EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 31998R0448

Verordening (EG) Nr. 448/98 van de Raad van 16 februari 1998 tot aanvulling en wijziging van Verordening (EG) nr. 2223/96 wat betreft de toerekening van de indirect gemeten diensten van financiële intermediairs (IGDFI) in het kader van het Europees systeem van nationale en regionale rekeningen (ESR)

OJ L 58, 27.2.1998, p. 1–14 (ES, DA, DE, EL, EN, FR, IT, NL, PT, FI, SV)
Special edition in Czech: Chapter 10 Volume 001 P. 97 - 110
Special edition in Estonian: Chapter 10 Volume 001 P. 97 - 110
Special edition in Latvian: Chapter 10 Volume 001 P. 97 - 110
Special edition in Lithuanian: Chapter 10 Volume 001 P. 97 - 110
Special edition in Hungarian Chapter 10 Volume 001 P. 97 - 110
Special edition in Maltese: Chapter 10 Volume 001 P. 97 - 110
Special edition in Polish: Chapter 10 Volume 001 P. 97 - 110
Special edition in Slovak: Chapter 10 Volume 001 P. 97 - 110
Special edition in Slovene: Chapter 10 Volume 001 P. 97 - 110
Special edition in Bulgarian: Chapter 10 Volume 001 P. 97 - 111
Special edition in Romanian: Chapter 10 Volume 001 P. 97 - 111
Special edition in Croatian: Chapter 10 Volume 001 P. 24 - 37

In force: This act has been changed. Current consolidated version: 20/11/2003

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/1998/448/oj

31998R0448

Verordening (EG) Nr. 448/98 van de Raad van 16 februari 1998 tot aanvulling en wijziging van Verordening (EG) nr. 2223/96 wat betreft de toerekening van de indirect gemeten diensten van financiële intermediairs (IGDFI) in het kader van het Europees systeem van nationale en regionale rekeningen (ESR)

Publicatieblad Nr. L 058 van 27/02/1998 blz. 0001 - 0014


VERORDENING (EG) Nr. 448/98 VAN DE RAAD van 16 februari 1998 tot aanvulling en wijziging van Verordening (EG) nr. 2223/96 wat betreft de toerekening van de indirect gemeten diensten van financiële intermediairs (IGDFI) in het kader van het Europees systeem van nationale en regionale rekeningen (ESR)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, inzonderheid op artikel 213,

Gezien de door de Commissie ingediende ontwerpverordening (1),

Gezien het advies van het Europees Parlement (2),

Gezien het advies van het Europees Monetair Instituut (3),

Overwegende dat Verordening (EG) nr. 2223/96 van de Raad van 25 juni 1996 inzake het Europees systeem van nationale en regionale rekeningen in de Gemeenschap (4) het referentiekader van gemeenschappelijke normen, definities, classificaties en registratieregels biedt voor de opstelling van de rekeningen van de lidstaten met het oog op de statistische behoeften van de Europese Gemeenschap, om in de verschillende lidstaten resultaten te verkrijgen die onderling vergelijkbaar zijn;

Overwegende dat in artikel 2, lid 3, van Verordening (EG) nr. 2223/96 is bepaald dat uiterlijk op 31 december 1997 een besluit wordt genomen over de toerekening van de indirect gemeten diensten van financiële intermediairs (IGDFI);

Overwegende dat de oplossing van het probleem van de toerekening van de IGDFI zou moeten leiden tot een belangrijke kwalitatieve verbetering van de ESR-methoden en een nauwkeurigere vergelijking van de niveaus van het bruto binnenlands product (BBP) binnen de Europese Unie;

Overwegende dat deze verordening ten doel heeft het beginsel van toerekening van de IGDFI en de nadere regels daarvoor in te voeren;

