Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 31999D0436

1999/436/EG: Besluit van de Raad van 20 mei 1999 tot vaststelling, in overeenstemming met de desbetreffende bepalingen van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap en het Verdrag betreffende de Europese Unie, van de rechtsgrondslagen van elk van de bepalingen of besluiten die het Schengen-acquis vormen

OJ L 176, 10.7.1999, p. 17–30 (ES, DA, DE, EL, EN, FR, IT, NL, PT, FI, SV)
Special edition in Czech: Chapter 19 Volume 001 P. 152 - 164
Special edition in Estonian: Chapter 19 Volume 001 P. 152 - 164
Special edition in Latvian: Chapter 19 Volume 001 P. 152 - 164
Special edition in Lithuanian: Chapter 19 Volume 001 P. 152 - 164
Special edition in Hungarian Chapter 19 Volume 001 P. 152 - 164
Special edition in Maltese: Chapter 19 Volume 001 P. 152 - 164
Special edition in Polish: Chapter 19 Volume 001 P. 152 - 164
Special edition in Slovak: Chapter 19 Volume 001 P. 152 - 164
Special edition in Slovene: Chapter 19 Volume 001 P. 152 - 164
Special edition in Bulgarian: Chapter 19 Volume 001 P. 107 - 119
Special edition in Romanian: Chapter 19 Volume 001 P. 107 - 119
Special edition in Croatian: Chapter 19 Volume 008 P. 19 - 31

In force

ELI: http://data.europa.eu/eli/dec/1999/436/oj

31999D0436

1999/436/EG: Besluit van de Raad van 20 mei 1999 tot vaststelling, in overeenstemming met de desbetreffende bepalingen van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap en het Verdrag betreffende de Europese Unie, van de rechtsgrondslagen van elk van de bepalingen of besluiten die het Schengen-acquis vormen

Publicatieblad Nr. L 176 van 10/07/1999 blz. 0017 - 0030


BESLUIT VAN DE RAAD

van 20 mei 1999

tot vaststelling, in overeenstemming met de desbetreffende bepalingen van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap en het Verdrag betreffende de Europese Unie, van de rechtsgrondslagen van elk van de bepalingen of besluiten die het Schengen-acquis vormen

(1999/436/EG)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op artikel 2, lid 1, tweede alinea, tweede zin, van het Protocol gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, tot opneming van het Schengen-acquis in het kader van de Europese Unie (hierna te noemen het "Schengen-Protocol");

(1) Overwegende dat overeenkomstig artikel 2, lid 1, eerste alinea, van het Schengen-Protocol, het Schengen-acquis zoals omschreven in de bijlage bij het Protocol, vanaf de datum van inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam en onverminderd het bepaalde in lid 2 van artikel 2 van het Protocol, met onmiddelijke ingang van toepassing zal zijn op de dertien in artikel 1 van het Protocol genoemde lidstaten;

(2) Overwegende dat dit besluit het voortbestaan van de wettelijke verplichtingen uit hoofde van de Uitvoeringsovereenkomst van 1990 volstrekt onverlet laat;

(3) Overwegende dat een van de doelstellingen van de bevoegdheid die de Raad krachtens artikel 2, lid 1, tweede alinea, van het Schengen-Protocol heeft om met eenparigheid van stemmen en in overeenstemming met de desbetreffende bepalingen van de Verdragen de rechtsgrondslagen vast te stellen voor elk van de bepalingen en besluiten die het Schengen-acquis vormen, bestaat in het bepalen van de rechtsgrondslagen van toekomstige voorstellen en initiatieven tot wijziging van of om voort te bouwen op het Schengen-acquis, zoals beoogd in artikel 5, lid 1, eerste alinea, van het Schengen-Protocol, waarop de toepasselijke bepalingen van de Verdragen van toepassing zullen zijn, met inbegrip van de bepalingen inzake de vorm van het aan te nemen rechtsbesluit en de procedure voor de aanneming ervan;

(4) Overwegende dat sommige bepalingen van de Overeenkomst van Schengen van 1990 de overeenkomstsluitende staten verplichten sancties in te voeren voor de daadwerkelijke handhaving ervan zonder dat evenwel harmonisatie van deze sancties vereist is; overwegende dat derhalve de vast te stellen rechtsgrondslag van deze bepalingen de grondslag moet zijn die is vastgesteld voor de regels, op overtreding waarvan sancties moeten staan, zonder afbreuk te doen aan de rechtsgrondslag van toekomstige maatregelen ter harmonisering van de sancties;

(5) Overwegende dat de vaststelling van een rechtsgrondslag in overeenstemming met de destbetreffende bepalingen van de Verdragen voor elk van de bepalingen of besluiten die het Schengen-acquis vormen, de uitoefening van de verantwoordelijkheden die de lidstaten hebben krachtens artikel 64 van het VEG en artikel 33 van het VEU ten aanzien van de handhaving van de openbare orde en de bescherming van de binnelandse veiligheid, onverlet laat;

