, lid 10, derde alinea, van toepassing.

Wanneer de in lid 2 bedoelde conclusie met betrekking tot een andere lidstaat wordt getrokken, is het Gemeenschapsrecht van toepassing, rekening houdend met de bepalingen van artikel 23, lid 7, tweede zin.

Artikel 25

Met betrekking tot de in artikel 13, lid 9, bedoelde financiële bijdrage neemt de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen op voorstel van de Commissie bepalingen aan met betrekking tot de uitzonderlijke gevallen van overheersend Gemeenschapsbelang die een communautaire bijdrage tot 70 % van de uitgaven die rechtstreeks met de verbetering van apparatuur en installaties verband houden, rechtvaardigen, zulks binnen de grenzen van de voor deze doeleinden beschikbare kredieten en op voorwaarde dat dit de besluiten die met toepassing van artikel 23, lid 5 of 6, worden genomen, onverlet laat.

Artikel 26

Uiterlijk op 20 januari 2002 bestudeert de Commissie de resultaten van de toepassing van artikel 13, lid 9, en van de artikelen 22, 23 en 24 en legt zij aan de Raad een verslag met eventuele wijzigingsvoorstellen voor.

Artikel 27

Richtlijn 77/93/EEG, zoals gewijzigd bij de in bijlage VIII, deel A, vermelde besluiten, wordt ingetrokken, onverminderd de verplichtingen van de lidstaten wat de in bijlage VIII, deel B, vermelde omzettings- en toepassingstermijnen betreft.

Verwijzingen naar de ingetrokken richtlijn gelden als verwijzingen naar de onderhavige richtlijn en worden gelezen volgens de in bijlage IX opgenomen concordantietabel.

Artikel 28

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.

Artikel 29

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 8 mei 2000.

Voor de Raad

De voorzitter

J. Pina Moura

(1) Advies uitgebracht op 15 februari 2000 (nog niet verschenen in het Publicatieblad).

(2) PB C 129 van 27.4.1998, blz. 36.

(3) PB L 26 van 31.1.1977, blz. 20. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 1999/53/EG van de Commissie (PB L 142 van 5.6.1999, blz. 29).

(4) Zie bijlage VIII, deel A.

(5) PB L 171 van 29.6.1991, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2674/1999 (PB L 326 van 19.12.1999, blz. 3).

(6) PB L 171 van 29.6.1991, blz. 5.

(7) PB L 340 van 9.12.1976, blz. 25.

(8) PB L 117 van 8.5.1990, blz. 15. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 97/35/EG van de Commissie (PB L 169 van 27.6.1997, blz. 73).

(9) PB L 161 van 26.6.1999, blz. 1.

(10) PB L 160 van 26.6.1999, blz. 103.

BIJLAGE I

DEEL A

SCHADELIJKE ORGANISMEN DIE NIET MOGEN WORDEN BINNENGEBRACHT OF VERSPREID IN DE LIDSTATEN

Rubriek I

SCHADELIJKE ORGANISMEN DIE VOORZOVER BEKEND IN DE GEMEENSCHAP NIET VOORKOMEN EN DIE RISICO'S OPLEVEREN VOOR DE GEHELE GEMEENSCHAP

a) Insecten, mijten en nematoden, in alle stadia van hun ontwikkeling

1. Acleris spp. (niet-Europese)

2. Amauromyza maculosa (Malloch)

3. Anomala orientalis Waterhouse

4. Anoplophora chinensis (Thomson)

5. Anoplophora malasiaca (Forster)

6. Arrhenodes minutus Drury

7. Bemisia tabaci Genn. (niet-Europese populaties) vector van virussen zoals:

a) Bean golden mosaic virus

b) Cowpea mild mottle virus

c) Lettuce infactious yellows virus

d) Pepper mild tigré virus

e) Squash leaf curl virus

f) Euphorbia mosaic virus

g) Florida tomato virus

8. Cicadellidae (niet Europese) die bekend staan als zijnde vectoren van de ziekte van Pierce (veroorzaakt door Xylella fastidiosa), zoals:

a) Carneocephala fulgida Nottingham

b) Draeculacephala minerva Ball

c) Graphocephala atropunctata (Signoret)

