EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 31997R1427

Verordening (EG) nr. 1427/97 van de Commissie van 23 juli 1997 tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 2454/93 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek

OJ L 196, 24.7.1997, p. 31–38 (ES, DA, DE, EL, EN, FR, IT, NL, PT, FI, SV)
Special edition in Czech: Chapter 02 Volume 008 P. 316 - 324
Special edition in Estonian: Chapter 02 Volume 008 P. 316 - 324
Special edition in Latvian: Chapter 02 Volume 008 P. 316 - 324
Special edition in Lithuanian: Chapter 02 Volume 008 P. 316 - 324
Special edition in Hungarian Chapter 02 Volume 008 P. 316 - 324
Special edition in Maltese: Chapter 02 Volume 008 P. 316 - 324
Special edition in Polish: Chapter 02 Volume 008 P. 316 - 324
Special edition in Slovak: Chapter 02 Volume 008 P. 316 - 324
Special edition in Slovene: Chapter 02 Volume 008 P. 316 - 324
Special edition in Bulgarian: Chapter 02 Volume 010 P. 101 - 109
Special edition in Romanian: Chapter 02 Volume 010 P. 101 - 109
Special edition in Croatian: Chapter 02 Volume 017 P. 88 - 95

No longer in force, Date of end of validity: 30/04/2016; stilzwijgende opheffing door 32016R0481

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/1997/1427/oj

31997R1427

Verordening (EG) nr. 1427/97 van de Commissie van 23 juli 1997 tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 2454/93 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek

Publicatieblad Nr. L 196 van 24/07/1997 blz. 0031 - 0038


VERORDENING (EG) Nr. 1427/97 VAN DE COMMISSIE van 23 juli 1997 tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 2454/93 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (1), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 82/97 van het Europees Parlement en de Raad (2), inzonderheid op artikel 249,

Overwegende dat de toepassing van de in artikel 20, lid 3, onder d), e) en f), van Verordening (EEG) nr. 2913/92, hierna het "Wetboek" genoemd, bedoelde maatregelen wegens het bestaan van tariefcontingenten of -plafonds tot een bepaald invoervolume kan worden beperkt;

Overwegende dat de Raad de taak van het beheer van tatiefcontingenten op basis van het beginsel "wie het eerst komt, het eerst maalt", en die van het toezicht op invoer in het kader van preferentiële tariefmaatregelen sinds 1988 stelselmatig aan de Commissie heeft gedelegeerd; dat de algemene beginselen en de regels van dit beheer in het belang van transparantie, stabiliteit en een grotere doelmatigheid dienen te worden gecodificeerd; dat de beschikbaarheid van deze tariefcontingenten beperkt is tot goederen die tussen de datum van opening en die van sluiting van het desbetreffende tariefcontingent voor het vrije verkeer worden aangegeven;

Overwegende dat de regels voor het beheer van deze tariefcontingenten een gelijke en eerlijke behandeling van alle importeurs in de Gemeenschap moeten waarborgen; dat derhalve dient te worden gewaarborgd dat die tariefcontingenten, tot zij zijn uitgeput, voor alle importeurs steeds gelijkelijk en ononderbroken toegankelijk zijn en dat toewijzingen eenmaal per werkdag dienen te gebeuren, tenzij dit om technische redenen niet mogelijk is;

Overwegende dat herstellen van een zekerheid voor de betaling van invoerrechten die ten gevolge van opneming uit een tariefcontingent mogelijk niet opeisbaar zullen zijn, een onnodige belasting voor het bedrijfsleven vormt wanneer er geen redenen zijn om aan te nemen dat het tariefcontingent op korte termijn zal zijn uitgeput; dat de lidstaten, met het oog op een gelijke behandeling, van het eisen van een zekerheid voor de betaling van invoerrechten kunnen afzien wanneer vast staat dat het betrokken tariefcontingent niet op korte termijn zal zijn uitgeput;

Overwegende dat gegevens over afzonderlijke handelstransacties dienen te worden beschermd door regels die de vertrouwelijkheid ervan waarborgen;

Overwegende dat het voor het beheer van de tariefcontingenten en voor het toezicht op de preferentiële invoer noodzakelijk is dat de Commissie en de douaneautoriteiten van de lidstaten op administratief gebied nauw met elkaar samenwerken;

Overwegende dat in de mogelijkheid dient te worden voorzien de aangifte voor het vrije verkeer van goederen die in het kader van een postorderverkoop door de klant naar een derde land worden teruggezonden, ongeldig te maken;

