EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 31998L0080

Richtlijn 98/80/EG van de Raad van 12 oktober 1998 tot aanvulling van het gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde en tot wijziging van Richtlijn 77/388/EEG - bijzondere regeling voor beleggingsgoud

PB L 281 van 17.10.1998, p. 31–34 (ES, DA, DE, EL, EN, FR, IT, NL, PT, FI, SV)

Dit document is verschenen in een speciale editie. (CS, ET, LV, LT, HU, MT, PL, SK, SL)

Legal status of the document No longer in force, Date of end of validity: 31/12/2006; opgeheven door 32006L0112

ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/1998/80/oj

31998L0080

Richtlijn 98/80/EG van de Raad van 12 oktober 1998 tot aanvulling van het gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde en tot wijziging van Richtlijn 77/388/EEG - bijzondere regeling voor beleggingsgoud

Publicatieblad Nr. L 281 van 17/10/1998 blz. 0031 - 0034


RICHTLIJN 98/80/EG VAN DE RAAD van 12 oktober 1998 tot aanvulling van het gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde en tot wijziging van Richtlijn 77/388/EEG - bijzondere regeling voor beleggingsgoud

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, inzonderheid op artikel 99,

Gezien het voorstel van de Commissie (1),

Gezien het advies van het Europees Parlement (2),

Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité (3),

Overwegende dat, krachtens de Zesde Richtlijn 77/388/EEG van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting - gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (4), handelingen met betrekking tot goud in beginsel belastbaar zijn maar dat, op grond van de in artikel 28, lid 3, in samenhang met punt 26 van bijlage F bij die richtlijn, bepaalde tijdelijke afwijking, de lidstaten een vrijstelling voor goud, met uitzondering van goud bestemd voor industrieel gebruik, kunnen handhaven; dat de toepassing door enkele lidstaten van die tijdelijke afwijking bepaalde concurrentiedistorsies veroorzaakt;

Overwegende dat goud niet alleen als productiemiddel dient maar ook voor beleggingsdoeleinden wordt verworven; dat de toepassing van de normale belastingvoorschriften het gebruik van goud voor beleggingsdoeleinden in ernstige mate hindert, zodat de toepassing van een specifieke belastingregeling voor beleggingsgoud te rechtvaardigen is; dat een dergelijke belastingregeling bovendien bevorderlijk zou zijn voor de internationale concurrentiepositie van de communautaire goudmarkt;

Overwegende dat leveringen van goud voor beleggingsdoeleinden naar hun aard gelijken op andere financiële beleggingen die krachtens de huidige voorschriften van de zesde richtlijn vaak vrijstelling van belasting genieten; dat belastingvrijstelling derhalve ook de aangewezen belastingregeling voor goudleveringen lijkt te zijn;

Overwegende dat onder beleggingsgoud alleen goud moet worden verstaan met een vorm, gewicht en zeer hoge zuiverheid waarin op de goudmarkt wordt gehandeld, alsmede gouden munten waarvan de waarde in hoofdzaak overeenkomt met de prijs van het daarin vervatte goud; dat er uit doorzichtigheidsoverwegingen jaarlijks een lijst moet worden opgesteld van de munten die onder die definitie vallen, zodat handelaars in gouden munten rechtszekerheid wordt geboden; dat de rechtszekerheid van die handelaren gebiedt dat de munten op die lijst worden geacht aan de criteria voor vrijstelling van deze richtlijn te voldoen gedurende het hele jaar waarvoor de lijst wordt gepubliceerd; dat de vrijstelling, onverminderd die lijst, in bepaalde gevallen ook kan gelden voor niet op die lijst vermelde munten, zoals nieuw geslagen munten die aan de criteria van deze richtlijn voldoen;

Overwegende dat belastingvrijstelling in beginsel geen mogelijkheid biedt tot aftrek van voorbelasting terwijl voorgaande handelingen toch aan belasting op de goudwaarde onderworpen kunnen zijn; dat aftrek van voorbelasting dient te worden toegestaan om de voordelen van de bijzondere regeling voor goud te vrijwaren en concurrentiedistorsies ten opzichte van geïmporteerd beleggingsgoud te voorkomen;