9. Choristoneura spp. (niet-Europese)

10. Conotrachelus nenuphar (Herbst)

10.1. Diabrotica barberi Smith et Laurence

10.2. Diabrotica undecimpunctata howardi Barber

10.3. Diabrotica undecimpunctata undecimpunctata Mannerheim

10.4. Diabrotica virgifera Le Conte

11. Heliothis zea (Boddie)

11.1. Hirschmanniella spp., andere dan Hirschmanniella gracilis (de Man) Luc et Goodey

12. Liriomyza sativae Blanchard

13. Longidorus diadecturus Eveleigh et Allen

14. Monochamus spp. (niet-Europese)

15. Myndus crudus Van Duzee

16. Nacobbus aberrans (Thorne) Thorne et Allen

17. Premnotrypes spp. (niet-Europese)

18. Pseudopityophthorus minutissimus (Zimmermann)

19. Pseudopityophthorus pruinosus (Eichhoff)

20. Scaphoideus luteolus (Van Duzee)

21. Spodoptera eridania (Cramer)

22. Spodoptera frugiperda (Smith)

23. Spodoptera litura (Fabricus)

24. Thrips palmi Karny

25. Tephritidae (niet-Europese) zoals

a) Anastrepha fraterculus (Wiedemann)

b) Anastrepha ludens (Loew)

c) Anastrepha obliqua Macquart

d) Anastrepha suspensa (Loew)

e) Dacus ciliatus Loew

f) Dacus cucurbitae Coquillet

g) Dacus dorsalis Hendel

h) Dacus tryoni (Froggatt)

i) Dacus tsuneonis Miyake

j) Dacus zonatus Saund

k) Epochra canadensis (Loew)

l) Pardalaspis cyanescens Bezzi

m) Pardalaspis quinaria Bezzi

n) Pterandrus rosa (Karsch)

o) Rhacochlaena japonica Ito

p) Rhagoletis cingulata (Loew)

q) Rhagoletis completa Cresson

r) Rhagoletis fausta (Osten-Sacken)

s) Rhagoletis indifferens Curran

t) Rhagoletis mendax Curran

u) Rhagoletis pomonella Walsh

v) Rhagoletis ribicola Doane

w) Rhagoletis suavis (Loew)

26. Xiphinema americanum Cobb sensu lato (niet-Europese populaties)

27. Xiphinema californicum Lamberti et Bleve-Zacheo

b) Bacteriën

1. Xylella fastidiosa (Well et Raju)

c) Schimmels

1. Ceratocystis fagacearum (Bretz) Hunt

2. Chrysomyxa arctostaphyli Dietel

3. Cronartium spp. (niet-Europese)

4. Endocronartium spp. (niet-Europese)

5. Guignardia laricina (Saw.) Yamamoto et Ito

6. Gymnosporangium spp. (niet-Europese)

7. Inonotus weirii (Murril) Kotlaba et Pouzar

8. Melampsora farlowii (Arthur) Davis

9. Monilinia fructicola (Winter) Honey

10. Mycosphaerella larici-leptolepis Ito et al.

11. Mycosphaerella populorum G. E. Thompson

12. Phoma andina Turkensteen

13. Phyllosticta solitaria Ell. et Ev.

14. Septoria lycopersici Speg. var. malagutii Ciccarone et Boerema

15. Thecaphora solani Barrus

15.1. Tilletia indica Mitra

16. Trechispora brinkmannii (Bresad.) Rogers

d) Virussen en virusachtige organismen

1. Mycoplasma van floëemnecrose van Ulmus L.

2. Aardappelvirussen en virusachtige organismen zoals:

a) Andean potato latent virus

b) Andean potato mottle virus

c) Arracacha virus B, oca strain

d) Potato black ringspot virus

e) Potato spindle tuber viroid

f) Aardappelvirus T

g) Niet-Europese isolaten van de aardappelvirussen A, M, S, V, X en Y (inclusief Yo, Yn en Yc), en Potato leafroll virus

