EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 31996R2223

Verordening (EG) nr. 2223/96 van de Raad van 25 juni 1996 inzake het Europees systeem van nationale en regionale rekeningen in de Gemeenschap

OJ L 310, 30.11.1996, p. 1–469 (ES, DA, DE, EL, EN, FR, IT, NL, PT, FI, SV)
Special edition in Czech: Chapter 10 Volume 002 P. 3 - 471
Special edition in Estonian: Chapter 10 Volume 002 P. 3 - 471
Special edition in Latvian: Chapter 10 Volume 002 P. 3 - 471
Special edition in Lithuanian: Chapter 10 Volume 002 P. 3 - 471
Special edition in Hungarian Chapter 10 Volume 002 P. 3 - 471
Special edition in Maltese: Chapter 10 Volume 002 P. 3 - 471
Special edition in Polish: Chapter 10 Volume 002 P. 3 - 471
Special edition in Slovak: Chapter 10 Volume 002 P. 3 - 471
Special edition in Slovene: Chapter 10 Volume 002 P. 3 - 471
Special edition in Bulgarian: Chapter 10 Volume 002 P. 3 - 471
Special edition in Romanian: Chapter 10 Volume 002 P. 3 - 471
Special edition in Croatian: Chapter 10 Volume 004 P. 3 - 471

In force: This act has been changed. Current consolidated version: 01/07/2013

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/1996/2223/oj

31996R2223

Verordening (EG) nr. 2223/96 van de Raad van 25 juni 1996 inzake het Europees systeem van nationale en regionale rekeningen in de Gemeenschap

Publicatieblad Nr. L 310 van 30/11/1996 blz. 0001 - 0469


VERORDENING (EG) Nr. 2223/96 VAN DE RAAD van 25 juni 1996 inzake het Europees systeem van nationale en regionale rekeningen in de Gemeenschap

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, inzonderheid op artikel 213,

Gezien de ontwerp-verordening die door de Commissie is ingediend,

Gezien het advies van het Europees Parlement (1),

Gezien het advies van het Europees Monetair Instituut (2),

Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité (3),

(1) Overwegende dat voor de uitvoering van en het toezicht op de Economische en Monetaire Unie behoefte bestaat aan vergelijkbare, actuele en betrouwbare informatie over de structuur en de ontwikkeling van de economische situatie in ieder land en/of iedere regio;

(2) Overwegende dat de Commissie moet bijdragen tot het beheer van de Economische en Monetaire Unie en met name aan de Raad verslag moet uitbrengen over de vooruitgang die de Lid-Staten hebben geboekt bij het nakomen van hun verplichtingen betreffende de totstandbrenging van de Economische en Monetaire Unie;

(3) Overwegende dat de economische rekeningen een basisinstrument zijn voor de analyse van de economische situatie van een land en/of een regio, voor zover ze zijn uitgewerkt op basis van dezelfde, niet voor verschillende uitleg vatbare beginselen;

(4) Overwegende dat de Commissie aggregaten van de nationale rekeningen voor de administratieve en met name budgettaire berekeningen dient te gebruiken;

(5) Overwegende dat in 1970 een administratief document met als titel "Europees stelsel van economische rekeningen" (ESER) werd gepubliceerd, dat betrekking had op het door deze verordening bestreken gebied en dat door het Bureau voor de Statistiek van de Europese Gemeenschappen als enige instantie en onder zijn uitsluitende verantwoordelijkheid was opgesteld; dat dit document de voltooiing was van het werk dat gedurende verscheidene jaren door het Bureau voor de Statistiek van de Europese Gemeenschappen in samenwerking met de nationale bureaus voor de statistiek van de Lid-Staten werd verricht ter uitwerking van een systeem van nationale rekeningen dat beantwoordde aan de behoeften van de economische en sociale politiek van de Gemeenschap en dat het de Gemeenschapsversie vormde van het systeem van nationale rekeningen van de Verenigde Naties, dat tot dan toe in de Gemeenschap was gebruikt;

(6) Overwegende dat in 1979 een tweede druk van dit document werd gepubliceerd, waarin de oorspronkelijke tekst was bijgewerkt (hierna "ESER, 2e druk", genoemd) (4);

(7) Overwegende dat de Statistische Commissie van de Verenigde Naties in februari 1993 het nieuwe systeem van nationale rekeningen (System of National Accounts (SNA)) heeft goedgekeurd, teneinde ervoor te zorgen dat de resultaten voor alle landen die lid zijn van de Verenigde Naties op mondiaal niveau vergelijkbaar zijn;

(8) Overwegende dat, op het gebied van de milieurekeningen, rekening moet worden gehouden met de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en aan de Raad "Richtsnoeren voor de Europese Unie inzake milieu-indicatoren en een groene nationale boekhouding";

(9) Overwegende dat de Gemeenschap, op een wijze die beide partijen tot voordeel strekt, met derde landen, en met name met die welke deel uitmaken van de Europese Economische Ruimte (EER), samenwerkt;

(10) Overwegende dat een Europees rekeningensysteem moet worden ingevoerd ten behoeve van de Economische en Monetaire Unie en moet worden gebruikt voor de opstelling van de in communautaire besluiten voorgeschreven nationale en regionale rekeningen;

(11) Overwegende dat de resultaten van de rekeningen en tabellen van alle Lid-Staten, die volgens het met deze verordening ingevoerde systeem zijn opgesteld, op vaste tijdstippen door de Commissie ter beschikking van de gebruikers moeten worden gesteld, met name voor het toezicht op de economische convergentie en teneinde de grootst mogelijke cooerdinatie van het economisch beleid van de Lid-Staten te verzekeren;

(12) Overwegende dat het met deze verordening ingevoerde systeem geleidelijk in de plaats van alle andere systemen moet treden als referentiekader voor gemeenschappelijke normen, definities, classificaties en registratieregels, dat bestemd is voor de opstelling van de rekeningen van de Lid-Staten ten behoeve van de Gemeenschap en waarmee resultaten kunnen worden verkregen die van Lid-Staat tot Lid-Staat vergelijkbaar zijn;

(13) Overwegende dat deze statistische resultaten, met inachtneming van het doorzichtigheidsbeginsel, toegankelijk voor de burgers moeten zijn;

(14) Overwegende dat het met deze verordening ingevoerde systeem de aan de economische structuur van de Lid-Staten aangepaste versie van het SNA van de Verenigde Naties is en de opzet hiervan in acht moet nemen, zodat men de beschikking krijgt over informatie die vergelijkbaar is met die van de belangrijkste mondiale handelspartners;

(15) Overwegende dat niet alle groepen van statistische rekeningen en tabellen op hetzelfde moment behoeven te worden opgesteld en dat enkel de voor de behoeften van de Gemeenschap onontbeerlijke informatie op vaste tijdstippen statistisch bewerkt en aan de Commissie medegedeeld moet worden;

(16) Overwegende echter dat, in verband met de omvang en het belang van de bedoelde rekeningen, de gedetailleerdheid en de geografische draagwijdte, alsmede de huidige stand van zaken op statistisch gebied in de Lid-Staten, bij wijze van uitzondering tijdelijk langere termijnen voor de indiening van de gegevens worden toegestaan aan Lid-Staten waarvoor het objectief gezien onmogelijk is zich aan de in deze verordening voorgeschreven termijnen te houden;

(17) Overwegende dat een beslissing over de toerekening van indirect gemeten diensten van financiële intermediairs (IGDFI) op een later tijdstip moet worden genomen;

(18) Overwegende dat, overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel, de vaststelling van gemeenschappelijke statistische normen met het oog op de produktie van vergelijkbare informatie alleen op communautair niveau efficiënt kan plaatsvinden en dat de toepassing ervan in iedere Lid-Staat zal geschieden onder de verantwoordelijkheid van de organisaties en instellingen die met de samenstelling van de officiële statistieken belast zijn;

(19) Overwegende dat moet worden gezorgd voor een procedure om in samenwerking met het Comité statistisch programma van de Europese Gemeenschappen (CSP), dat is opgericht bij Besluit 89/382/EEG, Euratom (5), de bepalingen in deze verordening aan te passen en bij te werken; dat deze aanpassingsprocedure zich beperkt tot wijzigingen die de eigen middelen niet doen toenemen;

(20) Overwegende dat het Comité statistisch programma en het Comité voor monetaire, financiële en betalingsbalansstatistiek (CMFB), dat is opgericht bij Besluit 91/115/EEG (6), zich voor het ontwerp voor deze verordening hebben uitgesproken;

(21) Overwegende dat Richtlijn 89/130/EEG, Euratom van de Raad van 13 februari 1989 betreffende de harmonisatie van de opstelling van het bruto nationaal produkt tegen marktprijzen (7) (BNPmp) bepaalt dat de vergelijkbaarheid van het BNPmp wordt gewaarborgd door inachtneming van de definities en registratieregels van het Europees stelsel van economische rekeningen; dat volgens Verordening (EEG, Euratom) nr. 1553/89 van de Raad van 29 mei 1989 betreffende de definitieve uniforme regeling voor de inning van de eigen middelen uit de belasting over de toegevoegde waarde (8) de indeling van de belastbare handelingen voor de berekening van het gewogen gemiddelde BTW-tarief wordt bepaald aan de hand van de nationale rekeningen die overeenkomstig het Europees stelsel van economische rekeningen zijn opgesteld en dat voor die besluiten, evenals in het kader van Verordening (EG) nr. 3605/93 van de Raad van 22 november 1993 betreffende de toepassing van het Protocol betreffende de procedure bij buitensporige tekorten (9), Besluit 94/728/EG, Euratom van de Raad van 31 oktober 1994 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen (10) en Beschikking 94/729/EG van de Raad van 31 oktober 1994 betreffende de begrotingsdiscipline (11), een overgangsperiode dient te worden bepaald voor de toepassing van het met deze verordening ingevoerde systeem,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Doelstellingen

1. Deze verordening heeft ten doel het Europees rekeningenstelsel 1995, hierna "ESR 1995" genoemd, in te voeren door middel van:

a) methoden betreffende gemeenschappelijke normen, definities, classificaties en registratieregels, die bestemd zijn voor de opstelling van statistische rekeningen en tabellen op een vergelijkbare grondslag ten behoeve van de Gemeenschap, en van resultaten volgens de in artikel 3 genoemde werkwijze;

b) een programma voor de indiening ten behoeve van de Gemeenschap van de overeenkomstig het ESR 1995 samengestelde rekeningen en tabellen volgens een precies tijdschema.

2. Deze verordening is, rekening houdend met de artikelen 7 en 8, van toepassing op alle communautaire besluiten waarin naar het ESER of naar de definities daarvan wordt verwezen.

3. Deze verordening verplicht de Lid-Staten er niet toe om ook voor hun eigen behoeften de rekeningen overeenkomstig het ESR 1995 samen te stellen.

Artikel 2

Methoden

1. De in artikel 1, lid 1, onder a), genoemde methoden van het ESR 1995 zijn opgenomen in bijlage A.

2. Wijzigingen in methoden van het ESR 1995 die ten doel hebben de inhoud ervan te verduidelijken en te verbeteren, worden overeenkomstig de procedure van artikel 4 bij besluit van de Commissie vastgesteld, mits hierdoor de opzet zelf niet wordt gewijzigd, er geen extra middelen voor de uitvoering nodig zijn en de toepassing ervan niet leidt tot een verhoging van de eigen middelen.

3. De Raad spreekt zich overeenkomstig de desbetreffende bepalingen van het Verdrag uiterlijk op 31 december 1997 uit over de invoering van het systeem voor de toerekening van indirect gemeten diensten van financiële intermediairs (IGDFI) als beschreven in bijlage I van bijlage A en stelt, in voorkomend geval, de maatregelen vast die nodig zijn voor de uitvoering ervan.

Artikel 3

Indiening bij de Commissie

1. De Lid-Staten verstrekken de Commissie (Eurostat) de rekeningen en tabellen die zijn opgenomen in bijlage B, binnen de voor iedere tabel voorgeschreven termijn.

De extra tijd die overeenkomstig bijlage B aan bepaalde Lid-Staten wordt toegestaan, loopt uiterlijk op 1 januari 2005 af.

Na raadpleging van het Comité statistisch programma brengt de Commissie, uiterlijk op 1 juli 2003, verslag uit aan de Raad over de toepassing van de toegestane extra tijd, om na te gaan in hoeverre deze extra tijd nog steeds gerechtvaardigd is. Dit verslag gaat, in voorkomend geval, vergezeld van een voorstel van de Commissie betreffende het opnieuw toestaan van extra tijd aan Lid-Staten waarvoor dat nodig zou zijn.

2. De Lid-Staten verstrekken de resultaten van bijlage B, met inbegrip van de door de Lid-Staten ingevolge hun wetgeving of praktijken op het gebied van de statistische geheimhouding vertrouwelijk verklaarde gegevens, overeenkomstig de bepalingen van Verordening (Euratom, EEG) nr. 1588/90 van de Raad van 11 juni 1990 betreffende de toezending van onder de statistische geheimhoudingsplicht vallende gegevens (12) aan het Bureau voor de Statistiek van de Europese Gemeenschappen.

Binnen de grenzen van artikel 2, lid 2, kunnen aanpassingen - nieuwe tabellen, betrokken landen en/of regio's - in de aan de Lid-Staten gevraagde informatie overeenkomstig de procedure van artikel 4 worden geregeld in besluiten van de Commissie.

Artikel 4

Procedure

1. De Commissie wordt bijgestaan door het Comité statistisch programma, hierna het "comité" genoemd.

2. De vertegenwoordiger van de Commissie legt het comité een ontwerp voor van de te nemen maatregelen. Het comité brengt advies uit over dit ontwerp binnen een termijn die de voorzitter kan vaststellen naar gelang van de urgentie van de materie. Het comité spreekt zich uit met de meerderheid van stemmen die in artikel 148, lid 2, van het Verdrag is voorgeschreven voor de aanneming van besluiten die de Raad op voorstel van de Commissie dient te nemen. Bij stemming in het comité worden de stemmen van de vertegenwoordigers van de Lid-Staten gewogen overeenkomstig genoemd artikel. De voorzitter neemt niet aan de stemming deel.

3. De Commissie stelt maatregelen vast die onmiddellijk van toepassing zijn. Indien deze maatregelen echter niet in overeenstemming zijn met het advies dat het comité heeft uitgebracht, worden zij onverwijld door de Commissie ter kennis van de Raad gebracht. In dat geval:

a) stelt de Commissie, voor een termijn van drie maanden vanaf de datum van kennisgeving, de toepassing uit van de maatregelen waartoe zij heeft besloten,

b) kan de Raad, binnen de onder a) genoemde termijn, met een gekwalificeerde meerderheid van stemmen een andersluidend besluit nemen.

Artikel 5

Taken van het comité

Het comité onderzoekt alle vraagstukken betreffende de toepassing van deze verordening, die door de voorzitter, hetzij op eigen initiatief, hetzij op verzoek van een Lid-Staat, aan de orde worden gesteld.

Artikel 6

Samenwerking met andere comités

1. Voor alle vraagstukken die onder de bevoegdheid van het Comité voor monetaire, financiële en betalingsbalansstatistiek (CMFB) vallen, vraagt de Commissie dit comité om advies overeenkomstig artikel 2 van Besluit 91/115/EEG.

2. De Commissie verstrekt het Comité bruto nationaal produkt, dat is opgericht bij Richtlijn 89/130/EEG, Euratom, alle informatie betreffende de uitvoering van deze verordening die het nodig heeft voor de uitvoering van zijn taak.

Artikel 7

Datum van toepassing en van eerste indiening van de gegevens

1. Het ESR 1995 wordt voor het eerst toegepast op de uit hoofde van bijlage B opgestelde gegevens, die in april 1999 moeten worden ingediend.

2. De gegevens worden bij de Commissie (Eurostat) ingediend overeenkomstig de in bijlage B bepaalde termijnen.

3. Overeenkomstig lid 1, blijven de Lid-Staten tot aan de eerste indiening volgens het ESR 1995 de Commissie (Eurostat) de rekeningen en tabellen mededelen die volgens het ESER, 2e druk, zijn opgesteld.

4. Onverminderd artikel 19 van Verordening (EEG, Euratom) nr. 1552/89 van de Raad van 29 mei 1989 houdende toepassing van Besluit 88/376/EEG, Euratom betreffende het stelsel van eigen middelen van de Gemeenschappen (13), controleert de Commissie met de betrokken Lid-Staat de toepassing van de onderhavige verordening en legt zij de resultaten van deze controle voor aan het in artikel 4, lid 1, van deze verordening genoemde comité.

Artikel 8

Overgangsbepalingen

1. Ten behoeve van de begroting en de eigen middelen is het ESER, 2e druk, in afwijking van artikel 1, lid 2, en artikel 7, het geldende Europese stelsel van economische rekeningen in de zin van artikel 1, lid 1, van Richtlijn 89/130/EEG, Euratom en de daarmee samenhangende besluiten - met name de Verordeningen (EEG, Euratom) nr. 1552/89 en (EEG, Euratom) nr. 1553/89, Besluit 94/728/EG, Euratom en Beschikking 94/729/EG - zolang Besluit 94/728/EG, Euratom van kracht is.

2. Voor de kennisgeving van de Lid-Staten aan de Commissie in het kader van de procedure bij buitensporige overheidstekorten overeenkomstig Verordening (EG) nr. 3605/93 is het ESER, 2e druk, het Europese stelsel van economische rekeningen, tot aan de kennisgeving van 1 september 1999.

3. De toepassing van het ESER, 2e druk, overeenkomstig de leden 1 en 2 van dit artikel, wordt gewaarborgd door de gegevens die uit hoofde van artikel 7, lid 1, op basis van het ESR 1995 worden verzameld, zodanig aan te passen dat rekening wordt gehouden met de wijzigingen die voortvloeien uit de verschillen in begrippen, definities of terminologie tussen het ESER, 2e druk, en het ESR 1995.

De uitvoering van dit beginsel wordt uiterlijk in december 1996 vastgesteld volgens de procedure van artikel 6 van Richtlijn 89/130/EEG, Euratom.

Artikel 9

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke Lid-Staat.

Gedaan te Brussel, 25 juni 1996.

Voor de Raad

De Voorzitter

M. PINTO

(1) PB nr. C 287 van 30. 10. 1995, blz. 114.

(2) Advies uitgebracht op 21 juni 1995 (nog niet verschenen in het Publikatieblad).

(3) PB nr. C 133 van 31. 5. 1995, blz. 2.

(4) Europees Stelsel van Economische Rekeningen ESER, 2e druk, Bureau voor de Statistiek van de Europese Gemeenschappen, Luxemburg, 1979. (Nederlandstalige versie van 1984).

(5) PB nr. L 181 van 28. 6. 1989, blz. 47.

(6) PB nr. L 59 van 6. 3. 1991, blz. 19.

(7) PB nr. L 49 van 21. 2. 1989, blz. 26. Richtlijn gewijzigd door de Toetredingsakte van 1994.

(8) PB nr. L 155 van 7. 6. 1989, blz. 9.

(9) PB nr. L 332 van 31. 12. 1993, blz. 7.

(10) PB nr. L 293 van 12. 11. 1994, blz. 9.

(11) PB nr. L 293 van 12. 11. 1994, blz. 14.

(12) PB nr. L 151 van 15. 6. 1990, blz. 1. Verordening gewijzigd door de Toetredingsakte van 1994.

(13) PB nr. L 155 van 7. 6. 1989, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG, Euratom) nr. 2729/94 (PB nr. L 293 van 12. 11. 1994, blz. 5).

BIJLAGE A

EUROPEES SYSTEEM VAN REKENINGEN ESR 1995

INHOUD

Bladzijde

HOOFDSTUK 1

ALGEMENE OPZET VAN HET SYSTEEM . 18

GEBRUIK VAN HET ESR . 18

Systeem ten behoeve van analyse en beleid . 18

Acht kenmerken van ESR-begrippen . 19

ESR 1995 en SNA 1993 . 25

ESR 1995 en ESER 1970 . 25

HET ESR ALS SYSTEEM . 26

Statistische eenheden en hun indeling . 26

Institutionele eenheden en sectoren . 27

Eenheden van economische activiteit op lokaal niveau en bedrijfstakken . 27

Ingezeten en niet-ingezeten eenheden; totale economie en buitenland . 27

Stromen en standen . 28

Stromen . 28

Transacties . 28

Kenmerken van transacties . 29

Interacties en interne transacties . 29

Monetaire en niet-monetaire transacties . 29

Transacties met en zonder tegenprestatie . 29

Herordenende transacties . 29

Omleiding . 29

Splitsing . 30

Vaststelling van de principaal van een transactie . 30

Grensgevallen . 30

Overige mutaties in activa . 30

Overige volumemutaties in activa en passiva . 30

Waarderingsverschillen . 31

Standen . 31

Het rekeningenstelsel en de aggregaten . 31

Registratieregels . 31

Terminologie voor beide zijden van de rekeningen . 31

Dubbele registratie/viervoudige registratie . 32

Waardering . 32

Bijzondere waarderingsregels voor produkten . 32

Waardering in constante prijzen . 33

HOOFDSTUK 1

(vervolg)

Bladzijde

Moment van registratie . 33

Consolidatie en saldering . 33

Consolidatie . 33

Saldering . 34

Rekeningen, saldi en aggregaten . 34

Het rekeningenstelsel . 34

Goederen- en dienstenrekening . 35

Rekeningen voor transacties van het buitenland . 35

Saldi . 35

Aggregaten . 35

Het input-outputsysteem . 35

HOOFDSTUK 2

EENHEDEN EN INDELING VAN EENHEDEN . 37

AFBAKENING VAN DE NATIONALE ECONOMIE . 37

INSTITUTIONELE EENHEDEN . 39

INSTITUTIONELE SECTOREN . 40

Niet-financiële vennootschappen (S.11) . 42

Subsector niet-financiële vennootschappen in handen van de overheid (S.11001) . 43

Subsector niet-financiële vennootschappen in handen van de particuliere sector (S.11002) . 44

Subsector niet-financiële vennootschappen in handen van het buitenland (S.11003) . 44

Financiële instellingen (S.12) . 44

Subsector centrale bank (S.121) . 46

Subsector overige monetaire financiële instellingen (S.122) . 47

Subsector overige financiële intermediairs m.u.v. verzekeringsinstellingen en pensioenfondsen (S.123) . 48

Subsector financiële hulpbedrijven (S.124) . 48

Subsector verzekeringsinstellingen en pensioenfondsen (S.125) . 49

Overheid (S.13) . 50

Subsector centrale overheid (S.1311) . 50

Subsector deelstaatoverheid (S.1312) . 50

Subsector lagere overheid (S.1313) . 50

Subsector wettelijke sociale-verzekeringsinstellingen (S.1314) . 51

Huishoudens (S.14) . 51

Subsector huishoudens met inkomen uit zelfstandige bedrijfsuitoefening (S.141 en S.142) . 52

Subsector huishoudens met looninkomen (S.143) . 52

Subsector huishoudens met inkomen uit vermogen (S.1441) . 52

Subsector huishoudens met pensioeninkomen (S.1442) . 52

Subsector huishoudens met overige inkomensoverdrachten (S.1443) . 52

Subsector overige (S.145) . 52

Instellingen zonder winstoogmerk t.b.v. huishoudens (S.15) . 53

Buitenland (S.2) . 53

Sectorindeling van gangbare vormen van produktie-eenheden . 54

HOOFDSTUK 2

(vervolg)

Bladzijde

EENHEDEN VAN ECONOMISCHE ACTIVITEIT OP LOKAAL NIVEAU EN BEDRIJFSTAKKEN . 56

De eenheid van economische activiteit op lokaal niveau . 57

De bedrijfstak . 57

INDELING VAN BEDRIJFSTAKKEN . 58

HOMOGENE-PRODUKTIE-EENHEDEN EN HOMOGENE BRANCHES . 58

Homogene-produktie-eenheid . 58

Homogene branche . 58

CLASSIFICATIE VAN HOMOGENE BRANCHES . 59

HOOFDSTUK 3

TRANSACTIES IN PRODUKTEN . 60

PRODUKTIE EN OUTPUT . 61

Hoofd-, neven- en hulpactiviteiten . 62

Output (P.1) . 62

Moment van registratie en waardering van de output . 68

INTERMEDIAIR VERBRUIK (P.2) . 73

Moment van registratie en waardering van het intermediair verbruik . 75

CONSUMPTIE (P.3, P.4) . 75

Consumptieve bestedingen (P.3) . 75

Werkelijke consumptie (P.4) . 76

Moment van registratie en waardering van de consumptieve bestedingen . 78

Moment van registratie en waardering van de werkelijke consumptie . 78

INVESTERINGEN (BRUTO) (P.5) . 79

Investeringen in vaste activa (bruto) (P.51) . 79

Moment van registratie en waardering van de bruto-investeringen in vaste activa . 81

Veranderingen in voorraden (P.52) . 82

Moment van registratie en waardering van veranderingen in voorraden . 83

Saldo aan- en verkopen van kostbaarheden (P.53) . 84

IN- EN UITVOER VAN GOEDEREN EN DIENSTEN (P.6 EN P.7) . 84

In- en uitvoer van goederen (P.61 en P.71) . 85

In- en uitvoer van diensten (P.62 en P.72) . 87

TRANSACTIES IN GEBRUIKTE GOEDEREN . 89

HOOFDSTUK 4

VERDELINGSTRANSACTIES . 91

BELONING VAN WERKNEMERS (D.1) . 91

Lonen (D.11) . 91

Lonen in geld . 91

Lonen in natura . 91

Sociale premies t.l.v. werkgevers (D.12) . 93

Werkelijke sociale premies t.l.v. werkgevers (D.121) . 93

Toegerekende sociale premies t.l.v. werkgevers (D.122) . 93

HOOFDSTUK 4

(vervolg)

Bladzijde

BELASTINGEN OP PRODUKTIE EN INVOER (D.2) . 94

Produktgebonden belastingen (D.21) . 95

Belasting over de toegevoegde waarde (BTW) (D.211) . 95

Belastingen op invoer (exclusief BTW) (D.212) . 95

Overige produktgebonden belastingen (D.214) . 96

Niet-produktgebonden belastingen op produktie (D.29) . 96

Belastingen op produktie in invoer, betaald aan de Instellingen van de Europese Unie . 97

SUBSIDIES (D.3) . 98

Produktgebonden subsidies (D.31) . 98

Subsidies op invoer (D.311) . 99

Overige produktgebonden subsidies (D.319) . 99

Niet-produktgebonden subsidies (D.39) . 99

INKOMEN UIT VERMOGEN (D.4) . 101

Rente (D.41) . 101

Rente op deposito's, leningen en handelskredieten en transitorische posten . 101

Rente op effecten . 101

Rente op wissels en vergelijkbare kortlopende financiële verhoudingen . 101

Rente op obligaties . 101

Renteswaps en termijncontracten met rentevaststelling na afloop . 102

Rente op financiële lease . 102

Overige rentebetalingen . 102

Moment van registratie . 103

Winstuitkeringen (D.42) . 103

Dividenden (D.421) . 103

Inkomen onttrokken aan quasi-vennootschappen (D.422) . 104

Ingehouden winsten op directe buitenlandse investeringen (D.43) . 105

Inkomen uit vermogen toegerekend aan polishouders (D.44) . 105

Inkomen uit grond en minerale reserves (D.45) . 106

Inkomen uit grond . 106

Inkomen uit minerale reserves . 106

BELASTINGEN OP INKOMEN, VERMOGEN ENZ. (D.5) . 106

Belastingen op inkomen (D.51) . 107

Belastingen op vermogen enz. (D.59) . 107

SOCIALE PREMIES EN UITKERINGEN (D.6) . 108

Sociale premies (D.61) . 110

Werkelijke sociale premies (D.611) . 110

Toegerekende sociale premies (D.612) . 111

Sociale uitkeringen (exclusief sociale overdrachten in natura) (D.62) . 112

Wettelijke uitkeringen sociale verzekering in geld (D.621) . 112

Particuliere uitkeringen sociale verzekering met fondsvorming (D.622) . 113

HOOFDSTUK 4

(vervolg)

Bladzijde

Uitkeringen sociale verzekering rechtstreeks door werkgevers (D.623) . 113

Uitkeringen sociale voorziening in geld (D.624) . 113

Sociale overdrachten in natura (D.63) . 113

Sociale uitkeringen in natura (D.631) . 113

Wettelijke uitkeringen sociale verzekering in natura, vergoedingen (D.6311) . 114

Wettelijke uitkeringen sociale verzekering in natura, overige (D.6312) . 114

Uitkeringen sociale voorziening in natura (D.6313) . 114

Sociale overdrachten van individuele niet-marktgoederen en -diensten (D.632) . 114

OVERIGE INKOMENSOVERDRACHTEN (D.7) . 115

Schadeverzekeringspremies (netto) (D.71) . 115

Schadeverzekeringsuitkeringen (D.72) . 116

Inkomensoverdrachten binnen de overheid (D.73) . 116

Inkomensoverdrachten in verband met internationale samenwerking (D.74) . 117

Overige inkomensoverdrachten n.e.g. (D.75) . 118

Inkomensoverdrachten aan IZW's ten behoeve van huishoudens . 118

Inkomensoverdrachten tussen huishoudens . 118

Boetes . 118

Loterijen en kansspelen . 119

Schadeloosstellingen . 119

BNP-afdracht aan de Europese Unie . 119

Overige . 119

CORRECTIE VOOR MUTATIES IN VOORZIENINGEN PENSIOENVERZEKERING (D.8) . 120

KAPITAALOVERDRACHTEN (D.9) . 121

Vermogensheffingen (D.91) . 121

Investeringsbijdragen (D.92) . 122

Overige kapitaaloverdrachten (D.99) . 123

HOOFDSTUK 5

FINANCIËLE TRANSACTIES . 125

CLASSIFICATIE VAN FINANCIËLE TRANSACTIES . 127

Monetair goud en bijzondere trekkingsrechten (SDR's) (F.1) . 129

Monetair goud (F.11) . 129

Bijzondere trekkingsrechten (SDR's) (F.12) . 130

Chartaal geld en deposito's (F.2) . 130

Chartaal geld (F.21) . 130

Girale deposito's (F.22) . 131

Overige deposito's en spaartegoeden (F.29) . 131

Effecten m.u.v. aandelen (F.3) . 132

Effecten m.u.v. aandelen (exclusief financiële derivaten) (F.33) . 132

Kortlopende effecten m.u.v. aandelen (exclusief financiële derivaten) (F.331) . 133

Langlopende effecten m.u.v. aandelen (exclusief financiële derivaten) (F.332) . 133

Financiële derivaten (F.34) . 134

HOOFDSTUK 5

(vervolg)

Bladzijde

Leningen (F.4) . 135

Kortlopende leningen (F.41) . 135

Langlopende leningen (F.42) . 135

Aandelen en overige deelnemingen (F.5) . 137

Aandelen en overige deelnemingen (exclusief participaties in beleggingsinstellingen) (F.51) . 138

Beursgenoteerde (F.511) en niet-beursgenoteerde aandelen (F.512) (exclusief participaties in beleggingsinstellingen) . 138

Overige deelnemingen (F.513) . 139

Participaties in beleggingsinstellingen (F.52) . 139

Verzekeringstechnische voorzieningen (F.6) . 139

Voorzieningen pensioen- en levensverzekering (F.61) . 140

Voorzieningen levensverzekering (F.611) . 140

Voorzieningen pensioenverzekering (F.612) . 141

Vooruitbetaalde premies en voorzieningen voor openstaande aanspraken (F.62) . 142

Handelskredieten en transitorische posten (F.7) . 142

Handelskredieten (F.71) . 143

Transitorische posten (F.79) . 143

Pro-memorie-post: directe buitenlandse investeringen (F.m) . 144

REGELS VOOR DE REGISTRATIE VAN FINANCIËLE TRANSACTIES . 144

Waardering . 144

Moment van registratie . 147

Afleiden van financiële transacties uit balansmutaties . 147

Bijlage 5.1: Relatie met monetaire aggregaten . 147

HOOFDSTUK 6

OVERIGE TRANSACTIES EN OVERIGE MUTATIES IN ACTIVA . 149

VERBRUIK VAN VASTE ACTIVA (K.1) . 149

SALDO AAN- EN VERKOPEN VAN NIET-GEPRODUCEERDE NIET-FINANCIËLE ACTIVA (K.2) . 149

OVERIGE MUTATIES IN ACTIVA (K.3 - K.12) . 150

OVERIGE VOLUMEMUTATIES IN ACTIVA (K.3 - K.10 EN K.12) . 150

ECONOMISCH ONTSTAAN VAN NIET-GEPRODUCEERDE ACTIVA (K.3) . 151

ECONOMISCH ONTSTAAN VAN GEPRODUCEERDE ACTIVA (K.4) . 151

NATUURLIJKE AANWAS VAN NIET IN CULTUUR GEBRACHTE BIOLOGISCHE HULPBRONNEN (K.5) . 151

ECONOMISCH VERLIES VAN NIET-GEPRODUCEERDE ACTIVA (K.6) . 152

VERLIES DOOR RAMPEN (K.7) . 152

NIET-GECOMPENSEERDE CONFISCATIES (K.8) . 152

OVERIGE VOLUMEMUTATIES IN NIET-FINANCIËLE ACTIVA, N.E.G. (K.9) . 152

OVERIGE VOLUMEMUTATIES IN VORDERINGEN EN SCHULDEN (K.10) . 153

HOOFDSTUK 6

(vervolg)

Bladzijde

WIJZIGINGEN IN CLASSIFICATIES EN STRUCTUUR (K.12) . 154

Wijzigingen in sectorclassificatie en structuur (K.12.1) . 154

Wijzigingen in de classificatie van activa en passiva (K.12.2) . 154

NOMINALE WAARDERINGSVERSCHILLEN (K.11) . 155

Neutrale waarderingsverschillen (K.11.1) . 156

Reële waarderingsverschillen (K.11.2) . 156

Waarderingsverschillen per type vordering . 157

Chartaal geld en deposito's (AF.2) . 157

Leningen (AF.4) en handelskredieten en transitorische posten (AF.7) . 157

Effecten m.u.v. aandelen (AF.3) . 157

Aandelen en overige deelnemingen (AF.5) . 158

Verzekeringstechnische voorzieningen (AF.6) . 158

Vorderingen in vreemde valuta . 158

HOOFDSTUK 7

BALANSEN . 159

SOORTEN ACTIVA . 160

Geproduceerde niet-financiële activa (AN.1) . 160

Niet-geproduceerde niet-financiële activa (AN.2) . 160

Vorderingen en schulden (AF) . 161

WAARDERING VAN BALANSPOSTEN . 163

Algemene waarderingsgrondslagen . 163

NIET-FINANCIËLE ACTIVA (AN) . 164

Geproduceerde activa (AN.1) . 164

Vaste activa (AN.11) . 164

Materiële vaste activa (AN.111) . 164

Immateriële vaste activa (AN.112) . 164

Voorraden (AN.12) . 164

Kostbaarheden (AN.13) . 165

Niet-geproduceerde activa (AN.2) . 165

Materiële niet-geproduceerde activa (AN.21) . 165

Grond (AN.211) . 165

Minerale reserves (AN.212) . 165

Overige natuurlijke hulpbronnen (AN.213 en AN.214) . 165

Immateriële niet-geproduceerde activa (AN.22) . 165

Vorderingen en schulden (AF) . 166

Monetair goud en bijzondere trekkingsrechten (SDR's) (AF.1) . 166

Chartaal geld en deposito's (AF.2) . 166

Effecten m.u.v. aandelen (AF.3) . 166

Leningen (AF.4) . 167

Aandelen en overige deelnemingen (AF.5) . 167

HOOFDSTUK 7

(vervolg)

Bladzijde

Verzekeringstechnische voorzieningen (AF.6) . 167

Handelskredieten en transitorische posten (AF.7) . 168

Pro-memorie-posten . 168

Duurzame consumptiegoederen (AN.m) . 168

Directe buitenlandse investeringen (AF.m) . 168

Financiële balansen . 169

Bijlage 7.1: Definitie van alle categorieën activa . 170

Bijlage 7.2: Overzicht van de posten van de beginbalans tot de eindbalans . 178

HOOFDSTUK 8

REKENINGEN EN SALDI . 181

REKENINGENSTELSEL . 184

Lopende rekeningen . 184

Produktierekening (I) . 184

Inkomensverdelings- en inkomensbestedingsrekeningen (II) . 184

Primaire inkomensverdelingsrekeningen (II.1) . 186

Inkomensvormingsrekening (II.1.1) . 186

Rekening voor bestemming van primaire inkomens (II.1.2) . 186

Rekening voor inkomen uit bedrijfsuitoefening (II.1.2.1) . 186

Rekening voor bestemming van overige primaire inkomens (II.1.2.2) . 192

Secundaire inkomensverdelingsrekening (II.2) . 192

Tertiaire inkomensverdelingsrekening (II.3) . 200

Inkomensbestedingsrekening (II.4) . 200

Rekening voor de besteding van het beschikbaar inkomen (II.4.1) . 200

Rekening voor de besteding van het alternatief beschikbaar inkomen (II.4.2) . 200

Accumulatierekeningen (III) . 202

Kapitaalrekening (III.1) . 202

Rekening voor mutaties in het vermogenssaldo a.g.v. besparingen en kapitaaloverdrachten (III.1.1) . 202

Kapitaalvormingsrekening (III.1.2) . 202

Financiële rekening (III.2) . 202

Rekening voor overige mutaties in activa (III.3) . 202

Rekening voor overige volumemutaties in activa (III.3.1) . 209

Rekening voor nominale waarderingsverschillen (III.3.2) . 209

Rekening voor neutrale waarderingsverschillen (III.3.2.1) . 209

Rekening voor reële waarderingsverschillen (III.3.2.2) . 209

Balansen (IV) . 218

Beginbalans (IV.1) . 218

Balansmutaties (IV.2) . 218

Eindbalans (IV.3) . 218

HOOFDSTUK 8

(vervolg)

Bladzijde

REKENINGEN VOOR TRANSACTIES VAN HET BUITENLAND (V) . 218

Lopende rekeningen . 223

Rekening voor goederen- en dienstentransacties van het buitenland (V.I) . 223

Rekening voor inkomenstransacties van het buitenland (V.II) . 223

Rekening voor accumulatietransacties van het buitenland (V.III) . 223

Rekening voor kapitaaltransacties van het buitenland (V.III.1) . 223

Rekening voor financiële transacties van het buitenland (V.III.2) . 223

Rekening voor overige mutaties in activa van het buitenland (V.III.3) . 223

Balansen van het buitenland (V.IV) . 224

GOEDEREN- EN DIENSTENREKENING (0) . 232

INTEGRAAL REKENINGENSTELSEL . 233

AGGREGATEN . 243

Bruto binnenlands produkt tegen marktprijzen (BBP) . 243

Exploitatieoverschot van de totale economie . 243

Gemengd inkomen van de totale economie . 243

Inkomen uit bedrijfsuitoefening van de totale economie . 243

Nationaal inkomen (tegen marktprijzen) . 243

Nationaal beschikbaar inkomen . 244

Besparingen . 244

Saldo lopende transacties van het buitenland . 244

Vorderingenoverschot (+) c.q. -tekort (-) van de totale economie . 244

Vermogenssaldo van de totale economie . 244

MATRICES . 244

Matrix van de ESR-rekeningen . 245

Eigenschappen van rekeningenmatrices . 248

Aanpassing van de beknopte matrix voor specifieke analyses . 249

HOOFDSTUK 9

HET INPUT-OUTPUTSYSTEEM . 264

AANBOD- EN GEBRUIKSTABELLEN . 268

TABELLEN VOOR HET KOPPELEN VAN AANBOD- EN GEBRUIKSTABELLEN AAN DE SECTORREKENINGEN . 282

SYMMETRISCHE INPUT-OUTPUTTABELLEN . 282

HOOFDSTUK 10

HET METEN VAN PRIJS- EN VOLUMEMUTATIES . 287

TOEPASSINGSGEBIED VAN PRIJS- EN VOLUME-INDEXCIJFERS . 288

Het geïntegreerde systeem van prijs- en volume-indexcijfers . 288

Prijs- en volume-indexcijfers voor andere aggregaten . 289

ALGEMENE UITGANGSPUNTEN VOOR HET METEN VAN PRIJS- EN VOLUME-INDEXCIJFERS . 290

Definitie van prijzen en volumes voor marktprodukten . 290

Kwaliteits- en prijsverschillen . 290

HOOFDSTUK 10

(vervolg)

Bladzijde

Uitgangspunten voor niet-marktdiensten . 291

Uitgangspunten voor de toegevoegde waarde tegen basisprijzen en het BBP . 292

PROBLEMEN BIJ DE TOEPASSING VAN DE UITGANGSPUNTEN . 292

Algemene toepassing . 293

Toepassing op specifieke stromen . 293

Stromen van goederen en marktdiensten . 293

Stromen van niet-marktdiensten . 294

Produktgebonden belastingen en subsidies . 295

Verbruik van vaste activa . 296

Beloning van werknemers . 296

Kapitaalgoederenvoorraad en voorraden vlottende activa . 296

Berekening van het reële inkomen voor de totale economie . 297

KEUZE VAN INDEXFORMULES EN BASISJAAR . 298

INTERNATIONALE PRIJS- EN VOLUME-INDEXCIJFERS . 298

HOOFDSTUK 11

BEVOLKING EN INPUT VAN ARBEID . 300

TOTALE BEVOLKING . 300

BEROEPSBEVOLKING . 301

WERKZAME PERSONEN . 302

Werknemers . 302

Zelfstandigen . 303

Werkzame personen en ingezetenschap . 303

WERKLOZEN . 304

BANEN . 305

Banen en ingezetenschap . 305

TOTAAL GEWERKTE UREN . 305

ARBEIDSJAREN . 306

INPUT VAN ARBEID VAN WERKNEMERS BIJ CONSTANTE BELONING . 307

HOOFDSTUK 12

KWARTAALREKENINGEN . 308

HOOFDSTUK 13

REGIONALE REKENINGEN . 310

REGIONAAL GEBIED . 310

EENHEDEN EN INGEZETENSCHAP . 310

METHODEN VOOR REGIONALISATIE . 311

AGGREGATEN PER BEDRIJFSTAK . 312

REKENINGEN VAN DE SECTOR HUISHOUDENS . 314

Bladzijde

BIJLAGEN

I. INDIRECT GEMETEN DIENSTEN VAN FINANCIËLE INTERMEDIAIRS (IGDFI) . 315

In het ESR aan te brengen wijzigingen bij toerekening van de IGDFI . 315

II. LEASE EN HUURKOOP VAN DUURZAME GOEDEREN . 321

Definities . 321

Lease . 321

Operationele lease . 321

Financiële lease . 321

Huurkoop . 322

Registratie in de rekeningen . 322

Operationele lease . 322

Financiële lease . 322

Huurkoop . 323

III. VERZEKERING . 325

Inleiding . 325

Definities . 325

Sociale verzekering . 325

Wettelijke sociale-verzekeringsregelingen . 325

Particuliere sociale-verzekeringsregelingen met fondsvorming . 326

Door werkgevers uitgevoerde sociale-verzekeringsregelingen zonder fondsvorming . 326

Overige verzekering . 326

Levensverzekering . 326

Schadeverzekering . 326

Herverzekering . 327

Verzekeringshulpbedrijven . 327

Wijze van registratie in de rekeningen . 327

Sociale verzekering . 327

Wettelijke sociale-verzekeringsregelingen . 327

Particuliere sociale-verzekeringsregelingen met fondsvorming . 328

Door werkgevers uitgevoerde sociale-verzekeringsregelingen zonder fondsvorming . 329

Overige verzekering . 330

Levensverzekering . 331

Schadeverzekering . 332

Herverzekering . 333

Verzekeringshulpbedrijven . 333

Verzekering: Cijfervoorbeeld . 334

IV. CLASSIFICATIES EN REKENINGEN . 339

Classificaties . 339

Classificatie van institutionele sectoren (S) . 339

Bladzijde

Classificatie van transacties en overige mutaties in activa . 340

Classificatie van saldi (B) . 343

Classificatie van activa (A) . 344

Samenvoeging en codering van bedrijfstakken (A), produkten (P) en investeringen (in vaste activa) (Pi) . 346

Classificatie van individuele verbruiksfuncties (COICOP) . 354

Classificatie van overheidsfuncties (COFOG) . 355

Rekeningen . 357

Tabellen

2.1

Sectoren en subsectoren . 40

2.2

Type producent en hoofdactiviteiten of -functies per sector . 42

2.3

Sectorindeling van de produktie-eenheden naar gangbare benaming . 55

3.1

Onderscheid tussen marktproducenten, producenten voor eigen finaal gebruik en overige niet-marktproducenten voor institutionele eenheden . 64

3.2

Institutionele eenheden, lokale EEA's en hun output en het onderscheid tussen "markt", "voor eigen finaal gebruik" en "overige niet-markt" . 67

3.3

Onderscheid "markt", "voor eigen finaal gebruik" en "overige niet-markt" bij lokale EEA's en hun output . 68

3.4

Behandeling van het vervoer van uitgevoerde goederen . 88

3.5

Behandeling van het vervoer van ingevoerde goederen . 89

5.1

Classificatie van de financiële transacties . 128

8.1

Synoptische presentatie van de rekeningen, de saldi en de belangrijkste aggregaten . 182

8.2

Rekening I: Produktierekening . 185

8.3

Rekening II.1.1: Inkomensvormingsrekening . 187

8.4

Rekening II.1.2: Rekening voor bestemming van primaire inkomens . 189

8.5

Rekening II.1.2.1: Rekening voor inkomen uit bedrijfsuitoefening en Rekening II.1.2.2: Rekening voor bestemming van overige primaire inkomens . 193

8.6

Rekening II.2: Secundaire inkomensverdelingsrekening . 196

8.7

Rekening II.3: Tertiaire inkomensverdelingsrekening . 199

8.8

Rekening II.4.1: Rekening voor besteding van het beschikbaar inkomen . 201

8.9

Rekening II.4.2: Rekening voor besteding van het alternatief beschikbaar inkomen . 203

8.10

Rekening III.1.1: Rekening voor mutaties in het vermogenssaldo a.g.v. besparingen en kapitaaloverdrachten . 204

8.11

Rekening III.1.2: Kapitaalvormingsrekening . 205

8.12

Rekening III.2: Financiële rekening . 207

8.13

Rekening III.3.1: Rekening voor overige volumemutaties in activa . 210

8.14

Rekening III.3.2: Rekening voor nominale waarderingsverschillen . 214

8.15

Rekening IV: Balansen . 219

8.16

Complete rekeningenreeks voor het buitenland (rekening voor transacties van het buitenland) . 224

8.17

Rekening 0: Goederen- en dienstenrekening . 232

8.18

Geïntegreerde economische rekeningen . 234

8.19

Matrixpresentatie van de rekeningen en saldi voor de totale economie . 250

8.20

Schematische presentatie van een sociale-rekeningenmatrix (Social Accounting Matrix: SAM) . 257

8.21

Voorbeeld van een gedetailleerde sociale-rekeningenmatrix (Social Accounting Matrix: SAM) . 260

8.22

Voorbeeld van een gedetailleerde submatrix: toegevoegde waarde (netto, basisprijzen) . 262

Bladzijde

9.1

Eenvoudige aanbodtabel . 264

9.2

Eenvoudige gebruikstabel . 264

9.3

Eenvoudige gecombineerde aanbod- en gebruikstabel . 265

9.4

Eenvoudige symmetrische input-outputtabel (produktgroep × produktgroep) . 266

9.5

Aanbodtabel tegen basisprijzen, inclusief de overgang naar aanbod tegen aankoopprijzen . 269

9.6

Gebruikstabel tegen aankoopprijzen . 270

9.7

Eenvoudige tabel betreffende handels- en vervoersmarges . 274

9.8

Eenvoudige tabel betreffende het saldo van produktgebonden belastingen en subsidies . 275

9.9

Gebruikstabel voor de invoer . 279

9.10

Gebruikstabel tegen basisprijzen voor de binnenlandse output . 280

9.11

Koppeling aanbod- en gebruikstabellen aan sectorrekeningen . 282

9.12

Symmetrische input-outputtabel tegen basisprijzen (produktgroep × produktgroep) . 284

9.13

Symmetrische input-outputtabel voor de binnenlandse output (produktgroep × produktgroep) . 286

A.I.1

Gevolgen van de toerekening van IGDFI aan institutionele sectoren, inclusief wijzigingen voor niet-marktproducenten . 318

A.I.2

Gevolgen van de toerekening van IGDFI aan een nominale sector . 319

A.III.1

Wettelijke sociale-verzekeringsregelingen . 334

A.III.2

Particuliere sociale-verzekeringsregelingen met fondsvorming . 335

A.III.3

Door werkgevers uitgevoerde sociale-verzekeringsregelingen zonder fondsvorming . 336

A.III.4

Levensverzekering . 337

A.III.5

Schadeverzekering . 338

A.IV.1

Rekening 0: Goederen- en dienstenrekening . 357

A.IV.2

Complete rekeningenreeks voor de totale economie . 357

A.IV.3

Complete rekeningenreeks voor niet-financiële vennootschappen . 371

A.IV.4

Complete rekeningenreeks voor financiële instellingen . 380

A.IV.5

Complete rekeningenreeks voor de overheid . 390

A.IV.6

Complete rekeningenreeks voor huishoudens . 401

A.IV.7

Complete rekeningenreeks voor instellingen zonder winstoogmerk t.b.v. huishoudens . 412

HOOFDSTUK 1

ALGEMENE OPZET VAN HET SYSTEEM

1.01. Het Europees systeem van nationale en regionale rekeningen (ESR 1995 of eenvoudig ESR) is een internationaal vergelijkbaar boekhoudkundig raamwerk voor een systematische en uitvoerige beschrijving van een totale economie (een regio, land of groep landen), de elementen waaruit deze economie is opgebouwd en haar betrekkingen met andere economieën.

Het ESR 1995 vervangt het in 1970 gepubliceerde Europees stelsel van economische rekeningen (ESER 1970, waarvan in 1978 (Nederlandstalige versie: 1984) een tweede, enigszins aangepaste uitgave is verschenen).

Het ESR 1995 is volledig consistent met de herziene mondiale richtlijnen voor nationale rekeningen, het System of National Accounts (SNA 1993 of gewoon SNA; deze richtlijnen zijn geproduceerd onder de gemeenschappelijke verantwoordelijkheid van de Verenigde Naties, het IMF, de Commissie van de Europese Gemeenschappen, de OESO en de Wereldbank). Het ESR is evenwel meer gericht op de omstandigheden en informatiebehoeften in de Europese Unie. Evenals het SNA is het ESR in overeenstemming gebracht met de begrippen en classificaties die in veel andere sociale en economische statistieken worden gebruikt (b.v. werkgelegenheidsstatistieken, industriestatistieken en statistieken van de buitenlandse handel). Het ESR kan daarom worden gebruikt als het centrale referentiekader voor de sociale en economische statistiek van de Europese Unie en haar Lid-Staten.

1.02. Het raamwerk van het ESR bestaat uit twee belangrijke reeksen tabellen:

a) de sectorrekeningen (1),

b) het input-outputsysteem (2) en de rekeningen per bedrijfstak (3).

De sectorrekeningen geven voor elk der institutionele sectoren een systematische beschrijving van de verschillende fases van het economische proces: produktie, inkomensvorming, inkomensverdeling, inkomensbesteding en financiële en niet-financiële accumulatie. De sectorrekeningen omvatten ook balansen voor een beschrijving van de standen aan activa en passiva aan het begin en het eind van de verslagperiode.

In het input-outputsysteem en de rekeningen per bedrijfstak worden het produktieproces (kostenstructuur, inkomensvorming en werkzame personen) en de goederen- en dienstenstromen (output, in- en uitvoer, consumptie, intermediair verbruik en investeringen per produktgroep) uitvoeriger beschreven.

Het ESR bevat definities van de bevolking en de werkzame personen (4), die van belang zijn voor de sectorrekeningen en het input-outputsysteem.

Het ESR is niet beperkt tot de nationale jaarrekeningen, maar strekt zich ook uit tot de kwartaalrekeningen (5) en de regionale rekeningen (6).

GEBRUIK VAN HET ESR

Systeem ten behoeve van analyse en beleid

1.03. Het ESR kan worden gebruikt voor een analyse en beoordeling van:

a) de structuur van een volledige totale economie, bij voorbeeld;

(1) toegevoegde waarde en werkzame personen per bedrijfstak;

(2) toegevoegde waarde en werkzame personen per regio;

(3) inkomensverdeling naar sector;

(4) invoer en uitvoer per produktgroep;

(5) consumptieve bestedingen per produktgroep;

(6) investeringen in vaste activa en kapitaalgoederenvoorraad per bedrijfstak;

(7) samenstelling van de standen aan vorderingen en de stromen van vorderingen naar soort vordering en naar sector;

b) specifieke delen of aspecten van een totale economie, bij voorbeeld:

(1) het bank- en financieringswezen in de nationale economie;

(2) de rol van de overheid;

(3) de economie van een bepaalde regio (in vergelijking met die van het land als geheel);

c) de ontwikkeling van een totale economie in de loop der tijd, bij voorbeeld:

(1) analyse van de groei van het BBP;

(2) analyse van de inflatie;

(3) analyse van seizoensinvloeden in de consumptieve bestedingen van de huishoudens op basis van kwartaalrekeningen;

(4) analyse van veranderingen in het belang van bepaalde soorten financiële instrumenten in de loop der tijd, bij voorbeeld het toegenomen belang van opties;

(5) analyse van de ontwikkeling van de structuur van het bedrijfsleven in de totale economie op lange termijn, bij voorbeeld in een periode van 30 jaar;

d) vergelijking van een totale economie met andere economieën, bij voorbeeld:

(1) vergelijking van de rol van de overheid in de Lid-Staten van de Europese Unie;

(2) analyse van de onderlinge afhankelijkheid van de economieën van de Europese Unie;

(3) analyse van de samenstelling en de bestemming van de uitvoer van de Europese Unie;

(4) vergelijking van de groeicijfers voor het BBP of het beschikbare inkomen per hoofd van de bevolking in de Europese Unie, de Verenigde Staten en Japan.

1.04. De cijfers uit het ESR spelen een belangrijke rol bij de vaststelling van en het toezicht op het economische en sociale beleid van de EU en de Lid-Staten.

Verder wordt er op een aantal gebieden ook een zeer belangrijk specifiek gebruik van gemaakt:

a) het toezicht op en het geven van richtlijnen voor het Europese monetaire beleid: de convergentiecriteria voor de Europese Monetaire Unie zijn vastgesteld op basis van gegevens uit de nationale rekeningen (begrotingstekort, overheidsschuld en BBP);

b) de toekenning van financiële steun aan de regio's in de EU: de uitgaven in het kader van de structuurfondsen van de EU zijn gedeeltelijk gebaseerd op de geregionaliseerde cijfers van de nationale rekeningen;

c) de vaststelling van de eigen middelen van de EU. Deze zijn op drie manieren van de nationale rekeningen afhankelijk:

(1) de totale middelen van de EU worden vastgesteld als percentage van het bruto nationaal produkt van de Lid-Staten (BNP);

(2) het derde eigen middel van de EU is gebaseerd op de BTW. De bijdragen van de Lid-Staten in het kader van dit middel worden sterk beïnvloed door de gegevens uit de nationale rekeningen, want deze worden gebruikt voor de berekening van het gemiddelde BTW-tarief;

(3) de hoogte van de bijdrage van de Lid-Staten in het kader van het vierde eigen middel van de EU is gebaseerd op hun bruto nationaal produkt.

Acht kenmerken van ESR-begrippen

1.05. Om een goed evenwicht tot stand te brengen tussen de behoeften aan gegevens en de mogelijkheid deze gegevens te leveren hebben de begrippen in het ESR acht belangrijke kenmerken. Ze zijn:

a) internationaal vergelijkbaar;

b) geharmoniseerd met de begrippen in andere sociale en economische statistieken;

c) onderling samenhangend;

d) operationeel;

e) afwijkend van de meeste administratieve begrippen;

f) duurzaam en onveranderlijk gedurende een lange periode;

g) gericht op het beschrijven van het economische proces in monetaire en gemakkelijk waarneembare grootheden;

h) flexibel en multifunctioneel.

1.06. De begrippen zijn internationaal vergelijkbaar omdat:

a) het ESR voor de Lid-Staten van de EU de standaard is voor de levering van gegevens betreffende de nationale rekeningen aan alle internationale organisaties. Alleen in nationale publikaties hoeft niet strikt de hand te worden gehouden aan het ESR;

b) de begrippen in het ESR in alle opzichten consistent zijn met die in de mondiale richtlijnen voor de nationale rekeningen (het SNA).

Internationale vergelijkbaarheid van de begrippen is van wezenlijk belang wanneer de statistieken van verschillende landen met elkaar worden vergeleken.

1.07. De begrippen zijn geharmoniseerd met de begrippen in andere sociale en economische statistieken, omdat:

a) het ESR gebruik maakt van talrijke begrippen en classificaties (b.v. de NACE Rev. 1) die ook worden gebruikt voor andere sociale en economische statistieken van de Lid-Staten van de EU, zoals de industriestatistiek, de statistiek van de buitenlandse handel en de werkgelegenheidsstatistiek. Het aantal begripsmatige verschillen is tot een minimum beperkt gehouden. Bovendien zijn de door de EU gehanteerde begrippen en classificaties ook geharmoniseerd met die van de Verenigde Naties;

b) de begrippen in het ESR, evenals die in het SNA, ook geharmoniseerd zijn met de begrippen in de belangrijkste internationale richtlijnen voor sommige andere economische statistieken, met name de betalingsbalans van het IMF, de statistiek van de overheidsfinanciën van het IMF, de inkomensstatistieken van de OESO en de ILO-resoluties over werkzame personen, gewerkte uren en loonkosten.

Deze harmonisatie met andere sociale en economische statistieken is een grote steun bij de koppeling aan en de vergelijking met deze cijfers, zodat betere cijfers over de nationale rekeningen kunnen worden samengesteld. Bovendien kan de informatie in deze specifieke statistieken nu beter worden gerelateerd aan de algemene gegevens over de nationale economie, namelijk de gegevens uit de nationale rekeningen zoals het BNP en de toegevoegde waarde per bedrijfstak en sector.

1.08. De definities in het boekhoudkundig systeem versterken de onderlinge consistentie van de begrippen die worden gebruikt bij de beschrijving van de verschillende onderdelen van het economische proces (produktie, inkomensverdeling, inkomensbesteding, accumulatie), zodat statistieken uit verschillende delen van het boekhoudkundig systeem tot bruikbare gegevens aaneengesmeed kunnen worden. Zo kunnen bij voorbeeld de volgende verhoudingscijfers worden berekend:

a) produktiviteitscijfers, zoals de toegevoegde waarde per gewerkt uur (hiertoe dienen de begrippen toegevoegde waarde en gewerkte uren consistent te zijn);

b) nationaal beschikbaar inkomen per hoofd van de bevolking (hiertoe moet het begrip nationaal beschikbaar inkomen consistent zijn met het begrip bevolking);

c) investeringen in vaste activa als percentage van de kapitaalgoederenvoorraad (hiervoor is consistentie tussen de definities van deze stromen en standen vereist);

d) begrotingstekort en overheidsschuld als percentage van het bruto binnenlands produkt (hiertoe dienen de begrippen begrotingstekort, overheidsschuld en bruto binnenlands produkt consistent te zijn).

Dank zij deze consistentie kunnen ook enige ramingen worden gemaakt door bepaalde posten van elkaar af te trekken: zo kunnen de besparingen worden geraamd als het verschil tussen het beschikbare inkomen en de consumptieve bestedingen (7).

1.09. Het gaat in het ESR om operationele begrippen, d.w.z. het is de bedoeling dat ze statistisch te meten zijn. Het operationele karakter van de begrippen blijkt uit het feit dat:

a) sommige activiteiten of posten alleen behoeven te worden beschreven indien zij significant van omvang zijn. Dit geldt bij voorbeeld voor de produktie van goederen in eigen beheer door huishoudens: weven en pottenbakken worden niet tot de produktie gerekend, aangezien deze vormen van produktie voor de Lid-Staten van de EU als niet-significant worden beschouwd. Evenzo worden uitgaven voor kleine goedkope werktuigen en apparatuur pas als investeringen in vaste activa geregistreerd indien ze meer dan 500 ecu (in prijzen van 1995) per artikel bedragen (indien de goederen in grote hoeveelheden tegelijk zijn aangeschaft, geldt deze grens voor het totaalbedrag). Blijven de uitgaven onder deze drempel, dan worden dergelijke artikelen als intermediair verbruik geregistreerd;

b) bij sommige begrippen duidelijk wordt aangegeven hoe hiervan een raming moet worden gemaakt. Zo wordt bij de definitie van verbruik van vaste activa verwezen naar de lineaire afschrijvingsmethode, terwijl voor de berekening van de kapitaalgoederenvoorraad de "perpetual inventory"-methode wordt aanbevolen. De produktie in eigen beheer dient in beginsel tegen basisprijzen te worden gewaardeerd, maar zo nodig kunnen deze prijzen worden benaderd door de verschillende kosten bij elkaar op te tellen;

c) er enkele afspraken ter vereenvoudiging zijn gemaakt. Zo worden door de overheid verstrekte collectieve diensten volgens afspraak altijd als consumptieve bestedingen geregistreerd;

d) de begrippen zijn geharmoniseerd met de begrippen die in de sociale en economische statistieken worden gebruikt voor het opstellen van de nationale rekeningen.

1.10. Toch zijn de begrippen niet altijd even gemakkelijk meetbaar omdat zij in bepaalde opzichten afwijken van die welke in administratieve bronnen worden gebruikt, zoals bedrijfsboekhoudingen, belastinggegevens (BTW, inkomstenbelasting, invoerheffingen enz.), gegevens betreffende sociale verzekeringen en gegevens van toezichthoudende organen voor het bank- en verzekeringswezen. Dergelijke administratieve gegevens dienen vaak als bron voor het opstellen van de nationale rekeningen. Over het algemeen moeten zij dus worden aangepast om in het ESR te kunnen worden gebruikt.

De begrippen in het ESR verschillen in een aantal opzichten van hun administratieve equivalenten, omdat:

a) administratieve begrippen van land tot land verschillen, zodat er aan de hand van administratieve begrippen geen internationale vergelijkbaarheid mogelijk is;

b) administratieve begrippen in de loop der tijd veranderen, zodat er aan de hand van administratieve begrippen geen vergelijkingen in de tijd kunnen worden gemaakt;

c) de begrippen die aan de basis van de administratieve bronnen liggen, gewoonlijk niet consistent zijn, zodat koppeling en vergelijking van gegevens, wat van essentieel belang is voor de opstelling van nationale rekeningen, niet mogelijk is;

d) administratieve begrippen over het algemeen niet bijzonder geschikt zijn voor economische analyses en een beoordeling van het economisch beleid.

Niettemin beantwoorden administratieve bronnen soms heel goed aan de behoefte aan gegevens voor de nationale rekeningen en andere statistieken, namelijk indien:

a) begrippen en classificaties die oorspronkelijk voor statistische doeleinden werden vastgesteld, ook voor administratieve doeleinden worden gebruikt, bij voorbeeld de indeling van de overheidsuitgaven naar soort;

b) bij administratieve bronnen expliciet rekening wordt gehouden met de (hiervan losstaande) informatiebehoeften voor statistische doeleinden; dit geldt bij voorbeeld voor het Intrastat-systeem, dat informatie verstrekt over het goederenverkeer tussen de Lid-Staten van de EU.

1.11. De belangrijkste begrippen in het ESR zijn duurzaam en onveranderlijk gedurende een lange periode, omdat:

a) zij zijn goedgekeurd als de internationale standaard voor de komende decennia;

b) de meeste basisbegrippen in de achtereenvolgende internationale richtlijnen voor het opstellen van nationale rekeningen nauwelijks zijn veranderd.

Door deze continuïteit behoeven minder vaak tijdreeksen te worden herberekend en nieuwe begrippen te worden geleerd. Bovendien zijn de begrippen minder gevoelig voor nationale en internationale politieke druk. Daarom dienen de cijfers uit de nationale rekeningen al decennia als een objectieve bron van gegevens voor economisch beleid en economische analyses.

1.12. De ESR-begrippen zijn gericht op het beschrijven van het economisch proces in monetaire en gemakkelijk waarneembare grootheden. In de meeste gevallen wordt geen rekening gehouden met standen en stromen die niet gemakkelijk in monetaire eenheden kunnen worden uitgedrukt, of die geen duidelijk monetair equivalent hebben.

Dit beginsel is niet strikt toegepast, omdat ook rekening dient te worden gehouden met de vereiste consistentie en de uiteenlopende informatiebehoeften. Zo is het ter wille van de consistentie noodzakelijk de waarde van collectieve overheidsdiensten als output te registreren, omdat de beloning van werknemers en de aanschaf van allerlei goederen en diensten door de overheid gemakkelijk in monetaire eenheden kunnen worden vastgesteld. Voor het economisch onderzoek en beleid neemt door de beschrijving van de collectieve overheidsdiensten in relatie tot de rest van de nationale economie trouwens ook het nut van de nationale rekeningen als geheel toe.

1.13. De reikwijdte van de begrippen in het ESR kan worden toegelicht aan de hand van een aantal belangrijke grensgevallen.