Overwegende dat, aangezien goud zowel voor industriële als voor beleggingsdoeleinden kan worden gebruikt, belastingplichtigen voor normale belastingheffing moeten kunnen kiezen wanneer zij beleggingsgoud produceren of goud omzetten in beleggingsgoud, of beleggingsgoud leveren terwijl zij in het kader van hun normale bedrijf goud leveren voor industriële doeleinden;

Overwegende dat er door het gebruik van goud voor tweeërlei doeleinden nieuwe mogelijkheden tot belastingontduiking en belastingontwijking ontstaan, waartegen de lidstaten doeltreffend moeten kunnen optreden; dat derhalve een gemeenschappelijke norm voor minimumverplichtingen inzake het voeren van de boekhouding en het bewaren van documenten door belastingplichtigen wenselijk is; dat indien de desbetreffende informatie reeds voorhanden is uit hoofde van andere communautaire wetgeving, een lidstaat er van uit kan gaan dat aan die verplichtingen voldaan is;

Overwegende dat, naar de ervaring leert, de toepassing van een verleggingsregeling bij de meeste leveringen van goud met ten minste een bepaalde zuiverheid belastingontduiking kan helpen voorkomen en tevens de lasten in verband met de financiering van de handeling verlicht; dat het derhalve gerechtvaardigd is de lidstaten toe te staan een dergelijke regeling te hanteren; dat bij de invoer van goud krachtens artikel 23 van de zesde richtlijn op het tijdstip van invoer evenmin belasting hoeft te worden betaald, mits deze belasting wordt vermeld in een overeenkomstig artikel 22, lid 4, van die richtlijn ingediende aangifte;

Overwegende dat voor handelingen op een door een lidstaat gereglementeerde goudmarkt een verdere vereenvoudiging van de voor die handelingen geldende belastingregeling vereist is, aangezien de handel op die markt zeer intensief is en in een hoog tempo verloopt; dat de lidstaten daarom kunnen nalaten de bijzondere regeling toe te passen, de belastingheffing kunnen opschorten en ontheffing van registratievereisten kunnen verlenen;

Overwegende dat de nieuwe belastingregeling in de plaats komt van de bepalingen in artikel 12, lid 3, onder e), en in punt 26 van bijlage F van de zesde richtlijn, zodat die bepalingen geschrapt moeten worden,

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Het volgende artikel 26 ter wordt ingevoegd in Richtlijn 77/388/EEG:

"Artikel 26 ter

Bijzondere regeling voor beleggingsgoud

A. Definitie

Onverminderd andere bepalingen van het Gemeenschapsrecht wordt voor de toepassing van deze richtlijn onder "beleggingsgoud" verstaan:

i) goud, in de vorm van staven of plaatjes van een door de goudmarkten aanvaard gewicht, met een zuiverheid van ten minste 995/1000, al dan niet belichaamd in effecten. De lidstaten kunnen kleine staven of plaatjes met een gewicht van ten hoogste 1 gram uitsluiten van de regeling;

ii) gouden munten die

- een zuiverheid van ten minste 900/1 000 hebben;

- na 1800 zijn geslagen;

- in het land van oorsprong als wettig betaalmiddel fungeren of hebben gefungeerd;

- normaliter verkocht worden voor een prijs die de openmarktwaarde van het in de munten vervatte goud niet met meer dan 80 % overschrijdt.

Dergelijke munten worden voor de toepassing van de richtlijn niet geacht wegens hun numismatisch belang te worden verkocht.

Elke lidstaat deelt de Commissie vanaf 1999 elk jaar vóór 1 juli mee welke munten die aan deze criteria voldoen, in die lidstaat worden verhandeld. Vóór 1 december van elk jaar publiceert de Commissie in de C-serie van het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen de volledige lijst van deze munten. In de gepubliceerde lijst opgenomen munten worden geacht aan deze criteria te voldoen gedurende het hele jaar waarvoor de lijst wordt gepubliceerd.

