EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32000D0608

2000/608/EG: Beschikking van de Commissie van 27 september 2000 betreffende de richtsnoeren voor de risicoanalyse als omschreven in bijlage III bij Richtlijn 90/219/EEG inzake het ingeperkte gebruik van genetisch gemodificeerde micro-organismen (kennisgeving geschied onder nummer C(2000) 2736) (Voor de EER relevante tekst)

OJ L 258, 12.10.2000, p. 43–48 (ES, DA, DE, EL, EN, FR, IT, NL, PT, FI, SV)
Special edition in Czech: Chapter 15 Volume 005 P. 218 - 223
Special edition in Estonian: Chapter 15 Volume 005 P. 218 - 223
Special edition in Latvian: Chapter 15 Volume 005 P. 218 - 223
Special edition in Lithuanian: Chapter 15 Volume 005 P. 218 - 223
Special edition in Hungarian Chapter 15 Volume 005 P. 218 - 223
Special edition in Maltese: Chapter 15 Volume 005 P. 218 - 223
Special edition in Polish: Chapter 15 Volume 005 P. 218 - 223
Special edition in Slovak: Chapter 15 Volume 005 P. 218 - 223
Special edition in Slovene: Chapter 15 Volume 005 P. 218 - 223
Special edition in Bulgarian: Chapter 15 Volume 006 P. 136 - 141
Special edition in Romanian: Chapter 15 Volume 006 P. 136 - 141
Special edition in Croatian: Chapter 15 Volume 031 P. 22 - 27

In force

ELI: http://data.europa.eu/eli/dec/2000/608/oj

32000D0608

2000/608/EG: Beschikking van de Commissie van 27 september 2000 betreffende de richtsnoeren voor de risicoanalyse als omschreven in bijlage III bij Richtlijn 90/219/EEG inzake het ingeperkte gebruik van genetisch gemodificeerde micro-organismen (kennisgeving geschied onder nummer C(2000) 2736) (Voor de EER relevante tekst)

Publicatieblad Nr. L 258 van 12/10/2000 blz. 0043 - 0048


Beschikking van de Commissie

van 27 september 2000

betreffende de richtsnoeren voor de risicoanalyse als omschreven in bijlage III bij Richtlijn 90/219/EEG inzake het ingeperkte gebruik van genetisch gemodificeerde micro-organismen

(kennisgeving geschied onder nummer C(2000) 2736)

(Voor de EER relevante tekst)

(2000/608/EG)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Richtlijn 90/219/EEG van de Raad van 23 april 1990 inzake het ingeperkte gebruik van genetisch gemodificeerde micro-organismen(1), laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 98/81/EG(2) van de Raad, inzonderheid op artikel 5, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1) Overeenkomstig artikel 5, lid 2, van deze richtlijn moet de gebruiker een analyse maken van de risico's die eventueel aan het ingeperkte gebruik verbonden zijn, waarbij hij minimaal gebruikmaakt van de in bijlage III omschreven beginselen, aangevuld met richtsnoeren.

(2) Overeenkomstig bijlage III moeten deze richtsnoeren door de Commissie worden uitgewerkt volgens de procedure van artikel 21.

(3) De in deze beschikking vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het krachtens artikel 21 van Richtlijn 90/219/EEG opgerichte comité,

HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:

Artikel 1

Wanneer een analyse wordt gemaakt met betrekking tot het ingeperkte gebruik van genetisch gemodificeerde micro-organismen, overeenkomstig artikel 5 van Richtlijn 90/219/EEG, worden de hierbij aangehechte richtsnoeren voor de risicoanalyse gebruikt als aanvulling van bijlage III bij de richtlijn.

Artikel 2

Deze beschikking is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 27 september 2000.

Voor de Commissie

Margot Wallström

Lid van de Commissie

(1) PB L 117 van 8.5.1990, blz. 1.

(2) PB L 330 van 5.12.1998, blz. 13.