De volgende vormen van produktie vallen binnen de produktiegrens van het ESR (zie de punten 3.07-3.09):

a) de produktie van individuele en collectieve overheidsdiensten;

b) de produktie van woondiensten door bewoners van een eigen huis;

c) de produktie van goederen voor eigen consumptie, bij voorbeeld landbouwprodukten;

d) het in eigen beheer produceren van bouwwerken, ook indien dit door huishoudens wordt gedaan;

e) de produktie van diensten door betaald huishoudelijk personeel;

f) het kweken van vis in viskwekerijen;

g) illegale produktie, zoals prostitutie of produktie van verdovende middelen;

h) produktie waarvan de opbrengst niet volledig bij de belastingdienst wordt opgegeven, zoals clandestiene textielproduktie.

De volgende vormen van produktie vallen buiten de produktiegrens:

a) huishoudelijke en persoonlijke diensten die worden geproduceerd en geconsumeerd binnen hetzelfde huishouden, zoals schoonmaken, het bereiden van maaltijden of de verzorging van zieken of bejaarden;

b) vrijwilligerswerk, dat niet resulteert in goederen, zoals gratis verzorging en schoonmaken;

c) natuurlijke toename van de visstand in de open zee.

Over het algemeen registreert het ESR alle goederen en diensten die geproduceerd worden binnen de produktiegrens. Er zijn op deze regel echter een paar specifieke uitzonderingen:

a) de output van hulpactiviteiten wordt niet geregistreerd; alle input die een hulpactiviteit verbruikt - materialen, arbeid, verbruik van vaste activa enz. -, wordt behandeld als input van de hoofd- of nevenactiviteit die zij ondersteunt;

b) de output die in dezelfde lokale eenheid van economische activiteit (lokale EEA, zie ook punt 1.29) als intermediair verbruik wordt gebruikt, wordt niet geregistreerd; output ten behoeve van andere lokale EEA's die tot dezelfde institutionele eenheid behoren, dient echter wel als output te worden geregistreerd.

Indien een activiteit als produktie wordt beschouwd en de output ervan wordt geregistreerd, moeten volgens de boekhoudkundige beginselen van het ESR de inkomens, de werkzame personen, de consumptie enz. die hierop betrekking hebben, ook worden geregistreerd. Omdat bij voorbeeld de produktie van woondiensten door bewoners van een eigen huis als produktie wordt geregistreerd, moeten ook het inkomen en de consumptieve bestedingen die hierdoor voor deze bewoners worden gegenereerd, worden geregistreerd. Het omgekeerde doet zich voor wanneer activiteiten niet als produktie worden beschouwd: huishoudelijke diensten die binnen hetzelfde huishouden worden geproduceerd en geconsumeerd, genereren geen inkomen en consumptieve bestedingen, zodat degenen die deze diensten verrichten, volgens het ESR niet tot de werkzame personen behoren.

Het ESR bevat ook veel specifieke afspraken, zoals:

a) de waardering van de output van de overheid;

b) de waardering van de output van verzekeringsdiensten en van de indirect gemeten diensten van financiële intermediairs;

c) de registratie van alle collectieve overheidsdiensten als consumptieve bestedingen (en niet als intermediair verbruik);

d) de registratie van het verbruik van indirect gemeten diensten van financiële intermediairs als intermediair verbruik van een nominale sector of bedrijfstak.

1.14. De begrippen van het ESR zijn op diverse terreinen bruikbaar: zij zijn voor vele doeleinden geschikt, ook al zijn er soms aanvullingen nodig (zie ook punt 1.18).

1.15. Dank zij de gedetailleerdheid van het begrippensysteem van het ESR is een flexibel gebruik mogelijk: enkele begrippen zijn niet expliciet in het systeem opgenomen, maar kunnen niettemin gemakkelijk hieruit worden afgeleid. Zo kan de toegevoegde waarde tegen factorkosten worden verkregen door de netto niet-produktgebonden belastingen op produktie af te trekken van de toegevoegde waarde tegen basisprijzen. Bovendien kunnen er nieuwe sectoren worden gevormd door in het ESR gedefinieerde subsectoren te herschikken.

1.16. Een flexibele gebruiksmogelijkheid is eveneens de invoering van aanvullende criteria die niet in strijd zijn met de logica van het systeem, zoals de omvang van de werkgelegenheid in produktie-eenheden of de hoogte van het inkomen van huishoudens. Wat de werkgelegenheid betreft, kan nog een onderverdeling worden gemaakt naar opleidingsniveau, leeftijd en geslacht.

1.17. Dit flexibele gebruik kan leiden tot een matrix van sociale rekeningen (Social Accounting Matrix (SAM)). Dit is een matrixpresentatie waarin de verbanden tussen de aanbod- en gebruikstabellen en het rekeningenstelsel worden gelegd (zie ook de punten 8.133-8.155). Een SAM geeft gewoonlijk extra informatie over het niveau en de samenstelling van werkgelegenheid en werkloosheid door middel van een onderverdeling van de beloning van werknemers naar arbeidscategorie. Deze onderverdeling geldt zowel voor het gebruik van arbeid per bedrijfstak, zoals weergegeven in de gebruikstabellen, als voor het aanbod van arbeidskrachten per sociaal-economische deelgroep, zoals weergegeven in de rekening voor bestemming van primaire inkomens van subsectoren van de sector huishoudens. Op deze wijze worden het aanbod en het gebruik van de verschillende arbeidscategorieën systematisch getoond.

1.18. Voor sommige specifieke gegevensbehoeften verdienen aparte satellietrekeningen de voorkeur. Dit geldt bij voorbeeld voor:

a) de analyse van de rol van het toerisme in de nationale economie,

b) de analyse van de kosten en de financiering van de gezondheidszorg,

c) de analyse van het belang van speur- en ontwikkelingswerk en menselijk kapitaal voor de nationale economie,

d) de analyse van het inkomen en de uitgaven van huishoudens op basis van micro-economische benaderingen van inkomen en uitgaven,

e) de analyse van de wisselwerking tussen milieu en economie,

f) de analyse van de produktie binnen huishoudens,

g) de analyse van veranderingen in de welvaart,

h) de analyse van de verschillen tussen de cijfers in de nationale rekeningen en de bedrijfsboekhoudingen en de invloed ervan op effecten- en valutabeurzen,

i) de raming van belastingopbrengsten.

1.19. Satellietrekeningen kunnen aan dergelijke gegevensbehoeften tegemoet komen, omdat zij:

a) gedetailleerdere informatie verstrekken waar dat noodzakelijk is en overbodige details achterwege laten;

b) het bereik van het boekhoudkundig systeem vergroten met niet-monetaire informatie, bij voorbeeld over vervuiling en milieuthema's;

c) sommige basisbegrippen aanpassen, door bij voorbeeld het begrip investeringen uit te breiden met de uitgaven voor speur- en ontwikkelingswerk of onderwijs.

1.20. Een belangrijk kenmerk van satellietrekeningen is dat in beginsel alle basisbegrippen en -indelingen van het standaardsysteem worden gebruikt. Deze worden alleen aangepast wanneer dit voor het specifieke doel van een satellietrekening noodzakelijk is. In zo'n geval moet de satellietrekening ook een tabel bevatten waarin het verband tussen de belangrijkste aggregaten van de satellietrekening en die van het standaardsysteem wordt gelegd. Op deze wijze blijft het standaardsysteem het referentiekader en wordt tevens tegemoet gekomen aan meer specifieke behoeften.

1.21. In het standaardsysteem wordt weinig aandacht besteed aan standen en stromen die niet gemakkelijk in monetaire eenheden kunnen worden uitgedrukt (of die geen duidelijke monetaire tegenwaarde hebben). Voor de analyse van dergelijke standen en stromen kunnen ook vaak statistieken in niet-monetaire termen worden opgesteld, bij voorbeeld:

a) de produktie binnen huishoudens kan heel eenvoudig worden beschreven in de hieraan bestede uren;

b) onderwijs kan worden beschreven aan de hand van soorten onderwijs, aantallen leerlingen, gemiddeld aantal schooljaren voor het behalen van een diploma enz.;

c) de gevolgen van vervuiling kunnen het best worden beschreven aan de hand van wijzigingen in het aantal levende soorten, de gezondheidstoestand van bossen, het afvalvolume, het koolmonoxidegehalte, het stralingsniveau enz.;

Satellietrekeningen bieden de mogelijkheid dergelijke statistieken in niet-monetaire eenheden te relateren aan het standaardsysteem van nationale rekeningen. Het verband kan worden gelegd door waar mogelijk in deze niet-monetaire statistieken de in het standaardsysteem gehanteerde classificaties te gebruiken, namelijk de indeling naar type huishouden of naar bedrijfstak. Zo wordt een consistent, uitgebreid systeem opgebouwd, dat basisgegevens verschaft voor de analyse en beoordeling van allerlei interacties tussen de variabelen in het standaardsysteem en die in de uitbreiding ervan.

1.22. Het standaardsysteem en zijn belangrijkste aggregaten beschrijven geen veranderingen in de welvaart. De rekeningen kunnen worden uitgebreid met informatie waaraan een waarde in monetaire eenheden is toegerekend, zoals:

a) huishoudelijke en persoonlijke diensten die worden geproduceerd en verbruikt in hetzelfde huishouden;

b) veranderingen in vrijetijdsbesteding;

c) voor- en nadelen van het leven in de stad;

d) ongelijkheden in de inkomensverdeling.

In dergelijke rekeningen kunnen finale bestedingen van onaangename maar noodzakelijke produkten, zoals defensie, ook worden heringedeeld onder intermediair verbruik, dus niet bijdragend tot een verhoging van de welvaart. Zo zou ook de schade door overstromingen en andere natuurrampen kunnen worden ingedeeld als intermediair verbruik, namelijk als een verlaging van het (absolute) welvaartsniveau.

Op deze wijze kan worden getracht en zeer ruwe en onvolledige indicator voor veranderingen in de welvaart samen te stellen. Welvaart heeft echter vele dimensies, waarvan de meeste beter niet in monetaire eenheden kunnen worden uitgedrukt. Het verdient dan ook de voorkeur om bij het meten van de welvaart voor ieder aspect een afzonderlijke indicator en meeteenheid te gebruiken. Indicatoren zijn bij voorbeeld kindersterfte, levensverwachting, analfabetisme onder volwassenen en nationaal inkomen per hoofd van de bevolking. Dergelijke indicatoren kunnen in een satellietrekening worden opgenomen.

1.23. Om een consistent en internationaal vergelijkbaar raamwerk te verkrijgen, worden in het ESR geen in administratieve bronnen gebruikelijke begrippen gebruikt. Toch kunnen cijfers die op dergelijke begrippen zijn gebaseerd, voor allerlei nationale doeleinden zeer nuttig zijn. Voor een raming van de belastinginkomsten zijn bij voorbeeld statistieken over het belastbaar inkomen noodzakelijk. Dergelijke statistieken kunnen worden verkregen door enkele wijzigingen aan te brengen in de statistieken over de nationale rekeningen.

Een soortgelijke benadering is mogelijk voor enkele bij het nationale economische beleid gehanteerde begrippen als:

a) inflatie, gebruikt voor de verhoging van pensioenen, werkloosheidsuitkeringen of ambtenarensalarissen;

b) belastingen, sociale premies, overheidssector en collectieve sector, gebruikt in de discussie over de optimale omvang van de collectieve sector;

c) "strategische" sectoren/bedrijfstakken, ten behoeve van het nationale economische beleid of het economische beleid van de EU;

d) "bedrijfsinvesteringen", ten behoeve van het nationale economische beleid.

Satellietrekeningen of eenvoudige aanvullende tabellen kunnen dergelijke, gewoonlijk specifiek nationale, gegevens verstrekken.

ESR 1995 en SNA 1993

1.24. Het ESR 1995 is volledig consistent met het herziene System of National Accounts (het SNA 1993), dat richtlijnen geeft voor het opstellen van nationale rekeningen voor alle landen ter wereld. Niettemin zijn er diverse verschillen tussen het ESR 1995 en het SNA 1993:

a) verschillen in presentatie, bij voorbeeld:

(1) in het ESR zijn er afzonderlijke hoofdstukken voor de transacties in produkten, de verdelingstransacties en de financiële transacties. In het SNA worden deze transacties toegelicht in zeven hoofdstukken, gerangschikt naar rekening, bij voorbeeld produktierekening, primaire inkomensverdelingsrekening, kapitaalrekening en rekening voor transacties van het buitenland;

(2) het ESR beschrijft een begrip met behulp van een definitie en een opsomming van wat wel en wat niet onder het begrip valt. Het SNA beschrijft begrippen gewoonlijk in algemenere termen en tracht de grondgedachte achter de afspraken te verklaren;

(3) het ESR bevat hoofdstukken over regionale rekeningen en kwartaalrekeningen;

(4) het SNA bevat een hoofdstuk over satellietrekeningen.

b) de ESR-begrippen zijn soms specifieker en nauwkeuriger dan die van het SNA, bij voorbeeld:

(1) het SNA bevat geen nauwkeurige definities voor het onderscheid tussen marktoutput, output voor eigen finaal gebruik en overige niet-marktoutput of voor het onderscheid tussen marktproducenten, producenten voor eigen finaal gebruik en overige niet-marktproducenten (institutionele eenheden en lokale EEA's). Dit heeft tot gevolg dat de waardering van de output en de indeling in sectoren onvoldoende precies is gedefinieerd. Daarom heeft het ESR diverse aanvullende verduidelijkingen ingevoerd en in bepaalde gevallen ook het criterium toegevoegd dat de verkopen van een marktproducent ten minste 50 % van de produktiekosten moeten dekken (zie tabel 3.1);

(2) het ESR maakt gebruik van concrete drempels voor registratie, bij voorbeeld voor de registratie van kleine werktuigen en apparatuur onder intermediair verbruik;

(3) het ESR gaat ervan uit dat diverse soorten produktie door huishoudens, zoals de vervaardiging van weefsels en meubelen, in de Lid-Staten van de EU niet significant zijn en derhalve niet behoeven te worden geregistreerd;

(4) het ESR verwijst expliciet naar specifieke institutionele regelingen in de EU, zoals het Intrastat-systeem voor de registratie van goederenstromen binnen de EU en de bijdragen van de Lid-Staten aan de EU;

(5) het ESR bevat specifieke EU-classificaties, zoals de CPA voor produkten en de NACE Rev. 1 voor bedrijfstakken (specifiek, maar wel geharmoniseerd met de overeenkomstige classificaties van de VN);

(6) het ESR bevat een extra classificatie voor alle transacties met het buitenland; hierbij moet namelijk onderscheid worden gemaakt in transacties tussen ingezetenen van de EU en transacties met ingezetenen van derde landen.

Het ESR kan ook specifieker zijn dan het SNA, omdat het in de eerste plaats geldt voor de Lid-Staten van de EU. Voor de gegevensbehoeften van de EU moet het ESR ook specifieker zijn.

ESR 1995 en ESER 1970

1.25. Het ESR 1995 verschilt in bereik en opzet van het ESER 1970. De meeste verschillen komen overeen met die tussen het SNA 1968 en het SNA 1993.

Enkele van de grootste verschillen in bereik zijn:

a) de opname van balansen;

b) de opname van rekeningen voor overige mutaties in activa, namelijk de invoering van de begrippen "overige volumemutaties", "nominale waarderingsverschillen" en "reële waarderingsverschillen";

c) de invoering van subsectoren van huishoudens;

d) de invoering van een nieuw consumptiebegrip: "werkelijke consumptie";

e) de invoering van een nieuw voor prijsveranderingen gecorrigeerd inkomensbegrip: het "werkelijk nationaal beschikbaar inkomen";

f) de opname van het begrip koopkrachtpariteiten.

Enkele van de belangrijkste verschillen in opzet zijn:

a) literair-artistiek werk (schrijven van boeken, componeren) wordt nu ook beschouwd als produktie; betalingen voor literair-artistiek werk zijn bijgevolg betalingen voor diensten en geen inkomen uit vermogen;

b) de waardering van de output van verzekeringsdiensten is in een aantal opzichten veranderd; zo wordt bij de waardering van de output van schadeverzekeringen thans rekening gehouden met de opbrengsten uit de belegging van verzekeringstechnische voorzieningen;

c) een gedetailleerde behandeling van handels- en vervoersmarges;

d) de invoering van kettingindexcijfers voor berekeningen in constante prijzen;

e) de invoering van het begrip "financiële lease" (in het SNA 1968 en het ESER 1970 bestond enkel het begrip "operationele lease");

f) uitgaven voor de exploratie van minerale reserves en voor computerprogrammatuur worden nu geregistreerd als investeringen (in plaats van als intermediair verbruik);

g) er moet ook verbruik van vaste activa worden geregistreerd voor infrastructurele werken van de overheid (wegen, dijken enz.);

h) de opname van nieuwe financiële instrumenten, zoals koopovereenkomsten met terugkoopverplichting en financiële derivaten zoals opties.

Er zijn ook verschillen die niet het gevolg zijn van veranderingen in het SNA, bij voorbeeld:

a) de invoering van aanbod- en gebruikstabellen (reeds opgenomen in het SNA 1968);

b) de invoering van enkele registratiedrempels en de verwijzing naar specifieke institutionele regelingen in de EU (zie punt 1.24);

c) een duidelijke keuze voor de waardering van de output tegen basisprijzen (het ESER 1970 en het SNA 1968 en 1993 aanvaarden ook een waardering tegen prijzen af producent);

d) de invoering van de begrippen beroepsbevolking en werkloosheid (die in het SNA 1968 en 1993 niet voorkomen).

HET ESR ALS SYSTEEM

1.26. De hoofdkenmerken van het systeem zijn:

a) statistische eenheden en hun indeling;

b) stromen en standen;

c) het rekeningenstelsel en de aggregaten;

d) het input-outputsysteem.

STATISTISCHE EENHEDEN EN HUN INDELING (8)

1.27. Karakteristiek voor het systeem is het gebruik van twee soorten eenheden en twee geheel verschillende indelingen van de economie, die elk voor bepaalde analytische doeleinden bestemd zijn.

Voor de beschrijving van inkomens-, bestedings- en financiële stromen en balansen worden institutionele eenheden op basis van hun hoofdfuncties, gedragingen en doelstellingen tot sectoren samengevoegd.

Voor de beschrijving van produktieprocessen en voor input-outputanalyses worden eenheden van economische activiteit op lokaal niveau (lokale EEA's) op basis van de aard van hun activiteit tot bedrijfstakken samengevoegd. Een activiteit wordt gekenmerkt door een input van produkten, een produktieproces en een output van produkten.

Institutionele eenheden en sectoren

1.28. Institutionele eenheden zijn werkelijke economische eenheden die zelfstandig goederen en activa kunnen bezitten, verplichtingen kunnen aangaan en economische activiteiten en transacties met andere eenheden kunnen verrichten. Voor het ESR zijn de institutionele eenheden ingedeeld in vijf elkaar uitsluitende institutionele sectoren:

a) niet-financiële vennootschappen;

b) financiële instellingen;

c) overheid;

d) huishoudens;

e) instellingen zonder winstoogmerk ten behoeve van huishoudens.

De vijf sectoren vormen te zamen de totale economie. Iedere sector is onderverdeeld in subsectoren. Het systeem voorziet in een volledig rekeningenstelsel (inclusief balansen) voor iedere sector, en desgewenst subsector, alsmede voor de totale economie.

Eenheden van economische activiteit op lokaal niveau en bedrijfstakken

1.29. De meeste institutionele eenheden verrichten in hun hoedanigheid van producent meer dan een activiteit; teneinde de technisch-economische relaties beter te doen uitkomen, moeten deze eenheden worden opgesplitst op basis van de aard van de economische activiteit.

Eenheden van economische activiteit op lokaal niveau (lokale EEA's) zijn ingevoerd als een operationele benadering van deze eis. Een lokale EEA omvat alle delen van een institutionele eenheid in haar hoedanigheid van producent, die op een enkele locatie of op een paar dicht bijeen gelegen locaties zijn gevestigd en die een activiteit uitvoeren op vier-digitniveau (klasse) van de NACE Rev. 1.

In beginsel moet voor elke nevenactiviteit een afzonderlijke lokale EEA worden gecreëerd; indien voor de beschrijving van een dergelijke activiteit de benodigde boekhouding ontbreekt, kan een lokale EEA naast de hoofdactiviteit ook een of meer nevenactiviteiten omvatten.

Alle lokale EEA's die dezelfde of soortgelijke activiteiten verrichten, vormen te zamen een bedrijfstak.

Er is een hiërarchische relatie tussen institutionele eenheden en lokale EEA's. Een institutionele eenheid omvat een of meer volledige EEA's; een lokale EEA behoort steeds tot slechts één institutionele eenheid.

Voor een uitvoeriger analyse van het produktieproces wordt gebruikt gemaakt van een analytische produktie-eenheid. Deze eenheid, die niet waarneembaar is (behalve in het geval van een lokale EEA die slechts één soort produkt voortbrengt), is de homogene-produktie-eenheid, die per definitie geen nevenactiviteiten heeft. Door deze eenheden samen te voegen worden homogene branches verkregen.

Ingezeten en niet-ingezeten eenheden; totale economie en buitenland

1.30. De totale economie bestaat uit de ingezeten eenheden. Een in een land ingezeten eenheid heeft een economisch belangencentrum in het economisch gebied van dat land - d.w.z. zij verricht gedurende een periode van minimaal een jaar economische activiteiten in dit gebied. De eerder genoemde institutionele sectoren zijn groepen ingezeten institutionele eenheden.

Ingezeten eenheden kunnen transacties aangaan met niet-ingezeten eenheden (d.w.z. eenheden die ingezetene zijn van een andere economie). Gesproken wordt dan van transacties met het buitenland, die in de rekening voor transacties van het buitenland worden opgenomen. In de structuur van het rekeningenstelsel speelt het buitenland dus een rol die overeenkomt met die van een institutionele sector; niet-ingezeten eenheden worden echter alleen geregistreerd voor zover zij betrokken zijn bij transacties met ingezeten institutionele eenheden. Bij de classificatie van de sectoren is daarom aan het einde een speciale rubriek voor het buitenland opgenomen.

Fictieve ingezeten eenheden, die in het systeem als institutionele eenheden worden beschouwd, zijn:

a) delen van niet-ingezeten eenheden die een economisch belangencentrum hebben in het economisch gebied van het land (dat wil in de meeste gevallen zeggen dat zij daar voor minimaal een jaar economische transacties uitvoeren, of voor minder dan een jaar bouwactiviteiten verrichten waarbij kapitaalgoederen worden geproduceerd);

b) niet-ingezeten eenheden die eigenaar zijn van grond of gebouwen op het economisch gebied van het land, maar alleen voor zover het transacties met betrekking tot deze grond en gebouwen betreft.

STROMEN EN STANDEN

1.31. De informatie in het systeem kan worden gesplitst in informatie over stromen en informatie over standen. Stromen hebben betrekking op acties en gevolgen van gebeurtenissen die tijdens een bepaalde periode plaatsvinden, terwijl standen betrekking hebben op momentopnamen.

Stromen

1.32. Stromen weerspiegelen het ontstaan, transformeren, ruilen, overdragen of teloor gaan van economische waarden. Zij hebben betrekking op veranderingen in de waarde van de activa of passiva van een institutionele eenheid. Er zijn twee soorten economische stromen: a) transacties, en b) overige mutaties in activa. Transacties komen voor in alle rekeningen en tabellen waar ook stromen voorkomen, behalve in de rekening voor overige volumemutaties in activa en de rekening voor nominale waarderingsverschillen. Alleen in deze twee rekeningen komen de overige mutaties in activa voor.

Er zijn talloze elementaire transacties en andere stromen. Het systeem deelt ze naargelang hun aard in een betrekkelijk klein aantal soorten in.

Transacties

1.33. Een transactie is een economische stroom, d.w.z. een interactie met wederzijdse instemming tussen institutionele eenheden of een actie binnen een institutionele eenheid, waarvan het zinvol is deze als een transactie te beschouwen, vaak omdat de eenheid in twee verschillende hoedanigheden functioneert. De transacties kunnen in vier hoofdgroepen worden ingedeeld:

a) Transacties in produkten: beschrijven de oorsprong (binnenlandse output of invoer) en het gebruik van produkten (intermediair verbruik, consumptie, investeringen of uitvoer) (9).

b) Verdelingstransacties: beschrijven hoe de bij de produktie gegenereerde toegevoegde waarde over arbeid, kapitaal en overheid wordt verdeeld, en hoe inkomen en vermogen worden herverdeeld (inkomsten- en vermogensbelasting en andere overdrachten) (10).

c) Financiële transacties: beschrijven de veranderingen van vorderingen en schulden voor ieder soort financieel instrument. Dergelijke transacties zijn vaak de tegenhanger van niet-financiële transacties, maar er zijn ook zuiver financiële transacties met uitsluitend financiële instrumenten (11).

d) Overige transacties: verbruik van vaste activa en saldo van aan- en verkopen van niet-geproduceerde niet-financiële activa (12).

Kenmerken van transacties

Interacties en interne transacties

1.34. De meeste transacties zijn interacties tussen twee of meer institutionele eenheden. In het systeem worden bepaalde acties binnen een institutionele eenheid echter ook als transactie geregistreerd. Met de registratie van deze interne transacties wordt beoogd een analytisch bruikbaarder beeld van output, finaal gebruik en kosten te geven.

Het verbruik van vaste activa, in het systeem geregistreerd als kosten, is een belangrijke interne transactie. De meeste andere interne transacties zijn transacties in produkten, die worden geregistreerd wanneer een institutionele eenheid die zowel producent als consument is, een deel van haar output zelf verbruikt. Dit is vaak het geval bij huishoudens en de overheid.

1.35. Alle output van een institutionele eenheid voor eigen finaal gebruik wordt geregistreerd. Output die voor eigen intermediair verbruik bestemd is, wordt daarentegen alleen geregistreerd wanneer de produktie en het intermediair verbruik in verschillende lokale EEA's van deze institutionele eenheid plaatsvinden. Output van een lokale EEA voor eigen intermediair verbruik wordt niet geregistreerd.

Monetaire en niet-monetaire transacties

1.36. De meeste transacties die door het systeem worden geregistreerd, zijn monetaire transacties, waarbij de betrokken eenheden geld betalen of ontvangen, dan wel in geld uitgedrukte schulden aangaan of vorderingen verwerven.

Transacties die geen overdracht van contant geld noch in geld luidende activa of passiva behelzen, zijn niet-monetaire transacties. Interne transacties zijn gewoonlijk niet-monetair. Niet-monetaire transacties tussen twee of meer institutionele eenheden komen voor bij de transacties in produkten (ruil), verdelingstransacties (lonen en overdrachten in natura enz.) en overige transacties (ruil van niet-geproduceerde, niet-financiële activa).

Het systeem registreert alle transacties in monetaire termen. De waarde van niet-monetaire transacties moet derhalve indirect worden gemeten of anderszins worden geraamd.

Transacties met en zonder tegenprestatie

1.37. Transacties waarbij meer dan een eenheid betrokken is, zijn ofwel "iets voor iets"- ofwel "iets voor niets"-transacties. Bij de eerste groep worden goederen, diensten of activa tussen institutionele eenheden uitgewisseld in ruil voor een tegenprestatie, bij voorbeeld geld. "Iets voor niets"-transacties zijn doorgaans betalingen in geld of in natura van een institutionele eenheid aan een andere zonder tegenprestatie. "Iets voor iets"-transacties komen in alle vier transactiegroepen voor, terwijl "iets voor niets"-transacties voornamelijk verdelingstransacties betreffen, bij voorbeeld in de vorm van belastingen, uitkeringen sociale voorziening of giften.

Herordende transacties

1.38. Meestal is de registratie van transacties in het systeem ongecompliceerd, d.w.z. de transacties worden op dezelfde wijze geregistreerd als zij zich aan de betrokken institutionele eenheden voordoen. Sommige transacties worden echter herordend om de onderliggende economische relaties beter te doen uitkomen. Dit kan op drie manieren: omleiding, splitsing en vaststelling van de principaal van een transactie.

Omleiding

1.39. Een transactie die voor de betrokken eenheden rechtstreeks plaatsvindt tussen de eenheden A en C, kan worden geregistreerd alsof deze indirect, via een derde eenheid B, plaatsvindt. De enkelvoudige transactie tussen A en C wordt dan geregistreerd in twee transacties: een tussen A en B, en een tussen B en C. In zo'n geval heeft de transactie een andere route gevolgd.

Een bekend voorbeeld is de omleiding van sociale premies t.l.v. werkgevers, die door dezen rechtstreeks aan sociale-verzekeringsinstellingen worden afgedragen. Een dergelijke betaling wordt als twee transacties geregistreerd: a) werkgevers betalen de sociale premies aan hun werknemers, en b) de werknemers betalen deze aan de sociale-verzekeringsinstellingen. Zoals dit voor alle vormen van omleiding geldt, is deze registratiewijze bedoeld om de economische realiteit achter de transactie aan het licht te brengen. In dit geval wordt getoond dat de door werkgevers afgedragen sociale premies worden betaald ten bate van hun werknemers.

Een andere vorm van omleiding betreft de registratie van transacties tussen twee of meer institutionele eenheden, hoewel er volgens de betrokken partijen in het geheel geen transactie heeft plaatsgevonden. Een voorbeeld is de registratie van inkomen uit vermogen dat wordt verdiend op bepaalde verzekeringsfondsen, en dat door de verzekeringsmaatschappijen wordt ingehouden. Het systeem registreert dit inkomen uit vermogen alsof het door verzekeringsmaatschappijen is betaald aan de polishouders, die vervolgens hetzelfde bedrag als toegerekende premie terugbetalen aan de verzekeringsmaatschappijen.

Splitsing

1.40. Wanneer een in de ogen van de betrokken partijen enkelvoudige transactie wordt geregistreerd als twee of meer verschillend ingedeelde transacties, dan is er sprake van splitsing. Bij splitsing van transacties is gewoonlijk geen derde partij betrokken.

De betaling van schadeverzekeringspremies is een typisch voorbeeld van een gesplitste transactie. Al zullen polishouders en verzekeraars dergelijke betalingen als een enkele transactie beschouwen, toch worden deze in het systeem in twee geheel verschillende transacties gesplitst: betalingen voor verleende schadeverzekeringsdiensten, en nettoschadeverzekeringspremies. Ook de registratie van handelsmarges is een bekend voorbeeld van splitsing.

Vaststelling van de principaal van een transactie

1.41. Wanneer een eenheid een transactie verricht ten behoeve van een andere eenheid, wordt de transactie uitsluitend in de rekeningen van de principaal geregistreerd. Men moet bij de toepassing van dit beginsel niet te ver gaan en bij voorbeeld niet proberen op grond van bepaalde veronderstellingen belastingen of subsidies toe te rekenen aan de uiteindelijke betalers of begunstigden.

Grensgevallen

1.42. In de definitie van een transactie wordt ervan uitgegaan dat er met wederzijdse instemming een interactie tussen institutionele eenheden plaatsvindt. Dit betekent dat er sprake is van voorkennis en toestemming van de institutionele eenheden, maar het betekent niet dat de eenheden iedere transactie vrijwillig moeten aangaan; sommige transacties zijn immers wettelijk voorgeschreven. Dit geldt met name voor bepaalde verdelingstransacties, zoals de betaling van belastingen, schadevergoedingen en boetes. Niet-gecompenseerde confiscaties worden echter niet als transactie beschouwd, ook al zijn zij wettelijk voorgeschreven.

Illegale economische activiteiten worden alleen als transactie beschouwd als alle betrokken eenheden vrijwillig meewerken. Koop, verkoop of ruil van verboden verdovende middelen of van gestolen goederen zijn derhalve transacties, maar diefstal is dat niet.

Overige mutaties in activa

1.43. Onder de overige mutaties in activa vallen mutaties die niet het gevolg zijn van transacties (13). Het betreft:

a) overige volumemutaties in activa en passiva, of

b) waarderingsverschillen.

Overige volumemutaties in activa en passiva

1.44. Deze kunnen grofweg worden verdeeld in drie hoofdcategorieën:

a) normaal ontstaan en verlies van activa, anders dan via transacties;

b) mutaties in activa en passiva door uitzonderlijke, onverwachte gebeurtenissen;

c) wijzigingen in classificaties en structuur.

1.45. Voorbeelden van mutaties die vallen onder categorie a) zijn de ontdekking of uitputting van minerale reserves en de natuurlijke aanwas van niet in cultuur gebrachte biologische hulpbronnen. Categorie b) omvat mutaties (gewoonlijk verliezen) in activa door natuurrampen, oorlog of ernstige misdrijven (14). Eenzijdige kwijtschelding van schulden en niet-gecompenseerde confiscaties behoren eveneens tot deze categorie. Categorie c) bestaat uit wijzigingen als gevolg van een herindeling en herstructurering van institutionele eenheden of van activa en passiva.

Waarderingsverschillen

1.46. Waarderingsverschillen zijn het gevolg van veranderingen in de prijzen van activa. Zij komen voor bij alle soorten financiële en niet-financiële activa en bij passiva. Voor de bezitters van activa en passiva ontstaan waarderingsverschillen uitsluitend als gevolg van het enige tijd in bezit hebben van activa of passiva, zonder dat zij deze transformeren.

Waarderingsverschillen die worden gemeten aan de hand van de geldende marktprijzen, worden nominale waarderingsverschillen genoemd. Deze kunnen worden onderverdeeld in neutrale waarderingsverschillen, die veranderingen in het algemene prijsniveau weerspiegelen, en reële waarderingsverschillen, die veranderingen in de relatieve prijzen van de activa weergeven.

Standen

1.47. Standen zijn activa en passiva die op een bepaald moment in het bezit van een eenheid zijn. Rekeningen die standen registreren, worden balansen genoemd (15).

Er worden ook standen geregistreerd voor de bevolking en de werkzame personen. Deze worden echter geregistreerd als gemiddelde voor de verslagperiode.

Standen worden geregistreerd voor alle activa die binnen het kader van het systeem vallen, d.w.z. voor vorderingen en schulden en voor niet-financiële activa, zowel geproduceerde als niet-geproduceerde. Wel worden alleen activa die voor een economische activiteit worden gebruikt en waarvoor eigendomsrechten kunnen worden uitgeoefend, in aanmerking genomen. Er worden dus geen standen geregistreerd van activa als menselijk kapitaal en van natuurlijke hulpbronnen die geen eigenaar hebben.

Het systeem omvat, binnen zijn grenzen, alle stromen en standen. Alle balansmutaties kunnen daarom volledig worden verklaard aan de hand van de geregistreerde stromen.

HET REKENINGENSTELSEL EN DE AGGREGATEN (16)

Registratieregels

1.48. Een rekening is een middel om een bepaald aspect van de economie te registreren aan de hand van middelen en bestedingen of mutaties in activa en passiva gedurende de verslagperiode, dan wel de stand van activa en passiva aan het begin of het einde van deze periode.

Terminologie voor beide zijden van de rekeningen

1.49. Het systeem gebruikt de term "middelen" voor de rechterzijde van de lopende rekeningen, waar transacties worden opgenomen die de economische waarde van een eenheid of sector verhogen. De linkerzijde, die betrekking heeft op transacties die de economische waarde van een eenheid of sector verlagen, wordt "bestedingen" genoemd.

De rechterzijde van de accumulatierekeningen wordt "mutaties in passiva en vermogenssaldo" genoemd, de linkerzijde "mutaties in activa".

Balansen worden gepresenteerd met de "passiva en vermogenssaldo" (het vermogenssaldo is het verschil tussen activa en passiva) aan de rechterzijde en de "activa" aan de linkerzijde. Vergelijking van twee opeenvolgende balansen resulteert in de mutaties in passiva en vermogenssaldo en de mutaties in activa.

Dubbele registratie/viervoudige registratie

1.50. Voor een bepaalde eenheid of sector zijn de nationale rekeningen gebaseerd op het beginsel van dubbele registratie. Iedere transactie moet tweemaal worden opgenomen, eenmaal bij de middelen (of de mutaties in passiva) en eenmaal bij de bestedingen (of de mutaties in activa). Het totaal van de transacties die als middelen of als mutatie in passiva worden geregistreerd, moet gelijk zijn aan het totaal van de transacties die als bestedingen of als mutaties in activa worden geregistreerd, zodat de consistentie binnen het rekeningenstelsel op dit punt gemakkelijk gecontroleerd kan worden.

In de praktijk zijn de nationale rekeningen - voor alle eenheden en sectoren - echter gebaseerd op het beginsel van viervoudige registratie, omdat bij de meeste transacties twee institutionele eenheden betrokken zijn. Deze transacties moeten tweemaal worden geregistreerd bij beide betrokken eenheden. Een sociale uitkering in geld, betaald door een overheidseenheid aan een huishouden, wordt in de rekeningen van de overheid als een besteding onder overdrachten en als een negatieve verwerving van activa onder chartaal geld en deposito's geregistreerd; in de rekeningen van de sector huishoudens wordt zij geregistreerd als middel onder overdrachten en als een verwerving van activa onder chartaal geld en deposito's.

Transacties binnen een zelfde eenheid (zoals de consumptie van eigen output) vereisen daarentegen slechts twee boekingen, waarvan de waarde moet worden geraamd.

Waardering

1.51. Met uitzondering van enkele variabelen betreffende bevolking en arbeid geeft het systeem alle stromen en standen in monetaire waarden weer. Het tracht niet het nut van stromen en standen te bepalen; ze worden gewaardeerd naar hun ruilwaarde, d.w.z. de waarde waartegen stromen en voorraden feitelijk zijn of kunnen worden ingewisseld voor geld. Waardebepaling vindt in het ESR derhalve hoofdzakelijk plaats op basis van marktprijzen.

1.52. Bij monetaire transacties en activa en passiva in geld zijn de gezochte waarden direct beschikbaar. In de meeste andere gevallen wordt de voorkeur gegeven aan een waarderingsmethode die is gebaseerd op marktprijzen voor vergelijkbare goederen, diensten of activa. Deze methode wordt bij voorbeeld gebruikt bij ruilhandel en bij de produktie van woondiensten door bewoners van een eigen huis. Indien er geen marktprijzen voor vergelijkbare produkten beschikbaar zijn, bij voorbeeld in geval van niet-marktdiensten door de overheid, dient te worden gewaardeerd op basis van de produktiekosten. Mocht geen van beide methoden mogelijk zijn, dan kunnen stromen en standen worden gewaardeerd tegen de contante waarde van verwachte opbrengsten in de toekomst. Maar omdat laatstgenoemde methode zeer onbetrouwbaar is, wordt zij enkel aanbevolen als laatste hulpmiddel.

1.53. Standen moeten worden gewaardeerd tegen de geldende prijzen op het moment waarop de balans betrekking heeft, niet die op het moment van produktie of aankoop van de goederen of activa waaruit de stand bestaat. Het is soms noodzakelijk standen te waarderen tegen hun geraamde gedeprecieerde aankoopwaarde of produktiekosten.

Bijzondere waarderingsmethoden voor produkten (17)

1.54. Vanwege de vervoerkosten, de handelsmarges en het saldo van produktgebonden belastingen en subsidies geven de producent en de gebruiker gewoonlijk een verschillende waarde aan een bepaald produkt. Teneinde zo dicht mogelijk aan te sluiten bij de perceptie van de betrokken partijen, registreert het systeem alle bestedingen tegen aankoopprijzen, d. w. z. inclusief vervoerkosten, handelsmarges en het saldo van produktgebonden belastingen en subsidies, terwijl de output wordt geregistreerd tegen basisprijzen, waarbij deze elementen buiten beschouwing blijven.

1.55. In- en uitvoer van produkten worden geregistreerd tegen de waarde aan de grens. Alle invoer en uitvoer wordt gewaardeerd aan de grens van het land van uitvoer of "free on board" (fob). Door buitenlandse ondernemingen verleende vervoers- en verzekeringsdiensten voor het traject tussen de grens van het land van uitvoer en het land van invoer zijn niet begrepen in de waarde van de goederen, maar worden als diensten geregistreerd. Aangezien het soms niet mogelijk is fob-waarden te verkrijgen voor gedetailleerde produktindelingen, geven de tabellen met uitvoerige gegevens over de buitenlandse handel de invoer tegen de prijs af grens land van invoer (cif-waarde). Alle vervoers- en verzekeringsdiensten tot aan de grens van het land van invoer zijn dan begrepen in de waarde van de ingevoerde goederen. Wanneer het hierbij gaat om door binnenlandse ondernemingen verleende diensten, wordt in de presentatie een cif/fob-correctie aangebracht.

Waardering in constante prijzen (18)

1.56. Waardering in constante prijzen betekent dat de stromen en standen in een bepaalde verslagperiode worden gewaardeerd tegen de prijzen van een voorgaande periode, om zo veranderingen in de waarde van stromen en standen in de loop der tijd te ontleden in prijsveranderingen en volumeveranderingen. Bij stromen en standen in constante prijzen wordt de term volume gebruikt.

Veel stromen en standen, zoals inkomen, hebben zelf geen prijs- en volumecomponent. De koopkracht van dergelijke variabelen kan echter worden verkregen door de lopende waarde te defleren aan de hand van een geschikt prijsindexcijfer, bij voorbeeld dat van de nationale finale bestedingen exclusief veranderingen in voorraden. Bij gedefleerde stromen en standen wordt de term reëel gebruikt. Een voorbeeld is het reëel beschikbaar inkomen.

Moment van registratie

1.57. In het systeem worden stromen op transactiebasis geregistreerd, d. w. z. op het moment dat de economische waarde tot stand komt, wordt gewijzigd of verloren gaat, dan wel op het moment dat aanspraken en verplichtigen tot stand komen, worden gewijzigd of worden geannuleerd.

De output van goederen en diensten wordt derhalve geregistreerd op het moment van produktie en niet wanneer een koper ervoor betaalt, en de verkoop van een activum wordt geregistreerd op het moment dat het bezit overgaat en niet wanneer betaling plaatsvindt. Rente wordt geregistreerd in de verslagperiode waarin deze gevormd wordt, ongeacht of de rente al dan niet daadwerkelijk in die periode wordt uitbetaald. Alle monetaire en niet-monetaire stromen en zowel interne transacties als transacties tussen verschillende eenheden worden op transactiebasis geregistreerd.

Soms is het echter nodig ten aanzien van het moment van registratie flexibiliteit te betrachten. Dit geldt in het bijzonder voor belastingen en andere stromen betreffende de overheid, die in de overheidsrekeningen vaak op kasbasis worden geregistreerd. Het is soms moeilijk deze stromen op kasbasis exact om te zetten in stromen op transactiebasis. Het kan dan noodzakelijk zijn de gegevens te benaderen.

Iedere stroom dient voor alle betrokken institutionele eenheden en in alle betrokken rekeningen op hetzelfde moment te worden geregistreerd. Het principe lijkt eenvoudig, maar de uitvoering ervan is dat zeker niet. Institutionele eenheden passen niet altijd dezelfde registratieregels toe. Ook al zouden zij dit doen, dan kunnen er in de parktijk nog verschillen optreden in de feitelijke registratie, bij voorbeeld door vertragingen in de communicatie. Daarom kunnen transacties op verschillende tijdstippen door de betrokkenen worden geregistreerd. Voor dergelijke discrepanties moeten correcties worden aangebracht.

Consolidatie en saldering

Consolidatie

1.58. Consolidatie is de eliminatie, zowel bij de middelen als bij de bestedingen, van transacties tussen eenheden die worden samengevoegd, alsmede de eliminatie van onderlinge vorderingen en schulden.

In het geval van subsectoren of sectoren worden in beginsel geen stromen en standen tussen de hiervan deel uitmakende eenheden geconsolideerd.

Er kunnen wel geconsolideerde rekeningen worden opgesteld voor aanvullende tabellen en analyses. Voor sommige analyses is informatie over de transacties van deze (sub)sectoren met andere sectoren en de daarbij aansluitende "externe" financiële positie relevanter dan brutocijfers.

Bovendien geven de rekeningen en tabellen betreffende de crediteur/debiteurrelatie een gedetailleerd beeld van de financiering van de economie en bieden zij een goed inzicht in de kanalen waarlangs de financieringsoverschotten zich bewegen van uiteindelijke geldverschaffers naar uiteindelijke geldnemers.

Saldering

1.59. Individuele eenheden of sectoren kunnen dezelfde soort transactie zowel aan de bestedingen- als aan de middelenzijde hebben (b. v. zij betalen en ontvangen rente); ook kunnen zij hetzelfde soort financieel instrument als vordering en als schuld hebben.

In het systeem wordt een brutoregistratie aanbevolen, afgezien van het niveau van saldering dat inherent is aan de classificaties zelf.

In feite is saldering per definitie begrepen in diverse transactiecategorieën, met als bekendste voorbeeld de "veranderingen in voorraden" waarbij het analytisch relevante aspect van de totale investeringen beter uitkomt dan bij het dagelijks noteren van toevoegingen en onttrekkingen.

In de financiële rekening en in de rekening voor overige mutaties in activa wordt de toename van activa en passiva, op een paar uitzonderingen na, netto geregistreerd, zodat een beeld wordt verkregen van het eindresultaat van deze stromen aan het einde van de verslagperiode.

Rekeningen, saldi en aggregaten

1.60. Voor eenheden (institutionele eenheden; lokale EEA's) of groepen eenheden (institutionele sectoren en het buitenland; bedrijfstakken) worden in diverse subrekeningen transacties of andere stromen geregistreerd die verband houden met een specifiek aspect van de economie (b. v. produktie). Zo'n reeks transacties is gewoonlijk niet in evenwicht; meestal verschillen de totale ontvangsten van de totale betalingen. Daarom moet er een saldopost worden ingevoerd. Vaak is er ook een saldopost nodig tussen het totaal aan activa en het totaal aan passiva van een institutionele eenheid of sector. Saldi zijn op zichzelf belangrijk bij het meten van economische prestaties. Indien zij voor de gehele economie worden bijeengeteld, vormen zij relevante aggregaten.

Het rekeningenstelsel

1.61. Het systeem is opgebouwd uit een reeks onderling verbonden rekeningen.

Een volledig rekeningenstelsel voor de institutionele eenheden en sectoren bestaat uit lopende rekeningen, accumulatierekeningen en balansen.

De lopende rekeningen behandelen de produktie, de inkomensvorming en -verdeling en de besteding van dit inkomen in de vorm van consumptie. Accumulatierekeningen hebben betrekking op de mutaties in activa en passiva en in het vermogenssaldo (het verschil tussen de activa en passiva van iedere institutionele eenheid of groep eenheden). Balansen geven een beeld van de standen van activa en passiva en het vermogenssaldo.

1.62. Het is niet mogelijk een volledig rekeningenstelsel inclusief balans op te stellen voor een lokale EEA, aangezien een dergelijke eenheid over het algemeen niet zelf goederen of activa in bezit kan hebben of inkomen kan ontvangen of besteden. Het rekeningenstelsel voor lokale EEA's en bedrijfstakken is beperkt tot de eerste lopende rekeningen: produktierekening en inkomensvormingsrekening, waarvan het exploitatieoverschot het saldo is.

Goederen- en dienstenrekening

1.63. De goederen- en dienstenrekening geeft, voor de totale economie of voor produktgroepen, een beeld van de totale middelen (output en invoer) en bestedingen van goederen en diensten (intermediair verbruik, consumptie, veranderingen in voorraden, investeringen in vaste activa (bruto), saldo aan- en verkopen van kostbaarheden en uitvoer).

Rekeningen voor transacties van het buitenland

1.64. De rekeningen voor transacties van het buitenland betreffen de transacties tussen ingezeten en niet-ingezeten institutionele eenheden en de hiermee verband houdende standen aan activa en passiva, voor zover deze relevant zijn.

Aangezien het buitenland in de rekeningenstructuur een soortgelijke rol speelt als een institutionele sector, wordt de rekening voor transacties van het buitenland opgesteld vanuit het oogpunt van het buitenland. Middelen voor het buitenland zijn bestedingen voor de totale economie en omgekeerd. Indien een saldo positief is, betekent dit een overschot voor het buitenland en een tekort voor het betrokken land, en vice versa.

Saldi

1.65. Een saldo is een boekhoudkundige constructie die wordt verkregen door van de totale waarde van de posten van de ene zijde van een rekening de totale waarde van de posten van de andere zijde af te trekken. Het saldo kan niet onafhankelijk van de overige posten worden gemeten; het is een afgeleide post die door de toepassing van de algemene registratieregels op de specifieke posten aan beide zijden van de rekening wordt beïnvloed.

Saldi zijn niet enkel instrumenten om rekeningen sluitend te maken. Zij bevatten veel informatie: enkele van de belangrijkste posten in de rekeningen zijn saldi, zoals de volgende voorbeelden aantonen: toegevoegde waarde, exploitatieoverschot, beschikbaar inkomen, besparingen, vorderingenoverschot c. q. -tekort en vermogenssaldo.

Aggregaten

1.66. Aggregaten zijn samengestelde waarden die de resultaten van de activiteit van de totale economie vanuit een bepaald oogpunt meten: output, toegevoegde waarde, beschikbaar inkomen, consumptie, besparingen, investeringen enz. Hoewel de berekening van de aggregaten niet het enige of het hoofddoel van het systeem is, gaat dit er wel van uit dat aggregaten belangrijk zijn als beknopte indicatoren en referentiegrootheden voor macro-economisch onderzoek en vergelijkingen in tijd en ruimte.

Er kunnen twee soorten aggregaten worden onderscheiden:

a) aggregaten die rechtstreeks betrekking hebben op transacties in het systeem, zoals de output van goederen en diensten, de werkelijke consumptie, de investeringen in vaste activa (bruto), de beloning van werknemers enz.;

b) aggregaten die saldi vormen in de rekeningen, zoals het bruto binnenlands produkt (BBP) tegen marktprijzen, het exploitatieoverschot van de totale economie, het nationaal inkomen, het nationaal beschikbaar inkomen, de besparingen, het saldo lopende transacties van het buitenland en het vermogenssaldo van de totale economie (nationaal vermogen).

1.67. Een aantal cijfers uit de nationale rekeningen hebben een extra dimensie gekregen door ze per hoofd van de bevolking te berekenen. Voor grote aggregaten als het BBP, het nationaal inkomen of de consumptie van huishoudens, is de meest gebruikelijke noemer de totale (ingezeten) bevolking. Bij de opsplitsing van de rekeningen of van een deel van de rekeningen van de sector huishoudens in rekeningen voor subsectoren zijn ook gegevens over het aantal huishoudens en het aantal personen in iedere subsector nodig (19).

HET INPUT-OUTPUTSYSTEEM (20)

1.68. Het input-outputsysteem bestaat uit de aanbod- en gebruikstabellen per bedrijfstak, tabellen om deze tabellen te koppelen aan de sectorrekeningen en de symmetrische input-outputtabellen per homogene branche (produkt).

1.69. Aanbod- en gebruikstabellen zijn matrices (produkten in rijen, bedrijfstakken in kolommen) die aangeven hoe de output van een bedrijfstak is ingedeeld naar type produkt en hoe het binnenlandse en ingevoerde aanbod van goederen en diensten is verdeeld over de verschillende vormen van intermediair verbruik en finaal gebruik, en in hoeverre de goederen en diensten zijn uitgevoerd. De gebruikstabel geeft per bedrijfstak ook een beeld van de structuur van de produktiekosten en van het gevormde inkomen.

De aanbod- en gebruikstabellen vormen het cooerdinerende raamwerk voor alle tabellen per bedrijfstak en/of per produkt met gegevens over de input van arbeid, de investeringen in vaste activa (bruto), de standen aan vaste activa en gedetailleerde prijsindexcijfers - en geven zo een uitvoerige beschrijving van de kostenstructuur, de inkomensvorming, de werkzame personen, de arbeidsproduktiviteit en de kapitaalintensiteit.

1.70. De aanbod- en gebruikstabellen kunnen aan de sectorrekeningen worden gekoppeld door middel van dwarsverbanden tussen de output, het intermediair verbruik en de bestanddelen van de toegevoegde waarde per sector en per bedrijfstak.

HOOFDSTUK 2

EENHEDEN EN INDELING VAN EENHEDEN

2.01. De economie van een land is het resultaat van de activiteiten van een zeer groot aantal eenheden die tal van uiteenlopende transacties verrichten op het gebied van produktie, financiële intermediatie, verzekering, herverdeling en consumptie.

2.02. Eenheden en groepen van eenheden die in het kader van de nationale rekeningen worden gebruikt, moeten worden gedefinieerd op grond van het doel van de economische analyse en niet op grond van de soort eenheden die gewoonlijk bij de statistische waarneming worden gebruikt. Deze laatste (bedrijven, holdings, eenheden van economische activiteit, lokale eenheden, overheidsinstellingen, instellingen zonder winstoogmerk, huishoudens enz.) zijn niet altijd geschikt voor de nationale rekeningen, omdat zij over het algemeen gebaseerd zijn op traditionele criteria van juridische, administratieve en boekhoudkundige aard.

Statistici moeten rekening houden met de in het ESR gebruikte definities van de analytische eenheden, zodat bij de eigenlijke gegevensverzameling alle informatie wordt opgenomen die noodzakelijk is voor het samenstellen van gegevens op basis van de analytische eenheden van het ESR.

2.03. Het ESR wordt gekenmerkt door het gebruik van drie soorten eenheden die behoren bij twee duidelijk verschillende onderverdelingen van de economie. Voor de analyse van het produktieproces is het van belang eenheden te kiezen die de technisch-economische relaties tot uitdrukking brengen, terwijl er voor de analyse van de stromen die van invloed zijn op inkomen, financiële en kapitaaltransacties en balansen, eenheden nodig zijn die het mogelijk maken de gedragsrelaties tussen economische subjecten te bestuderen.

Uitgaande van deze twee invalshoeken worden in dit hoofdstuk de institutionele eenheden, geschikt voor de analyse van het economisch gedrag, en de eenheden van economische activiteit op lokaal niveau en de homogene-produktie-eenheden, geschikt voor de analyse van de technisch-economische relaties, gedefinieerd. In de praktijk worden deze drie soorten eenheden verkregen door samenvoeging of uitsplitsing van de basiseenheden uit statistische enquêtes of via rechtstreekse enquêtering. Alvorens deze drie in het ESR gebruikte eenheden nader te definiëren moeten echter de grenzen van de nationale economie worden afgebakend.

AFBAKENING VAN DE NATIONALE ECONOMIE

2.04. De eenheden (institutionele eenheden, eenheden van economische activiteit op lokaal niveau en homogene-produktie-eenheden) die de economie van een land vormen en waarvan de transacties in het ESR zijn opgenomen, hebben een economisch belangencentrum in het economisch gebied van dat land. Deze eenheden, aangeduid als ingezeten eenheden, behoeven niet de nationaliteit van dit land te bezitten, geen rechtspersoonlijkheid te hebben, noch in het economisch gebied van het land aanwezig te zijn op het ogenblik dat zij een transactie verrichten. Aangezien de economie dus wordt afgebakend op grond van de ingezeten eenheden, dient de betekenis van de begrippen economisch gebied en economisch belangencentrum nader te worden gedefinieerd.

2.05. Onder het economisch gebied van een land wordt verstaan:

a) het door de overheid van het land bestuurde geografisch gebied waarin personen, goederen, diensten en kapitaal vrij kunnen bewegen;

b) vrijhandelsgebieden, inclusief entrepots en bedrijven onder douanecontrole;

c) het nationale luchtruim, de territoriale wateren en het continentaal plat in de internationale wateren waarover het land exclusieve rechten kan doen gelden (21);

d) territoriale enclaves, d. w. z. delen van het geografisch gebied van het buitenland die, krachtens internationale verdragen of overeenkomsten tussen Staten, door de overheid van het land worden gebruikt (ambassades, consulaten, militaire en wetenschappelijke bases enz.);

e) vindplaatsen van aardolie, aardgas enz., gelegen in de internationale wateren buiten het continentale plat van het land, die worden geëxploiteerd door ingezeten eenheden van het land.

2.06. Het economisch gebied omvat geen extraterritoriale enclaves, d. w. z. delen van het geografisch gebied van het land die, krachtens internationale verdragen of overeenkomsten tussen Staten, door de overheid van een ander land, door Instellingen van de Europese Unie of door internationale organisaties worden gebruikt (22).

2.07. Het begrip economisch belangencentrum geeft aan dat er in het economisch gebied een lokatie bestaat waar of van waar uit door een eenheid voor onbepaalde tijd of gedurende een vastgestelde lange periode (één jaar of langer) economische activiteiten en transacties van voldoende omvang worden verricht. Dit impliceert dat een eenheid die dergelijke transacties verricht in het economisch gebied van verschillende landen, geacht wordt in elk van deze landen een economisch belangencentrum te hebben. Van eigenaars van grond en gebouwen in een economisch gebied wordt automatisch aangenomen dat zij daar een economisch belangencentrum hebben.

2.08. Op basis van deze definities kunnen de eenheden die als ingezeten eenheden van een land worden beschouwd, als volgt worden ingedeeld:

a) eenheden met produktie, financiële intermediatie, verzekering of herverdeling als hoofdfunctie, voor al hun transacties, met uitzondering van die welke betrekking hebben op de eigendom van grond en gebouwen;

b) eenheden met consumptie (23) als hoofdfunctie, voor al hun transacties, met uitzondering van die welke betrekking hebben op de eigendom van grond en gebouwen;

c) alle eenheden in hun hoedanigheid van eigenaar van grond en gebouwen, met uitzondering van eigenaars van extraterritoriale enclaves die deel uitmaken van het economisch gebied van andere landen of die Staten sui generis zijn (zie punt 2.06).

2.09. Bij eenheden met produktie, financiële intermediatie, verzekering of herverdeling als hoofdfunctie wordt voor alle transacties, met uitzondering van die welke betrekking hebben op de eigendom van grond en gebouwen, het volgende onderscheid gemaakt:

a) de activiteit wordt uitsluitend in het economisch gebied van het land uitgeoefend: de eenheden zijn in dit geval ingezeten eenheden van het land;

b) de activiteit wordt gedurende één jaar of langer in het economisch gebied van diverse landen uitgeoefend: alleen het gedeelte van de eenheid dat een economisch belangencentrum heeft in het economisch gebied van het land, word als ingezeten eenheid beschouwd. Dit kan zijn:

(1) een ingezeten institutionele eenheid (zie punt 2.12) waarvan men de gedurende één jaar of langer in het buitenland uitgeoefende activiteit buiten beschouwing laat en afzonderlijk registreert (24), of

(2) een fictieve ingezeten eenheid (zie punt 2.15), met betrekking tot de activiteit die gedurende één jaar of langer door een niet-ingezeten eenheid in het land werd uitgeoefend.

2.10. Wat de eenheden met consumptie als hoofdfunctie betreft, worden huishoudens die een economisch belangencentrum in het land hebben, als ingezeten eenheden beschouwd, ook al begeven zij zich voor korte tijd (korter dan één jaar) naar het buitenland; een uitzondering geldt ten aanzien van huishoudens in hun hoedanigheid van eigenaar van grond en gebouwen. Tot dergelijke eenheden worden in het bijzonder gerekend:

a) grensarbeiders, d. w. z. personen die de landgrens dagelijks overschrijden om in een buurland arbeid te verrichten,

b) seizoenarbeiders, d. w. z. personen die het land verlaten om voor een periode van enkele maanden, maar korter dan één jaar, in een ander land arbeid te verrichten in sectoren waar periodiek extra arbeidskrachten worden gevraagd,

c) in het buitenland verblijvende toeristen, kuurpatiënten, studenten (25), ambtenaren op dienstreis, zakenlieden, handelsvertegenwoordigers, kunstenaars en bemanningsleden van schepen of luchtvaartuigen,

d) ter plaatse in dienst genomen personeel dat in de extraterritoriale enclaves van buitenlandse overheden werkzaam is,

e) personeel van de Instellingen van de Europese Unie en van civiele of militaire internationale organisaties die hun zetel in extraterritoriale enclaves hebben,

f) officiële civiele of militaire regeringsvertegenwoordigers van een land die (met hun gezinnen) in territoriale enclaves wonen.

2.11. Alle eenheden in hun hoedanigheid van eigenaar van grond en/of gebouwen die deel uitmaken van het economisch gebied, worden beschouwd als ingezeten eenheden of fictieve ingezeten eenheden (zie punt 2.15) van het land waar deze grond en/of gebouwen gelegen zijn.

INSTITUTIONELE EENHEDEN

2.12. Definitie: Een institutionele eenheid is een centrum van elementaire economische besluitvorming. Zij wordt gekenmerkt door consistent gedrag en zelfstandige beslissingsbevoegdheid bij de uitoefening van haar hoofdfunctie. Een ingezeten eenheid wordt beschouwd als een institutionele eenheid wanneer zij bij de uitoefening van haar hoofdfunctie zelfstandig kan beslissen en wanneer zij over een volledige boekhouding beschikt of, als dat vanuit economisch en juridisch oogpunt mogelijk en zinvol is, op verzoek een volledige boekhouding kan opstellen.

Een eenheid heeft zelfstandige beslissingsbevoegdheid bij de uitoefening van haar hoofdfunctie, als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

a) zij moet het recht hebben zelf goederen of andere activa te bezitten; dat houdt dus in dat zij door middel van transacties met andere institutionele eenheden goederen of andere activa van eigenaar kan laten veranderen;

b) zij moet in staat zijn economische beslissingen te nemen en economische activiteiten uit te oefenen waarvoor zij zelf direct verantwoordelijk en wettelijk aansprakelijk is;

c) zij moet op eigen naam schulden, andere verplichtingen of verdere verbintenissen kunnen aangaan en contracten kunnen afsluiten.

Een eenheid beschikt over een volledige boekhouding, als zij beschikt over boekhoudkundige documenten betreffende al haar economische en financiële transacties tijdens de verslagperiode, alsmede over een balansopstelling van activa en passiva.

2.13. De volgende regels zijn van toepassing op instellingen die niet duidelijk beide kenmerken van een institutionele eenheid bezitten:

a) huishoudens bezitten altijd zelfstandige beslissingsbevoegdheid bij de uitoefening van hun hoofdfunctie en worden derhalve als institutionele eenheden beschouwd, ook al beschikken zij niet over een volledige boekhouding;

b) eenheden zonder volledige boekhouding, voor wie het niet mogelijk of zinvol is om op verzoek een volledige boekhouding op te stellen, vormen een onderdeel van de institutionele eenheden waarvan zij administratief deel uitmaken;

c) eenheden met een volledige boekhouding, maar zonder zelfstandige beslissingsbevoegdheid bij de uitoefening van hun hoofdfunctie, vormen een onderdeel van de institutionele eenheden waardoor zij worden bestuurd;

d) eenheden die voldoen aan de definitie van institutionele eenheid, worden ook nog als zodanig beschouwd indien zij hun boekhouding niet openbaar maken;

e) eenheden die deel uitmaken van een groep van produktie-eenheden en over een volledige boekhouding beschikken, worden als institutionele eenheden beschouwd, ook al hebben zij een gedeelte van hun zelfstandige beslissingsbevoegdheid overgedragen aan de moederonderneming (holding) die de algemene leiding van de groep heeft; de holding zelf wordt ten opzichte van de eenheden die zij beheert als een afzonderlijke institutionele eenheid beschouwd, tenzij punt b) van toepassing is.

f) quasi-vennootschappen hebben wel een volledige boekhouding, maar geen eigen rechtspersoonlijkheid. Hun economisch en financieel gedrag verschilt evenwel van dat van hun eigenaars en lijkt op dat van vennootschappen. Zij worden dus geacht zelfstandige beslissingsbevoegdheid te bezitten en worden daarom als afzonderlijke institutionele eenheden beschouwd.

2.14. Holdings zijn institutionele eenheden met als hoofdfunctie het beheren en leiden van een groep dochterondernemingen.

2.15. Onder fictieve ingezeten eenheden van een land worden verstaan:

a) onderdelen van niet-ingezeten eenheden, die een economisch belangencentrum hebben in het economisch gebied van het land. Dit betekent meestal dat ze er economische transacties verrichten gedurende één jaar of langer, dan wel dat ze er bouwactiviteiten uitoefenen gedurende minder dan één jaar, waarbij de output bestaat uit vaste kapitaalgoederen;

b) niet-ingezeten eenheden in hun hoedanigheid van eigenaar van grond of gebouwen in het economisch gebied van het land, maar alleen voor zover het transacties met betrekking tot deze grond en gebouwen betreft.

Fictieve ingezeten eenheden worden als institutionele eenheden behandeld, ook al beschikken zij slechts over een gedeeltelijke boekhouding en hebben zij niet altijd zelfstandige beslissingsbevoegdheid.

2.16. Samengevat worden als institutionele eenheden beschouwd:

a) eenheden met een volledige boekhouding en zelfstandige beslissingsbevoegdheid:

(1) besloten en naamloze vennootschappen;

(2) cooeperatieve verenigingen en personenvennootschappen met eigen rechtspersoonlijkheid;

(3) overheidsproducenten met een bijzonder statuut dat hun rechtspersoonlijkheid verleent;

(4) instellingen zonder winstoogmerk met rechtspersoonlijkheid;

(5) overheidsinstellingen.

b) eenheden met een volledige boekhouding die geacht worden zelfstandig te kunnen beslissen: quasi-vennootschappen (zie punt 2.13f).

c) eenheden die niet noodzakelijkerwijs beschikken over een volledige boekhouding, maar die volgens afspraak geacht worden zelfstandig te kunnen beslissen:

(1) huishoudens;

(2) fictieve ingezeten eenheden (zie punt 2.15).