B. Bijzondere voorschriften voor handelingen betreffende beleggingsgoud

De lidstaten verlenen vrijstelling van de belasting over de toegevoegde waarde voor de levering, de intra-communautaire verwerving en de invoer van beleggingsgoud, waaronder beleggingsgoud dat belichaamd is in certificaten voor toegewezen of niet-toegewezen goud of dat verhandeld wordt op goudrekeningen, en waaronder, in het bijzonder, goudleningen en swaps, die een eigendoms- of vorderingsrecht op beleggingsgoud belichamen, evenals voor handelingen betreffende beleggingsgoud bestaande in future- en termijncontracten die leiden tot de overdracht van een eigendoms- of vorderingsrecht met betrekking tot beleggingsgoud.

De lidstaten verlenen eveneens vrijstelling voor de levering van diensten door agenten die optreden in naam en voor rekening van een ander wanneer zij betrokken zijn bij de levering van beleggingsgoud voor hun principaal.

C. Recht om voor belastingheffing te kiezen

De lidstaten verlenen belastingplichtigen die beleggingsgoud produceren of goud omzetten in beleggingsgoud als omschreven in onderdeel A het recht om te kiezen voor belastingheffing met betrekking tot leveringen van beleggingsgoud aan een andere belastingplichtige die anders uit hoofde van onderdeel B zouden zijn vrijgesteld.

De lidstaten kunnen belastingplichtigen die in het kader van hun bedrijf normaliter goud leveren voor industriële doeleinden, het recht verlenen om te kiezen voor belastingheffing met betrekking tot leveringen van beleggingsgoud als omschreven in onderdeel A, onder i), aan een andere belastingplichtige die anders uit hoofde van onderdeel B zouden zijn vrijgesteld. De lidstaten kunnen het toepassingsgebied van dit keuzerecht beperken.

Indien de leverancier het recht om overeenkomstig de eerste of de tweede alinea voor belastingheffing te kiezen heeft uitgeoefend, verlenen de lidstaten de agent het recht om voor belastingheffing te kiezen met betrekking tot de in de tweede alinea van onderdeel B vermelde diensten.

De lidstaten stellen de nadere bepalingen voor de uitoefening van deze rechten vast en stellen de Commissie in kennis van de toepassingsregels voor de uitoefening van deze rechten in de respectieve lidstaten.

D. Recht op aftrek

1. De belastingplichtigen hebben een recht op aftrek van:

a) belasting die verschuldigd of betaald is met betrekking tot beleggingsgoud dat hun geleverd is door een persoon die een keuzerecht als bedoeld in onderdeel C heeft uitgeoefend of dat hun geleverd is overeenkomstig de procedure van onderdeel G,

b) belasting die verschuldigd of betaald is met betrekking tot de levering aan hen of de intracommunautaire verwerving of de invoer door hen van ander goud dan beleggingsgoud dat vervolgens door hen of namens hen wordt omgezet in beleggingsgoud,

c) belasting die verschuldigd of betaald is met betrekking tot aan hen geleverde diensten bestaande in een wijziging van de vorm, het gewicht of de zuiverheid van goud met inbegrip van beleggingsgoud,

indien de latere levering door hen van dat goud krachtens dit artikel is vrijgesteld.

2. Belastingplichtigen die beleggingsgoud produceren of goud in beleggingsgoud omzetten hebben een recht op aftrek van belasting die door hen verschuldigd of betaald is met betrekking tot de levering dan wel de intracommunautaire verwerving of de invoer van goederen of diensten die met de productie of de omzetting van dat goud verband houden alsof de latere levering door hen van het krachtens dit artikel vrijgestelde goud belast was.

