Help Print this page 

Document 31997R0820

Title and reference
Verordening (EG) nr. 820/97 van de Raad van 21 april 1997 tot vaststelling van een identificatie- en registratieregeling voor runderen en inzake de etikettering van rundvlees en rundvleesproducten
  • No longer in force, Date of end of validity: 13/08/2000; afgeschaft en vervangen door 300R1760
OJ L 117, 7.5.1997, p. 1–8 (ES, DA, DE, EL, EN, FR, IT, NL, PT, FI, SV)

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/1997/820/oj
Languages, formats and link to OJ
BG ES CS DA DE ET EL EN FR GA HR IT LV LT HU MT NL PL PT RO SK SL FI SV
HTML html ES html DA html DE html EL html EN html FR html IT html NL html PT html FI html SV
PDF pdf ES pdf DA pdf DE pdf EL pdf EN pdf FR pdf IT pdf NL pdf PT pdf FI pdf SV
Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal Display Official Journal
Multilingual display
Text

31997R0820

Verordening (EG) nr. 820/97 van de Raad van 21 april 1997 tot vaststelling van een identificatie- en registratieregeling voor runderen en inzake de etikettering van rundvlees en rundvleesproducten

Publicatieblad Nr. L 117 van 07/05/1997 blz. 0001 - 0008


VERORDENING (EG) Nr. 820/97 VAN DE RAAD van 21 april 1997 tot vaststelling van een identificatie- en registratieregeling voor runderen en inzake de etikettering van rundvlees en rundvleesproducten

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, inzonderheid op artikel 43,

Gezien het voorstel van de Commissie (1),

Gezien het advies van het Europees Parlement (2),

Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité (3),

Overwegende dat de markt voor rundvlees en rundvleesproducten is gedestabiliseerd door de crisis in verband met de boviene spongiforme encefalopathie; dat het noodzakelijk blijkt de stabiliteit van deze markt te herstellen; dat dit herstel het meest doeltreffend kan worden bereikt door de transparantie van de omstandigheden van de productie en het in de handel brengen van deze producten te verbeteren, met name ten aanzien van de traceerbaarheid;

Overwegende dat het te dien einde van wezenlijk belang is te voorzien in een betere identificatie- en registratieregeling voor runderen in de productiefase, enerzijds en in een op objectieve criteria gebaseerde specifieke communautaire etiketteringsregeling in de afzetfase anderzijds;

Overwegende dat als gevolg van de door deze verbetering geboden garanties eveneens zal worden voldaan aan een aantal eisen van algemeen belang, zoals de bescherming van de volksgezondheid en de gezondheid van dieren;

Overwegende dat het vertrouwen van de consument in de kwaliteit van rundvlees en vleesproducten bijgevolg zal worden gestimuleerd;

Overwegende dat in artikel 3, lid 1, onder c), van Richtlijn 90/425/EEG van de Raad van 26 juni 1990 inzake veterinaire en zoötechnische controles in het intracommunautaire handelsverkeer in bepaalde levende dieren en producten in het vooruitzicht van de totstandbrenging van de interne markt (4) is bepaald dat voor het intracommunautaire handelsverkeer bestemde dieren overeenkomstig de vereisten van de communautaire voorschriften moeten zijn geïdentificeerd en geregistreerd, zodat het bedrijf, het centrum of de instelling van oorsprong of van tijdelijk verblijf is terug te vinden, en dat deze identificatie- en registratieregelingen vóór 1 januari 1993 van toepassing moeten worden verklaard op het verkeer van dieren binnen het grondgebied van elke lidstaat;

Overwegende dat in artikel 14 van Richtlijn 91/496/EEG van de Raad van 15 juli 1991 tot vaststelling van de beginselen voor de organisatie van de veterinaire controles voor dieren uit derde landen die in de Gemeenschap worden binnengebracht en tot wijziging van de Richtlijnen 89/662/EEG, 90/425/EEG en 90/675/EEG (5) is bepaald dat voor die dieren, met uitzondering van slachtdieren en geregistreerde paardachtigen, de in artikel 3, lid 1, onder c), van Richtlijn 90/425/EEG bedoelde identificatie en registratie moeten worden uitgevoerd nadat de controles zijn verricht;

Overwegende dat voor het beheer van bepaalde communautaire steunregelingen in de landbouwsector in bepaalde gevallen de dieren individueel moeten worden geïdentificeerd; dat de identificatie- en registratieregeling derhalve afgestemd moet zijn op de toepassing van die steunregelingen en de controle daarop;

Overwegende dat met het oog op de correcte toepassing van deze verordening moet worden voorzien in een snelle en efficiënte uitwisseling van informatie tussen de lidstaten; dat de communautaire voorschriften terzake zijn vastgesteld bij Verordening (EEG) nr. 1468/81 van de Raad van 19 mei 1981 betreffende wederzijdse bijstand tussen de administratieve autoriteiten van de lidstaten en samenwerking tussen deze autoriteiten en de Commissie, met het oog op de juiste toepassing van de douane- en landbouwvoorschriften (6) en bij Richtlijn 89/608/EEG van de Raad van 21 november 1989 betreffende wederzijdse bijstand tussen de administratieve autoriteiten van de lidstaten en samenwerking tussen deze autoriteiten en de Commissie, met het oog op de juiste toepassing van de veterinaire en zoötechnische wetgeving (7);