INSTITUTIONELE SECTOREN

2.17. Aggregatie is nodig, omdat het niet mogelijk is alle institutionele eenheden afzonderlijk te beschouwen; zij moeten worden gegroepeerd in zogenaamde institutionele sectoren (of kortweg sectoren), die soms worden onderverdeeld in subsectoren.

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

2.18. De sectoren en subsectoren omvatten institutionele eenheden die worden gekenmerkt door een gelijksoortig economisch gedrag.

De institutionele eenheden worden in sectoren ingedeeld op basis van het type producent dat zij zijn en op basis van hun hoofdactiviteit of -functie; de genoemde kenmerken worden als indicatief voor hun economisch gedrag beschouwd. Een sector wordt in subsectoren onderverdeeld op basis van criteria die voor die sector relevant zijn; hierdoor is een nauwkeuriger omschrijving van het economisch gedrag van de eenheden mogelijk.

De rekeningen van sectoren en subsectoren geven alle activiteiten - hoofdactiviteit en nevenactiviteiten - van de betrokken institutionele eenheden weer.

Iedere institutionele eenheid valt slechts onder één sector of subsector.

2.19. Wanneer de hoofdfunctie van de institutionele eenheid het voortbrengen van goederen en diensten is, moet om vast te stellen bij welke sector de eenheid moet worden ingedeeld, eerst worden vastgesteld tot welk type producent hij behoort.

In het ESR worden drie typen producenten onderscheiden:

a) particuliere marktproducenten en marktproducenten in handen van de overheid (zie punt 3.24 en tabel 3.1 in hoofdstuk 3)

b) particuliere producenten voor eigen finaal gebruik (zie punt 3.25 en tabel 3.1 in hoofdstuk 3)

c) particuliere overige niet-marktproducenten en overige niet-marktproducenten in handen van de overheid (zie punt 3.26 en tabel 3.1 in hoofdstuk 3).

Institutionele eenheden die tot de marktproducenten behoren, worden ingedeeld in de sector niet-financiële vennootschappen (S.11), financiële instellingen (S.12) of huishoudens (S.14).

Institutionele eenheden die tot de particuliere producenten voor eigen finaal gebruik behoren, worden samen met de ondernemingen zonder rechtspersoonlijkheid die het eigendom zijn van huishoudens (zie punt 3.30), ingedeeld in de sector huishoudens (S.14).

Institutionele eenheden die tot de overige niet-marktproducenten behoren, worden ingedeeld in de sector overheid (S.13) of instellingen zonder winstoogmerk t.b.v. huishoudens (S.15).

2.20. Onderstaande tabel geeft een overzicht van het type producent en de hoofdactiviteiten of -functies waardoor iedere sector wordt gekenmerkt:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

Het buitenland (S.2) is een groep institutionele eenheden (zie punt 2.89) die niet wordt gekenmerkt door vergelijkbare doelen en gedragingen; het is de verzameling van niet-ingezeten institutionele eenheden voor zover zij transacties verrichten met ingezeten institutionele eenheden.

NIET-FINANCIËLE VENNOOTSCHAPPEN (S. 11)

2.21. Definitie: De sector niet-financiële vennootschappen (S. 11) bestaat uit institutionele eenheden waarvan de verdelingstransacties en financiële transacties gescheiden zijn van die van hun eigenaars en die marktproducenten zijn (zie de punten 3.31, 3.32 en 3.37) van wie de hoofdactiviteit bestaat uit de produktie van goederen en niet-financiële diensten (26).

2.22. De sector niet-financiële vennootschappen omvat tevens niet-financiële quasi-vennootschappen.

2.23. Tot de sector niet-financiële vennootschappen worden alle eenheden met rechtspersoonlijkheid en quasi-vennootschappen gerekend die marktproducent zijn en van wie de hoofdactiviteit bestaat uit de produktie van goederen en niet-financiële diensten.

Het betreft de volgende institutionele eenheden:

a) besloten en naamloze vennootschappen die marktproducent zijn met als hoofdfunctie de produktie van goederen en niet-financiële diensten;

b) cooeperatieve verenigingen en personenvennootschappen met rechtspersoonlijkheid die marktproducent zijn met als hoofdfunctie de produktie van goederen en niet-financiële diensten;

c) overheidsproducenten met een bijzonder statuut dat hun rechtspersoonlijkheid verleent en die marktproducent zijn met als hoofdfunctie de produktie van goederen en niet-financiële diensten;

d) instellingen zonder winstoogmerk ten behoeve van niet-financiële vennootschappen, die rechtspersoonlijkheid bezitten en die marktproducent zijn met als hoofdfunctie de produktie van goederen en niet-financiële diensten (27);

e) holdings die het beheer (zie punt 2.26) hebben over een groep ondernemingen die marktproducent zijn, indien de voornaamste activiteit van de groep als geheel - op basis van de toegevoegde waarde - bestaat uit de produktie van goederen en niet-financiële diensten;

f) particuliere quasi-vennootschappen en quasi-vennootschappen in handen van de overheid, die marktproducent zijn met als hoofdfunctie de produktie van goederen en niet-financiële diensten.

2.24. Tot de niet-financiële quasi-vennootschappen worden alle instellingen zonder rechtspersoonlijkheid gerekend die marktproducent zijn met als hoofdfunctie de produktie van goederen en niet-financiële diensten en die aan de voorwaarden voor quasi-vennootschappen voldoen (zie punt 2.13f).

Quasi-vennootschappen moeten over een volledige boekhouding beschikken; zij worden bestuurd als vennootschappen. De feitelijke relatie met de eigenaar is als die van een vennootschap met haar aandeelhouders.

Niet-financiële quasi-vennootschappen die het eigendom zijn van huishoudens, overheidsinstellingen of instellingen zonder winstoogmerk behoren dus samen met de niet-financiële vennootschappen tot de sector niet-financiële vennootschappen.

Als marktproducenten over een volledige boekhouding, inclusief een balans, beschikken, worden zij nog niet automatisch als quasi-vennootschap behandeld. Zo zijn personenvennootschappen en overheidsproducenten, m.u.v. die welke worden genoemd in punt 2.23, onder a), b), c) en f), alsmede eenmanszaken - ook al hebben zij een volledige boekhouding - in het algemeen geen afzonderlijke institutionele eenheden, omdat zij geen zelfstandige beslissingsbevoegdheid bezitten; het beheer van deze eenheden valt namelijk onder de zeggenschap van de huishoudens, overheidsinstellingen of instellingen zonder winstoogmerk waarvan zij eigendom zijn.

2.25. De sector niet-financiële vennootschappen omvat ook alle fictieve ingezeten eenheden (zie punt 2.15) die volgens afspraak als quasi-vennootschappen worden behandeld.

2.26. Zeggenschap over een onderneming wordt gedefinieerd als de bevoegdheid om het algemene ondernemingsbeleid te bepalen door, zo nodig, de benoeming van directeuren.

Een institutionele eenheid - een andere vennootschap, een huishouden of een overheidsinstelling - heeft zeggenschap over een onderneming als zij in het bezit is van meer dan de helft van de aandelen met stemrecht of op een andere wijze een meerderheidsbelang heeft. Voorts kan de overheid zeggenschap over een onderneming hebben op grond van een speciale wet, besluit of verordening waarbij de overheid wordt gemachtigd het ondernemingsbeleid te bepalen of directieleden te benoemen.

Een institutionele eenheid kan een meerderheidsbelang in een onderneming hebben zonder zelf aandelen met stemrecht te bezitten. Onderneming C kan een dochteronderneming zijn van onderneming B waarvan de meerderheid van de aandelen met stemrecht in handen is van een derde onderneming A.

Onderneming C wordt als dochteronderneming van onderneming B beschouwd als onderneming B meer dan de helft van de aandelen met stemrecht in onderneming C in handen heeft of als onderneming B aandeelhouder van C is met het recht een meerderheid van de directieleden van C te benoemen of af te zetten.

2.27. De sector niet-financiële vennootschappen valt in drie subsectoren uiteen:

a) niet-financiële vennootschappen in handen van de overheid (S. 11001);

b) niet-financiële vennootschappen in handen van de particuliere sector (S. 11002);

c) niet-financiële vennootschappen in handen van het buitenland (S. 11003).

Subsector niet-financiële vennootschappen in handen van de overheid (S. 11001)

2.28. Definitie: De subsector niet-financiële vennootschappen in handen van de overheid bestaat uit alle niet-financiële vennootschappen en quasi-vennootschappen waarover overheidsinstellingen zeggenschap hebben (zie punt 2.26).

2.29. Quasi-vennootschappen in handen van de overheid zijn quasi-vennootschappen die rechtstreeks eigendom zijn van overheidsinstellingen.

Subsector niet-financiële vennootschappen in handen van de particuliere sector (S. 11002)

2.30. Definitie: De subsector niet-financiële vennootschappen in handen van de particuliere sector omvat alle niet-financiële vennootschappen en quasi-vennootschappen waarover de overheid of niet-ingezeten institutionele eenheden geen zeggenschap hebben. Deze subsector omvat ook alle instellingen zonder winstoogmerk die tot de sector niet-financiële vennootschappen behoren (zie punt 2.23d).

De subsector niet-financiële vennootschappen in handen van de particuliere sector omvat verder vennootschappen en quasi-vennootschappen waarin niet-ingezeten institutionele eenheden een belang hebben (vgl. punt 4.65), maar die niet zijn ingedeeld in de subsector niet-financiële vennootschappen in handen van het buitenland (S. 11003).

Subsector niet-financiële vennootschappen in handen van het buitenland (S. 11003)

2.31. Definitie: De subsector niet-financiële vennootschappen in handen van het buitenland bestaat uit alle niet-financiële vennootschappen en quasi-vennootschappen warover niet-ingezeten institutionele eenheden zeggenschap hebben (zie punt 2.26).

Deze subsector omvat:

a) alle dochterondernemingen van niet-ingezeten vennootschappen;

b) alle vennootschappen waarover een niet-ingezeten institutionele eenheid die zelf geen vennootschap is, zeggenschap heeft, bij voorbeeld een buitenlandse overheid; ook vennootschappen waarover een gezamenlijk optredende groep niet-ingezeten eenheden zeggenschap heeft, vallen eronder;

c) alle filialen of andere agentschappen zonder rechtspersoonlijkheid van niet-ingezeten producenten met of zonder rechtspersoonlijkheid. Zij zijn fictieve ingezeten eenheden die moeten worden behandeld als niet-financiële quasi-vennootschappen.

FINANCIËLE INSTELLINGEN (S. 12)

2.32. Definitie: De sector financiële instellingen (S. 12) bestaat uit alle vennootschappen en quasi-vennootschappen met als hoofdfunctie financiële intermediatie (financiële intermediairs) en/of het verlenen van financiële hulpdiensten (financiële hulpbedrijven) (28).

Onder financiële intermediatie wordt verstaan de activiteit waarbij een institutionele eenheid via een markt (zie de punten 2.37 en 2.38) voor eigen rekening (zie punt 2.33) tegelijkertijd vordering- en schuldverhoudingen aangaat (zie punt 2.34). De vorderingen en schulden van financiële intermediairs hebben uiteenlopende kenmerken, hetgeen impliceert dat via financiële intermediatie verkregen middelen worden omgezet of heringedeeld wat looptijd, omvang, risico e. d. betreft.

Onder het verlenen van financiële hulpdiensten wordt verstaan het verlenen van diensten die nauw verband houden met financiële intermediatie, maar op zichzelf niet als zodanig kunnen worden aangemerkt (zie punt 2.39).

2.33. Bij financiële intermediatie worden financiële middelen overgeheveld van een transactiepartij met een overschot aan middelen naar een met een tekort aan middelen. Een financiële intermediair treedt niet simpelweg als tussenpersoon namens deze andere institutionele eenheden op, maar neemt zelf risico's door voor eigen rekening vorderingen te verwerven en schulden aan te gaan.

2.34. Bij financiële intermediatie kunnen alle categorieën passiva een rol spelen; een uitzondering geldt voor de categorie handelskredieten en transitorische posten (AF.7).

De vorderingen waarop de financiële intermediatie betrekking heeft, kunnen activa uit alle categorieën zijn met uitzondering van verzekeringstechnische voorzieningen (AF.6), maar met inbegrip van de categorie handelskredieten en transitorische posten (factoring). Bovendien kunnen financiële intermediairs ook investeren in niet-financiële activa, waaronder onroerend goed. Om als financieel intermediair te worden beschouwd moet een instelling evenwel ook schulden op de financiële markten aangaan en financiële middelen transformeren. De exploitatie van en handel in onroerend goed (NACE, afdeling 70) is derhalve niet inbegrepen.

2.35. De hoofdfunctie van verzekeringsinstellingen en pensioenfondsen is risicospreiding. De voornaamste passiva van deze instellingen bestaan uit verzekeringstechnische voorzieningen (AF.6) die in diverse vormen worden belegd. Daarmee karakteriseren verzekeringsinstellingen en pensioenfondsen zich dus als financiële intermediairs.

2.36. Beleggingsinstellingen gaan voornamelijk schulden aan door de uitgifte van participatiebewijzen (AF.52). Zij zetten deze middelen om in vorderingen en/of onroerend goed. Daarom worden ze ingedeeld als financiële intermediairs. Zoals bij andere instellingen heeft elke wijziging in de waarde van hun activa en passiva, afgezien van hun aandelen in eigen bezit, invloed op de omvang van hun eigen vermogen (zie punt 7.05). Omdat de omvang van het eigen vermogen van een beleggingsinstelling normaal gesproken gelijk is aan de totale waarde van de uitstaande aandelen, wordt elke wijziging in de waarde van de activa en passiva van de instelling zichtbaar in de marktwaarde van de aandelen.

Beleggingsinstellingen die alleen in onroerend goed beleggen, worden ook als financiële intermediairs beschouwd.

2.37. Financiële intermediatie beperkt zich in het algemeen tot transacties op de financiële markt. Met andere woorden, de vorderingen worden verworven en de schulden worden aangegaan ten opzichte van het grote publiek of een specifiek en relatief groot deel ervan. Als de activiteit beperkt blijft tot kleine groepen van personen of families, is er geen sprake van financiële intermediatie. Met name institutionele eenheden die aan een ondernemingengroep diensten verlenen op het gebied van het kasbeheer, worden niet tot de financiële intermediairs gerekend. Deze institutionele eenheden worden, overeenkomstig de hoofdfunctie van de ondernemingengroep binnen het economisch gebied, bij een sector ingedeeld. Indien de institutionele eenheid die de financiële diensten verleent, evenwel onder financiële toezichtswetgeving valt, wordt zij volgens afspraak ingedeeld bij de sector financiële instellingen.

2.38. Er zijn uitzonderingen op de algemene regel dat financiële intermediatie beperkt is tot transacties op de financiële markt. Voorbeelden hiervan zijn gemeentelijke kredietbanken en spaarbanken die in hoge mate afhankelijk zijn van de betrokken gemeente, of financiële-leasemaatschappijen die voor de verwerving of uitzetting van middelen afhankelijk zijn van een moedermaatschappij. Om tot de financiële intermediairs te worden gerekend moeten zij onafhankelijk van de gemeente resp. moedermaatschappij middelen kunnen aantrekken en uitzetten.

2.39. De activiteiten van financiële hulpbedrijven omvatten ondersteunende activiteiten met betrekking tot het aangaan van vordering- en schuldverhoudingen door financiële intermediairs of het omzetten of transformeren van bij derden verkregen middelen. Financiële hulpbedrijven nemen geen risico's door zelf vordering- en schuldverhoudingen aan te gaan, maar ondersteunen een goed verloop van de financiële intermediatie.

2.40. De sector financiële instellingen (S. 12) omvat de volgende institutionele eenheden:

a) besloten en naamloze vennootschappen met als hoofdfunctie financiële intermediatie en/of het verlenen van financiële hulpdiensten;

b) cooeperatieve verenigingen en personenvennootschappen met rechtspersoonlijkheid met als hoofdfunctie financiële intermediatie en/of het verlenen van financiële hulpdiensten;

c) overheidsproducenten met een statuut dat hun rechtspersoonlijkheid verleent met als hoofdfunctie financiële intermediatie en/of het verlenen van financiële hulpdiensten;

d) instellingen zonder winstoogmerk met rechtspersoonlijkheid met als hoofdfunctie financiële intermediatie en/of het verlenen van financiële hulpdiensten, alsmede instellingen zonder winstoogmerk ten behoeve van financiële instellingen;

e) holdings (zie punt 2.14), indien de groep dochterondernemingen binnen het economisch gebied zich als geheel hoofdzakelijk bezighoudt met financiële intermediatie en/of het verlenen van financiële hulpdiensten;

f) beleggingsinstellingen zonder rechtspersoonlijkheid, inclusief beleggingsportefeuilles die eigendom zijn van de groep van deelnemers en die in de regel beheerd worden door andere financiële instellingen. Deze fondsen zijn volgens afspraak afzonderlijke institutionele eenheden, afgescheiden van de financiële instellingen die het beheer uitoefenen.

g) financiële quasi-vennootschappen:

(1) eenheden zonder rechtspersoonlijkheid met als hoofdfunctie financiële intermediatie, die aan reglementering en toezicht zijn onderworpen (meestal via eenheden in de subsector overige monetaire financiële instellingen of in de subsector verzekeringsinstellingen en pensioenfondsen), worden geacht zelfstandige beslissingsbevoegdheid te bezitten, alsmede een bestuursvorm die gescheiden is van die van hun eigenaars. Hun economisch en financieel gedrag is dus te vergelijken met dat van financiële instellingen. Derhalve worden zij als afzonderlijke institutionele eenheden behandeld. Voorbeelden hiervan zijn kantoren van niet-ingezeten financiële instellingen;

(2) andere eenheden zonder rechtspersoonlijkheid met als hoofdfunctie financiële intermediatie, die niet aan reglementering en toezicht zijn onderworpen, worden slechts als financiële quasi-vennootschappen beschouwd, indien zij voldoen aan de voorwaarden voor quasi-vennootschappen (zie punt 2.13f);

(3) eenheden zonder rechtspersoonlijkheid met als hoofdfunctie het verlenen van financiële hulpdiensten worden slechts als financiële quasi-vennootschappen beschouwd, indien zij voldoen aan de voorwaarden voor quasi-vennootschappen (zie punt 2.13f).

2.41. De sector financiële instellingen wordt onderverdeeld in vijf subsectoren:

a) centrale bank (S. 121);

b) overige monetaire financiële instellingen (S. 122);

c) overige financiële intermediairs, m.u.v. verzekeringsinstellingen en pensioenfondsen (S. 123);

d) financiële hulpbedrijven (S. 124);

e) verzekeringsinstellingen en pensioenfondsen (S. 125).

De subsector overige monetaire financiële instellingen wordt beschouwd als gelijkwaardig aan de subsector overige deposito-instellingen uit het SNA 1993 (rubrieken 4.88-4.94). Bij de afbakening van de subsector overige monetaire financiële instellingen (zie punt 2.48) was het de bedoeling de financiële intermediairs op te nemen via welke de gevolgen van het monetair beleid van de centrale bank worden doorgegeven aan de andere economische eenheden. De afbakening van de subsector overige deposito-instellingen in het SNA 1993 is daarentegen gebaseerd op de "ruime" definitie van geldhoeveelheid. De subsectoren S. 121 en S. 122 samen komen overeen met de door het EMI als statistisch relevant beschouwde groep monetaire instellingen.

2.42. Met uitzondering van subsector S. 121 kan iedere subsector worden onderverdeeld in:

a) financiële instellingen in handen van de overheid;

b) financiële instellingen in handen van de particuliere sector;

c) financiële instellingen in handen van het buitenland.

Voor deze onderverdeling gelden dezelfde criteria als voor de onderverdeling van niet-financiële vennootschappen (zie de punten 2.26-2.31).

2.43. Holdings die uitsluitend het beheer en de leiding hebben over een groep dochterondernemingen met als hoofdfunctie financiële intermediatie en/of het verlenen van financiële hulpdiensten, worden ingedeeld in de subsector overige financiële intermediairs m.u.v. verzekeringsinstellingen en pensioenfondsen (S. 123) (29). Holdings die zelf een financiële instelling zijn, moeten overeenkomstig de voornaamste financiële activiteit in subsectoren worden ingedeeld.

2.44. Instellingen zonder winstoogmerk met rechtspersoonlijkheid die diensten verlenen aan financiële instellingen, maar zelf niet als financiële intermediairs optreden en ook geen activiteiten als financieel hulpbedrijf ontplooien, worden ingedeeld in de subsector financiële hulpbedrijven (S. 124).

Subsector centrale bank (S. 121)

2.45. Definitie: De subsector centrale bank omvat alle financiële instellingen en quasi-vennootschappen met als hoofdfunctie de uitgifte van betaalmiddelen, handhaving van de interne en externe waarde van de valuta en het aanhouden van alle of een gedeelte van de officiële reserves van het land.

2.46. In subsector S. 121 worden de volgende financiële instellingen en quasi-vennootschappen ingedeeld:

a) de nationale centrale bank, ook als deze deel uitmaakt van een Europees Systeem van Centrale Banken;

b) de in hoofdzaak door de overheid opgerichte centrale monetaire instellingen die beschikken over een volledige boekhouding en zelfstandige beslissingsbevoegdheid ten opzichte van de centrale overheid (b. v. instellingen voor deviezenverrekening of voor de uitgifte van betaalmiddelen). Meestal worden de activiteiten van dergelijke instellingen hetzij door de centrale overheid hetzij door de centrale bank zelf uitgeoefend. In die gevallen zijn er dus geen afzonderlijke institutionele eenheden.

2.47. Deze subsector omvat geen instellingen, andere dan de centrale bank, die belast zijn met de reglementering van of het toezicht op financiële instellingen of financiële markten. Deze worden ingedeeld in subsector S. 124 (zie punt 2.58g) (30).

Subsector overige monetaire financiële instellingen (S. 122)

2.48. Definitie: De subsector overige monetaire financiële instellingen (S. 122) bestaat uit alle financiële instellingen en quasi-vennootschappen - met uitzondering van die welke zijn ingedeeld in de subsector centrale bank - met als hoofdfunctie financiële intermediatie, die deposito's en/of daarmee vergelijkbare financiële titels van institutionele eenheden niet zijnde monetaire financiële instellingen als schuldtitel hebben en voor eigen rekening kredieten verstrekken en/of waardepapieren aankopen.

2.49. Tot de monetaire financiële instellingen (MFI's) behoren de subsectoren centrale bank (S. 121) en overige monetaire financiële instellingen (S. 122). Zij komen overeen met de monetaire financiële instellingen voor statistische doeleinden, zoals vastgesteld door het EMI (zie punt 2.41).

2.50. De MFI's kunnen niet gewoon "banken" worden genoemd omdat er ook financiële instellingen toe kunnen behoren die zich geen bank noemen of die zich in bepaalde landen geen bank mogen noemen, terwijl er anderzijds ook financiële instellingen zijn die zich wel bank noemen, maar die in feite geen MFI zijn. In het algemeen kan men zeggen dat de volgende financiële intermediairs tot subsector S. 122 behoren:

a) handelsbanken en algemene banken;

b) spaarbanken (inclusief spaar- en kredietverenigingen);

c) postcheque- en girodiensten, postbanken, girobanken;

d) landbouwkredietinstellingen;

e) cooeperatieve kredietinstellingen, kredietverenigingen;

f) gespecialiseerde banken (b. v. merchantbanken, emissiebanken, particuliere banken).

2.51. De volgende financiële intermediairs kunnen ook in subsector S. 122 worden ingedeeld indien zij hun middelen verkrijgen via opeisbare schuldtitels, ongeacht of dat geschiedt in de vorm van deposito's of in andere vormen, zoals via de doorlopende uitgifte van obligaties of andere, daarmee vergelijkbare effecten. Anders moeten zij in subsector S. 123 worden ingedeeld:

a) hypotheekverlenende instellingen (incl. bouwkassen, hypotheekbanken en hypothecair-kredietinstellingen);

b) beleggingsinstellingen (incl. "investment trusts", "unit trusts" en andere collectieve investeringsprogramma's, b. v. overeenkomsten voor collectieve investeringen in overdraagbare effecten - UCITS);

c) gemeentelijke kredietinstellingen.

2.52. Subsector S. 122 omvat niet:

a) holdings die uitsluitend het beheer en de leiding hebben over een overwegend tot de subsector overige monetaire financiële instellingen behorende groep instellingen, maar dat zelf niet zijn. Zij worden ingedeeld in subsector S. 123 (zie punt 2.43);

b) instellingen zonder winstoogmerk met eigen rechtspersoonlijkheid die diensten verlenen aan overige monetaire financiële instellingen, maar zich niet bezighouden met financiële intermediatie. Zij worden ingedeeld in subsector S. 124 (zie punt 2.44).

Subsector overige financiële intermediairs m. u. v. verzekeringsinstellingen en pensioenfondsen (S. 123)

2.53. Definitie: De subsector overige financiële intermediairs m.u.v. verzekeringsinstellingen en pensioenfondsen (S. 123) omvat alle financiële instellingen en quasi-vennootschappen met als hoofdfunctie financiële intermediatie door het aangaan van verplichtingen, andere dan in chartaal geld, deposito's en/of daarmee vergelijkbare financiële titels bij andere institutionele eenheden dan monetaire financiële instellingen, en andere dan verzekeringstechnische voorzieningen.

2.54. Subsector S. 123 omvat diverse soorten financiële intermediairs die zich voornamelijk bezighouden met langlopende financieringen. De overwegend lange looptijd van hun vorderingen en schulden is in de meeste gevallen het essentiële onderscheid met de subsector overige monetaire financiële instellingen. Subsector S. 123 onderscheidt zich voorts van de subsector verzekeringsinstellingen en pensioenfondsen door het ontbreken van schulden in de vorm van verzekeringstechnische voorzieningen.

2.55. Met name de volgende financiële instellingen en quasi-vennootschappen worden in subsector S. 123 ingedeeld, tenzij zij MFI's zijn:

a) instellingen met als functie financiële lease;

b) instellingen met als functie huurkoop en de verlening van consumenten- of handelskrediet;

c) instellingen met als functie factoring;

d) handelaren (voor eigen rekening) in waardepapieren en derivaten;

e) gespecialiseerde financiële instellingen, zoals risicokapitaal- en ontwikkelingskapitaalmaatschappijen, export-/import-financieringsmaatschappijen;

f) lege financiële instellingen die zijn opgericht voor het houden van effecten;

g) financiële intermediairs die uitsluitend van MFI's deposito's en/of daarmee vergelijkbare financiële titels ontvangen;

h) holdings die uitsluitend het beheer en de leiding hebben over een groep dochterondernemingen met als hoofdfunctie financiële intermediatie en/of het verlenen van financiële hulpdiensten, maar die zelf geen financiële instellingen zijn (zie punt 2.43).

2.56. Subsector S. 123 omvat geen instellingen zonder winstoogmerk met eigen rechtspersoonlijkheid die diensten verlenen aan overige financiële intermediairs m.u.v. verzekeringsinstellingen en pensioenfondsen, maar die zich zelf niet bezighouden met financiële intermediatie. Zij worden ingedeeld in subsector S. 124 (zie punt 2.44).

Subsector financiële hulpbedrijven (S. 124)

2.57. Definitie: De subsector financiële hulpbedrijven (S. 124) omvat alle financiële instellingen en quasi-vennootschappen met als hoofdfunctie het verlenen van financiële hulpdiensten, d.w.z. diensten die nauw verband houden met financiële intermediatie, maar dat zelf niet zijn (zie punt 2.39).

2.58. Met name de volgende financiële instellingen en quasi-vennootschappen worden in subsector S. 124 ingedeeld:

a) assurantietussenpersonen, bergings- en schade-afwikkelingsbedrijven, verzekerings- en pensioenadviseurs enz.;

b) leningmakelaars, effectenmakelaars, beleggingsadviseurs enz.;

c) instellingen die de uitgifte van effecten verzorgen;

d) instellingen met als hoofdactiviteit het garanderen van wissels e. d. door middel van endossement;

e) instellingen die zich bezighouden met de organisatie van transacties in financiële derivaten en termijncontracten zoals swaps, opties en futures (maar deze niet zelf uitgeven);

f) instellingen die de infrastructuur voor financiële markten verzorgen;

g) centrale toezichthoudende organen voor financiële intermediairs en financiële markten, voor zover deze als afzonderlijke institutionele eenheden kunnen worden aangemerkt;

h) beheerders van pensioenfondsen, beleggingsinstellingen enz.;

i) effectenbeurs- en verzekeringsbeursinstellingen;

j) instellingen zonder winstoogmerk met eigen rechtspersoonlijkheid die diensten verlenen aan financiële instellingen, maar die zich niet bezighouden met financiële intermediatie of het verlenen van financiële hulpdiensten (zie punt 2.44).

2.59. Subsector S. 124 omvat geen holdings die uitsluitend het beheer en de leiding hebben over een groep dochterondernemingen met als hoofdfunctie het verlenen van financiële hulpdiensten, maar die zelf geen financiële hulpbedrijven zijn. Zij worden ingedeeld bij subsector S. 123 (zie punt 2.43).

Subsector verzekeringsinstellingen en pensioenfondsen (S. 125)

2.60. Definitie: De subsector verzekeringsinstellingen en pensioenfondsen (S. 125) omvat alle financiële instellingen en quasi-vennootschappen met als hoofdfunctie financiële intermediatie door middel van het spreiden van risico's (zie punt 2.35).

2.61. De verzekeringscontracten kunnen individuele en/of collectieve contracten betreffen, ongeacht of de afsluiting voortvloeit uit een algemene door de overheid opgelegde verplichting. Voorts vloeien de uit te voeren contracten soms voor een belangrijk deel voort uit sociale-verzekeringsregelingen (zie de punten 4.83-4.91).

2.62. Subsector S. 125 omvat ook "captive verzekeraars" - die, als afzonderlijke institutionele eenheid, risico's spreiden voor eenheden binnen één ondernemingengroep - en herverzekeringsinstellingen.

2.63. Subsector (S. 125) omvat geen:

a) institutionele eenheden die aan elk van beide in punt 2.74 genoemde criteria voldoen. Zij worden ingedeeld bij subsector S. 1314;

b) holdings die uitsluitend het beheer en de leiding hebben over een groep ondernemingen die overwegend uit verzekeringsinstellingen en pensioenfondsen bestaat, maar die zelf geen verzekeringsinstelling of pensioenfonds zijn. Zij worden ingedeeld bij subsector S. 123 (zie punt 2.43);

c) instellingen zonder winstoogmerk met eigen rechtspersoonlijkheid die diensten verlenen aan verzekeringsinstellingen en pensioenfondsen, maar die zich niet bezighouden met financiële intermediatie. Zij worden ingedeeld bij subsector S. 124 (zie punt 2.44).

2.64. De subsector verzekeringsinstellingen en pensioenfondsen kan als volgt worden onderverdeeld:

a) verzekeringsinstellingen;

b) (zelfstandige) pensioenfondsen.

Zelfstandige pensioenfondsen zijn pensioenfondsen die zelfstandige beslissingsbevoegdheid hebben en over een volledige boekhouding beschikken. Zij zijn dus institutionele eenheden. Niet-zelfstandige pensioenfondsen zijn geen institutionele eenheden en blijven onderdeel van de institutionele eenheid die hen heeft opgericht.

2.65. Zowel levens- als schadeverzekeringsinstellingen kunnen individuele of collectieve risico's dekken. Sommige verzekeringsinstellingen beperken hun activiteiten tot collectieve contracten. Het is deze instellingen toegestaan om ieder collectief te verzekeren.

2.66. Pensioenfondsen kunnen worden omschreven als instellingen die collectief sociale risico's en behoeften (zie punt 4.84) van de verzekerden dekken. Een kenmerkende groep verzekerden bij dergelijke polissen bestaat uit de werknemers van een individuele onderneming of een groep ondernemingen, de werknemers uit een branche of bedrijfstak, dan wel personen met een zelfde beroep. De uitkeringen die ingevolge het verzekeringscontract worden verstrekt, kunnen betrekking hebben op uitkeringen bij overlijden van de verzekerde aan de weduwe/weduwnaar en kinderen (meestal bij overlijden in dienstbetrekking), pensioenuitkeringen en invaliditeitsuitkeringen aan de verzekerde.

2.67. In sommige landen kunnen al deze soorten risico's zowel bij levensverzekeringsinstellingen als bij pensioenfondsen worden verzekerd. In andere landen kunnen sommige van deze risico's uitsluitend bij levensverzekeringsinstellingen worden verzekerd. In tegenstelling tot levensverzekeringsinstellingen zijn pensioenfondsen (wettelijk) beperkt tot specifieke groepen werknemers en zelfstandigen.

OVERHEID (S. 13)

2.68. Definitie: De sector overheid (S. 13) omvat alle institutionele eenheden die tot de overige niet-marktproducenten behoren (zie punt 3.26) en waarvan de output, die voornamelijk gefinancierd wordt uit verplichte betalingen van eenheden die tot andere sectoren behoren, voor individueel of collectief verbruik is bestemd en/of alle institutionele eenheden die zich in hoofdzaak bezighouden met de herverdeling van het nationale inkomen en vermogen.

2.69. Tot sector S. 13 behoren de volgende institutionele eenheden:

a) overheidsinstellingen (m.u.v. overheidsproducenten die georganiseerd zijn in de vorm van een naamloze vennootschap of een quasi-vennootschap, of met een statuut dat hun rechtspersoonlijkheid verleent, wanneer ze tot de niet-financiële of financiële sector behoren) die een geheel van activiteiten, hoofdzakelijk bestaande uit de levering van niet-marktgoederen en -diensten, ten behoeve van de samenleving beheren en financieren (31);

b) instellingen zonder winstoogmerk met eigen rechtspersoonlijkheid die tot de overige niet-marktproducenten behoren en onder toezicht staan van en voornamelijk gefinancierd worden door de overheid;

c) zelfstandige pensioenfondsen die aan elk van beide in punt 2.74 genoemde criteria voldoen.

2.70. De sector overheid is onderverdeeld in vier subsectoren:

a) centrale overheid (S. 1311);

b) deelstaatoverheid (S. 1312);

c) lagere overheid (S. 1313);

d) wettelijke sociale-verzekeringsinstellingen (S. 1314).

Subsector centrale overheid (S. 1311)

2.71. Definitie: De subsector centrale overheid omvat alle bestuursinstellingen van de staat en andere centrale instellingen waarvan de bevoegdheid zich gewoonlijk over het gehele economisch gebied uitstrekt, met uitzondering van de wettelijke sociale-verzekeringsinstellingen.

Subsector S. 1311 omvat ook de instellingen zonder winstoogmerk die onder toezicht staan van en voornamelijk gefinancierd worden door de centrale overheid en waarvan de bevoegdheid zich over het gehele economische gebied uitstrekt.

Subsector deelstaatoverheid (S. 1312)

2.72. Definitie: De subsector deelstaatoverheid omvat de bestuursinstellingen van een deelstaat, die afzonderlijke institutionele eenheden zijn en die bepaalde overheidsfuncties op een lager niveau dan de centrale overheid en op een hoger niveau dan de institutionele eenheden van de lagere overheid uitoefenen, met uitzondering van de wettelijke sociale-verzekeringsinstellingen.

Subsector S. 1312 omvat ook de instellingen zonder winstoogmerk die onder toezicht staan van en voornamelijk gefinancierd worden door de deelstaatoverheid en waarvan de bevoegdheid beperkt is tot het economische gebied van de deelstaat.

Subsector lagere overheid (S. 1313)

2.73. Definitie: De subsector lagere overheid omvat de instellingen van openbaar bestuur waarvan de bevoegdheid zich slechts tot een lokaal gedeelte van het economisch gebied uitstrekt, met uitzondering van de plaatselijke wettelijke sociale-verzekeringsinstellingen.

Subsector S. 1313 omvat ook de instellingen zonder winstoogmerk die onder toezicht staan van en voornamelijk gefinancierd worden door de lagere overheid en waarvan de bevoegdheid beperkt is tot het economische gebied van de lagere overheid.

Subsector wettelijke sociale-verzekeringsinstellingen (S. 1314)

2.74. Definitie: De subsector wettelijke sociale-verzekeringsinstellingen omvat alle institutionele eenheden op centraal, deelstaat- en lokaal niveau waarvan de hoofdactiviteit bestaat uit het verstrekken van sociale uitkeringen en die aan elk van de volgende twee criteria voldoen:

a) bepaalde bevolkingsgroepen zijn bij wet of bij verordening verplicht aan de regeling deel te nemen dan wel premies te betalen;

b) de overheid is verantwoordelijk voor het beheer van de instelling met betrekking tot de vaststelling of goedkeuring van de premies en uitkeringen, ongeacht haar rol als toezichthoudend orgaan of werkgever (zie punt 4.89);

Gewoonlijk is er geen rechtstreeks verband tussen de hoogte van een door een individu betaalde premie en het risico waaraan hij is blootgesteld.

HUISHOUDENS (S.14)

2.75. Definitie: De sector huishoudens (S.14) omvat personen of groepen van personen in hun hoedanigheid van consument en eventueel ook personen of groepen van personen die als ondernemer goederen en al dan niet financiële diensten voor de markt produceren (marktproducenten), in het laatste geval voor zover de desbetreffende activiteiten niet worden uitgeoefend door afzonderlijke eenheden die als quasi-vennootschappen worden aangemerkt. Deze sector omvat ook personen of groepen van personen die als producent uitsluitend goederen en niet-financiële diensten bestemd voor eigen finaal gebruik voortbrengen (zie de punten 3.20, 3.25 en 3.30).

Huishoudens in hun hoedanigheid van consument kunnen worden gedefinieerd als kleine groepen van personen die dezelfde woning delen, die hun inkomen en vermogen geheel of gedeeltelijk samenvoegen en die bepaalde soorten goederen en diensten, voornamelijk huisvesting en voedsel, gezamenlijk verbruiken. Hier kan nog het criterium van het bestaan van familie- of emotionele banden aan worden toegevoegd.

De voornaamste middelen van deze eenheden zijn afkomstig uit beloning van werknemers, inkomen uit vermogen, inkomensoverdrachten van andere sectoren, opbrengsten uit de verkoop van marktprodukten of de toegerekende opbrengsten uit de output voor eigen consumptie.

2.76. De sector huishoudens omvat:

a) personen of groepen van personen met consumptie als hoofdfunctie;

b) personen die permanent in instellingen wonen en die weinig of geen bevoegdheid hebben zelfstandig op te treden of beslissingen te nemen in economische aangelegenheden (b.v. leden van religieuze orden die in kloosters wonen, chronisch zieken in ziekenhuizen, langgestraften in gevangenissen, permanente bewoners van verzorgingstehuizen). Deze personen worden samen als één institutionele eenheid, d.w.z. als één huishouden, beschouwd;

c) personen of groepen van personen met consumptie als hoofdfunctie, die uitsluitend voor eigen finaal gebruik goederen en niet-financiële diensten voortbrengen; in het systeem zijn slechts twee categorieën diensten voor eigen consumptie inbegrepen: woondiensten door bewoners van een eigen huis en huishoudelijke diensten door betaald huishoudelijk personeel;

d) eenmanszaken en personenvennootschappen zonder rechtspersoonlijkheid - voor zover zij niet als quasi-vennootschappen worden behandeld - en die tot de marktproducenten behoren;

e) instellingen zonder winstoogmerk ten behoeve van huishoudens, die geen rechtspersoonlijkheid bezitten, of die wel rechtspersoonlijkheid bezitten, maar van geringe betekenis zijn (zie punt 2.88).

2.77. De sector huishoudens is onderverdeeld in zes subsectoren:

a) Huishoudens met inkomen uit zelfstandige bedrijfsuitoefening (S.141 + S.142)

b) Huishoudens met looninkomen (S.143)

c) Huishoudens met inkomen uit vermogen (S.1441)

d) Huishoudens met pensioeninkomen (S.1442)

e) Huishoudens met overige inkomensoverdrachten (S.1443)

f) Overige (S.145)

2.78. Bij de indeling van de huishoudens in subsectoren wordt uitgegaan van de voornaamste inkomensbron (inkomen uit zelfstandige bedrijfsuitoefening, beloning van werknemers enz.) van het huishouden in zijn geheel. Indien door een huishouden meer dan een inkomen van dezelfde categorie wordt ontvangen, moet bij de indeling rekening worden gehouden met het totale inkomen van het huishouden in elk der categorieën.

Subsector huishoudens met inkomen uit zelfstandige bedrijfsuitoefening (S.141 en 142)

2.79. Definitie: De subsector huishoudens met inkomen uit zelfstandige bedrijfsuitoefening omvat de huishoudens waarvoor het (gemengd) inkomen (B.3) dat de eigenaars van tot het huishouden behorende ondernemingen zonder rechtspersoonlijkheid uit hun activiteit als producent van marktgoederen en -diensten (al dan niet met betaalde werknemers) ontvangen, de voornaamste bron van inkomsten voor het huishouden in zijn geheel is, zelfs al is dat niet altijd meer dan de helft van het totale inkomen van het huishouden.

Subsector huishoudens met looninkomen (S.143)

2.80. Definitie: De subsector huishoudens met looninkomen omvat de huishoudens waarvoor het inkomen uit de beloning van werknemers (D.1) de voornaamste bron van inkomsten voor het huishouden in zijn geheel is.

Subsector huishoudens met inkomen uit vermogen (S.1441)

2.81. Definitie: De subsector huishoudens met inkomen uit vermogen omvat de huishoudens waarvoor het inkomen uit vermogen (D.4) de voornaamste bron van inkomsten voor het huishouden in zijn geheel is.

Subsector huishoudens met pensioeninkomen (S.1442)

2.82. Definitie: De subsector huishoudens met pensioeninkomen omvat de huishoudens waarvoor het inkomen uit pensioenen de voornaamste bron van inkomsten voor het huishouden in zijn geheel is.

Huishoudens met pensioeninkomen zijn huishoudens waarvan het grootste gedeelte van het inkomen bestaat uit ouderdoms- of andere pensioenen, inclusief pensioenen van vorige werkgevers.

Subsector huishoudens met overige inkomensoverdrachten (S.1443)

2.83. Definitie: De subsector huishoudens met overige inkomensoverdrachten omvat de huishoudens waarvoor het inkomen uit overige inkomensoverdrachten de voornaamste bron van inkomsten voor het huishouden in zijn geheel is.

Onder overige inkomensoverdrachten worden verstaan alle lopende inkomsten behalve inkomen uit vermogen, pensioenen en inkomen van personen die blijvend in instellingen wonen.

Subsector overige (S.145)

2.84. Definitie: De subsector overige omvat personen die permanent in instellingen wonen.

Personen die permanent in instellingen wonen worden afzonderlijk ingedeeld, omdat het niet zinvol is om deze personen op grond van het inkomenscriterium in een van bovengenoemde subsectoren in te delen.

2.85. Als de voornaamste bron van inkomsten van een huishouden niet beschikbaar is voor de indeling in subsectoren, kan het best worden uitgegaan van het inkomen van de referentiepersoon. De referentiepersoon van een huishouden is gewoonlijk degene met het hoogste inkomen. Als dit niet bekend is, kan de indeling worden gebaseerd op het inkomen van de persoon die verklaart de referentiepersoon te zijn.

2.86. Het kan evenwel wenselijk en noodzakelijk zijn om bij bepaalde analyses of voor beleidsdoeleinden andere criteria toe te passen, bij voorbeeld voor de indeling naar activiteit van huishoudens in hun hoedanigheid van ondernemer: agrarische huishoudens en niet-agrarische huishoudens (nijverheid, diensten).

INSTELLINGEN ZONDER WINSTOOGMERK T.B.V. HUISHOUDENS (S.15)

2.87. Definitie: De sector instellingen zonder winstoogmerk (IZW's) ten behoeve van huishoudens (S.15) omvat IZW's met rechtspersoonlijkheid die werken ten behoeve van huishoudens en die tot de particuliere overige niet-marktproducenten behoren (zie punt 3.32). De voornaamste middelen van deze instellingen zijn, naast ontvangsten uit niet-regelmatige verkopen, afkomstig uit vrijwillige bijdragen, in geld of in natura, van huishoudens in hun hoedanigheid van consument, uit betalingen door de overheid (32) en uit inkomen uit vermogen.

2.88. Indien deze instellingen van geringe betekenis zijn, worden ze niet tot deze sector gerekend en worden hun transacties met die van de huishoudens samengenomen (S.14).

De sector IZW's t.b.v. huishoudens omvat met name de volgende instellingen die niet-marktgoederen en -diensten aan huishoudens leveren:

a) vakbonden, beroepsorganisaties, wetenschappelijke verenigingen, consumentenverenigingen, politieke partijen, kerkgenootschappen en religieuze organisaties (inclusief die welke door de overheid worden gefinancierd maar niet beheerd), sociale, culturele, recreatieve en sportverenigingen;

b) liefdadigheidsinstellingen en hulporganisaties die worden gefinancierd door vrijwillige bijdragen in geld of in natura van andere institutionele eenheden.

Sector S.15 omvat ook liefdadigheidsinstellingen en hulporganisaties ten behoeve van niet-ingezeten eenheden, maar geen instellingen waarvan de leden recht hebben op een van te voren vastgesteld pakket goederen en diensten.

BUITENLAND (S.2)

2.89. Definitie: Het buitenland (S.2) omvat eenheden die niet worden gekenmerkt door hun functie of inkomensbron. Het omvat de niet-ingezeten eenheden (33), voor zover zij transacties plegen met ingezeten institutionele eenheden of andere economische banden hebben met ingezeten eenheden. De rekeningen van het buitenland geven een overzicht van de economische betrekkingen tussen de nationale economie en het buitenland.

2.90. Het buitenland is geen sector waarvoor een volledig rekeningenstelsel moet worden samengesteld, hoewel het buitenland gemakshalve vaak als sector wordt omschreven. Sectoren worden verkregen door opsplitsing van de totale economie in homogene groepen van ingezeten institutionele eenheden die wat hun economisch gedrag, doelstellingen en functies betreft, bepaalde overeenkomsten vertonen. Dit geldt niet voor de sector buitenland: hieronder vallen de transacties en overige mutaties in activa van niet-financiële vennootschappen, financiële instellingen, instellingen zonder winstoogmerk, huishoudens en overheid enerzijds met niet-ingezeten institutionele eenheden anderzijds, alsmede andere economische betrekkingen tussen ingezetenen en niet-ingezetenen, bij voorbeeld vorderingen van ingezetenen op niet-ingezetenen.

2.91. Op de regel dat de rekeningen van de sector buitenland uitsluitend transacties van ingezeten institutionele eenheden met niet-ingezeten eenheden omvatten, gelden de volgende uitzonderingen:

a) door ingezeten eenheden verleende vervoerdiensten (tot de grens van het land van uitvoer) in verband met de invoer van goederen worden in de rekeningen van de sector buitenland geregistreerd als fob-invoer, ook al worden zij door ingezeten eenheden geproduceerd (zie punt 3.144);

b) transacties in buitenlandse activa tussen ingezetenen die tot verschillende sectoren behoren, worden opgenomen in de gedetailleerde financiële rekeningen van de sector buitenland, omdat deze transacties, hoewel zij de financiële positie van het land ten opzichte van het buitenland niet beïnvloeden, leiden tot wijzigingen in de financiële verhoudingen van de afzonderlijke sectoren met het buitenland;

c) transacties met betrekking tot de schulden van het land tussen niet-ingezetenen die tot verschillende geografische gebieden behoren, worden opgenomen bij de geografische opsplitsing van de rekening van het buitenland; hoewel deze transacties de totale schuld van het land aan het buitenland niet wijzigen, leiden zij toch tot een wijziging in de schuldpositie ten opzichte van de verschillende delen van de wereld.

2.92. De sector buitenland (S.2) wordt onderverdeeld in:

a) Europese Unie (S.21):

(1) Lid-Staten van de EU (S.211);

(2) Instellingen van de EU (S.212);

b) Derde landen en internationale organisaties (S.22).

SECTORINDELING VAN GANGBARE VORMEN VAN PRODUKTIE-EENHEDEN

2.93. Het volgende overzicht en de punten 2.94-2.101 vatten de beginselen van de sectorindeling van de produktie-eenheden samen, waarbij wordt uitgegaan van de gangbare benamingen van de voornaamste soorten instellingen.

2.94. Besloten en naamloze vennootschappen die marktproducent zijn, worden als volgt ingedeeld:

a) indien de hoofdfunctie bestaat uit de produktie van goederen en niet-financiële diensten: sector S.11, niet-financiële vennootschappen (zie punt 2.23a);

b) indien de hoofdfunctie bestaat uit financiële intermediatie en het verlenen van financiële hulpdiensten: sector S.12, financiële instellingen (zie de punten 2.40a en 2.40f).

2.95. Cooeperaties en personenvennootschappen met eigen rechtspersoonlijkheid die marktproducent zijn, worden als volgt ingedeeld:

a) indien de hoofdfunctie bestaat uit de produktie van goederen en niet-financiële diensten: sector S.11, niet-financiële vennootschappen (zie punt 2.23b);

b) indien de hoofdfunctie bestaat uit financiële intermediatie en het verlenen van financiële hulpdiensten: sector S.12, financiële instellingen (zie punt 2.40b).

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

2.96. Overheidsproducenten met een bijzonder statuut dat hun rechtspersoonlijkheid verleent, die marktproducent zijn, worden als volgt ingedeeld:

a) indien de hoofdfunctie bestaat uit de produktie van goederen en niet-financiële diensten: sector S.11, niet-financiële vennootschappen (zie punt 2.23c);

b) indien de hoofdfunctie bestaat uit financiële intermediatie en het verlenen van financiële hulpdiensten: sector S.12, financiële instellingen (zie punt 2.40c).

2.97. Overheidsproducenten zonder rechtspersoonlijkheid die marktproducent zijn, worden als volgt ingedeeld:

a) als zij quasi-vennootschap zijn (zie punt 2.13f):

(1) indien de hoofdfunctie bestaat uit de produktie van goederen en niet-financiële diensten: sector S.11, niet-financiële vennootschappen (zie punt 2.24);

(2) indien de hoofdfunctie bestaat uit financiële intermediatie en het verlenen van financiële hulpdiensten: sector S.12, financiële instellingen (zie punt 2.40f);

b) als zij geen quasi-vennootschap zijn: sector S.13, overheid, waar zij dan deel blijven uitmaken van de eenheden die hen beheren (zie punt 2.69a).

2.98. Instellingen zonder winstoogmerk (verenigingen, stichtingen) met eigen rechtspersoonlijkheid worden als volgt ingedeeld:

a) indien zij marktproducent zijn en de hoofdfunctie bestaat uit de produktie van goederen en niet-financiële diensten: sector S.11, niet-financiële vennootschappen (zie punt 2.23d);

b) indien de hoofdfunctie bestaat uit financiële intermediatie en het verlenen van financiële hulpdiensten: sector S.12, financiële instellingen (zie punt 2.37d);

c) indien zij geen marktproducent zijn:

(1) sector S.13, overheid, indien zij overheidsproducent zijn en onder toezicht staan van en voornamelijk gefinancierd worden door de overheid (zie punt 2.69b);

(2) sector S.15, instellingen zonder winstoogmerk t.b.v. huishoudens, indien zij particulier producent zijn (zie punt 2.87).

2.99. Eenmanszaken en personenvennootschappen zonder eigen rechtspersoonlijkheid die marktproducent zijn, worden als volgt ingedeeld:

a) als zij quasi-vennootschap zijn (zie punt 213.f):

(1) indien de hoofdfunctie bestaat uit de produktie van goederen en niet-financiële diensten: sector S.11, niet-financiële vennootschappen (zie punt 2.23f);

(2) indien de hoofdfunctie bestaat uit financiële intermediatie en het verlenen van financiële hulpdiensten: sector S.12, financiële instellingen (zie punt 2.40f).

b) als zij geen quasi-vennootschap zijn: sector S.14, huishoudens (zie punt 2.75).

2.100. Holdings (d.w.z. ondernemingen die zeggenschap hebben over een groep ondernemingen) worden als volgt ingedeeld:

a) indien de hoofdfunctie van de groep ondernemingen die marktproducent zijn, in haar geheel bestaat uit de produktie van goederen en niet-financiële diensten: sector S.11, niet-financiële vennootschappen (zie punt 2.23e);

b) indien de hoofdfunctie van de groep ondernemingen in haar geheel bestaat uit financiële intermediatie en/of het verlenen van financiële hulpdiensten: sector S.12, financiële instellingen (zie punt 2.40e).

2.101. Tabel 2.3 geeft een schematisch overzicht van de verschillende gevallen die hierboven zijn opgesomd.

EENHEDEN VAN ECONOMISCHE ACTIVITEIT OP LOKAAL NIVEAU EN BEDRIJFSTAKKEN

2.102. In de praktijk oefenen de meeste institutionele eenheden die goederen en diensten produceren, meerdere activiteiten tegelijkertijd uit. Zij kunnen naast een hoofdactiviteit ook enkele nevenactiviteiten en hulpactiviteiten (zie de punten 3.10-3.13) uitoefenen.

2.103. Een activiteit is het gecombineerd gebruik van middelen (kapitaalgoederen, arbeid, fabricageprocédés, informatienetwerken, produkten) om bepaalde goederen of diensten voort te brengen. Een activiteit wordt gekenmerkt door een input van produkten (goederen of diensten), een produktieproces en een output van produkten.

De activiteiten kunnen worden bepaald aan de hand van een specifiek niveau van de NACE Rev.1 (34).

2.104. Indien binnen een eenheid verschillende activiteiten worden uitgeoefend, worden deze - voor zover het niet om hulpactiviteiten gaat - gerangschikt naar de omvang van de bruto toegevoegde waarde die zij genereren. Op basis van deze rangschikking wordt dan een onderscheid gemaakt tussen hoofdactiviteit en nevenactiviteiten. Voor hulpactiviteiten worden geen afzonderlijke eenheden onderscheiden. Zij worden niet los gezien van de hoofdactiviteit of nevenactiviteiten die zij ondersteunen.

2.105. Voor een analyse van de stromen die zich voordoen bij het produktieproces en bij het gebruik van goederen en diensten, moeten eenheden worden gekozen die de technisch-economische relaties belichten. Dit betekent dat het doorgaans noodzakelijk is institutionele eenheden te splitsen in kleinere eenheden, die naar aard van de produktie homogener zijn. Eenheden van economische activiteit op lokaal niveau zijn bedoeld om hieraan tegemoet te komen als een eerste pragmatische benadering.

DE EENHEID VAN ECONOMISCHE ACTIVITEIT OP LOKAAL NIVEAU

2.106. Definitie: De eenheid van economische activiteit op lokaal niveau (lokale EEA) is het deel van een EEA dat aansluiting heeft op een lokale eenheid (35). Tot een EEA behoren alle delen van een institutionele eenheid in haar hoedanigheid van producent, die bijdragen tot de uitoefening van een activiteit op vier-digitniveau (klassen) van de NACE Rev.1. Zij valt samen met een of meer operationele onderdelen van de institutionele eenheid. Van de lokale EEA's moeten ten minste de volgende gegevens kunnen worden gegeven of geraamd: produktiewaarde, intermediair verbruik, beloning van werknemers, exploitatieoverschot, werkzame personen en bruto-investeringen in vaste activa.

De lokale eenheid is een goederen en diensten producerende institutionele eenheid of een deel daarvan, gelegen op een geografisch bepaalde plaats.

Een lokale EEA kan overeenkomen met een institutionele eenheid in haar hoedanigheid van producent of met een gedeelte daarvan; zij kan daarentegen nooit tot twee verschillende institutionele eenheden behoren.

2.107. Indien een goederen en diensten producerende institutionele eenheid een hoofdactiviteit en een of meer nevenactiviteiten uitoefent, dient zij in even zo vele EEA's te worden onderverdeeld, en wel zodanig dat de nevenactiviteiten onderscheiden worden van de hoofdactiviteit. Hulpactiviteiten worden daarentegen niet van de hoofdactiviteit of de nevenactiviteiten afgesplitst. EEA's die bij een bepaalde activiteit zijn ingedeeld, kunnen evenwel ook produkten voortbrengen die niet tot de betrokken homogene produktgroep behoren, maar voortvloeien uit nevenactiviteiten waarover uit de beschikbare boekhoudkundige bescheiden geen afzonderlijke gegevens kunnen worden afgeleid. Een EEA kan dus een of meer nevenactiviteiten uitvoeren.

DE BEDRIJFSTAK

2.108. Definitie: Een bedrijfstak bestaat uit een groep lokale EEA's die dezelfde of overeenkomstige activiteiten uitoefenen. Op het meest gedetailleerde niveau bestaat een bedrijfstak uit alle lokale EEA's die tot hetzelfde vier-digitniveau (klasse) van de NACE Rev.1 behoren en die derhalve dezelfde activiteit, zoals omschreven in de NACE Rev.1, uitoefenen.

Bedrijfstakken omvatten zowel lokale EEA's die marktgoederen en -diensten voortbrengen als lokale EEA's die niet-marktprodukten voortbrengen. Een bedrijfstak bestaat per definitie uit een groep lokale EEA's die dezelfde produktieactiviteit uitoefenen, ongeacht of de institutionele eenheden waartoe zij behoren markt- of niet-marktoutput voortbrengen.

2.109. Bedrijfstakken kunnen in drie categorieën worden onderverdeeld:

a) bedrijfstakken die marktgoederen en -diensten (marktbedrijfstakken) en goederen en diensten voor eigen finaal gebruik produceren (36);

b) bedrijfstakken die niet-marktgoederen en -diensten van de overheid produceren: niet-marktbedrijfstakken van de overheid;

c) bedrijfstakken die niet-marktgoederen en -diensten van instellingen zonder winstoogmerk t.b.v. huishoudens produceren: niet-marktbedrijfstakken van IZW's t.b.v. huishoudens.

INDELING VAN BEDRIJFSTAKKEN

2.110. De indeling van lokale EEA's in bedrijfstakken geschiedt op basis van de NACE Rev.1.

HOMOGENE-PRODUKTIE-EENHEDEN EN HOMOGENE BRANCHES

2.111. De lokale EEA voldoet slechts ten dele aan de eisen voor een analyse van het produktieproces (zie de punten 2.105 en 2.107). Voor een dergelijke analyse, d.w.z. input-outputanalyse, is de homogene-produktie-eenheid het meest geschikt.

HOMOGENE-PRODUKTIE-EENHEID

2.112. Definitie: De homogene-produktie-eenheid oefent een enkele activiteit uit, die wordt gekenmerkt door de input, een specifiek produktieproces en de output. De verbruikte en voortgebrachte produkten worden ingedeeld op grond van hun fysieke eigenschappen, de mate van bewerking en de toegepaste produktietechniek met behulp van een classificatie van produkten (zie punt 2.118).

2.113. Indien een goederen en diensten producerende institutionele eenheid een hoofdactiviteit en een of meer nevenactiviteiten uitoefent, wordt zij in even zo vele homogene-produktie-eenheden onderverdeeld. Hulpactiviteiten worden niet van de hoofdactiviteit of nevenactiviteiten gescheiden. Evenals de lokale EEA kan ook de homogene-produktie-eenheid bestaan uit een gehele institutionele eenheid of een deel daarvan en kan zij nooit tot twee verschillende institutionele eenheden behoren.

HOMOGENE BRANCHE

2.114. Definitie: De homogene branche bestaat uit een groep homogene-produktie-eenheden. Het geheel van activiteiten uitgeoefend door een homogene branche, wordt beschreven aan de hand van een classificatie van produkten. De homogene branche produceert uitsluitend de in de classificatie omschreven goederen en diensten.

2.115. Homogene branches zijn eenheden bestemd voor economische analyse. Omdat de homogene-produktie-eenheden in het algemeen niet direct kunnen worden waargenomen, moeten gegevens die tijdens statistische enquêtes door de eenheden worden verstrekt, worden herschikt om homogene branches samen te stellen.

2.116. Homogene branches kunnen in drie categorieën worden onderverdeeld:

a) homogene branches die marktgoederen en -diensten (marktbranches) en goederen en diensten voor eigen finaal gebruik produceren (37);

b) homogene branches die niet-marktgoederen en -diensten van de overheid produceren: niet-marktbranches van de overheid;

c) homogene branches die niet-marktgoederen en -diensten van instellingen zonder winstoogmerk t.b.v. huishoudens produceren: niet-marktbranches van IZW's t.b.v. huishoudens.

2.117. De in 2.116a bedoelde homogene branches omvatten alle homogene-produktie-eenheden van alle institutionele sectoren, die uitsluitend marktgoederen en -diensten en goederen en diensten voor eigen finaal gebruik produceren. Elke produktie van goederen en diensten voor de markt binnen de sector overheid en de sector instellingen zonder winstoogmerk (met inbegrip van die welke voor henzelf is bestemd) wordt behandeld als homogene-produktie-eenheid en bij een passende marktbranche ingedeeld.

De in 2.116b bedoelde homogene branches omvatten alle homogene-produktie-eenheden in de sector overheid die niet-marktgoederen en -diensten produceren.

De in 2.116c bedoelde homogene branches omvatten alle homogene-produktie-eenheden in de sector instellingen zonder winstoogmerk t.b.v. huishoudens die niet-marktgoederen en -diensten produceren.

CLASSIFICATIE VAN HOMOGENE BRANCHES

2.118. De classificatie van homogene branches die in de input-outputtabellen wordt gebruikt, is gebaseerd op de classificatie van produkten, gekoppeld aan de economische activiteiten (CPA) (38). De CPA is een classificatie van produkten gebaseerd op de industriële oorsprong, zoals gedefinieerd in de NACE Rev.1.

HOOFDSTUK 3

TRANSACTIES IN PRODUKTEN

3.01. Definitie: Produkten zijn alle goederen en diensten die worden voortgebracht binnen de produktiegrens gedefinieerd in punt 3.07.

3.02. Het ESR onderscheidt onderstaande hoofdcategorieën van transacties in produkten:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

3.03. De transacties in produkten worden op de volgende rekeningen geregistreerd:

a) op de goederen- en dienstenrekening worden de output en de invoer onder de middelen en de overige transacties in produkten onder de bestedingen geregistreerd;

b) op de produktierekening wordt de output onder de middelen en het intermediair verbruik onder de bestedingen geregistreerd;

c) op de rekening voor besteding van het beschikbaar inkomen worden de consumptieve bestedingen onder de bestedingen geregistreerd;

d) op de rekening voor besteding van het alternatief beschikbaar inkomen wordt de werkelijke consumptie onder de bestedingen geregistreerd;

e) op de kapitaalrekening worden de bruto-investeringen onder de bestedingen (mutatie in de activa) geregistreerd;

f) op de rekening voor goederen- en dienstentransacties van het buitenland wordt de invoer van goederen en diensten onder de middelen en de uitvoer van goederen en diensten onder de bestedingen geregistreerd.

3.04. In de aanbodtabel worden de output en de invoer als aanbod geregistreerd. In de gebruikstabel worden het intermediair verbruik, de bruto-investeringen, de consumptieve bestedingen en de uitvoer als gebruik geregistreerd. In de input-outputtabel worden de output en de invoer als aanbod geregistreerd en de andere transacties in produkten als gebruik.

3.05. Het aanbod van produkten wordt tegen basisprijzen (gedefinieerd in punt 3.38) gewaardeerd en het gebruik tegen aankoopprijzen (aankoopprijzen worden gedefinieerd in punt 3.06). Voor sommige soorten aanbod en gebruik worden speciale waarderingsregels gehanteerd, bij voorbeeld voor de invoer en de uitvoer van goederen.

3.06. Definitie: Op het moment van aankoop is de aankoopprijs de prijs die de koper werkelijk voor de produkten betaalt, inclusief een eventueel saldo van produktgebonden belastingen en subsidies (maar exclusief aftrekbare produktgebonden belastingen als de BTW), inclusief eventuele vervoerkosten die door de koper apart worden betaald voor levering op een bepaalde plaats en tijd, na aftrek van eventuele kortingen op de normale prijzen of kosten bij aankopen in het groot of buiten een piekperiode, exclusief rente of vergoedingen voor verleende diensten in verband met een kredietregeling, en exclusief eventuele extra kosten in verband met wanbetaling.

Indien het moment van gebruik niet samenvalt met het moment van aankoop, moeten correcties worden aangebracht om rekening te houden met tussentijdse prijsveranderingen (op soortgelijke wijze als bij veranderingen in de prijzen van voorraden). Dergelijke correcties zijn bijzonder belangrijk indien de prijzen van de betrokken produkten binnen een jaar sterk fluctueren.

PRODUKTIE EN OUTPUT

3.07. Definitie: Produktie is een activiteit die wordt uitgeoefend onder beheer en verantwoordelijkheid van een institutionele eenheid die arbeid, kapitaal en goederen en diensten als input gebruikt voor de voortbrenging van goederen en diensten. Zuiver natuurlijke processen waarbij de mens niet is betrokken of waaraan hij geen richting geeft, zoals de ongecontroleerde toename van de visstand in internationale wateren (in tegenstelling tot het kweken van vis) vallen niet onder de produktie.