3. Tobacco ringspot virus

4. Tomato ringspot virus

5. Virussen en virusachtige organismen van Cydonia Mill., Fragaria L., Malus Mill., Prunus L., Pyrus L., Ribes L., Rubus L. en Vitis L. zoals:

a) Blueberry leaf mottle virus

b) Cherry rasp leaf virus (Amerikaans)

c) Peach mosaic virus (Amerikaans)

d) Peach phony rickettsia

e) Peach rosette mosaic virus

f) Peach rosette mycoplasm

g) Peach X-disease mycoplasm

h) Peach yellows mycoplasm

i) Plum line pattern virus (Amerikaans)

j) Raspberry leaf curl virus (Amerikaans)

k) Strawberry latent "C" virus

l) Strawberry vein banding virus

m) Strawberry witches' broom mycoplasm

n) Niet-Europese virussen en virusachtige organismen van Cydonia Mill., Fragaria L., Malus Mill., Prunus L., Pyrus L., Ribes L., Rubus L. en Vitis L.

6. Door Bemisia tabaci Genn. overgedragen virussen, zoals:

a) Bean golden mosaic virus

b) Cowpea mild mottle virus

c) Lettuce infectious yellows virus

d) Pepper mild tigré virus

e) Squash leaf curl virus

f) Euphorbia mosaic virus

g) Florida tomato virus

e) Parasitaire planten

1. Arceuthobium spp. (niet-Europese)

Rubriek II

SCHADELIJKE ORGANISMEN WAARVAN BEKEND IS DAT ZIJ IN DE GEMEENSCHAP VOORKOMEN EN DIE RISICO'S OPLEVEREN VOOR DE GEHELE GEMEENSCHAP

a) Insecten, mijten en nematoden, in alle stadia van hun ontwikkeling

1. Globodera pallida (Stone) Behrens

2. Globodera rostochiensis (Wollenweber) Behrens

3. Heliothis armigera (Hübner)

4. Liriomyza bryoniae (Kaltenbach)

5. Liriomyza trifolii (Burgess)

6. Liriomyza huidobrensis (Blanchard)

6.1. Meloidogyne chitwoodi Golden et al. (alle populaties)

6.2. Meloidogyne fallax Karssen

7. Opogona sacchari (Bojer)

8. Popilia japonica Newman

8.1. Rhizoecus hibisci Kawai et Takagi

9. Spodoptera littoralis (Boisduval)

b) Bacteriën

1. Clavibacter michiganensis (Smith) Davis et al. ssp. sepedonicus (Spieckermann et Kotthoff) Davis et al.

2. Pseudomonas solanacearum (Smith) Smith

c) Schimmels

1. Melampsora medusae Thümen

2. Synchytrium endobioticum (Schilbersky) Percival

d) Virussen en virusachtige organismen

1. Apple proliferation mycoplasm

2. Apricot chlorotic leafroll mycoplasm

3. Pear decline mycoplasm

DEEL B

SCHADELIJKE ORGANISMEN DIE NIET MOGEN WORDEN BINNENGEBRACHT OF VERSPREID IN BEPAALDE BESCHERMDE GEBIEDEN

a) Insecten, mijten en nematoden, in alle stadia van hun ontwikkeling

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

b) Virussen en virusachtige organismen

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

BIJLAGE II

DEEL A

OP BEPAALDE PLANTEN OF PLANTAARDIGE PRODUCTEN VOORKOMENDE SCHADELIJKE ORGANISMEN DIE NIET MOGEN WORDEN BINNENGEBRACHT OF VERSPREID IN DE LIDSTATEN