Overwegende dat de momenteel geldende voorschriften betreffende de identificatie en de registratie van runderen zijn vastgesteld bij Richtlijn 92/102/EEG van de Raad van 27 november 1992 met betrekking tot de identificatie en de registratie van dieren (8); dat is gebleken dat de toepassing van de richtlijn voor runderen niet geheel voldoet en nog moet worden verbeterd; dat bijgevolg voor runderen een specifieke verordening moet worden vastgesteld die de voorschriften van de huidige richtlijn stringenter maakt;

Overwegende dat, met het oog op het doen aanvaarden van een verbeterde identificatieregeling van de producenten, geen overdreven administratieve formaliteiten mogen worden verlangd; dat voor de tenuitvoerlegging haalbare termijnen moeten worden vastgesteld;

Overwegende dat, met het oog op snelle en doeltreffende tracering van dieren voor controles uit hoofde van de communautaire steunregelingen, elke lidstaat een gecomputeriseerd gegevensbestand dient op te zetten waarin de identiteit van het dier, alle bedrijven op het grondgebied van de lidstaat en alle verplaatsingen van de dieren zijn opgenomen, overeenkomstig Richtlijn 97/12/EG van de Raad van 17 maart 1997 tot wijziging en bijwerking van Richtlijn 64/432/EEG inzake veterinairrechtelijke vraagstukken op het gebied van het intracommunautaire handelsverkeer in runderen en varkens (9), waarin de sanitaire vereisten met betrekking tot dit gegevensbestand zijn omschreven;

Overwegende dat moet worden gezorgd voor de nodige technische voorzieningen om te garanderen dat de producenten optimaal met het gegevensbestand kunnen communiceren en dat het bestand op grote schaal wordt gebruikt;

Overwegende dat, teneinde de verplaatsingen van runderen te kunnen traceren, de dieren moeten worden geïdentificeerd met een oormerk in elk oor en in beginsel bij elke verplaatsing vergezeld moeten gaan van een paspoort; dat de kenmerken van het merkteken en het paspoort moeten worden vastgesteld voor de gehele Gemeenschap; dat in beginsel een paspoort moet worden afgegeven voor elk dier waaraan oormerken zijn toegekend;

Overwegende dat overeenkomstig Richtlijn 91/496/EEG uit derde landen geïmporteerde dieren aan dezelfde eisen inzake de identificatie dienen te voldoen;

Overwegende dat elk dier zijn oormerken zijn leven lang moet houden;

Overwegende dat de Commissie, op basis van door het Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek verricht onderzoek, nagaat of voor de identificatie van dieren gebruik kan worden gemaakt van elektronische hulpmiddelen;

Overwegende dat de houders van de dieren, de vervoerders uitgezonderd, voor de dieren op hun bedrijf een register moeten bijhouden; dat de kenmerken van dat register moeten worden vastgesteld voor de gehele Gemeenschap; dat de bevoegde autoriteit deze registers moet kunnen inzien wanneer zij daarom verzoekt;

Overwegende dat de lidstaten de uit de toepassing van deze maatregelen voortvloeiende kosten kunnen verhalen op de gehele rundvleessector;

Overwegende dat de voor de toepassing van elke titel van deze verordening bevoegde autoriteiten moeten worden aangewezen;

Overwegende dat met betrekking tot de bij deze verordening ingestelde etiketteringsregeling onder vlees moet worden verstaan een aantal producten als bedoeld in artikel 1, lid 1, van Verordening (EEG) nr. 805/68 van de Raad van 27 juni 1968 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees (10);

Overwegende dat handelaren en verenigingen die zich bezighouden met de afzet van rundvlees, tot 1 januari 2000 zelf moeten kunnen beslissen al dan niet gebruik te maken van een etiketteringsregeling, met dien verstande dat, wanneer zij ertoe besluiten hun rundvlees te etiketteren, dit overeenkomstig deze verordening moet gebeuren; dat de regeling in een latere fase wel verplicht moet worden toegepast; dat met ingang van 1 januari 2000 een verplichte etiketteringsregeling voor rundvlees moet worden ingevoerd en in alle lidstaten verplicht moet zijn; dat evenwel, een lidstaat de mogelijkheid moet hebben om te besluiten dit systeem slechts op basis van vrijwilligheid toe te passen op rundvlees dat in die lidstaat in de handel wordt gebracht; dat de etiketteringsregeling van deze verordening tot en met 31 december 1999 van kracht moet blijven; dat de lidstaten reeds vóór 1 januari 2000 de mogelijkheid moeten hebben om, onder bepaalde omstandigheden, de toepassing van de regeling verplicht te stellen;

Overwegende dat deze verordening niets mag afdoen aan de bestaande communautaire regelgeving inzake de etikettering en de controle van levensmiddelen, de bescherming van geografische benamingen en benamingen van oorsprong, de bescherming van specificiteitsattesten voor landbouwproducten en levensmiddelen, de maatregelen inzake reclame voor en bevordering van de afzet van kwaliteitsrundvlees en de voorschriften betreffende de gezondheidsvraagstukken bij het intracommunautaire handelsverkeer van vlees en vleesproducten;

