Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 31998R1687

Verordening (EG) nr. 1687/98 van de Raad van 20 juli 1998 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1749/96 van de Commissie ten aanzien van de goederen- en dienstendekking van het geharmoniseerde indexcijfer van de consumptieprijzen

OJ L 214, 31.7.1998, p. 12–22 (ES, DA, DE, EL, EN, FR, IT, NL, PT, FI, SV)
Special edition in Czech: Chapter 10 Volume 001 P. 119 - 129
Special edition in Estonian: Chapter 10 Volume 001 P. 119 - 129
Special edition in Latvian: Chapter 10 Volume 001 P. 119 - 129
Special edition in Lithuanian: Chapter 10 Volume 001 P. 119 - 129
Special edition in Hungarian Chapter 10 Volume 001 P. 119 - 129
Special edition in Maltese: Chapter 10 Volume 001 P. 119 - 129
Special edition in Polish: Chapter 10 Volume 001 P. 119 - 129
Special edition in Slovak: Chapter 10 Volume 001 P. 119 - 129
Special edition in Slovene: Chapter 10 Volume 001 P. 119 - 129
Special edition in Bulgarian: Chapter 10 Volume 001 P. 120 - 130
Special edition in Romanian: Chapter 10 Volume 001 P. 120 - 130
Special edition in Croatian: Chapter 10 Volume 001 P. 38 - 48

In force

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/1998/1687/oj

31998R1687

Verordening (EG) nr. 1687/98 van de Raad van 20 juli 1998 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1749/96 van de Commissie ten aanzien van de goederen- en dienstendekking van het geharmoniseerde indexcijfer van de consumptieprijzen

Publicatieblad Nr. L 214 van 31/07/1998 blz. 0012 - 0022


VERORDENING (EG) Nr. 1687/98 VAN DE RAAD van 20 juli 1998 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1749/96 van de Commissie ten aanzien van de goederen- en dienstendekking van het geharmoniseerde indexcijfer van de consumptieprijzen

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 2494/95 van de Raad van 23 oktober 1995 inzake geharmoniseerde indexcijfers van de consumptieprijzen (1), inzonderheid op artikel 4 en artikel 5, lid 3,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van de Europese Centrale Bank (2),

Overwegende dat ingevolge artikel 5, lid 1, onder b), van Verordening (EG) nr. 2494/95 iedere lidstaat verplicht is een geharmoniseerd indexcijfer van de consumptieprijzen (GICP) vast te stellen, te beginnen met dat voor januari 1997; dat de eis om GICP's vast te stellen niets afdoet aan het recht van de lidstaten om hun nationale, niet geharmoniseerde inflatieindexcijfers bekend te maken die zij eventueel voor nationale beleidsdoeleinden wensen te gebruiken;

Overwegende dat in Verordening (EG) nr. 1749/96 van de Commissie van 9 september 1996 inzake initiële maatregelen tot uitvoering van Verordening (EEG) nr. 2494/95 van de Raad inzake geharmoniseerde indexcijfers van de consumptieprijzen (3) de initiële dekking van de GICP's werd vastgesteld en dat die beperkt was tot goederen en diensten die werden bestreken door alle of de meeste nationale indexcijfers van de consumptieprijzen (ICP's); dat ten aanzien van de voor het GICP in aanmerking te nemen prijzen, en met name voor de behandeling van subsidies, kortingen en vergoedingen, geharmoniseerde definities nodig zijn; dat de dekking van de GICP's, geografisch en wat de populatie betreft, nog moet worden gespecificeerd;

Overwegende dat het GICP ingevolge artikel 3 van Verordening (EG) nr. 2494/95 gebaseerd moet zijn op de prijzen van goederen en diensten die in het economisch gebied van de lidstaat gekocht kunnen worden voor de rechtstreekse bevrediging van de behoeften van de consumenten; dat niet werkelijk door de consument bij dergelijke aankopen betaalde prijzen, alternatieve kosten en rentebetalingen niet geschikt zijn voor internationale vergelijkingen van de inflatie van de consumptieprijzen;

Overwegende dat wijzigingen in vergoedingen niet van invloed hoeven te zijn op de omvang van de inflatie in ruimere zin, maar dat zij een wezenlijk onderdeel uitmaken van het inflatieproces waardoor de consument getroffen wordt, zodat zij in het GICP in aanmerking moeten worden genomen;