3.08. Produktie omvat:

a) de voortbrenging van alle individuele of collectieve goederen en diensten die aan andere eenheden dan de producent zelf worden geleverd (of waarvoor dit de bedoeling is);

b) de voortbrenging in eigen beheer van alle goederen voor eigen consumptie of voor bruto-investeringen in vaste activa van de producent zelf. Dit laatste omvat het produceren van vaste activa in de vorm van bouwactiviteiten, de ontwikkeling van computerprogrammatuur en de exploratie van minerale reserves ten behoeve van de eigen bruto-investeringen in vaste activa (zie voor het begrip bruto-investeringen in vaste activa de punten 3.100-3.127).

Het in eigen beheer voortbrengen van goederen door huishoudens is in het algemeen relevant voor:

(1) het in eigen beheer bouwen van woningen;

(2) het produceren en opslaan van landbouwprodukten;

(3) het verwerken van landbouwprodukten zoals het produceren van meel door graan te malen, het conserveren van fruit door dit te drogen of in te maken, het produceren van zuivelprodukten als boter en kaas en het produceren van bier, wijn en gedistilleerde dranken;

(4) het produceren van andere basisprodukten zoals het winnen van zout of water en het steken van turf;

(5) andere activiteiten als weven, pottenbakken en het maken van meubelen.

Het in eigen beheer voortbrengen van een goed door huishoudens wordt alleen geregistreerd indien de produktie significant is, d.w.z. indien de geproduceerde hoeveelheid een groot aandeel uitmaakt van het totale aanbod in een land.

Volgens afspraak worden in het ESR alleen het in eigen beheer bouwen van woningen en het produceren, opslaan en verwerken van landbouwprodukten in aanmerking genomen; alle andere produktie van huishoudens in eigen beheer wordt geacht niet-significant te zijn voor landen binnen de Europese Unie;

c) het produceren van woondiensten door bewoners van een eigen huis;

d) huishoudelijke en persoonlijke diensten die worden geproduceerd door het in dienst hebben van betaald huishoudelijk personeel;

e) vrijwilligerswerk waarbij goederen worden voortgebracht, bij voorbeeld het bouwen van een woning, een kerk of een ander bouwwerk, moet als produktie worden geregistreerd. Vrijwilligerswerk waarbij geen goederen worden voortgebracht, bij voorbeeld oppassen en schoonmaken zonder betaling, blijft buiten beschouwing.

Dergelijke activiteiten worden ook in aanmerking genomen indien ze illegaal plaatsvinden of wanneer ze niet geregistreerd zijn bij de belastingdienst, de sociale-verzekeringsinstellingen, de statistische dienst of bij andere overheidsinstellingen.

3.09. Het voortbrengen van huishoudelijke en persoonlijke diensten die binnen hetzelfde huishouden worden geproduceerd en verbruikt (uitgezonderd het werk van betaald huishoudelijk personeel en de woondiensten door bewoners van een eigen huis) wordt niet als produktie beschouwd. In dit verband kunnen worden genoemd:

a) reiniging, decoratie en onderhoud van de woning, voor zover deze activiteiten gewoonlijk ook door huurders worden verricht;

b) reiniging, onderhoud en reparatie van duurzame consumptiegoederen;

c) bereiden en opdienen van maaltijden;

d) verzorgen en opvoeden van kinderen;

e) verzorgen van zieken, gebrekkigen en bejaarden;

f) vervoer van leden van het huishouden of van hun goederen.

HOOFD-, NEVEN- EN HULPACTIVITEITEN

3.10. Definitie: De hoofdactiviteit van een lokale EEA is de activiteit waarvan de toegevoegde waarde groter is dan die van enige andere binnen dezelfde eenheid uitgeoefende activiteit. De hoofdactiviteit wordt geclassificeerd aan de hand van de NACE Rev.1, eerst op het hoogste classificatieniveau en vervolgens op meer gedetailleerde niveaus.

3.11. Definitie: Een nevenactiviteit is een activiteit die binnen een zelfde lokale EEA naast de hoofdactiviteit wordt uitgeoefend. De output van een nevenactiviteit is een nevenprodukt.

3.12. Definitie: De output van een hulpactiviteit is niet bestemd voor gebruik buiten de onderneming. Een hulpactiviteit is een ondersteunende activiteit die binnen een onderneming wordt uitgeoefend om de voorwaarden te scheppen waaronder de hoofd- of nevenactiviteiten van een lokale EEA kunnen worden uitgeoefend. Kenmerkend voor de output van hulpactiviteiten is dat deze gewoonlijk wordt gebruikt als input bij nagenoeg alle soorten van produktieve activiteiten, zowel kleine als grote.

Tot de hulpactiviteiten behoren bij voorbeeld diensten als inkoop, verkoop, marketing, boekhouding, gegevensverwerking, vervoer, opslag, onderhoud, reiniging en beveiliging. Ondernemingen hebben soms de keus uit het zelf uitvoeren van een hulpactiviteit en het kopen van dergelijke diensten van gespecialiseerde producenten.

De produktie van goederen ten behoeve van eigen investeringen wordt niet als hulpactiviteit aangemerkt.

3.13. Hulpactiviteiten worden geacht onlosmakelijk te zijn verbonden met de hoofd- of nevenactiviteiten die zij ondersteunen. Dientengevolge:

a) wordt de output van een hulpactiviteit niet expliciet geïdentificeerd en niet afzonderlijk geregistreerd. Hieruit vloeit voort dat ook het gebruik van deze output niet wordt geregistreerd;

b) worden alle door een hulpactiviteit verbruikte inputcategorieën - grondstoffen, arbeid, verbruik van vaste activa enz. - behandeld als inputs voor de hoofd- of nevenactiviteit die door de hulpactiviteit wordt ondersteund.

OUTPUT (P.1)

3.14. Definitie: De output bestaat uit de produkten die tijdens de verslagperiode zijn voortgebracht.

Bijzondere gevallen hierbij zijn:

a) goederen en diensten die door de ene lokale eenheid van economische activiteit (EEA) worden geleverd aan een andere lokale EEA die tot dezelfde institutionele eenheid behoort;

b) goederen die door een lokale EEA worden geproduceerd en aan het eind van de periode waarin zij zijn geproduceerd, in voorraad blijven, ongeacht het latere gebruik.

Goederen en diensten die in een zelfde verslagperiode en binnen een zelfde lokale EEA worden geproduceerd en verbruikt, worden niet afzonderlijk waargenomen. Ze worden dan ook niet geregistreerd als deel van de output of van het intermediair verbruik van die lokale EEA.

3.15. Wanneer een institutionele eenheid uit meer dan een lokale EEA bestaat, is de output van de institutionele eenheid de totale output van de lokale EEA's waaruit zij bestaat, met inbegrip van hun onderlinge leveringen.

3.16. Het ESR kent drie soorten output:

a) marktoutput (P.11);

b) output voor eigen finaal gebruik (P.12);

c) overige niet-marktoutput (P.13).

Dit onderscheid wordt ook gemaakt bij lokale EEA's en institutionele eenheden:

a) marktproducenten;

b) producenten voor eigen finaal gebruik;

c) overige niet-marktproducenten.

Het onderscheid tussen de drie begrippen "markt", "voor eigen finaal gebruik" en "overige niet-markt" is van fundamenteel belang, want hierdoor wordt bepaald welke waarderingsregels op de output van toepassing zijn: marktoutput, output voor eigen finaal gebruik en totale output van marktproducenten en producenten voor eigen finaal gebruik worden gewaardeerd tegen basisprijzen, terwijl de totale output van overige niet-marktproducenten (lokale EEA's) tegen de kostprijs wordt gewaardeerd. De totale output van een institutionele eenheid wordt gewaardeerd als de som van de totale output van haar lokale EEA's en hangt dus ook af van het onderscheid tussen "markt", "voor eigen finaal gebruik" en "overige niet-markt" (zie de punten 3.54-3.56). Verder wordt het onderscheid ook gebruikt om de institutionele eenheden naar sector in te delen (zie de punten 3.27-3.37).

Het onderscheid wordt "top-down" gemaakt, d.w.z. eerst op het niveau van de institutionele eenheden, vervolgens op dat van de lokale EEA's en ten slotte op dat van hun output. De exacte betekenis van het onderscheid op produktieniveau (m.a.w. de definitie van de begrippen marktoutput, output voor eigen finaal gebruik en de overige niet-marktoutput) is daarom alleen begrijpelijk wanneer ook wordt gekeken naar de kenmerken van de institutionele eenheid en de lokale EEA die de output voortbrengen.

Na de algemene definitie van de drie soorten output en de drie typen producenten (zie de punten 3.17-3.26) wordt het onderscheid tussen "markt", "voor eigen finaal gebruik" en "overige niet-markt" behandeld voor respectievelijk institutionele eenheden, lokale EEA's en output ("top-down").

3.17. Definitie: De marktoutput bestaat uit de output die op de markt wordt afgezet (zie punt 3.18) of waarvoor dit de bedoeling is.

3.18. De marktoutput omvat:

a) produkten die tegen een economisch significante prijs worden verkocht;

b) produkten die worden geruild;

c) produkten die worden gebruikt voor betalingen in natura (incl. beloning van werknemers in natura en gemengd inkomen in natura);

d) produkten die door de ene lokale EEA worden geleverd aan een andere lokale EEA binnen dezelfde institutionele eenheid om door deze te worden gebruikt als intermediaire input of voor finaal gebruik;

e) aan de voorraad gereed produkt en onderhanden werk toegevoegde produkten die zijn bestemd voor een van bovengenoemde vormen van gebruik (inclusief de natuurlijke groei van dieren en gewassen en onvoltooide bouwwerken waarvan de koper nog onbekend is).

3.19. Definitie: In het ESR wordt de economisch significante prijs gedeeltelijk gedefinieerd in relatie tot de institutionele eenheid en de lokale EEA die de output hebben voortgebracht (zie de punten 3.27-3.40). Zo wordt volgens afspraak de gehele output van ondernemingen zonder rechtspersoonlijkheid in eigendom van huishoudens, die aan andere institutionele eenheden wordt verkocht, geacht tegen een economisch significante prijs te worden verkocht, en daarom als marktoutput beschouwd. De output van bepaalde andere institutionele eenheden wordt uitsluitend tegen een economisch significante prijs verkocht wanneer ten minste 50 % van de produktiekosten door de verkoop wordt gedekt.

3.20. Definitie: De output voor eigen finaal gebruik bestaat uit goederen en diensten voor consumptie of voor bruto-investeringen in vaste activa door dezelfde institutionele eenheid als die welke de betreffende goederen en diensten heeft geproduceerd.

3.21. Produkten voor eigen consumptie kunnen alleen door de sector huishoudens worden geproduceerd. Typische voorbeelden zijn:

a) landbouwprodukten die door de landbouwers zelf worden gebruikt;

b) woondiensten die door de bewoners van een eigen huis worden geproduceerd;

c) huishoudelijke diensten die worden geproduceerd door het in dienst hebben van betaald huishoudelijk personeel.

3.22. Produkten die worden gebruikt voor de eigen bruto-investeringen in vaste activa, kunnen door alle sectoren worden geproduceerd. Voorbeelden zijn:

a) speciale gereedschapswerktuigen die door technische ondernemingen worden geproduceerd;

b) woningen, of uitbreidingen van woningen, die door huishoudens worden geproduceerd;

c) in eigen beheer geproduceerde bouwwerken, ook indien deze door groepen huishoudens gezamenlijk worden geproduceerd.

3.23. Definitie: De overige niet-marktoutput betreft output die gratis of tegen economisch niet-significante prijzen wordt geleverd aan andere eenheden.

3.24. Definitie: Marktproducenten zijn lokale EEA's of institutionele eenheden waarvan het grootste deel van de output marktoutput betreft.

Opgemerkt zij dat wanneer een lokale EEA of een institutionele eenheid marktproducent is, de output van zijn hoofdactiviteit per definitie marktoutput is aangezien het begrip marktoutput gedefinieerd is nadat het onderscheid tussen "markt", "voor eigen finaal gebruik" en "overige niet-markt" is toegepast op de lokale EEA en de institutionele eenheid die de output hebben voortgebracht.

3.25. Definitie: Producenten voor eigen finaal gebruik zijn lokale EEA's of institutionele eenheden die het grootste deel van de output voor eigen finaal gebruik binnen dezelfde institutionele eenheid aanwenden.

3.26. Definitie: Overige niet-marktproducenten zijn lokale EEA's of institutionele eenheden die het grootste deel van de output gratis of tegen economisch niet-significante prijzen leveren.

Institutionele eenheden: onderscheid tussen "markt", "voor eigen finaal gebruik" en "overige niet-markt"

3.27. Voor institutionele eenheden in hun hoedanigheid van producent geeft tabel 3.1 een overzicht van het onderscheid tussen "markt", "voor eigen finaal gebruik" en "overige niet-markt". Ook wordt aangegeven wat de gevolgen voor de indeling naar sector zijn.

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

Uit de tabel blijkt dat er om te bepalen of een institutionele eenheid als marktproducent, als producent voor eigen finaal gebruik of als overige niet-marktproducent moet worden ingedeeld, diverse criteria na elkaar moeten worden toegepast.

3.28. Het eerste onderscheid is dat tussen particuliere en overheidsproducenten. Overheidsproducenten staan onder toezicht van de overheid. In het geval van een IZW is er sprake van een overheidsproducent indien de IZW onder toezicht staat van en hoofdzakelijk wordt gefinancierd door de overheid. Bij alle andere producenten gaat het om particuliere producenten. Toezicht (zeggenschap) wordt gedefinieerd als de mogelijkheid het algemene (ondernemings)beleid of het programma van een institutionele eenheid te bepalen, zo nodig door hiervoor geschikte directieleden of managers te benoemen. Het bezit van meer dan de helft van de aandelen van een onderneming is een toereikende, doch niet noodzakelijke, voorwaarde voor zeggenschap (zie ook punt 2.26).

3.29. Tabel 3.1 laat zien dat in alle sectoren behalve de sector overheid particuliere producenten voorkomen. Overheidsproducenten komen daarentegen alleen voor in de sector vennootschappen (niet-financiële vennootschappen en financiële instellingen) en in de sector overheid.

3.30. Een speciale categorie particuliere producenten wordt gevormd door de ondernemingen zonder rechtspersoonlijkheid die eigendom zijn van huishoudens. Dit zijn altijd marktproducenten of producenten voor eigen finaal gebruik. In het laatste geval gaat het om de produktie van woondiensten door bewoners van een eigen huis en om de produktie van goederen in eigen beheer. Alle ondernemingen zonder rechtspersoonlijkheid die eigendom zijn van huishoudens worden ingedeeld bij de sector huishoudens. Er moet alleen een uitzondering worden gemaakt voor de quasi-vennootschappen die eigendom zijn van huishoudens. Hierbij gaat het om marktproducenten die worden ingedeeld bij de sector niet-financiële vennootschappen of financiële instellingen.

3.31. Voor de overige particuliere producenten moet een onderscheid worden gemaakt tussen de particuliere instellingen zonder winstoogmerk en de overige particuliere producenten.

Definitie: Een instelling zonder winstoogmerk (IZW) wordt gedefinieerd als een juridische of sociale eenheid die is opgericht voor de produktie van goederen en diensten, maar die een zodanige status heeft dat het haar niet is toegestaan als bron van inkomen, winst of andere financiële verdiensten te fungeren voor de eenheden die haar hebben opgericht, of die haar beheren of financieren. In de praktijk zullen haar produktieve activiteiten stellig overschotten of tekorten genereren, maar eventuele overschotten kunnen niet aan andere institutionele eenheden worden toegewezen.

Alle particuliere producenten die geen IZW zijn, zijn marktproducent. Zij worden ingedeeld in de sector niet-financiële vennootschappen of financiële instellingen.

3.32. Om te bepalen tot welk type producent en tot welke sector een particuliere IZW behoort, moet een 50 %-criterium worden toegepast:

a) indien meer dan 50 % van de produktiekosten door de verkoop wordt gedekt, is de institutionele eenheid een marktproducent en wordt zij ingedeeld in de sector niet-financiële vennootschappen of financiële instellingen;

b) indien minder dan 50 % van de produktiekosten door de verkoop wordt gedekt, is de institutionele eenheid een overige niet-marktproducent en wordt zij ingedeeld in de sector IZW's ten behoeve van huishoudens. Indien de overige niet-marktproducent evenwel een IZW is die onder toezicht staat van en hoofdzakelijk wordt gefinancierd door de overheid, dan wordt deze ingedeeld in de sector overheid.

3.33. Wanneer markt- en niet-marktproducenten aan de hand van het 50 %-criterium worden onderscheiden, worden de verkopen en de produktiekosten als volgt gedefinieerd:

a) tot de verkopen behoren de verkopen met uitzondering van de produktgebonden belastingen, maar inclusief alle betalingen van de overheid of van de Instellingen van de Europese Unie, die deze toekent aan alle producenten die dezelfde activiteit uitoefenen. Alle betalingen die verband houden met het volume of de waarde van de output, zijn dus inbegrepen, terwijl de betalingen ter dekking van een algemeen tekort buiten beschouwing blijven.

Deze definitie van verkopen is in overeenstemming met die van de output tegen basisprijzen, maar met de volgende uitzonderingen:

(1) de output tegen basisprijzen wordt pas vastgesteld nadat is besloten of het bij de output om markt- of overige niet-marktoutput gaat: de verkopen worden alleen gebruikt voor de waardering van de marktoutput; de overige niet-marktoutput wordt tegen de kostprijs gewaardeerd;

(2) de betalingen van de overheid ter dekking van een algemeen tekort van overheidsondernemingen en quasi-vennootschappen maken deel uit van de overige produktgebonden subsidies, zoals gedefinieerd in punt 4.35c. Bijgevolg omvat de marktoutput tegen basisprijzen ook de betalingen van de overheid ter dekking van een algemeen tekort;

b) de produktiekosten zijn de som van het intermediair verbruik, de beloning van werknemers, het verbruik van vaste activa en de niet-produktgebonden belastingen op produktie. Bij dit criterium worden de niet-produktgebonden subsidies niet afgetrokken. Om de onderlinge consistentie tussen de begrippen verkopen en produktiekosten bij de toepassing van het 50 %-criterium te waarborgen, mogen de kosten in verband met de in eigen beheer geproduceerde investeringen niet in de produktiekosten worden opgenomen.

Bij de toepassing van het 50 %-criterium moet worden gekeken naar de situatie over een aantal jaren: alleen wanneer het criterium al jarenlang hetzelfde resultaat oplevert of wanneer het voor het lopende jaar geldende patroon naar verwachting niet snel zal veranderen, moet het strikt worden toegepast. Geringe fluctuaties in de omvang van de verkopen van het ene jaar op het andere maken een herindeling van de institutionele eenheden (en hun lokale EEA's en output) niet noodzakelijk.

3.34. Verkopen kunnen diverse vormen aannemen, in het geval van de gezondheidszorg door een ziekenhuis bij voorbeeld:

a) aankopen door werkgevers, die moeten worden geregistreerd als aan hun werknemers betaald inkomen in natura en consumptieve bestedingen van deze werknemers;

b) aankopen door particuliere verzekeringsmaatschappijen;

c) aankopen door wettelijke-sociale-verzekeringsinstellingen en de overheid, die moeten worden geregistreerd onder de sociale uitkeringen in natura;

d) aankopen door huishoudens die niet worden vergoed (consumptieve bestedingen).

Alleen niet-produktgebonden subsidies op produktie en giften (b.v. van een charitatieve instelling) worden niet als verkopen behandeld.

Evenzo kan de verkoop van een vervoersdienst door een onderneming bestaan uit intermediair verbruik door producenten, inkomen in natura dat wordt verstrekt door werkgevers, sociale uitkeringen in natura die worden verstrekt door de overheid en aankopen door huishoudens die niet worden vergoed.

3.35. Particuliere instellingen zonder winstoogmerk ten behoeve van bedrijven vormen een geval apart. Gewoonlijk worden zij gefinancierd uit de contributies of lidmaatschapsgelden van de groep betrokken ondernemingen. De lidmaatschapsgelden worden niet als overdracht beschouwd, maar als betaling voor verleende diensten, d.w.z. als verkopen. Deze IZW's zijn dan ook marktproducenten en ze worden ingedeeld in de sector niet-financiële vennootschappen of financiële instellingen.

3.36. Wanneer het 50 %-criterium op de verkopen en de produktiekosten van particuliere IZW's of IZW's in handen van de overheid wordt toegepast, kan het opnemen van alle betalingen in verband met het volume van de output in de verkopen in bepaalde gevallen misleidend zijn. Dit is bij voorbeeld mogelijk bij de financiering van de output van particuliere en openbare scholen: de betaling van de overheid kan gekoppeld zijn aan het aantal leerlingen, terwijl er toch met de overheid over onderhandeld kan worden. In een dergelijk geval behoeven deze betalingen niet als verkopen te worden aangemerkt, hoewel zij expliciet gekoppeld zijn aan het volume van de output (het aantal leerlingen). Dit betekent dat een school die hoofdzakelijk door middel van dergelijke betalingen wordt gefinancierd, een overige niet-marktproducent is. Wanneer de school een overheidsproducent is, d.w.z. wanneer zij onder toezicht staat van en grotendeels wordt gefinancierd door de overheid, moet zij in de sector overheid worden ingedeeld. Wanneer de school een particuliere overige niet-marktproducent is, moet zij daarentegen worden ingedeeld in de sector IZW's ten behoeve van huishoudens.

3.37. Overheidsproducenten kunnen marktproducent of overige niet-marktproducent zijn. Indien op basis van het 50 %-criterium blijkt dat de institutionele eenheid als marktproducent moet worden aangemerkt, wordt zij ingedeeld in de sector financiële instellingen of niet-financiële vennootschappen. Het 50 %-criterium geeft ook aan wanneer een overheidsinstelling moet worden behandeld als quasi-vennootschap in handen van de overheid: alleen wanneer aan het 50 %-criterium wordt voldaan, moet een quasi-vennootschap worden gecreëerd. Indien de institutionele eenheid een overige niet-marktproducent is, wordt zij ingedeeld in de sector overheid. Het onderscheid tussen IZW's en overige producenten is dus irrelevant voor de indeling van overheidsproducenten.

Lokale EEA's en hun output: onderscheid tussen "markt", "voor eigen finaal gebruik" en "overige niet-markt"

3.38. Na het onderscheid tussen "markt", "voor eigen finaal gebruik" en "overige niet-markt" op institutionele eenheden in hun hoedanigheid van producent te hebben toegepast, kan het onderscheid ook worden toegepast op lokale EEA's en hun output. Zie hiervoor tabel 3.2.

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

3.39. Bij institutionele eenheden die tot de marktproducenten behoren, is de belangrijkste lokale EEA uiteraard ook een marktproducent. Secundaire lokale EEA's kunnen marktproducent zijn, maar ook producent voor eigen finaal gebruik. Een secundaire lokale EEA kan volgens afspraak evenwel geen overige niet-marktproducent zijn. Dit heeft tot gevolg dat de (secundaire) lokale EEA's in de sectoren niet-financiële vennootschappen of financiële instellingen allemaal marktproducent of producent voor eigen finaal gebruik zijn.

3.40. Bij institutionele eenheden die tot de overige niet-marktproducenten behoren, zal de belangrijkste lokale EEA ook een overige niet-marktproducent zijn. Secundaire lokale EEA's kunnen marktproducent of overige niet-marktproducent zijn. Dit heeft tot gevolg dat de sectoren overheid en IZW's ten behoeve van huishoudens (secundaire) lokale EEA's kunnen omvatten die marktproducent zijn (hoewel alle institutionele eenheden in deze sectoren tot de overige niet-marktproducenten behoren). Om vast te stellen of een secundaire lokale EEA een marktproducent of een overige niet-marktproducent is, moet het 50 %-criterium worden toepast.

3.41. Na het onderscheid tussen "markt", "voor eigen finaal gebruik" en "overige niet-markt" op institutionele eenheden en hun lokale EEA's te hebben toegepast, kan het onderscheid ook op de output van lokale EEA's worden toegepast. Zie hiervoor tabel 3.3.

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

3.42. Volgens afspraak kunnen lokale EEA's die tot de marktproducenten of tot de producenten voor eigen finaal gebruik behoren, geen overige niet-marktoutput leveren. Hun output kan dus alleen worden opgetekend als marktoutput of als output voor eigen finaal gebruik en moet dienovereenkomstig worden gewaardeerd (zie de punten 3.46-3.52).

3.43. In hun hoedanigheid van overige niet-marktproducent kunnen lokale EEA's als output van hun nevenactiviteit ook marktprodukten en produkten voor eigen finaal gebruik produceren. De output voor eigen finaal gebruik bestaat uit in eigen beheer geproduceerde investeringen. Of er sprake is van marktoutput moet in beginsel worden bepaald door het 50 %-criterium op de afzonderlijke produkten toe te passen: marktoutput is output die tegen ten minste 50 % van de produktiekosten wordt verkocht. Dit is bij voorbeeld het geval wanneer door de overheid gefinancierde ziekenhuizen voor sommige van hun diensten economisch significante prijzen in rekening brengen. Andere voorbeelden zijn de verkoop van reprodukties door staatsmusea en de verkoop van weersverwachtingen door meteorologische instituten.

3.44. In de statistische praktijk kan het echter moeilijk zijn de verschillende produkten van lokale EEA's van overheidsinstellingen en IZW's ten behoeve van huishoudens duidelijk van elkaar te onderscheiden. Dit geldt te meer voor de produktiekosten van die produkten. Een eenvoudige oplossing is in dat geval alle inkomsten van overige niet-marktproducenten uit hun nevenactiviteit(en) te behandelen als inkomsten uit één type marktoutput. Dit geldt bij voorbeeld voor de inkomsten van een museum uit de verkoop van posters en prentbriefkaarten (39).

3.45. Ook kunnen de overige niet-marktproducenten inkomsten hebben uit de verkoop van hun niet-marktoutput tegen economisch niet-significante prijzen, bij voorbeeld de inkomsten van een museum uit de verkoop van toegangsbiljetten. Deze inkomsten vallen onder de overige niet-marktoutput. Indien beide soorten inkomsten (die uit de kaartverkoop en die uit de verkoop van posters en kaarten) echter moeilijk te scheiden zijn, kunnen ze in hun totaliteit worden behandeld als hetzij inkomsten uit marktoutput, hetzij inkomsten uit overige niet-marktoutput. De keuze tussen beide mogelijkheden tot registratie moet worden gebaseerd op het vermoedelijke relatieve belang van beide soorten inkomsten (uit de kaartverkoop resp. uit de verkoop van posters en kaarten).

MOMENT VAN REGISTRATIE EN WAARDERING VAN DE OUTPUT

3.46. De output moet worden geregistreerd en gewaardeerd op het moment dat hij wordt gevormd in het produktieproces.

3.47. Alle output moet worden gewaardeerd tegen basisprijzen, maar er zijn specifieke afspraken voor:

a) de waardering van de overige niet-marktoutput;

b) de waardering van de totale output van een overige niet-marktproducent;

c) de waardering van de totale output van een institutionele eenheid waarvan een lokale EEA een overige niet-marktproducent is.

(zie de punten 3.53-3.60).

3.48. Definitie: De basisprijs is de door de producent van de koper voor een eenheid van de geproduceerde goederen of diensten te ontvangen prijs, verminderd met de voor het produceren of verkopen van die eenheid verschuldigde belasting (d.w.z. produktgebonden belastingen) en vermeerderd met de daarvoor te ontvangen subsidie (d.w.z. produktgebonden subsidies). Door de producent afzonderlijk in rekening gebrachte vervoerkosten zijn niet inbegrepen, maar door de producent op dezelfde factuur opgevoerde vervoerkosten zijn wel inbegrepen, ook al staan deze als afzonderlijke post op de factuur.

3.49. De output voor eigen finaal gebruik (P.12) moet worden gewaardeerd tegen de basisprijs van soortgelijke, op de markt verkochte produkten; voor die output kan dan ook een netto-exploitatieoverschot of een gemengd inkomen voorkomen. Dit geldt ook voor de woondiensten door bewoners van een eigen huis (zie punt 3.64). Gewoonlijk zal het echter nodig zijn om de in eigen beheer geproduceerde bouwwerken te waarderen tegen de produktiekosten.

3.50. Toevoegingen aan onderhanden werk worden gewaardeerd tegen de geraamde geldende basisprijs van het gereed produkt.

3.51. Indien de waarde van als onderhanden werk behandelde output vooraf moet worden geraamd, dient dit te gebeuren op grond van de gemaakte werkelijke kosten vermeerderd met een toeslag voor het geraamde exploitatieoverschot of een raming van het gemengd inkomen. De voorlopige ramingen dienen naderhand te worden vervangen door ramingen die het resultaat zijn van de verdeling van de werkelijke waarde van het gereed produkt (wanneer deze bekend wordt), zijnde de som van de waarde van:

a) het verkochte of geruilde gereed produkt;

b) het aan de voorraden toegevoegde gereed produkt, verminderd met het hieraan onttrokken gereed produkt;

c) het door de producent verbruikte gereed produkt.

3.52. Voor in onvoltooide staat verworven bouwwerken wordt een waarde geraamd op basis van de reeds gemaakte kosten, vermeerderd met een toeslag voor het exploitatieoverschot of het gemengd inkomen (deze toeslag wordt verkregen wanneer de waarde kan worden geraamd op basis van de prijzen van soortgelijke bouwwerken). De bedragen van eventuele termijnbetalingen kunnen worden gebruikt voor een benadering van de waarde van de door de koper tijdens iedere termijn gerealiseerde bruto-investeringen in vaste activa (ervan uitgaande dat er geen sprake is van achterstallige of vooruitbetalingen).

Indien de bouw van een in eigen beheer geproduceerd bouwwerk niet binnen een enkele verslagperiode wordt voltooid, moet de waarde van de output en van de desbetreffende bruto-investeringen in vaste activa worden geraamd door het aandeel van de totale produktiekosten dat betrekking heeft op de verslagperiode, toe te passen op de geraamde werkelijke basisprijs. Indien het niet mogelijk is de basisprijs van het voltooide bouwwerk te ramen, moet dit worden gewaardeerd tegen de totale produktiekosten. Indien de arbeid geheel of gedeeltelijk gratis is geleverd, wat het geval kan zijn bij door huishoudens gemeenschappelijk uitgevoerde bouwwerkzaamheden, moet als onderdeel van de geraamde totale produktiekosten aan de hand van het loontarief voor dergelijke arbeid in de buurt of de regio een raming worden gemaakt van wat betaalde arbeid zou hebben gekost.

3.53. De totale output van een overige niet-marktproducent (een lokale EEA) moet worden gewaardeerd tegen de totale produktiekosten, d.w.z. de som van:

a) intermediair verbruik (P.2);

b) beloning van werknemers (D.1);

c) verbruik van vaste activa (K.1);

d) niet-produktgebonden belastingen op produktie (D.29) verminderd met de niet-produktgebonden subsidies (D.39).

De overige niet-produktgebonden subsidies moeten in mindering worden gebracht. Overigens komen ze in de praktijk uiteraard niet vaak voor bij overige niet-marktproducenten of gaat het enkel om zeer kleine bedragen (zie punt 4.36).

Volgens afspraak zijn rentebetalingen niet begrepen in de kosten van de overige niet-marktoutput (hoewel zij soms als belangrijke produktiekosten zouden kunnen worden beschouwd, b.v. bij woningbouwverenigingen). De kosten van de overige niet-marktoutput omvatten ook niet een toerekening van de huurwaarde van bedrijfsgebouwen in eigendom, die voor overige niet-marktoutput worden gebruikt.

3.54. De totale output van een institutionele eenheid is de som van de totale output van de EEA's die er deel van uitmaken. Dit geldt ook voor institutionele eenheden die tot de overige niet-marktproducenten behoren.

3.55. Indien overige niet-marktproducenten (lokale EEA's) als output van hun nevenactiviteiten geen marktprodukten voortbrengen, moet de overige niet-marktoutput tegen de produktiekosten worden gewaardeerd. Indien zij als output van hun nevenactiviteiten wel marktprodukten voortbrengen, wordt de overige niet-marktoutput gewaardeerd als restpost, d.w.z. als het verschil tussen de totale produktiekosten van de overige niet-marktproducent en zijn inkomsten uit de marktoutput.

3.56. In beginsel moet de marktoutput van overige niet-marktproducenten tegen basisprijzen worden gewaardeerd. Ook al kan een lokale EEA als overige niet-marktproducent inkomsten uit verkoop hebben, toch wordt haar totale output, d.w.z. zowel haar marktoutput als haar overige niet-marktoutput (en eventueel ook haar output voor eigen finaal gebruik) tegen de produktiekosten gewaardeerd. De waarde van haar marktoutput komt overeen met de opbrengst van de verkoop van marktprodukten, terwijl de waarde van haar overige niet-marktoutput als restpost wordt verkregen door van de waarde van de totale output die van de marktoutput en van de output voor eigen finaal gebruik af te trekken. De waarde van haar inkomsten uit de verkoop van overige niet-marktgoederen en -diensten tegen prijzen die economisch niet significant zijn, blijven deel uitmaken van de waarde van haar overige niet-marktoutput.

3.57. Voor bepaalde speciale soorten output zijn voor het moment van registratie en de waardering van de output onderstaande toelichtingen en uitzonderingen van kracht; zij worden gegeven per sectie van de CPA.

3.58. A. Produkten van de landbouw, jacht en bosbouw;

B. Visserij

De output van landbouwprodukten moet worden geregistreerd alsof deze gestaag over de gehele produktieperiode tot stand komt (en niet alleen wanneer de gewassen geoogst of de dieren geslacht worden).

Gewassen te velde, staand hout en teelt van vis en andere dieren voor de voedselproduktie moeten gedurende het groeiproces worden behandeld als voorraden onderhanden werk; deze moeten worden omgezet in voorraden gereed produkt wanneer het groeiproces voltooid is.

3.59. D. Industriële produkten;

F. Bouwnijverheid

Wanneer vooraf een verkoopcontract is getekend voor de bouw van een bouwwerk en de werkzaamheden een aantal verslagperioden beslaan, wordt de output van iedere periode behandeld alsof deze aan het eind van de periode aan de koper verkocht is, d.w.z. als behorend tot de investeringen in vaste activa van de koper en niet tot het onderhanden werk van de bedrijfstak bouwnijverheid. De output wordt namelijk behandeld alsof deze in fases verkocht is aan de koper, die dan de juridische eigendom van de output overneemt. Wanneer in het contract sprake is van een betaling in termijnen, kan de waarde van de output vaak bij benadering worden berekend aan de hand van de waarde van de termijnbetalingen voor iedere verslagperiode. Indien er echter geen verkoopcontract bestaat, wordt de gedurende iedere verslagperiode geproduceerde onvoltooide output als onderhanden werk geregistreerd.

3.60. G. Groothandel en detailhandel; reparatie van motorvoertuigen, motorrijwielen en persoonlijke en huishoudelijke artikelen

De output van de groot- en detailhandel wordt gemeten aan de hand van de handelsmarges op de voor wederverkoop ingekochte goederen.

Definitie: Een handelsmarge is het verschil tussen de werkelijke of toegerekende prijs die is gerealiseerd op een voor wederverkoop ingekocht goed en de prijs die door de handelaar zou moeten worden betaald om het goed te vervangen op het moment dat het wordt verkocht of anderszins wordt afgestoten.

Volgens afspraak zijn waarderingsverschillen niet in de handelsmarge begrepen. In de praktijk is het echter niet altijd mogelijk deze volledig af te splitsen.

3.61. H. Hotels en restaurants

De waarde van de output van hotels, restaurants en cafés is inclusief de waarde van de geconsumeerde voedingsmiddelen, dranken enz.

3.62. I. Vervoer, opslag en communicatie

De output van het vervoer wordt gemeten aan de hand van de waarde van de voor het vervoer van goederen of personen ontvangen bedragen. Eigen vervoer binnen een lokale EEA wordt als hulpactiviteit aangemerkt en niet afzonderlijk geïdentificeerd en geregistreerd.

De output van de opslag van goederen wordt gemeten als een toevoeging aan het onderhanden werk, hetzij als extra output in de zin van tijdelijke opslag (b.v. opslag ten behoeve van andere lokale EEA's), hetzij als fysieke verandering (b.v. in het geval van het rijpen van wijn).

De output van reisbureaus wordt gemeten aan de hand van de waarde van de door hen ontvangen vergoedingen (provisies, commissies) en niet op basis van het volledige door de reizigers aan het reisbureau betaalde bedrag. Dit laatste omvat bij voorbeeld ook de kosten van vervoer door derden.

De output van reisorganisatoren wordt gemeten op basis van het volledige door de reizigers aan de reisorganisator betaalde bedrag.

Het onderscheid tussen reisbureaus en reisorganisatoren is dat een reisbureau enkel een tussenpersoon ten behoeve van de reiziger is, terwijl een reisorganisator een nieuw produkt voortbrengt: er wordt namelijk een reis georganiseerd waarbij de prijzen van de verschillende onderdelen (b.v. de reis zelf, onderdak en vermaak) voor de reiziger niet als zodanig herkenbaar zijn.

3.63. J. Financiële intermediatie (incl. diensten van verzekeringsinstellingen en pensioenfondsen)

De output van financiële intermediairs wordt, voor zover die niet expliciet in rekening gebracht, volgens afspraak vastgesteld als het verschil tussen hun inkomen uit vermogen en hun totale rentelasten. Daarbij blijft de waarde van het inkomen uit belegging van eigen vermogen buiten beschouwing, aangezien dit inkomen niet voortvloeit uit de financiële intermediatie. Ook wanneer een financiële intermediair als nevenactiviteit verzekeringsactiviteiten ontplooit, blijft het inkomen uit de belegging van de verzekeringstechnische voorzieningen buiten beschouwing. Bij het vaststellen van de waarde van de output wordt geen rekening gehouden met waarderingsverschillen, omdat in het ESR waarderingsverschillen niet als produktie worden gezien, maar op een aparte rekening (rekening voor overige mutaties in activa) geregistreerd worden. Dit geldt ook voor de waarderingsverschillen op vreemde valuta en waardepapieren van professionele handelaren, ongeacht het feit dat deze waarderingsverschillen meestal positief zijn en door de handelaren zelf als deel van hun normale bedrijfsopbrengsten worden beschouwd. Wel moeten de handelsmarges op vreemde valuta en waardepapieren (d.w.z. de gebruikelijke verschillen tussen de aankoop- en verkoopprijs) in de output worden begrepen, net zoals bij de groot- en detailhandel. Evenals bij de handel kan hier sprake zijn van problemen bij het onderscheid tussen dergelijke handelsmarges en waarderingsverschillen. Hiervoor moet de best mogelijke oplossing worden gekozen.

De output van financiële intermediatie door centrale banken moet op dezelfde wijze worden gemeten als die van andere financiële intermediairs.

De activiteit van kredietverstrekkers die uitsluitend uit eigen vermogen uitlenen, wordt niet als produktie van diensten beschouwd.

Financiële intermediairs kunnen ook allerlei financiële en zakelijke diensten verlenen, waarvoor expliciet honoraria, commissies of provisies in rekening worden gebracht. Dit betreft bij voorbeeld het wisselen van vreemde valuta en het geven van advies over beleggingen, de aankoop van onroerend goed of belastingaangelegenheden. De output van dergelijke diensten wordt gelijkgesteld aan de in rekening gebrachte honoraria, commissies of provisies.

De output van verzekeringsdiensten (vergoeding voor verleende diensten) wordt als volgt vastgesteld:

het totaal van de verdiende werkelijke premies;

plus het totaal van de toegerekende premies (is gelijk aan het inkomen uit belegging van de verzekeringstechnische voorzieningen);

minus het totaal van de gerealiseerde uitkeringen;

minus de mutatie in de actuariële reserves en de voorzieningen voor winstuitkering.

Waarderingsverschillen blijven bij de vaststelling van de output van verzekeringsdiensten buiten beschouwing: zij mogen niet als inkomen uit belegging van de verzekeringstechnische voorzieningen of als mutatie in de actuariële reserves of de voorzieningen voor winstuitkering worden beschouwd.

Opgemerkt zij dat de verzekeringstechnische voorzieningen kunnen worden belegd in nevenactiviteiten van de verzekeringsmaatschappijen, zoals verhuur van woningen of bedrijfsgebouwen. In dat geval vertegenwoordigt het netto-exploitatieoverschot uit deze nevenactiviteiten inkomen uit belegging van verzekeringstechnische voorzieningen.

De output van pensioenverzekering wordt op soortgelijke wijze berekend; namelijk:

het totaal van de gerealiseerde werkelijke pensioenpremies;

plus het totaal van de toegerekende premies (is gelijk aan het inkomen uit belegging van de technische voorzieningen van het pensioenfonds);

minus de gerealiseerde pensioenuitkeringen;

minus de mutatie in de actuariële reserves.

3.64. K. Exploitatie van en handel in onroerend goed, verhuur en zakelijke dienstverlening

De output van woondiensten door bewoners van een eigen huis moet worden gewaardeerd tegen de geraamde waarde van de huur die een huurder voor dezelfde accommodatie zou moeten betalen; hierbij moet rekening worden gehouden met factoren als de ligging, de faciliteiten in de buurt enz., alsook met de grootte en de kwaliteit van de woning zelf. Voor een door de eigenaar voor consumptieve doeleinden gebruikte vrijstaande garage bij zijn woning moet een zelfde toerekening worden gemaakt. Dit geldt niet voor een garage die door een particuliere eigenaar uitsluitend wordt gebruikt als parkeerplaats in de buurt van zijn werk. De huurwaarde van een door de eigenaar bewoonde woning in het buitenland (b.v. een vakantiewoning) moet niet als deel van de binnenlandse output worden geregistreerd, maar als invoer van diensten en als uit het buitenland ontvangen primair inkomen. Door niet-ingezetenen bewoonde eigen huizen moeten op soortgelijke wijze worden geregistreerd. In het geval van time-sharing van appartementen moet een evenredig deel van de vergoeding als zodanig worden geregistreerd.

De output van exploitanten van bedrijfsgebouwen wordt gemeten op basis van de waarde van de betaalde huur.

De output van bedrijven die zich met operationele lease (verhuur van machines, werktuigen enz.) bezighouden, wordt gemeten aan de hand van de leasesom. Er is een duidelijk verschil met financiële lease. Dit is een methode om de aankoop van vaste activa te financieren, namelijk door het verstrekken van een lening door de lessor aan de lessee. Bij financiële lease bestaat de leasesom (grotendeels) uit een terugbetaling van de hoofdsom plus rente en is de waarde van de dienst zeer gering in verhouding tot het totaal van de betaalde leasesommen (zie bijlage over lease).

Zo mogelijk moet een afzonderlijke lokale EEA worden onderscheiden voor S& O-activiteiten (speur- en ontwikkelingswerk). Indien dit niet mogelijk is, moet alle S& O van een zekere omvang (in vergelijking tot de hoofdactiviteit) als nevenactiviteit van een lokale EEA worden geregistreerd.

De output van S& O-diensten wordt als volgt gemeten:

a) S& O door gespecialiseerde commerciële onderzoekslaboratoria of -instituten wordt op de gebruikelijke wijze gewaardeerd tegen de inkomsten uit verkopen, contracten, commissies, honoraria enz.;

b) de output van S& O voor gebruik in dezelfde onderneming moet in beginsel worden gewaardeerd op basis van de geraamde basisprijs die zou moeten worden betaald indien het onderzoek op commerciële basis zou zijn uitbesteed. In de praktijk zal deze output waarschijnlijk moeten worden gewaardeerd op basis van de totale produktiekosten;

c) S& O door overheidsinstellingen, universiteiten, onderzoeksinstellingen zonder winstoogmerk enz. valt in de regel onder de overige niet-marktoutput en wordt daarom gewaardeerd op basis van de produktiekosten. Inkomsten uit de verkoop van S& O door niet-marktproducenten van S& O moeten worden geregistreerd als inkomen uit marktproduktie als nevenactiviteit.

S& O-uitgaven moeten worden onderscheiden van uitgaven voor onderwijs en opleiding. S& O-uitgaven omvatten niet de kosten van het ontwikkelen van computerprogrammatuur als hoofd- of als nevenactiviteit. De wijze van registreren is echter praktisch gelijk; het enige verschil is dat computerprogrammatuur als geproduceerde immateriële activa wordt beschouwd waarop geen octrooi wordt verleend.

3.65. L. Openbaar bestuur en defensie; wettelijke sociale verzekering

De diensten van openbaar bestuur, defensie en wettelijke sociale verzekering worden steeds verleend als overige niet-marktdiensten en moeten dienovereenkomstig worden gewaardeerd.

3.66. M. Onderwijs;

N. Gezondheidszorg en maatschappelijke dienstverlening

Bij onderwijs en gezondheidszorg is het vaak noodzakelijk een precieze grens te trekken tussen marktproducenten en overige niet-marktproducenten en tussen hun marktoutput en hun overige niet-marktoutput. Zo worden voor bepaalde soorten onderwijs en bepaalde medische behandelingen door overheidsinstellingen (of met speciale subsidies ook door andere instellingen) soms symbolische bijdragen verlangd, terwijl voor andere vormen van onderwijs en speciale medische behandelingen commerciële tarieven in rekening worden gebracht. Ook komt het regelmatig voor dat dezelfde soort dienst (b.v. hoger onderwijs) enerzijds door (of via) de overheid wordt verstrekt en anderzijds door een commerciële instelling. Dan zijn er vaak grote verschillen tussen de in rekening gebrachte prijzen en de kwaliteit van de diensten.

S& O-activiteiten blijven bij onderwijs en gezondheidszorg buiten beschouwing. Onderwijs op het gebied van de gezondheidszorg, bij voorbeeld in academische ziekenhuizen, valt niet onder de gezondheidszorg.

3.67. O. Overige gemeenschapsvoorzieningen en sociale en persoonlijke diensten

Het produceren van boeken, muziekopnamen, films, computerprogrammatuur, banden, platen enz. geschiedt in twee fasen en wordt dienovereenkomstig gemeten.

a) De output uit de produktie van originelen - behorend tot de immateriële vaste activa - wordt bij verkoop gemeten op basis van de betaalde prijs. Indien de output niet wordt verkocht, wordt ze gemeten aan de hand van de basisprijs die betaald wordt voor soortgelijke originelen, de produktiekosten of de contante waarde van de toekomstige opbrengsten die worden verwacht wanneer de originelen in produktie worden genomen

b) De eigenaar van deze activa kan ze direct gebruiken of er in opeenvolgende perioden kopieën van produceren. Indien de eigenaar andere producenten een licentie heeft verleend om bij de produktie gebruik te maken van het origineel, vormen de honoraria, commissies, royalties enz., die hij voor deze licenties ontvangt, de output van zijn diensten. De verkoop van de immateriële activa is daarentegen een negatieve investering in vaste activa.

3.68. P. Diensten van werknemers in particuliere huishoudens

De output van de huishoudelijke diensten die worden geproduceerd door het in dienst hebben van betaald huishoudelijk personeel, wordt volgens afspraak gewaardeerd op basis van de beloning van dit personeel; dit is inclusief beloningen in natura als kost en inwoning.

INTERMEDIAIR VERBRUIK (P.2)

3.69. Defintie: Het intermediair verbruik bestaat uit de waarde van de goederen en diensten die als input in een produktieproces worden gebruikt, met uitzondering van de vaste activa, waarvan het verbruik als verbruik van vaste activa wordt geregistreerd. De goederen en diensten kunnen tijdens het produktieproces worden verwerkt in andere produkten of volledig worden verbruikt.

3.70. Het intermediair verbruik omvat de volgende grensgevallen:

a) de waarde van alle goederen en diensten die als input voor hulpactiviteiten worden gebruikt. Dit betreft bij voorbeeld inkoop, verkoop, marketing, boekhouding, gegevensverwerking, vervoer, opslag, onderhoud en beveiliging. Deze goederen en diensten worden niet onderscheiden van die welke worden gebruikt ten behoeve van de hoofd- (of neven-)activiteiten van een lokale EEA;

b) de waarde van goederen en diensten die van een andere lokale EEA behorend tot dezelfde institutionele eenheid worden ontvangen (uitsluitend indien zij beantwoorden aan de algemene definitie in punt 3.69);

c) de kosten van het gebruik van gehuurde vaste activa, bij voorbeeld bij operationele lease van machines of auto's;

d) de aan bedrijfsorganisaties zonder winstoogmerk betaalde contributies, bijdragen enz.;

e) posten die niet als bruto-investeringen worden behandeld, zoals:

(1) kleine, goedkope gereedschappen die voor vrij eenvoudige werkzaamheden worden gebruikt, zoals zagen, hamers, schroevedraaiers en ander handgereedschap, alsmede zakrekenmachines en dergelijke kleine apparaten. Volgens afspraak moeten in het ESR alle uitgaven voor dergelijke duurzame goederen als intermediair verbruik worden geregistreerd wanneer ze niet meer kosten dan 500 ecu (in prijzen van 1995) per artikel (indien de goederen in grote hoeveelheden tegelijk zijn aangeschaft geldt deze grens voor het totaalbedrag).

(2) het gewone, regelmatige onderhoud en de reparatie van bij de produktie gebruikte vaste activa;

(3) militaire vernietingswapens, alsmede de hiervoor benodigde dragersystemen (maar niet de door politie en veiligheidsdiensten gebruikte lichte wapens en pantservoertuigen, die wel als bruto-investeringen in vaste activa worden behandeld);

(4) speur- en ontwikkelingswerk, personeelsopleiding, marktonderzoek en dergelijke activiteiten, aangekocht van een derde of verricht door een afzonderlijke lokale EEA van dezelfde institutionele eenheid;

f) betalingen voor het gebruik van immateriële niet-geproduceerde activa zoals geoctrooieerde activa, handelsmerken enz. (m.u.v. betalingen voor de aankoop van dergelijke rechten, die worden behandeld als aankoop van immateriële niet-geproduceerde activa);

g) door de werkgever vergoede uitgaven van werknemers voor artikelen die nodig zijn voor het produktieproces van de werkgever, zoals bij een contractuele verplichting tot het aanschaffen van gereedschap of veiligheidskleding voor eigen rekening;

h) uitgaven van werkgevers die zowel aan hen zelf als aan hun werknemers ten goede komen, omdat ze nodig zijn voor het produktieproces van de werkgever. Dit betreft:

(1) vergoeding van reis-, verblijf-, verhuis- en representatiekosten van werknemers in het kader van de uitoefening van hun werkzaamheden;

(2) het treffen van voorzieningen op de werkplek.

Een uitgebreidere lijst is opgenomen in de punten over de beloning van werknemers (D.1);

i) door lokale EEA's betaalde vergoeding voor verzekeringsdiensten (zie ook bijlage 3 over verzekering): om alleen de vergoeding voor de geleverde dienst als intermediair verbruik te registreren moeten bij voorbeeld de uitkeringen en de nettomutatie van de actuariële reserves van de betaalde premies worden afgetrokken. De nettomutatie van de actuariële reserves kan proportioneel met de betaalde premies aan de lokale EEA's worden toegerekend.

j) alleen voor de totale economie: alle indirect gemeten diensten van financiële intermediairs (IGDFI) die door ingezeten producenten zijn verleend.

3.71. In het intermediair verbruik zijn niet begrepen:

a) posten die als bruto-investeringen worden beschouwd, zoals:

(1) kostbaarheden;

(2) exploratie van minerale reserves;

(3) belangrijke verbeteringen, die aanzienlijk verder gaan dan wat nodig is om de vaste activa bedrijfsklaar te houden, bij voorbeeld renovaties, verbouwingen of uitbreidingen;

(4) gekochte of in eigen beheer geproduceerde computerprogrammatuur;

b) uitgaven van werkgevers die worden behandeld als lonen in natura (zie punt 4.05);

c) gebruik van door de overheid verleende collectieve diensten door eenheden die marktprodukten voortbrengen of die in eigen beheer produceren (behandeld als uitgaven voor collectief verbruik van de overheid);

d) goederen en diensten die binnen een zelfde verslagperiode binnen dezelfde lokale EEA worden geproduceerd en verbruikt (deze worden ook niet als output geregistreerd);

e) betalingen aan de overheid voor vergunningen enz., die als belastingen op produktie moeten worden behandeld (zie de punten 4.79 en 4.80).

MOMENT VAN REGISTRATIE EN WAARDERING VAN HET INTERMEDIAIR VERBRUIK

3.72. Produkten die intermediair worden verbruikt, moeten worden geregistreerd en gewaardeerd op het moment waarop zij in het produktieproces worden gebruikt. Zij moeten worden gewaardeerd tegen de aankoopprijzen die op dat moment voor soortgelijke goederen of diensten gelden.

3.73. Gewoonlijk registreren producerende eenheden het feitelijk gebruik van goederen in het produktieproces niet rechtstreeks. Zij registreren de aankoop van goederen die als input zullen worden gebruikt en de verandering van de voorraden van deze goederen. Het intermediair verbruik moet dan ook worden geraamd aan de hand van de verandering in de voorraden grond- en hulpstoffen (zie de punten 3.120-3.124 voor een correcte waardering hiervan) af te trekken van de aankopen.

CONSUMPTIE (P.3, P.4)

3.74. Er worden twee begrippen consumptie gehanteerd:

a) consumptieve bestedingen (P.3);

b) werkelijke consumptie (P.4).

Consumptieve bestedingen is een begrip dat betrekking heeft op de uitgaven van een sector voor consumptiegoederen en -diensten. De werkelijke consumptie daarentegen betreft de verwerving van consumptiegoederen en -diensten. Het verschil tussen deze begrippen is gelegen in de behandeling van bepaalde goederen en diensten die door de overheid of een IZW ten behoeve van huishoudens worden gefinancierd, maar die als sociale overdrachten in natura aan de huishoudens worden geleverd.

CONSUMPTIEVE BESTEDINGEN (P.3)

3.75. Definitie: Consumptieve bestedingen zijn uitgaven van ingezeten institutionele eenheden voor goederen en diensten die worden gebruikt voor de rechtstreekse bevrediging van individuele behoeften of wensen of van de collectieve behoeften van leden van de gemeenschap. De consumptieve bestedingen kunnen zowel op het eigen grondgebied als in het buitenland worden gedaan.

3.76. De consumptieve bestedingen van huishoudens omvatten de volgende grensgevallen:

a) woondiensten door bewoners van een eigen huis;

b) inkomen in natura, zoals:

(1) goederen en diensten die werknemers ontvangen als inkomen in natura;

(2) goederen of diensten die worden geproduceerd door ondernemingen zonder rechtspersoonlijkheid in eigendom van huishoudens en die voor consumptie door leden van het huishouden zijn bestemd. Hierbij gaat het om voedsel en andere landbouwprodukten, woondiensten door bewoners van een eigen huis en huishoudelijke diensten die worden geproduceerd door het in dienst hebben van betaald huishoudelijk personeel (bedienden, koks, tuinlieden, chauffeurs enz.);

c) posten, die niet als intermediair verbruik worden behandeld, zoals:

(1) materiaal voor kleine reparaties aan woningen en voor de inrichting van woningen, die gewoonlijk zowel door huurders als door eigenaren worden verricht;

(2) materiaal voor reparaties en onderhoud van duurzame consumptiegoederen, inclusief voertuigen;

d) posten die niet als investeringen worden behandeld, met name duurzame consumptiegoederen, die gedurende diverse verslagperioden in gebruik blijven; hiertoe behoort ook de eigendomsverdracht van bepaalde duurzame goederen door een onderneming aan een huishouden (zie transacties in gebruikte goederen, punt 3.148);

e) rechtstreeks in rekening gebrachte financiële diensten;

f) verzekeringsdiensten ter waarde van de impliciet in rekening gebrachte vergoeding voor de dienst (zie punt 3.63);

g) pensioenverzekeringsdiensten ter waarde van de impliciet in rekening gebrachte vergoeding voor de dienst (zie punt 3.63);

h) betalingen van huishoudens voor vergunningen enz., die als aankoop van diensten worden beschouwd (zie de punten 4.79 en 4.80);

i) de aankoop van output tegen een economisch niet-significante prijs, bij voorbeeld toegangskaarten voor een museum (zie punt 3.45).

3.77. Tot de consumptieve bestedingen van de huishoudens behoren niet:

a) sociale overdrachten in natura, zoals uitgaven die in eerste instantie door huishoudens worden gedaan, maar die naderhand door de wettelijke sociale verzekering worden vergoed, bij voorbeeld bepaalde uitgaven voor gezondheidszorg;

b) posten die worden behandeld als intermediair verbruik of als bruto-investeringen, zoals:

(1) uitgaven van huishoudens die een onderneming zonder rechtspersoonlijkheid in eigendom hebben, wanneer deze uitgaven voor zakelijke doeleinden zijn gedaan, bij voorbeeld voor duurzame goederen als voertuigen, meubelen of elektrische apparatuur (bruto-investeringen in vaste activa) of voor niet-duurzame goederen als stookolie (intermediair verbruik);

(2) uitgaven van een bewoner van een eigen huis voor decoratie, onderhoud en reparatie van de woning, die gewoonlijk niet door een huurder worden gedaan (behandeld als intermediair verbruik bij het produceren van woondiensten);

(3) de aankoop van woningen (behandeld als bruto-investeringen in vaste activa);

(4) uitgaven voor kostbaarheden (behandeld als bruto-investeringen);

c) posten die worden behandeld als aankopen van niet-geproduceerde activa, met name de aankoop van grond;

d) alle betalingen door huishoudens die worden beschouwd als belastingen, zoals vergunningen voor eigen auto's, boten of luchtvaartuigen en jacht- en visakten (zie de punten 4.79 en 4.80);

e) door huishoudens aan particuliere IZW's ten behoeve van huishoudens, zoals vakbonden, beroepsorganisaties, consumentenorganisaties, kerken en sociale, culturele, ontspannings- en sportverenigingen, betaalde contributies, bijdragen enz.;

f) vrijwillige overdrachten in geld of in natura van huishoudens aan liefdadigheidsinstellingen en hulporganisaties.

3.78. De consumptieve bestedingen van IZW's ten behoeve van huishoudens omvatten twee categorieën:

a) de waarde van goederen en diensten geproduceerd door de IZW's ten behoeve van huishoudens, voor zover het niet gaat om in eigen beheer geproduceerde investeringen of om uitgaven van huishoudens en andere eenheden;

b) uitgaven door IZW's ten behoeve van huishoudens voor door marktproducenten voortgebrachte goederen en diensten die - zonder verdere bewerking - als sociale uitkeringen in natura voor verbruik aan huishoudens worden verstrekt.

3.79. De consumptieve bestedingen van de overheid zijn zoals die van die IZW's ten behoeve van huishoudens tweeërlei:

a) de waarde van door de overheid zelf geproduceerde goederen en diensten, voor zover het niet gaat om in eigen beheer geproduceerde investeringen of om verkopen;

b) aankopen door de overheid van door marktproducenten voortgebrachte goederen en diensten die - zonder verdere bewerking - als sociale uitkeringen in natura aan huishoudens worden verstrekt. Dit impliceert dat de overheid slechts betaalt voor goederen en diensten die de verkopers aan huishoudens leveren.

3.80. Ondernemingen met rechtspersoonlijkheid doen geen consumptieve bestedingen. Hun aankopen van dezelfde soort goederen en diensten als die welke huishoudens voor consumptie gebruiken, worden door hen hetzij voor intermediair verbruik aangewend hetzij aan hun werknemers verstrekt als beloning in natura, d.w.z. aan de huishoudens toegerekende consumptieve bestedingen. Ook als zij, bij voorbeeld door te adverteren, de individuele consumptie financieren, worden deze uitgaven als uitgaven voor intermediair verbruik behandeld.

WERKELIJKE CONSUMPTIE (P.4)

3.81. Definitie: De werkelijke consumptie bestaat uit de goederen of diensten die door ingezeten institutionele eenheden worden verworven voor de rechtstreekse bevrediging van individuele of collectieve menselijke behoeften.

3.82. Definitie: Goederen en diensten voor individuele consumptie (individuele goederen en diensten) worden verworven door een huishouden en gebruikt voor de bevrediging van de behoeften en wensen van leden van dat huishouden. Individuele goederen en diensten hebben de volgende kenmerken:

a) het moet mogelijk zijn de verwerving van de goederen en diensten door een individueel huishouden of een lid daarvan alsmede het moment van verwerving waar te nemen en te registreren;

b) het huishouden moet hebben ingestemd met de verstrekking van het goed of de dienst en de nodige stappen hiertoe nemen, bij voorbeeld door een school te bezoeken of naar een ziekenhuis te gaan;

c) het goed of de dienst moet van dien aard zijn dat de verwerving ervan door één huishouden of persoon, of eventueel een kleine, beperkte groep personen, verwerving ervan door andere huishoudens of personen uitsluit.

3.83. Definitie: Diensten voor collectief gebruik (collectieve diensten) worden gelijktijdig aan alle leden van de samenleving of aan alle leden van een bepaald deel van de samenleving, zoals alle huishoudens in een bepaalde regio, verleend. Collectieve diensten hebben de volgende kenmerken:

a) ze kunnen gelijktijdig worden geleverd aan ieder lid van de samenleving of aan een bepaald deel van de samenleving, zoals degenen die in een bepaalde regio of plaats wonen;

b) het gebruik van de diensten is doorgaans passief en vergt geen expliciete instemming of actieve medewerking van alle betrokkenen;

c) het verlenen van een collectieve dienst aan één individu vermindert het voor anderen in dezelfde samenleving of hetzelfde deel van de samenleving beschikbare bedrag niet. Er is geen concurrentie tussen de betrokkenen.

3.84. Bij alle consumptieve bestedingen van huishoudens gaat het om individuele bestedingen. Volgens afspraak worden alle door IZW's ten behoeve van huishoudens verstrekte goederen en diensten ook tot de individuele bestedingen gerekend.

3.85. Voor de door de overheid verstrekte goederen en diensten wordt de grens tussen goederen en diensten voor individuele of collectieve consumptie getrokken op basis van de Classificatie van overheidsfuncties (COFOG).

Volgens afspraak moeten alle onder een van de volgende rubrieken vallende consumptieve bestedingen van de overheid worden behandeld als uitgaven voor diensten voor individuele consumptie, met uitzondering evenwel van de uitgaven voor algemeen overheidsbestuur, regelgeving, onderzoek enz. in iedere categorie:

a) 04 Onderwijs;

b) 05 Gezondheid;

c) 06 Sociale zekerheid en welzijn;

d) 08.01 Sport en recreatie;

e) 08.02 Cultuur.

Daarnaast moeten onder de volgende deelrubrieken vallende uitgaven, wanneer zij omvangrijk zijn, ook als individuele consumptieve bestedingen worden behandeld:

a) 07.11 (deel van de) huisvesting;

b) 07.31 (deel van de) verzameling van huishoudelijk afval;

c) 12.12 (deel van de) exploitatie van het vervoerssysteem.

De rest van de consumptieve bestedingen van de overheid bestaat uit de collectieve consumptieve bestedingen. Dit betreft met name:

a) bestuur over en geven van regels voor de maatschappij;

b) beveiliging en defensie;

c) ordehandhaving, wet- en regelgeving;

d) gezondheid;

e) milieubescherming;

f) speur- en ontwikkelingswerk;

g) infrastructuur en economische ontwikkeling.

3.86. Onderstaande tabel geeft een overzicht van de relaties tussen de verschillende begrippen:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

3.87. Volgens afspraak zijn alle consumptieve bestedingen van IZW's ten behoeve van huishoudens individuele bestedingen. De totale werkelijke consumptie is dan ook gelijk aan de som van de werkelijke consumptie van de huishoudens en de werkelijke consumptie van de overheid.

3.88. Volgens afspraak zijn er geen sociale overdrachten in natura naar en van het buitenland (wel in geld). De totale werkelijke consumptie is dan ook gelijk aan de totale consumptieve bestedingen.

MOMENT VAN REGISTRATIE EN WAARDERING VAN DE CONSUMPTIEVE BESTEDINGEN

3.89. Zoals in hoofdstuk 1 is uiteengezet, moeten goederen en diensten in het algemeen worden geregistreerd wanneer de betaling opeisbaar wordt, d.w.z. wanneer voor de koper een schuld jegens de verkoper ontstaat. Dit betekent dat de uitgaven voor een goed moeten worden geregistreerd op het moment dat het goed van eigenaar verandert en de uitgaven voor een dienst op het moment dat de dienstverlening is voltooid.

3.90. Uitgaven voor een goed dat door middel van huurkoop of een dergelijke kredietovereenkomst (of door middel van financiële lease) is aangeschaft, moeten worden geregistreerd op het moment dat het goed wordt geleverd, ook al is er op dat moment nog geen sprake van een wettelijke verandering van eigendom.

3.91. Consumptie van in eigen beheer geproduceerde produkten moet worden geregistreerd op het moment dat de voor eigen consumptie bestemde output wordt geproduceerd.

3.92. Consumptieve bestedingen van huishoudens worden geregistreerd tegen de aankoopprijs. Dit is de prijs die de koper op het moment van de aankoop feitelijk voor de produkten betaalt. Zie voor een nauwkeuriger definitie punt 3.06.

3.93. Goederen en diensten die als beloning in natura aan werknemers worden geleverd, worden gewaardeerd tegen de basisprijs wanneer ze door de werkgever worden geproduceerd en tegen de aankoopprijs voor de werkgever wanneer ze door hem zijn gekocht.

3.94. Voor eigen consumptie bestemde goederen en diensten worden tegen de basisprijs gewaardeerd.

3.95. De consumptieve bestedingen van de overheid of van IZW's ten behoeve van huishoudens aan door hen zelf voortgebrachte produkten worden geregistreerd op het moment dat deze produkten worden geproduceerd, wat tevens het moment is waarop de diensten door de overheid of de IZW's ten behoeve van huishoudens worden verleend. De registratie van de consumptieve bestedingen aan goederen en diensten die via marktproducenten worden geleverd, moet op het moment van levering plaatsvinden.