BIJLAGE

RICHTSNOEREN VOOR DE RISICOANALYSE ALS OMSCHREVEN IN BIJLAGE III BIJ RICHTLIJN 90/219/EEG VAN DE RAAD INZAKE HET INGEPERKTE GEBRUIK VAN GENETISCH GEMODIFICEERDE MICRO-ORGANISMEN

1. INLEIDING

De in bijlage III, punten 1 en 2, genoemde onderdelen van de risicobeoordeling vereisen dat wordt gekeken naar mogelijke schadelijke effecten op de gezondheid van de mens en het milieu. Als mogelijke schadelijke effecten worden beschouwd de effecten die tot ziekten kunnen leiden, de effectiviteit van profylaxe of behandeling teniet kunnen doen, de vestiging en/of verspreiding in het milieu kunnen bevorderen, hetgeen leidt tot schadelijke effecten op de aanwezige organismen of natuurlijke populaties, of schadelijke effecten die voortvloeien uit de overdracht van genetisch materiaal naar andere organismen. Voor de beoordeling moet het risico van deze mogelijke schadelijke effecten voor elke activiteit worden bepaald en worden ingedeeld in een categorie zoals bepaald in artikel 5, waarbij rekening wordt gehouden met de aard en schaal van de installatie, teneinde te bepalen welke inperkingsmaatregelen uiteindelijk nodig zijn. De hoogte van het risico dat voortvloeit uit het ingeperkte gebruik van een genetisch gemodificeerd micro-organisme (GGM) en de constructie daarvan wordt bepaald door de ernst van de mogelijke schadelijke effecten op de gezondheid van de mens en het milieu af te wegen tegen de kans dat deze effecten zich voordoen. Bij de risicobeoordeling wordt gekeken naar de blootstelling van de mens of het milieu aan GGM's bij de exploitatie van of de mogelijke onbedoelde vrijkoming uit een installatie voor ingeperkt gebruik. Op grond van de risicobeoordeling worden de activiteiten ingedeeld in een categorie die bepalend is voor de inperkingsvereisten voor de activiteiten met GGM's overeenkomstig bijlage IV.

2. RISICOBEOORDELING

De volledige risicobeoordeling bestaat uit de volgende twee procedures:

2.1. Procedure 1

Bepaal de mogelijke schadelijke eigenschappen (gevaar) van het GGM en deel het GGM, rekening houdend met de ernst van de mogelijke schadelijke effecten, in een voorlopige categorie (klasse 1 - klasse 4) in

en

evalueer de kans dat schadelijke effecten zich voordoen door te kijken naar de blootstelling (van zowel mens als milieu), rekening houdend met de aard en schaal van de werkzaamheden, met de inperkingsmaatregelen die horen bij de bepaalde voorlopige categorie.

2.2. Procedure 2

Bepaal de definitieve indeling en inperkingsmaatregelen die voor de activiteit nodig zijn. Bevestig of de definitieve indeling en inperkingsmaatregelen afdoende zijn door procedure 1 nogmaals te doorlopen.

3. PROCEDURE 1

3.1. Bepaling van de schadelijke eigenschappen (gevaar) van het GGM

Tijdens de risicobeoordeling moeten de mogelijke schadelijke eigenschappen van het GGM ten gevolge van de genetische modificatie of een verandering van de bestaande eigenschappen van het recipiënte organisme worden bepaald. Aan het GGM verbonden mogelijke schadelijke eigenschappen moeten worden bepaald. Dit moet gebeuren door te kijken naar het recipiënte organisme, het donororganisme, de kenmerken en locatie van het geïnsereerde genetische materiaal en een eventuele vector. Het is belangrijk te beseffen dat de genetische modificatie van een micro-organisme gevolgen kan hebben voor zijn vermogen schade toe te brengen aan de gezondheid van de mens en het milieu. Genetische modificaties kunnen leiden tot een afgenomen, onveranderd of toegenomen vermogen om schade toe te brengen.

3.2. Voorzover van toepassing moeten de volgende aspecten worden onderzocht:

3.2.1. Het recipiënte organisme

- de aard van de pathogeniteit en virulentie, besmettelijkheid, allergene werking, toxiciteit en vectoren voor ziekteoverdracht;

- de aard van eigen vectoren en adventieve agentia, wanneer deze het geïnsereerde genetische materiaal zouden kunnen mobiliseren, en de mobilisatiefrequentie;

- de aard en stabiliteit van eventuele verminkende mutaties;

- eventuele eerdere genetische modificaties;

- het verspreidingsgebied van de gastheer (indien relevant);

- significante fysiologische kenmerken die in het uiteindelijke GGM veranderd zouden kunnen zijn en, indien van toepassing, hun stabiliteit;

- de natuurlijke habitat en geografische distributie;

- een significante betrokkenheid bij milieuprocessen (zoals stikstofbinding of pH-regulering);

- de interactie met en effecten op andere organismen in het milieu (met inbegrip van competitieve, pathogene of symbiotische eigenschappen);

- het vermogen om overlevingsstructuren te vormen (zoals sporen of sclerotia).