Overwegende dat een etiketteringsregeling slechts doeltreffend is wanneer aan de hand daarvan kan worden nagegaan van welk dier het betrokken rundvlees afkomstig is; dat een door een handelaar of een vereniging toegepaste etikettering slechts wordt aanvaard nadat een productspecificatie is ingediend bij en goedgekeurd door de bevoegde autoriteit;

Overwegende dat, om degene die verantwoordelijk is voor de op de etiketten vermelde informatie, naar behoren te kunnen identificeren, aan handelaren en verenigingen slechts toestemming wordt gegeven om rundvlees te etiketteren indien op het etiket de naam of het identificatielogo van de handelaar of vereniging wordt vermeld; dat moet worden bepaald welke informatie op de etiketten mag worden vermeld;

Overwegende dat ook handelaren en verenigingen die rundvlees uit derde landen in de Gemeenschap invoeren, de wens te kennen kunnen geven hun producten overeenkomstig deze verordening te etiketteren; dat bijgevolg voorschriften moeten worden vastgesteld om ervoor te zorgen dat ingevoerd rundvlees ook onder de etiketteringsregeling kan vallen; dat die voorschriften moeten garanderen dat de etiketteringsregeling voor ingevoerd rundvlees even betrouwbaar is als die voor rundvlees uit de Gemeenschap;

Overwegende dat, om de betrouwbaarheid van de in de verordening vermelde maatregelen te garanderen, de lidstaten ertoe moeten worden verplicht adequate en efficiënte controlemaatregelen te treffen; dat deze controles los moeten staan van de controles die de Commissie kan uitvoeren op grond van de overeenkomstige toepassing van artikel 9 van Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad van 18 december 1995 betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen (11); dat de bevoegde autoriteiten van de lidstaten moeten worden gemachtigd om, indien onregelmatigheden worden geconstateerd, de goedkeuring van een productspecificatie in te trekken;

Overwegende dat moet worden voorzien in passende sancties in geval van overtreding van de bepalingen van deze verordening,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

TITEL I

Identificatie en registratie van runderen

Artikel 1

1. Elke lidstaat stelt, overeenkomstig deze titel, een identificatie- en registratieregeling vast voor runderen (hierna "dieren" genoemd).

2. Deze titel geldt onverminderd communautaire voorschriften die kunnen worden vastgesteld met het oog op de uitroeiing of de bestrijding van dierziekten en onverminderd Richtlijn 91/496/EEG en Verordening (EEG) nr. 3508/92. De bepalingen van Richtlijn 92/102/EEG die specifiek betrekking hebben op runderen, zijn evenwel niet langer van toepassing op dieren vanaf de datum waarop deze overeenkomstig het bepaalde in deze titel moeten worden geïdentificeerd.

Artikel 2

In deze titel wordt verstaan onder:

- dier: rund als bedoeld in artikel 2 van Richtlijn 97/12/EG;

- bedrijf: een op het grondgebied van een lidstaat gelegen inrichting, constructie of, in het geval van een boerderij in de open lucht, elke plaats waar dieren waarop deze verordening betrekking heeft, worden gehouden, opgefokt of verzorgd;

- houder: een natuurlijke of rechtspersoon die permanent of tijdelijk verantwoordelijk is voor dieren, ook tijdens het vervoer of op een markt;

- bevoegde autoriteit: de centrale autoriteit of de autoriteiten in een lidstaat die verantwoordelijk zijn voor of belast zijn met het uitvoeren van de veterinaire controles en de tenuitvoerlegging van deze titel of, voor wat betreft de controle van de premies, de autoriteiten die belast zijn met de tenuitvoerlegging van Verordening (EEG) nr. 3508/92.

Artikel 3

De identificatie- en registratieregeling voor runderen omvat de volgende elementen:

a) oormerken om de dieren individueel te identificeren;

b) gecomputeriseerde gegevensbestanden;

c) dierpaspoorten;

d) individuele registers op elk bedrijf.

De Commissie en de bevoegde autoriteit van de betrokken lidstaat hebben toegang tot alle informatie waarop deze titel betrekking heeft. De lidstaten en de Commissie treffen de nodige maatregelen om erop toe te zien dat alle betrokken belanghebbenden, waaronder de door de lidstaat erkende belanghebbende consumentenverenigingen, toegang kunnen krijgen tot deze gegevens, op voorwaarde dat de overeenkomstig het nationale recht vereiste vertrouwelijkheid en bescherming van gegevens worden gegarandeerd.

Artikel 4

1. Alle dieren op een bedrijf die na 1 januari 1998 zijn geboren of na 1 januari 1998 zijn bestemd voor het intracommunautaire handelsverkeer, worden geïdentificeerd met een door de bevoegde autoriteit goedgekeurd merk in elk oor. De beide oormerken zijn voorzien van dezelfde identificatiecode aan de hand waarvan elk individueel dier kan worden geïdentificeerd en kan worden nagegaan op welk bedrijf het dier is geboren. In afwijking van het voorgaande mogen dieren, geboren vóór 1 januari 1998, die na die datum bestemd zijn voor het intracommunautaire handelsverkeer, tot 1 september 1998 overeenkomstig Richtlijn 92/102/EEG worden geïdentificeerd. Bovendien mogen in afwijking van het voorgaande dieren, geboren vóór 1 januari 1998, die na die datum bestemd zijn voor het intracommunautaire handelsverkeer met het oog op onmiddellijke slachting, tot 1 september 1999 overeenkomstig Richtlijn 92/102/EEG worden geïdentificeerd. Stieren bestemd voor culturele of sportieve evenementen (met uitzondering van beurzen en tentoonstellingen) mogen, in plaats van met een oormerk, worden geïdentificeerd volgens een door de Commissie erkend identificatiesysteem dat gelijkwaardige waarborgen biedt.