3.96. De consumptieve bestedingen van de overheid of van IZW's ten behoeve van huishoudens zijn gelijk aan hun totale output, plus de uitgaven voor produkten die via marktproducenten aan de huishoudens worden geleverd (d.w.z. sociale overdrachten in natura), minus de betalingen door andere eenheden, minus de in eigen beheer geproduceerde investeringen.

MOMENT VAN REGISTRATIE EN WAARDERING VAN DE WERKELIJKE CONSUMPTIE

3.97. Goederen en diensten worden door institutionele eenheden verworven wanneer zij de nieuwe eigenaar van de goederen worden of wanneer de levering van de goederen of diensten aan hen is voltooid.

3.98. Aankopen - werkelijke consumptie - worden gewaardeerd tegen de aankoopprijs voor de eenheden die de uitgaven doen.

Overdrachten in natura worden, met uitzondering van de sociale overdrachten in natura van de overheid en de IZW's ten behoeve van huishoudens, behandeld als overdrachten in geld. De waarde van de goederen of diensten moet dan ook worden geregistreerd als uitgaven van de institutionele eenheden of sectoren die de goederen of diensten verwerven.

3.99. De waarde van de totale consumptieve bestedingen is gelijk aan die van de totale werkelijke consumptie. Die door ingezeten huishoudens door sociale overdrachten in natura verworven goederen en diensten worden dan ook gewaardeerd tegen dezelfde prijs als die waartegen zij in de aggregaten van de bestedingen worden gewaardeerd.

INVESTERINGEN (BRUTO) (P.5)

3.100. De bruto-investeringen omvatten:

a) investeringen in vaste activa (bruto) (P.51);

b) veranderingen in voorraden (P.52);

c) saldo aan- en verkopen van kostbaarheden (P.53).

3.101. Bruto-investeringen wil zeggen investeringen zonder aftrek voor verbruik van vaste activa. De netto-investeringen worden verkregen door het verbruik van vaste activa op de bruto-investeringen in mindering te brengen.

INVESTERINGEN IN VASTE ACTIVA (BRUTO) (P.51)

3.102. Definitie: De bruto-investeringen in vaste activa (P.51) bestaan uit het saldo van de gedurende een bepaalde periode door ingezeten producenten verrichte aan- en verkopen van vaste activa. Tevens omvatten zij bepaalde toevoegingen aan de waarde van niet-geproduceerde activa die zijn gerealiseerd door de produktieve activiteit van producerende of institutionele eenheden. Vaste activa zijn de als output van produktieprocessen voortgebrachte materiële of immateriële activa die zelf langer dan een jaar herhaaldelijk of voortdurend in produktieprocessen worden gebruikt.

3.103. De bruto-investeringen in vaste activa omvatten zowel positieve als negatieve elementen:

a) positieve elementen:

(1) aankopen van nieuwe of gebruikte vaste activa;

(2) voor eigen gebruik geproduceerde vaste activa (inclusief vaste activa die nog niet voltooid of volgroeid zijn);

(3) nieuwe of gebruikte vaste activa die door ruil zijn verworven;

(4) nieuwe of gebruikte vaste activa die als kapitaaloverdrachten in natura zijn ontvangen;

(5) nieuwe of gebruikte vaste activa die door middel van financiële lease zijn verworven;

(6) belangrijke verbeteringen aan vaste activa en historische monumenten;

(7) aanwas van natuurlijke activa met een regelmatige opbrengst;

b) negatieve elementen (d.w.z. het afstoten van vaste activa, geregistreerd als negatieve aankoop):

(1) verkopen van gebruikte vaste activa;

(2) gebruikte vaste activa die door ruil zijn afgestaan;

(3) gebruikte vaste activa die zijn geleverd in het kader van een kapitaaloverdracht;

3.104. Het afstoten van vaste activa omvat niet:

a) verbruik van vaste activa (waaronder normale te verwachten schade valt);

b) uitzonderlijke verliezen, bij voorbeeld door droogte of andere natuurrampen (geregistreerd als overige volumemutatie in activa).

3.105. De volgende soorten bruto-investeringen in vaste activa kunnen worden onderscheiden:

a) saldo aan- en verkopen van materiële vaste activa:

(1) woningen;

(2) overige bouwwerken;

(3) vervoermiddelen, machines en werktuigen;

(4) in cultuur gebrachte activa (bomen en vee);

b) saldo aan- en verkopen van immateriële vaste activa:

(1) exploratie van minerale reserves;

(2) computerprogrammatuur;

(3) originelen op het gebied van woord, beeld en geluid;

(4) overige immateriële vaste activa;

c) belangrijke verbeteringen aan materiële niet-geproduceerde activa, met name die met betrekking tot grond (maar de verwerving van niet-geproduceerde activa is niet inbegrepen);

d) kosten in verband met de eigendomsoverdracht van niet-geproduceerde activa, zoals grond en geoctrooieerde activa (maar de verwerving van deze activa zelf is niet inbegrepen).

3.106. Belangrijke verbeteringen van grond zijn:

a) landwinning door de aanleg van dijken, zeeweringen of dammen;

b) kappen van bossen, verwijderen van rotsen enz., zodat grond voor de eerste keer in produktie kan worden genomen;

c) droogleggen van moerassen en irrigeren van woestijnen door de aanleg van dijken, sloten en irrigatiekanalen;

d) voorkomen van overstromingen of erosie door de zee of door rivieren door de bouw van pieren, zeeweringen of stormvloedkeringen.

Deze activiteiten kunnen leiden tot het ontstaan van omvangrijke nieuwe bouwwerken als zeeweringen, stormvloedkeringen en dammen, die echter zelf niet rechtstreeks worden gebruikt voor het produceren van andere goederen en diensten, zoals de meeste andere bouwwerken wel. De bouw ervan is ondernomen om meer of betere grond te krijgen en het is deze grond, behorend tot de niet-geproduceerde activa, die nodig is voor het produktieproces. Zo heeft een voor de elektriciteitsproduktie gebouwde dam een heel ander doel dan een dam die als zeewering is gebouwd. Alleen de bouw van dit laatste type dam moet als verbetering van grond worden geclassificeerd.

3.107. De bruto-investeringen in vaste activa omvatten grensgevallen zoals:

a) aanschaf van woonboten, aken, kampeeratuo's en caravans die door huishoudens als woning worden gebruikt, alsmede allerlei hiermee verbonden bouwwerken zoals garages;

b) bouwwerken die door de strijdkrachten - op soortgelijke wijze als door civiele producenten - worden gebruikt, zoals vliegvelden, dokken, wegen en ziekenhuizen;

c) door niet-militaire eenheden gebruikte lichte wapens en pantservoertuigen;

d) veranderingen in de veestapel die jaar na jaar voor produktieve doeleinden wordt gebruikt, zoals fokvee, melkvee, voor de wol gehouden schapen en trekdieren;

e) veranderingen in het aantal bomen met een regelmatige opbrengst, zoals fruitbomen, wijnstokken, rubberbomen, palmbomen enz.;

f) verbeteringen aan gebruikte vaste activa, die veel verder gaan dan wat voor gewoon onderhoud en gewone reparaties nodig is;

g) aanschaf van vaste activa door middel van financiële lease.

3.108. Niet onder de bruto-investeringen in vaste activa vallen:

a) transacties die tot het intermediair verbruik behoren, zoals:

(1) aankoop van kleine gereedschappen voor produktiedoeleinden (zie punt 3.60e);

(2) gewoon onderhoud en gewone reparaties;

(3) aankoop van militaire wapens en bijbehorende ondersteunende systemen;

(4) aanschaf van vaste activa, bestemd voor gebruik in het kader van operationele lease (zie ook de bijlage over lease en huurkoop van duurzame goederen);

b) transacties die als veranderingen in voorraden worden geregistreerd:

(1) slachtvee, inclusief pluimvee;

(2) voor de houtproduktie bestemde bomen (onderhanden werk);

c) vervoermiddelen, machines en werktuigen die door huishoudens voor consumptie zijn aangeschaft (consumptieve bestedingen);

d) waarderingsverschillen op vaste activa (overige mutaties in activa);

e) verliezen op vaste activa door rampen (overige mutaties in activa), bij voorbeeld vernietiging van in cultuur gebrachte activa en vee door het uitbreken van een ziekte (die gewoonlijk niet door een verzekering wordt gedekt) of schade door abnormaal hoge waterstanden, storm of bosbranden (zie hoofdstuk 6).

3.109. De bruto-investeringen in vaste activa in de vorm van verbeteringen aan gebruikte vaste activa moeten onder de aankopen van nieuwe vaste activa van dezelfde soort worden ingedeeld.

3.110. Immateriële vaste activa bestaan gewoonlijk uit nieuwe informatie, specifieke kennis enz.; hiertoe behoren:

a) exploratie van minerale reserves; dit omvat de kosten van feitelijke proefboringen, luchtkartering, ander topografisch onderzoek, vervoerkosten enz.;

b) computerprogrammatuur en grote databanken die gedurende meer dan een jaar in het produktieproces worden gebruikt;

c) literaire en artistieke originelen van manuscripten, vertolkingen, modellen, films, geluidsopnamen enz.;

3.111. Zowel voor vaste activa als voor niet-geproduceerde niet-financiële activa bestaan de ten laste van de nieuwe eigenaar komende kosten van de eigendomsoverdracht uit:

a) opleveringskosten van (nieuwe of gebruikte) activa op de vereiste plaats en tijd, zoals vervoer-, installatie- en oprichtingskosten enz.;

b) gemaakte kosten of betaalde vergoedingen voor deskundige bijstand, zoals honoraria voor landmeters, ingenieurs, advocaten en taxateurs en commissies betaald aan makelaars, veilingmeesters enz.;

c) door de nieuwe eigenaar verschuldigde belastingen op de eigendomsoverdracht van de activa.

Al deze kosten moeten worden geregistreerd als bruto-investeringen in vaste activa door de nieuwe eigenaar. Opgemerkt zij dat de belastingen moeten worden behandeld als belastingen op de diensten van de intermediairs en niet als belastingen op de gekochte activa.

MOMENT VAN REGISTRATIE EN WAARDERING VAN DE BRUTO-INVESTERINGEN IN VASTE ACTIVA

3.112. De bruto-investeringen in vaste activa worden geregistreerd wanneer de eigendom van de vaste activa wordt overgedragen aan de institutionele eenheid die ze voor produktieve doeleinden wil gebruiken.

Een afwijking van deze algemene regel is nodig voor:

a) financiële lease (dan wordt een fictieve eigendomsoverdracht verondersteld);

b) in eigen beheer geproduceerde investeringen in vaste activa.

Door middel van financiële lease verworven activa worden geregistreerd alsof de gebruiker eigenaar wordt op het moment dat hij bezit neemt van de goederen. Investeringen in eigen beheer worden geregistreerd wanneer ze worden geproduceerd.

3.113. Bruto-investeringen in vaste activa worden gewaardeerd tegen aankoopprijzen inclusief installatiekosten en andere kosten van eigendomsoverdracht. In eigen beheer geproduceerde investeringen worden gewaardeerd tegen de basisprijzen van soortgelijke vaste activa (hetgeen een toeslag inhoudt voor het netto-exploitatieoverschot of het gemengd inkomen) of tegen de produktiekosten indien geen basisprijzen beschikbaar zijn.

3.114. De aanschaf van immateriële vaste activa wordt op uiteenlopende wijze gewaardeerd:

a) exploratie van minerale reserves: tegen de kosten van de feitelijke proefboringen en de kosten die zijn gemaakt om proeven mogelijk te maken (zoals voor luchtkartering en ander topografisch onderzoek);

b) computerprogrammatuur: tegen aankoopprijzen indien de programmatuur op de markt gekocht is of tegen de geraamde basisprijs (of, indien dit niet mogelijk is, tegen de produktiekosten) wanneer de programmatuur zelf ontwikkeld is;

c) originelen op het gebied van woord, beeld en geluid: tegen de door de koper betaalde prijs indien het origineel wordt gekocht; indien het origineel niet wordt gekocht, tegen de basisprijs die wordt betaald voor gelijksoortige originelen, de produktiekosten of de contante waarde van de toekomstige opbrengsten die worden verwacht wanneer de originelen in produktie worden genomen.

3.115. De verkoop van gebruikte vaste activa wordt gewaardeerd tegen de (basis)prijs na aftrek van eventuele kosten van eigendomsoverdracht voor de verkoper.

3.116. Zowel bij de eigendomsoverdracht van geproduceerde activa, inclusief vaste activa, als bij die van niet-geproduceerde activa, zoals grond, kunnen kosten worden gemaakt.

Bij geproduceerde activa maken deze kosten deel uit van de aankoopprijs. In het geval van grond en andere niet-geproduceerde activa moeten zij worden gescheiden van de koop en verkoop zelf en bij de classificatie van de bruto-investeringen in vaste activa moeten zij in een afzonderlijke rubriek worden geregistreerd.

VERANDERINGEN IN VOORRADEN (P.52)

3.117. Definitie: Veranderingen in voorraden worden gemeten door op de waarde van de toevoegingen aan de voorraden de waarde van de onttrekkingen en de waarde van eventuele periodieke verliezen aan in voorraad gehouden goederen in mindering te brengen.

3.118. Periodieke verliezen als gevolg van fysiek bederf, schade of diefstal zijn mogelijk bij alle soorten in voorraad gehouden goederen, zoals:

a) verliezen aan grondstoffen en halffabrikaten;

b) verliezen aan onderhanden werk;

c) verliezen aan gereed produkt;

d) verliezen aan handelsgoederen (b.v. als gevolg van winkeldiefstal).

3.119. De voorraden bestaan uit onderstaande categorieën:

a) grondstoffen en halffabrikaten:

Grondstoffen en halffabrikaten zijn alle goederen die in voorraad worden gehouden met de bedoeling ze als intermediaire input te gebruiken; dit geldt ook voor goederen die door de overheid in voorraad worden gehouden. Artikelen als goud, diamanten enz. zijn inbegrepen wanneer ze voor industrieel gebruik zijn bestemd of anderszins in het produktieproces zullen worden gebruikt;

b) onderhanden werk:

Onderhanden werk bestaat uit de nog niet voltooide output. Het wordt geregistreerd bij de voorraden van de producent. Er zijn diverse vormen, bij voorbeeld:

(1) gewassen te velde;

(2) nog niet tot wasdom gekomen bomen en vee;

(3) onvoltooide bouwwerken (met uitzondering van die welke in het kader van een vooraf gesloten verkoopcontract of in eigen beheer worden geproduceerd; deze worden als investeringen in vaste activa behandeld);

(4) andere onvoltooide vaste activa, bij voorbeeld schepen en boorplatforms;

(5) onvoltooid onderzoek in het kader van een juridisch of adviserend dossier;

(6) gedeeltelijk voltooide filmprodukties;

(7) gedeeltelijk voltooide computerprogramma's.

Ieder produktieproces dat aan het eind van de verslagperiode niet is voltooid, moet als onderhanden werk worden geregistreerd. Dit is vooral van belang voor kwartaalrekeningen, bij voorbeeld landbouwgewassen die niet binnen een kwartaal volgroeid zijn.

Het onderhanden werk neemt af wanneer het produktieproces wordt voltooid. Op dat moment wordt al het onderhanden werk omgezet in gereed produkt;

c) gereed produkt:

Gereed produkt als deel van de voorraden bestaat uit de output die de producent niet van plan is voor de aflevering verder te bewerken (ook al zal deze output worden gebruikt als intermediaire input in andere produktieprocessen);

d) handelsgoederen:

Handelsgoederen zijn goederen die zijn verworven om ze in de staat waarin zij zich bevinden, verder te verkopen.

MOMENT VAN REGISTRATIE EN WAARDERING VAN VERANDERINGEN IN VOORRADEN

3.120. Het moment van registratie en waardering van veranderingen in voorraden moet in overeenstemming zijn met dat van andere transacties in produkten. Dit geldt met name voor het intermediair verbruik (b.v. voor grondstoffen en halffabrikaten), de output (b.v. onderhanden werk en output uit de opslag van landbouwprodukten) en de bruto-investeringen in vaste activa (b.v. onderhanden werk). Een consequente behandeling is ook vereist bij loonveredeling. Indien goederen bij voorbeeld in het buitenland worden verwerkt en er vindt een aanzienlijke verandering in de goederen plaats, dan moeten de goederen in de uitvoer (en naderhand in de invoer) worden opgenomen (zie punt 3.135). Deze uitvoer gaat samen met een vermindering van de voorraden (indien de goederen niet onmiddellijk worden gebruikt of verkocht).

3.121. Veranderingen in voorraden moeten worden gewaardeerd op het moment dat de goederen aan de voorraden worden toegevoegd of hieraan worden onttrokken.

3.122. De gehanteerde prijzen moeten in overeenstemming zijn met die van andere stromen, wat meer in het bijzonder betekent dat:

a) de output van gereed produkt dat aan de voorraden van de producent wordt toegevoegd, wordt gewaardeerd als bij verkoop, namelijk tegen lopende basisprijzen;

b) toevoegingen aan onderhanden werk worden gewaardeerd naar rato van het aandeel in de raming van de lopende basisprijs van het gereed produkt;

c) verminderingen van onderhanden werk (als onttrekkingen aan de voorraden wanneer het produktieproces voltooid is) worden gewaardeerd tegen basisprijzen;

d) voor de verkoop aan voorraden onttrokken goederen worden gewaardeerd tegen basisprijzen;

e) handelsgoederen die aan de voorraden van groot- en detailhandelaren enz. worden toegevoegd, worden gewaardeerd tegen de werkelijke of de geraamde aankoopprijs die is betaald door de handelaar;

f) aan de voorraden onttrokken handelsgoederen worden gewaardeerd tegen de aankoopprijs waartegen zij op het moment van onttrekking (en niet op dat van aankoop) kunnen worden vervangen.

3.123. Verliezen ten gevolge van fysiek bederf, verzekerbare schade of diefstal worden als volgt geregistreerd en gewaardeerd:

a) grondstoffen en halffabrikaten: alsof ze aan de voorraden waren onttrokken om in het produktieproces te worden gebruikt (intermediair verbruik);

b) onderhanden werk: als aftrekpost voor het in dezelfde periode gerealiseerde werk;

c) gereed produkt en handelsgoederen: als onttrekkingen tegen de lopende prijs van de overgebleven goederen.

3.124. Hierboven is een beschrijving gegeven van de theoretisch correcte waardering van iedere transactie met betrekking tot de voorraden, die nodig is om in overeenstemming te zijn met de waardering van de output, het intermediair verbruik en het finale gebruik. In de praktijk blijkt dit vaak te moeilijk te zijn en moet met een benadering worden gewerkt:

a) wanneer er vrij regelmatig veranderingen in de omvang van de voorraden plaatsvinden, is een praktische methode die de theoretische waarderingsregel sterk benadert, het vermenigvuldigen van de verandering met de gemiddelde prijs voor de periode (de aankoopprijs voor voorraden bij de gebruikers of bij de groot- en detailhandel en de basisprijs voor voorraden bij de producenten);

b) wanneer de prijs van de betrokken goederen vrij constant blijft, kan een eenvoudige benadering als het vermenigvuldigen van de omvang van de verandering met de gemiddelde prijs zelfs bij grote schommelingen in de omvang van de voorraden nog bruikbaar zijn;

c) indien zowel de omvang als de prijs van de voorraden gedurende de verslagperiode sterk veranderen, zijn verfijndere methoden voor een benadering noodzakelijk, bij voorbeeld een driemaandelijkse waardering van de veranderingen in voorraden of het gebruik van vooraf bekende informatie over de verdeling van de schommelingen binnen de verslagperiode (zo kunnen deze het grootst zijn aan het eind van het kalenderjaar, tijdens de oogst enz.);

d) indien alleen informatie over de waarde aan het begin en het eind van de periode beschikbaar is (b.v. bij de groot- en de detailhandel waar de voorraden vaak uit een groot aantal verschillende produkten bestaan), moeten de volumeveranderingen tussen het begin en het eind van de periode ook worden geraamd. Dit kan worden gedaan door het ramen van de omzet per produkt (of door van een bepaalde omzet uit te gaan).

NB: Seizoenschommelingen in de prijzen kunnen deels het gevolg zijn van kwaliteitsverschillen, bij voorbeeld opruimingsprijzen of prijzen voor groenten en fruit buiten het seizoen. Deze kwaliteitsverschillen moeten als volumemutaties worden behandeld.

SALDO AAN- EN VERKOPEN VAN KOSTBAARHEDEN (P.53)

3.125. Definitie: Kostbaarheden zijn niet-financiële goederen die niet hoofdzakelijk voor produktieve of consumptieve doeleinden worden gebruikt, die onder normale omstandigheden niet aan slijtage onderhevig zijn en die vooral als beleggingsobject worden verworven en bewaard.

3.126. De volgende soorten goederen behoren tot de kostbaarheden:

a) edelstenen en edele metalen, zoals diamanten, niet-monetair goud, platina, zilver enz.;

b) antiquiteiten en kunstobjecten, zoals schilderijen, beeldhouwwerken enz.;

c) andere kostbaarheden, zoals sieraden van edelstenen en edele metalen en verzamelobjecten.

Deze goederen moeten als aankoop of verkoop van kostbaarheden worden geregistreerd in geval van:

a) aankoop of verkoop van niet-monetair goud, zilver enz. door (centrale) banken en andere financiële intermediairs;

b) aankoop of verkoop van deze goederen door ondernemingen waarvan de hoofd- of nevenactiviteit niet het produceren van of de handel in dergelijke goederen is. Dergelijke aan- of verkopen zijn dan ook niet begrepen in het intermediair verbruik of in de investeringen in vaste activa van deze ondernemingen;

c) aankoop of verkoop van dergelijke goederen door huishoudens. Dergelijke aankopen zijn dan ook niet in de consumptieve bestedingen van de huishoudens begrepen.

Volgens afspraak worden in het ESR ook de volgende gevallen als aan- of verkopen van kostbaarheden geregistreerd:

a) aankoop of verkoop van deze goederen door juweliers en kunsthandelaren (volgens de algemene definitie van kostbaarheden zou de aankoop van deze goederen door juweliers en kunsthandelaren als veranderingen in voorraden moeten worden geregistreerd);

b) aankoop of verkoop van deze goederen door musea (volgens de algemene definitie van kostbaarheden zou de aankoop van deze goederen door musea als investeringen in vaste activa moeten worden geregistreerd).

Dank zij deze afspraak kan het veelvuldige hertyperen naar de drie belangrijkste soorten investeringen - saldo aan- en verkopen van kostbaarheden, investeringen in vaste activa en veranderingen in voorraden - worden vermeden (b.v. bij transacties in dergelijke goederen tussen huishoudens en kunsthandelaren).

3.127. Het produceren van kostbaarheden wordt gewaardeerd tegen basisprijzen (zie ook punt 3.67 over het produceren van originele werken). Alle andere vormen van verwerving van kostbaarheden worden gewaardeerd tegen de ervoor betaalde aankoopprijs, inclusief eventuele honoraria en commissies voor tussenpersonen en de handelsmarge indien de kostbaarheden bij een handelaar zijn gekocht. De verkoop van kostbaarheden wordt gewaardeerd tegen de door de verkoper ontvangen prijs, na aftrek van eventueel aan tussenpersonen betaalde honoraria en commissies. Wanneer de produktie van kostbaarheden buiten beschouwing wordt gelaten, compenseren de totale aankopen en de totale verkopen tussen ingezeten sectoren elkaar en resten alleen de marges voor de tussenpersonen en de handel.

IN- EN UITVOER VAN GOEDEREN EN DIENSTEN (P.6 EN P.7)

3.128. Definitie: De uitvoer van goederen en diensten bestaat uit de goederen- en dienstenstromen (verkoop, ruil, giften of andere overdrachten om niet) van ingezetenen naar niet-ingezetenen.

3.129. Definitie: De invoer van goederen en diensten bestaat uit de goederen- en dienstenstromen (aankoop, ruil, giften of andere overdrachten om niet) van niet-ingezetenen naar ingezetenen.

3.130. De in- en uitvoer van goederen en diensten omvat niet:

a) "establishment trade", d.w.z.:

(1) leveringen aan niet-ingezetenen door niet-ingezeten vestigingen van ingezeten ondernemingen, bij voorbeeld verkopen in het buitenland door buitenlandse filialen van een multinationale onderneming die eigendom is van of beheerd wordt door ingezetenen;

(2) leveringen aan ingezetenen door ingezeten vestigingen van niet-ingezeten ondernemingen, bij voorbeeld verkopen door binnenlandse filialen van buitenlandse multinationale ondernemingen;

b) primair-inkomensstromen naar en uit het buitenland, zoals beloning van werknemers, rente en inkomen uit directe investeringen; de opbrengsten uit directe investeringen kunnen ook niet af te splitsen vergoedingen omvatten voor het leveren van allerlei diensten, bij voorbeeld opleiding van werknemers, managementdiensten en het gebruik van octrooien en handelsmerken;

c) de koop of verkoop van financiële activa of niet-geproduceerde activa, zoals grond en octrooien.

3.131. De in- en uitvoer van goederen en diensten moet worden onderscheiden in:

a) transacties tussen Lid-Staten van de EU;

b) invoer in en uitvoer uit de EU.

Voor het gemak worden beide hier in- en uitvoer genoemd.

IN- EN UITVOER VAN GOEDEREN (P.61 EN P.71)

3.132. In- en uitvoer van goederen vindt plaats wanneer de eigendom van goederen door een ingezetene wordt overgedragen aan een niet-ingezetene of andersom (ongeacht of er sprake is van een fysieke grensoverschrijdende goederenbeweging).

3.133. In vier gevallen wordt bij de registratie van in- en uitvoer van goederen echter afgeweken van het eigendomsoverdrachtbeginsel:

a) financiële lease: er wordt aangenomen dat er een eigendomsoverdracht van de geleasde goederen van de lessor naar de lessee heeft plaatsgevonden; de registratie vindt plaats op het moment dat de lessee het goed in bezit neemt (zie bijlage II over lease en huurkoop van duurzame goederen);

b) leveringen tussen geaffilieerde bedrijven (filiaal of dochteronderneming, of buitenlandse vestiging); er wordt aangenomen dat er een eigendomsoverdracht heeft plaatsgevonden wanneer goederen door een onderneming aan een geaffilieerde onderneming worden geleverd;

c) goederen die worden verzonden voor een substantiële loonveredeling of reparatie, worden in beide gevallen bij de in- en uitvoer geregistreerd hoewel er geen sprake is van eigendomsoverdracht;

d) transitohandel: er wordt geen invoer of uitvoer geregistreerd wanneer handelaren goederen van niet-ingezetenen kopen en deze vervolgens binnen dezelfde verslagperiode aan niet-ingezetenen doorverkopen. Een dergelijke behandeling moet ook worden toegepast bij transitohandel door niet-ingezetenen.

3.134. In de volgende gevallen vindt uitvoer van goederen plaats zonder dat er sprake is van grensoverschrijding:

a) goederen die door in internationale wateren opererende ingezeten eenheden worden geproduceerd, en die direct aan niet-ingezetenen in het buitenland worden verkocht (aardolie, aardgas, visserijprodukten, berging van schepen op zee enz.);

b) vervoermiddelen en ander bewegend materieel dat niet aan een vaste plaats gebonden is, behoeven de grens van het land van uitvoer niet te overschrijden wanneer ze door een ingezetene aan een niet-ingezetene worden verkocht;

c) goederen die na de eigendomsoverdracht, maar voordat ze de grens van het land van uitvoer hebben overschreden, verloren raken of teniet gaan.

Voor de invoer van goederen gelden soortgelijke gevallen.

3.135. De in- en uitvoer van goederen omvat transacties tussen ingezetenen en niet-ingezetenen in:

a) niet-monetair goud, d.w.z. goud dat niet gebruikt wordt voor het monetair beleid;

b) ongemunt zilver, diamanten en andere edele metalen en edelstenen;

c) geld (papiergeld en munten) dat niet in omloop is en niet-geëmitteerde effecten (gewaardeerd als goederen en niet tegen de nominale waarde);

d) elektriciteit, gas en water;

e) vee dat over de grens wordt gedreven;

f) pakketpost;

g) uitvoer door de overheid, inclusief de uitvoer van goederen die zijn gefinancierd met een overdracht of een lening van de overheid;

h) goederen waarvan de eigendom overgaat naar of van een eenheid die een buffervoorraad aanhoudt;

i) goederen die door een ingezeten onderneming geleverd zijn aan haar niet-ingezeten geaffilieerden;

j) goederen die door een ingezeten onderneming ontvangen zijn van haar niet-ingezeten geaffilieerden;

k) smokkelwaar;

l) overige niet-geregistreerde zendingen, zoals giften en zendingen beneden een bepaalde waarde;

m) goederen die in het buitenland worden veredeld en daarbij een aanzienlijke fysieke verandering ondergaan, alsmede goederen die op het eigen grondgebied in opdracht van niet-ingezetenen worden veredeld;

n) investeringsgoederen die in het buitenland worden gerepareerd, indien dit substantiële herstelwerkzaamheden of nieuwe produktie met zich brengt. Dit geldt ook voor dergelijke goederen die op het eigen grondgebied in opdracht van niet-ingezetenen worden gerepareerd.

3.136. De in- en uitvoer van goederen omvat niet de volgende goederen, ook al zouden zij de nationale grens overschrijden:

a) goederen die via een land worden doorgevoerd;

b) goederen die worden verzonden naar of vanuit een ambassade, militaire basis of andere enclave van een land op het grondgebied van een ander land;

c) vervoermiddelen en ander bewegend materieel, die een land tijdelijk verlaten zonder dat er een eigendomsoverdracht plaatsvindt (b.v. bouwwerktuigen voor installatie- of bouwwerkzaamheden in het buitenland);

d) werktuigen en andere goederen die voor een kleine bewerking of voor onderhoud of reparatie naar het buitenland worden gezonden;

e) andere goederen die een land tijdelijk verlaten, maar in de regel binnen een jaar in de oorspronkelijke staat en zonder eigendomsoverdracht terugkeren (b.v. goederen die voor een tentoonstelling of een theaterproduktie naar het buitenland worden gezonden, goederen die in het kader van operationele lease naar het buitenland gaan (ook al betreft het een lease voor verscheidene jaren), goederen die worden teruggezonden omdat de verkoop niet naar verwachting verliep);

f) in consignatie verzonden goederen die verloren raken of tenietgaan nadat ze een grens overschreden hebben, maar voordat er sprake is van eigendomsoverdracht.

3.137. De in- en uitvoer van goederen moet in beginsel worden geregistreerd wanneer de eigendom van de goederen wordt overgedragen. In de praktijk wordt de eigendomsoverdracht geacht plaats te vinden op het moment dat de bij de transactie betrokken partijen deze in hun boeken of rekeningen opnemen. Dit behoeft niet samen te vallen met de verschillende fases van de overeenkomst, zoals:

a) het moment dat de verbintenis wordt gesloten (contractdatum);

b) het moment dat de goederen en diensten worden geleverd en er een aanspraak op betaling ontstaat (datum van overdracht);

c) het moment dat die aanspraak wordt gehonoreerd (betaaldatum).

3.138. De in- en uitvoer van goederen moet worden gewaardeerd tegen de fob-waarde ("free on board") aan de grens van het land van uitvoer. Deze waarde bestaat uit:

a) de waarde van de goederen tegen basisprijzen;

b) plus de kosten van vervoer en distributie van die goederen tot aan de grens, inclusief de eventuele kosten voor het laden op een vervoermiddel voor verder transport (zie tabel 3.4, tweede kolom in het tweede gedeelte van de tabel);

c) plus het saldo van belastingen en subsidies op de uitgevoerde goederen; voor leveringen binnen de EU betreft dit onder meer de BTW en de overige produktgebonden belastingen die in het land van uitvoer zijn betaald.

In de aanbod- en gebruikstabellen en de symmetrische input-outputtabel moet de invoer van goederen voor afzonderlijke produktgroepen echter worden gewaardeerd tegen de cif-waarde ("cost-insurance-freight") aan de grens van het land van invoer.

Definitie: De cif-prijs is de prijs van een goed aan de grens van het land van invoer, of de prijs van een dienst die geleverd is aan een ingezetene, exclusief invoerrechten, overige belastingen op invoer en handels- en vervoersmarges in het land van invoer (40).

3.139. Onder bepaalde omstandigheden kan een benadering of een vervangende maatstaf voor de fob-waarde nodig zijn:

a) geruilde goederen moeten worden gewaardeerd tegen de basisprijs die bij verkoop tegen contante betaling zou zijn ontvangen;

b) voor transacties tussen geaffilieerde ondernemingen geldt als regel dat de werkelijke overdrachtswaarde moet worden gehanteerd. Indien deze echter sterk afwijkt van de marktprijs, moet het geraamde marktprijsequivalent worden geregistreerd of, voor analytische doeleinden, ten minste afzonderlijk worden aangegeven;

c) goederen die in het kader van financiële lease worden overgedragen, moeten worden gewaardeerd op basis van de door de lessor betaalde aankoopprijs (en niet op basis van de cumulatieve waarde van de leasesommen);

d) invoer van goederen die moet worden geraamd op basis van douanegegevens (voor extra-EU-handel) of Intrastat-informatie (voor intra-EU-handel). Geen van beide bronnen hanteert een fob-waardering; de een hanteert de cif-waarde aan de EU-grens en de andere die aan de nationale grens. Aangezien fob-waarden alleen op het meest geaggregeerde niveau bekend zijn (op produktgroepniveau worden alleen cif-waarden gehanteerd), behoeven deze wijzigingen alleen op het meest geaggregeerde niveau te worden toegepast. Dit gebeurt door middel van de cif/fob-correctie.

e) in- en uitvoer van goederen die moet worden geraamd op basis van bij enquêtes of ad hoc verzamelde informatie. In dergelijke gevallen kan gewoonlijk alleen de totale waarde van de verkopen, uitgesplitst naar produkten, worden verkregen. De raming zal daarom op de aankoopprijzen en niet op de fob-waarden gebaseerd zijn.

IN- EN UITVOER VAN DIENSTEN (P.62 EN P.72)

3.140. Definitie: De uitvoer van diensten omvat alle diensten die door ingezetenen aan niet-ingezetenen worden verleend.

3.141. Definitie: De invoer van diensten omvat alle diensten die door niet-ingezetenen aan ingezetenen worden verleend.

3.142. De uitvoer van diensten omvat de volgende grensgevallen:

a) vervoer van uitgevoerde goederen na grensoverschrijding van het land van uitvoer, indien dit gebeurt door ingezeten vervoerbedrijven (zie tabel 3.4, voorbeelden 2 en 3);

b) vervoer van ingevoerde goederen door een ingezeten vervoerbedrijf

(1) tot aan de grens van het land van uitvoer bij een fob-waardering van de goederen, ter compensatie van de in de fob-waarde begrepen waarde van het vervoer (zie tabel 3.5, voorbeeld 3)

(2) tot aan de grens van het land van invoer bij een cif-waardering van de goederen, ter compensatie van de in de cif-waarde begrepen waarde van het vervoer (zie tabel 3.5, voorbeelden 3 en 2 cif)

c) goederenvervoer door ingezetenen in opdracht van niet-ingezetenen zonder dat er sprake is van invoer of uitvoer van de goederen (b.v. het vervoer van goederen die het land van uitvoer niet verlaten of het vervoer van goederen buiten het grondgebied van het betrokken land);

d) binnenlands of grensoverschrijdend personenvervoer van niet-ingezetenen door ingezeten vervoerbedrijven;

e) kleine bewerkingen en reparaties in opdracht van niet-ingezetenen;

f) bouwkundige diensten ingeval een bouwproject in het buitenland niet als quasi-vennootschap wordt behandeld. Dit geldt voor bouwprojecten met een duur van minder dan een jaar, waarvan de output geen deel uitmaakt van de bruto-investeringen in vaste activa (zie punt 2.09 en in het bijzonder voetnoot 4);

g) installatie van machines en werktuigen in het buitenland, voor zover het gaat om een project dat door zijn aard van beperkte duur is;

h) financiële diensten ter waarde van de expliciet in rekening gebrachte provisies, commissies en honoraria;

i) verzekeringsdiensten ter waarde van de vergoedingen voor de dienst;

j) uitgaven van niet-ingezeten toeristen en personen op zakenreis (volgens afspraak geclassificeerd als diensten; voor de aanbod- en gebruikstabel en de symmetrische input-outputtabel kan echter een globale indeling naar produkten noodzakelijk zijn);

k) uitgaven van niet-ingezetenen voor medische en onderwijsdiensten verleend door ingezetenen, ongeacht of deze diensten op het grondgebied van het betrokken land of in het buitenland worden verleend;

l) woondiensten door niet-ingezeten bewoners van een eigen vakantiewoning (zie punt 3.64);

m) royalties en licenties waarvan de ontvangst gekoppeld is aan toestemming voor het gebruik van immateriële niet-geproduceerde niet-financiële activa en eigendomsrechten, zoals octrooien, auteursrechten, handelsmerken, industriële procédés, franchises enz., en aan het gebruik, via licentieovereenkomsten, van geproduceerde originelen of prototypen, zoals manuscripten, schilderijen enz.

3.143. Voor de invoer van diensten zijn de meeste grensgevallen het spiegelbeeld van die voor de uitvoer van diensten; daarom is hierop slechts een beperkte toelichting nodig.

3.144. De invoer van vervoerdiensten omvat de volgende grensgevallen:

a) vervoer van uitgevoerde goederen tot aan de grens van het land van uitvoer door een niet-ingezeten vervoerbedrijf ter compensatie van de in de fob-waarde van de uitgevoerde goederen begrepen waarde van het vervoer (zie tabel 3.4, voorbeeld 4);

b) vervoer van ingevoerde goederen door een niet-ingezeten vervoerbedrijf

(1) vanaf de grens van het land van uitvoer als afzonderlijke vervoerdienst bij een fob-waardering van de ingevoerde goederen (zie tabel 3.5, voorbeelden 4 en 5 fob);

(2) vanaf de grens van het land van invoer als afzonderlijke vervoerdienst bij een cif-waardering van de ingevoerde goederen (in dit geval is de waarde van de vervoerdienst tussen de grens van het land van uitvoer en die van het land van invoer al in de cif-waarde van de goederen begrepen, zie tabel 3.5, voorbeeld 4);

c) goederenvervoer door niet-ingezetenen in opdracht van ingezetenen zonder dat er sprake is van invoer of uitvoer van goederen (b.v. vervoer van goederen in doorvoer of vervoer buiten het grondgebied van het betrokken land);

d) binnenlands of grensoverschrijdend personenvervoer van ingezetenen door niet-ingezeten vervoerbedrijven.

Invoer van vervoerdiensten omvat niet het vervoer van uitgevoerde goederen na overschrijding van de grens van het land van uitvoer, wanneer dit geschiedt door niet-ingezeten vervoerbedrijven (zie tabel 3.4, voorbeelden 5 en 6). Voor de uitvoer van goederen wordt een fob-waardering toegepast en al dergelijke vervoerdiensten worden daarom beschouwd als transacties tussen niet-ingezetenen, namelijk tussen een niet-ingezeten vervoerbedrijf en een niet-ingezeten importeur. Dit geldt ook indien deze vervoerdiensten in het kader van een cif-uitvoercontract door de exporteur worden betaald.

3.145. De invoer in verband met rechtstreekse aankopen door ingezetenen in het buitenland omvat alle goederen en diensten die ingezetenen tijdens zakelijke of privé-reizen in het buitenland hebben gekocht. Er moeten twee categorieën worden onderscheiden, die om een verschillende behandeling vragen:

a) uitgaven van personen op zakenreis worden geregistreerd als intermediair verbruik;

b) uitgaven van reizigers tijdens privé-reizen worden geregistreerd als consumptieve bestedingen van huishoudens.

3.146. De in- en uitvoer van diensten wordt geregistreerd op het moment dat de diensten worden verleend, wat meestal samenvalt met het moment dat zij worden geproduceerd. De invoer van diensten moet worden gewaardeerd tegen aankoopprijzen en de uitvoer van diensten tegen basisprijzen.

Tabel 3.4 - Behandeling van het vervoer van uitgevoerde goederen

Toelichting op de tabel: Het eerste deel van de tabel laat zien dat er zes mogelijkheden van vervoer van uitgevoerde goederen zijn. Enerzijds kan er onderscheid worden gemaakt naar het al dan niet ingezetene zijn van de vervoerder. Anderzijds is het afhankelijk van de plaats waar het vervoer plaatsvindt: van een plaats op het grondgebied van het land van uitvoer naar de grens van het land van uitvoer, van de grens van het land van uitvoer naar de grens van het land van invoer of van de grens van het land van invoer naar een plaats in het land van invoer. In het tweede deel van de tabel wordt voor elk van de zes mogelijkheden aangegeven of zij geregistreerd moeten worden als uitvoer van goederen, uitvoer van diensten, invoer van goederen of invoer van diensten.

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

Tabel 3.5 - Behandeling van het vervoer van ingevoerde goederen

Toelichting op de tabel: Het eerste deel van de tabel laat zien dat er zes mogelijkheden van vervoer van ingevoerde goederen zijn. Enerzijds kan er onderscheid worden gemaakt naar het al dan niet ingezetene zijn van de vervoerder. Anderzijds is het afhankelijk van de plaats waar het vervoer plaatsvindt: van een plaats op het grondgebied van het land van uitvoer naar de grens van het land van uitvoer, van de grens van het land van uitvoer naar de grens van het land van invoer of van de grens van het land van invoer naar een plaats in het land van invoer. In het tweede deel van de tabel wordt voor elk van de zes mogelijkheden aangegeven of zij geregistreerd moeten worden als invoer van goederen, invoer van diensten, uitvoer van goederen of uitvoer van diensten. In sommige gevallen (voorbeelden 2 en 5) is de registratie afhankelijk van de waarderingsregel die is toegepast op de ingevoerde goederen.

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

De overgang van een cif- naar een fob-waardering van ingevoerde goederen bestaat uit:

a) een cif/fob-correctie, d.w.z. van 2 cif naar 2 fob (waardoor de totale in- en uitvoer vermindert);

b) een cif/fob-herclassificatie, d.w.z. van 5 cif naar 5 fob (waardoor de totale in- en uitvoer ongewijzigd blijft).

TRANSACTIES IN GEBRUIKTE GOEDEREN

3.147. Definitie: Gebruikte goederen zijn goederen die al een gebruiker hebben gehad (met uitzondering van voorraden).

3.148. Tot de gebruikte goederen behoren:

a) bestaande gebouwen en andere vaste activa die door een producerende eenheid aan andere eenheden worden verkocht:

(1) om als zodanig opnieuw te worden gebruikt;

(2) om te worden gesloopt; de produkten die hierbij ontstaan, worden gewoonlijk grondstoffen (b.v. schroot) voor de produktie van nieuwe goederen (b.v. staal);

b) kostbaarheden die door de ene eenheid aan een andere worden verkocht;

c) gebruikte duurzame consumptiegoederen die door huishoudens of door de militaire autoriteiten aan andere eenheden worden verkocht:

(1) om als zodanig opnieuw te worden gebruikt;

(2) om te worden gesloopt en in sloopmateriaal te worden omgezet;

d) gebruikte niet-duurzame goederen (b.v. papierafval, lompen, oude kleding, lege flessen) die door ongeacht welke eenheid worden verkocht om hetzij opnieuw te worden gebruikt hetzij als grondstof te worden gebruikt voor de vervaardiging van nieuwe goederen (gerecupereerde goederen).

3.149. De overdracht van gebruikte goederen wordt geregistreerd als een negatieve uitgave (aankoop) voor de verkoper en een positieve uitgave (aankoop) voor de koper.

3.150. Dit heeft een aantal gevolgen:

a) wanneer de verkoop van gebruikte vaste activa of kostbaarheden plaatsvindt tussen twee ingezeten producenten, compenseren de voor de bruto-investeringen in vaste activa geregistreerde positieve en negatieve waarden elkaar op het niveau van de totale economie, met uitzondering evenwel van de kosten van de eigendomsoverdracht;

b) wanneer bestaande onroerende vaste activa (b.v. gebouwen) aan een niet-ingezetene worden verkocht, wordt de niet-ingezetene volgens afspraak behandeld als koper van financiële activa - in casu overige deelnemingen in een fictieve ingezeten eenheid. Deze fictieve ingezeten eenheid wordt dan geacht de vaste activa te kopen, zodat de koop en verkoop van de vaste activa tussen ingezetenen plaatsvindt;

c) wanneer gebruikte roerende vaste activa, zoals schepen of vliegtuigen, worden uitgevoerd, wordt niet elders in de economie een positieve bruto-investering in vaste activa geregistreerd om de negatieve bruto-investering in vaste activa van de verkoper te compenseren;

d) bepaalde duurzame goederen, zoals voertuigen, kunnen als vaste activa of als duurzame consumptiegoederen worden geclassificeerd naar gelang van de eigenaar en het doel waarvoor ze worden gebruikt. Indien de eigendom van een dergelijk goed door een onderneming voor consumptie aan een huishouden wordt overgedragen, wordt voor de onderneming een negatieve bruto-investering in vaste activa geregistreerd en voor het huishouden positieve consumptieve bestedingen. In het minder vaak voorkomende geval dat de eigendom van een dergelijk goed door een huishouden wordt overgedragen aan een onderneming, moeten voor het huishouden negatieve consumptieve bestedingen worden geregistreerd en voor de onderneming positieve bruto-investeringen in vaste activa;

e) transacties in bestaande kostbaarheden moeten worden geregistreerd als de aankoop van een kostbaarheid (positieve bruto-investeringen) door de koper en de verkoop van een kostbaarheid (negatieve bruto-investeringen) door de verkoper. Bij een transactie met het buitenland moet de invoer of uitvoer van een goed worden geregistreerd (zie punt 3.125). De verkoop van een kostbaarheid door een huishouden moet niet als negatieve consumptieve bestedingen worden geregistreerd;

f) wanneer gebruikte duurzame militaire goederen door de overheid aan het buitenland worden verkocht, moet deze verkoop worden geregistreerd als een uitvoer van goederen en als negatief intermediair verbruik (en negatieve consumptie) door de overheid.

3.151. Voor de verkoopkosten van de vroegere eigenaar (kosten van de eigendomsoverdracht) moeten waarderingsverschillen worden geregistreerd. Op deze wijze moet ook het nog niet als verbruik van vaste activa afgeschreven deel van zijn oorspronkelijke verwervingskosten worden geregistreerd.

3.152. Transacties in gebruikte goederen moeten worden geregistreerd op het moment van de eigendomsoverdracht. De waarderingsregels die moeten worden toegepast, zijn gelijk aan die voor de soort(en) transacties in de betrokken produkten.

HOOFDSTUK 4

VERDELINGSTRANSACTIES

4.01. Definitie: Verdelingstransacties zijn enerzijds transacties waarbij de door het produktieproces gegenereerde toegevoegde waarde wordt verdeeld over arbeid, kapitaal en overheid, en anderzijds transacties met betrekking tot de herverdeling van inkomen en vermogen.

Het systeem maakt onderscheid tussen inkomens- en kapitaaloverdrachten; bij laatstgenoemde overdrachten worden de besparingen of het vermogen herverdeeld en niet het inkomen.

BELONING VAN WERKNEMERS (D.1)

4.02. Definitie: De beloning van werknemers (D.1) omvat de totale vergoeding, in geld of in natura, die door een werkgever aan een werknemer verschuldigd is voor de arbeid die tijdens de verslagperiode is verricht.

De beloning van werknemers wordt ingedeeld in:

a) lonen (D.11):

- lonen in geld en lonen in natura;

b) sociale premies t.l.v. werkgevers (D.12):

- werkelijke sociale premies t.l.v. werkgevers (D.121) en toegerekende sociale premies t.l.v. werkgevers (D.122).

LONEN (D.11)

Lonen in geld

4.03. De lonen in geld omvatten de ten laste van de werknemer komende sociale premies, loonbelasting enz., ook indien deze door de werkgever worden ingehouden en ten behoeve van de werknemer rechtstreeks aan sociale-verzekeringsregelingen, belastingdienst enz. worden betaald.

De lonen in geld bestaan uit:

a) periodiek verschuldigde basislonen;

b) toeslagen voor overwerk, nachtdienst, werk in het weekend, werk onder onaangename of gevaarlijke omstandigheden;

c) toeslagen voor kosten van levensonderhoud en ontheemdingstoeslagen;

d) produktiviteitspremies, winstuitkeringen, kerst- en nieuwjaarsgratificaties met uitzondering van sociale uitkeringen aan werknemers (zie punt 4.07c), "dertiende en veertiende maand" (jaarlijkse extra uitkering);

e) vergoedingen voor het woon-werkverkeer, met uitzondering van vergoedingen voor of terugbetalingen van reis-, verblijf-, verhuis- en representatiekosten die werknemers in het kader van de uitoefening van hun werkzaamheden maken (zie punt 4.07a);

f) beloning voor niet-gewerkte officiële feestdagen, betaalde vakantie;

g) aan werknemers betaalde commissies, fooien, presentiegelden en honoraria;

h) incidentele premies of andere bijzondere betalingen die samenhangen met het algemene resultaat van de onderneming in het kader van stimuleringsprogramma's;

i) uitkeringen van werkgevers aan hun werknemers in het kader van spaarregelingen;

j) bijzondere uitkeringen aan werknemers die de onderneming verlaten, die niet zijn vastgelegd in een collectieve arbeidsovereenkomst;

k) huisvestingstoelagen die door werkgevers aan hun werknemers worden uitbetaald.

Lonen in natura

4.04. Definitie: De lonen in natura omvatten goederen en diensten of andere voordelen die gratis of tegen gereduceerde prijzen door werkgevers worden verstrekt en waarvan de werknemers in hun eigen tijd en naar eigen goeddunken gebruik kunnen maken ter bevrediging van hun behoeften of die van de andere leden van hun huishouden. Dergelijke goederen en diensten of andere voordelen zijn niet noodzakelijk voor het produktieproces van de werkgever. Voor werknemers vormen lonen in natura een aanvullend inkomen: zij zouden een marktprijs hebben moeten betalen indien zij dergelijke goederen of diensten zelf hadden gekocht.

4.05. De meest gebruikelijke vormen van lonen in natura zijn:

a) maaltijden en dranken, inclusief die tijdens zakenreizen (omdat zij anders ook zouden worden genuttigd), met uitzondering van speciale maaltijden of dranken in verband met uitzonderlijke werkomstandigheden. Gratis verstrekkingen (b.v. via maaltijdbonnen) en prijsreducties in gesubsidieerde kantines moeten worden opgenomen bij lonen in natura;

b) woon- of accommodatiediensten, in eigen beheer verzorgd of van derden gekocht, ten behoeve van alle leden van het huishouden waartoe de werknemer behoort;

c) uniformen of andere speciale kleding die werknemers niet alleen op het werk, maar ook regelmatig buiten de werkplek dragen;

d) diensten met betrekking tot vervoermiddelen of andere duurzame consumptiegoederen die voor privé-gebruik beschikbaar worden gesteld aan de werknemers;

e) goederen en diensten die in het eigen produktieproces van de werkgever worden geproduceerd, zoals vrij reizen voor werknemers bij spoorweg- of luchtvaartmaatschappijen, gratis steenkool voor mijnwerkers of gratis voedsel voor werknemers in de landbouw;

f) sport-, vrijetijds- of vakantiefaciliteiten voor werknemers en hun gezinnen;

g) vervoer naar en van het werk, behalve wanneer dit tijdens werktijd plaatsvindt; het ter beschikking stellen van parkeerplaatsen;

h) kinderopvangverblijven voor de kinderen van werknemers;

i) betalingen van werkgevers aan ondernemingsraden of soortgelijke organen;

j) gratis aan werknemers verstrekte aandelen;

k) tot het loon in natura kan ook behoren de waarde van door werkgevers gederfde rente wanneer zij leningen tegen een gereduceerd tarief of zelfs renteloos aan werknemers verstrekken. De waarde kan worden geraamd als het bedrag dat de werknemer zou moeten betalen indien de gemiddelde hypotheekrente (bij de aanschaf van een huis) of de gemiddelde rente voor een consumptief krediet (bij de aanschaf van andere goederen en diensten) in rekening zou worden gebracht, verminderd met het bedrag van de werkelijk betaalde rente. Een toegerekende betaling door de werknemer wordt in de primaire inkomensverdelingsrekening teruggeleid naar de werkgever (omleiding).

4.06. Goederen en diensten, of andere vormen van loon in natura, moeten worden gewaardeerd tegen de basisprijs indien zij worden geproduceerd door de werkgever, en tegen de aankoopprijs indien de werkgever ze heeft aangeschaft (d.w.z. de werkelijk door de werkgever betaalde prijs).

Bij gratis verstrekking wordt de totale waarde van de lonen in natura berekend aan de hand van de basisprijzen (of aankoopprijzen indien de werkgever ze heeft aangeschaft) van de desbetreffende goederen en diensten of andere voordelen.

Bij verstrekking tegen lagere prijzen wordt de waarde ervan bepaald als het verschil tussen het bedrag berekend op de hierboven aangegeven wijze en het door de werknemer betaalde bedrag.

4.07. De lonen omvatten niet:

a) uitgaven van werkgevers die zowel aan henzelf als aan hun werknemers ten goede komen, omdat ze noodzakelijk zijn voor het produktieproces;

(1) toelagen voor of vergoedingen van reis-, verblijf-, verhuis- en representatiekosten die werknemers in het kader van de uitoefening van hun werk maken;

(2) uitgaven ter veraangenaming van de werkomgeving, voor medisch onderzoek dat nodig is wegens de aard van het werk, voor verstrekking van werkkleding die uitsluitend of hoofdzakelijk op het werk wordt gedragen;

(3) uitgaven voor accommodatie op de werkplek die niet kan worden benut door de huishoudens waartoe de werknemers behoren: barakken, slaapzalen, hutten enz.;

(4) speciale maaltijden of dranken die wegens uitzonderlijke werkomstandigheden nodig zijn;

(5) toelagen aan werknemers ten behoeve van de aankoop van gereedschap, materialen of speciale werkkleding die uitsluitend of voornamelijk noodzakelijk zijn voor het werk, of het gedeelte van hun loon dat werknemers krachtens hun arbeidsovereenkomst verplicht zijn aan dergelijke aankopen te besteden.

Dergelijke uitgaven voor goederen en diensten, die werkgevers aan hun werknemers moeten verstrekken om het in staat te stellen hun werk naar behoren uit te voeren, worden beschouwd als intermediair verbruik van de werkgever;

b) lonen die werkgevers tijdelijk aan hun werknemers doorbetalen bij ziekte, zwangerschap, arbeidsongeval, invaliditeit, ontslag enz. Dergelijke betalingen worden beschouwd als uitkeringen sociale verzekering rechtstreeks door werkgevers (D.623), en worden opgenomen onder de toegerekende sociale premies t.l.v. werkgevers (D.122);

c) andere uitkeringen sociale verzekering rechtstreeks door werkgevers, in de vorm van kinder-, partner- en gezinstoelagen, vergoedingen voor onderwijs of andere vergoedingen met betrekking tot van de werknemer afhankelijke personen en in de vorm van gratis medische diensten (met uitzondering van medisch onderzoek dat nodig is wegens de aard van het werk) aan werknemers en hun gezinnen;

d) belastingen ten laste van de werkgever over de loonsom of het aantal werknemers. Dergelijke belastingen worden beschouwd als niet-produktgebonden belastingen op produktie.

SOCIALE PREMIES TEN LASTE VAN WERKGEVERS (D.12)

4.08. Een bedrag gelijk aan de waarde van de sociale premies die ten laste van werkgevers komen om het recht van hun werknemers op sociale uitkeringen te waarborgen, moet worden opgenomen als beloning van werknemers. Bij de sociale premies ten laste van werkgevers kan het om werkelijke of toegerekende premies gaan.

Werkelijke sociale premies t.l.v. werkgevers (D.121)

4.09. Definitie: De werkelijke sociale premies t.l.v. werkgevers (D.121) zijn de bedragen die werkgevers ten behoeve van hun werknemers betalen aan de verzekeraars (wettelijke-sociale-verzekeringsinstellingen en particuliere verzekeringsregelingen met fondsvorming). Deze betalingen betreffen de wettelijke, de op collectieve arbeidsovereenkomsten berustende, de contractuele en de vrijwillige premies voor verzekering tegen sociale risico's en behoeften (zie punt 4.92a).

Hoewel de werkgeverspremies rechtstreeks door de werkgevers aan de verzekeraars worden betaald, worden zij beschouwd als een bestanddeel van de beloning van de werknemers, dat door hen vervolgens aan de verzekeraars wordt betaald.

Toegerekende sociale premies t.l.v. werkgevers (D.122)

4.10. Definitie: De toegerekende sociale premies t.l.v. werkgevers (D.122) vertegenwoordigen de tegenwaarde van de sociale uitkeringen (minus eventuele sociale premies t.l.v. werknemers) die rechtstreeks door werkgevers aan hun werknemers of voormalige werknemers en andere rechthebbenden (41) worden verstrekt, zonder tussenkomst van enige verzekeringsmaatschappij of zelfstandig pensioenfonds, en zonder de oprichting van een speciaal fonds of een afzonderlijke voorziening voor dit doel.

Het feit dat sommige sociale uitkeringen rechtstreeks door de werkgevers worden verstrekt, en niet via een wettelijke-sociale-verzekeringsinstelling of een andere verzekeraar, doet niets af aan hun karakter van sociale uitkeringen. Omdat de kosten van deze uitkeringen voor de werkgever echter een gedeelte van de loonkosten vormen, moeten zij eveneens bij de beloning van de werknemers worden opgenomen.

4.11. In de sectorrekeningen komen de uitgaven voor rechtstreekse sociale uitkeringen eerst voor onder de bestedingen in de inkomensvormingsrekening, namelijk als bestanddeel van de beloning van werknemers, en daarna onder de bestedingen in de secundaire inkomensverdelingsrekening, namelijk als sociale uitkeringen. Om laatstgenoemde rekening in evenwicht te brengen wordt aangenomen dat de huishoudens van de werknemers aan de sectoren waartoe hun werkgevers behoren, de toegerekende sociale premies t.l.v. werkgevers betalen die (samen met de eventuele sociale premies t.l.v. werknemers) de financiering vormen van de rechtstreekse sociale uitkeringen die de werkgevers hun verstrekken. Deze fictieve kringloop is analoog aan die bij de werkelijke sociale premies t.l.v. werkgevers, die eveneens via de rekeningen van de huishoudens lopen en geacht worden door deze huishoudens aan de verzekeraars te worden betaald.

Voor de waardering van de toegerekende sociale premies t.l.v. werkgevers, waarvan het bedrag niet noodzakelijkerwijs samenvalt met dat van de rechtstreekse sociale uitkeringen, zij verwezen naar rubriek D.612.

4.12. Moment van registratie van de beloning van werknemers:

a) de lonen (D.11) worden geregistreerd in het tijdvak dat de arbeid is verricht. Incidentele premies of andere bijzondere uitkeringen als "13e maand" enz., worden echter geregistreerd op het moment dat ze verschuldigd zijn;

b) de werkelijke sociale premies t.l.v. werkgevers (D.121) worden geregistreerd in het tijdvak dat de arbeid is verricht;

c) de toegerekende sociale premies t.l.v. werkgevers (D.122):

(1) die de tegenwaarde vormen van verplichte rechtstreekse sociale-verzekeringsuitkeringen, worden geregistreerd in het tijdvak dat de arbeid is verricht;

(2) die de tegenwaarde vormen van vrijwillige rechtstreekse sociale-verzekeringsuitkeringen, worden geregistreerd op het moment dat deze uitkeringen worden verstrekt.

4.13. Bij de beloning van werknemers kan het gaan om:

a) de beloning van ingezeten werknemers door ingezeten werkgevers;

b) de beloning van ingezeten werknemers door niet-ingezeten werkgevers;

c) de beloning van niet-ingezeten werknemers door ingezeten werkgevers.

In het ESR worden deze verschillende elementen als volgt opgenomen:

(1) de beloning van ingezeten en niet-ingezeten werknemers door ingezeten werkgevers omvat de elementen a) en c) en verschijnt onder de bestedingen in de inkomensvormingsrekening van de sectoren en bedrijfstakken waartoe de werkgevers behoren;

(2) de beloning van ingezeten werknemers door ingezeten en niet-ingezeten werkgevers omvat de elementen a) en b) en verschijnt onder de middelen in de rekening voor bestemming van primaire inkomens van de huishoudens;

(3) element b), de beloning van ingezeten werknemers door niet-ingezeten werkgevers, verschijnt onder de bestedingen in de rekening voor inkomenstransacties van het buitenland;

(4) element c), de beloning van niet-ingezeten werknemers door ingezeten werkgevers, verschijnt onder de middelen in de rekening voor inkomenstransacties van het buitenland.

BELASTINGEN OP PRODUKTIE EN INVOER (D.2)

4.14. Definitie: De belastingen op produktie en invoer (D.2) zijn verplichte betalingen om niet, in geld of in natura, die door de overheid of door de Instellingen van de Europese Unie worden opgelegd in verband met de produktie of de invoer van goederen en diensten, het in dienst hebben van arbeidskrachten en de eigendom of het gebruik van grond, gebouwen of andere activa die in het produktieproces worden aangewend. Deze belastingen zijn verschuldigd ongeacht of er winst wordt gemaakt.

4.15. De belastingen op produktie en invoer kunnen worden ingedeeld in:

a) produktgebonden belastingen (D.21):

(1) belasting over de toegevoegde waarde (BTW) (D.211);

(2) belastingen op invoer (exclusief BTW) (D.212):

- invoerrechten (D.2121);

- overige belastingen op invoer (D.2122);

(3) overige produktgebonden belastingen (D.214);

b) niet-produktgebonden belastingen op produkten (D.29).

PRODUKTGEBONDEN BELASTINGEN (D.21)

4.16. Definitie: Produktgebonden belastingen (D.21) zijn belastingen die moeten worden betaald per eenheid van een goed of dienst die is geproduceerd of verhandeld. De belasting kan een bepaald bedrag per kwantitatieve eenheid van een goed of een dienst zijn, of worden berekend als een bepaald percentage van de prijs per eenheid of van de waarde van de geproduceerde of verhandelde goederen en diensten. Als algemeen principe geldt dat belastingen die feitelijk worden geheven op een produkt, ongeacht de institutionele eenheid die deze belastingen betaalt, moeten worden opgenomen onder de produktgebonden belastingen, tenzij zij specifiek in een andere rubriek zijn opgenomen.

Belasting over de toegevoegde waarde (BTW) (D.211)

4.17. Definitie: De belasting over de toegevoegde waarde (BTW) is een belasting op goederen of diensten, die op de verschillende momenten van levering door ondernemingen wordt geïnd en uiteindelijk volledig ten laste komt van de eindgebruikers.

De rubriek "Belasting over de toegevoegde waarde" (D.211) omvat de belasting over de toegevoegde waarde die door de overheid wordt geheven en die geldt voor binnenlandse en ingevoerde produkten. In voorkomend geval vallen hieronder eveneens andere aftrekbare belastingen die op grond van soortgelijke regels als voor de BTW worden geheven; gemakshalve worden al deze belastingen hierna "BTW" genoemd.

Producenten behoeven alleen het verschil te betalen tussen de BTW op hun verkopen en de BTW op hun aankopen ten behoeve van hun eigen intermediair verbruik of bruto-investeringen in vaste activa.

De BTW wordt netto geregistreerd, zodat:

a) de output en de invoer van goederen en diensten worden gewaardeerd exclusief de in rekening gebrachte BTW;

b) de aankoop van goederen en diensten wordt gewaardeerd inclusief niet-aftrekbare BTW. De BTW wordt toegerekend aan de kopers, niet de verkopers, en wel alleen aan de kopers die de BTW niet kunnen aftrekken. Het grootste gedeelte van de BTW wordt derhalve in het systeem geregistreerd als zijnde betaald over het finaal gebruik, voornamelijk over de consumptie door huishoudens. Een deel van de BTW kan echter worden betaald door ondernemingen, voornamelijk degene die zijn vrijgesteld van BTW-heffing op hun verkopen.

Voor de totale economie is de BTW gelijk aan het verschil tussen de totale in rekening gebrachte BTW en de totale aftrekbare BTW.

Belastingen op invoer (exclusief BTW) (D.212)

4.18. Definitie: De belastingen op invoer (exclusief BTW) (D.212) omvatten de verplichte betalingen die door de overheid of door de Instellingen van de Europese Unie worden geheven op ingevoerde goederen, exclusief de BTW, teneinde deze goederen vrij te maken voor verkeer in het economisch gebied, alsmede op diensten aan ingezeten eenheden die worden geleverd door niet-ingezeten eenheden.