Overwegende dat het statistisch programma van het Comité niet binnen de door de voorzitter gestelde termijn advies heeft uitgebracht, dat een voorstel voor de beoogde maatregelen in overeenstemming met artikel 14, lid 2, van Verordening (EG) nr. 2494/95 door de Commissie zonder uitstel aan de Raad voorgelegd moet worden,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Verordening (EG) nr. 1749/96 wordt als volgt gewijzigd:

1. bijlage I wordt vervangen door de bijlagen Ia en Ib van deze verordening;

2. in het eerste streepje van artikel 1 wordt het woord "initiële" geschrapt;

3. in artikel 2 wordt punt a) vervangen door:

"a1) "Dekking" voor het GICP: de goederen en diensten die deel uitmaken van de monetaire consumptieve bestedingen van de huishoudens als bedoeld in punt a2). Er wordt een classificatie gebruikt die overeenkomt met de in bijlage Ia opgenomen categorieën en subcategorieën (vier cijfers); deze is op de internationale COICOP-classificatie gebaseerd en wordt COICOP/GICP (classificatie van individuele verbruiksfuncties, zoals aangepast aan de behoeften van de GICP's) genoemd.

a2) "Monetaire consumptieve bestedingen van de huishoudens": het gedeelte van de consumptieve bestedingen dat huishoudens in monetaire transacties hebben verricht in een van beide of in beide periodes die worden vergeleken; ze worden gespecificeerd in bijlage Ib. Tenzij anderszins bepaald volgt bijlage Ib de definities die zijn neergelegd in het Europese Systeem van Rekeningen (ESR) 1995 van Verordening (EG) nr. 2223/96 van de Raad (*). De "monetaire consumptieve bestedingen van de huishoudens" bestaan uit de uitgaven voor goederen en diensten die worden gebruikt voor de rechtstreekse bevrediging van de behoeften en wensen van:

a2a) ingezeten huishoudens op het nationale grondgebied of in het buitenland, of

a2b) ingezeten en niet-ingezeten huishoudens op het nationale grondgebied, of

a2c) de populatie van huishoudens binnen het waarnemingsgebied van het nationale huishoudbudgetonderzoek.

a3) De voor het GICP gebruikte prijzen zijn de door de huishoudens betaalde aankoopprijzen voor de aankoop, in monetaire transacties, van individuele goederen en diensten. Wanneer voor goederen en diensten die consumenten eerst gratis kregen, vervolgens de werkelijke prijs in rekening wordt gebracht, moet deze verandering van een prijs nul naar de werkelijke prijs, en omgekeerd, in het GICP in aanmerking worden genomen.

a4) De "gewichten" van het GICP zijn de verzamelde uitgaven van huishoudens voor elk van de door het GICP bestreken categorieën goederen en diensten, uitgedrukt als het aandeel in de totale uitgaven voor alle door het GICP bestreken goederen en diensten.

(*) PB L 310 van 13. 11. 1996, blz. 1.".

4. artikel 3 wordt vervangen door:

"Artikel 3

Dekking

1. GICP's die zijn samengesteld uit prijswijzigingen en gewichten voor elke in bijlage Ia genoemde categorie monetaire consumptieve bestedingen van huishoudens, waarvoor de uitgaven meer bedragen dan een duizendste van het totaal der uitgaven voor alle in aanmerking genomen categorieën als gespecificeerd in lid 2, worden als vergelijkbaar beschouwd.

2. De dekking van het GICP wordt als volgt uitgebreid:

a) met ingang van de vaststelling van het GICP voor januari 1997 verwerken de lidstaten de gegevens die verzameld zijn voor de categorieën die in bijlage Ia met "initiële dekking" zijn gemerkt;

b) met ingang van de vaststelling van het GICP voor december 1999, maar niet eerder, verwerken de lidstaten de gegevens die zijn verzameld voor de categorieën die in bijlage Ia met "december 1999" zijn gemerkt.";

5. in artikel 4 wordt "bijlage I" vervangen door "bijlage Ia"

Artikel 2

Rekening houdend met de mening van het krachtens Besluit 89/382/EEG, Euratom (4) opgerichte Comité, stelt de Commissie binnen twee jaar na de inwerkingtreding van deze verordening een verslag op dat zij aan de Raad voorlegt. In het verslag staat een evaluatie van de werking van de bepalingen van deze verordening, in het bijzonder de monetaire consumptieve bestedingen van de huishoudens in vergelijking met relevante alternatieve concepten. Als vervolg op dit verslag kan de Commissie, indien noodzakelijk, aan de Raad de nodige initiatieven voor de wijziging van deze verordening voorleggen.