Overwegende dat het dienstig is toe te staan dat het pictogram dat op zendingen moet voorkomen die met gebruikmaking van de regeling communautair douanevervoer per spoor worden vervoerd, met behulp van een stempel wordt aangebracht;

Overwegende dat de interne markt vereist dat een passend gebruik kan worden gemaakt van bijzondere faciliteiten voor het laden en lossen van grote containers;

Overwegende dat het, teneinde een samenhangender publicatie van de lijst van in de Gemeenschap bestaande en in gebruik zijnde vrije zones mogelijk te maken, dienstig is om deze gegevens in de C-reeks van het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen op te nemen;

Overwegende dat artikel 859 van Verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie (3), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 89/97 (4), een limitatieve lijst bevat van gevallen zonder werkelijke gevolgen waarin geen douaneschuld ontstaat, hoewel zich één van de in artikel 204, lid 1, onder a) en b), van het Wetboek bedoelde situaties voordoet; dat het dienstig is aan deze lijst het geval toe te voegen van goederen die na passieve veredeling worden wederingevoerd en vóór de aangifte voor het vrije verkeer in tijdelijke opslag of onder een opschortende douaneregeling worden geplaatst, evenals dat van goederen die in het kader van de regeling actieve veredeling een bewerking hebben ondergaan waarvoor niet tijdig om vernieuwing van de vergunning is verzocht;

Overwegende dat in enkele beperkte gevallen en teneinde de handelsactiviteiten te vergemakkelijken, de verplichting tot wederuitvoer van de goederen waarvoor terugbetaling of kwijtschelding van de invoerrechten wordt toegestaan, dient weg te vallen en de plaatsing van de goederen onder de regeling douane-entrepot, of in een vrije zone of in een vrij entrepot dient te worden toegestaan;

Overwegende dat de lijst van de forfaitaire opbrengstpercentages die van toepassing zijn op het gebied van de actieve veredeling van olijfolie dient te worden gewijzigd teneinde de uniforme toepassing overal in de Gemeenschap te vergemakkelijken en de zuivering van de regeling te vereenvoudigen;

Overwegende dat nader dient te worden bepaald in welke omstandigheden, bij de actieve veredeling in de sector maïs, van het equivalentieverkeer kan worden gebruik gemaakt om verstoringen in de maïssector te voorkomen;

Overwegende dat de lijst in bijlage 78 van Verordening (EEG) nr. 2454/93 dient te worden aangevuld met een nauwkeuriger omschrijving van de gevallen waarin en de voorwaarden waaronder van de regeling equivalentieverkeer bij de actieve veredeling van olijfolie gebruik kan worden gemaakt;

Overwegende dat het dienstig is de lijst uit te breiden van veredelingsproducten waarop de daarvoor geldende rechten kunnen worden toegepast;

Overwegende dat het om economische redenen wenselijk is de lijst van bijlage 87 van genoemde verordening uit te breiden;

Overwegende dat de in deze verordening vervatte maatregelen in overeenstemming zijn met het advies van het Comité douanewetboek,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Verordening (EEG) nr. 2454/93 wordt als volgt gewijzigd:

1. Aan artikel 248 wordt het volgende lid 4 toegevoegd:

"4. Onverminderd lid 1 kunnen de douaneautoriteiten voor goederen waarvoor een aanvraag is ingediend tot opneming uit een tariefcontingent, van het eisen van een zekerheid afzien, indien zij op het tijdstip waarop de aangifte voor het vrije verkeer wordt aanvaard, vaststellen dat het betrokken tariefcontingent niet kritiek is in de zin van artikel 308 quater.".

2. In artikel 251 wordt het volgende punt 1 ter ingevoegd:

"1 ter. De douaneautoriteiten maken de aangifte voor het vrije verkeer van in het kader van een postorderverkoop geweigerde goederen ongeldig indien binnen drie maanden na de aanvaarding van de aangifte een daartoe strekkend verzoek wordt ingediend en mits deze goederen naar het adres van de oorspronkelijke leverancier of naar een ander door deze opgegeven adres zijn uitgevoerd.".