Deze betalingen betreffen:

a) invoerrechten (D.2121), bestaande uit douanerechten of andere invoerheffingen die overeenkomstig de douanerechten voor bepaalde goederen verschuldigd zijn wanneer deze binnenkomen in het economisch gebied van het land van gebruik;

b) overige belastingen op invoer (D.2122):

Onder deze rubriek vallen:

(1) heffingen op ingevoerde landbouwprodukten;

(2) monetaire compenserende bedragen, geheven op ingevoerde produkten;

(3) accijnzen en bijzondere belastingen op bepaalde ingevoerde produkten, mits deze voor soortgelijke produkten van binnenlandse oorsprong door de producerende branche zelf worden betaald;

(4) algemene verkoopbelastingen op de invoer van goederen en diensten;

(5) belastingen op bepaalde diensten van niet-ingezeten ondernemingen geleverd aan in het economisch gebied gevestigde eenheden;

(6) aan de Staat afgedragen winsten van overheidsondernemingen die het monopolie bezitten op de invoer van bepaalde goederen of diensten.

De nettobelastingen op invoer (exclusief BTW) worden verkregen door de belastingen op invoer (exclusief BTW) (D.212) te verminderen met de subsidies op invoer (D.311).

Overige produktgebonden belastingen (D.214)

4.19. Definitie: De overige produktgebonden belastingen (D.214) zijn de belastingen op goederen en diensten die verschuldigd zijn als gevolg van de produktie, uitvoer, verkoop, overdracht, lease of levering van die goederen en diensten, of als gevolg van het gebruik ervan voor eigen consumptie of investeringen in eigen beheer.

4.20. Onder deze rubriek vallen met name:

a) accijnzen en verbruiksbelastingen (met uitzondering van die welke zijn opgenomen onder de belastingen op invoer);

b) zegelrechten op de verkoop van produkten als alcoholische dranken of tabak en op officiële akten of cheques;

c) belastingen op financiële en kapitaaltransacties, te betalen bij de aan- of verkoop van financiële en niet-financiële activa, inclusief wisseltransacties. Zij moeten worden betaald bij eigendomsoverdracht van grond of andere activa, behalve als er sprake is van kapitaaloverdrachten (voornamelijk erfenissen en schenkingen). Zij worden beschouwd als belastingen op de diensten van intermediairs;

d) belastingen op de registratie van voertuigen;

e) vermakelijkheidsbelastingen;

f) belastingen op loterijen, kansspelen en weddenschappen voor zover ze niet drukken op de spelwinst;

g) belastingen op verzekeringspremies;

h) andere belastingen op specifieke diensten: hotels of andere accomodatie, woondiensten, restaurants, vervoer, communicatie, reclame;

i) algemene belastingen op verkopen, alsmede omzetbelastingen (met uitzondering van de BTW): het betreft belastingen op groot- en detailhandelsverkopen, aankoopbelastingen;

j) winsten van fiscale monopolies die aan de Staat worden afgedragen, met uitzondering van die van ondernemingen die het monopolie bezitten op de invoer van bepaalde goederen of diensten (opgenomen onder D.2122).

Fiscale monopolies zijn overheidsondernemingen die het wettige monopolie hebben gekregen over de produktie of distributie van een bepaald soort goederen of diensten om inkomsten te genereren en niet ter bevordering van het economisch of sociaal beleid. Wanneer een overheidsonderneming het monopolie heeft gekregen als gevolg van weloverwogen economisch of sociaal beleid vanwege de bijzondere aard van de goederen, diensten of produktietechnologie - bij voorbeeld waterleidings- en energiebedrijven, postkantoren en telecommunicatiebedrijven, de spoorwegen enz. -, dient het niet als een fiscaal monopolie te worden beschouwd. Over het algemeen houden fiscale monopolies zich in het bijzonder bezig met het produceren van goederen of diensten die in andere landen zwaar belast kunnen zijn; zij zijn vooral gericht op de produktie van bepaalde consumentengoederen (alcoholische dranken, tabak, lucifers enz.) of brandstoffen;

k) uitvoerrechten en monetaire compenserende bedragen die bij uitvoer worden geheven.

4.21. De netto produktgebonden belastingen worden verkregen door de produktgebonden belastingen (D.21) te verminderen met de produktgebonden subsidies (D.31).

NIET-PRODUKTGEBONDEN BELASTINGEN OP PRODUKTIE (D.29)

4.22. Definitie: De niet-produktgebonden belastingen op produktie (D.29) omvatten alle belastingen die ondernemingen moeten betalen voor hun produktieactiviteit, ongeacht de hoeveelheid of de waarde van de geproduceerde of verkochte goederen en diensten.

Het betreft belastingen op grond, vaste activa of werknemers die bij het produktieproces zijn betrokken, dan wel belastingen op bepaalde activiteiten of transacties.

4.23. De niet-produktgebonden belastingen op produktie (D.29) omvatten in het bijzonder:

a) belastingen op eigendom of gebruik van grond of bouwwerken die door ondernemingen in het produktieproces worden gebruikt (incl. bewoners van een eigen huis);

b) belastingen op het gebruik van vaste activa (vervoermiddelen, machines en werktuigen) voor produktiedoeleinden, ongeacht of de gebruiker deze activa in eigendom heeft of dat deze worden gehuurd;

c) belastingen over de totale loonsom en over het aantal werknemers;

d) belastingen op internationale transacties (buitenlandse reizen, buitenlandse betalingsopdrachten of soortgelijke transacties met niet-ingezetenen) voor produktiedoeleinden;

e) belastingen die ondernemingen betalen voor het verkrijgen van bedrijfs- en beroepsvergunningen, indien deze automatisch worden afgegeven na betaling van de verschuldigde bedragen. Indien de overheid echter als voorwaarde voor de toekenning van een dergelijke vergunning onderzoek verricht naar de geschiktheid of veiligheid van de bedrijfsgebouwen, naar de betrouwbaarheid of veiligheid van de uitrusting, naar de deskundigheid van de betrokken werknemers of naar de kwaliteit of het niveau van de geproduceerde goederen of diensten, dan worden de betalingen gezien als aankoop van geleverde diensten, tenzij de voor de vergunningen in rekening gebrachte bedragen in geen enkele verhouding staan tot de kosten van het door de overheid verrichte onderzoek;

f) milieuheffingen op produktieactiviteiten. Het gaat hier om heffingen op de uitstoot of lozing in het milieu van schadelijke gassen, vloeistoffen of andere schadelijke substanties. Hiertoe behoren geen betalingen voor het verzamelen en verwijderen van afvalstoffen of schadelijke substanties door de overheid; dergelijke betalingen behoren tot het intermediair verbruik van ondernemingen;

g) ondercompensatie van BTW als gevolg van het forfaitaire stelsel dat in de landbouw vaak van toepassing is.

4.24. Onder deze rubriek vallen geen belastingen op het persoonlijk gebruik van voertuigen enz. door huishoudens; die worden geboekt onder belastingen op inkomen, vermogen enz.

BELASTINGEN OP PRODUKTIE EN INVOER, BETAALD AAN DE INSTELLINGEN VAN DE EUROPESE UNIE

4.25. De belastingen op produktie en invoer, betaald aan de Instellingen van de Europese Unie, omvatten in het bijzonder:

a) belastingen die rechtstreeks door ingezeten produktie-eenheden aan Instellingen van de Europese Unie worden betaald (EGKS-heffingen op de mijnbouw en de ijzer- en staalindustrie);

b) door de nationale overheid geïnde belastingen ten behoeve van de Instellingen van de Europese Unie, namelijk:

(1) ontvangsten op grond van het gemeenschappelijk landbouwbeleid:

heffingen op ingevoerde landbouwprodukten, monetaire compenserende bedragen bij de in- en uitvoer, produktieheffingen op suiker, belasting op isoglucose en medeverantwoordelijkheidsheffingen op melk en granen;

(2) ontvangsten op grond van de handel met derde landen: douanerechten op basis van het geïntegreerde tarief van de Europese Unie (Taric);

(3) BTW-inkomsten in iedere Lid-Staat.

4.26. Registratie van belastingen op produktie en invoer: belastingen op produktie en invoer worden geregistreerd op het moment dat zich activiteiten, transacties of andere gebeurtenissen voordoen die verplichten tot het betalen van belastingen.

4.27. Sommige economische activiteiten, transacties of gebeurtenissen op grond waarvan de betrokken eenheden onder de geldende belastingwetgeving belasting zouden moeten betalen, ontsnappen echter voortdurend aan de aandacht van de belastingdienst. Het is niet realistisch als wordt aangenomen dat dergelijke activiteiten, transacties of gebeurtenissen vorderingen of schulden genereren in de vorm van nog te betalen of nog te ontvangen posten. Daarom worden in het systeem alleen de verschuldigde bedragen opgenomen die kunnen worden ontleend aan belastingaanslagen of -aangiften of aan andere instrumenten die duidelijke betalingsverplichtingen vormen voor belastingbetalers. Het ESR rekent geen ontbrekende belastingen toe die niet door belastingaanslagen zijn opgelegd.

Belastingen op grond van belastingaanslagen die nooit zijn betaald (b.v. vanwege een faillissement), worden behandeld als zijnde betaald; er zijn twee mogelijke gevallen:

a) afschrijving van oninbare vorderingen door de overheid, die hiermee erkent dat haar vorderingen niet meer kunnen worden geïnd; de afschrijving wordt geregistreerd in de rekening voor overige volumemutaties in activa van de overheid en in die van de in gebreke blijvende schuldenaar;

b) kwijtschelding van de schuld met wederzijdse instemming van de overheid en de schuldenaar. Deze kwijtschelding wordt in de kapitaalrekening beschouwd als een kapitaaloverdracht van de overheid aan de schuldenaar met gelijktijdige annulering van een aanspraak in de financiële rekening.

4.28. Het totaalbedrag van de te registreren belastingen omvat alle rente die in rekening is gebracht voor achterstallige betalingen van verschuldigde belastingen en alle boetes die door de belastingdienst zijn opgelegd, indien het niet mogelijk is deze rente en boetes gescheiden van de belastingen te registreren; het omvat tevens de kosten die ten laste van de belastingbetaler kunnen worden gebracht in verband met de inning of het verhaal van uitstaande belastingbedragen. Anderzijds wordt het totaalbedrag verminderd met het bedrag van alle belastingverlichtingen die de overheid toestaat op grond van haar economisch beleid, alsmede met het bedrag van alle belastingrestituties als gevolg van teveel betaalde bedragen.

4.29. In het rekeningenstelsel komen de belastingen op produktie en invoer (D.2) voor onder de:

a) bestedingen in de inkomensvormingsrekening van de totale economie;

b) middelen in de rekening voor bestemming van primaire inkomens van de sector overheid en in de rekening voor inkomenstransacties van het buitenland.

Produktgebonden belastingen worden als middelen geregistreerd in de goederen- en dienstenrekening van de totale economie. Hierdoor kunnen de middelen op de goederen- en dienstenrekening - gewaardeerd exclusief de produktgebonden belastingen - in evenwicht worden gebracht met de bestedingen, waarvan de waarde inclusief deze belastingen is vastgesteld.

De niet-produktgebonden belastingen op produktie (D.29) komen voor onder de bestedingen in de inkomensvormingsrekening van de bedrijfstakken of sectoren die deze belastingen verschuldigd zijn.

SUBSIDIES (D.3)

4.30. Definitie: Subsidies (D.3) zijn betalingen om niet die door de overheid of de Instellingen van de Europese Unie worden gedaan aan ingezeten (42) producenten, met het doel de produktieniveaus, de prijzen of de beloning van de produktiefactoren te beïnvloeden.

Overige niet-marktproducenten kunnen slechts niet-produktgebonden subsidies ontvangen indien deze betalingen gebaseerd zijn op algemene regelingen die zowel voor markt- als voor niet-marktproducenten gelden. Volgens afspraak worden geen produktgebonden subsidies toegerekend aan overige niet-marktoutput (P.13).

4.31. De door de Instellingen van de Europese Unie toegekende subsidies hebben alleen betrekking op rechtstreeks door hen verrichte inkomensoverdrachten naar ingezeten produktie-eenheden.

4.32. Subsidies zijn ingedeeld in:

a) produktgebonden subsidies (D.31):

(1) subsidies op invoer (D.311);

(2) overige produktgebonden subsidies (D.319);

b) niet-produktgebonden subsidies (D.39).

PRODUKTGEBONDEN SUBSIDIES (D.31)

4.33. Definitie: Produktgebonden subsidies (D.31) worden uitgekeerd per geproduceerde of ingevoerde eenheid van een goed of een dienst. De subsidie kan een bepaald bedrag per kwantitatieve eenheid van een goed of een dienst zijn, of worden berekend als een bepaald percentage van de prijs per eenheid. Een subsidie kan ook worden berekend als het verschil tussen een bepaalde richtprijs en de prijs die een koper werkelijk op de markt betaalt. Een produktgebonden subsidie wordt gewoonlijk uitgekeerd wanneer het produkt wordt gemaakt, verkocht of ingevoerd. Volgens afspraak kunnen produktgebonden subsidies alleen betrekking hebben op marktoutput (P.11) of op output voor eigen finaal gebruik (P.12).

Subsidies op invoer (D.311)

4.34. Definitie: Subsidies op invoer (D.311) zijn subsidies op goederen en diensten, die worden verleend wanneer de goederen de grens passeren voor gebruik in het economisch gebied of wanneer de diensten worden verleend aan ingezeten institutionele eenheden. Hiertoe behoren ook verliezen van handelsorganisaties in handen van de overheid die, in het kader van een gericht overheidsbeleid, tot taak hebben produkten van niet-ingezetenen te kopen om deze vervolgens tegen lagere prijzen te verkopen aan ingezetenen.

Overige produktgebonden subsidies (D.319)

4.35. De overige produktgebonden subsidies (D.319) betreffen:

a) subsidies voor in eigen land gebruikte produkten: dit zijn subsidies aan ingezeten producenten met betrekking tot de produktie die binnen het eigen economisch gebied wordt ge- of verbruikt;

b) verliezen van handelsorganisaties in handen van de overheid die, in het kader van een gericht economisch of sociaal overheidsbeleid, tot taak hebben produkten van ingezeten producenten te kopen om deze vervolgens tegen lagere prijzen aan ingezetenen of niet-ingezetenen te verkopen;

c) subsidies aan ondernemingen met rechtspersoonlijkheid en quasi-vennootschappen in handen van de overheid ter compensatie van voortdurende verliezen op hun produktieactiviteiten als gevolg van een prijsstelling die in het kader van een gericht economisch en sociaal (Europees) overheidsbeleid onder de gemiddelde produktiekosten ligt;

d) rechtstreekse uitvoersubsidies die direct aan ingezeten producenten worden uitgekeerd wanneer de goederen het economisch gebied verlaten of de diensten aan niet-ingezetenen worden geleverd - met uitzondering van terugbetalingen bij de douane van reeds betaalde produktgebonden belastingen en kwijtscheldingen van belastingen die verschuldigd zouden zijn indien de goederen zouden worden verkocht of gebruikt in het economisch gebied.

NIET-PRODUKTGEBONDEN SUBSIDIES (D.39)

4.36. Definitie: Niet-produktgebonden subsidies (D.39) zijn subsidies, met uitzondering van produktgebonden subsidies, die ingezeten produktie-eenheden kunnen ontvangen in het kader van hun produktieactiviteiten.

Overige niet-marktproducenten kunnen voor hun overige niet-marktoutput alleen niet-produktgebonden subsidies ontvangen indien deze betalingen door de overheid gebaseerd zijn op algemene regelingen die zowel voor markt- als niet-marktproducenten gelden.

4.37. Tot deze rubriek behoren in het bijzonder:

a) subsidies op de loonsom of het aantal werknemers: het betreft subsidies op de totale loonsom of het totaal aantal werknemers, dan wel op het in dienst hebben van bepaalde categorieën personen, zoals lichamelijk gehandicapten of langdurig werklozen, of subsidies op de kosten van door ondernemingen georganiseerde of gefinancierde opleidingsprogramma's;

b) milieusubsidies: subsidies die zijn bestemd voor een volledige of gedeeltelijke dekking van de kosten van maatregelen om de lozing van vervuilende stoffen in het milieu te beperken of te stoppen;

c) rentesubsidies aan ingezeten produktie-eenheden, ook al hebben zij de stimulering van investeringen (43) ten doel. Deze subsidies vormen immers inkomensoverdrachten om de exploitatielasten van de producenten te verlichten. Zij worden geregistreerd als subsidies aan de begunstigde producenten, ook al wordt het renteverschil in feite rechtstreeks door de overheid uitgekeerd aan de kredietinstelling die de lening heeft toegekend;

d) overcompensatie van de BTW als gevolg van het forfaitaire stelsel dat in de landbouw vaak van toepassing is.

4.38. Niet als subsidies worden aangemerkt:

a) inkomensoverdrachten van de overheid aan huishoudens in hun hoedanigheid van consument. Deze worden ofwel tot de sociale uitkeringen, ofwel tot de overige inkomensoverdrachten n.e.g. gerekend (D.75);

b) inkomensoverdrachten tussen overheidsinstellingen onderling als producenten van niet-marktgoederen en -diensten, met uitzondering van niet-produktgebonden subsidies (D.39). De betreffende inkomensoverdrachten worden geregistreerd in de rubriek inkomensoverdrachten binnen de overheid (D.73);

c) investeringsbijdragen (D.92);

d) buitengewone betalingen aan sociale-verzekeringsinstellingen, voor zover deze betalingen bestemd zijn voor een verhoging van de actuariële reserves van deze instellingen. Dergelijke betalingen worden geregistreerd in de rubriek overige kapitaaloverdrachten (D.99);

e) overdrachten van de overheid aan niet-financiële vennootschappen en quasi-vennootschappen ter dekking van geaccumuleerde verliezen van verschillende boekjaren of van uitzonderlijke verliezen die aan oorzaken buiten de onderneming zijn toe te schrijven, worden geregistreerd in de rubriek overige kapitaaloverdrachten (D.99);

f) kwijtschelding van schulden van produktie-eenheden aan de overheid (b.v. als gevolg van leningen van een overheidsinstelling aan een niet-financiële onderneming in verband met exploitatieverliezen die de onderneming verscheidene jaren achtereen heeft geleden). In het algemeen worden dergelijke overdrachten in de rekeningen opgenomen onder overige kapitaaloverdrachten (D.99) (zie punt 4.165f);

g) betalingen van de overheid of het buitenland wegens schade aan of verlies van kapitaalgoederen als gevolg van oorlogshandelingen, andere politieke gebeurtenissen of nationale rampen worden geregistreerd in de rubriek overige kapitaaloverdrachten (D.99);

h) aandelen en overige deelnemingen van de overheid in het kapitaal van een onderneming worden opgenomen in de rubriek aandelen en overige deelnemingen (AF.5);

i) betalingen door een overheidsinstelling die de verantwoordelijkheid op zich heeft genomen voor abnormale pensioenlasten van een overheidsonderneming. Dergelijke betalingen moeten worden geregistreerd in de rubriek overige inkomensoverdrachten n.e.g. (D.75).

j) betalingen van de overheid aan marktproducenten als gehele of gedeeltelijke vergoeding voor goederen en diensten die deze marktproducenten in het kader van sociale risico's en behoeften (zie punt 4.84) rechtstreeks en individueel leveren aan huishoudens en waarop deze huishoudens een bij wet vastgelegd recht hebben. De betalingen behoren tot de individuele consumptieve bestedingen van de overheid (P.31), de sociale uitkeringen in natura (D.631) en de werkelijke individuele consumptie van huishoudens (P.41).

4.39. Moment van registratie: subsidies worden geregistreerd op het moment dat de transactie of de gebeurtenis (produktieproces, verkoop, invoer enz.) die aanleiding geeft tot de subsidie, plaatsvindt.

Bijzondere gevallen:

a) subsidies in de vorm van het verschil tussen de aankoopprijs en de verkoopprijs die door een handelsorganisatie in handen van de overheid in rekening wordt gebracht, worden geregistreerd op het moment dat de goederen door de organisatie worden aangekocht, indien de verkoopprijs op dat moment bekend is;

b) subsidies die zijn bedoeld als dekking van een door een producent geleden verlies, worden geregistreerd op het moment dat de overheid besluit het verlies te compenseren.

4.40. In het rekeningenstelsel komen de subsidies voor als:

a) negatieve bestedingen in de inkomensvormingsrekening van de totale economie;

b) negatieve middelen in de rekening voor bestemming van primaire inkomens van de overheidssector en de rekening voor inkomenstransacties van het buitenland.

Produktgebonden subsidies worden geregistreerd als negatieve middelen in de goederen- en dienstenrekening van de totale economie. Op deze wijze kunnen de middelen op de goederen- en dienstenrekening in evenwicht worden gebracht met de bestedingen.

De niet-produktgebonden subsidies (D.39) verschijnen als negatieve bestedingen in de inkomensvormingsrekening van de bedrijfstakken of sectoren die de subsidies ontvangen.

Gevolgen van een differentieel koersstelsel voor de belastingen op produktie en invoer en de subsidies: meervoudige koersen worden niet vaak toegepast tussen de Lid-Staten van de Europese Unie. In een dergelijk stelsel worden:

a) impliciete belastingen op invoer behandeld als overige belastingen op invoer (D.2122);

b) impliciete belastingen op uitvoer behandeld als overige produktgebonden belastingen (D.214);

c) impliciete subsidies op invoer behandeld als subsidies op invoer (D.311);

d) impliciete uitvoersubsidies behandeld als overige produktgebonden subsidies (D.319).

INKOMEN UIT VERMOGEN (D.4)

4.41. Definitie: Inkomen uit vermogen (D.4) is het inkomen dat de eigenaar van een vordering of van materiële niet-geproduceerde activa ontvangt in ruil voor het verstrekken van financiële middelen of het ter beschikking stellen van de materiële niet-geproduceerde activa aan een andere institutionele eenheid.

Inkomen uit vermogen wordt in het stelsel op onderstaande wijze ingedeeld:

a) rente (D.41);

b) winstuitkeringen (D.42);

(1) dividenden (D.421);

(2) inkomen onttrokken aan quasi- vennootschappen (D.422);

c) ingehouden winsten op directe buitenlandse investeringen (D.43);

d) inkomen uit vermogen toegerekend aan polishouders (D.44);

e) inkomen uit grond en minerale reserves (D.45).

RENTE (D.41)

4.42. Definitie: Onder de voorwaarden van de financiële verhouding die de crediteur en de debiteur onderling zijn aangegaan, is de rente (D.41) het bedrag dat de debiteur over een bepaalde periode verschuldigd is aan de crediteur zonder dat daardoor het bedrag van de uitstaande hoofdsom vermindert.

4.43. Crediteuren lenen middelen aan debiteuren, hetgeen leidt tot de totstandkoming van een van onderstaande vormen van financiële verhoudingen.

Rente wordt ontvangen door bezitters van bepaalde vorderingen:

a) deposito's (AF.2);

b) effecten m.u.v. aandelen (AF.3);

c) leningen (AF.4);

d) handelskredieten en transitorische posten (AF.7).

Rente op deposito's, leningen en handelskredieten en transitorische posten

4.44. De te ontvangen en te betalen rente op dergelijke vorderingen en schulden wordt bepaald aan de hand van het rentetarief dat op ieder moment gedurende de verslagperiode geldt.

Rente op effecten

Rente op wissels en vergelijkbare kortlopende financiële verhoudingen

4.45. Het verschil tussen de nominale waarde en de werkelijk betaalde prijs bij de uitgifte (d.w.z. het disconto) vormt de rente gedurende de looptijd van de wissel. De stijging van de waarde van een wissel als gevolg van de gecumuleerde rente is geen waarderingsverschil, omdat zij is toe te schrijven aan een toename van de uitstaande hoofdsom en niet aan een verandering in de prijs van dit activum. Andere wijzigingen in de waarde van de wissel worden wel beschouwd als waarderingsverschillen.

Rente op obligaties

4.46. Obligaties zijn langlopende effecten die de houder ervan het onvoorwaardelijke recht geven op een vast of contractueel vastgelegd variabel inkomen in de vorm van couponbetalingen, dan wel op een bepaald vast geldbedrag op de aflossingsdatum of -data, of op beide.

a) "Zero-coupon"-obligaties: er vinden geen couponbetalingen plaats. De rente, die is gebaseerd op het verschil tussen de aflossingswaarde en de uitgifteprijs, dient te worden verdeeld over de jaren die de obligatie uitstaat. De jaarlijkse rente wordt door de oligatiehouder in de desbetreffende obligatie herbelegd. De tegenwaarde van de opgebouwde rente moet daarom in de financiële rekening worden geregistreerd als "aangroei" van de obligatie bij de obligatiehouder en als een "aangroei" van de desbetreffende schuld bij de emittent of debiteur. Het gaat hierbij dus om een toename van het "volume" van de oorspronkelijke obligatie.

b) Overige obligaties, met inbegrip van "deep-discounted"-obligaties. De rente bestaat uit twee bestanddelen:

(1) het bedrag van het inkomen dat op iedere couponvervaldag wordt ontvangen;

(2) het rentebedrag dat het verschil vertegenwoordigt tussen de aflossingswaarde en de uitgifteprijs; dit verschil wordt op dezelfde wijze berekend als bij "zero-coupon"-obligaties.

c) Indexobligaties: de bedragen van de couponbetalingen en/of de uitstaande hoofdsom zijn gekoppeld aan een prijsindexcijfer. Een wijziging in de waarde van de uitstaande hoofdsom tussen begin en eind van een bepaalde verslagperiode als gevolg van de ontwikkeling van het indexcijfer wordt beschouwd als in die periode opgebouwde rente, naast de verschuldigde rente voor diezelfde periode. De vanwege de indexering opgebouwde interest wordt in de obligatie herbelegd en moet in de financiële rekening van de obligatiehouder en de emittent worden opgenomen.

Renteswaps en termijncontracten met rentevaststelling na afloop

4.47. Swaps zijn contractuele overeenkomsten tussen twee institutionele eenheden om elkaars betalingsverplichtingen op termijn te ruilen. Het meest gebruikelijk zijn renteswaps en valutaswaps.

De rentestromen die voortvloeien uit swapovereenkomsten, moeten worden geregistreerd exclusief betalingen aan derden, zoals gespecialiseerde intermediairs, voor de totstandkoming van de swaps. Dergelijke betalingen aan derden worden als aankoop van diensten geregistreerd.

Hetzelfde principe geldt voor termijncontracten met definitieve rentevaststelling na afloop van de overeengekomen termijn ("forward rate agreements").

Rente op financiële lease

4.48. Financiële lease is, als alternatief voor lenen, een specifieke vorm van financiering van de aankoop van vervoermiddelen, machines en werktuigen. Het is een overeenkomst waarbij financiële middelen van een geldgever naar een geldnemer worden gesluisd: de leasemaatschappij (lessor) koopt het materiaal en de gebruiker (lessee) verplicht zich contractueel tot het betalen van leasesommen die het de lessor mogelijk maken tijdens de looptijd van het contract alle, of vrijwel alle, kosten te dekken die hij heeft moeten maken, met inbegrip van de rente op het geïnvesteerde vermogen.

De lessor wordt geacht een krediet aan de lessee te verstrekken ter waarde van de aankoopprijs van het activum; het krediet wordt tijdens de looptijd van de lease geleidelijk volledig afgelost. De leasesom die de lessee periodiek betaalt, wordt dan ook uitgesplitst in twee elementen: een aflossing van de hoofdsom en een betaling van rente. Het rentetarief voor de fictieve lening wordt impliciet bepaald door het totale leasebedrag dat tijdens de looptijd van de lease wordt betaald enerzijds en de aankoopprijs van het activum anderzijds. Het aandeel van de rente in de leasesom neemt geleidelijk af naarmate de hoofdsom wordt afgelost. De oorspronkelijke lening van de lessee en de achtereenvolgende aflossingen van de hoofdsom worden in de financiële rekening van de lessor en de lessee geregistreerd. De rentebetalingen worden als rentestroom in beider primaire inkomensverdelingsrekening geregistreerd.

Overige rentebetalingen

4.49. Ook onderstaande gevallen worden als rentebetalingen beschouwd:

a) rente die in rekening wordt gebracht voor voorschotten in rekeningen-courant, extra rente op deposito's die langer dan de oorspronkelijke overeengekomen looptijd worden aangehouden en betalingen aan bepaalde obligatiehouders die bij loting worden aangewezen;

b) de door beleggingsfondsen (zie punt 2.51b) aan hun aandeelhouders toegekende renteopbrengsten van de beleggingen, ook indien deze rente wordt gekapitaliseerd. Deze stroom heeft geen betrekking op waarderingsverschillen op de beleggingen van het beleggingsfonds. Deze worden immers niet als inkomen uit vermogen beschouwd.

Moment van registratie

4.50. Rente wordt geregistreerd op batenbasis, wat wil zeggen dat rente wordt geregistreerd naar rato van de periode waarin de hoofdsom heeft uitgestaan. De aldus "aangegroeide" rente moet in iedere verslagperiode worden geregistreerd, ongeacht of deze werkelijk is betaald of is toegevoegd aan de uitstaande hoofdsom. Wanneer de rente niet daadwerkelijk is betaald, dient de toename van de hoofdsom in de vorm van een toename van een vordering bij de crediteur en een even grote toename van een schuld bij de debiteur ook in de financiële rekening te worden opgenomen.

4.51. Rente moet worden geregistreerd vóór aftrek van eventuele belastingen die ervoor worden geheven. Ontvangen en betaalde rente wordt altijd geregistreerd met inbegrip van rentesubsidies, ook al worden deze rechtstreeks uitgekeerd aan de financiële instellingen en niet aan de begunstigden (zie onder "subsidies").

Omdat de waarde van de diensten van financiële intermediairs niet aan hun cliënten wordt toegerekend, worden de feitelijke rentebetalingen of -ontvangsten aan, c.q. van financiële intermediairs niet gecorrigeerd om de marges die de impliciete kosten van financiële intermediairs weergeven, te elimineren. Een correctiepost is noodzakelijk in de rekening voor bestemming van primaire inkomens van financiële intermediairs en van een nominale bedrijfstak waaraan volgens afspraak de volledige output van financiële intermediairs als intermediair verbruik wordt toegerekend.

4.52. In het rekeningenstelsel verschijnt de post rente onder de:

a) middelen en bestedingen in de rekening voor bestemming van primaire inkomens van de desbetreffende sectoren (44);

b) middelen en bestedingen in de rekening voor inkomenstransacties van het buitenland.

WINSTUITKERINGEN (D.42)

Dividenden (D.421)

4.53. Definitie: Dividend (D.421) is een vorm van inkomen uit vermogen voor bezitters van aandelen (AF.5), waarop zij recht krijgen wanneer zij middelen ter beschikking van vennootschappen hebben gesteld. Het aantrekken van eigen vermogen door de uitgifte van aandelen is een alternatief voor lenen. Anders dan vreemd vermogen zorgt eigen vermogen niet voor een passiefpost, vastgelegd in monetaire eenheden, en het geeft de aandeelhouders van een vennootschap geen recht op een vast of op voorhand bepaald inkomen.

4.54. Tot deze rubriek behoren eveneens:

a) aandelen die aandeelhouders ontvangen als dividendbetaling over het desbetreffende boekjaar. Niet inbegrepen is echter de uitgifte van bonusaandelen, die de kapitalisatie van eigen vermogen in de vorm van reserves en niet-uitgekeerde winsten vormen en waarmee aandeelhouders nieuwe aandelen kunnen verwerven naar rato van hun aandelenbezit;

b) dividenden die beleggingsfondsen (zie punt 2.51b) ontvangen voor hun investeringen en die aan de aandeelhouders worden toegewezen, ook in geval van kapitalisatieaandelen. Uitgesloten zijn waarderingsverschillen op financiële instrumenten van het beleggingsfonds, die niet als inkomen uit vermogen worden geregistreerd;

c) het inkomen dat aan de overheid wordt betaald door overheidsondernemingen met rechtspersoonlijkheid, die echter formeel geen vennootschap zijn.

4.55. Moment van registratie: dividenden worden geregistreerd op de door de onderneming vastgestelde vervaldatum.

In het rekeningenstelsel komen dividenden voor onder de:

a) bestedingen in de rekening voor bestemming van primaire inkomens van de sectoren waartoe de ondernemingen behoren;

b) middelen in de rekening voor bestemming van primaire inkomens van de sectoren waartoe de aandeelhouders behoren;

c) bestedingen en middelen in de rekening voor inkomenstransacties van het buitenland.

Inkomen onttrokken aan quasi-vennootschappen (D.422)

4.56. Definitie: Inkomen onttrokken aan quasi-vennootschappen (D.422) komt overeen met de bedragen die de eigenaars van deze quasi-vennootschappen voor eigen gebruik feitelijk aan de winsten ervan onttrekken.

4.57. Deze bedragen dienen te worden geregistreerd voor aftrek van belastingen op inkomen, vermogen enz., die steeds geacht worden ten laste te komen van de eigenaars van deze bedrijven.

4.58. Wanneer een quasi-vennootschap een exploitatiewinst maakt, kan de eenheid die eigenaar van deze quasi-vennootschap is, deze winsten geheel of gedeeltelijk in het bedrijf laten, met name voor investeringsdoeleinden. Dit ter beschikking van het bedrijf blijvende inkomen vormt een besparing van de quasi-vennootschap; alleen de werkelijk door de eigenaar opgenomen winsten worden geregistreerd onder de rubriek inkomen onttrokken aan quasi-vennootschappen.

4.59. Indien in het buitenland winsten worden gemaakt door bijkantoren, agentschappen enz. van ingezeten ondernemingen en deze bijkantoren enz. worden beschouwd als niet-ingezeten eenheden, worden winstreserves geregistreerd als ingehouden winsten op directe buitenlandse investeringen (D.43). Alleen werkelijk naar de moedermaatschappij overgemaakt inkomen wordt geregistreerd als inkomen onttrokken aan quasi-vennootschappen uit het buitenland. Dezelfde regels gelden voor de betrekkingen tussen bijkantoren, agentschappen enz. die in het economisch gebied werken en hun niet-ingezeten moedermaatschappij.

4.60. Tot deze rubriek behoort ook het netto-exploitatieoverschot dat ingezetenen ontvangen als eigenaars van grond en gebouwen in het buitenland, of niet-ingezetenen als eigenaars van grond en gebouwen in het economisch gebied. In feite worden bij alle grond- en gebouwentransacties van niet-ingezeten eenheden in het economisch gebied van een land deze niet-ingezeten eenheden, in overeenstemming met de binnen het ESR overeengekomen regels, beschouwd als fictieve ingezeten eenheden waarvan de niet-ingezeten eigenaars het netto-actief bezitten.

De huurwaarde van woningen in het buitenland die door de eigenaar zelf worden bewoond, wordt geregistreerd als invoer van diensten en het desbetreffende netto-exploitatieoverschot als primair inkomen ontvangen uit het buitenland; de huurwaarde van woningen in het binnenland, die door de niet-ingezeten eigenaar zelf worden bewoond, wordt geregistreerd als de uitvoer van diensten en het desbetreffende netto-exploitatieoverschot als primair inkomen betaald aan het buitenland.

4.61. Onder de rubriek inkomen onttrokken aan quasi-vennootschappen vallen niet de bedragen die de eigenaars ervan ontvangen:

a) uit de verkoop van bestaande kapitaalgoederen;

b) uit de verkoop van grond en immateriële activa;

c) uit terugtrekkingen van kapitaal (b.v. gehele of gedeeltelijke beëindiging van hun deelneming in de quasi-vennootschap).

Deze bedragen worden in de financiële rekening geregistreerd als terugtrekking van deelnemingen. Omgekeerd worden alle middelen die de eigenaar(s) van een quasi-vennootschap investeert (investeren) met het doel activa te verwerven of schulden te verminderen, geregistreerd als toevoeging aan het eigen vermogen. Indien de quasi-vennootschap echter eigendom is van de overheid en voortdurend exploitatieverliezen lijdt als gevolg van een gericht economisch en sociaal overheidsbeleid, dienen alle regelmatige overdrachten van de overheid aan de vennootschap ter dekking van haar verliezen te worden geregistreerd als subsidies.

4.62. Moment van registratie: inkomen onttrokken aan quasi-vennootschapen wordt geregistreerd op het moment dat de eigenaars hiertoe overgaan.

4.63. In het rekeningenstelsel komt inkomen onttrokken aan quasi-vennootschappen voor onder de:

a) bestedingen in de rekening voor bestemming van primaire inkomens van de sectoren waartoe de quasi-vennootschappen behoren;

b) middelen in de rekening voor bestemming van primaire inkomens van de sectoren waartoe de eigenaars behoren;

c) middelen en bestedingen in de rekening voor inkomenstransacties van het buitenland.

INGEHOUDEN WINSTEN OP DIRECTE BUITENLANDSE INVESTERINGEN (D.43)

4.64. Definitie: Ingehouden winsten op directe buitenlandse investeringen (D.43) zijn gelijk aan:

het exploitatieoverschot van de onderneming(en) met directe investeringen uit het buitenland

plus ontvangen inkomen uit vermogen of inkomensoverdrachten;

minus betaald inkomen uit vermogen of inkomensoverdrachten, met inbegrip van betalingen aan directe investeerders uit het buitenland en belastingen op inkomen, vermogen enz., die door de onderneming(en) met directe investeringen uit het buitenland moeten worden betaald.

4.65. Een onderneming met directe investeringen uit het buitenland is een onderneming met of zonder rechtspersoonlijkheid, waarin een investeerder uit een ander land ten minste 10 % bezit van het gewone aandelenkapitaal of van de stemrechten (in een onderneming met rechtspersoonlijkheid) of het equivalent daarvan (voor een onderneming zonder rechtspersoonlijkheid). Tot de ondernemingen met directe investeringen uit het buitenland behoren dochtermaatschappijen (de investeerder bezit meer dan 50 % van het gewone aandelenkapitaal of van de stemrechten of het equivalent daarvan), partnerschappen (de investeerder bezit ten hoogste 50 %) en filialen (ondernemingen zonder rechtspersoonlijkheid waarvan de moedermaatschappij eigenaar of mede-eigenaar is) die al dan niet rechtstreeks eigendom zijn van de investeerder. Bijgevolg is "ondernemingen met directe investeringen uit het buitenland" een ruimer begrip dan "ondernemingen in handen van het buitenland".

4.66. Er kunnen werkelijke uitkeringen worden gedaan uit het ondernemersinkomen van ondernemingen met directe investeringen uit het buitenland in de vorm van dividenden of inkomen onttrokken aan quasi-ondernemingen.

In aanvulling daarop worden ook de ingehouden winsten geregistreerd alsof zij zijn uitgekeerd en overgedragen aan de directe investeerders uit het buitenland, en wel voor een bedrag dat gelijk is aan hun aandeel in het vermogen van de onderneming, en vervolgens opnieuw in de onderneming zijn belegd.

Ingehouden winsten op directe buitenlandse investeringen kunnen positief of negatief zijn.

4.67. Moment van registratie: ingehouden winsten op directe buitenlandse investeringen worden geregistreerd op het moment dat zij worden gerealiseerd.

In het rekeningenstelsel komen ingehouden winsten op directe buitenlandse investeringen voor onder de:

a) middelen en bestedingen in de rekening voor bestemming van primaire inkomens van de desbetreffende sectoren;

b) middelen en bestedingen in de rekening voor inkomenstransacties van het buitenland.

INKOMEN UIT VERMOGEN TOEGEREKEND AAN POLISHOUDERS (D.44)

4.68. Definitie: Inkomen uit vermogen toegerekend aan polishouders (D.44) is gelijk aan de som van de primaire inkomens ontvangen uit de belegging van de verzekeringstechnische voorzieningen. Deze reserves worden door verzekeringsmaatschappijen en pensioenfondsen belegd in financiële activa of grond (waaruit zij een netto-inkomen uit vermogen ontvangen, d.w.z. na aftrek van betaalde rente), dan wel in gebouwen (die netto-exploitatieoverschotten genereren). Uitgezonderd is het deel van het netto-inkomen uit de belegging van het eigen vermogen van verzekeringsmaatschappijen dat overeenkomt met het aandeel van het eigen vermogen in de som van eigen vermogen en de verzekeringstechnische voorzieningen.

4.69. Aangezien de verzekeringstechnische voorzieningen eigendom zijn van de polishouders, worden de opbrengsten uit de belegging ervan in de rekeningen opgenomen als inkomen uit vermogen dat door verzekeringsmaatschappijen en pensioenfondsen aan de polishouders is uitbetaald.

Aangezien dit inkomen in de praktijk door de verzekeringsmaatschappijen en pensioenfondsen wordt ingehouden, wordt het geregistreerd alsof het is terugbetaald aan de verzekeringsmaatschappijen en pensioenfondsen in de vorm van toegerekende premies, die een aanvulling vormen op de in rekening gebrachte werkelijke premies.

Deze toegerekende premies voor schadeverzekeringen en voor levensverzekeringen die zijn afgesloten bij een sociale-verzekeringsregeling, worden samen met de werkelijke premies geregistreerd in de secundaire inkomensverdelingsrekening van de betrokken eenheden.

De toegerekende premies voor individuele levensverzekeringen die niet zijn afgesloten bij een sociale-verzekeringsregeling, zijn evenmin als de werkelijke premies kapitaaloverdrachten en worden daarom ook niet geregistreerd in de secundaire inkomensverdelingsrekeningen. Als een van de bestanddelen die zorgen voor veranderingen in de "voorzieningen pensioen- en levensverzekering", worden zij rechtstreeks geregistreerd in de financiële rekeningen van de desbetreffende eenheden.

4.70. Moment van registratie: inkomen uit vermogen toegerekend aan polishouders wordt geregistreerd wanneer dit inkomen toeneemt.

4.71. In het rekeningenstelsel verschijnt inkomen uit vermogen toegerekend aan polishouders onder de:

a) middelen in de rekening voor bestemming van primaire inkomens van de polishouders;

b) bestedingen in de rekening voor bestemming van primaire inkomens van de verzekeraars;

c) middelen en bestedingen in de rekening voor inkomenstransacties van het buitenland.

INKOMEN UIT GROND EN MINERALE RESERVES (D.45)

Inkomen uit grond

4.72. De pachten die een grondeigenaar van een pachter ontvangt, is een vorm van inkomen uit vermogen.

Tot deze rubriek behoren eveneens de pachtsommen die aan de eigenaars van binnenwateren en rivieren moeten worden betaald voor het recht op exploitatie van deze wateren voor recreatieve of andere doeleinden, met inbegrip van het visrecht.

Een grondeigenaar kan verplicht zijn grondbelasting of bepaalde onderhoudskosten te betalen, enkel vanwege het feit dat hij het terrein in eigendom heeft. Volgens afspraak worden dergelijke belastingen en kosten beschouwd als te betalen door degene die het terrein mag exploiteren en die geacht wordt deze lasten af te trekken van de pachtsom die hij anders aan de grondeigenaar zou moeten betalen.

4.73. In de pacht is niet de huur van onroerend goed op het terrein begrepen; de huur van woningen en andere gebouwen wordt beschouwd als de betaling voor een marktdienst die door de eigenaar is verleend aan de huurder van het gebouw of de woning, en wordt geregistreerd als intermediair verbruik of consumptie van de huurder. Indien er geen objectieve basis is voor de splitsing van de betaling in grondpacht en huur voor de gebouwen op het terrein, wordt het volledige bedrag geregistreerd als pacht indien de grondwaarde vermoedelijk hoger is dan de waarde van de gebouwen, en anders als huur voor de gebouwen.

Inkomen uit minerale reserves

4.74. Deze rubriek omvat het aandeel in de opbrengst dat toekomt aan de eigenaars van minerale reserves (b.v. ertsen, steenkool, aardolie en aardgas), die andere institutionele eenheden vergunning hebben verleend om deze reserves gedurende een bepaalde periode te exploreren of te exploiteren.

4.75. Moment van registratie: inkomen uit grond en minerale reserves wordt geregistreerd in het tijdvak dat het verschuldigd is.

4.76. In het rekeningenstelsel wordt inkomen uit grond en minerale reserves geregistreerd onder de:

- middelen en bestedingen in de rekening voor bestemming van primaire inkomens van de desbetreffende sectoren;

- middelen en bestedingen in de rekening voor inkomenstransacties van het buitenland.

BELASTINGEN OP INKOMEN, VERMOGEN ENZ. (D.5)

4.77. Definitie: Belastingen op inkomen, vermogen enz. (D.5) zijn alle verplichte betalingen om niet, in geld of in natura, die regelmatig door de overheid en door het buitenland over het inkomen en het vermogen van institutionele eenheden worden geheven, alsmede enkele periodieke belastingen die noch over het inkomen, noch over het vermogen worden geheven.

De belastingen op inkomen, vermogen enz. worden ingedeeld in:

a) belastingen op inkomen (D.51);

b) belastingen op vermogen enz. (D.59).

BELASTINGEN OP INKOMEN (D.51)

4.78. Definitie: De belastingen op inkomen (D.51) omvatten de belastingen op inkomens, winsten en kapitaalwinsten. Zij worden bepaald op basis van het werkelijke of veronderstelde inkomen van individuen, huishoudens, ondernemingen of IZW's. Tot de belastingen op inkomen behoren ook belastingen op eigendom van vermogen, grond of onroerend goed, indien die wordt gebruikt als basis voor de berekening van het inkomen van de eigenaars.

De belastingen op inkomen omvatten:

a) belastingen op het inkomen van individuen of huishoudens (inkomen uit arbeid, eigendom of ondernemerschap, pensioenen enz.), met inbegrip van belastingen die door de werkgevers worden ingehouden (loonbelastingen). Hieronder vallen ook belastingen op het inkomen van eigenaars van ondernemingen zonder rechtspersoonlijkheid;

b) belastingen op het inkomen of de winsten van ondernemingen;

c) belastingen op waarderingsverschillen;

d) belastingen op winsten uit loterijen of kansspelen, die dienen te worden betaald over de door de winnaars ontvangen bedragen. Deze belastingen moeten worden onderscheiden van de belastingen over de omzet van de organisatoren van de loterijen en kansspelen, die worden beschouwd als produktgebonden belastingen.

BELASTINGEN OP VERMOGEN ENZ. (D.59)

4.79. Onder de belastingen op vermogen enz. (D.59) vallen:

a) belastingen op kapitaal, bestaande uit periodieke belastingen op het eigendom of het gebruik van grond of onroerende goederen door de eigenaars ervan, en belastingen op het nettovermogen en andere activa (juwelen en andere uiterlijke tekenen van welstand) - met uitzondering van de belastingen genoemd in D.29 (die door ondernemingen worden betaald voor hun produktieactiviteit) en D.51 (belastingen op inkomen);

b) personele belastingen per volwassene of per huishouden, onafhankelijk van het inkomen of het vermogen;

c) verbruiksbelastingen, te betalen over de totale uitgaven van personen of huishoudens;

d) betalingen door huishoudens voor vergunningen voor het bezit of het gebruik van auto's, boten of vliegtuigen (die niet voor zakelijke doeleinden worden gebruikt), of voor jacht-, schiet- of visvergunningen enz. (45);

e) belastingen op internationale transacties (buitenlandse reizen, internationale betalingsopdrachten, investeringen in het buitenland enz.), met uitzondering van de belastingen die door producenten en de invoerrechten die door huishoudens moeten worden betaald.

4.80. Onder de rubriek belastingen op inkomen, vermogen enz. vallen geen:

a) successie- en schenkingsrechten, die worden geacht te zijn geheven op het vermogen van de begunstigden en die worden geregistreerd onder de rubriek vermogensheffingen (D.91);

b) niet-periodieke of buitengewone heffingen op kapitaal of vermogen, die worden geregistreerd onder de rubriek vermogensheffingen (D.91);

c) belastingen op grond, gebouwen of andere activa die ondernemingen bezitten of huren en voor hun produktieactiviteiten gebruiken; dergelijke belastingen vallen onder niet-produktgebonden belastingen op produktie (D.29);

d) betalingen door huishoudens voor andere vergunningen dan die voor het gebruik van auto's, boten of vliegtuigen of jacht-, schiet- en visvergunningen: rij-, vlieg- of vaarbewijzen, kijk- en luistergelden, vuurwapenvergunningen, entreegelden voor musea, contributies aan bibliotheken, heffingen voor het ophalen van afval enz., die meestal als aankopen van door de overheid verleende diensten worden geregistreerd (46).

4.81. Het te registreren totaalbedrag aan belastingen omvat de rente die bij achterstallige betaling van belastingen in rekening wordt gebracht en alle boetes die door de belastingdienst zijn opgelegd, indien het onmogelijk blijkt dergelijke rente en boetes afzonderlijk te registreren; het omvat eveneens alle kosten die wellicht in rekening zijn gebracht in verband met het vaststellen en innen van uitstaande belastingen. Omgekeerd wordt het totaalbedrag ook verminderd met kortingen die de overheid heeft verleend op grond van haar economisch beleid en met eventuele terugbetalingen als gevolg van teveel betaalde belasting.

4.82. Moment van registratie van belastingen op inkomen, vermogen enz.: belastingen op inkomen, vermogen enz., worden geregistreerd op het moment dat de activiteiten, transacties of andere gebeurtenissen die leiden tot bedoelde betalingsverplichtingen plaatsvinden.

Sommige economische activiteiten, transacties of gebeurtenissen, op grond waarvan de betrokken eenheden onder de geldende belastingwetgeving belasting zouden moeten betalen, ontsnappen echter voortdurend aan de aandacht van de belastingdienst. Het getuigt niet van realiteitszin indien wordt aangenomen dat dergelijke activiteiten, transacties of gebeurtenissen vorderingen of schulden genereren in de vorm van nog te ontvangen of nog te betalen posten. Verschuldigde bedragen worden in het systeem alleen geregistreerd indien zulks duidelijk blijkt uit belastingsaanslagen of -declaraties of uit andere instrumenten die passiefposten vormen in de vorm van duidelijke betalingsverplichtingen van belastingbetalers. Het ESR rekent geen ontbrekende belastingen toe die niet blijken uit belastingaanslagen.

Belastingen op grond van belastingaanslagen die nooit zijn betaald (b.v. vanwege een faillissement), worden behandeld als zijnde voldaan; er zijn twee mogelijke gevallen:

a) afschrijving van oninbare vorderingen door de overheid, die hiermee erkent dat haar vorderingen niet langer kunnen worden geïnd; de afschrijving wordt geregistreerd in de rekening voor overige volumemutaties in activa van de overheid en de in gebreke blijvende schuldenaar;

b) kwijtschelding van de schuld in onderling overleg tussen de overheid en de schuldenaar. Deze kwijtschelding wordt in de kapitaalrekening beschouwd als een kapitaaloverdracht van de overheid aan de schuldenaar met gelijktijdige annulering van een aanspraak in de financiële rekening.

Soms kan de verplichting tot het betalen van inkomstenbelasting nog niet worden vastgesteld in de verslagperiode waarin het inkomen tot stand is gekomen, maar pas naderhand. Er dient derhalve enige soepelheid te worden betracht wat betreft de periode waarin dergelijke belastingen worden geregistreerd. Bij de bron ingehouden belastingen op inkomen, zoals loonbelastingen en regelmatige voorschotten op de inkomstenbelasting, kunnen worden geregistreerd in de periode waarin ze worden betaald, terwijl eindafrekeningen kunnen worden geregistreerd in de periode waarin de belastingverplichting is vastgesteld.

In het rekeningenstelsel worden belastingen op inkomen, vermogen enz., geregistreerd onder de:

a) bestedingen in de secundaire inkomensverdelingsrekening van de sectoren waartoe de belastingbetalers behoren;

b) middelen in de secundaire inkomensverdelingsrekening van de overheid;

c) middelen en bestedingen in de rekening voor inkomenstransacties van het buitenland.

SOCIALE PREMIES EN UITKERINGEN (D.6)

4.83. Definitie: Sociale uitkeringen zijn inkomensoverdrachten in geld of in natura, die via collectieve regelingen of, buiten dergelijke regelingen om, door overheidseenheden en IZW's ten behoeve van huishoudens aan huishoudens worden toegekend, teneinde de financiële lasten te verlichten die voor die huishoudens voortvloeien uit een aantal risico's en behoeften. Zij omvatten ook betalingen van de overheid aan producenten voor goederen en diensten die in het kader van sociale risico's en behoeften individueel aan huishoudens ten goede komen.

4.84. De lijst van de risico's en behoeften die aanleiding kunnen geven tot het verstrekken van sociale uitkeringen, is volgens afspraak als volgt vastgesteld:

a) ziekte,

b) invaliditeit, ongeschiktheid,

c) arbeidsongeval of beroepsziekte,

d) ouderdom,

e) nabestaanden,

f) moederschap,

g) gezin,

h) bevordering arbeidsdeelname,

i) werkloosheid,

j) huisvesting (47)

k) onderwijs,

l) algemene behoeften.

4.85. Sociale uitkeringen omvatten:

a) regelmatige en eenmalige inkomensoverdrachten op grond van regelingen waarbij premies worden ontvangen, die de gehele bevolking of grote delen hiervan bestrijken, die zijn ingesteld door de overheid en waarover toezicht wordt uitgeoefend door overheidsinstellingen (wettelijke sociale-verzekeringsregelingen);

b) regelmatige en eenmalige inkomensoverdrachten op grond van regelingen die door ondernemingen zijn ingesteld ten behoeve van hun werknemers, ex-werknemers of personen die van hen afhankelijk zijn (particuliere bedrijfsregelingen met en zonder fondsvorming). De premies kunnen ten laste komen van werknemers of werkgevers, maar kunnen ook door zelfstandigen worden opgebracht;

c) inkomensoverdrachten door overheidsinstellingen en IZW's ten behoeve van huishoudens, zonder de voorwaardelijke verplichting van premiebetaling (sociale voorziening).

4.86. Sociale uitkeringen omvatten geen:

a) verzekeringsuitkeringen, gebaseerd op verzekeringscontracten die uitsluitend op eigen initiatief van de verzekerde zijn afgesloten, onafhankelijk van zijn werkgever of de overheid;

b) verzekeringsuitkeringen, gebaseerd op verzekeringscontracten die uitsluitend zijn afgesloten om een korting te verkrijgen, ook indien dergelijke polissen voortvloeien uit een collectieve overeenkomst.

4.87. Een afzonderlijke verzekering wordt als onderdeel van een sociale-verzekeringsregeling beschouwd indien de verzekerde gebeurtenissen of omstandigheden overeenkomen met de in punt 4.84 genoemde risico's en behoeften; bovendien moet aan ten minste één van onderstaande voorwaarden zijn voldaan:

a) deelname aan de regeling is hetzij wettelijk verplicht voor een bepaalde arbeidscategorie, of het nu gaat om werknemers, zelfstandigen of niet-werkenden, hetzij verplicht op grond van het arbeidscontract van een werknemer of een groep werknemers;

b) het betreft een collectieve regeling ten bate van een bepaalde arbeidscategorie, ongeacht of het gaat om werknemers, zelfstandigen of niet-werkenden, en deelname is beperkt tot leden van die groep;

c) de werkgever draagt (werkelijk of fictief) premies af voor een werknemer, ongeacht of de werknemer ook zelf een premie betaalt.

4.88. Sociale-verzekeringsregelingen zijn regelingen waarbij werkenden zich verplicht, dan wel na aanmoediging door hun werkgever of door de overheid, verzekeren tegen bepaalde gebeurtenissen en omstandigheden die hun welzijn of dat van de personen die van hen afhankelijk zijn, nadelig kunnen beïnvloeden.

De sociale-verzekeringsregelingen kunnen als volgt worden ingedeeld:

a) wettelijke sociale-verzekeringsregelingen ten behoeve van de hele bevolking of grote delen daarvan, die worden opgelegd, beheerd en gefinancierd door overheidsinstellingen.

b) particuliere regelingen met fondsvorming:

(1) regelingen waarbij de sociale premies worden betaald aan derden (verzekeringsmaatschappijen, zelfstandige pensioenfondsen);

(2) regelingen waarbij werkgevers bijzondere reserves aanhouden, los van de overige reserves, ook indien dergelijke regelingen geen van de werkgevers gescheiden zelfstandige institutionele eenheden vormen. Dergelijke regelingen worden niet-zelfstandige pensioenfondsen genoemd. De reserves worden geregistreerd als activa die toebehoren aan de begunstigden en niet aan de werkgevers;

c) regelingen zonder fondsvorming, waarbij werkgevers rechtstreeks uit hun eigen middelen sociale uitkeringen verstrekken aan hun werknemers, voormalige werknemers of personen die van hen afhankelijk zijn, zonder dat voor dit doel bijzondere reserves zijn gevormd.

4.89. Sociale-verzekeringsregelingen die door overheidseenheden zijn ingesteld voor hun eigen werknemers, behoren tot de particuliere regelingen met of zonder fondsvorming, en niet tot de wettelijke sociale-verzekeringsregelingen.

4.90. Sociale premies kunnen worden ingedeeld in werkelijke premies die betrekking hebben op de eerste twee categorieën regelingen van punt 4.88, en toegerekende premies die betrekking hebben op regelingen zonder fondsvorming.

4.91. Sociale premies kunnen worden onderscheiden in wettelijk verplichte en andere premies.

SOCIALE PREMIES (D.61)

Werkelijke sociale premies (D.611)

4.92. De werkelijke sociale premies omvatten:

a) werkelijke sociale premies t.l.v. werkgevers (D.6111). Deze komen overeen met D.121.

De werkelijke sociale premies t.l.v. werkgevers worden door de werkgevers betaald aan wettelijke-sociale-verzekeringsinstellingen, verzekeringsmaatschappijen of pensioenfondsen met sociale-verzekeringsregelingen teneinde de sociale uitkeringen aan hun werknemers te waarborgen.

Aangezien de werkelijke sociale premies t.l.v. werkgevers hun werknemers ten goede komen, wordt de waarde ervan geregistreerd als een van de bestanddelen van de beloning van werknemers, samen met de lonen in geld en in natura. De sociale premies worden vervolgens geregistreerd als inkomensoverdrachten van de werknemers aan de wettelijke-sociale-verzekeringsinstellingen, verzekeringsmaatschappijen of zelfstandige of niet-zelfstandige pensioenfondsen;

b) sociale premies t.l.v. werknemers (D.6112): dit zijn sociale premies die werknemers verschuldigd zijn aan wettelijke-sociale-verzekeringsinstellingen en particuliere sociale regelingen met of zonder fondsvorming. De sociale premies t.l.v. werknemers omvatten de werkelijk in rekening gebrachte premies plus, in het geval van de particuliere regelingen met fondsvorming, de toegerekende premies die worden betaald uit het inkomen uit vermogen dat wordt toegerekend aan de polishouders en wordt ontvangen door de werknemers die deelnemen aan de regelingen, minus de vergoeding voor de verzekeringsdienst. Deze laatste wordt dus verrekend met de premies van de werknemers en niet met die van de werkgevers;

c) sociale premies t.l.v. zelfstandigen en niet-werkenden (D.6113): dit zijn sociale premies die niet-werknemers, namelijk zelfstandigen (werkgevers of zelfstandige beroepsbeoefenaars) en niet-werkenden, ten eigen bate betalen uit het inkomen uit vermogen dat wordt toegerekend aan de polishouders en wordt ontvangen door de individuele deelnemers, die geacht worden deze terug te betalen aan de verzekeringsmaatschappijen als aanvulling op hun overige premies.

4.93. Betalingen van werkelijke sociale premies kunnen wettelijk of bestuursrechtelijk verplicht zijn, of zij kunnen worden betaald uit hoofde van een collectieve arbeidsovereenkomst voor een bedrijfstak, een overeenkomst tussen de werkgever en diens werknemers op ondernemingsniveau of op basis van een individuele arbeidsovereenkomst. In bepaalde gevallen kunnen de premies vrijwillig worden betaald.

De vrijwillige premies betreffen:

a) sociale premies die personen die daartoe niet of niet meer wettelijk verplicht zijn betalen of blijven betalen aan wettelijke sociale-verzekeringsinstellingen;

b) sociale premies die aan verzekeringsmaatschappijen (of aan onderlinge waarborgmaatschappijen en pensioenfondsen in dezelfde sector) worden betaald in het kader van aanvullende verzekeringsregelingen ingesteld door bedrijven ten bate van hun werknemers, waarbij laatstgenoemden zich vrijwillig kunnen aansluiten;

c) premies die worden betaald aan onderlinge waarborgmaatschappijen waarvan werknemers of zelfstandigen lid kunnen worden.

4.94. Teneinde de verplichte sociale premies te onderscheiden van de vrijwillige is een subindeling ingevoerd:

a) verplichte werkelijke sociale premies t.l.v. werkgevers (D.61111);

b) vrijwillige werkelijke sociale premies t.l.v. werkgevers (D.61112);

c) verplichte sociale premies t.l.v. werknemers (D.61121);

d) vrijwillige sociale premies t.l.v. werknemers (D.61122);

e) verplichte sociale premies t.l.v. zelfstandigen en niet-werkenden (D.61131);

f) vrijwillige sociale premies t.l.v. zelfstandigen en niet-werkenden (D.61132).

4.95. Werkelijke sociale premies die betaald worden aan wettelijke-sociale-verzekeringsinstellingen of aan andere overheidsinstellingen, worden bruto geregistreerd als verdelingstransacties.

Anderzijds worden sociale premies die in het kader van particuliere regelingen met fondsvorming worden betaald aan verzekeringsmaatschappijen, onderlinge waarborgmaatschappijen en zelfstandige pensioenfondsen in dezelfde sector, netto geregistreerd, d.w.z. na aftrek van dat deel van de premies dat de waarde van de aan (ingezeten en niet-ingezeten) huishoudens verleende verzekeringsdienst vertegenwoordigt. Volgens afspraak vertegenwoordigt dit deel van de premie namelijk de betaling voor een marktdienst die deel uitmaakt van de consumptie van de huishoudens, of, in het geval van premies die door niet-ingezeten huishoudens worden betaald, van de uitvoer van diensten.

Bij niet-zelfstandige, particuliere sociale-verzekeringsregelingen met fondsvorming, waarbij werkgevers hun eigen afzonderlijke reserves aanhouden, wordt geen vergoeding voor de verzekeringsdienst van de door de werknemers betaalde premies afgetrokken. Aangezien dergelijke regelingen geen institutionele eenheden zijn die onafhankelijk van de werkgevers opereren, vallen de beheerskosten onder de algemene exploitatiekosten van de werkgevers.

4.96. Moment van registratie: de werkelijke sociale premies t.l.v. werkgevers (D.6111) en de sociale premies t.l.v. werknemers (D.6112) worden geregistreerd op het moment dat het werk dat verplicht tot het betalen van de premies, is verricht. De sociale premies t.l.v. zelfstandigen en niet-werkenden (D.6113) worden geregistreerd op het moment dat de betalingsverplichting ontstaat.

4.97. In het rekeningenstelsel worden de werkelijke sociale premies geregistreerd onder de:

a) bestedingen in de secundaire inkomensverdelingsrekening van de huishoudens;

b) bestedingen in de rekening voor inkomenstransacties van het buitenland (voor niet-ingezeten huishoudens);

c) middelen in de secundaire inkomensverdelingsrekening van ingezeten verzekeraars of werkgevers;

d) middelen in de rekening voor inkomenstransacties van het buitenland (voor niet-ingezeten verzekeraars of werkgevers).

Toegerekende sociale premies (D.612)

4.98. De toegerekende sociale premies (D.612) vertegenwoordigen de tegenhanger van de sociale uitkeringen (minus eventuele sociale premies t.l.v. werknemers) die rechtstreeks door de werkgevers (d.w.z. onafhankelijk van de werkelijke premies t.l.v. werkgevers) aan hun werknemers of voormalige werknemers en andere rechthebbenden worden verstrekt. Zij komen overeen met D.122. Hun waarde moet in beginsel actuarieel worden vastgesteld.

4.99. Het toerekenen van sociale premies is noodzakelijk indien men in de rekeningen de rechtstreeks door de werkgever verstrekte sociale uitkeringen in de rubriek sociale uitkeringen wil registreren en de kosten van deze uitkeringen (voor zover deze niet worden gedekt door de werkelijke premies t.l.v. werknemers) onder de door de werkgever betaalde beloning van werknemers wil opnemen.

Wanneer werkgevers zelf rechtstreeks uit eigen middelen sociale uitkeringen verstrekken aan hun werknemers, voormalige werknemers of degenen die van hen afhankelijk zijn, zonder hierbij een wettelijke sociale-verzekeringsinstelling, een verzekeringsmaatschappij of een zelfstandig pensioenfonds te betrekken en zonder een bijzonder fonds of afzonderlijke voorziening voor dit doel te vormen, kunnen de begunstigden worden beschouwd als zijnde beschermd tegen diverse specifieke behoeften of omstandigheden, ook al worden er geen betalingen verricht om deze te dekken.

Er dient derhalve een toegerekend loon te worden berekend voor werknemers, dat in waarde gelijk is aan het bedrag aan sociale premies dat vereist zou zijn om de de facto opgebouwde rechten op sociale uitkeringen veilig te stellen. Dit bedrag is niet alleen afhankelijk van de omvang van de huidige toegekende uitkeringen, maar ook van de wijze waarop de verplichtingen van de werkgevers in dergelijke regelingen zich waarschijnlijk in de toekomst zullen ontwikkelen als gevolg van factoren als wijzigingen in het aantal werknemers en de leeftijdspreiding en levensverwachting van hun huidige en vroegere werknemers. De waarde van de toegerekende premies dient derhalve in beginsel te zijn gebaseerd on dezelfde soort actuariële overwegingen als die welke de hoogte van de premies bepalen die door verzekeringsmaatschappijen in rekening worden gebracht. Wanneer ten gevolge van politieke gebeurtenissen of economische veranderingen de verhouding tussen het aantal werknemers in actieve dienst en het aantal gepensioneerden aanzienlijk verandert en abnormale proporties aanneemt, moet voor het personeel in actieve dienst een raming van de waarde van de toegerekende premies worden gemaakt, die zal afwijken van de werkelijke waarde van de dan uitgekeerde pensioenen. Een dergelijke berekening kan geschieden aan de hand van een aannemelijk percentage van de lonen van de in actieve dienst zijnde personeelsleden.