Artikel 3

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 20 juli 1998.

Voor de Raad

De Voorzitter

W. MOLTERER

(1) PB L 257 van 27. 10. 1995, blz. 1.

(2) Advies uitgebracht op 14 juli 1998 (Nog niet verschenen in het Publicatieblad).

(3) PB L 229 van 10. 9. 1996, blz. 3.

(4) PB L 181 van 28. 6. 1989, blz. 47.

BIJLAGE Ia

Onderstaande COICOP/GICP-categorieën maken deel uit van het GICP:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

BIJLAGE Ib

A. DEFINITIE VAN MONETAIRE CONSUMPTIEVE BESTEDINGEN VAN DE HUISHOUDENS

1. De sector huishoudens omvat personen of groepen van personen (zoals gedefinieerd in ESR 2.76.a en 2.76.b); hiertoe kunnen institutionele huishoudens (zoals gedefinieerd in ESR 2.76.b) behoren, maar dit hoeft niet.

2. Een ingezeten huishouden heeft zijn economisch belangencentrum in het economisch gebied van de lidstaat, die territoriale en extraterritoriale enclaves (zoals gedefinieerd in ESR 2.04 tot en met 2.07) kan, maar niet behoeft te omvatten.

3. Een monetaire transactie is een economische stroom, d.w.z. een interactie met wederzijdse instemming tussen institutionele eenheden, waarbij de betrokken eenheden geld betalen of ontvangen, dan wel in geld uitgedrukte schulden aangaan of vorderingen verwerven. Volgens afspraak wordt het ophalen van huisvuil als interactie met wederzijdse instemming beschouwd. Transacties die geen overdracht van contant geld noch in geld luidende activa of passiva behelzen, zijn niet-monetaire transacties. Interne transacties zijn gewoonlijk niet-monetair. Niet-monetaire transacties tussen twee of meer institutionele eenheden komen voor bij de transacties in producten (ruil), verdelingstransacties (lonen en overdrachten in natura enz.) en overige transacties (ruil van niet-geproduceerde, niet-financiële activa).

De monetaire consumptieve bestedingen van de huishoudens omvatten de volgende grensgevallen:

4. Ze omvatten posten die niet als intermediair verbruik worden behandeld, zoals materiaal voor kleine reparaties aan woningen en voor de inrichting van woningen, die gewoonlijk zowel door huurders als door eigenaren worden verricht, en materiaal voor reparaties en onderhoud van duurzame consumptiegoederen, inclusief voertuigen.

5. Ze omvatten posten die niet als investeringen worden behandeld, met name duurzame consumptiegoederen die gedurende diverse verslagperioden in gebruik blijven; hiertoe behoort de eigendomsoverdracht van bepaalde duurzame goederen door een onderneming aan een huishouden.

6. Ze omvatten rechtstreeks in rekening gebrachte financiële diensten.

7. Ze omvatten verzekeringsdiensten voor schadeverzekeringen ter waarde van de impliciet in rekening gebrachte vergoeding voor de dienst.

8. Ze omvatten alle uitgaven die worden gefinancierd uit schadeverzekeringsuitkeringen, inclusief rechtstreekse betalingen van verzekeringsmaatschappijen aan garages, ziekenhuizen, dokters enz. Dit betekent dat de volledige door de huishoudens of de verzekeringsmaatschappijen aan garages, ziekenhuizen, dokters enz. betaalde prijs door het GICP wordt bestreken.