Overwegende dat de doeltreffendheid van de toerekening van de IGDFI en de nadere regels daarvoor moet worden beoordeeld aan de hand van berekeningen die de lidstaten volgens de in bijlage III beschreven proefmethoden moeten uitvoeren gedurende een proefperiode die lang genoeg is om na te gaan of die toerekening betrouwbaardere resultaten voor de juiste meting van de betrokken economische activiteit oplevert dan de huidige nultoerekening;

Overwegende dat het wenselijk is dat de Commissie op basis van de tijdens de proefperiode verrichte berekeningen evaluatieverslagen indient over de kwaliteit van de gegevens en met name de beschikbaarheid daarvan, en voor de verschillende proefmethoden een kwalitatieve en kwantitatieve analyse maakt van de stabiliteit over langere tijd en de gevoeligheid van de resultaten;

Overwegende dat het wenselijk is dat de Commissie bij een positieve beoordeling van de betrouwbaarheid van de verkregen resultaten besluit wat de meest geschikte methode voor de toerekening van de IGDFI is;

Overwegende dat het evenwel, indien de proefmethoden geen betrouwbaardere resultaten voor de juiste meting van de betrokken economische activiteit opleveren dan de huidige nultoerekening, wenselijk is dat de Commissie een passend voorstel tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2223/96 bij de Raad indient;

Overwegende dat het besluit om de IGDFI toe te rekenen voor de vaststelling van het BNP dat wordt gebruikt voor de begroting en het stelsel van eigen middelen van de Gemeenschap, zal worden vastgesteld door de Raad, op voorstel van de Commissie, met eenparigheid van stemmen;

Overwegende dat de IGDFI niet behoren te worden toegerekend voor andere beleidsonderdelen van de Gemeenschap totdat de Commissie een voor de toerekening van de IGDFI te gebruiken methode heeft aangewezen, indien de verkregen resultaten betrouwbaarder worden geacht;

Overwegende dat de met deze verordening nagestreefde doelstellingen in overeenstemming met het subsidiariteitsbeginsel beter op Gemeenschapsniveau dan op het niveau van de lidstaten kunnen worden bereikt, omdat alleen de Commissie de onontbeerlijke harmonisatie van de statistische methoden voor de berekening en de toerekening van de IGDFI op communautair niveau kan coördineren; dat de berekening en de toerekening zelf, alsmede de voor de controle op de toepassing van de methoden noodzakelijke infrastructuur evenwel door de lidstaten dient te worden georganiseerd; dat het derhalve noodzakelijk is voor te schrijven dat de bevoegde nationale autoriteiten toegang moeten hebben tot alle op nationaal niveau beschikbare gegevens;

Overwegende dat het bij Besluit 87/382/EEG, Euratom (5) opgerichte Comité statistisch programma van de Europese Gemeenschappen en het bij Besluit 91/115/EEG (6) opgerichte Comité voor monetaire, financiële en betalingsbalansstatistiek zijn geraadpleegd overeenkomstig artikel 3 van de onderscheiden besluiten,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Doel

1. Deze verordening strekt tot invoering, met toepassing van een betrouwbare methodologie, van het beginsel voor de toerekening van de indirect gemeten diensten van financiële intermediairs (IGDFI), als beschreven in bijlage I van bijlage A bij Verordening (EG) nr. 2223/96.

2. Daartoe worden de bijlagen I en II van bijlage A bij Verordening (EG) nr. 2223/96 gewijzigd overeenkomstig de bijlagen I en II bij deze verordening.

Artikel 2

Methoden

1. De lidstaten verrichten tijdens de in artikel 4 bedoelde proefperiode berekeningen volgens de methoden van bijlage III.

2. Op basis van een evaluatie van de resultaten van die berekeningen wordt volgens de procedure van artikel 5 een besluit genomen over de voor de toerekening van de IGDFI te volgen methode.

Artikel 3

Middelen

1. De lidstaten zorgen ervoor dat de nodige gegevens of passende ramingen voor de berekeningen terstond ter beschikking worden gesteld van de nationale autoriteit die belast is met de in artikel 2, lid 1, bedoelde berekeningen.