3.2.2. Het donororganisme (voor fusie-experimenten of "shotgun"-experimenten wanneer de insert niet goed gekarakteriseerd is)

- de aard van de pathogeniteit en virulentie, besmettelijkheid, toxiciteit en vectoren voor ziekteoverdracht;

- de aard van eigen vectoren:

- de sequentie;

- de mobilisatiefrequentie en specificiteit;

- de aanwezigheid van genen die resistentie verlenen tegen remmers van micro-organismen, met inbegrip van antibiotica;

- het gastheerbereik van de gastheer;

- andere relevante fysiologische kenmerken.

3.2.3. De insert

- de specifieke identiteit en functie van de insert (genen);

- de mate van expressie van het geïnsereerde genetische materiaal;

- de herkomst van het genetische materiaal, de identiteit van het (de) donororganisme(n) en indien van toepassing de kenmerken;

- een overzicht van voorgaande genetische modificaties, indien van toepassing;

- de locatie van het geïnsereerde genetische materiaal (mogelijkheid van activering/deactivering van genen van de gastheer door insertie).

3.2.4. De vector

- de aard en herkomst van de vector;

- de structuur van en de hoeveelheid vector- en/of donornucleïnezuur dat in het uiteindelijke gemodificeerde micro-organisme overblijft;

- indien aanwezig in het uiteindelijke GGM, de mobilisatiefrequentie van de geïnsereerde vector en/of het vermogen tot de overdracht van genetisch materiaal.

3.2.5. Het resulterende GGM

3.2.5.1. Overwegingen in verband met de gezondheid van de mens

- de verwachte toxische of allergene effecten van het GGM en/of de producten van zijn metabolisme;

- een vergelijking van het gemodificeerde micro-organisme met het recipiënte of (indien van toepassing) ouderorganisme ten aanzien van pathogeniteit;

- het verwachte kolonisatievermogen;

- als het micro-organisme pathogeen is voor mensen die immunocompetent zijn:

- de veroorzaakte ziekten en het overdrachtmechanisme, met inbegrip van invasiviteit en virulentie;

- de infectieuze dosis;

- een mogelijke wijziging in de infectieroute of de weefselspecificiteit;

- het vermogen om buiten de menselijke gastheer te overleven;

- de biologische stabiliteit;

- de antibioticaresistentiepatronen;

- de allergene werking;

- de toxische werking;

- de beschikbaarheid van adequate therapieën en profylactische maatregelen.

3.2.5.2. Milieuoverwegingen

- de ecosystemen waarin het micro-organisme kan terechtkomen als het per ongeluk ontsnapt uit het ingeperkte gebruik;

- de verwachte overlevingskansen, vermenigvuldiging en mate van verspreiding van het gemodificeerde micro-organisme in de genoemde ecosystemen;

- de verwachte resultaten van de interactie tussen het gemodificeerde micro-organisme en de organismen of micro-organismen die bij een onbedoelde ontsnapping in het milieu zouden kunnen worden blootgesteld;

- bekende of verwachte effecten op planten en dieren zoals pathogeniteit, toxiciteit, allergene werking, geschiktheid om als vector voor een pathogeen te werken, gewijzigde antibioticaresistentiepatronen, veranderingen in tropisme of gastheerspecificiteit, kolonisatie;

- bekende of verwachte betrokkenheid bij biogeochemische processen.

3.3. Voorlopige indeling van het GGM

In bijlage III, punten 3 tot en met 5, wordt aangegeven dat in de eerste fase van de risicobeoordeling van een GGM de mogelijke schadelijke eigenschappen van het GGM moeten worden bepaald om tot een voorlopige indeling van het GGM te komen. Dit gebeurt door de gevaren te identificeren die samenhangen met het recipiënte en donororganisme, de vector en de insert. Dit proces kan worden ondersteund door rekening te houden met de algemene kenmerken voor klasse 1 die in bijlage III, punt 4, worden genoemd, en adequate recente nationale en internationale indelingsystemen (met inbegrip van Richtlijn 90/679/EEG(1) en de wijzigingen daarvan). Het in bijlage IV opgenomen bijbehorende pakket inperkings- en andere beschermingsmaatregelen wordt gebruikt als referentiepakket om te bepalen of met het oog op gesignaleerde gevaarlijke effecten strengere inperkings- en controlemaatregelen nodig zijn.