3. Artikel 256, lid 2, komt te luiden:

"2. Wanneer een verlaagd invoerrecht of een nulrecht van toepassing is op goederen die in het vrije verkeer worden gebracht in het raam van een tariefcontingent of, mits het normale invoerrecht niet wordt wederingesteld, in het raam van tariefplafonds of van andere preferentiële tariefmaatregelen, wordt gebruikmaking van het tariefcontingent of van de preferentiële tariefmaatregel eerst toegestaan nadat het document waarvan de toekenning van dat verlaagde recht of van dat nulrecht afhankelijk is, bij de douaneautoriteiten is overgelegd. Het document moet in ieder geval worden overgelegd:

- vóórdat het tariefcontingent is uitgeput, of

- in de overige gevallen, vóór de datum waarop de normale invoerrechten bij een communautaire maatregel worden wederingesteld.".

4. Aan deel II, titel I, wordt het volgende hoofdstuk toegevoegd:

"HOOFDSTUK 3

Beheer van tariefmaatregelen

Afdeling 1

Beheer van tariefcontingenten in chronologische volgorde van de data van aanvaarding van de douaneaangiften

Artikel 308 bis

1. Wanneer bij een maatregel van de Gemeenschap tariefcontingenten worden geopend, worden deze, tenzij anders bepaald, beheerd met inachtneming van de volgorde waarin de aangiften voor het vrije verkeer zijn aanvaard.

2. Wanneer een aangifte voor het vrije verkeer met een geldige aanvraag voor toepassing van een tariefcontingent wordt aanvaard, gaat de betrokken lidstaat, via de Commissie, over tot opneming uit het tariefcontingent van een met zijn behoeften overeenstemmende hoeveelheid.

3. De lidstaten dienen geen aanvragen in voor opneming uit een contingent alvorens aan de voorwaarden van artikel 256, leden 2 en 3, is voldaan.

4. Onverminderd lid 8 wijst de Commissie hoeveelheden toe met inachtneming van de datum van aanvaarding van de desbetreffende aangifte voor het vrije verkeer, voorzover nog hoeveelheden in het desbetreffende tariefcontingent beschikbaar zijn. De voorrang wordt bepaald door de chronologische volgorde van deze data.

5. De lidstaten geven alle geldige aanvragen voor opneming uit een tariefcontingent onverwijld door aan de Commissie. Zij delen daarbij tevens de in lid 4 bedoelde datum mede en de exacte aangevraagde hoeveelheden die op de betreffende aangifte zijn vermeld.

6. Voor de toepassing van de leden 4 en 5 stelt de Commissie volgnummers vast voorzover daarin niet is voorzien bij het besluit van de Gemeenschap waarbij het tariefcontingent werd geopend.

7. Indien grotere hoeveelheden zijn aangevraagd dan in een tariefcontingent beschikbaar zijn, geschiedt de toewijzing in evenredigheid met de aangevraagde hoeveelheden.

8. Voor de doeleinden van dit artikel worden de aangiften voor het vrije verkeer die door de douaneautoriteiten op 1, 2 of 3 januari zijn aanvaard, geacht op 3 januari te zijn aanvaard. Indien een van deze dagen echter op een zaterdag of op een zondag valt, worden de aangiften geacht op 4 januari te zijn aanvaard.

9. Wanneer een nieuw tariefcontingent wordt geopend, wijst de Commissie daaruit geen hoeveelheden toe vóór de elfde werkdag volgende op de datum van publicatie van het besluit waarbij dat tariefcontingent werd ingesteld.

10. De lidstaten storten de door hen opgenomen, doch niet benutte hoeveelheden onverwijld aan de Commissie terug. Indien echter na de eerste maand volgende op het einde van de geldigheidsduur van een tariefcontingent wordt ontdekt dat ten onrechte een hoeveelheid is opgenomen die een douaneschuld van niet meer dan 10 ecu vertegenwoordigt, behoeven de lidstaten deze hoeveelheid niet terug te storten.

11. Indien de douaneautoriteiten ten aanzien van goederen waarvoor om opneming uit een contingent was verzocht, een aangifte voor het vrije verkeer ongeldig maken, wordt de volledige aanvraag om opneming met betrekking tot die goederen geannuleerd. De betrokken lidstaten storten de eventueel uit het tariefcontingent opgenomen hoeveelheid onverwijld aan de Commissie terug.

12. Gegevens over aanvragen van de verschillende lidstaten voor opnemingen uit tariefcontingenten worden door de Commissie en de overige lidstaten als vertrouwelijk behandeld.

Artikel 308 ter

1. De Commissie wijst elke werkdag hoeveelheden uit de tariefcontingenten toe, behalve:

- op feestdagen van de Europese Instellingen te Brussel, of

- in buitengewone omstandigheden, op andere dagen, mits dit aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaten van tevoren is medegedeeld.