2. De nationale autoriteit is verantwoordelijk voor het verzamelen van de aanvullende gegevens die zij voor de berekeningen nodig acht.

Artikel 4

Indiening van de resultaten van de berekeningen tijdens de proefperiode

Volgens het onderstaande tijdschema dienen de lidstaten bij de Commissie de resultaten in van de in artikel 2, lid 1, bedoelde berekeningen:

De resultaten voor de kalenderjaren 1995, 1996, 1997 en 1998 worden uiterlijk op 1 november 1999 ingediend.

De resultaten voor het kalenderjaar 1999, alsook de herziene resultaten voor de kalenderjaren 1995, 1996, 1997 en 1998, worden uiterlijk op 1 november 2000 ingediend.

De resultaten voor het kalenderjaar 2000, alsook de herziene resultaten voor de kalenderjaren 1995, 1996, 1997, 1998 en 1999, worden uiterlijk op 1 november 2001 ingediend.

De eerste ramingen voor het kalenderjaar 2001, alsook de herziene resultaten voor de kalenderjaren 1995, 1996, 1997, 1998, 1999 en 2000, worden uiterlijk op 30 april 2002 ingediend.

Artikel 5

Evaluatie van de resultaten

1. Op basis van de in artikel 4 bedoelde resultaten legt de Commissie, na raadpleging van het Comité statistisch programma, vóór 31 december 2000 een interim-verslag en vóór 1 juli 2002 een eindverslag voor aan het Europees Parlement en de Raad met een kwalitatieve en kwantitatieve analyse van de implicaties van de proefmethoden voor de toerekening en berekening van de IGDFI als beschreven in bijlage III.

2. De Commissie treft volgens de procedure van artikel 7 de nodige maatregelen voor de uitvoering van deze verordening, waaronder maatregelen ter verduidelijking en verbetering van de in bijlage III beschreven proefmethoden.

3. Vóór 31 december 2002 stelt de Commissie, na raadpleging van het Comité voor monetaire, financiële en betalingsbalansstatistiek, volgens de procedure van artikel 7 de voor de toerekening van de IGDFI te gebruiken methode vast, indien de conclusies van het eindverslag over de betrouwbaarheid van de in de proefperiode verkregen resultaten positief zijn.

4. Indien de Commissie in het in lid 1 bedoelde eindverslag tot de conclusie komt dat geen van de proefmethoden voor de toerekening van de IGDFI betrouwbaarder zijn voor de juiste meting van de economische activiteit dan de huidige nultoerekening, dient de Commissie zo nodig bij de Raad een passend voorstel in tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2223/96.

Artikel 6

Toezending aan de Commissie

Vanaf 1 januari 2003 zenden de lidstaten de Commissie de resultaten toe van de overeenkomstig deze verordening verrichte berekeningen als onderdeel van de in artikel 3 van Verordening (EG) nr. 2223/96 bedoelde tabellen.

Artikel 7

Procedure

1. De Commissie wordt bijgestaan door het Comité statistisch programma, hierna "comité" genoemd.

2. De vertegenwoordiger van de Commissie legt het comité een ontwerp voor van de te nemen maatregelen. Het comité brengt advies uit over dit ontwerp binnen een termijn die de voorzitter kan vaststellen naar gelang van de urgentie van de materie.

Het comité spreekt zich uit met de meerderheid van stemmen die in artikel 148, lid 2, van het Verdrag is voorgeschreven voor de aanneming van besluiten die de Raad op voorstel van de Commissie dient te nemen. Bij de stemming in het comité worden de stemmen van de vertegenwoordigers van de lidstaten gewogen overeenkomstig genoemd artikel. De voorzitter neemt niet aan de stemming deel.