2. Het oormerk wordt aangebracht binnen een door de lidstaat te bepalen termijn vanaf de geboorte van het dier en in elk geval vóórdat het dier het bedrijf waarop het is geboren, verlaat. Deze termijn mag tot en met 31 december 1999 niet langer zijn dan 30 dagen en na die datum niet langer dan 20 dagen.

De Commissie kan evenwel op verzoek van een lidstaat overeenkomstig de in artikel 10 bedoelde procedure bepalen op grond van welke omstandigheden de lidstaten de maximumtermijn mogen verlengen.

Dieren geboren na 1 januari 1998 mogen slechts van een bedrijf worden afgevoerd indien zij overeenkomstig dit artikel zijn geïdentificeerd.

3. Een uit een derde land ingevoerd dier dat de bij Richtlijn 91/496/EEG vastgestelde controles heeft ondergaan en dat op het grondgebied van de Gemeenschap blijft, wordt door middel van een oormerk dat aan de in dit artikel vastgestelde eisen voldoet, op het bedrijf van bestemming geïdentificeerd binnen een door de lidstaat te bepalen termijn van ten hoogste 20 dagen nadat bovenbedoelde controles zijn verricht en in elk geval vóórdat het dier het bedrijf weer verlaat. Het dier behoeft evenwel niet te worden geïdentificeerd indien het bedrijf van bestemming een slachthuis is in de lidstaat waar de betrokken controles zijn verricht en waar het dier binnen 20 dagen na de controles wordt geslacht.

De oorspronkelijke identificatie door het derde land wordt geregistreerd in het in artikel 5 bedoelde gecomputeriseerd gegevensbestand of, indien dat nog niet volledig operationeel is, in de in artikel 3 bedoelde registers, samen met de door de lidstaat van bestemming toegekende identificatiecode.

4. Dieren uit een andere lidstaat behouden hun oorspronkelijke oormerk.

5. Oormerken mogen niet worden verwijderd of vervangen zonder toestemming van de bevoegde autoriteit.

6. De oormerken worden aan het bedrijf toegekend, verdeeld en bij de dieren aangebracht op de door de bevoegde autoriteit vastgestelde wijze.

7. Uiterlijk op 31 december 2000 neemt de Raad, op basis van een verslag en eventuele voorstellen van de Commissie, een besluit over de mogelijkheid om, met inachtneming van de vooruitgang terzake, in het kader van de identificatieregeling gebruik te maken van elektronische hulpmiddelen.

Artikel 5

De bevoegde autoriteit van de lidstaten zet een gecomputeriseerd gegevensbestand op overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 14 en 18 van Richtlijn 97/12/EG.

De gecomputeriseerde gegevensbestanden worden uiterlijk op 31 december 1999 volledig operationeel en bevatten vanaf die datum alle ingevolge genoemde richtlijn vereiste gegevens.

Artikel 6

1. Met ingang van 1 januari 1998 geeft de bevoegde autoriteit een paspoort af voor elk dier dat overeenkomstig artikel 4 moet worden geïdentificeerd, binnen 14 dagen na de kennisgeving van de geboorte van het dier of, voor dieren die uit derde landen zijn ingevoerd, binnen 14 dagen na kennisgeving van de nieuwe identificatie door de betrokken lidstaat overeenkomstig artikel 4, lid 3. De bevoegde autoriteit kan onder dezelfde voorwaarden een paspoort afgeven voor dieren uit een andere lidstaat. In dat geval wordt het paspoort waarvan het dier vergezeld gaat, overhandigd aan de bevoegde autoriteit, die het terugbezorgt aan de lidstaat die het heeft afgegeven.

De Commissie kan evenwel op verzoek van een lidstaat overeenkomstig de in artikel 10 bedoelde procedure bepalen op grond van welke omstandigheden de maximumtermijn mag worden verlengd.

2. Dieren gaan bij verplaatsingen steeds vergezeld van het paspoort.

3. In afwijking van het bepaalde in lid 1, eerste volzin, en lid 2, kunnen lidstaten:

- die beschikken over een gecomputeriseerd gegevensbestand dat naar het oordeel van de Commissie overeenkomstig artikel 5 reeds voor 1 januari 2000 volledig operationeel is, bepalen dat een paspoort alleen wordt afgegeven voor dieren bestemd voor het intracommunautair handelsverkeer en dat dieren uitsluitend bij verplaatsing van het grondgebied van de betrokken lidstaat naar het grondgebied van een andere lidstaat steeds vergezeld gaan van het paspoort; in welk geval het paspoort gegevens bevat gebaseerd op het gecomputeriseerde gegevensbestand.