Rubriek I

SCHADELIJKE ORGANISMEN DIE VOORZOVER BEKEND IN DE GEMEENSCHAP NIET VOORKOMEN EN DIE RISICO'S OPLEVEREN VOOR DE GEHELE GEMEENSCHAP

a) Insecten, mijten en nematoden, in alle stadia van hun ontwikkeling

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

b) Bacteriën

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

c) Schimmels

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

d) Virussen en virusachtige organismen

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

Rubriek II

SCHADELIJKE ORGANISMEN WAARVAN BEKEND IS DAT ZIJ IN DE GEMEENSCHAP VOORKOMEN EN DIE RISICO'S OPLEVEREN VOOR DE GEHELE GEMEENSCHAP

a) Insecten, mijten en nematoden, in alle stadia van hun ontwikkeling

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

b) Bacteriën

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

c) Schimmels

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

d) Virussen en virusachtige organismen

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

DEEL B

OP BEPAALDE PLANTEN OF PLANTAARDIGE PRODUCTEN VOORKOMENDE SCHADELIJKE ORGANISMEN DIE NIET MOGEN WORDEN BINNENGEBRACHT OF VERSPREID IN BEPAALDE BESCHERMDE GEBIEDEN

a) Insecten, mijten en nematoden, in alle stadia van hun ontwikkeling

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

b) Bacteriën

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

c) Schimmels

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

d) Virussen en virusachtige organismen

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

BIJLAGE III

DEEL A

PLANTEN, PLANTAARDIGE PRODUCTEN EN ANDERE MATERIALEN DIE NIET MOGEN WORDEN BINNENGEBRACHT IN DE LIDSTATEN

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

DEEL B

PLANTEN, PLANTAARDIGE PRODUCTEN EN ANDERE MATERIALEN DIE NIET MOGEN WORDEN BINNENGEBRACHT IN BEPAALDE BESCHERMDE GEBIEDEN

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

BIJLAGE IV

DEEL A

DOOR DE LIDSTATEN VAST TE STELLEN BIJZONDERE EISEN TEN AANZIEN VAN HET BINNENBRENGEN EN HET IN HET VERKEER BRENGEN VAN PLANTEN, PLANTAARDIGE PRODUCTEN EN ANDERE MATERIALEN IN DE LIDSTATEN

Rubriek I

PLANTEN, PLANTAARDIGE PRODUCTEN EN ANDERE MATERIALEN VAN OORSPRONG UIT DERDE LANDEN

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

Rubriek II

PLANTEN, PLANTAARDIGE PRODUCTEN EN ANDERE MATERIALEN VAN OORSPRONG UIT DE GEMEENSCHAP

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

DEEL B

DOOR DE LIDSTATEN VAST TE STELLEN BIJZONDERE EISEN TEN AANZIEN VAN HET BINNENBRENGEN EN HET IN HET VERKEER BRENGEN VAN PLANTEN, PLANTAARDIGE PRODUCTEN EN ANDERE MATERIALEN IN BEPAALDE BESCHERMDE GEBIEDEN

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

BIJLAGE V

PLANTEN, PLANTAARDIGE PRODUCTEN EN ANDER MATERIAAL DIE, WANNEER ZIJ VAN OORSPRONG ZIJN UIT DE GEMEENSCHAP, OP DE PLAATS VAN PRODUCTIE AAN EEN PLANTENZIEKTENKUNDIG ONDERZOEK MOETEN WORDEN ONDERWORPEN VOORDAT ZIJ BINNEN DE GEMEENSCHAP WORDEN VERZONDEN OF DIE, WANNEER ZIJ VAN OORSPRONG ZIJN UIT GEBIEDEN BUITEN DE GEMEENSCHAP, IN HET LAND VAN OORSPRONG OF VAN VERZENDING AAN EEN PLANTENZIEKTENKUNDIG ONDERZOEK MOETEN WORDEN ONDERWORPEN VOORDAT ZIJ IN DE GEMEENSCHAP MOGEN WORDEN BINNENGEBRACHT

DEEL A

PLANTEN, PLANTAARDIGE PRODUCTEN EN ANDER MATERIAAL VAN OORSPRONG UIT DE GEMEENSCHAP

I. Planten, plantaardige producten en ander materiaal die potentieel drager zijn van schadelijke organismen die risico's opleveren voor het gehele grondgebied van de Gemeenschap en die vergezeld moeten zijn van een plantenpaspoort