2. Onverminderd artikel 308 bis, lid 8, worden bij elke toewijzing alle niet beantwoorde aanvragen in aanmerking genomen die betrekking hebben op aangiften voor het vrije verkeer die tot en met de tweede dag voorafgaande aan de dag van toewijzing zijn aanvaard en aan de Commissie zijn medegedeeld.

Artikel 308 quater

1. Een tariefcontingent wordt na de eerste toewijzing als niet-kritiek beschouwd indien:

- voor dezelfde producten van dezelfde oorsprong in elk van de afgelopen twee jaren gedurende ten minste zes maanden een tariefcontingent was geopend dat in deze twee jaren niet vóór de laatste werkdag van de zevende maand van de contingentperiode was uitgeput, en

- de aanvankelijke omvang van het nieuwe tariefcontingent niet kleiner is dan elk van deze tariefcontingenten van de afgelopen twee jaren.

2. Zodra 75 % van de aanvankelijke omvang van een niet-kritiek tariefcontingent is opgebruikt of wanneer de bevoegde autoriteiten aldus beslissen, wordt dat tariefcontingent als kritiek beschouwd.

Afdeling 2

Toezicht op preferentiële invoer

Artikel 308 quinquies

1. Wanneer op de preferentiële invoer een communautair toezicht dient te worden gehouden, verstrekken de lidstaten de Commissie eenmaal per maand, of vaker indien de Commissie daarom verzoekt, gegevens over de hoeveelheid goederen die de voorafgaande maanden met gebruikmaking van een preferentiële tariefregeling in het vrije verkeer is gebracht.

2. In de verslagen die de lidstaten in verband met het toezicht opstellen, worden de totale hoeveelheden aangegeven die sinds de eerste dag van de betrokken periode met gebruikmaking van de preferentiële tariefregeling in het vrije verkeer zijn gebracht.

3. De lidstaten zenden de Commissie de maandverslagen over het toezicht uiterlijk toe op de 15e dag van de maand volgende op het einde van de verslagperiode.

4. De door de onderscheiden lidstaten medegedeelde gegevens worden als vertrouwelijk behandeld.".

5. Aan artikel 417 wordt de volgende alinea toegevoegd:

"De in de eerste alinea bedoelde etiketten mogen worden vervangen door een stempel in groene inkt dat het in bijlage 58 opgenomen pictogram weergeeft.".

6. Artikel 426 komt te luiden:

"Artikel 426

In de gevallen waarin de regeling communautair douanevervoer van toepassing is, worden overeenkomstig de artikelen 427 tot en met 442 de daarmee verband houdende formaliteiten vereenvoudigd, wanneer spoorwegmaatschappijen onder geleide van overdrachtsformulieren, hierna "overdrachtsformulier TR" genoemd, met grote containers goederen vervoeren door tussenkomst van vervoersondernemingen. Genoemd vervoer omvat, in voorkomend geval, het door vervoersondernemingen overbrengen van deze zendingen door middel van andere vervoerswijzen dan per spoor, vanaf de plaats van lading naar het dichtstbij zijnde geschikte spoorwegstation en vanaf het dichtsbij zijnde beschikte spoorwegstation naar de plaats van lossing, alsmede het op het traject tussen deze beide stations geschiede vervoer over zee.".

7. Aan artikel 427 wordt het volgende punt 5 toegevoegd:

"5. "dichtstbij zijnde geschikte spoorwegstation" het spoorwegstation of de terminal dat, respectievelijk die het dichtst bij de plaats van lading of van lossing is gelegen en dat, respectievelijk die over de faciliteiten beschikt om de in punt 2 omschreven "grote containers" te kunnen verwerken.".

8. Aan artikel 432 wordt de volgende alinea toegevoegd:

"De in de eerste alinea bedoelde etiketten mogen worden vervangen door een stempel in groene inkt dat het in bijlage 58 opgenomen pictogram weergeeft.".

9. De tweede alinea van artikel 801 wordt geschrapt.

10. Artikel 840, lid 1, onder a), komt als volgt te luiden:

"a) De in de Gemeenschap bestaande en in gebruik zijnde vrije zones".

11. Aan artikel 859 worden de volgende punten 8 en 9 toegevoegd:

" 8. het bestaan van één van de situaties bedoeld in artikel 204, lid 1, onder a) of b), van het Wetboek ten aanzien van goederen die bij het in het vrije verkeer brengen voor de in artikel 145 van het Wetboek bedoelde gehele of gedeeltelijke vrijstelling van rechten bij invoer in aanmerking komen en die zich, voordat zij voor het vrije verkeer werden aangegeven, in tijdelijke opslag of onder een andere douaneregeling bevonden;

9. het niet aanvragen van een vernieuwing van de vergunning voor doorlopend verrichte actieve veredelingswerkzaamheden, indien aan de voorwaarden voor de afgifte daarvan was voldaan.".