Het risico op schade ten gevolge van een schadelijke eigenschap van het GGM wordt verkregen door rekening te houden met de ernst van de schade en eventuele biologische eigenschappen (zoals verminkende mutaties) die de kans op schade beperken. De bepaling van de ernst van de schadelijke effecten gebeurt onafhankelijk van de kans dat het schadelijke effect optreedt. De ernst van mogelijke schade wordt bepaald door na te gaan wat het resultaat zou zijn en niet of de kans op schade in dit specifieke geval groot is. Voor een pathogeen moet bijvoorbeeld worden bepaald hoe ernstig de ziekte zou zijn, ervan uitgaande dat de kwetsbare soort wordt besmet. Bij de indeling van het GGM in een voorlopige klasse speelt de ernst een rol. Bij indelingsystemen als Richtlijn 90/679/EEG wordt rekening gehouden met de ernst. Bij veel systemen wordt echter alleen gekeken naar de gevolgen voor hetzij de gezondheid voor de mens, hetzij het milieu. Er moet goed op worden gelet dat de ernst van schadelijke effecten van het GGM op de gezondheid van de mens en het milieu volledig in acht is genomen.

3.4. Bepaling van de mogelijkheid dat schadelijke effecten optreden

De doorslaggevende factor voor de kans dat een schadelijke gebeurtenis zich voordoet, is de mate en aard van de blootstelling van de mens of het milieu aan een bepaald GGM. De blootstelling is in de meeste gevallen de belangrijkste factor bij de risicobeoordeling, aangezien deze vaak bepaalt of een schadelijk effect kan optreden. De kans dat de mens of het milieu aan een GGM wordt blootgesteld, wordt bepaald door de uitgevoerde activiteiten (bijvoorbeeld de schaal van de activiteiten) en de inperkingsmaatregelen die bij de voorlopige indeling horen, zoals bepaald door de toepassing van de punten 5 en 6 op de werkzaamheden.

Krachtens bijlage III, punt 7, onder ii) en iii), moet bij de definitieve indeling en de selectie van controlemaatregelen rekening worden gehouden met de kenmerken van de activiteiten. Bij de raming van de kans op blootstelling van mens en milieu moet rekening worden gehouden met de aard en de omvang van de activiteiten en deze hebben ook gevolgen voor de keuze van adequate procedures voor risicobeheersing.

Waar nodig moet rekening worden gehouden met de volgende kenmerken van de activiteiten die gevolgen kunnen hebben voor de risicobeoordeling: de feitelijke activiteiten, de werkmethoden, de schaal en de toegepaste inperkingsmaatregelen.

Bij de beoordeling moet met name rekening worden gehouden met de wijze waarop afval en afvalwater worden verwerkt. Waar nodig moeten de benodigde veiligheidsmaatregelen worden ingevoerd om de gezondheid van de mens en het milieu te beschermen.

3.4.1. Aard van de uit te voeren activiteiten

De hoogte van het risico en de toepassing van controlemaatregelen om dat risico van het GGM tot een adequaat niveau te beperken worden beïnvloed door de aard van de uit te voeren activiteiten, aangezien deze gevolgen heeft voor de blootstelling van mens en milieu en derhalve de kans dat schade optreedt.

De aard van de activiteiten bepaalt ook welke tabel in bijlage IV de meest geschikte inperkings- en controlemaatregelen bevat.

In de praktijk is voor werkzaamheden op laboratoriumschaal, waarbij het effect van standaard-laboratoriumprocedures op de blootstelling goed bekend is, een gedetailleerde risicobeoordeling van elke procedure afzonderlijk waarschijnlijk niet nodig, tenzij een zeer gevaarlijk organisme wordt gebruikt. Procedures die niet tot de routinehandelingen behoren of significante gevolgen voor de hoogte van het risico kunnen hebben, bijvoorbeeld procedures waarbij aërosolen ontstaan, moeten echter wellicht meer in detail worden bekeken.