(6) Overwegende dat de vaststelling van een rechtsgrondslag in overeenstemming met de desbetreffende bepalingen van de Verdragen voor elk van de bepalingen of besluiten die het Schengen-acquis vormen, of de vaststelling dat een rechtsgrondslag voor deze bepalingen of besluiten niet noodzakelijk is, geen abfreuk doet aan het recht van de lidstaten om controles uit te voeren op goederen die verband houden met door de lidstaten uitgevaardigde verboden of beperkingen, indien deze controles verenigbaar zijn met det Gemeenschapsrecht;

(7) Overwegende dat de vaststelling van een rechtsgrondslag, in overeenstemming met het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, voor bepalingen van de Overeenkomst van 1990 van Schengen die in het bijzonder betrekking hebben op de voorwaarden voor toegang tot het grondgebied van de overeenkomstsluitende partijen of voor het afgeven van visa, de huidige regelgeving ten aanzien van het vraagstuk van de erkenning van de geldigheid van reisdocumenten onverlet laat;

(8) Overwegende dat de rechten en plichten van Denemarken worden geregeld in artikel 3 van het Protocol tot opneming van het Schengen-acquis in het kader van de Europese Unie, en in de artikelen 1 tot en met 5 van het Protocol betreffende de positie van Denemarken;

(9) Overwegende dat bij de opneming van Schengen in de Europese Unie rekening moet worden gehouden met de verbanden tussen het Protocol betreffende de positie van Denemarken, het Protocol betreffende de positie van het Verenigd Koninkrijk en Ierland ten aanzien van bepaalde aspecten van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap en van het Verdrag betreffende de Europese Unie, en het Protocol tot opneming van het Schengen-acquis in het kader van de Europese Unie, dat de basis vormt voor diverse vormen van overname van en deelneming aan het Schengen-acquis alsmede de verdere ontwikkeling daarvan;

(10) Overwegende dat in het Schengen-Protocol zelf wordt bepaald dat de Republiek IJsland en het Koninkrijk Noorwegen bij de uitvoering van het Schengen-acquis en de verdere ontwikkeling ervan worden betrokken op basis van de op 19 december 1996 te Luxemburg ondertekende overeenkomst;

(11) Overwegende dat de wetgevingsbesluiten die krachtens een voorstel of een initiatief tot het verder ontwikkelen van het Schengen-acquis worden vastgesteld, in de overwegingen een verwijzing naar het Schengen-Protocol moeten bevatten, zodat rechtszekerheid kan worden gewaarborgd en de tot het Schengen-Protocol behorende bepalingen te allen tijde kunnen worden toegepast;

(12) Overwegende dat, gelet op artikel 134 van de Schengen-Uitvoeringsovereenkomst, de integratie van het Schengen-acquis in het kader van de Europese Gemeenschap de bevoegdheid van de lidstaten met betrekking tot de erkenning van staten en territoriale eenheden, hun autoriteiten en reis- en andere documenten die door hen zijn afgegeven, onverlet laat,

BESLUIT:

Artikel 1

In dit besluit worden de rechtsgrondslagen vastgesteld van elk van de bepalingen en besluiten die het Schengen-acquis vormen en die in de bijlagen A-D staan opgesomd, met uitzondering van de bepalingen en besluiten waarvoor de Raad, uit hoofde van artikel 2, lid 1, tweede alinea, tweede zin, van het Schengen-Protocol, heeft bepaald dat een rechtsgrondslag niet nodig is.

Artikel 2

De rechtsgrondslagen van de bepalingen van de op 19 juni 1990 te Schengen ondertekende Overeenkomst tussen het Koninkrijk België, de Bondsrepubliek Duitsland, de Franse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden, ter uitvoering van het op 14 juni 1985 te Schengen gesloten Akkoord betreffende de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen (hierna "de Schengen-Overeenkomst" genoemd), met bijbehorende Slotakte, worden overeenkomstig bijlage A vastgesteld.

Artikel 3

De rechtsgrondslagen van de bepalingen van de Overeenkomsten inzake de toetreding tot de Schengen-Overeenkomst die gesloten zijn met de Italiaanse Republiek (op 27 november 1990 ondertekend te Parijs), het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek (op 25 juni 1991 ondertekend te Bonn), de Helleense Republiek (op 6 november 1992 ondertekend te Madrid), de Republiek Oostenrijk (op 28 april 1995 ondertekend te Brussel) en het Koninkrijk Denemarken, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden (op 19 december 1996 ondertekend te Luxemburg), met de bijbehorende Slotakten en verklaringen, worden overeenkomstig bijlage B vastgesteld.

Artikel 4

De rechtsgrondslagen van de besluiten en verklaringen van het Uitvoerend Comité dat is ingesteld bij de Schengen-Overeenkomst worden overeenkomstig bijlage C vastgesteld.

Artikel 5

De rechtsgrondslagen van de rechtsbesluiten die voor de uitvoering van de Schengen-overeenkomst zijn aangenomen door de instanties waaraan het Uitvoerend Comité beslissingsbevoegdheid heeft verleend, worden overeenkomstig bijlage D vastgesteld.