12. Artikel 900 wordt als volgt gewijzigd:

a) In lid 2 wordt de volgende alinea tussen de tweede en de derde alinea ingevoegd:

"In de gevallen bedoeld in lid 1, onder g), i) en l), kan de besluitvormende autoriteit op verzoek toestaan dat de wederuitvoer van de goederen door plaatsing ervan onder de regeling douane-entrepot, vrije zone of vrij entrepot wordt vervangen.".

b) In lid 3 worden de woorden "en i)" geschrapt.

13. Bijlage 77 wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage I van deze verordening.

14. Bijlage 78 wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage II van deze verordening.

15. Bijlage 79 wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage III van deze verordening.

16. Bijlage 87 wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage IV van deze verordening.

17. Bijlage 108 wordt geschrapt.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de zevende dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.

De punten 1 en 4 van artikel 1 worden van toepassing op 1 januari 1998.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 23 juli 1997.

Voor de Commissie

Mario MONTI

Lid van de Commissie

(1) PB nr. L 302 van 19. 10. 1992, blz. 1.

(2) PB nr. L 17 van 21. 1. 1997, blz. 1.

(3) PB nr. L 253 van 11. 10. 1993, blz. 1.

(4) PB nr. L 17 van 21. 1. 1997, blz. 28.

BIJLAGE I

In bijlage 77 komen de volgnummers 131 en 132 als volgt te luiden:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

BIJLAGE II

In bijlage 78 worden de volgende punten toegevoegd:

"5. Maïs

Het gebruik van de regeling equivalentieverkeer tussen communautaire en niet-communautaire maïs is slechts toegestaan in de volgende gevallen en onder de genoemde voorwaarden:

1. maïs die voor de vervaardiging van diervoeder is bestemd, indien de douane erop toeziet dat de niet-communautaire maïs inderdaad tot diervoeder wordt verwerkt,

2. maïs die voor de vervaardiging van zetmeel en zetmeelproducten is bestemd, tussen alle variëteiten met uitzondering van de variëteiten rijk aan amylopectine (wasachtige maïs of "Waxy maize") die enkel onderling equivalent zijn,

3. maïs die voor de vervaardiging van producten voor de maïsgriesindustrie is bestemd, tussen alle variëteiten met uitzondering van de variëteiten glazige maïs ("Plata" maïs van het type "Duro", maïs "Flint") die enkel onderling equivalent zijn.

6. Olijfolie

A. Het gebruik van de regeling equivalentieverkeer is in de volgende gevallen en onder de genoemde voorwaarden toegestaan.

1. Voor olijfolie verkregen bij de eerste persing:

a) tussen extra olijfolie verkregen bij de eerste persing uit de Gemeenschap van GN-code 1509 10 90, overeenkomstig de beschrijving van punt 1 a) van de bijlage bij Verordening nr. 136/66/EEG van de Raad (*), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1581/96 (**), en niet-communautaire extra olijfolie verkregen bij de eerste persing uit derde landen, vallende onder dezelfde GN-code, mits door de veredeling extra olijfolie verkregen bij de eerste persing wordt verkregen, vallende onder dezelfde GN-code, en beantwoordende aan de voorwaarden van bovengenoemde categorie 1 a);

b) tussen olijfolie verkregen bij de eerste persing uit de Gemeenschap van GN-code 1509 10 90, overeenkomstig de beschrijving van punt 1 b) van de bijlage bij bovengenoemde Verordening nr. 136/66/EEG, en olijfolie verkregen bij de eerste persing uit derde landen, vallende onder dezelfde GN-code, mits door de veredeling olijfolie verkregen bij de eerste persing wordt verkregen, vallende onder dezelfde GN-code, en beantwoordende aan de voorwaarden van bovengenoemde categorie 1 b);

c) tussen courante olijfolie verkregen bij de eerste persing uit de Gemeenschap van GN-code 1509 10 90, overeenkomstig de beschrijving van punt 1 c) van de bijlage bij bovengenoemde Verordening nr. 136/66/EEG, en courante olijfolie verkregen bij de eerste persing uit derde landen, vallende onder dezelfde GN-code, mits het veredelingsproduct:

- geraffineerde olijfolie vallende onder GN-code 1509 90 00 is en overeenstemt met de beschrijving onder punt 2 van de voornoemde bijlage;

- olijfolie vallende onder GN-code 1509 90 00 is en overeenstemt met de beschrijving onder punt 3 van de genoemde bijlage wanneer die olie is verkregen door vermenging met communautaire olijfolie van eerste persing vallende onder GN-code 1509 10 90;

d) tussen olijfolie verkregen bij de eerste persing voor verlichting uit de Gemeenschap van GN-code 1509 10 10, overeenkomstig de beschrijving van punt 1 d) van de bijlage bij bovengenoemde Verordening nr. 136/66/EEG, en olijfolie verkregen bij de eerste persing voor verlichting uit derde landen, vallende onder dezelfde GN-code, mits het veredelingsproduct:

- geraffineerde olijfolie vallende onder GN-code 1509 90 00 is en overeenstemt met de beschrijving onder punt 2 van bovengenoemde bijlage, of

- olijfolie vallende onder GN-code 1509 90 00 is en overeenstemt met de beschrijving onder punt 3 van bovengenoemde bijlage wanneer die olie is verkregen door vermenging met communautaire olijfolie van eerste persing vallende onder GN-code 1509 10 90;

2. Voor olie uit afvallen van olijven:

tussen ruwe olie uit afvallen van olijven uit de Gemeenschap van GN-code 1510 00 10, overeenkomstig de beschrijving van punt 4 van de bijlage bij bovengenoemde Verordening nr. 136/66/EEG, en ruwe olie uit afvallen van olijven uit derde landen, vallende onder dezelfde GN-code, mits het veredelingsproduct olie uit afvallen van olijven, vallende onder GN-code 1510 00 90 en overeenkomstig de beschrijving van punt 6 van bovengenoemde bijlage, is verkregen door vermenging met communautaire olijfolie van eerste persing vallende onder GN-code 1509 10 90.

B. De in punt A.1, onder c), tweede streepje, en onder d), tweede streepje, en in punt A.2 bedoelde mengsels mogen slechts worden vervaardigd met bij de eerste persing verkregen, op identieke wijze gebruikte olijfolie uit derde landen, indien de controle op de regeling zodanig wordt georganiseerd, dat het aandeel bij de eerste persing verkregen olie uit derde landen in de totale hoeveelheid uitgevoerde gemengde olie kan worden vastgesteld.

C. De veredelingsproducten dienen te worden verpakt in onmiddellijke verpakkingen met een inhoud van 220 liter of minder. In afwijking, waar het toegestane containers van maximum 20 ton betreft, kunnen de douaneautoriteiten de uitvoer van de in de voorafgaande punten bedoelde olie toestaan, mits systematische controle van de hoeveelheid en van de kwaliteit van het uitgevoerde product geschiedt.

D. De controle van de equivalentie geschiedt door controle van de administratie van de onderneming wat de hoeveelheden in de mengsels gebruikte oliën betreft, en wat de betrokken kwaliteiten betreft, steekproefgewijs, door vergelijking van de technische eigenschappen van de monsters van de olie uit derde landen, genomen op het tijdstip dat de goederen onder de regeling werden geplaatst, met de technische eigenschappen van de monsters van de op het tijdstip van de verwerking tot het betrokken veredelingsproduct gebruikte olie uit de Gemeenschap, en de technische eigenschappen van de op het tijdstip van de daadwerkelijke uitvoer van de veredelingsproducten op de plaats van uitvoer genomen monsters.

De bemonstering geschiedt volgens de internationale normen EN ISO 5555 (ten aanzien van de bemonstering) en EN ISO 661 (ten aanzien van de verzending van de monsters naar het laboratorium en de voorbereiding van de monsters voor de proefnemingen). De analyse wordt verricht volgens de in bijlage I bij Verordening (EEG) nr. 2568/91 van de Commissie (***), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2527/95 (****), vermelde parameters.

(*) PB nr. 172 van 30. 9. 1996, blz. 3025/66.

(**) PB nr. L 206 van 16. 8. 1996, blz. 11.

(***) PB nr. L 248 van 5. 9. 1991, blz. 1.

(****) PB nr. L 258 van 28. 10. 1995, blz. 49.".

BIJLAGE III

In bijlage 79 wordt het volgende punt 69 bis ingevoegd:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

BIJLAGE IV

In bijlage 87 wordt het volgende punt 17 toegevoegd:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

Top