3.4.2. Concentratie en schaal

De dichtheid van een kweek kan een risico van blootstelling aan hoge concentraties van het GGM opleveren, met name in latere fasen van het productieproces. Het effect van concentratie op de kans dat een schadelijke gebeurtenis zich voordoet, moet worden overwogen.

Schaal is ook een factor die bij de risicobeoordeling moet worden meegewogen. Bij de schaal kan het gaan om het absolute volume van één activiteit of de frequente herhaling van een proces, aangezien beide een verhoogde blootstellingskans kunnen opleveren als de inperkings- en controlemaatregelen niet goed werken en zo gevolgen hebben voor de kans dat een schadelijk voorval zich voordoet.

Grootschaligheid betekent weliswaar niet noodzakelijkerwijs een hoog risico, maar schaalvergroting kan wel tot een hogere blootstellingskans leiden, doordat bij het falen van de inperking zowel het aantal blootgestelde mensen als de mate van milieublootstelling toeneemt.

De schaal heeft ook gevolgen voor de keuze van de tabel in bijlage IV die de meest geschikte inperkings- en controlemaatregelen bevat.

3.4.3. Kweekomstandigheden

Bij veel toepassingen met ingeperkt gebruik worden de kweekomstandigheden strikt ingeperkt om de werkzaamheden te beschermen, maar de aard en het ontwerp van de kweekvaten en andere apparatuur zullen ook gevolgen hebben voor de hoogte van het risico voor de gezondheid van de mens en het milieu. Geavanceerde afgesloten fermentatievaten kunnen de blootstelling en derhalve het aan een GGM verbonden risico sterk beperken. De betrouwbaarheid en de mogelijke storingsfrequentie van dergelijke apparatuur moeten een rol spelen wanneer storingen tot een hoge blootstelling aan schadelijke GGM's kunnen leiden. Wanneer dergelijke storingen redelijkerwijs te voorzien zijn, kunnen extra inperkingsmaatregelen nodig zijn. De standaardwerkvoorschriften voor personen die met gekweekte GGM's werken, bijvoorbeeld voor het centrifugeren of de ultrasoonbehandeling, zullen significante gevolgen hebben voor de effectiviteit van toegepaste inperkingsmaatregelen.

Naast de fysieke kweekomstandigheden die als inperkingsmaatregelen fungeren, kunnen ook de biologische en chemische maatregelen die voor de bescherming van de werkzaamheden worden gebruikt, een belangrijke bijdrage tot de vereiste inperkingsmaatregelen leveren. Als voorbeeld van biologische inperking kunnen auxotrofe mutanten worden genoemd, die specifieke groeifactoren moeten krijgen om te kunnen groeien. Als chemische inperkingsmaatregel kan het gebruik van oplossingen van desinfecterende stoffen in afwateringssystemen worden genoemd.

Krachtens bijlage III, punt 7, onder i), moet bij de beoordeling van de kans dat schadelijke effecten optreden en de ernst daarvan rekening worden gehouden met de kenmerken van het milieu dat wellicht zal worden blootgesteld en de ernst van het effect.

Bij deze inachtneming van het milieu zijn er verschillende belangrijke aspecten, zoals de omvang en aard van de milieublootstelling en de vraag of er in het blootgestelde gebied biota zijn die schadelijke gevolgen van het specifieke GGM kunnen ondervinden.

Bij de beoordeling van de invloed van de kenmerken van het ontvangende milieu op de kans dat de mogelijke schadelijke effecten zich voordoen en derhalve de hoogte van het risico en de keuze van de controlemaatregelen, moet waar nodig rekening worden gehouden met de volgende factoren.

3.4.3.1. Het milieu dat wellicht zal worden blootgesteld

Het milieu dat wellicht zal worden blootgesteld, zal in de meeste gevallen waarschijnlijk beperkt blijven tot de omgeving van de werkplek en de directe omgeving van de installatie, maar afhankelijk van de specifieke kenmerken van het ingeperkte gebruik en de installatie moet er wellicht een ruimere omgeving in acht worden genomen. De mate van milieublootstelling kan door de aard en schaal van de activiteit worden beïnvloed, maar er moet ook worden gekeken naar alle mogelijke wijzen van overdracht naar een ruimere omgeving. Daarbij kan het gaan om fysische processen (zoals lokale afvoeren, wateren, afvalverwerking en luchtverplaatsing) en biologische vectoren (zoals besmette dieren en insecten die zich verplaatsen).

