EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 31999Y0507(01)

Advies van de Europese Centrale Bank op verzoek van de Raad van de Europese Unie, overeenkomstig artikel 109, lid 3, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, inzake drie aanbevelingen voor drie beschikkingen van de Raad ten aanzien van monetaire betrekkingen met het Vorstendom Monaco, de Republiek San Marino en Vaticaanstad

OJ C 127, 7.5.1999, p. 4 (ES, DA, DE, EL, EN, FR, IT, NL, PT, FI, SV)

No longer in force, Date of end of validity: 31/12/1998

31999Y0507(01)

Advies van de Europese Centrale Bank op verzoek van de Raad van de Europese Unie, overeenkomstig artikel 109, lid 3, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, inzake drie aanbevelingen voor drie beschikkingen van de Raad ten aanzien van monetaire betrekkingen met het Vorstendom Monaco, de Republiek San Marino en Vaticaanstad

Publicatieblad Nr. C 127 van 07/05/1999 blz. 0004


ADVIES VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK

op verzoek van de Raad van de Europese Unie, overeenkomstig artikel 109, lid 3, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, inzake drie aanbevelingen voor drie beschikkingen van de Raad ten aanzien van monetaire betrekkingen met het Vorstendom Monaco, de Republiek San Marino en Vaticaanstad

(1999/C 127/05)

1. De Europese Centrale Bank (ECB) heeft op 21 december 1998 een verzoek ontvangen van de Raad van de Europese Unie om een advies van de ECB inzake drie aanbevelingen van de Commissie van de Europese Gemeenschappen (COM(1998) 789 definitief) voor drie beschikkingen van de Raad (EG) met betrekking tot het standpunt dat de Gemeenschap zal innemen ten aanzien van een overeenkomst over de monetaire betrekkingen met respectievelijk het Vorstendom Monaco, de Republiek San Marino en Vaticaanstad.

2. De bevoegdheid van de ECB om een advies uit te brengen is gebaseerd op artikel 109, lid 3, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (hierna verder aangeduid als het "Verdrag"). Overeenkomstig artikel 17.5, eerste zin, van het Reglement van orde van de ECB, dis dit advies van de ECB goedgekeurd door de Raad van bestuur van de ECB. Het is slechts in de context van de uitzonderlijke omstandigheden med betrekking tot de overgang naar de euro, dat de ECB heeft besloten aan het verzoek van de Raad te voldoen en haar advies binnen de in het raadplegingsverzoek vastgelegde korte termijn uit te brengen.

3. De ontwerpversies van de beschikkingen van de Raad voorzien in het sluiten van overeenkomsten tussen de Gemeenschap en respectievelijk het Vorstendom Monaco, de Republiek San Marino en Vaticaanstad. De overeenkomsten hebben uitsluitend betrekking op de uitgifte en het gebruik van bankbiljetten en munten, de toegang tot betalingssystemen binnen het eurogebied en de wettige status van de euro in het Vorstendom Monaco, de Republiek San Marino en Vaticaanstad. Dit is teneinde te voldoen aan Verklaring nr. 6 bij het Verdrag, waarbij de Gemeenschap zich ertoe verbindt heronderhandelingen met het Vorstendom Monaco, de Republiek San Marino en Vaticaanstad over bestaande regelingen die als gevolg van de invoering van de eenheidsmunt noodzakelijk mochten worden, te vergemakkelijken.

4. De ECB stemt in met de reikwijdte van de monetaire betrekkingen zoals die op basis van de overeenkomsten vastgelegd in de ontwerpversies van de beschikkingen van de Raad zullen worden gevestigd. Gezien de bestaande economische betrekkingen tussen Frankrijk en het Vorstendom Monaco aan de ene kant, en Italië en de Republiek San Marino en Vaticaanstad aan de andere kant, acht de ECB het passend dat overeenkomsten worden gesloten over bankbiljetten en munten, de toegang tot betalingssystemen en de wettige status van de euro, tussen de Gemeenschap en respectievelijk het Vorstendom Monaco, de Republiek San Marino en Vaticaanstad.

5. De ECB verwelkomt het feit dat de ontwerpversies van de beschikkingen van de Raad de overdracht van bevoegdheid inzake monetaire aangelegenheden aan de Gemeenschap en de respectieve verdeling van deze bevoegdheden tussen de Raad van de Europese Unie, de Commissie van de Europese Gemeenschappen en het Europees Stelsel van centrale banken, adequaat weergeven. De ECB verwelkomt met name het feit dat voor de toegang tot betalingssystemen in het eurogebied door financiële instellingen die zijn gevestigd in het Vorstendom Monaco, de Republiek San Marino en Vaticaanstad, de instemming van de ECB is vereist; dat de ECB voor de gebieden die tot haar bevoegdheden behoren volledig betrokken zal zijn bij de onderhandelingen voor de overeenkomst; en dat de ECB bevoegd is het initiatief te nemen om de ontwerpversies van overeenkomsten ter beslissing aan de Raad voor te leggen.

6. De ECB merkt op dat noch het Verdrag noch de ontwerpversie van de beschikking van de Raad inzake Monaco de ECB de wettelijke grondslag verschaft om vanaf het begin van de derde fase minimumreserveverplichtingen en verplichtingen inzake statistische verslaglegging op te leggen aan kredietinstellingen of monetaire financiële instellingen die zijn gevestigd in het Vorstendom Monaco of om de voortzetting toe te staan van de huidige betrekkingen tussen het Vorstendom Monaco en de Banque de France als een integraal onderdeel van het Europees Stelsel van centrale banken met betrekking tot minimumreserveverplichtingen en verplichtingen inzake statistische verslaglegging. Een nieuwe bilaterale overeenkomst tussen de Gemeenschap en het Vorstendom Monaco zou in dit opzicht een aanvulling op het Verdrag kunnen zijn en derhalve zou de Raad kunnen overwegen om aan artikel 6 van de ontwerpversie van de beschikking, dat reeds voorziet in de toegang tot Franse betalingssystemen, een vermelding toe te voegen aangaande minimumreserves en verplichtingen inzake statistische verslaglegging met betrekking tot financiële instellingen die zijn gevestigd in het Vorstendom Monaco.

7. In artikel 9 van de drie ontwerpversies van de beschikkingen moeten Monaco, San Marino en het Vaticaan worden geschrapt, aangezien beschikkingen die zijn gericht tot Frankrijk en Italië geen verplichtingen aan de andere drie staten kunnen opleggen.

8. Dit advies wordt gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.

Gedaan te Frankfurt am Main, 30 december 1998.

Vice-president van de ECB

C. NOYER

Lid van de directie van de ECB

T. PADOA-SCHIOPPA

Top