In de praktijk kan het echter moeilijk zijn om de waarde van de toegerekende premies vast te stellen. De onderneming kan zelf ramingen maken, wellicht aan de hand van premies die voor soortgelijke regelingen met fondsvorming zijn betaald, om zo haar toekomstige betalingsverplichtingen te berekenen. Anders is het enige praktische alternatief wellicht dat de rechtstreekse sociale uitkeringen die tijdens dezelfde verslagperiode door de onderneming zijn toegekend (na aftrek van de premies die door de werknemers zelf zijn betaald) worden gebruikt als raming van het toegerekende loon dat noodzakelijk zou zijn voor de dekking van de toegerekende premies. De waarde van de benodigde toegerekende premies kan uiteraard om velerlei redenen, zoals de wisselende samenstelling en leeftijdopbouw van het personeel, afwijken van de in diezelfde periode betaalde werkelijke rechtstreekse sociale uitkeringen. Toch kunnen de werkelijk verstrekte uitkeringen (minus de sociale premies t.l.v. werknemers) in de betrokken periode een redelijke benadering zijn voor deze premies en het loon dat hiermee samenhangt.

4.100. In de inkomensvormingsrekening wordt geregistreerd dat de werkgevers aan hun personeel in actieve dienst als bestanddeel van hun beloning een bedrag betalen dat aangeduid wordt als toegerekende sociale premies. Deze zijn in waarde gelijk aan een raming van de sociale premies die vereist zouden zijn om de rechtstreekse sociale uitkeringen te verstrekken waarop zij recht hebben. De werknemers betalen in de secundaire inkomensverdelingsrekening aan hun werkgevers hetzelfde bedrag aan toegerekende sociale premies terug (inkomensoverdrachten), alsof zij deze premies voor een afzonderlijke sociale-verzekeringsregeling betalen.

4.101. Moment van registratie: toegerekende sociale premies die de tegenhanger vormen van verplichte rechtstreekse sociale uitkeringen, worden geregistreerd op het moment dat de uitkeringsverplichting zich voordoet.

Toegerekende sociale premies die de tegenhanger vormen van vrijwillige rechtstreekse sociale uitkeringen, worden geregistreerd op het moment dat de uitkeringen worden verstrekt.

4.102. In het rekeningenstelsel worden toegerekende sociale premies geregistreerd onder de:

a) bestedingen in de secundaire inkomensverdelingsrekening van de huishoudens en in de rekening voor inkomenstransacties van het buitenland;

b) middelen in de secundaire inkomensverdelingsrekening van de sectoren waartoe de werkgevers behoren en in de rekening voor inkomenstransacties van het buitenland.

SOCIALE UITKERINGEN (EXCLUSIEF SOCIALE OVERDRACHTEN IN NATURA) (D.62)

4.103. Deze rubriek omvat:

Wettelijke uitkeringen sociale verzekering in geld (D.621)

Deze worden door wettelijke sociale-verzekeringsinstellingen betaald aan huishoudens (m.u.v. vergoedingen, zie D.6311).

Deze uitkeringen worden verstrekt in het kader van wettelijke sociale-verzekeringsregelingen.

Particuliere uitkeringen sociale verzekering met fondsvorming (D.622)

Deze worden (in geld of in natura) door verzekeringsmaatschappijen of andere institutionele eenheden die particuliere sociale-verzekeringsregelingen met fondsvorming uitvoeren, betaald aan huishoudens.

Uitkeringen sociale verzekering rechtstreeks door werkgevers (D.623)

Deze worden (in geld of in natura) door werkgevers met sociale-verzekeringsregelingen zonder fondsvorming, betaald aan hun werknemers, van hen afhankelijke personen of hun nabestaanden. Kenmerkende gevallen zijn:

a) doorbetaling van het normale loon, of een gedeelte ervan tijdens perioden van afwezigheid van het werk wegens ziekte, ongeval, zwangerschap enz.;

b) verstrekking van gezins-, onderwijs- of andere toelagen ten behoeve van van de werknemers afhankelijke personen;

c) betaling van ouderdoms- of nabestaandenpensioen aan voormalige werknemers of hun nabestaanden, en uitkeringen aan werknemers of hun nabestaanden in geval van ontslag, arbeidsongeschiktheid, ongeval met dodelijke afloop enz. (in relatie met een collectieve arbeidsovereenkomst);

d) algemene medische diensten die geen verband houden met het werk;

e) revalidatie- en bejaardenhuizen.

Uitkeringen sociale verzekering rechtstreeks door werkgevers aan hun voormalige werknemers of andere rechthebbenden dienen te worden geregistreerd inclusief de werkelijke sociale premies t.l.v. werkgevers, d.w.z. betalingen van de werkgevers aan verzekeraars ten behoeve van de betrokkenen.

Uitkeringen sociale voorziening in geld (D.624)

Deze worden door overheidsinstellingen of IZW's ten behoeve van huishoudens betaald aan huishoudens, teneinde tegemoet te komen aan dezelfde behoeften als in geval van sociale uitkeringen; deze uitkeringen vinden echter niet plaats in het kader van een sociale-verzekeringsregeling met sociale premies en uitkeringen. Tot deze uitkeringen behoren geen inkomensoverdrachten in verband met gebeurtenissen of omstandigheden die gewoonlijk niet worden gedekt door sociale-verzekeringsregelingen (b.v. overdrachten na natuurrampen, die onder overige inkomensoverdrachten of onder overige kapitaaloverdrachten worden geregistreerd).

SOCIALE OVERDRACHTEN IN NATURA (D.63)

4.104. Definitie: De sociale overdrachten in natura (D.63) bestaan uit afzonderlijke goederen en diensten die door overheidsinstellingen en IZW's ten behoeve van huishoudens als overdrachten in natura aan individuele huishoudens worden verstrekt, ongeacht of deze goederen en diensten op de markt zijn aangeschaft of als niet-marktoutput door de overheidsinstellingen en IZW's zijn voortgebracht. Zij kunnen worden gefinancierd uit de opbrengst van de belastingen, uit andere overheidsinkomens of uit sociale premies, dan wel uit schenkingen en inkomen uit vermogen in geval van IZW's ten behoeve van huishoudens.

Hoewel enkele niet-marktdiensten van dergelijke IZW's het karakter hebben van collectieve diensten, worden al hun niet-marktdiensten gemakshalve en volgens afspraak behandeld als individueel van aard. Diensten die gratis of tegen zeer lage prijzen worden verleend aan huishoudens, worden beschouwd als individuele diensten, teneinde deze te onderscheiden van collectieve diensten die aan de hele bevolking of aan grote delen ervan worden verleend. Individuele diensten betreffen voornamelijk onderwijs- en gezondheidsdiensten, al worden ook vaak andere diensten verleend, zoals culturele, recreatieve en woondiensten.

Tot de rubriek sociale overdrachten in natura (D.63) behoren sociale uitkeringen in natura en sociale overdrachten van individuele niet-marktprodukten.

Sociale uitkeringen in natura (D.631)

4.105. Sociale uitkeringen in natura zijn de sociale overdrachten in natura (D.63) die bedoeld zijn om de financiële lasten van huishoudens, die voortvloeien uit sociale risico's en behoeften (zie punt 4.84) te verlichten. Ze kunnen worden verdeeld in vergoedingen van daadwerkelijk door de begunstigde huishoudens aangeschafte goederen en diensten en rechtstreeks aan begunstigden verleende diensten. In het tweede geval worden goederen en diensten door eenheden van de overheid of door IZW's t.b.v. huishoudens geproduceerd, dan wel geheel of gedeeltelijk door hen betaald, die door de producenten rechtstreeks aan de begunstigden worden geleverd.

Wettelijke uitkeringen sociale verzekering in natura, vergoedingen (D.6311)

Deze uitkeringen zijn vergoedingen door wettelijke sociale-verzekeringsinstellingen van goedgekeurde uitgaven van huishoudens voor bepaalde goederen of diensten.

Wanneer een huishouden een goed of een dienst koopt en een wettelijke sociale-verzekeringsinstelling deze aankoop vervolgens geheel of gedeeltelijk vergoedt, kan aangenomen worden dat het huishouden heeft gehandeld namens de instelling. In feite verstrekt het huishouden een kortlopend krediet aan de instelling, dat wordt afgelost zodra zij de vergoeding heeft ontvangen.

Het bedrag van de vergoeding wordt geregistreerd alsof de uitgaven rechtstreeks zijn gedaan door de wettelijke sociale-verzekeringsinstelling op het moment dat het huishouden de aankoop doet. Alleen het eventuele verschil tussen betaalde prijs en het bedrag dat aan het huishouden werd vergoed, wordt geregistreerd. De terugontvangen bedragen worden derhalve niet behandeld als een inkomensoverdracht in geld van de wettelijke sociale-verzekeringsinstelling aan de huishoudens.

Wettelijke uitkeringen sociale verzekering in natura, overige (D.6312)

Deze omvatten sociale overdrachten in natura, met uitzondering van vergoedingen, door wettelijke sociale-verzekeringsinstellingen aan huishoudens. Meestal gaat het om medische of tandheelkundige behandelingen, chirurgische ingrepen, ziekenhuisaccommodatie, brillen of contactlenzen, medische hulpmiddelen of voorzieningen en soortgelijke goederen of diensten in het kader van sociale risico's en behoeften. De dienst wordt rechtstreeks, zonder vergoeding, aan de begunstigden verstrekt door markt- en niet-marktproducenten en moet dienovereenkomstig worden gewaardeerd. Indien er sprake is van betalingen door de huishoudens zelf, dienen deze op bedoelde uitkeringen in mindering te worden gebracht.

Uitkeringen sociale verzekering in natura (D.6313)

Deze bestaan uit overdrachten in natura aan huishoudens door overheidsinstellingen of IZW's ten behoeve van huishoudens. Zij lijken op wettelijke uitkeringen sociale verzekering in natura, maar worden niet verstrekt in het kader van een sociale-verzekeringsregeling. Tot deze categorie behoren sociale woningen, huisvestingstoelagen, kinderdagverblijven, beroepsopleiding, kortingen op vervoertarieven (mits er sprake is van een sociale functie) en dergelijke goederen en diensten in het kader van sociale risico's en behoeften, voor zover zij niet onder een sociale-verzekeringsregeling vallen. Indien er sprake is van betalingen door de huishoudens zelf, dienen deze op de bedoelde uitkeringen in mindering te worden gebracht.

Sociale overdrachten van individuele niet-marktgoederen en -diensten (D.632)

4.106. Definitie: Bij sociale overdrachten van individuele niet-marktgoederen en -diensten (D.632) worden goederen of diensten gratis of tegen zeer lage prijzen aan individuele huishoudens verstrekt door niet voor de markt producerende overheidsinstellingen of IZW's ten behoeve van huishoudens. Zij komen overeen met de individuele consumptieve bestedingen van IZW's ten behoeve van huishoudens en de overheid (zie punt 3.75), minus de sociale uitkeringen in natura (D.631) die aan huishoudens zijn verstrekt in het kader van regelingen op het gebied van de wettelijke sociale verzekering of de sociale voorziening.

4.107. Moment van registratie van sociale uitkeringen:

a) uitkeringen in geld worden geregistreerd op het moment dat hierop aanspraak wordt verkregen;

b) uitkeringen in natura worden geregistreerd op het moment dat de diensten worden verleend, of dat de eigendom van de goederen die producenten van niet-marktprodukten rechtstreeks aan een huishouden leveren, overgaat op dit huishouden.

4.108. In het rekeningenstelsel worden de sociale uitkeringen (exclusief sociale overdrachten in natura) (D.62) geregistreerd onder de:

a) bestedingen in de secundaire inkomensverdelingsrekening van de sectoren die de uitkeringen verstrekken;

b) bestedingen in de rekening voor inkomenstransacties van het buitenland (indien de uitkeringen worden verstrekt door het buitenland);

c) middelen in de secundaire inkomensverdelingsrekening van de huishoudens;

d) middelen in de rekening voor inkomenstransacties van het buitenland (indien de uitkeringen worden verstrekt aan niet-ingezeten huishoudens).

Sociale overdrachten in natura (D.63) worden geregistreerd onder de:

a) bestedingen in de tertiaire inkomensverdelingsrekening van de sectoren die de uitkeringen verstrekken;

b) middelen in de tertiaire inkomensverdelingsrekening van de huishoudens.

De consumptie van de overgedragen goederen en diensten wordt geregistreerd in de rekening voor besteding van het alternatief beschikbaar inkomen.

Volgens afspraak zijn er geen sociale overdrachten in natura naar/uit het buitenland (deze worden geregistreerd onder D.62: Sociale uitkeringen (exclusief sociale overdrachten in natura)).

OVERIGE INKOMENSOVERDRACHTEN (D.7)

SCHADEVERZEKERINGSPREMIES (NETTO) (D.71)

4.109. Definitie: Schadeverzekeringspremies (netto) (D.71) zijn premies uit hoofde van verzekeringscontracten die door institutionele eenheden zijn afgesloten.

De verzekeringscontracten van individuele huishoudens zijn door henzelf afgesloten op eigen initiatief en voor eigen rekening, onafhankelijk van hun werkgevers of van de overheid en buiten enige sociale-verzekeringsregeling om (48). De netto-schadeverzekeringspremies omvatten zowel de door de polishouders betaalde werkelijke premies om gedurende de verslagperiode verzekerd te zijn (verdiende premies) als de aan polishouders toegerekende premies uit het inkomen uit vermogen, na aftrek van de vergoeding voor de dienstverlening door de betrokken verzekeringsmaatschappijen.

Netto-schadeverzekeringspremies zijn de bedragen die beschikbaar zijn voor dekking van diverse door de natuur of door menselijk toedoen veroorzaakte gebeurtenissen of ongevallen die leiden tot schade aan goederen of eigendommen en/of letsel aan personen, zoals brand, overstromingen, neerstorten van vliegtuigen, aanrijdingen, zinken van schepen, diefstal, geweld, ongevallen, ziekte enz., of van financiële schade als gevolg van gebeurtenissen als ziekte, werkloosheid, ongevallen enz.

4.110. Moment van registratie: netto-schadeverzekeringspremies worden geregistreerd op het moment dat zij worden verdiend.

De verzekeringspremies, waarop de vergoeding voor de verzekeringsdienst in mindering wordt gebracht, betreffen het deel van de totale premieopbrengsten dat in de lopende of in voorgaande verslagperiodes is betaald om risico's in de lopende periode te dekken.

Premies die in de lopende verslagperiode worden verdiend, onderscheiden zich van de premies die in die periode in rekening gebracht zijn. Deze laatste dekken niet alleen risico's voor de lopende periode, maar mogelijk ook voor toekomstige perioden.

4.111. In het rekeningenstelsel verschijnen de netto-schadeverzekeringspremies onder de:

a) bestedingen in de secundaire inkomensverdelingsrekening van ingezeten polishouders;

b) bestedingen in de rekening voor inkomenstransacties van het buitenland (voor niet-ingezeten polishouders);

c) middelen in de secundaire inkomensverdelingsrekening van ingezeten verzekeringsmaatschappijen;

d) middelen in de rekening voor inkomenstransacties van het buitenland (voor niet-ingezeten verzekeringsmaatschappijen).

SCHADEVERZEKERINGSUITKERINGEN (D.72)

4.112. Definitie: Schadeverzekeringsuitkeringen (D.72) zijn uitkeringen die worden verricht ingevolge een schadeverzekeringsovereenkomst (49), d.w.z. bedragen die verzekeringsmaatschappijen moeten uitkeren ter compensatie van letsel van personen of schade aan goederen (inclusief vaste activa).

4.113. Schadeverzekeringsuitkeringen omvatten geen sociale uitkeringen.

4.114. Aangezien de vergoeding voor de schadeverzekeringsdienst wordt berekend door de gerealiseerde uitkeringen af te trekken van de som van de verdiende premies en de toegerekende premies, dient het totaalbedrag aan gerealiseerde uitkeringen gelijk te zijn aan de door een verzekeringsmaatschappij in dezelfde verslagperiode verdiende netto-schadeverzekeringspremies. Dit toont duidelijk aan dat de wezenlijke functie van de schadeverzekering bestaat in het herverdelen van middelen.

De afwikkeling van een schadeverzekeringsaanspraak wordt geregistreerd als een inkomensoverdracht aan de verzekerde. Dergelijke betalingen worden altijd beschouwd als inkomensoverdrachten, ook als het gaat om grote bedragen als gevolg van het verlies van vaste activa of van ernstig lichamelijk letsel. De door de verzekerden ontvangen bedragen zijn gewoonlijk niet voor enig bijzonder doel bestemd en beschadigde of verloren gegane goederen of activa behoeven niet noodzakelijkerwijs te worden hersteld of vervangen.

Sommige uitkeringen zijn een gevolg van beschadiging van eigendommen of lichamelijk letsel van derden waarvoor de polishouder verantwoordelijk is. In dergelijk gevallen worden gerealiseerde uitkeringen geregistreerd als rechtstreekse betalingen door de verzekeringsmaatschappij aan de gedupeerde derde en niet als betalingen via de verzekerde.

4.115. Moment van registratie: schadeverzekeringsuitkeringen worden geregistreerd op het moment dat het ongeval of een andere door de verzekering gedekte gebeurtenis zich voordoet.

4.116. In het rekeningenstelsel worden zij opgenomen onder de:

a) bestedingen in de secundaire inkomensverdelingsrekening van ingezeten verzekeringsmaatschappijen;

b) bestedingen in de rekening voor inkomenstransacties van het buitenland (voor niet-ingezeten verzekeringsmaatschappijen);

c) middelen in de secundaire inkomensverdelingsrekening van de sectoren van de begunstigden;

d) middelen in de rekening voor inkomenstransacties van het buitenland (voor niet-ingezeten begunstigden).

INKOMENSOVERDRACHTEN BINNEN DE OVERHEID (D.73)

4.117. Definitie: Inkomensoverdrachten binnen de overheid (D.73) omvatten overdrachten tussen de subsectoren van de overheid (centrale overheid, deelstaatoverheid, lagere overheid, wettelijke-sociale-verzekeringsinstellingen) met uitzondering van belastingen, subsidies, investeringsbijdragen en overige kapitaaloverdrachten.

4.118. De inkomensoverdrachten binnen de overheid omvatten geen transacties ten behoeve van een andere eenheid; deze worden slechts eenmaal geregistreerd, namelijk bij de middelen van de begunstigde eenheid ten behoeve waarvan de transactie is verricht. Dit geval doet zich onder andere voor wanneer een overheidsinstelling (b.v. een ministerie) belastingen int die in hun geheel of gedeeltelijk automatisch worden overgedragen aan een andere overheidsinstelling (b.v. een lagere overheid). In dat geval wordt het deel van de belastingontvangsten dat voor de andere overheidsinstelling bestemd is, geregistreerd als rechtstreeks door deze overheidsinstelling geheven belastingen en niet als een inkomensoverdracht binnen de overheid. Deze oplossing geldt a fortiori bij belastingen in de vorm van opcenten op aan de centrale overheid te betalen belastingen, die voor een andere overheidsinstelling zijn bestemd. Vertragingen bij de overdracht van de belastingen naar deze andere overheidsinstelling worden in de financiële rekening geregistreerd onder "handelskredieten en transitorische posten".

De inkomensoverdrachten binnen de overheid omvatten daarentegen wel overdrachten van belastingopbrengsten in de vorm van een algemene overdracht van middelen van de centrale overheid aan andere overheidsinstellingen. Deze overdrachten komen namelijk niet overeen met een specifieke categorie belastingen en vinden niet automatisch plaats, maar in principe via bepaalde fondsen (b.v. provincie- of gemeentefonds) en volgens verdeelsleutels die door de centrale overheid zijn vastgesteld.

4.119. Moment van registratie: inkomensoverdrachten binnen de overheid worden geregistreerd op het moment dat deze volgens de geldende voorschriften dienen plaats te vinden.

4.120. In het rekeningenstelsel komen inkomensoverdrachten binnen de overheid voor onder de bestedingen en de middelen in de secundaire inkomensverdelingsrekening van de subsectoren van de overheid (50).

INKOMENSOVERDRACHTEN IN VERBAND MET INTERNATIONALE SAMENWERKING (D.74)

4.121. Definitie: Inkomensoverdrachten in verband met internationale samenwerking (D.74) omvatten alle overdrachten in geld of in natura tussen de overheid en overheden of internationale organisaties (51) in het buitenland, met uitzondering van investeringsbijdragen en overige kapitaaloverdrachten.

4.122. Rubriek D.74 omvat:

a) bijdragen, andere dan belastingafdrachten, van de overheid aan de Instellingen van de Europese Unie, met uitzondering van de BNP-afdracht aan de Europese Unie (52);

b) bijdragen van de overheid aan internationale organisaties (met uitzondering van belastingafdrachten die overheden uit hoofde van hun lidmaatschap van supranationale organisaties verschuldigd zijn);

c) inkomensoverdrachten die de overheid eventueel van de onder a) en b) genoemde instellingen of organisaties ontvangt (53);

d) inkomensoverdrachten die overheden elkaar verstrekken in de vorm van betalingen in geld (b.v. ter financiering van begrotingstekorten van andere landen of van overzeese gebiedsdelen) of van giften in natura (b.v. de tegenwaarde van voedselhulp, militaire uitrusting, noodhulp na natuurrampen in de vorm van voedsel, kleding, medicijnen enz.);

e) lonen die door een overheid, een Instelling van de Europese Unie of een internationale organisatie worden betaald aan de adviseurs en technisch deskundigen die ter beschikking van ontwikkelingslanden worden gesteld.

De inkomensoverdrachten in verband met internationale samenwerking omvatten ook overdrachten tussen de overheid en internationale organisaties die in haar economisch gebied zijn gevestigd, aangezien internationale organisaties niet worden beschouwd als ingezeten institutionele eenheden van de landen waar zij zijn gevestigd.

4.123. Moment van registratie: het moment dat volgens de geldende voorschriften de overdrachten dienen plaats te vinden (verplichte overdrachten), dan wel het moment dat de overdrachten werkelijk plaatsvinden (vrijwillige overdrachten).

4.124. In het rekeningenstelsel worden de inkomensoverdrachten in verband met internationale samenwerking geregistreerd onder de:

a) bestedingen en middelen in de secundaire inkomensverdelingsrekening van de overheidssector;

b) bestedingen en middelen in de rekening voor inkomenstransacties van het buitenland.

OVERIGE INKOMENSOVERDRACHTEN, N.E.G. (D.75)

Inkomensoverdrachten aan IZW's ten behoeve van huishoudens

4.125. De inkomensoverdrachten aan IZW's ten behoeve van huishoudens omvatten alle vrijwillige bijdragen (met uitzondering van legaten), lidmaatschapsgelden en financiële steun die deze instellingen ontvangen van huishoudens (met inbegrip van niet-ingezeten huishoudens) en in mindere mate van andere eenheden.

4.126. Tot deze rubriek behoren:

a) periodieke bijdragen van huishoudens aan vakbonden, sportverenigingen en politieke, culturele, religieuze en soortgelijke organisaties die behoren tot de sector IZW's ten behoeve van huishoudens;

b) vrijwillige bijdragen (met uitzondering van legaten) van huishoudens, ondernemingen en het buitenland aan IZW's ten behoeve van huishoudens, met inbegrip van overdrachten in natura in de vorm van voedsel, kleding, dekens, medicijnen enz., aan liefdadigheidsinstellingen ter verdeling onder ingezeten en niet-ingezeten huishoudens;

c) bijstand en schenkingen van de overheid, met uitzondering van overdrachten die met name ten doel hebben kapitaaluitgaven te financieren en die onder de investeringsbijdragen worden geregistreerd.

Niet inbegrepen zijn betalingen van lidmaatschapsgelden of bijdragen aan IZW's ten behoeve van bedrijven, zoals kamers van koophandel of beroepsverenigingen, die worden geregistreerd als betalingen voor verleende diensten.

4.127. Moment van registratie: de inkomensoverdrachten aan IZW's ten behoeve van huishoudens worden geregistreerd op het moment dat deze plaatsvinden.

4.128. In het rekeningenstelsel worden de inkomensoverdrachten aan IZW's ten behoeve van huishoudens geregistreerd onder de:

a) bestedingen in de secundaire inkomensverdelingsrekening van de betalende sectoren;

b) bestedingen in de rekening voor inkomenstransacties van het buitenland;

c) middelen in de secundaire inkomensverdelingsrekening van de sector IZW's ten behoeve van huishoudens.

Inkomensoverdrachten tussen huishoudens

4.129. Definitie: Inkomensoverdrachten tussen huishoudens zijn alle inkomensoverdrachten in geld of in natura, betaald (of ontvangen) door ingezeten huishoudens aan (of van) andere ingezeten of niet-ingezeten huishoudens. Het gaat met name om bedragen die door emigranten of permanent (of voor een periode van ten minste een jaar) in het buitenland werkzame personen aan familieleden in hun land van herkomst of door ouders aan hun elders verblijvende kinderen worden overgemaakt.

4.130. Moment van registratie: het moment dat de overdrachten plaatsvinden.

4.131. In het rekeningenstelsel worden de inkomensoverdrachten tussen huishoudens geregistreerd onder de:

a) bestedingen en middelen in de secundaire inkomensverdelingsrekening van huishoudens;

b) bestedingen en middelen in de rekening voor inkomenstransacties van het buitenland.

Boetes

4.132. Definitie: Boetes die door rechtbanken of door semi-rechtelijke organen aan institutionele eenheden worden opgelegd, worden beschouwd als verplichte inkomensoverdrachten.

4.133. Onder deze rubriek vallen geen:

a) boetes en geldstraffen die door de belastingdienst worden opgelegd voor het ontduiken of te laat betalen van belastingen, die gewoonlijk niet afzonderlijk van de belastingen zelf kunnen worden onderscheiden;

b) betalingen voor het verkrijgen van vergunningen; dergelijke betalingen zijn ofwel belastingen ofwel vergoedingen voor diensten die door overheidsinstellingen worden verleend (D.29 en D.59).

4.134. Moment van registratie: boetes worden geregistreerd op het moment dat de verplichting ontstaat.

Loterijen en kansspelen

4.135. De bedragen die worden betaald voor loten of bij weddenschappen bestaan uit twee elementen: de betaling van een vergoeding voor de dienstverlening aan de eenheid die de loterij of het kansspel organiseert, en een residuele inkomensoverdracht die wordt uitbetaald aan de winnaars. De vergoeding voor de dienstverlening kan behoorlijk hoog zijn en kan ook kansspelbelasting omvatten. In het ESR worden de overdrachten geacht rechtstreeks plaats te vinden tussen de deelnemers aan de loterij of het kansspel, d.w.z. tussen de huishoudens. Wanneer er ook niet-ingezeten huishoudens aan deelnemen, kan er sprake zijn van aanzienlijke netto-overdrachten tussen de sector huishoudens en het buitenland. De inkomensoverdrachten worden geregistreerd op het moment dat zij plaatsvinden.

Schadeloosstellingen

4.136. Definitie: Schadeloosstellingen zijn inkomensoverdrachten die door institutionele eenheden worden betaald aan andere institutionele eenheden ter compensatie van letsel aan personen of schade aan eigendommen die eerstgenoemde eenheden hebben veroorzaakt, met uitzondering van betalingen uit hoofde van schadeverzekeringen. Schadeloosstellingen kunnen gerechtelijk afgedwongen betalingen zijn, dan wel vrijwillige uitkeringen die buiten de justitie om overeengekomen zijn. Deze rubriek dekt vrijwillige betalingen van overheidsinstellingen of IZW's ten behoeve van huishoudens als schadeloosstelling voor zover deze betalingen niet worden ingedeeld bij de kapitaaloverdrachten.

4.137. Moment van registratie: betaling van schadeloosstellingen wordt geregistreerd op het moment dat deze plaatsvindt (vrijwillige betalingen) of moet worden verricht (verplichte betalingen).

BNP-afdracht aan de Europese Unie

4.138. De BNP-afdracht aan de Europese Unie, ingesteld bij het besluit van de Raad van 24 juni 1988 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Gemeenschappen, is een inkomensoverdracht van de overheid van iedere Lid-Staat aan de Instellingen van de Europese Unie.

Het betreft een bijdrage van iedere Lid-Staat aan de begroting van deze Instellingen. De bijdrage is gebaseerd op het BNP-niveau van de Lid-Staten en wordt vastgesteld met inachtneming van alle andere ontvangsten van de Instellingen.

Moment van registratie: de BNP-afdracht aan de Europese Unie (D.75) wordt geregistreerd op het moment dat de afdracht verschuldigd is.

In het rekeningenstelsel verschijnt de BNP-afdracht aan de Europese Unie, onder de

a) bestedingen in de secundaire inkomensverdelingsrekening van de overheid;

b) middelen in de rekening voor inkomenstransacties van het buitenland.

Overige

4.139. a) inkomensoverdrachten van IZW's ten behoeve van huishoudens aan de overheid, die geen belastingen zijn;

b) betalingen van de overheid aan overheidsondernemingen die tot de sector niet-financiële vennootschappen en quasi-vennootschappen behoren, ter dekking van buitengewone pensioenlasten;

c) reisbeurzen en prijzen die door de overheid of door IZW's ten behoeve van huishoudens worden toegekend aan ingezeten of niet-ingezeten huishouden;

d) spaarpremies die periodiek door de overheid worden toegekend aan huishoudens als premie op door hen tijdens die periode verrichte besparingen;

e) terugbetaling door huishoudens van uitgaven die sociale-bijstandsinstellingen ten behoeve van hen hebben gedaan;

f) inkomensoverdrachten van IZW's ten behoeve van huishoudens aan het buitenland;

g) sponsoring door ondernemingen, indien dergelijke betalingen niet kunnen worden beschouwd als verwerving van publicitaire of andere diensten (b.v. overdrachten voor een goed doel, studiebeurzen);

h) inkomensoverdrachten van de overheid aan huishoudens in hun hoedanigheid van consument, indien ze niet zijn geregistreerd als sociale uitkeringen.

4.140. Moment van registratie: deze overdrachten worden geregistreerd op het moment dat zij plaatsvinden, met uitzondering van de overdrachten van of aan de overheid, die worden geregistreerd wanneer de verplichting daartoe ontstaat.

In het rekeningenstelsel verschijnen de overige inkomensoverdrachten onder de:

a) middelen en bestedingen in de secundaire inkomensverdelingsrekening van alle sectoren;

b) middelen en bestedingen in de rekening voor inkomenstransacties van het buitenland.

CORRECTIE VOOR MUTATIES IN VOORZIENINGEN PENSIOENVERZEKERING (D.8)

4.141. Definitie: De correctie voor mutaties in voorzieningen pensioenverzekering (D.8) is bedoeld om de verandering in de actuariële reserves, die aan huishoudens toebehoren, in de besparingen van de huishoudens tot uitdrukking te kunnen brengen. De actuariële reserves worden in de financiële rekening en de balansen beschouwd als vorderingen van huishoudens, deel uitmakend van categorie F.61. De reserves worden gevoed door premies die als sociale premies in de secundaire inkomensverdelingsrekening worden geregistreerd.

4.142. Aangezien huishoudens in de financiële rekeningen en de balansen van het systeem beschouwd worden als de eigenaars van de reserves ingevolge particuliere zelfstandige en niet-zelfstandige regelingen met fondsvorming, is een correctiepost noodzakelijk om te voorkomen dat een eventueel overschot aan pensioenpremies ten opzichte van de pensioenuitkeringen (d.w.z. betaalde "overdrachten" versus ontvangen "overdrachten") van invloed is op het niveau van de besparingen van huishoudens.

Om dit effect te neutraliseren, wordt een correctie aangebracht op het beschikbaar inkomen, of het alternatief beschikbaar inkomen, van de huishoudens in de inkomensbestedingsrekening vóór de besparingen. Deze correctie is gelijk aan:

het totaal van de werkelijk betaalde sociale pensioenpremies in het kader van particuliere pensioenregelingen met fondsvorming

plus het totaal van de toegerekende premies dat de tegenhanger vormt van het inkomen uit vermogen toegerekend aan polishouders;

minus de waarde van de hiermee verband houdende vergoeding voor de verzekeringsdienst;

minus het totaal van de als sociale uitkeringen verantwoorde pensioenuitkeringen ingevolge particuliere pensioenregelingen met fondsvorming

Aldus blijven de besparingen van de huishoudens op hetzelfde niveau als wanneer de pensioenpremies en -uitkeringen niet als inkomensoverdrachten in de secundaire inkomensverdelingsrekening zouden zijn opgenomen. Deze correctiepost is noodzakelijk om de besparingen van de huishoudens in overeenstemming te brengen met de mutatie in voorzieningen pensioenverzekering, die wordt geregistreerd in de financiële rekening van het systeem. Uiteraard zijn tegenovergestelde correcties noodzakelijk in de inkomensbestedingsrekening van de verzekeringsmaatschappijen, de zelfstandige pensioenfondsen en de niet-zelfstandige, door werkgevers beheerde pensioenfondsen.

4.143. Moment van registratie: de correctie voor mutaties in voorzieningen pensioenverzekering wordt geregistreerd overeenkomstig de stromen waaruit zij bestaat.

4.144. In het rekeningenstelsel verschijnt de correctie voor mutaties in voorzieningen pensioenverzekering onder de:

a) bestedingen in de inkomensbestedingsrekening van de sector van de verzekeringsmaatschappijen en andere sectoren die niet-zelfstandige pensioenfondsen beheren;

b) bestedingen in de rekening voor inkomenstransacties van het buitenland (voor niet-ingezeten instellingen);

c) middelen in de inkomensbestedingsrekening van de sector huishoudens;

d) middelen in de rekening voor inkomenstransacties van het buitenland (voor niet-ingezeten huishoudens).

KAPITAALOVERDRACHTEN (D.9)

4.145. Kapitaaloverdrachten verschillen van inkomensoverdrachten in die zin dat er sprake is van het verwerven dan wel afstoten van activa door ten minste één van de bij de transactie betrokken partijen. Ongeacht of de transactie plaatsvindt in geld of in natura, steeds moet een overeenkomstige verandering in de financiële of niet-financiële activa op de balans van een of beide bij de transactie betrokken partijen het gevolg zijn.

4.146. Bij een kapitaaloverdracht in natura is sprake van de overdracht van eigendom van activa (geen voorraden of geld) of de kwijtschelding van een schuld door een crediteur, zonder dat hier enige tegenprestatie tegenover staat.

Een kapitaaloverdracht in geld bestaat uit de overdracht van geld dat een partij verkrijgt door het afstoten van activa (geen voorraden), of dat een tweede partij geacht wordt, dan wel dient, aan te wenden voor het verwerven van activa (geen voorraden). De tweede partij, de ontvangende partij, is vaak verplicht het geld aan te wenden voor de aankoop van activa als voorwaarde voor de overdracht.

4.147. Kapitaaloverdrachten omvatten vermogensheffingen (D.91), investeringsbijdragen (D.92) en overige kapitaaloverdrachten (D.99).

VERMOGENSHEFFINGEN (D.91)

4.148. Definitie: Vermogensheffingen (D.91) zijn niet-periodieke belastingen die met ruime tussenpozen worden geheven op de waarde van de activa of het vermogenssaldo van institutionele eenheden of op de waarde van activa die tussen institutionele eenheden worden overgedragen als gevolg van legaten, schenkingen of andere transacties.

4.149. Vermogensheffingen omvatten:

a) belastingen op kapitaaloverdrachten: successie- en schenkingsrechten die worden geheven op het vermogen van de begunstigden - met uitzondering van belastingen op de verkoop van activa, aangezien hier geen sprake is van overdrachten;

b) buitengewone heffingen op activa of het vermogenssaldo van institutionele eenheden (54). Hiertoe behoren ook belastingen op de waardestijging van landbouwgronden als gevolg van een vergunning om het land te gebruiken voor commerciële doeleinden of voor woningbouw.

4.150. Moment van registratie: vermogensheffingen worden geregistreerd op het moment dat de belastingverplichting ontstaat.

4.151. In het rekeningenstelsel worden vermogensheffingen geregistreerd onder de:

a) mutaties in passiva (-) van de kapitaalrekening van de sectoren waartoe de belastingbetalers behoren;

b) mutaties in passiva (+) van de kapitaalrekening van de overheid;

c) mutaties in passiva van de kapitaalrekening van het buitenland.

INVESTERINGSBIJDRAGEN (D.92)

4.152. Definitie: Investeringsbijdragen (D.92) zijn kapitaaloverdrachten in geld of in natura van overheden of het buitenland (55) aan andere ingezeten of niet-ingezeten institutionele eenheden ter volledige of gedeeltelijke financiering van de aankoop van vaste activa.

4.153. Investeringsbijdragen kunnen worden verstrekt in geld of in natura. Investeringsbijdragen in natura zijn overdrachten van vervoermiddelen, machines en werktuigen door de overheid aan andere ingezeten of niet-ingezeten eenheden, alsmede de rechtstreekse terbeschikkingstelling van gebouwen of andere bouwwerken aan ingezeten of niet-ingezeten eenheden.

4.154. Tot de investeringsbijdragen worden niet gerekend overdrachten van militaire uitrustingen in de vorm van wapens of materieel dat uitsluitend tot doel heeft deze wapens af te vuren, aangezien dit geen vaste activa zijn.

4.155. Het bedrag van de door de overheid ten behoeve van andere sectoren van de economie verrichte investeringen wordt eveneens onder de investeringsbedragen geregistreerd wanneer de begunstigde aanwijsbaar is en eigenaar van de investeringen wordt. In dergelijke gevallen worden de investeringen geregistreerd onder de mutaties in activa in de kapitaalrekening van de begunstigde en gefinancierd door een inversteringsbijdrage die onder de mutaties in passiva in dezelfde rekening voorkomt.

4.156. Rubriek D.92 omvat niet alleen eenmalige betalingen voor de financiering van investeringen in dezelfde periode, maar eveneens in de tijd gespreide betalingen die betrekking hebben op investeringen die in een vorige periode hebben plaatsgevonden. Zo worden eveneens als investeringsbijdragen beschouwd de jaarlijkse betalingen van de overheid voor de aflossing van schulden die door ondernemingen zijn aangegaan voor de uitvoering van investeringsprojecten en voor de aflossing waarvan de overheid geheel of gedeeltelijk garant staat.

Tot de investeringsbijdragen behoren echter geen door de overheid toegekende rentesubsidies, ook al hebben zij tot doel investeringen te stimuleren. Het overnemen door de overheid van een gedeelte van de rentelast vormt immers, evenals de rentestroom zelf, een verdelingstransactie. Wanneer een bijdrage echter terzelfder tijd betrekking heeft op de financiering van de aflossing van de aangegane schuld en op de rentebetaling op het geleende kapitaal en het niet mogelijk is beide elementen te scheiden, dan wordt de totale bijdrage geregistreerd als investeringsbijdrage.

4.157. Investeringsbijdragen aan de sector niet-financiële vennootschappen en quasi-vennootschappen omvatten niet alleen de aan particuliere ondernemingen toegekende bijdragen, doch ook de kapitaalinbreng in overheidsondernemingen met rechtspersoonlijkheid, voor zover de overheidsinstelling die de middelen verstrekt, geen aanspraak op de overheidsonderneming behoudt.

4.158. Investeringsbijdragen aan de sector huishoudens omvatten enerzijds bijdragen aan de uitrusting en modernisering van andere ondernemingen dan vennootschappen en quasi-vennootschappen, en anderzijds de subsidies die aan huishoudens worden toegekend voor de bouw, aankoop en verbetering van woningen.

4.159. Investeringsbijdragen aan de overheid omvatten alle betalingen (met uitzondering van rentesubsidies) aan subsectoren van de overheid (56). die tot doel hebben investeringen te financieren. Het belangrijkste geval betreft overdrachten van de centrale overheid aan lagere overheden die uitdrukkelijk het financieren van hun bruto-investeringen in vaste activa tot doel hebben. Hierbij moet benadrukt worden dat overdrachten van algemene aard ten behoeve van velerlei of onbepaalde doeleinden geregistreerd worden onder de inkomensoverdrachten binnen de overheid, ook al worden zij gedeeltelijk gebruikt voor investeringsuitgaven.

4.160. Investeringsbijdragen van de overheid en van het buitenland aan IZW's worden aan de hand van hetzelfde criterium onderscheiden van inkomensoverdrachten aan IZW's.

4.161. Tot de investeringsbijdragen aan het buitenland dienen daarom ook alleen te worden gerekend de overdrachten die uitdrukkelijk tot doel hebben investeringen van niet-ingezeten eenheden te financieren. Zij hebben bij voorbeeld betrekking op niet-terugvorderbare overdrachten voor de bouw van bruggen, wegen, fabrieken, ziekenhuizen of scholen in ontwikkelingslanden of voor de bouw van voor internationale organisaties bestemde gebouwen. Het kunnen zowel eenmalige betalingen als in de tijd gespreide betalingen zijn. Gratis leveringen van vaste activa moeten eveneens onder deze rubriek worden opgenomen.

4.162. Moment van registratie: investeringsbijdragen in geld worden geregistreerd op het moment dat betaling verschuldigd is. Investeringsbijdragen in natura worden geregistreerd op het moment dat de eigendom van de activa wordt overgedragen.

4.163. In het rekeningenstelsel komen investeringsbijdragen voor onder de:

a) mutaties in passiva (-) van de kapitaalrekening van de overheid;

b) mutaties in passiva (+) van de kapitaalrekening van de sectoren van de begunstigden;

c) mutaties in passiva van de kapitaalrekening van het buitenland.

OVERIGE KAPITAALOVERDRACHTEN (D.99)

4.164. Definitie: De overige kapitaaloverdrachten (D.99) omvatten - met uitzondering van de investeringsbijdragen en vermogensheffingen - alle overdrachten, die, hoewel zij geen inkomensverdelingstransacties vormen, toch een herverdeling van de besparingen of het vermogen tussen de verschillende sectoren of subsectoren van de economie of ten opzichte van het buitenland tot resultaat hebben.

4.165. Tot de overige kapitaaloverdrachten behoren:

a) betalingen door de overheid of door het buitenland aan eigenaars van kapitaalgoederen die als gevolg van oorlogshandelingen, andere politieke gebeurtenissen of natuurrampen (overstromingen e.d.) zijn vernietigd of beschadigd;

b) overdrachten van de overheid aan niet-financiële vennootschappen en quasi-vennootschappen ter dekking van gecumuleerde verliezen over verschillende boekjaren of van uitzonderlijke verliezen die aan oorzaken buiten de onderneming zijn toe te schrijven;

c) overdrachten tussen subsectoren van de overheid die ten doel hebben het hoofd te bieden aan onverwachte uitgaven of bestemd zijn om gecumuleerde tekorten te dekken (57);

d) eenmalige spaarpremies die de overheid betaalt aan huishoudens als premie op door hen gedurende een aantal jaren verrichte besparingen;

e) legaten en grote schenkingen tussen eenheden die tot verschillende sectoren behoren, met inbegrip van legaten of grote schenkingen aan IZW's (b.v. schenkingen aan universiteiten ter dekking van de bouwkosten van nieuwe faculteitsgebouwen, bibliotheken, laboratoria enz.);

f) de tegenboeking van een kwijtschelding van schulden, met wederzijdse instemming tussen institutionele eenheden die tot verschillende sectoren of subsectoren behoren (b.v. kwijtschelding van een schuld van een ander land door de overheid, garantie-uitkeringen waardoor een in gebreke gebleven schuldenaar van zijn verplichtingen wordt ontheven). Dergelijke kwijtscheldingen met wederzijdse instemming worden beschouwd als een kapitaaloverdracht van de crediteur aan de debiteur ter waarde van de uitstaande schuld op het moment van kwijtschelding. Ook de tegenboeking van een schuldovername wordt geregistreerd als een kapitaaloverdracht. Uitgezonderd zijn evenwel:

(1) kwijtschelding van financiële aanspraken op en overname van schulden van quasi-vennootschappen door de eigenaar van de quasi-vennootschap. Deze worden behandeld als transacties in aandelen en overige deelnemingen (zie punt 5.16);

(2) kwijtschelding en overname van schulden van een overheidsonderneming met rechtspersoonlijkheid door de overheid, wanneer de onderneming als institutionele eenheid uit het systeem verdwijnt. Deze worden geregistreerd in de rekening voor overige volumemutaties in activa (zie de punten 5.16, 6.29 en 6.30);

(3) kwijtschelding en overname van schulden van een overheidsonderneming met rechtspersoonlijkheid door de overheid in het kader van de privatisering van de onderneming op korte termijn. Dit wordt behandeld als een transactie in aandelen en overige deelnemingen (zie punt 5.16).

De afschrijving van een vordering is geen transactie tussen institutionele eenheden en verschijnt derhalve noch in de kapitaalrekening noch in de financiële rekening van het systeem. Indien de crediteur tot een dergelijke afschrijving besluit, dient deze te worden geregistreerd in de rekening voor overige volumemutaties in activa van de crediteur en de debiteur (zie punt 6.27d). Voorzieningen voor dubieuze debiteuren worden beschouwd als interne boekingsposten van de institutionele produktie-eenheid en verschijnen niet in het systeem. De eenzijdige niet-erkenning van een schuld door een debiteur is evenmin een transactie, zodat deze ook niet in het systeem geregistreerd wordt;

g) het gedeelte van gerealiseerde kapitaalwinsten (of -verliezen) dat aan een andere sector wordt uitgekeerd, zoals bij voorbeeld kapitaalwinsten die door verzekeringsmaatschappijen aan huishoudens worden uitgekeerd. Een indirecte overdracht aan de overheid van de opbrengst uit een privatisering (b.v. via een holding) moet echter worden geregistreerd als een financiële transactie in aandelen en overige deelnemingen (F.5). Dit heeft derhalve geen rechtstreekse invloed op het vorderingenoverschot (+) c.q. -tekort (-) van de overheid;

h) omvangrijke vergoedingen voor zeer grote schade of ernstig letsel die niet door verzekeringen worden gedekt (met uitzondering van betalingen door de overheid of door het buitenland als genoemd onder punt a). De betalingen kunnen al dan niet voortvloeien uit een gerechtelijke beslissing. Hieronder vallen schadeloosstellingen in verband met grote explosies, olievervuiling, bijwerkingen van geneesmiddelen enz.;

i) buitengewone betalingen aan sociale-verzekeringsinstellingen door werkgevers (inclusief de overheid) of door de overheid (in het kader van zijn sociale taken), voor zover deze betalingen bestemd zijn voor een verruiming van de actuariële reserves van deze instellingen. De desbetreffende correctie van de sociale-verzekeringsinstellingen naar de huishoudens wordt ook geregistreerd onder de overige kapitaaloverdrachten (D.99) (zie bijlage III "Verzekering", punt 20).

4.166. Moment van registratie:

a) de overige kapitaaloverdrachten in geld worden geregistreerd op het moment dat betaling verschuldigd is;

b) de overige kapitaaloverdrachten in natura worden geregistreerd op het moment dat de eigendom van de activa wordt overgedragen of dat de schuld door de crediteur wordt kwijtgescholden.

4.167. In het rekeningenstelsel verschijnen de overige kapitaaloverdrachten onder de mutaties in passiva in de kapitaalrekening van de verschillende sectoren en van het buitenland.

HOOFDSTUK 5

FINANCIËLE TRANSACTIES

5.01. Definitie: Financiële transacties zijn transacties in vorderingen en schulden tussen institutionele eenheden onderling en tussen institutionele eenheden en het buitenland.

5.02. Een financiële transactie (zie ook punt 1.33) is een interactie met wederzijdse instemming tussen institutionele eenheden onderling of tussen een institutionele eenheid en het buitenland, waarbij sprake is van de gelijktijdige vorming of afwikkeling van een vordering en de overeenkomstige schuld, dan wel de overdracht van een vordering of schuld aan een andere partij.

5.03. Vorderingen zijn economische activa. Hiertoe behoren betaalmiddelen, financiële aanspraken en economische activa die sterk lijken op financiële aanspraken.

5.04. Tot de betaalmiddelen behoren monetair goud, bijzondere trekkingsrechten, chartaal geld en girale deposito's.

Financiële aanspraken geven hun eigenaars, de crediteuren, het recht om zonder tegenprestatie een betaling of een reeks betalingen te ontvangen van andere institutionele eenheden, de debiteuren, die de overeenkomstige verplichtingen (schulden) zijn aangegaan.

Voorbeelden van financiële aanspraken die sterk lijken op economische activa zijn aandelen en overige deelnemingen en, ten dele, voorwaardelijke vorderingen. De institutionele eenheid die een dergelijke vordering heeft uitgegeven, wordt geacht een dienovereenkomstige schuld te zijn aangegaan.

5.05. Voorwaardelijke vorderingen zijn overeenkomsten tussen institutionele eenheden onderling en tussen institutionele eenheden en het buitenland, waarbij aan een of meer voorwaarden moet worden voldaan alvorens een financiële transactie plaatsvindt. Voorbeelden zijn betalingsgaranties door derden, wissels, kredietlijnen, gegarandeerde "note issuance facilities" (NIF's) en vele typen financiële derivaten. In het systeem wordt een voorwaardelijke vordering alleen als vordering opgenomen wanneer deze een marktwaarde heeft omdat zij verhandelbaar is of op de markt kan worden gecompenseerd. In alle andere gevallen worden voorwaardelijke vorderingen niet in het systeem opgenomen (58).

5.06. Er worden zeven categorieën vorderingen onderscheiden: monetair goud en bijzondere trekkingsrechten (AF.1), chartaal geld en deposito's (AF.2), effecten m.u.v. aandelen (AF.3), leningen (AF.4), aandelen en overige deelnemingen (AF.5), verzekeringstechnische voorzieningen (AF.6) en handelskredieten en transitorische posten (AF.7).

5.07. In het systeem staat tegenover iedere vordering een schuld (tegenboeking); dit geldt alleen niet voor de categorie monetair goud en bijzondere trekkingsrechten (AF.1). Er worden zes categorieën schulden onderscheiden, in overeenstemming met de zes categorieën vorderingen die hier tegenover staan.

5.08. De indeling van de financiële transacties komt overeen met die van de vorderingen en schulden. Er worden zeven categorieën financiële transacties onderscheiden: transacties in monetair goud en bijzondere trekkingsrechten (F.1), transacties in chartaal geld en deposito's (F.2), transacties in effecten m.u.v. aandelen (F.3), transacties in leningen (F.4), transacties in aandelen en overige deelnemingen (F.5), transacties in verzekeringstechnische voorzieningen (F.6) en transacties in handelskredieten en transitorische posten (F.7).

5.09. De op een bepaald moment bestaande vorderingen en schulden worden in de balans (van een sector of van het buitenland) geregistreerd (zie hoofdstuk 7). Financiële transacties leiden tot balansmutaties. Het verschil tussen de beginbalans en de eindbalans kan echter ook oorzaken hebben, die niet het gevolg zijn van een interactie met wederzijdse instemming tussen institutionele eenheden onderling of tussen een institutionele eenheid en het buitenland (zie hoofdstuk 6). Deze overige mutaties in activa bestaan uit nominale waarderingsverschillen van vorderingen en schulden, die worden geregistreerd in de rekening voor nominale waarderingsverschillen, en volumemutaties in vorderingen en schulden die niet zijn toe te schrijven aan financiële transacties. Deze laatste worden geregistreerd in de rekening voor overige volumemutaties in activa en onderscheiden in verlies door rampen, niet-gecompenseerde confiscaties, overige volumemutaties in vorderingen en schulden, n.e.g. en wijzigingen in classificaties en structuur.

5.10. Financiële transacties tussen institutionele eenheden worden in de financiële rekeningen van de betrokken sectoren geregistreerd. Financiële transacties tussen institutionele eenheden en het buitenland worden in de financiële rekeningen van de betrokken sectoren en in de rekening voor financiële transacties van het buitenland geregistreerd (zie hoofdstuk 8).

Op de financiële rekening (van een sector of het buitenland) is aan de linkerzijde het saldo verandering (toe- en afnemingen) van vorderingen opgenomen en aan de rechterzijde het saldo verandering (toe- en afnemingen) van schulden. Het saldo van de financiële rekening, d.w.z. het saldo verandering (toe- en afnemingen) van vorderingen en van schulden, is het vorderingenoverschot (+) c.q. -tekort (-) (B.9).

5.11. De financiële rekening van een sector kan al dan niet geconsolideerd zijn. De niet-geconsolideerde financiële rekening van een sector omvat de veranderingen in vorderingen en schulden als gevolg van alle financiële transacties waarbij institutionele eenheden van deze sector betrokken zijn. De geconsolideerde financiële rekening van een sector omvat de veranderingen in vorderingen en schulden als gevolg van financiële transacties tussen die institutionele eenheden van de desbetreffende sector en andere institutionele eenheden of het buitenland. Anders dan in de niet-geconsolideerde financiële rekening zijn in de geconsolideerde rekening de financiële transacties tussen institutionele eenheden van dezelfde sector geëlimineerd. De rekening voor financiële transacties van het buitenland is per definitie geconsolideerd.

5.12. Een financiële transactie tussen twee institutionele eenheden verhoogt het vorderingenoverschot/-tekort van de ene eenheid en verlaagt tegelijkertijd en in gelijke mate het vorderingenoverschot/-tekort van de andere eenheid. Financiële transacties tussen institutionele eenheden uit dezelfde sector laten het vorderingenoverschot/-tekort van de sector ongewijzigd. De geconsolideerde en niet-geconsolideerde financiële rekening van een sector hebben hetzelfde vorderingsoverschot/-tekort. Analoog geldt dat financiële transacties tussen institutionele eenheden het vorderingenoverschot/-tekort van de totale economie niet wijzigen. Dit is even hoog als het vorderingenoverschot/-tekort van de rekening voor financiële transacties van het buitenland, maar met tegengesteld teken. Hierdoor is het totale vorderingenoverschot/-tekort van alle institutionele eenheden en het buitenland gelijk aan nul.

5.13. De financiële rekening naar sector van herkomst en bestemming (59) (een sector of het buitenland) is een aanvulling op de financiële rekening, waarin een uitsplitsing wordt gegeven van de veranderingen van vorderingen naar sector van de debiteur en van de veranderingen van schulden naar sector van de crediteur. Hiermee wordt informatie gegeven over de veranderingen in de debiteuren/crediteurenverhouding tussen sectoren, in overeenstemming met de financiële balans naar sector van herkomst en bestemming (zie punt 7.69). In geval van financiële transacties op secundaire markten wordt er echter geen informatie gegeven over de institutionele eenheden waaraan of waarvan vorderingen werden verkocht c.q. gekocht; de financiële rekening naar sectoren van herkomst en bestemming geeft daarom geen volledig antwoord op de vraag wie in een verslagperiode wie financiert.

5.14. De financiële rekening is de laatste rekening in de serie van rekeningen waarin de registratie van transacties plaatsvindt (zie hoofdstuk 8). Het saldo ervan wordt dan ook niet naar een volgende rekening overgebracht. In het systeem is het saldo van de financiële rekening identiek aan het saldo van de kapitaalrekening. In de praktijk is er echter gewoonlijk een verschil tussen beide saldi, omdat zij op basis van niet op elkaar aansluitende statistische gegevens worden berekend.

5.15. Tegenover financiële transacties staan in het systeem altijd andere transacties. Dit kunnen andere financiële transacties zijn, dan wel niet-financiële transacties.

De gelijktijdige toeneming of afneming van zowel vorderingen als schulden of de ruil van vorderingen wordt volledig in de financiële rekening (van een sector of het buitenland) verantwoord. Indien een transactie en de tegenboeking ervan beide financiële transacties zijn, verandert hierdoor de samenstelling van vorderingen en schulden en eventueel ook de totalen van zowel vorderingen als schulden van de betrokken institutionele eenheden of van het buitenland, maar niet het vorderingenoverschot/-tekort of het vermogenssaldo.

Tegenboekingen van financiële transacties kunnen ook bestaan uit transacties in produkten (zie hoofdstuk 3), verdelingstransacties (hoofdstuk 4) of transacties in niet-geproduceerde niet-financiële activa (zie punt 6.06). Als het bij de tegenboeking om een dergelijke niet-financiële transactie gaat, zal het vorderingenoverschot/-tekort van de betrokken institutionele eenheden of van het buitenland veranderen.

5.16. De tegenboeking van een financiële transactie kan een inkomens- of kapitaaloverdracht zijn (zie hoofdstuk 4). In zo'n geval leidt de financiële transactie tot het ontstaan van een vordering, tot een schuldovername of de gelijktijdige afwikkeling van een vordering en de overeenkomstige schuld (schuldkwijtschelding). De tegenboeking van schuldovername en schuldkwijtschelding wordt ingedeeld in de categorie kapitaaloverdrachten (D.9) en geregistreerd op de kapitaalrekening.

Indien de eigenaar van een quasi-vennootschap schulden van de quasi-vennootschap overneemt of financiële aanspraken op de quasi-vennootschap kwijtscheldt, wordt de tegenboeking van deze schuldovername of -kwijtschelding echter geregistreerd als een transactie in aandelen en overige deelnemingen (F.5).

Indien de overheid een schuld overneemt of kwijtscheldt van een overheidsonderneming met rechtspersoonlijkheid die als institutionele eenheid uit het systeem verdwijnt, wordt er in de kapitaalrekening of in de financiële rekening geen transactie geregistreerd. In dit geval wordt een stroom geregistreerd in de rekening voor overige volumemutaties in activa (hoofdstuk 6 "Overige transacties en overige mutaties in activa").

Indien de overheid een schuld van een overheidsonderneming met rechtspersoonlijkheid overneemt of kwijtscheldt in het kader van de privatisering van de onderneming op korte termijn, is de tegenboeking een transactie in aandelen en overige deelnemingen. Privatisering betekent dat de zeggenschap over de overheidsonderneming wordt opgegeven (zie punt 2.26) door de overdracht van de aandelen en overige deelnemingen. Een dergelijke schuldovername of -kwijtschelding leidt tot een toename van het eigen vermogen (zie punt 7.05), ongeacht of deze toename het gevolg is van de uitgifte van aandelen en overige deelnemingen of niet.

De afschrijving van oninbare vorderingen door crediteuren en de eenzijdige annulering van een vordering door een debiteur (niet-erkenning van een schuld) worden niet beschouwd als financiële transacties, omdat er geen onderling overeengekomen actie tussen institutionele eenheden onderling of tussen een institutionele eenheid en het buitenland heeft plaatsgevonden. De afschrijving van oninbare vorderingen door crediteuren wordt geregistreerd in de rekening voor overige volumemutaties in activa (zie punt 6.27d). Niet-erkenning van schulden wordt niet in het systeem opgenomen.

5.17. Rente (D.41) kan ook de tegenboeking van een financiële transactie zijn. Rente wordt ontvangen door de crediteuren en betaald door de debiteuren van enkele soorten vorderingen uit de categorieën chartaal geld en deposito's (AF.2), effecten m.u.v. aandelen (AF.3), leningen (AF.4) en handelskredieten en transitorische posten (AF.7). In het systeem wordt rente geregistreerd op batenbasis, wat wil zeggen dat de rente die aan de crediteur wordt vergoed op het bedrag van de uitstaande hoofdsom, wordt geregistreerd alsof zij continu in de tijd aangroeit (zie punt 4.50). De tegenboeking is altijd een financiële transactie die leidt tot aanvullende financiële aanspraken van de crediteur op de debiteur. Het gevolg van deze financiële transactie is dat de rente wordt herbelegd. De feitelijke rentebetaling wordt niet geregistreerd in de rubriek rente (D.41), maar als een transactie die leidt tot vermindering van de hoeveelheid kasmiddelen. De tegenboeking daarvan is een financiële transactie die de nettovordering van de crediteur op de debiteur vermindert. Indien opgebouwde rente niet wordt betaald wanneer deze verschuldigd wordt, is er sprake van achterstallige rente. Omdat de opgebouwde rente al in het systeem wordt geregistreerd, wordt door de achterstallige rente het totaal aan vorderingen en schulden niet gewijzigd, maar kan wel de indeling ervan veranderen (zie punt 5.131).

5.18. De tegenboeking van een financiële transactie kan ook nog toegekend, maar niet uitgekeerd inkomen uit vermogen zijn. Voorbeelden hiervan zijn rente (D.41) en dividenden (D.421) die beleggingsfondsen ontvangen uit de beleggingen die zij hebben verricht en die bestemd zijn voor, maar nog niet zijn uitgekeerd aan de aandeelhouders (zie de punten 4.49b en 4.54b), ingehouden winsten op directe buitenlandse investeringen (D.43) en inkomen uit vermogen toegerekend aan polishouders (D.44) in geval van individuele levensverzekeringen die niet zijn afgesloten in het kader van sociale-verzekeringsregelingen. De financiële transacties die hier tegenover staan, vertegenwoordigen de herbelegging van het (positieve of negatieve) inkomen uit vermogen.

CLASSIFICATIE VAN FINANCIËLE TRANSACTIES

5.19. De financiële transacties worden ingedeeld in categorieën, die zijn onderverdeeld in subcategorieën, waarvan er sommige nog verder in subposten worden onderverdeeld. De indeling van de transacties in vorderingen en schulden komt overeen met die van de balansposities van vorderingen en schulden (zie de punten 5.06-5.08). Daarom worden de definities van categorieën, subcategorieën en subposten en de toelichting erop slechts eenmaal in het ESR gegeven, namelijk in het onderhavige gedeelte van dit hoofdstuk. In het hoofdstuk over de balansen worden de definities noch de toelichtingen erop herhaald. Bijlage 7.1 van dat hoofdstuk geeft evenwel een overzicht van alle activa en passiva die in het systeem zijn gedefinieerd.

5.20. De indeling van de financiële transacties en van de vorderingen en schulden is voornamelijk gebaseerd op de mate van liquiditeit en de juridische kenmerken van de vorderingen. De classificatie bevat geen functioneel afgebakende categorieën met uitzondering van de pro-memorie-post voor directe buitenlandse investeringen. De definities van de categorieën, subcategorieën en subposten staan over het algemeen los van de classificatie van de institutionele eenheden. Naargelang de behoefte kan de classificatie van vorderingen en schulden nader worden uitgesplitst door de indeling te kruisen met de classificatie van de institutionele eenheden. De categorie onderlinge depositoverhoudingen van monetaire financiële instellingen zou daarvan een voorbeeld kunnen zijn. De mate waarin vorderingen en schulden worden gedetailleerd hangt af van de institutionele sector die wordt geanalyseerd.

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

5.21. Voor een analyse van het transmissiemechanisme van het monetair beleid kan het noodzakelijk zijn om monetaire aggregaten in de balansen en de financiële rekeningen van de sectoren en het buitenland vast te stellen. De definities van de gehanteerde monetaire aggregaten lopen echter van land tot land uiteen en veranderen ook in de loop der tijd. Bovendien zijn zij opgebouwd uit onderdelen, waarvan de afbakening niet altijd overeenkomt met die van de categorieën, subcategorieën of subposten van de vorderingen en schulden zoals deze in het systeem zijn gedefinieerd. Daarbij komt nog dat de definiëring van de geldscheppende, geldbezittende en geldneutrale sectoren afhankelijk is van de definitie van het betrokken monetaire aggregaat. Er worden daarom geen monetaire aggregaten in het systeem gedefinieerd. In bijlage 5.1 van dit hoofdstuk is echter een methode opgenomen waarmee ieder monetair aggregaat in de balansen en financiële rekeningen kan worden getoond.

5.22. Innovaties op de financiële markten hebben het onderscheid tussen korte en lange vorderingen en schulden minder zinvol gemaakt. Bij een analyse van bij voorbeeld rentetarieven en rendementen op activa kan een onderverdeling naar looptijden echter wel noodzakelijk zijn. Daarom wordt het onderscheid naar looptijd, indien zulks relevant is, als een secundair indelingscriterium beschouwd.

Definitie: Kortlopende vorderingen (schulden) zijn vorderingen (schulden) met een oorspronkelijke looptijd van gewoonlijk maximaal één jaar en in uitzonderlijke gevallen maximaal twee jaar (60).

Langlopende vorderingen (schulden) zijn vorderingen (schulden) met een oorspronkelijke looptijd van gewoonlijk meer dan een jaar en in uitzonderlijke gevallen minimaal meer dan twee jaar.

5.23. Veel categorieën, subcategorieën en subposten van de vorderingen en schulden kunnen worden onderverdeeld naar de valuta waarin zij luiden.

Definitie: Vorderingen (schulden) in nationale valuta zijn vorderingen (schulden) die luiden in de nationale valuta van het land.

Vorderingen (schulden) in vreemde valuta zijn vorderingen (schulden) die niet luiden in de nationale valuta van het land.

Vorderingen in vreemde valuta omvatten eveneens vorderingen die worden uitgedrukt in een valutamand, zoals de ecu of de SDR, of in goud. Het onderscheid tussen nationale en vreemde valuta's is vooral nuttig voor de categorie chartaal geld en deposito's (AF.2).