1. Planten en plantaardige producten

1.1. Planten, bestemd voor opplant, met uitzondering van zaden, van de geslachten Chaenomeles Lindl., Cotoneaster Ehrh., Crataegus L., Cydonia Mill., Eriobotrya Lindl., Malus Mill., Mespilus L., Prunus L., Pyracantha Roem., Prunus L., met uitzondering van Prunus laurocerasus L. en Prunus lusitanica L, Sorbus L., met uitzondering van Sorbus intermedia (Ehrh.) Pers, en Stranvaesia Lind L.

1.2. Planten van Beta vulgaris L. en Humulus lupulus L., bestemd voor opplant, met uitzondering van zaden.

1.3. Planten van stolonen- of knollenvormende soorten van Solanum L., of hybriden daarvan, bestemd voor opplant.

1.4. Planten van Fortunella Swingle, Poncirus Raf., en hybriden daarvan, en Vitis L., met uitzondering van vruchten en zaden.

1.5. Onverminderd punt 1.6, planten van Citrus L., en hybriden daarvan, met uitzondering van vruchten en zaden

1.6. Vruchten van Citrus L., Fortunella Swingle, Poncirus Raf., en de hybriden daarvan, met steeltjes en bladeren.

1.7. Hout in de zin van artikel 2, lid 2, eerste alinea, dat:

a) geheel of gedeeltelijk is verkregen uit een van de hierna genoemde geslachten:

- Castanea Mill, met uitzondering van hout dat ontschorst is,

- Platanus L., ook wanneer het hout zijn natuurlijke ronde oppervlak niet heeft behouden, en

b)

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

1.8. Bast, zonder andere delen, van Castanea Mill.

2. Planten, plantaardige producten en ander materiaal, geproduceerd door producenten die hun productie mogen verkopen aan personen die zich beroepshalve bezighouden met de productie van planten met uitzondering van de planten, plantaardige producten en ander materiaal die klaargemaakt zijn en gereed voor verkoop aan de eindverbruiker, en waaromtrent door de bevoegde overheidsinstantie is verzekerd dat de productie ervan duidelijk gescheiden is van die van andere producten:

2.1. Planten, bestemd voor opplant, met uitzondering van zaden, van de geslachten Abies Mill., Apium graveolens L., Argyranthemum spp., Aster spp., Brassica L., Castanea Mill., Cucumis spp., Dendranthema (DC) Des Moul, Dianthus L. en hybriden daarvan, Exacum spp., Fragaria L., Gerbera Cass., Gypsophila L., alle rassen hybriden uit Nieuw-Guinea van, Impantiens L., Lactuca spp., Larix Mill., Leucanthemum L., Lupinus L., Pelargonium l'Hérit. ex Ait., Picea A. Dietr., Pinus L., Platanus L., Populus L., Prunus laurocerasus L., Prunus lusitanica L., Pseudotsuga Carr., Quercus L., Rubus L., Spinacia L., Tanacetum L., Tsuga Carr. et Verbena L.

2.2. Planten van Solanaceae, andere dan die bedoeld in punt 1.3, bestemd voor opplant, met uitzondering van zaden.

2.3. Planten van Araceae, Marantaceae, Musaceae, Persea spp. en Strelitziaceae, beworteld of met aanhangend of bijgevoegd groeimedium.

2.4. Zaden en bollen van Allium ascalonicum L., Allium cepa L. en Allium schoenoprasum L., bestemd voor opplant, en planten van Allium porrum L., bestemd voor opplant.