Schadeverzekeringsuitkeringen zijn de bedragen die verzekeringsmaatschappijen moeten uitkeren ter compensatie van letsel van personen of schade aan goederen. Het gaat hierbij om inkomensoverdrachten van de verzekeringsmaatschappijen aan de ontvangende huishoudens, die dan ook deel uitmaken van het beschikbaar inkomen van die huishoudens. Uitgaven die voortvloeien uit bijvoorbeeld betalingen aan garages, ziekenhuizen of dokters worden geacht door de huishoudens te zijn gedaan en niet door de verzekeringsmaatschappijen. Het is niet van belang of de huishoudens de uitgaven ook werkelijk hebben gedaan vóórdat de uitkering plaatsvond, wat dan lijkt op een vergoeding door de sociale verzekering, of dat de betalingen rechtstreeks door de verzekeringsmaatschappijen aan de garages, ziekenhuizen enz. zijn gedaan. In dat geval gelden de maatschappijen enkel als tussenpersoon ten behoeve van de huishoudens, die toch worden geacht de uitgaven zelf te hebben gedaan.

9. Ze omvatten betalingen van huishoudens voor vergunningen enz., die als aankopen van diensten worden beschouwd. Indien de overheid de afgifte van vergunningen gebruikt als middel om op enigerlei wijze regulerend op te treden (verificatie van de competentie of de kwalificaties van de betrokkene), dienen de betalingen te worden behandeld als aankoop van diensten van de overheid en moeten de prijzen bij het GICP in aanmerking worden genomen. Wanneer de vergunningen evenwel automatisch worden afgegeven tegen betaling van het verschuldigde bedrag, wordt deze beschouwd als een belasting en niet als een prijs. Rijbewijzen, vliegbrevetten, kijk- en luistergelden, wapenvergunningen, toegangskaarten voor musea, bibliotheekkaarten, huisvuilrechten enz. worden in de meeste gevallen als aankoop van diensten van de overheid beschouwd, maar vergunningen voor het gebruik van auto's, boten of vliegtuigen meestal als belastingen.

10. Ze omvatten de aankoop van output tegen een economisch niet-significante prijs, bijvoorbeeld toegangskaarten voor musea.

De monetaire consumptieve bestedingen van de huishoudens omvatten niet de volgende grensgevallen:

11. Ze omvatten geen inkomen in natura omdat het geen monetaire transactie betreft (hoewel het volgens ESR 3.76.b wel tot de consumptieve bestedingen behoort).

12. a) Ze omvatten geen sociale overdrachten in natura ontvangen door huishoudens, inclusief gedeeltes van uitgaven die in eerste instantie door huishoudens worden gedaan, maar die naderhand door de wettelijke sociale verzekering, overheidsinstanties of IZW's ten behoeve van huishoudens worden vergoed, bijvoorbeeld uitgaven voor gezondheidszorg of onderwijs. Wanneer een huishouden een goed of een dienst koopt waarvoor het naderhand een volledige of gedeeltelijke vergoeding ontvangt, wordt het huishouden enkel beschouwd als tussenpersoon die handelt voor de wettelijke sociale verzekering, een overheidsinstantie of een IZW ten behoeve van huishoudens. De aan de huishoudens vergoede bedragen worden beschouwd als sociale overdrachten in natura door de wettelijke sociale verzekering, een overheidsinstantie of IZW's ten behoeve van huishoudens. Ze worden niet geregistreerd als een overdracht in geld aan de huishoudens en maken geen deel uit van hun beschikbare inkomen. Door deze boekhoudkundige behandeling verkrijgt men hetzelfde resultaat als wanneer een wettelijke-socialeverzekeringsinstelling de goederen en diensten bij een marktproducent koopt en ze tegen een lage niet-marktprijs aan de huishoudens doorverkoopt. Dit betekent dat voor het GICP het door het huishouden betaalde bedrag minus de vergoeding als prijs in aanmerking wordt genomen.

b) Alle andere door de overheid verleende kortingen, en met name huursubsidies die huurders ontvangen ter verlaging van hun huur (inclusief betalingen die met goedvinden van de huurder rechtstreeks naar de verhuurder gaan), worden als sociale uitkeringen in geld beschouwd, zodat ze deel uitmaken van het beschikbaar inkomen van de huishoudens. Dit betekent dat het GICP de volledige prijs van het goed of de dienst omvat en de korting buiten beschouwing blijft.

13. Ze omvatten geen woondiensten door bewoners van een eigen huis omdat het geen monetaire transactie betreft (hoewel deze woondiensten volgens ESR 3.76.a wel tot de consumptieve bestedingen behoren).