In deze lidstaten wordt het paspoort waarvan een dier bij invoer uit een andere lidstaat vergezeld gaat, bij aankomst overhandigd aan de bevoegde autoriteit;

- tot 1 januari 2000 toestaan dat collectieve dierpaspoorten worden uitgegeven voor dierkuddes, die binnen de betreffende lidstaat worden verplaatst, mits deze kuddes dezelfde herkomst en bestemming hebben en zij vergezeld gaan van het veterinair document.

4. Bij sterfte van een dier wordt het paspoort uiterlijk zeven dagen nadat het dier is gestorven, door de houder terugbezorgd aan de bevoegde autoriteit. Indien het dier naar een slachthuis wordt gezonden, ziet de beheerder van het slachthuis erop toe dat het paspoort aan de bevoegde autoriteit wordt terugbezorgd.

5. Wanneer dieren naar derde landen worden uitgevoerd, wordt het paspoort door de laatste houder overhandigd aan de bevoegde autoriteit op de plaats waar het dier wordt uitgevoerd.

Artikel 7

1. Elke houder van dieren, met uitzondering van vervoerders:

- houdt een register bij;

- stelt, zodra het gecomputeriseerde gegevensbestand volledig operationeel is, de bevoegde autoriteit uiterlijk binnen 15 dagen en vanaf 1 januari 2000 binnen zeven dagen in kennis van alle verplaatsingen van en naar het bedrijf en van elke geboorte of sterfte van een dier op het bedrijf, samen met de data waarop een en ander heeft plaatsgevonden. De Commissie kan evenwel op verzoek van een lidstaat, overeenkomstig de procedure van artikel 10, de omstandigheden bepalen waarin de lidstaten de maximumtermijn mogen verlengen.

2. Elke houder vult, voorzover van toepassing en overeenkomstig artikel 6, het paspoort in onmiddellijk na aankomst van een dier op het bedrijf en vóór het vertrek van een dier van het bedrijf, en ziet erop toe dat het paspoort het dier vergezelt.

3. Elke houder stelt de bevoegde autoriteit, indien deze daarom verzoekt, in kennis van alle informatie betreffende oorsprong, identificatie en eventueel bestemming van de dieren waarvan hij eigenaar is geweest of die hij heeft gehouden, vervoerd, verkocht of geslacht.

4. Het register heeft een door de bevoegde autoriteit goedgekeurde vorm, wordt handmatig of gecomputeriseerd bijgehouden en staat te allen tijde ter beschikking van de bevoegde autoriteit, die op haar verzoek inzage krijgt, gedurende een door de bevoegde autoriteit vast te stellen periode van ten minste drie jaar.

Artikel 8

De lidstaten wijzen de autoriteit aan die belast is met het toezicht op de naleving van deze titel. Zij stellen elkaar en de Commissie in kennis van de identiteit van deze autoriteit.

Artikel 9

De lidstaten kunnen de kosten verbonden aan de in artikel 3 bedoelde systemen en aan de in deze titel bedoelde controles ten laste brengen van de in artikel 2 bedoelde houders.

Artikel 10

De Commissie stelt de bepalingen ter uitvoering van deze titel vast volgens de procedure van artikel 13 van Verordening (EEG) nr. 729/70. De uitvoeringsbepalingen betreffen met name:

a) de voorschriften betreffende de oormerken;

b) de voorschriften betreffende het paspoort;

c) de voorschriften betreffende het register;

d) de minimaal te verrichten controles;

e) de toepassing van administratieve sancties;

f) de overgangsbepalingen voor de aanloopperiode van de regeling.

Artikel 11

Artikel 5 van Verordening (EG) nr. 3508/92 wordt aangevuld met de volgende tekst:

". . . en in Verordening (EG) nr. 820/97".

TITEL II

Etikettering van rundvlees en rundvleesproducten

Artikel 12

1. Indien een handelaar of een vereniging in de zin van artikel 13 in een verkooppunt vlees op zodanige wijze wenst te etiketteren dat informatie wordt verstrekt over de oorsprong, bepaalde kenmerken of productieomstandigheden van het geëtiketteerde vlees of van het dier waarvan het vlees afkomstig is, dient dit overeenkomstig deze titel te gebeuren.

Deze titel laat onverlet:

- verplichte vermeldingen als bedoeld in artikel 3, lid 1, van Richtlijn 79/112/EEG, met uitzondering van punt 7;

- vermeldingen die beschermd zijn overeenkomstig de Verordeningen (EEG) nr. 2081/92 en (EEG) nr. 2082/92;

- vermeldingen als bedoeld in de Verordeningen (EEG) nr. 1208/81 en (EEG) nr. 1186/90;

- vermeldingen in verband met het in Richtlijn 64/433/EEG voorgeschreven gezondheidsmerk en andere soortgelijke vermeldingen die in de toepasselijke veterinaire wetgeving zijn voorgeschreven;

- etiketten die alleen informatie bevatten die gemakkelijk in het verkooppunt kan worden gecontroleerd, zoals met name de vermelding van het gewicht van het product of de benaming van het stuk vlees.