3. a) De Commissie stelt de beoogde maatregelen vast wanneer zij in overeenstemming zijn met het advies van het comité.

b) Wanneer de beoogde maatregelen niet in overeenstemming zijn met het advies van het comité of indien geen advies is uitgebracht, dient de Commissie onverwijld bij de Raad een voorstel in betreffende de te nemen maatregelen. De Raad besluit met gekwalificeerde meerderheid van stemmen.

Indien de Raad na drie maanden geen besluit heeft genomen, worden de voorgestelde maatregelen door de Commissie vastgesteld.

Artikel 8

Afwijkingen

In afwijking van deze verordening:

1. wordt het besluit om de IGDFI toe te rekenen voor de vaststelling van het BNP dat wordt gebruikt voor de begroting en het stelsel van eigen middelen van de Gemeenschap door de Raad, op voorstel van de Commissie, met eenparigheid van stemmen vastgesteld.

2. worden de IGDFI niet toegerekend voor andere beleidsonderdelen van de Gemeenschap, totdat de Commissie overeenkomstig artikel 5, lid 3, de voor de toerekening van de IGDFI te gebruiken methode heeft vastgesteld.

Artikel 9

Slotbepalingen

Deze verordening treedt in werking op de dag van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 16 februari 1998.

Voor de Raad

De Voorzitter

G. BROWN

(1) PB C 124 van 21. 4. 1997, blz. 28.

(2) PB C 339 van 10. 11. 1997.

(3) Advies uitgebracht op 16 oktober 1997 (nog niet verschenen in het Publicatieblad).

(4) PB L 310 van 30. 11. 1996, blz. 1.

(5) PB L 181 van 28. 6. 1989, blz. 47.

(6) PB L 59 van 6. 3. 1991, blz. 19. Besluit gewijzigd bij Besluit 96/174/EG (PB L 51 van 1. 3. 1996, blz. 48).

BIJLAGE I

WIJZIGINGEN VAN BIJLAGE A EN BIJLAGE I VAN VERORDENING (EG) Nr. 2223/96

>

RUIMTE VOOR DE TABEL>

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

BIJLAGE II

WIJZIGING VAN BIJLAGE II VAN BIJLAGE A VAN VERORDENING (EG) Nr. 2223/96

Uit de derde zin van punt 11 wordt het volgende geschrapt:

"door het ontvangen inkomen uit vermogen te verminderen met de betaalde rente, waarbij inkomen uit belegging van eigen vermogen buiten beschouwing blijft".

BIJLAGE III

BEREKENING VAN DE IGDFI

1. BEREKENING VAN DE IGDFI-OUTPUT VAN DE SECTOREN S.122 EN S.123

a) Benodigde statistische gegevens

Voor elk van de subsectoren S.122 en S.123 (1) moet gebruik worden gemaakt van de tabel van de gemiddelde uitstaande bedragen aan leningen, deposito's (uitgesplitst naar gebruikende sector) en effecten met uitzondering van door de financiële intermediairs (FI's) voor de betrokken periode (gemiddelde van de vier kwartalen) uitgegeven aandelen en de opgebouwde rente, na toerekening van de rentesubsidies aan de werkelijke ontvangers overeenkomstig het ESR 1995.

b) Keuze van een referentietarief

In de balans van de financiële intermediairs die tot S.122 en S.123 behoren, moeten de rubrieken betreffende leningen en deposito's bij ingezeten eenheden worden uitgesplitst in leningen en deposito's:

- tussen banken onderling (d.w.z. binnen de tot de sectoren S.122 en S.123 behorende institutionele eenheden);

- die zijn aangegaan met de gebruikende institutionele sectoren (S.124, S.125, S.11, S.13, S.14, S.15) (met uitzondering van die met de centrale banken).

Daarnaast moeten leningen en deposito's met het buitenland (S.2) ook worden opgesplitst in leningen en deposito's met niet-ingezeten FI's en leningen en deposito's met andere niet-ingezetenen.