3.4.3.2. Aanwezigheid van kwetsbare soorten

Om te bepalen of er werkelijk schade wordt aangericht, moet er worden bezien of er in het milieu dat wellicht zal worden blootgesteld kwetsbare soorten (mensen, dieren of planten) aanwezig zijn.

3.4.3.3. Overlevingskansen van het GGM in het milieu

Een belangrijke factor bij de risicobeoordeling is de mate waarin het GGM in het milieu kan overleven. De kans op schade wordt aanzienlijk beperkt als een GGM niet kan overleven in het milieu waarin het terecht kan komen.

3.4.3.4. Effecten op het fysische milieu

Naast de directe schadelijke effecten van een GGM moet er ook worden gekeken naar de indirecte schadelijke effecten doordat de fysisch-chemische eigenschappen en/of de ecologische balans van het bodem- of watercompartiment van het milieu significant worden gewijzigd.

4. PROCEDURE 2

4.1. Bepaling van de definitieve indeling en inperkingsmaatregelen

Wanneer de ernst van alle mogelijke schadelijke effecten en de kans dat deze zich voordoen zijn geëvalueerd en is gekeken naar de effecten van de inperkings- en controlemaatregelen die verbonden zijn aan de voorlopige indeling van de recipiënt, kunnen de definitieve indeling en inperkingsmaatregelen voor het GGM worden bepaald. Bij de overweging van de definitieve indeling en inperkingsmaatregelen moet worden nagegaan of de voorlopige indeling gelet op de activiteiten en de kenmerken van de werkzaamheden die worden voorgenomen, correct was. Een vergelijking van de voorlopige indeling en bijbehorende inperkingsmaatregelen met de definitieve indeling en inperkingsmaatregelen kan drie resultaten opleveren:

- er zijn schadelijke effecten waarmee bij de voorlopige indeling niet voldoende rekening is gehouden en die met de voorlopige inperkingsmaatregelen volgens procedure 1 niet afdoende worden ingeperkt; dit betekent dat er extra inperkingsmaatregelen moeten worden genomen en dat de indeling van de activiteit wellicht moet worden herzien;

- de voorlopige indeling was correct en met de bijbehorende inperkingsmaatregelen wordt schade aan de gezondheid van de mens of het milieu afdoende voorkomen of tot een minimum beperkt;

- de voorlopige indeling is hoger dan voor de activiteit nodig is en derhalve volstaat een lagere indeling met bijbehorende inperkingsmaatregelen.

4.2. Bevestiging dat de definitieve inperkingsmaatregelen afdoende zijn

Wanneer het voorstel voor de definitieve indeling en inperkingsmaaregelen vaststaat, moet de mate van blootstelling van mens en milieu opnieuw worden bepaald (procedure 1). Hierdoor moet worden bevestigd dat de kans dat schadelijke effecten zich voordoen, rekening houdend met de aard en de schaal van de werkzaamheden en de voorgestelde inperkingsmaatregelen, aanvaardbaar klein is. Wanneer dit is gebeurd, is het risicobeoordelingsproces voltooid.

Overeenkomstig artikel 6, lid 2, van de richtlijn moet de risicobeoordeling, als de aard of schaal van de werkzaamheden significant verandert of nieuwe wetenschappelijke of technische kennis beschikbaar komt, in het licht van de wijzigingen opnieuw worden bezien. Wijzigingen in de inperkingsmaatregelen die naar aanleiding van de herziening van de risicobeoordeling nodig worden geacht, moeten onmiddellijk worden toegepast om een adequate bescherming van mens en milieu te handhaven.

De indeling en inperkings- en controlemaatregelen waarvan bij de risicobeoordeling is gebleken dat ze nodig zijn om het GGM tijdens de voorgenomen werkzaamheden afdoende in te perken, leiden tot de indeling van de activiteiten met ingeperkt gebruik in klasse 1 - 4. In bijlage IV van de richtlijn wordt een gedetailleerd overzicht gegeven van de inperkings- en controlemaatregelen voor elke klasse ingeperkt gebruik.

De indeling van de activiteiten met ingeperkt gebruik voor het GGM is bepalend voor de administratieve voorschriften.

Als er enige onzekerheid omtrent de definitieve indeling en inperkingsmaatregelen bestaat, is het raadzaam contact op te nemen met de bevoegde instantie.

(1) PB L 374 van 31.12.1990, blz. 1.

Top