2. Ongeacht lid 1 blijven de hierna genoemde richtlijnen en verordeningen van toepassing:

- Verordening nr. 26 van de Raad van 4 april 1962 inzake de toepassing van bepaalde regels betreffende de mededinging op de voortbrenging van en de handel in landbouwproducten (12);

- Richtlijn 64/433/EEG van de Raad van 26 juni 1964 betreffende de gezondheidsvoorschriften voor de productie en het in de handel brengen van vers vlees (13);

- Richtlijn 79/112/EEG van de Raad van 18 december 1978 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake etikettering en presentatie van levensmiddelen alsmede inzake de daarvoor gemaakte reclame (14);

- Richtlijn 93/99/EEG van de Raad van 29 oktober 1993 betreffende aanvullende maatregelen inzake de officiële controle op levensmiddelen (15);

- Richtlijn 94/65/EG van de Raad van 14 december 1994 tot vaststelling van voorschriften voor de productie en het in de handel brengen van gehakt vlees en vleesbereidingen (16);

- Verordening (EEG) nr. 1208/81 van de Raad van 28 april 1981 tot vaststelling van het communautaire indelingsschema voor geslachte volwassen runderen (17);

- Verordening (EEG) nr. 1186/90 van de Raad van 7 mei 1990 tot uitbreiding van de werkingssfeer van het communautaire indelingsschema voor geslachte volwassen runderen (18);

- Verordening (EEG) nr. 2081/92 van de Raad van 14 juli 1992 inzake de bescherming van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwproducten en levensmiddelen (19);

- Verordening (EEG) nr. 2082/92 van de Raad van 14 juli 1992 inzake de specificiteitscertificering voor lanbouwproducten en levensmiddelen (20);

- Verordening (EEG) nr. 2067/92 van de Raad van 30 juni 1992 betreffende acties ter bevordering van de verkoop en de afzet van kwaliteitsrundvlees (21).

Artikel 13

In deze titel wordt verstaan onder:

- "rundvlees": alle producten van de GN-codes 0201, 0202, 0206 10 95 en 0206 29 91;

- "etikettering": het aanbrengen van een etiket op een stuk vlees of stukken vlees of de verpakking ervan, met inbegrip van de in het verkooppunt aan de consument verstrekte informatie;

- "vereniging": een groep handelaren werkzaam in hetzij één stadium, hetzij verschillende stadia van de rundvleeshandel.

Artikel 14

1. Elke handelaar of vereniging dient een productspecificiatie ter goedkeuring in bij de bevoegde autoriteit van elke lidstaat waar het betrokken rundvlees wordt geproduceerd of verkocht. Tevens kan de bevoegde autoriteit productspecificaties vaststellen voor gebruik in de betrokken lidstaat, op voorwaarde dat het gebruik ervan niet verplicht is.

In een specificatie moeten worden vermeld:

- de in de etikettering te vermelden informatie;

- de maatregelen die moeten worden genomen om de juistheid van deze informatie te garanderen;

- de controles die in alle stadia van productie en verkoop zullen worden uitgevoerd, met inbegrip van de controles die moeten worden uitgevoerd door een door de handelaar of vereniging aan te wijzen en door de bevoegde autoriteit erkende onafhankelijke dienst. Deze diensten moeten uiterlijk op 31 december 1999 voldoen aan de criteria van de Europese norm EN/45011;

- in het geval van een vereniging, de maatregelen die worden genomen ten aanzien van een lid dat de gegevens van de specificatie niet in acht neemt.

De lidstaten kunnen besluiten dat de controles door een onafhankelijke dienst vervangen kunnen worden door controles door een bevoegde autoriteit. De bevoegde autoriteit moet in dat geval beschikken over het gekwalificeerde personeel en de middelen die nodig zijn om de noodzakelijke controles te verrichten, en dient bij de Commissie een werkplan en een activiteitenverslag in.

De kosten van de uit hoofde van deze titel uitgevoerde controles komen ten laste van de handelaar of de vereniging die de etiketteringsregeling toepast.

2. Een specificatie mag slechts worden goedgekeurd als de bevoegde autoriteit op basis van een grondig onderzoek van de in lid 1 bedoelde elementen, de zekerheid heeft dat de overwogen etiketteringsregeling en met name de betrokken controleregeling deugdelijk functioneert en betrouwbaar is. De bevoegde autoriteit weigert elke specificatie die geen verband legt tussen enerzijds de identificatie van het karkas, een voor- of achtervoet, of stukken vlees en anderzijds het betrokken dier of, waar zulks volstaat om de juistheid van de informatie op het etiket te waarborgen, de betrokken dieren.

Specificaties die leiden tot etiketten met informatie die misleidend of onvoldoende duidelijk is, worden eveneens afgewezen.

3. Wanneer de productie en/of de verkoop van rundvlees plaatsvindt in twee of meer lidstaten, onderzoeken de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten, elk voor de gegevens die betrekking hebben op activiteiten die plaatsvinden op het eigen grondgebied, de ingediende productspecificaties en keuren die eventueel goed. De betrokken lidstaten erkennen in dat geval de door de andere betrokken lidstaten verleende goedkeuringen.

Indien binnen een overeenkomstig artikel 18 vast te stellen termijn, te rekenen vanaf de dag volgend op die waarop de aanvraag is ingediend, geen goedkeuring is geweigerd of verleend of indien niet om aanvullende informatie is verzocht, wordt de specificatie geacht te zijn goedgekeurd door de bevoegde autoriteit.