E. Bijzondere verplichtingen voor handelaars in beleggingsgoud

De lidstaten zorgen ervoor dat handelaars in beleggingsgoud ten minste een boekhouding voeren van alle belangrijke handelingen betreffende beleggingsgoud en de documenten bewaren aan de hand waarvan de identiteit van de cliënt bij dergelijke handelingen kan worden vastgesteld.

De handelaars bewaren die informatie gedurende ten minste vijf jaar.

De lidstaten kunnen evenwaardige verplichtingen uit hoofde van maatregelen vastgesteld krachtens andere communautaire wetgeving, zoals Richtlijn 91/308/EEG van de Raad van 10 juni 1991 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld (*), aanvaarden om aan de vereisten van de eerste alinea te voldoen.

De lidstaten kunnen strengere verplichtingen vaststellen, inzonderheid inzake speciale registratie- of boekhoudingsvereisten.

F. Verleggingsregeling

In afwijking van artikel 21, lid 1, onder a), kunnen de lidstaten, in het geval van leveringen van goud of halffabrikaten met een zuiverheid van ten minste 325/1 000, of van leveringen van beleggingsgoud wanneer een in onderdeel C bedoeld recht is uitgeoefend, de afnemer aanwijzen als degene die tot voldoening van de belasting gehouden is, overeenkomstig de door hen vast te stellen procedures en voorwaarden. Indien de lidstaten van deze keuzemogelijkheid gebruikmaken, treffen zij de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat degene die tot voldoening van de verschuldigde belasting gehouden is, voldoet aan de verplichtingen tot aangifte en betaling van de belasting overeenkomstig artikel 22.

G. Procedure voor handelingen op een gereglementeerde goudmarkt

1. Een lidstaat kan, met inachtneming van de in artikel 29 bedoelde raadpleging, nalaten de uit hoofde van deze bijzondere regeling voor beleggingsgoud te verlenen vrijstelling toe te passen voor andere specifieke handelingen met betrekking tot beleggingsgoud dan intracommunautaire levering of uitvoer, die in die lidstaat plaatsvinden

a) tussen belastingplichtigen die lid zijn van een door de betrokken lidstaat gereglementeerde goudmarkt, en

b) tussen een lid van een door de betrokken lidstaat gereglementeerde goudmarkt en een andere belastingplichtige die geen lid is van die markt.

In die omstandigheden zijn deze handelingen belastbaar en geldt het volgende:

2.a) Voor handelingen als bedoeld in punt 1, onder a), staat de lidstaat eenvoudigheidshalve toe dat de te innen belasting wordt opgeschort en verlenen zij ontheffing van de BTW-registratievereisten.

b) Voor handelingen als bedoeld in punt 1, onder b), is de verleggingsregeling van onderdeel F van toepassing. Als een niet-lid behalve voor deze handelingen niet aan de BTW-registratievereisten in de betrokken lidstaat zou zijn onderworpen, vervult het lid de fiscale verplichtingen namens het niet-lid, overeenkomstig de voorschriften van die lidstaat.

(*) PB L 166 van 28. 6. 1991, blz. 77.".

Artikel 2

Artikel 12, lid 3, onder e), en punt 26 van bijlage F van Richtlijn 77/388/EEG worden geschrapt.

Artikel 3

1. De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op 1 januari 2000 aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

Wanneer de lidstaten deze bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen naar deze richtlijn verwezen of wordt hiernaar verwezen bij de officiële bekendmaking van die bepalingen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2. De lidstaten delen de Commissie de tekst van de bepalingen van intern recht mede die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 4

Deze richtlijn treedt in werking op de dag van bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.

Artikel 5

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Luxemburg, 12 oktober 1998.

Voor de Raad

De Voorzitter

R. EDLINGER

(1) PB C 302 van 19. 11. 1992, blz. 9.

(2) PB C 91 van 28. 3. 1994, blz. 91.

(3) PB C 161 van 14. 6. 1993, blz. 25.

(4) PB L 145 van 13. 5. 1977, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 96/95/EG (PB L 338 van 28. 12. 1996, blz. 89).

Top