EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 31999Y0507(02)

Advies van de Europese Centrale Bank op verzoek van de Raad van de Europese Unie, overeenkomstig artikel 109 L, lid 4, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, inzake een voorstel voor een besluit van de Raad betreffende de monetaire regelingen in de Franse territoriale gemeenschappen Saint-Pierre-et-Miquelon en Mayotte

OJ C 127, 7.5.1999, p. 5 (ES, DA, DE, EL, EN, FR, IT, NL, PT, FI, SV)

No longer in force, Date of end of validity: 31/12/1998

31999Y0507(02)

Advies van de Europese Centrale Bank op verzoek van de Raad van de Europese Unie, overeenkomstig artikel 109 L, lid 4, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, inzake een voorstel voor een besluit van de Raad betreffende de monetaire regelingen in de Franse territoriale gemeenschappen Saint-Pierre-et-Miquelon en Mayotte

Publicatieblad Nr. C 127 van 07/05/1999 blz. 0005


ADVIES VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK

op verzoek van de Raad van de Europese Unie, overeenkomstig artikel 109 L, lid 4, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, inzake een voorstel voor een besluit van de Raad betreffende de monetaire regelingen in de Franse territoriale gemeenschappen Saint-Pierre-et-Miquelon en Mayotte

(1999/C 127/06)

1. Op 22 december 1998 heeft de Europese Centrale Bank (ECB) een verzoek ontvangen van de Raad van de Europese Unie voor een advies van de ECB inzake een voorstel voor een besluit van de Raad betreffende de monetaire regelingen in de Franse territoriale gemeenschappen Saint-Pierre-et-Miquelon en Mayotte (COM(1998) 801 def.).

2. De bevoegdheid van de ECB om een advies uit te brengen is gebaseerd op artikel 109 L, lid 4, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (hierna verder aangeduid als het "Verdrag"). Overeenkomstig artikel 17.5, eerste zin, van het Reglement van orde van de ECB, is dit advies van de ECB goedgekeurd door de Raad van bestuur van de ECB. Het is slechts in de context van de uitzonderlijke omstandigheden met betrekking tot de overgang naar de euro dat de ECB heeft besloten aan het verzoek van de Raad te voldoen en haar advies binnen de in het raadplegingsverzoek vastgelegde zeer korte termijn uit te brengen.

3. De ontwerpversie van het besluit van de Raad is gebaseerd op artikel 109 L, lid 4, van het Verdrag en voorziet in uitbreiding van het eurogebied met de Franse territoriale gemeenschappen Saint-Pierre-et-Miquelon en Mayotte. In de ontwerpversie van het besluit wordt vastgelegd dat de euro de munteenheid zal worden van Saint-Pierre-et-Miquelon en Mayotte, in omloop zal zijn en als wettig betaalmiddel in deze gebieden zal worden erkend. Daar dit nodig is voor de invoering van de euro in Frankrijk, heeft de ontwerpversie van het besluit van de Raad eveneens tot doel rechten toe te kennen en verplichtingen op te leggen aan de ECB en de nationale centrale banken, met name de verplichting monetaire functies en verrichtingen van het Europees Stelsel van centrale banken (ESCB) uit te voeren in Saint-Pierre-et-Miquelon en Mayotte.

4. Betwijfeld mag worden of artikel 109 L, lid 4, van het Verdrag voldoende wettelijke grondslag biedt voor het uitbreiden van de toepassing van het Gemeenschapsrecht met betrekking tot de invoering van de euro tot buiten het grondgebied van de Gemeenschap en voor het opleggen van verplichtingen aan de ECB en de nationale centrale banken om in Saint-Pierre-et-Miquelon en Mayotte de functies en verrichtingen van het ESCB uit te voeren, zoals bepaald in hoofdstuk IV en artikel 16 van de Statuten van het Europees Stelsel van centrale banken en van de Europese Centrale Bank (hierna verder aangeduid als de "Statuten"). Deze gebieden maken een integraal deel uit van Frankrijk, maar vormen geen deel van de Gemeenschap. Het Verdrag, de Statuten en secundaire Gemeenschapswetgeving zijn niet automatisch of rechtstreeks van kracht in deze gebieden. Artikel 105, lid 2, van het Verdrag, bijvoorbeeld, beperkt de fundamentele taken van het ESCB, zoals het bepalen en ten uitvoer leggen van het monetair beleid, tot het grondgebied van de Gemeenschap. Artikel 109 L, lid 4, schept bovendien slechts verplichtingen in een deel van de Gemeenschap, te weten de lidstaten die de eenheidsmunt hebben ingevoerd. Volgens het Gemeenschapsrecht hebben voornoemde overzeese gebieden een speciale status.

5. De ECB constateert een duidelijke tegenspraak tussen artikel 6 en artikel 3 van de ontwerpversie van het besluit van de Raad: hoewel artikel 6 aangeeft dat het besluit van de Raad is gericht tot Frankrijk, legt artikel 3 verplichtingen op aan de ECB en de nationale centrale banken. Logisch gezien kunnen tot Frankrijk gerichte besluiten noch aan de ECB noch aan de nationale centrale banken verplichtingen opleggen. Vanuit juridisch oogpunt is een besluit van de Raad dat is gericht tot de ECB en de nationale centrale banken om de monetaire functies en verrichtingen van het ESCB uit te voeren buiten de Gemeenschap onverenigbaar met de onafhandelijkheid van de ECB en de nationale centrale banken zoals vastgelegd in artikel 107 van het Verdrag. De ECB is van mening dat een besluit van de Raad geen enkele verplichting kan opleggen aan de ECB en de nationale centrale banken, en stelt derhalve voor het woord "zullen" in artikel 3 van de ontwerpversie van het besluit te vervangen door "kunnen".

6. De ECB stelt met bezorgdheid vast dat een besluit van de Raad wordt gebruikt om een regeling in te voeren die toestaat dat de specifieke onderdelen van het Gemeenschapsrecht die moeten of zullen moeten worden toegepast in Saint-Pierre-et-Miquelon en Mayotte om aldaar de Economische en Monetaire Unie te laten functioneren onder de bevoegdheid van Frankrijk en haar nationale wetgeving vallen, terwijl de ECB en de Commissie van de Europese Gemeenschappen slechts zullen worden geraadpleegd. De ECB acht het van essentieel belang dat de specifieke toepassing van het relevante Gemeenschapsrecht plaatsvindt na afstemming met de ECB en de Commissie van de Europese Gemeenschappen.

7. De ECB stelt met bezorgdheid vast dat de Commissie van de Europese Gemeenschappen voorstelt het besluit van de Raad goed te keuren zonder duidelijk inzicht te hebben in de toekomstige positie en rol van het Institut d'Emission des Départements d'Outre-Mer (IEDOM), die Frankrijk voornemens is tijdig te herzien om deze in overeenstemming te brengen met de taken die bij het Verdrag en de Statuten zijn toegewezen aan het ESCB. De ECB merkt op dat alle taken die binnen de bevoegdheid van het ESCB vallen uitsluitend door de ECB en de nationale centrale banken dienen te worden uitgevoerd.

8. Dit uitzonderlijke geval van de twee Franse territoriale gemeenschappen dient niet als precedent te gelden voor eventuele toekomstige soortgelijke gevallen.

9. Dit advies wordt gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.

Gedaan te Frankfurt am Main, 30 december 1998.

Vice-president van de ECB

C. NOYER

Lid van de directie van de ECB

T. PADOA-SCHIOPPA

Top