3. Bollen en knollen van Camassia Lindl., Chionodoxa Boiss., Crocus flavus Weston "Golden Yellow", Galantus L, Caltonia candicans (Baker) Decne, Minicultivars, en de hybriden daarvan, van het geslacht Gladiolus Tourn, ex L., zoals Gladiolus calliantus Marais, Gladiolus colvillei Sweet, Gladiolus nanus hort., Gladiolus ramosus hort, en Gladiolus tubergenii hort., Hyacinthus L., Iris L, Ornithogalum L., Puschkinia Adams, Scilla L., Tigridia Juss., en Tulipa L. bestemd voor opplant geproduceerd door producenten die hun productie mogen verkopen aan personen die zich beroesphalve bezighouden met de productie van planten, plantaardige producten en ander materiaal die klaargemaakt zijn en gereed voor verkoop aan de eindverbruiker, en waaromtrent door de bevoegde overheidsinstantie is verzekerd dat de productie ervan duidelijk gescheiden is van die van andere producten.

II. Planten, plantaardige producten en ander materiaal die potentieel drager zijn van schadelijke organismen die risico's opleveren voor bepaalde beschermde gebieden en die, wanneer zij in een bepaald gebied worden binnengebracht of verzonden, vergezeld moeten zijn van een geldig plantenpaspoort

Onverminderd de planten, plantaardige producten en ander materiaal vermeld in punt I.

1. Planten, plantaardige producten en ander materiaal

1.1. Planten van Abies Mill., Larix Mill., Picea A. Dietr., Pinus L. en Pseudotsuga Carr.

1.2. Planten van Populus L. en Beta vulgaris L., bestemd voor opplant, met uitzondering van zaden.

1.3. Planten, met uitzondering van vruchten en zaden, van Chaenomeles Ldl., Cotoneaster Ehrh., Crataegus L., Cydonia Mill, Eriobotrya Lindl., Eucalyptus l'Hérit., Malus Mill., Mespilus L., Pyracantha Roem., Pyrus L., Sorbus L. andere dan Sorbus intermedia (Ehrh.) Pers. en Stranvaesia Lindl.

1.4. Levende pollen voor bestuiving van de Chaenomeles Ldl., Cotoneaster Ehrh., Crataegus L., Cydonia Mill., Eriobotrya Lindl., Malus Mill., Mespilus L., Pyracantha Roem., Pyrus L., Sorbus L. andere dan Sorbus intermedia (Ehrh.) Pers. en Stranvaesia Lindl.

1.5. Knollen van Solanum tuberosum L., bestemd voor opplant.

1.6. Planten van Beta vulgaris L., bestemd voor voer voor dieren of industriële verwerking.

1.7. Grond en niet-gesteriliseerd afval van bieten (Beta vulgaris L.).

1.8. Zaden van Beta vulgaris L., Dolichos Jacq., Gossypium spp. et Phaseolus vulgaris L.

1.9. Vruchten (kapsels) van Gossypium spp. en niet-geëgreneerde katoen.

1.10. Hout in de zin van artikel 2, lid 2, eerste alinea, dat:

a) geheel of gedeeltelijk is verkregen uit naaldbomen (Coniferae), met uitzondering van ontschorst hout, en

b)

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

1.11. Bast, zonder andere delen, van naaldbomen (Coniferales).

2. Planten, plantaardige producten en ander materiaal, geproduceerd door producenten die hun productie mogen verkopen aan personen die zich beroepshalve bezighouden met de productie van planten, plantaardige producten en ander materiaal die klaargemaakt zijn en gereed voor verkoop aan de eindverbruiker, en waaromtrent door de bevoegde overheidsinstantie is verzekerd dat de productie ervan duidelijk gescheiden is van die van andere producten

2.1. Planten van Begonia L. bestemd voor opplant, met uitzondering van zaden, knollen en stengelknollen, en planten van Euphorbia pulcherrima Willd., bestemd voor opplant, met uitzondering van zaden

DEEL B

PLANTEN, PLANTAARDIGE PRODUCTEN EN ANDER MATERIAAL VAN OORSPRONG UIT ANDERE DAN DE IN DEEL A BEDOELDE GEBIEDEN

I. Planten, plantaardige producten en ander materiaal die potentieel drager zijn van schadelijke organismen die risico's opleveren voor het gehele grondgebied van de Gemeenschap