Artikel 6

Ten aanzien van de in artikel 1 van het Protocol tot opneming van het Schengen-acquis in het kader van de Europese Unie genoemde lidstaten is het territoriale toepassingsgebied van de bepalingen of besluiten die het Schengen-acquis vormen, waarvoor de Raad op basis van artikel 2, lid 1, tweede zin, van bovengenoemd Protocol een rechtsgrondslag in titel IV van het derde deel van het EG-Verdrag heeft vastgesteld, en het territoriale toepassingsgebied van maatregelen die op dergelijke bepalingen of besluiten zijn gebaseerd of deze wijzigen, het toepassingsgebied dat is vastgesteld in artikel 138 van de Schengen-overeenkomst van 1990 en in de desbetreffende bepalingen in de akten van toetreding tot die Overeenkomst.

Artikel 7

Dit besluit doet geen afbreuk aan de bevoegdheid van de lidstaten tot het erkennen van staten en territoriale eenheden, alsmede van paspoorten, reis- en identiteitsdocumenten die door de autoriteiten daarvan zijn afgeven.

Artikel 8

De besluiten die krachtens een voorstel of een initiatief tot het verder ontwikkelen van het Schengen-acquis worden vastgesteld, moeten in de overwegingen een verwijzing naar het Schengen-Protocol bevatten.

Artikel 9

Dit besluit treedt onmiddellijk in werking.

Het wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.

Gedaan te Brussel, 20 mei 1999.

Voor de Raad

De voorzitter

E. BULMAHN

BIJLAGE A

Artikel 2

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

BIJLAGE B

Artikel 3

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

BIJLAGE C

Artikel 4

INDELING VAN DE BESLUITEN EN VERKLARINGEN VAN HET UITVOEREND COMITÉ

Besluiten van het Uitvoerend Comité

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

Verklaringen van het uitvoerend Comité

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

BIJLAGE D

Artikel 5

BESLUITEN VAN DE CENTRALE GROEP

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

VERKLARINGEN

1. Verklaring van de Raad bij de aanneming van het besluit:

"Onverminderd de vaststelling van de rechtsgrondslagen voor artikel 2, leden 2 en 3, artikel 4, leden 1 tot en met 3, artikel 5, lid 1, onder e), en artikel 8 van de Schengen-overeenkomst, in overeenstemming met de desbetreffende bepalingen van de Verdragen, wordt geen afbreuk gedaan aan de verantwoordelijkheden en bevoegdheden van de lidstaten inzake controlemaatregelen, waaronder de grensbewaking, die ertoe strekken de openbare orde te handhaven en de binnenlandse veiligheid te beschermen, zulks in overeenstemming met het nationale recht en met gebruikmaking van de hen ter beschikking staande middelen.".

2. Verklaring van de lidstaten in het kader van de Raad met betrekking tot de in artikel 1 van het Schengen-Protocol vermelde lidstaten:

"De opneming van de eerste verklaring van de Slotakte van de Schengen-overeenkomst in dit besluit moet in die zin worden uitgelegd dat het besluit waarbij wordt vastgesteld dat een tot de EU toetredend land in staat is het Schengen-acquis toe te passen, zodat de controles aan de binnengrenzen kunnen worden afgeschaft, met eenparigheid van stemmen wordt genomen door de Raad bestaand uit de in artikel 1 van het Schengen-Protocol genoemde lidstaten"

3. Verklaring van de Comissie:

Verklaring betreffende de permanente beoordelings- en toepassingscommissie

"Overeenkomstig artikel 1 van het Protocol tot opneming van het Schengen-acquis in het kader van de Europese Unie, vindt de nauwere Schengen-samenwerking plaats 'binnen het institutionele en juridische kader van de Europese Unie en met inachtneming van de toepasselijke bepalingen van het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap'. De Commissie is dan ook van mening dat de opneming van het besluit van het Uitvoerend Comité tot oprichting van een permanente beoordelings- en toepassingscommissie inzake Schengen (SCH/Com-ex (98) 26 def. van 16.9.1998) in het kader van de Unie, geenszins afbreuk doet aan de bevoegdheden die haar door de Verdragen worden toegekend, met name wat haar verantwoordelijkheid als hoedster van de Verdragen betreft."

4. Verklaring van de Nederlandse delegatie bij de aanneming van het besluit van de Raad tot vaststelling van de rechtsgrondslag voor de opneming van het Schengen-acquis:

"Nederland is van oordeel dat bepalingen van Titel IV van deel III van het EG-Verdrag als rechtsgrondslag dienen te worden vastgesteld voor een aantal van de besluiten en bepalingen uit het Schengen-acquis met betrekking tot het Schengen Informatie Systeem, aangezien deze betrekking hebben op vreemdelingsrechtelijke aspecten van het vrij personenverkeer."

België sluit zich bij de verklaring van de Nederlandse delegatie aan.

Top