14. Ze omvatten geen aankopen van woningen of posten die worden behandeld als aankoop van niet-geproduceerde activa, met name aankopen van grond.

15. Ze omvatten geen uitgaven van een bewoner van een eigen huis voor decoratie, onderhoud en reparatie van de woning, die gewoonlijk niet door een huurder worden gedaan.

16. Ze omvatten geen uitgaven voor kostbaarheden.

17. Ze omvatten geen uitgaven van huishoudens die een onderneming zonder rechtspersoonlijkheid in eigendom hebben, wanneer deze uitgaven voor zakelijke doeleinden zijn gedaan.

18. Ze omvatten geen belastingen op inkomen en vermogen; hierbij gaat het steeds om verplichte betalingen om niet, in geld of in natura, die regelmatig door de overheid en door het buitenland over het inkomen en het vermogen van institutionele eenheden worden geheven, dan wel om enkele periodieke belastingen die noch over het inkomen noch over het vermogen worden geheven. Tot de belastingen op vermogen enz. behoren ook alle betalingen door huishoudens voor vergunningen die als belastingen worden beschouwd, bijvoorbeeld voor het bezit of het gebruik van auto's, boten of vliegtuigen enz.

19. a) Ze omvatten geen door huishoudens aan IZW's ten behoeve van huishoudens, zoals vakbonden, beroepsorganisaties, consumentenorganisaties, kerken en sociale, culturele, ontspannings- en sportverenigingen, betaalde contributies, bijdragen enz.

b) Indien een bond, vereniging of organisatie kan worden beschouwd als een marktproducent die diensten verkoopt tegen een economisch significante prijs, wat gewoonlijk het geval is ook al gaat het juridisch om een organisatie zonder winstoogmerk, dan omvat het GICP wel de contributies, bijdragen enz., die dan als betaling voor verleende diensten worden beschouwd en niet als overdracht.

20. Ze omvatten geen vrijwillige overdrachten in geld of in natura van huishoudens aan liefdadigheidsinstellingen en hulporganisaties.

21. Ze omvatten geen betalingen van inkomen uit vermogen, inclusief rente. Inkomen uit vermogen is het inkomen dat de eigenaar van een vordering of van materiële niet-geproduceerde activa ontvangt in ruil voor het verstrekken van financiële middelen of het ter beschikking stellen van de materiële niet-geproduceerde activa aan een andere institutionele eenheid. Onder de voorwaarden van de financiële verhouding die de crediteur en de debiteur onderling zijn aangegaan, is de rente het bedrag dat de debiteur over een bepaalde periode verschuldigd is aan de crediteur zonder dat daardoor het bedrag van de uitstaande hoofdsom vermindert.

22. Ze omvatten geen verplichte of vrijwillige sociale premies, zoals de werkelijke sociale premies t.l.v. werkgevers die door de werkgevers worden betaald aan wettelijke-socialeverzekeringsinstellingen, verzekeringsmaatschappijen of al dan niet autonome pensioenfondsen met sociale-verzekeringsregelingen, teneinde de sociale uitkeringen aan hun werkgevers te waarborgen, of sociale premies t.l.v. werknemers, die werknemers verschuldigd zijn aan wettelijke-socialeverzekeringsinstellingen en particuliere sociale regelingen met of zonder fondsvorming.

23. Ze omvatten geen levens- of pensioenverzekeringsdiensten (hoewel volgens ESR 3.76.f en g deze diensten wel tot de consumptieve bestedingen behoren tot een bedrag ter hoogte van de impliciet in rekening gebrachte vergoeding voor de dienst).