1. Planten, bestemd voor opplant, met uitzondering van zaden maar inclusief zaden van Cruciferae, Gramineae, Trifolium spp., van oorsprong uit Argentinië, Australië, Bolivië, Chili, Nieuw-Zeeland en Uruguay, de genera Triticum, Secale en X Triticosecale uit Afghanistan, India, Irak, Mexiko, Nepal, Pakistan en de Verenigde Staten van Amerika. Capsicum spp., Helianthus annuus L., Lycopersicon lycopersicum (L.) Karsten ex Farw., Medicago sativa L., Prunus L., Rubus L., Oryza spp., Zea mais L., Allium ascalonicum L., Allium cepa L., Allium porrum L., Allium schoenoprasum L. en Phaseolus L.

2. Delen van planten, met uitzondering van vruchten en zaden, van:

- Castanea Mill., Dendranthema (DC) Des Moul., Dianthus L., Pelargonium l'Herit. ex Ait, Phoenix spp., Populus L., Quercus L.,

- naaldbomen (Coniferales);

- Acer saccharum Marsh., van oorsprong uit Noord-Amerikaanse landen;

- Prunus L., van oorsprong uit niet-Europese landen.

3. Vruchten van:

- Citrus L., Fortunella Swingle, Poncirus Raf., en hybriden daarvan,

- Annona L., Cydonia Mill., Diospyros L., Malus Mill., Mangifera L., Passiflora L., Prunus L., Psidium L., Pyrus L., Ribes L. Syzygium Gaertn., en Vaccinium L. van oorsprong uit niet-Europese landen.

4. Knollen van Solanum tuberosum L.

5. Bast, zonder andere delen, van:

- naaldbomen (Coniferales),

- Acer saccharum Marsh, Populus L., en Quercus L., andere dan Quercus suber L.

6. Hout in de zin van artikel 2, lid 2, eerste alinea, dat:

a) geheel of gedeeltelijk is verkregen uit de hieronder genoemde familie of uit een van de hieronder genoemde geslachten of soorten:

- Castanea Mill.,

- Castanea Mill., Quercus L., ook wanneer het hout zijn natuurlijke ronde oppervlak niet heeft behouden, van oorsprong uit Noord-Amerikaanse landen

- Platanus L., ook wanneer het hout zijn natuurlijke ronde oppervlak niet heeft behouden,

- naaldbomen (Coniferales), andere dan Pinus L., van oorsprong uit niet-Europese landen, ook wanneer het hout zijn natuurlijke ronde oppervlak niet heeft behouden,

- Pinus L., ook wanneer het hout zijn natuurljike ronde oppervlak niet heeft behouden,

- Populus L., van oorsprong uit landen van het Amerikaanse continent,

- Acer saccharum Marsh., ook wanneer het hout zijn natuurlijke ronde oppervlak niet heeft behouden, van oorsprong uit Noord-Amerikaanse landen en

b)

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

Laadborden en laadkisten (GN-code ex 4415 20) die voldoen aan de norm voor, "UIC-laadborden" en dienovereenkomstig zijn gemerkt, zijn eveneens vrijgesteld.

7. a) Grond en groeimedium als zodanig, geheel of gedeeltelijk bestaande uit grond of vaste organische stoffen zoals plantedelen, humus met turf of schors, doch niet uitsluitend bestaande uit turf.

b) Aan planten aanhangende of daarbij gevoegde grond en groeimedium, geheel of gedeeltelijk bestaande uit onder a) genoemd materiaal, of geheel of gedeeltelijk bestaande uit turf of vaste anorganische stof bestemd om de levenskracht van de planten te handhaven, van oorsprong uit Turkije, Wit-Rusland, Estland, Letland, Litouwen, Moldavië, Rusland, Oekraïne en andere niet-Europese landen dan Cyprus, Egypte, Israël, Libië, Malta, Marokko en Tunesië.

8. Graan van de genera Triticum, Secale und X Triticosecale van oorsprong uit Afghanistan, India, Irak, Mexico, Nepal, Pakistan en de Verenigde Staten van Amerika.