4. Als de bevoegde autoriteiten van alle betrokken lidstaten de ingediende productspecificatie goedkeuren, wordt de betrokken handelaar of vereniging gemachtigd om zijn of haar rundvlees te etiketteren, op voorwaarde dat de etikettering zijn naam of logo vermeldt.

5. In afwijking van de voorgaande leden kan de Commissie, volgens de in artikel 18 bedoelde procedure, voor specifieke gevallen een versnelde of vereenvoudigde goedkeuringsprocedure invoeren, met name voor rundvlees in kleine detailhandelsverpakkingen of voor technische delen in afzonderlijke verpakkingen die in een lidstaat volgens een goedgekeurde specificatie zijn geëtiketteerd en zijn binnengebracht op het grondgebied van een andere lidstaat, op voorwaarde dat aan het oorspronkelijke etiket geen informatie wordt toegevoegd.

6. Elke machtiging geldt onverminderd artikel 13 van Verordening (EEG) nr. 2081/92 en artikel 13 van Verordening (EEG) nr. 2082/92.

Artikel 15

1. Ingeval het rundvlees geheel of gedeeltelijk in een derde land wordt geproduceerd, worden de betrokken handelaren en verenigingen slechts gemachtigd om het rundvlees overeenkomstig deze verordening te etiketteren indien zij aan de in artikel 14 vastgestelde vereisten voldoen en hun productspecificatie is goedgekeurd door de daartoe door elk betrokken derde land aangewezen bevoegde autoriteit.

2. Een door een derde land goedgekeurde productspecificatie is in de Gemeenschap slechts geldig als het betrokken derde land de Commissie vooraf de volgende gegevens heeft meegedeeld:

- de aangewezen bevoegde autoriteit;

- de door de bevoegde autoriteit bij het onderzoek van de productspecificatie in acht te nemen procedures en criteria;

- elke handelaar en vereniging van wie of waarvan de bevoegde autoriteit de productspecificatie heeft goedgekeurd.

De Commissie zendt deze gegevens door aan de lidstaten.

Als de Commissie, op basis van de bovenbedoelde mededelingen, tot de conclusie komt dat de in een derde land toegepaste procedures en/of criteria niet gelijkwaardig zijn aan de in deze verordening vastgestelde vereisten, besluit zij na overleg met het betrokken derde land, dat de door dat land goedgekeurde productspecificaties niet geldig zijn in de Gemeenschap.

Artikel 16

1. In de etikettering mag over het dier waarvan het vlees afkomstig is, alleen de in de onderstaande lijst genoemde informatie worden vermeld:

- de lidstaat, het derde land of het bedrijf waar het dier geboren is;

- de lidstaten, de derde landen of de bedrijven waar de vetmesting van het dier geheel of gedeeltelijk heeft plaatsgevonden; gedeeltelijke vetmesting moet worden vermeld;

- de lidstaat, het derde land of het slachthuis waar het dier geslacht is;

- het identificatienummer en het geslacht van het dier;

- de vetmestingmethode en andere informatie over de voedering;

- informatie over de slacht, zoals de leeftijd bij de slacht, de slachtdatum of de besterfperiode;

- alle andere door de betrokken bevoegde autoriteit goedgekeurde informatie die de handelaar of de vereniging wenst te vermelden.

Als rundvlees afkomstig is van een dier dat in één en dezelfde lidstaat is geboren, vetgemest en geslacht, dan volstaat op het etiket de vermelding van die lidstaat.

2. Als van verschillende dieren afkomstig rundvlees wordt vermengd, mag in de etikettering alleen informatie worden vermeld die voor al het betrokken rundvlees geldt.

3. Op elk etiket moet een referentienummer of -code staan waarmee het in artikel 14, lid 2, tweede zin, bedoelde verband gelegd kan worden. Dit nummer kan het identificatienummer van het betrokken dier zijn.

Artikel 17

Onverminderd elke door de vereniging zelf of door de in artikel 14 bedoelde onafhankelijke dienst ondernomen actie, kan de lidstaat, indien blijkt dat een handelaar of een vereniging niet heeft voldaan aan de vereisten van de in artikel 14, lid 1, bedoelde productspecificatie, de in artikel 14, lid 2, bedoelde goedkeuring van de specificatie intrekken of de goedkeuring niet intrekken, maar extra voorwaarden opleggen.

Artikel 18

De Commissie stelt volgens de procedure van artikel 27 van Verordening (EEG) nr. 805/68 gedetailleerde bepalingen ter uitvoering van deze titel en, indien nodig, overgangsmaatregelen vast. Deze bepalingen kunnen met name betrekking hebben op de informatie die in de etikettering overeenkomstig artikel 16 mag worden vermeld. Zij kunnen ook voorzien in uitbreiding van de in artikel 12, lid 1, tweede alinea, bedoelde lijst van vermeldingen of etiketten.

Artikel 19

1. Er wordt een verplichte rundvleesetiketteringsregeling ingevoerd die vanaf 1 januari 2000 in alle lidstaten verplicht wordt toegepast. Deze verplichte regeling sluit evenwel niet uit dat een lidstaat kan besluiten dit systeem slechts op facultatieve basis toe te passen op rundvlees dat in die lidstaat in de handel wordt gebracht. De bij deze verordening ingevoerde etiketteringsregeling is geldig tot en met 31 december 1999.