24. Ze omvatten geen nettoschadeverzekeringspremies. Dit zijn premies uit hoofde van verzekeringscontracten die door institutionele eenheden zijn afgesloten. De verzekeringscontracten van individuele huishoudens zijn door henzelf afgesloten op eigen initiatief en voor eigen rekening, onafhankelijk van hun werkgevers of van de overheid en buiten enige socialeverzekeringsregeling om. De nettoschadeverzekeringspremies omvatten zowel de door de polishouders betaalde werkelijke premies om gedurende de verslagperiode verzekerd te zijn (verdiende premies) als de aan polishouders toegerekende premies uit het inkomen uit vermogen, na aftrek van de vergoeding voor de dienstverlening door de betrokken verzekeringsmaatschappijen (N.B.: de consumptieve bestedingen van de huishoudens omvatten deze verzekeringsdienst wel). Nettoschadeverzekeringspremies zijn de bedragen die beschikbaar zijn voor dekking van diverse door de natuur of door menselijk toedoen veroorzaakte gebeurtenissen of ongevallen die leiden tot schade aan goederen of eigendommen en/of letsel aan personen, zoals brand, overstromingen, neerstorten van vliegtuigen, aanrijdingen, zinken van schepen, diefstal, geweld, ongevallen, ziekte enz., of van financiële schade als gevolg van gebeurtenissen als ziekte, werkloosheid, ongevallen enz.

25. Ze omvatten geen inkomensoverdrachten tussen huishoudens; dit betreft alle inkomensoverdrachten in geld of in natura, betaald (of ontvangen) door ingezeten huishoudens aan (of van) andere ingezeten of niet-ingezeten huishoudens.

26. Ze omvatten geen boetes die door rechtbanken of door semi-rechterlijke organen aan institutionele eenheden worden opgelegd en worden beschouwd als verplichte inkomensoverdrachten. Ze omvatten evenmin boetes die door de belastingdienst worden opgelegd voor het ontduiken of te laat betalen van belastingen, die gewoonlijk niet afzonderlijk van de belastingen zelf kunnen worden onderscheiden.

27. Ze omvatten geen loterijen en kansspelen, noch de betaling van de vergoeding voor de dienstverlening aan de eenheid die de loterij of het kansspel organiseert, noch de residuele inkomensoverdracht die wordt uitbetaald aan de winnaars (hoewel de vergoeding voor de dienst volgens ESR 4.135 wel in de consumptieve bestedingen is begrepen).

B. DEFINITIE VAN PRIJS

28. Op het moment van aankoop is de aankoopprijs de prijs die de koper werkelijk voor de producten betaalt, inclusief een eventueel saldo van productgebonden belastingen en subsidies, na aftrek van eventuele kortingen op de normale prijzen of kosten bij aankopen in het groot of buiten een piekperiode, exclusief rente of vergoedingen voor verleende diensten in verband met een kredietregeling, en exclusief eventuele extra kosten in verband met wanbetaling.

29. Goederen en diensten voor individuele consumptie ("individuele goederen en diensten") worden verworven door een huishouden en gebruikt voor de bevrediging van de behoeften en wensen van leden van dat huishouden. Individuele goederen en diensten hebben de volgende kenmerken:

a) het moet mogelijk zijn de verwerving van de goederen en diensten door een individueel huishouden of een lid daarvan alsmede het moment van de verwerving waar te nemen en te registreren;

b) het huishouden moet hebben ingestemd met de verstrekking van het goed of de dienst en de nodige stappen hiertoe nemen, bijvoorbeeld door een school te bezoeken of naar een ziekenhuis te gaan;

c) het goed of de dienst moet van dien aard zijn dat de verwerving ervan door één huishouden of persoon, of eventueel een kleine, beperkte groep personen, verwerving ervan door andere huishoudens of personen uitsluit.

Bij alle consumptieve bestedingen van huishoudens gaat het om individuele bestedingen. Volgens afspraak worden alle door IZW's ten behoeve van huishoudens verstrekte goederen en diensten ook tot de individuele bestedingen gerekend.

Volgens afspraak moeten alle consumptieve bestedingen van de overheid voor onderwijs, gezondheid, sociale zekerheid en welzijn, sport en recreatie en cultuur worden behandeld als uitgaven voor diensten voor individuele consumptie, met uitzondering evenwel van de uitgaven voor algemeen overheidsbestuur, regelgeving, onderzoek enz. Daarnaast moeten uitgaven voor huisvesting, ophalen van huisvuil en de exploitatie van het vervoerssysteem ook als individuele bestedingen worden behandeld. De rest van de consumptieve bestedingen van de overheid bestaat uit de collectieve consumptieve bestedingen. Dit betreft met name het bestuur over en het geven van regels voor de maatschappij, beveiliging en defensie, ordehandhaving, wet- en regelgeving, gezondheid, milieubescherming, speur- en ontwikkelingswerk, infrastructuur en economische ontwikkeling.

Top