In de proefperiode van vijf jaar moeten de lidstaten de resultaten in verband met de toerekening van de IGDFI vergelijken aan de hand van het intern referentietarief dat volgens de volgende vier methoden wordt berekend:

Methode 1

Voor de vaststelling van de IGDFI-output van de ingezeten FI's per institutionele sector wordt het "interne" referentietarief berekend als de verhouding tussen de ontvangen rente op leningen tussen S.122 en S.123 en de stand van de leningen tussen S.122 en S.123.

>NUM>Ontvangen rente op leningen tussen S.122 en S.123

>DEN>Uitstaande leningen tussen S.122 en S.123

Methode 2

Voor de vaststelling van de IGDFI-output van de ingezeten FI's per institutionele sector wordt het "interne" referentietarief berekend als het gewogen gemiddelde van de tarieven voor leningen tussen banken en voor effecten met uitzondering van door de FI's uitgegeven aandelen. De gewichten zijn de stand van de rubrieken "leningen tussen tot S.122 en S.123 behorende ingezeten FI's" en "effecten met uitzondering van door de ingezeten FI's van S.122 en S.123 uitgegeven aandelen".

>NUM>Ontvangen rente op leningen tussen S.122 en S.123 + rente op effecten met uitzondering van door S.122 en S.123 uitgegeven aandelen

>DEN>Uitstaande leningen tussen S.122 en S.123 + effecten met uitzondering van door S.122 en S.123 uitgegeven aandelen

Indien het, gezien de institutionele kenmerken van de nationale banksystemen, niet mogelijk is dit tarief te berekenen (bijvoorbeeld omdat banken geen andere effecten dan aandelen uitgeven), moet een alternatief referentietarief worden gebruikt. Dit tarief kan worden berekend aan de hand van de uitstaande bedragen en de rentestromen van de activa (met uitzondering van leningen)/passiva (met uitzondering van deposito's) waarvan de gemiddelde tijd tot de vervaldag die van de passiva in de balans van de tot S.122 en S.123 behorende FI's het dichtst benadert.

Methode 3

Voor de vaststelling van de IGDFI-output van de ingezeten FI's per institutionele sector kunnen twee referentietarieven worden toegepast, één voor kortetermijntransacties (berekend zoals in methode 1) en één voor langetermijntransacties (aan de hand van bekendgemaakte tarieven voor effecten met uitzondering van aandelen waarvan de looptijd dezelfde is als die van de passiva in de balans met een lange looptijd).

Methode 4

Voor de vaststelling van de IGDFI-output van de ingezeten FI's per institutionele sector, wordt het "interne" referentietarief berekend volgens de onderstaande drie varianten:

a) door een gemiddelde vast te stellen tussen het gemiddelde van de tarieven voor leningen en deposito's die met alle ingezeten institutionele gebruikerssectoren (S.124 - S.125 - S.11 - S.13 - S.14 - S.15) (behalve centrale banken) worden gehanteerd;

b) door een gemiddelde vast te stellen tussen het gemiddelde van de tarieven voor leningen en deposito's die met de ingezeten institutionele gebruikerssectoren (S.124 - S.125 - S.11 - S.13 - S.14 - S.15) (behalve centrale banken) worden gehanteerd en het volgens methode 1 berekende impliciete rentetarief;

c) door een gemiddelde vast te stellen tussen het gemiddelde van de tarieven voor leningen en deposito's die met de ingezeten institutionele gebruikerssectoren (S.124 - S.125 - S.11 - S.13 - S.14 - S.15) (behalve centrale banken) worden gehanteerd en het volgens methode 2 berekende impliciete rentetarief.

Voor de vaststelling van de invoer en de uitvoer van IGDFI geldt als referentietarief het gemiddelde interbancaire tarief dat wordt gewogen met de uitstaande bedragen van de rubrieken "leningen tussen S.122 en S.123 enerzijds en niet-ingezeten FI's anderzijds" en "deposito's tussen S.122 en S.123 enerzijds en niet-ingezeten FI's anderzijds", die in de balans van de financiële intermediairs zijn opgenomen.