Daarom stelt de Raad vóór 1 januari 2000 aan de hand van het in lid 3 bedoelde verslag met gekwalificeerde meerderheid op voorstel van de Commissie, de algemene voorschriften vast van een vanaf laatstgenoemde datum geldende verplichte rundvleesetiketteringsregeling, in overeenstemming met de internationale verplichtingen van de Gemeenschap.

2. Behoudens andersluidend besluit van de Raad zal, in overeenstemming met de internationale verplichtingen van de Gemeenschap, uit hoofde van de vanaf 1 januari 2000 verplichte etiketteringsregeling naast de in artikel 16, lid 3 bedoelde vermelding op het etiket, tevens de vermelding van de lidstaat of het derde land waar het dier, waar het rundvlees van afkomstig is, is geboren, de lidstaten of derde landen waar het dier is gehouden, en de lidstaat of het derde land, waar het dier is geslacht, verplicht zijn.

3. De lidstaten doen de Commissie uiterlijk 1 mei 1999 verslagen toekomen over de tenuitvoerlegging van het etiketteringssysteem voor rundvlees. De Commissie legt de Raad een verslag voor over de stand van de tenuitvoerlegging van de rundvleesetiketteringssystemen in de verschillende lidstaten.

4. Lidstaten waar een voldoende ontwikkeld identificatie- en registratiesysteem voor runderen bestaat, kunnen evenwel reeds vóór 1 januari 2000 een verplichte etiketteringsregeling invoeren voor rundvlees van dieren die op hun grondgebied geboren, gehouden en geslacht zijn. Voorts kunnen zij besluiten dat op de etiketten een of meer elementen genoemd in artikel 16, leden 1 en 2, moeten worden vermeld.

5. Een verplichte regeling als bedoeld in lid 4, mag niet leiden tot handelsverstoringen tussen lidstaten.

Voor de tenuitvoerleggingsmodaliteiten in de lidstaten die de bepalingen van lid 4 willen toepassen, is voorafgaande goedkeuring van de Commissie vereist.

6. Uiterlijk 1 januari 2000 neemt de Raad met gekwalificeerde meerderheid op voorstel van de Commissie, een besluit over de mogelijkheid en wenselijkheid van andere verplichte vermeldingen dan die bedoeld in lid 2 en van de uitbreiding van het toepassingsgebied van deze verordening tot andere dan de in artikel 13, eerste streepje, genoemde producten.

Artikel 20

De lidstaten wijzen de autoriteit of de autoriteiten aan die belast is of belast zijn met de tenuitvoerlegging van deze titel.

TITEL III

Gemeenschappelijke bepalingen

Artikel 21

De lidstaten nemen de nodige maatregelen om de naleving van deze verordening te garanderen. De betrokken controles staan los van de controles die de Commissie naar analogie van artikel 9 van Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 kan uitvoeren.

Door een lidstaat opgelegde sancties staan in verhouding tot de ernst van de overtreding. Een sanctie kan, in voorkomend geval, inhouden dat de verplaatsingen van dieren naar of van het bedrijf van de betrokken houder worden beperkt.

Artikel 22

Deze verordening treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen.

Zij is van toepassing met ingang van 1 juli 1997.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Luxemburg, 21 april 1997.

Voor de Raad

De Voorzitter

J. VAN AARTSEN

(1) PB nr. C 349 van 20. 11. 1996, blz. 10, en

PB nr. C 100 van 27. 3. 1997, blz. 22.

(2) PB nr. C 85 van 17. 3. 1997.

(3) PB nr. C 66 van 3. 3. 1997, blz. 84.

(4) PB nr. L 224 van 18. 8. 1990, blz. 29. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 92/118/EEG (PB nr. L 62 van 15. 3. 1993, blz. 49).

(5) PB nr. L 268 van 24. 9. 1991, blz. 56. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij de Akte van Toetreding van Oostenrijk, Finland en Zweden.

(6) PB nr. L 144 van 2. 6. 1981, blz. 1. Verordening gewijzigd bij Verordening (EEG) nr. 945/87 (PB nr. L 90 van 2. 4. 1987, blz. 3).

(7) PB nr. L 351 van 2. 12. 1989, blz. 34.

(8) PB nr. L 355 van 5. 12. 1992, blz. 32.

(9) PB nr. L 109 van 25. 4. 1997, blz. 1.

(10) PB nr. L 148 van 28. 6. 1968, blz. 24. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 894/96 (PB nr. L 125 van 23. 5. 1996, blz. 1).

(11) PB nr. L 312 van 23. 12. 1995, blz. 1.

(12) PB nr. 30 van 20. 4. 1962, blz. 993/62.

(13) PB nr. 121 van 29. 7. 1964, blz. 2012/64.

(14) PB nr. L 33 van 8. 2. 1979, blz. 1.

(15) PB nr. L 290 van 24. 11. 1993, blz. 14.

(16) PB nr. L 368 van 31. 12. 1994, blz. 10.

(17) PB nr. L 123 van 7. 5. 1981, blz. 3.

(18) PB nr. L 119 van 11. 5. 1990, blz. 32.

(19) PB nr. L 208 van 24. 7. 1992, blz. 1.

(20) PB nr. L 208 van 24. 7. 1992, blz. 9.

(21) PB nr. L 215 van 30. 7. 1992, blz. 57.

Top