II. Planten, plantaardige producten en andere materialen die potentieel drager zijn van schadelijke organismen die risico's opleveren voor bepaalde beschermde gebieden

Onverminderd de planten, plantaardige producten en andere materialen vermeld in punt I.

1. Planten van Beta vulgaris L. bestemd voor voer voor dieren of industriële verwerking.

2. Grond en ongedestilleerd afval van bieten (Beta vulgaris L.).

3. Levende pollen voor bestuiving van Chaenomeles Ldl, Cotoneaster Ehrh., Crataegus L., Cydonia Mill., Eriobotrya Lindl., Malus Mill., Mespilus L., Pyracantha Roem., Pyrus L., Sorbus L., met uitzondering van Sorbus intermedia (Ehrh.) Pers. en Stranvaesia Lindl.

4. Delen van planten, met uitzondering van vruchten en zaden van Chaenomeles Ldl., Cotoneaster Ehrh., Crataegus L., Cydonia Mill., Eriobotrya Lindl., Malus Mill., Mespilus L., Pyracantha Roem., Pyrus L., Sorbus L., met uitzondering van Sorbus intermedia (Ehrh.) Pers. en Stranvaesia Lindl.

5. Zaden van Dolichos Jacq., Magnifera spp., Beta vulgaris L. en Phaseolus vulgaris L.

6. Zaden en vruchten (kapsels) van Gossypium spp. en niet-geëgreneerde katoen.

7. Hout in de zin van artikel 2, lid 2, eerste alinea, dat:

a) geheel of gedeeltelijk is verkregen uit naaldbomen (Coniferales), andere dan Pinus L., van oorsprong uit Europese derde landen en

b)

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

Laadborden en laadkisten (GN-Code ex 4415 20) die voldoen aan de norm voor "UIC-laadborden" en dienovereenkomstig zijn gemerkt, zijn eveneens vrijgesteld.

8. Delen van planten van Eucalyptus l'Hérit.

BIJLAGE VI

PLANTEN EN PLANTAARDIGE PRODUCTEN DIE AAN EEN BIJZONDERE REGELING KUNNEN WORDEN ONDERWORPEN

1. Granen en daarvan afgeleide producten.

2. Droge peulvruchten.

3. Knollen van maniok en daarvan afgeleide producten.

4. Afvallen van de productie van oliën van plantaardige oorsprong.

BIJLAGE VII

MODELLEN VAN CERTIFICATEN

De volgende certificaatmodellen worden onderscheiden voor wat betreft:

- tekst,

- afmetingen,

- opmaak en afmetingen van de vakken,

- kleur van het papier en kleur van de drukinkt.

A. Model van het fytosanitaire certificaat

>PIC FILE= "L_2000169NL.009701.EPS">

B. Model van het fytosanitaire certificaat voor herverzending

>PIC FILE= "L_2000169NL.010101.EPS">

C. Toelichting

1. Ad vak 2:

De letter/cijfercombinatie van het certificaat wordt als volgt gevormd:

- EG,

- beginletter(s) van de lidstaat,

- eigen nummer van het certificaat bestaande uit cijfers of een letter/cijfercombinatie ter aanduiding van provincie, district, enz. van de lidstaat waar het certificaat is afgegeven.

2. Ad vak zonder ciffer:

Dit vak is uitsluitend bestemd voor de dienst.

3. Ad vak 8:

"Omschrijving van colli" betekent aanduiding van de soort colli.

4. Ad vak 9:

De hoeveelheid mag worden opgegeven in aantal of gewicht.

5. Ad vak 11:

Indien er niet voldoende ruimte voor de "aanvullende verklaring" is, dan mag daarvoor de achterzijde van het formulier worden gebruikt.

BIJLAGE VIII

DEEL A

INGETROKKEN RICHTLIJN MET DE SUCCESSIEVE WIJZIGINGEN DAARVAN

(zie artikel 27)

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

DEEL B

LIJST VAN DE VOOR OMZETTING IN NATIONAAL RECHT VASTGESTELDE TIJDSLIMIETEN

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

BIJLAGE IX

CONCORDANTIETABEL

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

Top