Dit berekende tarief is het "externe" referentietarief dat wordt gebruikt voor de berekening van de invoer en van de uitvoer van IGDFI.

In de proefperiode moet bij de berekening een onderscheid worden gemaakt tussen het interne en het externe referentietarief, zowel op grond van het al dan niet ingezeten zijn van de bij de transacties betrokken FI's als op grond van de valuta waarin deze transacties luiden.

De lidstaten moeten Eurostat alle statistische gegevens verstrekken die in de toegepaste methodologie worden gebruikt.

c) Gedetailleerde uitsplitsing van de IGDFI per institutionele sector

Voor iedere institutionele sector dient men de beschikking te hebben over onderstaande tabel van door ingezeten FI's verstrekte leningen en van deposito's bij ingezeten FI's:

>BEGIN VAN DE GRAFIEK>

>EIND VAN DE GRAFIEK>

De totale IGDFI per institutionele sector is gelijk aan de som van de IGDFI op de aan de institutionele sector verstrekte leningen en de IGDFI op de deposito's van de institutionele sector.

IGDFI op de aan de institutionele sector verstrekte leningen = op de leningen ontvangen rente - (uitstaande leningen × "intern" referentietarief).

IGDFI op de deposito's van de institutionele sector = (uitstaande deposito's × "intern" referentietarief) - op de deposito's betaalde rente.

Een deel van de output wordt uitgevoerd; uit de balans van de financiële intermediairs (S.122 en S.123) blijkt:

>BEGIN VAN DE GRAFIEK>

>EIND VAN DE GRAFIEK>

De uitgevoerde IGDFI wordt als volgt berekend met behulp van het "externe" interbancaire referentietarief:

IGDFI op aan niet-ingezetenen (inclusief FI's) verstrekte leningen = ontvangen rente - (uitstaande leningen × "extern" referentietarief).

IGDFI op de deposito's van niet-ingezetenen (inclusief FI's) = (uitstaande deposito's × "extern" referentietarief) - betaalde rente.

d) Indeling van de aan huishoudens toegerekende IGDFI in intermediair verbruik en consumptie

De aan huishoudens toe te rekenen diensten moeten worden ingedeeld in:

- intermediair verbruik van huishoudens in hun hoedanigheid van woningeigenaar;

- intermediair verbruik van huishoudens in hun hoedanigheid van eigenaar van ondernemingen zonder rechtspersoonlijkheid;

- consumptie door huishoudens.

Dit heeft tot gevolg dat leningen aan huishoudens (uitstaande bedragen en rente) moeten worden ingedeeld in:

- leningen in verband met de huisvesting;

- leningen aan huishoudens in hun hoedanigheid van eigenaar van ondernemingen zonder rechtspersoonlijkheid;

- andere leningen aan huishoudens.

Leningen aan huishoudens in hun hoedanigheid van eigenaar van ondernemingen zonder rechtspersoonlijkheid en leningen in verband met de huisvesting worden in de verschillende onderverdelingen van de leningen in de financiële en de monetaire statistiek in het algemeen afzonderlijk aangegeven. Andere leningen aan huishoudens kunnen door middel van aftrekking worden berekend. De IGDFI voor leningen aan huishoudens moet worden verdeeld over de drie groepen (leningen in verband met de huisvesting, leningen aan huishoudens in hun hoedanigheid van eigenaar van ondernemingen zonder rechtspersoonlijkheid en andere leningen aan huishoudens) aan de hand van informatie over de uitstaande bedragen en rente voor elk van deze drie groepen. Leningen in verband met de huisvesting zijn niet identiek aan hypotheekleningen, want deze kunnen ook andere doelen dienen.

De deposito's van de huishoudens moeten worden ingedeeld in:

- deposito's van huishoudens in hun hoedanigheid van eigenaar van ondernemingen zonder rechtspersoonlijkheid;

- deposito's van individuen.

Mochten in de proefperiode van vijf jaar statistieken over deposito's van huishoudens in hun hoedanigheid van eigenaar van ondernemingen zonder rechtspersoonlijkheid ontbreken, dan moeten de lidstaten de resultaten in verband met de toerekening van de IGDFI vergelijken met behulp van de volgende twee methoden:

Methode 1

De uitstaande bedragen kunnen worden berekend op basis van de verhouding tussen de deposito's en voor de kleinste vennootschappen waargenomen toegevoegde waarde, geëxtrapoleerd voor ondernemingen zonder rechtspersoonlijkheid.

Methode 2

De uitstaande bedragen kunnen worden berekend op basis van de verhouding tussen de deposito's en de voor de kleinste vennootschappen waargenomen omzet, geëxtrapoleerd voor ondernemingen zonder rechtspersoonlijkheid.

De IGDFI op de deposito's van huishoudens moeten worden verdeeld over de IGDFI op de deposito's van huishoudens in hun hoedanigheid van eigenaar van ondernemingen zonder rechtspersoonlijkheid en die op de deposito's van huishoudens in hun hoedanigheid van verbruiker aan de hand van het gemiddelde uitstaande bedrag voor deze twee categorieën, waarvoor bij gebrek aan nadere informatie hetzelfde rentetarief kan worden gebruikt.

Als alternatief kunnen de IGDFI voor huishoudens, speciaal wanneer nadere gegevens over leningen en deposito's van huishoudens ontbreken, worden toegerekend aan het intermediaire verbruik en de consumptie, waarbij erop gelet moet worden dat alle leningen kunnen worden toegeschreven aan huishoudens in hun hoedanigheid van producent of van woningeigenaar en dat alle deposito's kunnen worden toegeschreven aan huishoudens in hun hoedanigheid van verbruikers.

2. BEREKENING VAN INGEVOERDE FINANCIËLE INTERMEDIATIE

Niet-ingezeten FI's verstrekken leningen aan ingezetenen en ontvangen deposito's van ingezetenen. Per institutionele sector dient men over onderstaande tabel te beschikken:

>BEGIN VAN DE GRAFIEK>

>EIND VAN DE GRAFIEK>

De door iedere institutionele sector ingevoerde financiële intermediatie wordt daarom als volgt berekend:

Ingevoerde IGDFI voor leningen = door niet-ingezeten FI's ontvangen rente - (uitstaande leningen × "extern" referentietarief).

Ingevoerde IGDFI voor deposito's = (uitstaande deposito's × "extern" referentietarief) - aan niet-ingezeten FI's betaalde rente.

3. IGDFI TEGEN CONSTANTE PRIJZEN

Het verschil tussen het referentietarief en het werkelijke rentetarief is de marge die door de financiële intermediair wordt verdiend en kan dus worden beschouwd als de prijs die voor de geleverde dienst wordt betaald. IGDFI tegen constante prijzen worden verkregen als het quotiënt van de waarde van de IGDFI op door S.122 en S.123 gehouden leningen en deposito's en deze prijs. De uitstaande bedragen van de leningen en deposito's worden tot basisperiodeprijzen geherwaardeerd aan de hand van een algemene prijsindex (bijvoorbeeld de impliciete prijsdeflator voor de binnenlandse eindvraag).

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

Marge basisperiode voor leningen = werkelijke rentevoet voor leningen - referentietarief

Marge basisperiode voor deposito's = referentietarief - werkelijk rentetarief voor deposito's

(1) De hierbedoelde in aanmerking te nemen financiële intermediairs zijn de sectoren S.122 (Overige monetaire financiële instellingen) en S.123 (Overige financiële intermediairs met uitzondering van verzekeringsinstellingen en pensioenfondsen), met uitzondering van beleggingsfondsen.

Top