MONETAIR GOUD EN BIJZONDERE TREKKINGSRECHTEN (SDR's) (F.1)

5.24. Categorie F.1 bestaat uit twee subcategorieën financiële transacties:

a) monetair goud (F.11),

b) bijzondere trekkingsrechten (SDR's) (F.12).

5.25. De vorderingen in de categorie monetair goud en SDR's (AF.1) hebben als enige in het systeem geen overeenkomstige schulden. Daarom leiden transacties in monetair goud en SDR's (F.1) altijd tot een overdracht van vorderingen (zie punt 5.02).

Monetair goud (F.11)

5.26. Definitie: De subcategorie monetair goud (F.11) omvat alle transacties in monetair goud (AF.11), d.w.z. goud dat wordt aangehouden als bestanddeel van de deviezenreserves van monetaire autoriteiten of van anderen die onder het feitelijke beheer van de monetaire autoriteiten vallen.

5.27. De sector monetaire autoriteiten - een functioneel begrip - bestaat uit de subsector centrale bank (S.121) en instellingen van de centrale overheid die transacties verrichten die gewoonlijk samenhangen met de functie van de centrale bank. Dergelijke transacties omvatten met name de uitgifte van chartaal geld en het aanhouden en beheren van internationale reserves en wisselkoersstabilisatiefondsen.

Gewoonlijk is goud dan ook uitsluitend een vordering voor de centrale bank of de centrale overheid. In sommige omstandigheden kunnen echter ook andere financiële instellingen goud in hun bezit hebben, dat uitsluitend kan worden verkocht met de uitdrukkelijke toestemming van de monetaire autoriteiten. Onder dergelijke aan strenge voorwaarden gebonden omstandigheden is het begrip "feitelijk beheer" eveneens van toepassing op de goudreserves van andere financiële instellingen dan de centrale bank.

5.28. Monetaire goud heeft gewoonlijk de vorm van baren met een zuiverheid van ten minste 995/1000.

5.29. Transacties in monetair goud bestaan voornamelijk uit aan- en verkopen van monetair goud door monetaire autoriteiten. Aankopen van monetair goud worden in de financiële rekening van de nationale monetaire autoriteiten geregistreerd als toename van de financiële vorderingen; hiertegenover staat een vermindering van de financiële vorderingen van het buitenland.

5.30. Transacties in niet-monetair goud, d.w.z. ander goud dan monetair goud, worden behandeld als het saldo aan- en verkopen van kostbaarheden (indien het uitsluitend als beleggingsvorm dient) of als consumptie, intermediair verbruik en/of veranderingen in voorraden. Tot de transacties in niet-monetair goud behoren de transacties van de monetaire autoriteiten in goud dat geen bestanddeel van hun deviezenreserves vormt.

5.31. Indien de monetaire autoriteiten niet-monetair goud toevoegen aan hun reserves aan monetair goud, dan wel monetair goud uit hun reserves vrijmaken voor niet-monetaire doeleinden, worden zij geacht goud te hebben gemonetiseerd resp. gedemonetiseerd. Monetisatie of demonetisatie van goud geeft zelf geen aanleiding tot registratie in de financiële rekeningen; de verandering in de balansposten wordt geregistreerd in de rekening voor overige volumemutaties in activa: goud als kostbaarheid (AN.13) wordt hierdoor omgezet in monetair goud (AF.11) (zie punt 6.32). Demonetisatie wordt dienovereenkomstig behandeld.

5.32. In goud uitgedrukte deposito's, effecten en leningen worden beschouwd als andere vorderingen dan monetair goud en te zamen met soortgelijke vorderingen in vreemde valuta's in de desbetreffende categorie ingedeeld.

Swaps met niet-monetair goud, d.w.z. de tijdelijke ruil van niet-monetair goud voor deposito's, worden beschouwd als leningen tegen onderpand (zie punt 5.81e).

Bijzondere trekkingsrechten (SDR's) (F.12)

5.33. Definitie: De subcategorie bijzondere trekkingsrechten (SDR's) (F.12) omvat alle transacties in SDR's (AF.12), de door het Internationaal Monetair Fonds (IMF) gecreëerde internationale deviezenreserves die worden toegewezen aan de leden van het Fonds als aanvulling op bestaande reserves.

5.34. SDR's worden niet als schulden van het IMF beschouwd en IMF-leden aan wie SDR's zijn toegewezen, hebben feitelijk geen (onvoorwaardelijke) verplichting deze terug te betalen. SDR's zijn uitsluitend in bezit van officiële houders, gewoonlijk de centrale banken, en kunnen alleen worden overgedragen aan andere deelnemers in de afdeling Bijzondere Trekkingsrechten van het IMF en andere door het IMF aangewezen houders (andere centrale banken en bepaalde internationale organisaties). SDR's vertegenwoordigen het gegarandeerde en onvoorwaardelijke recht van iedere houder ervan op andere categorieën internationale reserves, met name deviezen.

5.35. Mutaties in SDR's bij een monetaire autoriteit kunnen ontstaan door transacties in SDR's waarbij betalingen aan of ontvangsten van het IMF, andere deelnemers in de afdeling Bijzondere Trekkingsrechten van het IMF of andere houders in SDR's plaatsvinden. Zij worden geregistreerd in de financiële rekeningen van de monetaire autoriteiten en het buitenland. Mutaties in de omvang van het SDR-bezit kunnen ook voortvloeien uit veranderingen in de waarde van SDR's, die moeten worden geregistreerd in de rekening voor nominale waarderingsverschillen, of uit toewijzingen en annuleringen van SDR's, die worden opgenomen in de rekening voor overige volumemutaties in activa (zie punt 6.27a).

CHARTAAL GELD EN DEPOSITO'S (F.2)

5.36. Definitie: De categorie chartaal geld en deposito's (F.2) omvat alle transacties in chartaal geld en deposito's (AF.2), d.w.z. chartaal geld in omloop en alle soorten deposito's in nationale en vreemde valuta.

5.37. Categorie F.2 is ingedeeld in drie subcategorieën financiële transacties:

a) chartaal geld (F.21);

b) girale deposito's (F.22);

c) overige deposito's en spaartegoeden (F.29).

Het onderscheid tussen girale en overige deposito's is soms moeilijk te maken en in sommige landen voor analysedoeleinden niet erg zinvol (zie voor het onderscheid tussen deposito's en leningen de punten 5.74-5.76).

Chartaal geld (F.21)

5.38. Definitie: De subcategorie chartaal geld (F.21) omvat alle transacties in chartaal geld (AF.21), d.w.z. bankbiljetten en munten in omloop, die algemeen worden gebruikt voor het verrichten van betalingen.

5.39. Tot subcategorie AF.21 behoren:

a) bankbiljetten en munten in omloop, die zijn uitgegeven door ingezeten monetaire autoriteiten;

b) bankbiljetten en munten in omloop, die zijn uitgegeven door niet-ingezeten monetaire autoriteiten en die in het bezit zijn van ingezetenen.

5.40. Tot subcategorie AF.21 behoren niet:

a) de niet in omloop gebrachte bankbiljetten en munten, bij voorbeeld de eigen voorraad of noodvoorraden bankbiljetten van een centrale bank;

b) herdenkingsmunten, die niet algemeen worden gebruikt voor het verrichten van betalingen.

5.41. Alle sectoren en het buitenland kunnen chartaal geld aanhouden. Het wordt uitgegeven door de centrale bank, de centrale overheid, het buitenland en in uitzonderlijke gevallen andere monetaire financiële instellingen. Chartaal geld wordt beschouwd als een schuld van de uitgevende institutionele eenheid.

Girale deposito's (F.22)

5.42. Definitie: De subcategorie girale deposito's (F.22) omvat alle transacties in girale deposito's (AF.22), d.w.z. deposito's (in nationale of vreemde valuta) die onmiddellijk en zonder enige significante beperking of boete kunnen worden omgezet in chartaal geld of per cheque, bankopdracht, debitering en dergelijke overdraagbaar zijn.

5.43. Tot subcategorie AF.22 behoren girale deposito's bij ingezeten en niet-ingezeten monetaire financiële instellingen. Hiertoe behoren ook girale deposito's die monetaire financiële instellingen onderling aanhouden, zoals deposito's die bij de centrale bank worden aangehouden ter naleving van verplichte kasreserveregelingen, althans voor zover deze deposito's overdraagbaar blijven, en voorts rekening-courantsaldi en valutadeposito's in het kader van swapovereenkomsten tussen centrale banken en/of overige monetaire financiële instellingen.

5.44. Alle sectoren en het buitenland kunnen girale deposito's bezitten. Girale deposito's zijn overwegend schulden van monetaire financiële instellingen en het buitenland, maar soms ook van de overheid.

Overige deposito's en spaartegoeden (F.29)

5.45. Definitie: De subcategorie overige deposito's en spaartegoeden (F.29) omvat alle transacties in deposito's, met uitzondering van girale deposito's, en spaartegoeden in nationale of vreemde valuta (AF.29). Zij kunnen niet te allen tijde worden gebruikt voor het verrichten van betalingen en zijn niet zonder enige significante beperking of boete om te zetten in chartaal geld of girale deposito's.

5.46. Tot subcategorie AF.29 behoren onder meer:

a) termijndeposito's. Deze zijn niet onmiddellijk beschikbaar omdat zij voor een bepaalde termijn zijn vastgelegd of een opzegtermijn kennen. Hiertoe behoren ook de deposito's die als verplichte reserves bij de centrale bank berusten en die niet zonder voorafgaande opzegging of zonder beperkingen te gelde kunnen worden gemaakt;

b) spaardeposito's, spaarbankboekjes, spaarbewijzen of depositobewijzen die niet verhandelbaar zijn of waarvan de - theoretisch weliswaar mogelijke - verhandelbaarheid zeer beperkt is;

c) deposito's die voortvloeien uit een spaarplan of -overeenkomst. Dergelijke tegoeden houden vaak een verplichting van de spaarder in om gedurende een bepaalde periode regelmatig stortingen te verrichten; het ingelegde kapitaal vermeerderd met de opgebouwde rente komt niet eerder dan aan het einde van een bepaalde termijn beschikbaar. Soms, bij voorbeeld bij de aankoop of bouw van een woning, worden dergelijke deposito's aan het einde van de spaarperiode gecombineerd met de verstrekking van een lening die gerelateerd is aan de gecumuleerde spaargelden;

d) depositobewijzen van spaar- en kredietfondsen, bouwfondsen enz., die soms aandelen worden genoemd en die wettelijk - of in de praktijk - op aanvraag of met een betrekkelijk korte opzegtermijn opeisbaar zijn;

e) terug te betalen margestortingen samenhangend met financiële derivaten voor zover deze stortingen schulden vormen van monetaire financiële instellingen (zie punt 5.81c);

f) kortlopende verkoopovereenkomsten met terugkoopverplichting ("repurchase agreements", repo's) voor zover zij schulden zijn van monetaire financiële instellingen (zie punt 5.81d) (61).

5.47. Subcategorie AF.29 omvat geen verhandelbare depositocertificaten (CD's) en spaarbewijzen. Deze behoren tot de subcategorie effecten m.u.v. aandelen (exclusief financiële derivaten) (AF.33).

5.48. Tot subcategorie AF.29 behoren voorts:

a) officiële vorderingen in ecu die door de centrale bank worden aangehouden. Deze vorderingen bestaan uit de door het EMI tegen monetaire reserves van de centrale banken van de Lid-Staten uitgegeven ecu's voor de tenuitvoerlegging van de EMS-overeenkomst. De ecu's kunnen door het EMI en de centrale banken van de Lid-Staten worden gebruikt als betaalmiddel en voor transacties tussen de centrale banken en het EMI. Het EMI kan monetaire autoriteiten van derde landen en internationale monetaire instellingen de status toekennen van "andere houders van ecu's" (62);

b) vorderingen of schulden van de centrale bank op grond van het financieringsmechanisme op zeer korte termijn en van het mechanisme voor monetaire bijstand op korte termijn, die beide door het EMI worden beheerd (63);

c) vorderingen op het IMF, d.w.z. bestanddelen van de internationale reserves die niet blijken uit leningen. Zij bestaan uit de reservepositie van een lid in het IMF, die is gebaseerd op diens deelneming in de reserves en op het nettogebruik door het Fonds van de valuta van het lid.

d) Schulden aan het IMF die niet blijken uit leningen. Zij bestaan uit het beroep op kredieten van het Fonds binnen diens "General Resources Account"; deze geeft de valutahoeveelheid bij het IMF weer, dat het lid verplicht is terug te kopen.

5.49. Alle sectoren en het buitenland kunnen overige deposito's en spaartegoeden aanhouden. Als schuld komen zij met name voor bij monetaire financiële instellingen en het buitenland, maar soms ook bij andere sectoren, zoals de overheid (zie de punten 5.74-5.76).

EFFECTEN M.U.V. AANDELEN (F.3)

5.50. Definitie: De categorie effecten m.u.v. aandelen (F.3) omvat alle transacties in effecten m.u.v. aandelen (AF.3) d.w.z. vorderingen aan toonder die gewoonlijk verhandelbaar dan wel compenseerbaar zijn op secundaire markten en die de houder ervan geen eigendomsrechten geven op de institutionele eenheid die ze emitteert.

5.51. Categorie AF.3 betreft vorderingen in de vorm van overdraagbare waardepapieren waarvan de nominale waarde bij de emissie is bepaald. Het gaat onder meer om wissels, obligaties, CD's (depositocertificaten), "commercial paper", schuldbrieven, financiële derivaten en soortgelijke instrumenten die gewoonlijk op de financiële markten worden verhandeld (zie voor het onderscheid tussen effecten m.u.v. aandelen en leningen de punten 5.77-5.80).

5.52. Alle sectoren en het buitenland kunnen vorderingen in de vorm van dergelijke effecten hebben. Het zijn schulden van vooral financiële instellingen en niet-financiële vennootschappen, de centrale overheid, deelstaat- en lagere overheden en het buitenland.

5.53. Categorie F.3 wordt onderverdeeld in twee subcategorieën financiële transacties (64):

a) effecten m.u.v. aandelen, exclusief financiële derivaten (F.33);

b) financiële derivaten (F.34).

Effecten m.u.v. aandelen (exclusief financiële derivaten) (F.33)

5.54. Definitie: De subcategorie effecten m.u.v. aandelen (exclusief financiële derivaten) (F.33) omvat alle transacties in effecten m.u.v. aandelen (exclusief financiële derivaten) (AF.33), d.w.z. effecten m.u.v. aandelen, die de houder het onvoorwaardelijke recht geven op een vast of contractueel vastgelegd variabel inkomen in geld in de vorm van couponbetalingen (rente) en/of een afgesproken vast bedrag op een bepaalde datum of bepaalde data, dan wel vanaf een datum die bij de emissie is vastgelegd.

5.55. Indien relevant kan subcategorie F.33 worden gesplitst in twee subposten:

a) kortlopende effecten m.u.v. aandelen (exclusief financiële derivaten) (F.331);

b) langlopende effecten m.u.v. aandelen (exclusief financiële derivaten) (F.332).

Kortlopende effecten m.u.v. aandelen (exclusief financiële derivaten) (F.331)

5.56. Definitie: De subpost kortlopende effecten m.u.v. aandelen (exclusief financiële derivaten) (F.331) omvat alle transacties in effecten m.u.v. aandelen (exclusief financiële derivaten) met een korte oorspronkelijke looptijd (AF.331) (zie punt 5.22).

5.57. Kortlopende effecten worden over het algemeen met een disagio uitgegeven.

5.58. Tot subpost AF.331 behoren:

a) schatkistbiljetten en ander kortlopend papier, uitgegeven door de overheid, inclusief die waarop door andere monetaire financiële instellingen is ingeschreven teneinde te voldoen aan hun reserveverplichtingen;

b) verhandelbaar kortlopend papier uitgegeven door financiële instellingen en niet-financiële vennootschappen. Er bestaat een breed scala aan dergelijke waardepapieren: "commercial paper", handelswissels, promessen, "bills of trade", wissels en "depositocertificaten" (CD's);

c) kortlopende effecten uitgegeven onder langlopende gegarandeerde "note issuance facilities" (NIF's);

d) bankaccepten: financiële instellingen accepteren (handels)wissels of promessen uitgegeven (of getrokken) door niet-financiële vennootschappen en garanderen onvoorwaardelijk op een bepaalde datum een bepaald bedrag uit te betalen. Het bankaccept is een onvoorwaardelijke financiële vordering van de houder en een onvoorwaardelijke verplichting van de accepterende financiële instelling. De financiële instelling verstrekt tegelijkertijd haar cliënt een kortlopende lening. Daarom verdient het aanbeveling dat bankaccepten worden beschouwd als een werkelijke schuld van de accepterende financiële instelling en als een vordering van de houder, ook al zijn er wellicht geen middelen overgedragen. Er is enige soepelheid in de toepassing van deze aanbeveling vereist om rekening te kunnen houden met nationale praktijken en varianten in de aard van dergelijke instrumenten.

5.59. Tot subpost AF.331 behoren geen effecten waarvan de verhandelbaarheid theoretisch weliswaar mogelijk is, doch in de praktijk zeer beperkt is; deze zijn opgenomen in de subcategorieën "overige deposito's en spaartegoeden" (AF.29) dan wel "kortlopende leningen" (AF.41) (zie de punten 5.74-5.76).

Langlopende effecten m.u.v. aandelen (exclusief financiële derivaten) (F.332)

5.60. Definitie: De subpost langlopende effecten m.u.v. aandelen (exclusief financiële derivaten) (F.332) omvat alle transacties in effecten m.u.v. aandelen (exclusief financiële derivaten) met een lange oorspronkelijke looptijd (AF.332) (zie punt 5.22).

5.61. Langlopende effecten zijn bij de uitgifte over het algemeen voorzien van couponbladen.

5.62. Onder subpost AF.332 vallen:

a) obligaties aan toonder;

b) achtergestelde obligaties, vaak achtergestelde schulden genoemd;

c) obligaties met verschillende opties ten aanzien van de datum van aflossing waarvan de laatste na minstens één jaar;

d) eeuwigdurende obligaties;

e) obligaties met variabele rente ("floating rate notes");

f) indexobligaties, waarbij de waarde van de hoofdsom is gekoppeld aan een prijsindexcijfer, de prijs van bepaalde goederen of een wisselkoersindexcijfer;

g) "deep-discount"-obligaties en "zero-coupon"-obligaties;

h) Euro-obligaties: een obligatielening die tegelijkertijd op de markt van ten minste twee landen wordt geplaatst, die in een valuta luidt die niet noodzakelijkerwijs de valuta van een van deze landen is en die gewoonlijk wordt geëmitteerd door internationale syndicaten van financiële instellingen uit diverse landen;

i) onderhands geplaatste obligatieleningen, d.w.z. obligaties die door een bilaterale overeenkomst zijn voorbehouden aan enkele beleggers, mits zij ten minste potentieel overdraagbaar zijn; anders worden zij beschouwd als langlopende leningen;

j) leningen die de facto verhandelbaar zijn geworden. Dit dient zodanig geïnterpreteerd te worden dat het uitsluitend leningen betreft die op een georganiseerde secundaire markt worden verhandeld (zie punt 5.79);

k) effecten die voortvloeien uit een conversie van leningen. Een conversie houdt twee financiële transacties in: de afwikkeling van de lening en de emissie van de nieuwe effecten;

l) schuldbewijzen en andere vormen van vreemd vermogen die kunnen worden geconverteerd in aandelen van de emitterende onderneming of van een andere onderneming, zolang de conversie nog niet heeft plaatsgevonden. Een conversie houdt twee financiële transacties in: de liquidatie van de schuldbewijzen of obligaties en de emissie van aandelen. Indien de conversie-optie gescheiden kan worden van de onderliggende obligatie, dient zij te worden behandeld als een afzonderlijke vordering en moet zij worden ingedeeld in de subcategorie financiële derivaten (AF.34) (zie punt 5.67a en b);

m) aandelen (inclusief niet-winstdelende preferente aandelen en oprichtersbewijzen) waarop een vast inkomen wordt betaald en die niet voorzien in een aandeel in de restwaarde van een onderneming bij liquidatie.

5.63. Subpost AF.332 omvat mede vorderingen die verband houden met de securisatie van leningen, hypothecaire leningen, credit-cardschulden, transitorische posten en andere activa. Soms worden nieuwe effecten uitgegeven ter vervanging van de oorspronkelijke vordering die daadwerkelijk wordt afgewikkeld. Ook kan de oorspronkelijke vordering worden overgedragen aan een andere institutionele eenheid; die nieuwe effecten vervangen dan de oorspronkelijke in de balans van de eerste institutionele eenheid. In zo'n geval dient de oorspronkelijke vordering te worden geregistreerd op de balans van de institutionele eenheid waaraan de vordering werd overgedragen.

5.64. Tot subpost F.332 behoren geen:

a) transacties in effecten die deel uitmaken van een "repurchase agreement" (verkoop met contractuele terugkoop). "Repurchase agreements" worden afhankelijk van de sector van de betrokken institutionele eenheden ingedeeld in de subcategorie overige deposito's en spaartegoeden (zie punt 5.46f) of in de categorie "leningen" (zie punt 5.81d). De waardepapieren die worden uitgeleend of teruggekocht, veranderen de balans niet en blijven ingedeeld onder AF.332;

b) transacties in niet-verhandelbare effecten. Deze worden ingedeeld in de subcategorie langlopende leningen;

c) transacties in niet-verhandelbare leningen, met inbegrip van leningen die aan een derde zijn verkocht, maar waarvoor geen georganiseerde secundaire markt bestaat (zie punt 5.79).

Financiële derivaten (F.34)

5.65. Definitie: De subcategorie financiële derivaten (F.34) omvat alle transacties in financiële derivaten (AF.34), d.w.z. vorderingen die zijn gebaseerd op of zijn afgeleid van een andere, onderliggende "waarde". Die onderliggende "waarde" is gewoonlijk een andere vordering, maar kan ook een goed of een indexcijfer zijn.

5.66. Financiële derivaten worden ook wel afgeleide instrumenten genoemd, en aangezien risicovermijding vaak een reden is voor de creatie ervan, ook wel "hedging"-instrumenten (instrumenten voor risico-indekking). Alleen afgeleide instrumenten die een marktwaarde hebben (omdat zij verhandelbaar zijn of op de markt kunnen worden gecompenseerd), worden in het systeem als vorderingen beschouwd en ingedeeld in subcategorie AF.34 (zie punt 5.05).

5.67. Tot subcategorie AF.34 behoren:

a) op de beurs verhandelbare opties en "over-the-counter"-(OTC-)opties. Opties zijn voorwaardelijke activa die de houders ervan het recht, maar niet de plicht, geven financiële of niet-financiële activa (de onderliggende waarde) tegen een tevoren overeengekomen prijs (de uitoefenprijs) binnen een overeengekomen periode (Amerikaanse optie) of op een bepaalde datum (Europese optie) te kopen (een call-optie) van of te verkopen (een put-optie) aan de schrijver van de optie. De koper van de optie betaalt een premie (de optieprijs) voor de verplichting van de optieschrijver de aangegeven onderliggende activa op verzoek van de koper van de optie aan te kopen of te verkopen of een passende vergoeding te betalen. Volgens afspraak wordt deze verplichting beschouwd als een schuld van de optieschrijver, omdat de optieprijs zijn kosten voor het afkopen van zijn voorwaardelijke schuld vertegenwoordigt;

b) warrants. Dit zijn een soort verhandelbare opties die de houders ervan het recht geven van de emittent van de warrant (gewoonlijk een vennootschap) gedurende een vastgestelde periode tegen de overeengekomen voorwaarden een bepaald aantal aandelen of obligaties te kopen. Er bestaan ook valutawarrants, waarvan de waarde is gebaseerd op de hoeveelheid van een bepaalde valuta die nodig is om een andere valuta vóór of op de afloopdatum van de warrant te kopen, en "cross-currency"-warrants die zijn gekoppeld aan een derde valuta. Volgens afspraak wordt ervan uitgegaan dat de emittent van de warrant een schuld aangaat ter hoogte van de kosten voor het afkopen van zijn voorwaardelijke verplichting;

c) futures, uitsluitend indien deze een marktwaarde hebben omdat zij verhandelbaar zijn of kunnen worden gecompenseerd. Futures zijn overeenkomsten tot verplichte levering resp. ontvangst van een bepaalde hoeveelheid goederen van een standaardkwaliteit, vreemde valuta's of effecten tegen een vaste prijs met een bepaalde leveringsdatum of gedurende een bepaalde leveringsperiode. Futures kunnen ook worden gebaseerd op een indexcijfer in plaats van op een specifiek financieel of niet-financieel activum;

d) swaps, uitsluitend indien deze een marktwaarde hebben omdat zij verhandelbaar zijn of kunnen worden gecompenseerd. Swaps zijn overeenkomsten tussen twee partijen die afspreken gedurende een bepaalde tijd en volgens tevoren vastgestelde regels betalingsstromen voor een zelfde schuldbedrag te ruilen. De twee meest voorkomende varianten zijn renteswaps en valutaswaps. Bij renteswaps is er sprake van een ruil van verschillende soorten rentebetalingen, zoals een vaste tegen een variabele rente, twee verschillende variabele rentetarieven, een vaste rente in een bepaalde valuta en een variabele rente in een andere enz. (zie punt 4.47). In geval van valutaswaps worden gedurende een bepaalde tijd en volgens tevoren vastgestelde regels bepaalde bedragen in twee verschillende valuta's met achtereenvolgende afbetalingen (rente- en afbetalingsstromen) uitgeruild;

e) "forward rate agreements" (termijncontracten met rentevaststelling na afloop), uitsluitend indien deze een marktwaarde hebben omdat zij verhandelbaar zijn of kunnen worden gecompenseerd. Het gaat om overeenkomsten waarbij twee partijen, om zich in te dekken tegen renteschommelingen, overeenkomen op een vastgestelde afwikkelingsdag een bepaald rentetarief te betalen op een fictieve hoofdsom die nooit daadwerkelijk wordt geruild. De betalingen zijn gekoppeld aan het verschil tussen het overeengekomen tarief van het contract en de op het moment van afwikkeling geldende marktrente. Deze betalingen worden in het systeem geregistreerd als inkomen uit vermogen (zie punt 4.47).

5.68. Tot subcategorie AF.34 behoren niet:

a) de onderliggende waarden waarop de financiële derivaten zijn gebaseerd;

b) de terug te betalen margestortingen die samenhangen met financiële derivaten. Zij worden, afhankelijk van de sector van de betrokken institutionele eenheden, opgenomen onder overige deposito's en spaartegoeden (AF.29) (zie punt 5.46e) of leningen (AF.4) (zie punt 5.81c);

c) de afgeleide instrumenten die niet verhandelbaar zijn en ook niet kunnen worden gecompenseerd.

LENINGEN (F.4)

5.69. Definitie: De categorie leningen (F.4) omvat alle transacties in leningen (AF.4), d.w.z. vorderingen die ontstaan op het moment dat crediteuren, hetzij rechtstreeks hetzij via tussenpersonen, middelen uitlenen aan debiteuren, al dan niet blijkend uit niet-verhandelbare documenten.

5.70. Over het algemeen worden leningen als volgt gekarakteriseerd:

a) de leningsvoorwaarden worden vastgesteld door de financiële instelling die de lening toekent of in onderhandelingen tussen geldgever en geldnemer, rechtstreeks of via een tussenpersoon;

b) het initiatief voor de lening komt gewoonlijk van de geldnemer;

c) een lening is een onvoorwaardelijke schuld aan de crediteur; zij moet op de vervaldatum of -data worden afgelost en er moet rente over het geleende bedrag worden betaald.

5.71. Categorie F.4 kan, indien zulks relevant is, worden onderverdeeld in twee subcategorieën financiële transacties:

a) kortlopende leningen (F.41);

b) langlopende leningen (F.42).

Kortlopende leningen (F.41)

5.72. Definitie: De subcategorie kortlopende leningen (F.41) omvat alle transacties in kortlopende leningen (AF.41), d.w.z. leningen met een korte oorspronkelijke looptijd (zie punt 5.22) en leningen die op verzoek direct moeten worden afgelost.

Langlopende leningen (F.42)

5.73. Definitie: De subcategorie langlopende leningen (F.42) omvat alle transacties in langlopende leningen (AF.42), d.w.z. leningen met een lange oorspronkelijke looptijd (zie punt 5.22).

5.74. Het verschil tussen transacties in leningen (F.4) en in deposito's (F.22, F.29) kan in veel gevallen worden gebaseerd op het criterium van de initiatiefnemer tot de transactie. Indien de geldnemer het initiatief heeft genomen, behoort de transactie tot de leningen; indien daarentegen het initiatief tot de transactie bij de geldgever lag, moet zij worden ingedeeld in een van de subcategorieën van de deposito's. De toepassing van dit criterium is echter vaak subjectief.

5.75. Volgens afspraak worden kortlopende leningen aan ingezeten of niet-ingezeten monetaire financiële instellingen in principe ingedeeld in een subcategorie van de deposito's (AF.22, AF.29), en kortlopende deposito's die door andere institutionele eenheden dan ingezeten of niet-ingezeten monetaire financiële instellingen worden aanvaard, in de subcategorie kortlopende leningen (AF.41). Daarom komen deposito's normaal gesproken als schuld alleen voor bij ingezeten en niet-ingezeten monetaire financiële instellingen (zie de punten 5.44 en 5.49), terwijl deze in het systeem gewoonlijk geen kortlopende leningen als schulden hebben.

5.76. Het kan voor analysedoeleinden zinvol zijn uitzonderingen op bovengenoemde afspraken toe te staan, bij voorbeeld voor spaardeposito's bij de overheid en swaps met niet-monetair goud tussen monetaire financiële instellingen (zie punt 5.81e) (65).

5.77. Transacties in leningen (F.4) kunnen worden onderscheiden van transacties in effecten m.u.v. aandelen (F.3) op basis van de mate van verhandelbaarheid van vorderingen en de gevolgen hiervan.

5.78. Effectenemissies bestaan uit een groot aantal, op identieke wijze gedocumenteerde standaardcontracten, elk voor een bepaald rond bedrag. Te zamen vormen deze het totale geleende bedrag. Leningen daarentegen blijken in de meeste gevallen uit een enkel document en transacties in leningen vinden plaats tussen één crediteur en één debiteur. Consortiumleningen, waarbij sprake is van meer crediteuren, vormen hierop een uitzondering.

5.79. Er bestaat weliswaar een secundaire markt voor leningen, maar individuele leningen worden slechts incidenteel verhandeld. Als een lening op een georganiseerde markt verhandelbaar wordt, moet zij worden ingedeeld in de categorie effecten m.u.v. aandelen. Gewoonlijk vindt er dan een expliciete omzetting van de oorspronkelijke lening plaats (zie punt 5.62 j en k).

5.80. Financiële instellingen bieden ten behoeve van huishoudens vaak gestandaardiseerde leningen aan. De financiële instellingen bepalen de voorwaarden en de huishoudens hebben enkel de keuze deze wel of niet te accepteren. De voorwaarden van niet-gestandaardiseerde leningen zijn echter gewoonlijk het resultaat van onderhandelingen tussen de crediteur en de debiteur. Dit is een belangrijk criterium, waarmee onderscheid kan worden gemaakt tussen niet-gestandaardiseerde leningen en effecten m.u.v. aandelen. Bij openbare emissies worden de uitgiftevoorwaarden door de geldnemer bepaald, eventueel na overleg met de "lead-manager" van het emissiesyndicaat. Bij onderhandse plaatsingen van effecten onderhandelen crediteur en debiteur echter over de uitgiftevoorwaarden (zie punt 5.62i).

5.81. Tot categorie AF.4 behoren:

a) rekening-courantsaldi, bij voorbeeld saldi (van interne verrekeningen) binnen een concern van niet-financiële vennootschappen en hun niet-ingezeten dochterondernemingen. Indien deze saldi echter schulden van monetaire financiële instellingen zijn, behoren zij tot een van de subcategorieën van de deposito's;

b) saldi van rekeningen van werknemers vanwege hun deelname in de winsten van de onderneming;

c) terug te betalen margestortingen samenhangend met financiële derivaten, voor zover die stortingen schulden vormen van andere institutionele eenheden dan monetaire financiële instellingen (zie punt 5.46e);

d) kortlopende "repurchase agreements" (repo's) voor zover die schulden vormen van andere institutionele eenheden dan monetaire financiële instellingen (zie punt 5.46f), alsmede alle langlopende "repurchase agreements";

e) leningen die voortvloeien uit swaps met niet-monetair goud. Deze vloeien voort uit overeenkomsten waarbij niet-monetair goud tijdelijk wordt geruild tegen deposito's. Economisch gezien zijn zij gelijk aan een lening met zakelijke zekerheden, omdat de koper van het goud de verkoper voor de duur van de regeling door het goud gedekte voorschotten verstrekt en een rendement op de vastgestelde prijs ontvangt bij de terugkoop van het goud;

f) leningen die de tegenhanger vormen van bankaccepten (zie punt 5.58d);

g) financiële lease- en huurkoopovereenkomsten (66);

h) leningen ter financiering van handelskredieten;

i) hypothecaire leningen;

j) consumptieve kredieten;

k) doorlopende kredieten;

l) afbetalingskredieten;

m) waarborgsommen.

5.82. Tot categorie AF.4 behoren voorts:

a) vorderingen of schulden die voortvloeien uit de financiële ondersteuning op middellange termijn van de betalingsbalansen van de Lid-Staten. Deze leningen worden verstrekt door het EMI (67);

b) vorderingen op het IMF in de vorm van leningen onder de "General Agreements to Borrow" of onder de bijzondere leningsovereenkomsten met leden;

schulden aan het IMF in de vorm van leningen onder de "Structural Adjustment Facility", de "Enhanced Structural Adjustment Facility" (in geval van structurele betalingsbalansproblemen) en het Trustfonds.

5.83. Tot categorie AF.4 behoren niet:

a) handelskredieten en transitorische posten (AF.7);

b) vorderingen of schulden voortvloeiend uit de eigendom van onroerend goed (zoals grond en bouwwerken) door niet-ingezetenen. Deze worden ingedeeld onder de subpost overige deelnemingen (AF.513) (zie punt 5.95f).

5.84. Leningen komen als vorderingen en schulden voor bij alle sectoren en het buitenland. Bij monetaire financiële instellingen komen in het systeem normaal gesproken kortlopende leningen niet als schuld voor.

5.85. De subcategorieën kortlopende en langlopende leningen worden in het systeem niet verder onderverdeeld. Niettemin kan het voor analysedoeleinden zinvol zijn om met name de langlopende leningen onder te verdelen in consumptief krediet (68), hypothecaire leningen (69) en overige leningen.

AANDELEN EN OVERIGE DEELNEMINGEN (F.5)

5.86. Definitie: De categorie aandelen en overige deelnemingen (F.5) omvat alle transacties in aandelen en overige deelnemingen (AF.5), d.w.z. vorderingen die eigendomsrechten op vennootschappen en quasi-vennootschappen vertegenwoordigen. Dergelijke vorderingen geven de houder ervan over het algemeen recht op een aandeel in de winst van deze vennootschappen en quasi-vennootschappen, alsmede in hun nettovermogen in geval van liquidatie (70).

Bij de emissie te koop aangeboden aandelen waarop niet is ingeschreven, worden niet in het systeem geregistreerd. Aandelen en overige deelnemingen worden als terugkoop geregistreerd wanneer ze door de emitterende vennootschap of quasi-vennootschap worden gekocht of wanneer ze bij de liquidatie van de onderneming worden ingewisseld tegen het nettovermogen.

5.87. Categorie F.5 is onderverdeeld in twee subcategorieën financiële transacties:

a) aandelen en overige deelnemingen (exclusief participaties in beleggingsinstellingen) (F.51);

b) participaties in beleggingsinstellingen (F.52).

Aandelen en overige deelnemingen (exclusief participaties in beleggingsinstellingen) (F.51)

5.88. Definitie: De subcategorie aandelen en overige deelnemingen (exclusief participaties in beleggingsinstellingen) (F.51) betreft alle transacties in aandelen en overige deelnemingen (exclusief participaties in beleggingsinstellingen) (AF.51), d.w.z. vorderingen die eigendomsrechten op vennootschappen en quasi-vennootschappen vertegenwoordigen, met uitzondering van participaties in beleggingsinstellingen. Dergelijke vorderingen geven de houder ervan over het algemeen recht op een aandeel in de winst van deze vennootschappen en quasi-vennootschappen, alsmede in hun nettovermogen in geval van liquidatie.

5.89. Subcategorie F.51 kan nog in de volgende drie deelposten van financiële transacties worden onderverdeeld:

a) beursgenoteerde aandelen (exclusief participaties in beleggingsinstellingen) (F.511);

b) niet-beursgenoteerde aandelen (exclusief participaties in beleggingsinstellingen) (F.512);

c) overige deelnemingen (F.513).

Beursgenoteerde (F.511) en niet-beursgenoteerde aandelen (F.512) (exclusief participaties in beleggingsinstellingen)

5.90. Definitie: De subpost beursgenoteerde aandelen (exclusief participaties in beleggingsinstellingen) (F.511) bestaat uit alle transacties in beursgenoteerde aandelen (exclusief participaties in beleggingsinstellingen) (AF.511), terwijl de subpost niet-beursgenoteerde aandelen (exclusief participaties in beleggingsinstellingen) (F.512) bestaat uit alle transacties in niet-beursgenoteerde aandelen (exclusief participaties in beleggingsinstellingen) (AF.512). Aandelen vertegenwoordigen een economisch belang in het kapitaal van vennootschappen. Ze hebben de vorm van effecten die in beginsel verhandelbaar zijn. Subpost AF.511 betreft aandelen waarvan de koersen op een erkende effectenbeurs of een secundaire markt zijn genoteerd, subpost AF.512 betreft aandelen die niet op de beurs genoteerd zijn.

5.91. Tot de subposten AF.511 en AF.512 behoren:

a) door naamloze vennootschappen uitgegeven aandelen: de houders van deze effecten hebben gezamenlijk de status van eigenaar; zij hebben recht op een aandeel in het totaal van de uitgekeerde winst en in het nettovermogen van de onderneming in geval van liquidatie;

b) door naamloze vennootschappen uitgegeven winstbewijzen: waardepapieren waarop het nominale maatschappelijke kapitaal is terugbetaald, maar waarvan de houder de hoedanigheid van deelgerechtigde heeft behouden en die recht geven op een deel van de winst nadat op het maatschappelijke kapitaal dividend is uitgekeerd, alsmede op een eventueel overschot bij liquidatie (nettovermogen verminderd met het aandelenkapitaal);

c) door naamloze vennootschappen uitgegeven dividendaandelen: dit zijn effecten die:

(1) afhankelijk van het land en de omstandigheden waaronder zij zijn uitgegeven oprichtersaandelen, winstaandelen, dividendaandelen, enz. worden genoemd en die geen deel uitmaken van het maatschappelijk kapitaal,

(2) de houders niet de status van gezamenlijke eigenaars in de eigenlijke zin geven (recht op een aandeel in de terugbetaling van het maatschappelijk kapitaal, recht op een inkomen uit dit kapitaal, stemrecht tijdens aandeelhoudersvergaderingen, enz.),

(3) de houders recht geven op een evenredig deel van de overwinst na uitkering van dividend op het maatschappelijk kapitaal en op een deel van enig overschot bij liquidatie;

d) preferente aandelen die recht geven op een deel van de restwaarde van een vennootschap in opheffing. Deze kunnen al dan niet op een erkende effectenbeurs zijn genoteerd.

5.92. Tot de subposten AF.511 en AF.512 behoren niet:

a) bij de emissie te koop aangeboden aandelen waarop niet is ingeschreven. Deze worden niet in het systeem geregistreerd;

b) obligaties en ander vreemd vermogen die in aandelen kunnen worden omgezet: deze zijn in de rekeningen opgenomen onder subcategorie AF.33 tot het moment dat zij worden geconverteerd (zie punt 5.62l);

c) de deelneming van vennoten met hoofdelijke aansprakelijkheid (beherende vennoten) in commanditaire vennootschappen: deze is opgenomen in subpost AF.513;

d) overheidsdeelnemingen in het kapitaal van internationale organisaties die de juridische vorm hebben van kaitaalvennootschappen. Deze zijn opgenomen in subpost AF.513 (zie punt 5.95c).

5.93. De subposten F.511 en F.512 omvatten geen bonusaandelen - d.w.z. nieuwe aandelen die gratis ter beschikking van aandeelhouders worden gesteld naar rato van hun aandelenbezit. De uitgifte van bonusaandelen, waardoor noch de schuld van de vennootschap tegenover de aandeelhouders wijzigt, noch de verhouding van de vordering van iedere aandeelhouder tot het totale aandelenkapitaal van de vennootschap, leidt niet tot een financiële transactie en wordt dus niet in het systeem geregistreerd (zie punt 6.56). Dit geldt ook voor aandelensplitsingen.

Overige deelnemingen (F.513)

5.94. Definitie: De subpost overige deelnemingen (F.513) omvat alle transacties in overige deelnemingen (AF.513), d.w.z. alle vormen van deelnemingen die niet behoren tot de subposten AF.511 of AF.512 of subcategorie AF.52.

5.95. Tot subpost AF.513 behoren:

a) alle vormen van deelnemingen in ondernemingen, die geen aandelen zijn:

(1) deelneming van vennoten met hoofdelijke aansprakelijkheid (beherende vennoten) in personenvennootschappen zonder rechtspersoonlijkheid,

(2) deelneming in vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid waarvan de eigenaars partner zijn en geen aandeelhouder,

(3) deelneming in personenvennootschappen, al dan niet met hoofdelijke aansprakelijkheid, indien zij onafhankelijke rechtspersonen zijn,

(4) het stichtingskapitaal en ledenrekeningen van cooeperatieve verenigingen die zijn erkend als onafhankelijke rechtspersonen;

b) overheidsdeelnemingen in het kapitaal van overheidsondernemingen waarvan het kapitaal niet in aandelen is verdeeld en die op grond van specifieke wetgeving als onafhankelijke rechtspersonen zijn erkend (zie punt 2.16c);

c) overheidsdeelnemingen in het kapitaal van internationale en supranationale organisaties, met uitzondering van het IMF, ook indien deze de juridische vorm hebben van een kapitaalvennootschap (b.v. de Europese Investeringsbank);

d) de financieringsbronnen van het EMI, bijeengebracht door de nationale centrale banken (71);

e) de kapitaalinbreng in financiële en niet-financiële quasi-vennootschappen (zie punt 2.13f). Het bedrag ervan komt overeen met het saldo van nieuwe investeringen (in geld of in natura) en het aan deze quasi-vennootschappen onttrokken inkomen (zie punt 4.61);

f) de nettovordering van niet-ingezeten eenheden op fictieve ingezeten eenheden en omgekeerd (zie punt 2.15).

Participaties in beleggingsinstellingen (F.52)

5.96. Definitie: De subcategorie participaties in beleggingsinstellingen (F.52) omvat alle transacties in participaties in beleggingsinstellingen (AF.52), d.w.z. participatiebewijzen (aandelen) die worden uitgegeven door een specifieke financiële instelling, die uitsluitend tot doel heeft de aangetrokken middelen te beleggen op de geld- of de kapitaalmarkt en/of in vastgoed.

5.97. Subcategorie AF.52 omvat de participatiebewijzen van financiële instellingen die afhankelijk van het land beleggingsfondsen, beleggingsinstellingen, "unit-trusts", "investment trusts" en andere collectieve investeringsprogramma's (b.v. UCITS) worden genoemd en "open-end"-, "semi-open"- of "closed-end"-fondsen kunnen zijn. De participatiebewijzen kunnen aan de beurs zijn genoteerd. Indien zij niet zijn genoteerd, worden zij gewoonlijk op verzoek weer door de beleggingsinstelling teruggenomen tegen de waarde die overeenkomt met het aandeel ervan in het eigen vermogen van de desbetreffende financiële instelling. De waarde van het eigen vermogen wordt regelmatig aan de hand van de marktprijzen van de verschillende vermogensbestanddelen vastgesteld.

VERZEKERINGSTECHNISCHE VOORZIENINGEN (F.6) (72)

5.98. Definitie: De categorie verzekeringstechnische voorzieningen (F.6) omvat alle transacties in verzekeringstechnische voorzieningen (AF.6), d.w.z. de actuariële voorzieningen van verzekeringsinstellingen en (zelfstandige en niet-zelfstandige) pensioenfondsen ten behoeve van polishouders en/of de begunstigden, als neergelegd in Richtlijn 91/674/EEG van de Raad van 19 december 1991 betreffende de jaarrekening en de geconsolideerde jaarrekening van verzekeringsondernemingen (73).

5.99. Tot categorie AF.6 behoren:

a) voorzieningen levensverzekering;

b) voorzieningen pensioenverzekering;

c) vooruitbetaalde premies;

d) voorzieningen voor openstaande aanspraken.

5.100. Verzekeringstechnische voorzieningen zijn vorderingen van:

a) de polishouders: met betrekking tot de voorzieningen levens- en pensioenverzekering en de vooruitbetaalde verzekeringspremies;

b) de begunstigden: met betrekking tot de voorzieningen voor openstaande aanspraken.

5.101. Verzekeringstechnische voorzieningen zijn schulden van:

a) levens- en schadeverzekeringsinstellingen en zelfstandige pensioenfondsen, die behoren tot de subsector verzekeringsinstellingen en pensioenfondsen (S.125);

b) niet-zelfstandige pensioenfondsen, die behoren tot de sector van de institutionele eenheden die deze fondsen hebben gecreëerd.

Voorzieningen en vergelijkbare fondsen die door werkgevers zijn gevormd om hun werknemers pensioenen te kunnen uitkeren (niet-zelfstandige pensioenfondsen), worden alleen dan in categorie AF.6 opgenomen indien zij worden berekend volgens wiskundige criteria die vergelijkbaar zijn met die welke worden gehanteerd door verzekeringsinstellingen en zelfstandige pensioenfondsen. Indien dit niet het geval is, behoren dergelijke voorzieningen tot het eigen vermogen van de institutionele eenheid die deze voorzieningen heeft gevormd.

5.102. Categorie AF.6 omvat geen voorzieningen die zijn gevormd door institutionele eenheden die behoren tot de subsector wettelijke-sociale-verzekeringsinstellingen (S.1314). In het systeem worden deze voorzieningen niet beschouwd als schulden van genoemde subsector.

5.103. Categorie F.6 bestaat uit twee subcategorieën:

a) voorzieningen pensioen- en levensverzekering (F.61);

b) vooruitbetaalde premies en voorzieningen voor openstaande aanspraken (F.62).

Voorzieningen pensioen- en levensverzekering (F.61)

5.104. Definitie: De subcategorie voorzieningen pensioen- en levensverzekering (F.61) omvat alle transacties met betrekking tot de voorzieningen pensioen- en levensverzekering (AF.61), d.w.z. de actuariële voorzieningen die bij de desbetreffende vennootschappen en quasi-vennootschappen zijn gevormd om, zodra aan de gestelde voorwaarden is voldaan, de te verwachten uitkeringen en vergoedingen te realiseren.

5.105. De subcategorie voorzieningen pensioen- en levensverzekering (F.61) bestaat uit twee subposten:

a) voorzieningen levensverzekering (F.611);

b) voorzieningen pensioenverzekering (F.612).

Voorzieningen levensverzekering (F.611)

5.106. Definitie: De subpost voorzieningen levensverzekering (F.611) omvat alle transacties met betrekking tot de voorzieningen levensverzekering (AF.611), d.w.z. de actuariële voorzieningen voor lopende risico's en winstdeling, die worden toegevoegd aan de waarde op de vervaldatum van winstdelende kapitaalverzekeringen of soortgelijke verzekeringspolissen.

5.107. Subpost AF.611 omvat voorzieningen voor levensverzekering, voorzieningen voor winstdeling en kortingen en actuariële voorzieningen betreffende levensverzekeringen waarbij de verzekerden beleggingsrisico dragen, als gedefinieerd in de artikelen 27, 29 en 31 van Richtlijn 91/674/EEG van de Raad van 19 december 1991 betreffende de jaarrekening en de geconsolideerde jaarrekening van verzekeringsondernemingen.

5.108. Transacties met betrekking tot voorzieningen levensverzekering vertegenwoordigen het saldo van toevoegingen en onttrekkingen aan deze voorzieningen. Waarderingsverschillen met betrekking tot de door de verzekeringsinstellingen belegde middelen zijn hierin niet opgenomen (zie punt 6.57).

De toevoegingen omvatten:

a) gedurende de lopende verslagperiode verdiende werkelijke premies;

b) plus de toegerekende premies, die gelijk zijn aan het inkomen uit belegging van de voorzieningen dat wordt toegerekend aan de polishouders;

c) minus de vergoeding voor de levensverzekeringsdienst.

De onttrekkingen omvatten:

a) de bedragen die op de vervaldatum zijn verschuldigd aan de begunstigden van kapitaalverzekeringspolissen en dergelijke, en de bedragen die aan de begunstigden zijn verschuldigd bij het overlijden van de verzekerde personen;

b) plus de uitkeringen die verschuldigd zijn bij polissen die voor de vervaldag worden afgekocht.

5.109. De voorzieningen levensverzekering zijn vorderingen van ingezeten of niet-ingezeten huishoudens en schulden van ingezeten of niet-ingezeten verzekeringsinstellingen.

In het geval van een collectieve verzekering die bij voorbeeld door een onderneming wordt afgesloten ten behoeve van haar werknemers, worden de werknemers, en niet de werkgever, geacht crediteur te zijn, aangezien zij worden beschouwd als de werkelijke polishouders.

Voorzieningen pensioenverzekering (F.612)

5.110. Definitie: De subpost voorzieningen pensioenverzekering (F.612) omvat alle transacties met betrekking tot de voorzieningen pensioenverzekering (AF.612), d.w.z. de actuariële voorzieningen die worden gevormd door zelfstandige en niet-zelfstandige pensioenfondsen die zijn opgericht door werkgevers en/of werknemers of groepen zelfstandigen om pensioenen uit te keren aan werknemers of zelfstandigen.

5.111. Transacties met betrekking tot voorzieningen pensioenverzekering vertegenwoordigen het saldo van toevoegingen en onttrekkingen aan deze voorzieningen. Waarderingsverschillen met betrekking tot de door de pensioenfondsen belegde middelen zijn hierin niet opgenomen (zie punt 6.57).

De toevoegingen omvatten:

a) de gedurende de lopende verslagperiode verdiende werkelijke pensioenpremies die in rekening gebracht zijn aan werknemers, werkgevers, zelfstandigen of andere institutionele eenheden ten behoeve van individuen of huishoudens met aanspraken op het fonds;

b) plus de toegerekende premies, die gelijk zijn aan het inkomen uit belegging van de voorzieningen van het pensioenfonds, dat wordt toegerekend aan de deelnemende huishoudens;

c) minus de vergoeding voor het beheer van het fonds gedurende de betrokken periode.

De onttrekkingen omvatten:

a) de sociale uitkeringen die zijn toegekend aan de gepensioneerden of personen die van hen afhankelijk zijn, in de vorm van periodieke betalingen of andere uitkeringen;

b) plus de sociale uitkeringen in de vorm van uitkeringen ineens die toegekend zijn aan personen die met pensioen gaan.

5.112. De transacties met betrekking tot de voorzieningen pensioenverzekering omvatten geen overdracht van middelen voortvloeiend uit een omzetting van niet-zelfstandige pensioenfondsen in zelfstandige pensioenfondsen, ingedeeld in de subsector verzekeringsinstellingen en pensioenfondsen (S.125). Deze overdracht wordt geregistreerd in de categorie wijzigingen in sectorclassificatie en structuur (K.12.1) van de rekening voor overige volumemutaties in activa (zie punt 6.30).

5.113. De voorzieningen pensioenverzekering zijn vorderingen van ingezeten of niet-ingezeten huishoudens, en niet van de institutionele eenheden die ze beheren.

Vooruitbetaalde premies en voorzieningen voor openstaande aanspraken (F.62)

5.114. Definitie: De subcategorie vooruitbetaalde premies en voorzieningen voor openstaande aanspraken (F.62) omvat alle transacties met betrekking tot vooruitbetaalde premies en voorzieningen voor openstaande aanspraken (AF.62), d.w.z. de actuariële voorzieningen van verzekeringsinstellingen en (zelfstandige of niet-zelfstandige) pensioenfondsen voor:

a) het deel van de geregistreerde brutopremies dat moet worden toegerekend aan de volgende verslagperiode (vooruitbetaalde premies);

b) de totale geraamde uiteindelijke kosten van het afwikkelen van alle aanspraken die voortvloeien uit gebeurtenissen die zich voor het einde van de verslagperiode hebben voorgedaan (al dan niet gemeld), verminderd met de reeds uitgekeerde bedragen met betrekking tot dergelijke aanspraken (voorzieningen voor openstaande aanspraken).

5.115. Vooruitbetaalde premies ontstaan doordat verzekeringspremies over het algemeen aan het begin van de door de verzekering gedekte periode (verzekeringsperiode) verschuldigd zijn en deze periode normaal gesproken niet samenvalt met de verslagperiode. Daarom zijn, als aan het eind van de verslagperiode de balans wordt opgemaakt, gedeelten van de tijdens die verslagperiode in rekening gebrachte premies bestemd voor dekking van risico's in de volgende periode. De omvang van de vooruitbetaalde premies wordt vastgesteld op basis van het aandeel van de risico's in de nog niet verstreken verzekeringsperiode.

In de financiële rekening bestaan de door polishouders aan de verzekeringsinstellingen vooruitbetaalde premies uit het gedeelte van de premies dat in de lopende verslagperiode verschuldigd is, maar dat is bestemd ter dekking van risico's in de volgende periode.

5.116. Vooruitbetaalde premies zijn vorderingen van de polishouders. Wanneer ze betrekking hebben op levensverzekeringen, dan behoort de polishouder tot de ingezeten of niet-ingezeten huishoudens, doch als ze betrekking hebben op schadeverzekeringen, dan kunnen eenheden uit iedere sector van de economie of het buitenland polishouder zijn. De door de polishouders betaalde verzekeringspremies of sociale premies kunnen als criterium worden gehanteerd om de vooruitbetaalde premies over de verschillende sectoren van de economie en het buitenland te verdelen.

5.117. Verzekeringsinstellingen vormen voorzieningen voor openstaande aanspraken met het oog op verwachte uitkeringen op grond van aanspraken die nog niet zijn afgewikkeld, bij voorbeeld omdat ze worden betwist. Aanspraken die door verzekeringsinstellingen zijn erkend, worden geacht verschuldigd te zijn op het moment dat de gebeurtenis die aanleiding geeft tot de aanspraak, zich voordoet, ongeacht hoe lang het duurt totdat betwiste aanspraken zijn afgewikkeld.

5.118. Voorzieningen voor openstaande aanspraken zijn vorderingen van de begunstigden die tot iedere sector van de economie of tot het buitenland kunnen behoren.

5.119. Subcategorie AF.62 omvat de voorzieningen voor niet-verdiende premies, overige technische voorzieningen, voorzieningen voor openstaande aanspraken en egalisatievoorzieningen, als omschreven in de artikelen 25, 26, 28 en 30 van Richtlijn 91/674/EEG van de Raad van 19 december 1991 betreffende de jaarrekening en de geconsolideerde jaarrekening van verzekeringsondernemingen.

HANDELSKREDIETEN EN TRANSITORISCHE POSTEN (F.7)

5.120. Definitie: De categorie handelskredieten en transitorische posten (F.7) omvat alle transacties in handelskredieten en transitorische posten (AF.7), d.w.z. financiële aanspraken die ontstaan als tegenboeking van een financiële of niet-financiële transactie indien er sprake is van een tijdsverschil tussen deze transactie en de daarmee samenhangende betaling.

5.121. Categorie F.7 omvat transacties in financiële aanspraken die voortvloeien uit betalingen vooraf of achteraf voor transacties in goederen of diensten, verdelingstransacties of de secundaire handel in vorderingen. Zij vormen de tegenboeking voor deze transactie in geval betaling is verschuldigd maar nog niet heeft plaatsgevonden. Ook schulden die voortvloeien uit inkomen dat in de tijd aangroeit en achterstallige betalingen behoren tot deze categorie.

5.122. Tot categorie F.7 behoren niet:

a) statistische verschillen die geen betrekking hebben op tijdsverschillen tussen transacties in goederen en diensten, verdelings- of financiële transacties en de daarmee samenhangende betalingen;

b) posten waarover te weinig informatie bestaat om ze te kunnen indelen: de classificatie daarvan moet worden gebaseerd op de wel beschikbare informatie;

c) posten waarover absoluut niets bekend is;

d) diverse betalingsbalansposten die over het algemeen worden omschreven als errors and omissions (E& O's);

e) betalingen vooraf of achteraf (inclusief achterstallige betalingen) bij het ontstaan van andere vorderingen of de aflossing van andere schulden dan die welke in categorie F.7 worden genoemd. Deze blijven ingedeeld in hun eigen categorie.

5.123. Categorie F.7 bestaat uit twee subcategorieën financiële transacties:

a) handelskredieten (F.71);

b) transitorische posten (F.79).

Handelskredieten (F.71)

5.124. Definitie: De subcategorie handelskredieten (F.71) omvat alle transacties in handelskredieten (AF.71), d.w.z. financiële aanspraken die voortvloeien uit de rechtstreekse kredietverlening door verkopers of kopers van goederen en diensten en uit vooruitbetalingen voor onderhanden of nog uit te voeren werk dat verband houdt met dergelijke transacties.

5.125. Tot subcategorie AF.71 behoren:

a) financiële aanspraken in verband met de levering van goederen of diensten waarbij geen betaling heeft plaatsgevonden;

b) door factormaatschappijen aanvaarde handelskredieten behalve indien het leningen betreft;

c) nog niet vervallen huursommen voor gebouwen voor zover die ten laste worden gebracht van de verslagperiode;

d) achterstallige betalingen voor goederen en diensten, voor zover er geen sprake is van een lening.

5.126. Tot subcategorie AF.71 behoren geen leningen ter financiering van handelskredieten. Deze worden ingedeeld in categorie AF.4 (zie punt 5.81h).

5.127. Handelskredieten kunnen vorderingen of schulden zijn van alle sectoren en het buitenland.

Transitorische posten (F.79)

5.128. Definitie: De subcategorie transitorische posten (F.79) omvat alle transacties in transitorische posten (AF.79), d.w.z. financiële aanspraken die ontstaan uit tijdsverschillen tussen verdelingstransacties of financiële transacties op de secundaire markt en de daarmee samenhangende betaling, alsmede financiële aanspraken als gevolg van inkomen dat in de tijd aangroeit.

5.129. Subcategorie AF.79 omvat financiële aanspraken die ontstaan als gevolg van het tijdsverschil tussen het moment van toerekening van transacties aan een verslagperiode en de feitelijke betaling ervan. Dit kan betrekking hebben op:

a) belastingen;

b) sociale premies;

c) lonen;

d) inkomen uit grond en minerale reserves;

e) dividenden;

f) rente;

g) transacties in vorderingen op de secundaire markt.

5.130. De tegenboeking in de financiële rekening van aangroeiende rente op vorderingen (zie punt 5.17) moet bij voorkeur worden geregistreerd alsof de rente wordt herbelegd in dezelfde vordering. Bij de registratie van de rente kan evenwel niet worden afgeweken van de nationale praktijk. Indien daarbij de tegenwaarde van de opgebouwde rente niet wordt geregistreerd als zijnde herbelegd in dezelfde vordering, moet zij worden opgenomen onder subcategorie F.79.

5.131. Op de vervaldatum van de rentebetaling worden twee financiële transacties geregistreerd (zie punt 5.17): in de eerste plaats, wanneer de rente wordt betaald, een transactie in de vordering die voor de betaling wordt gebruikt, of, wanneer de rente niet wordt betaald, een toename van achterstallige rente, die wordt geregistreerd in subcategorie F.79; in de tweede plaats, de financiële transactie waarmee de tegenboeking wordt verricht. Deze resulteert in een afname van de netto financiële aanspraken van de crediteur op de debiteur.

PRO-MEMORIE-POST: DIRECTE BUITENLANDSE INVESTERINGEN (F.m)

5.132. Definitie: Tot de directe buitenlandse investeringen (F.m) behoren alle transacties in directe buitenlandse investeringen (AF.m), d.w.z. op de lange termijn gerichte investeringen in de vorm van een duurzaam belang van een in de ene economie ingezeten institutionele eenheid ("directe investeerder") in een institutionele eenheid die in een andere economie gevestigd is ("onderneming met directe investeringen uit het buitenland"). Het doel van de directe investeerder is om een significante invloed uit te oefenen op de bedrijfsvoering van de in de andere economie ingezeten onderneming. De directe investeringen omvatten de initiële transactie tussen de directe investeerder en de onderneming met directe investeringen uit het buitenland, alsmede alle daaropvolgende kapitaaltransacties tussen hen en tussen al dan niet rechtspersoonlijkheid bezittende (74) geaffilieerde ondernemingen.

5.133. Transacties in vorderingen en schulden die directe buitenlandse investeringen zijn, moeten onder de daartoe bestemde categorieën financiële transacties worden geregistreerd, namelijk leningen (F.4), aandelen en overige deelnemingen (F.5) of handelskredieten en transitorische posten (F.7). De bedragen die met de directe buitenlandse investeringen in ieder van genoemde categorieën gemoeid zijn, moeten echter ook afzonderlijk als pro-memorie-post worden weergegeven.

REGELS VOOR DE REGISTRATIE VAN FINANCIËLE TRANSACTIES

WAARDERING

5.134. Financiële transacties worden gewaardeerd tegen de transactiewaarde, d.w.z. de uitsluitend op basis van commerciële motieven bepaalde waarde in nationale valuta waartegen vorderingen en/of schulden tot stand komen, tenietgaan of geruild of overgenomen worden tussen institutionele eenheden, of tussen institutionele eenheden en het buitenland.

5.135. Financiële transacties en de financiële of niet-financiële transacties die hiertegenover staan, worden geregistreerd tegen dezelfde transactiewaarde. Er zijn drie mogelijkheden:

a) de financiële transactie is een transactie in betaalmiddelen in nationale valuta (zie de punten 5.04 en 5.23): de transactiewaarde is gelijk aan het bedrag van de uitgewisselde betaalmiddelen;

b) de financiële transactie is een transactie in betaalmiddelen in vreemde valuta (zie de punten 5.04 en 5.23) en de transactie die hiervan de tegenhanger is, is geen transactie in betaalmiddelen in nationale valuta: de transactiewaarde is gelijk aan het bedrag van de uitgewisselde betaalmiddelen, na omrekening in nationale valuta op basis van de op het moment van de betaling geldende wisselkoers;

c) de financiële transactie noch de tegenhanger ervan is een transactie in betaalmiddelen (zie punt 5.04): de transactiewaarde wordt vastgesteld op basis van de actuele marktwaarde van de betrokken vorderingen en/of schulden.

5.136. De transactiewaarde heeft betrekking op een bepaalde financiële transactie en de tegenhanger ervan. In principe moet de transactiewaarde duidelijk los worden gezien van een waarde gebaseerd op marktprijzen, een redelijke marktprijs of een prijs waarmee wordt beoogd de prijs voor een categorie soortgelijke of zelfs identieke vorderingen en/of schulden in het algemeen weer te geven. Wanneer de tegenhanger van de financiële transactie echter bij voorbeeld een overdracht is, zodat de financiële transactie uit andere dan zuiver commerciële motieven wordt aangegaan, wordt de transactiewaarde gelijkgesteld aan de actuele marktwaarde van de betrokken vorderingen en/of schulden.

5.137. Bij de bepaling van de transactiewaarde blijven de vergoeding voor de dienstverlening, honoraria, commissies en dergelijke betalingen voor diensten in verband met de uitvoering van de transactie buiten beschouwing; deze moeten als betalingen voor diensten worden geregistreerd. Ook belastingen op financiële transacties blijven buiten beschouwing; deze worden gezien als belastingen op de dienstverlening en in die zin behandeld als produktgebonden belastingen. Wanneer een financiële transactie betrekking heeft op een nieuwe emissie van schulden, is de transactiewaarde gelijk aan het bedrag van de aangegane schuld met uitzondering van eventueel vooraf betaalde rente. Ook wanneer een schuld wordt afgelost, moet de transactiewaarde zowel voor de crediteur als voor de debiteur overeenstemmen met de vermindering van de schuld.

Voor sommige subcategorieën financiële transacties gelden bijzondere criteria

5.138. Effecten m.u.v. aandelen (exclusief financiële derivaten) (F.33)

a) Wanneer effecten door de emittent op de markt worden gebracht via een emissiesyndicaat of via andere intermediairs en vervolgens tegen een hogere prijs aan de uiteindelijke beleggers worden verkocht, moeten de vorderingen en schulden worden geregistreerd tegen door de beleggers betaalde bedragen. Het verschil tussen het de door de beleggers betaalde bedrag en het bedrag dat de emittent ontvangt, moet worden behandeld als betaling door de emittent voor de diensten van het emissiesyndicaat.

b) De emissie van effecten moet worden geregistreerd tegen de emissiewaarde. Indien effecten met agio of disagio worden geëmitteerd, wordt niet de nominale waarde maar de opbrengst voor de emittent op het moment van de verkoop in de rekeningen geregistreerd als zijnde de werkelijke emissiewaarde. Het verschil tussen de emissiewaarde en de aflossingswaarde wordt beschouwd als rente die tijdens de looptijd van de effecten wordt opgebouwd.

c) "Deep-discount"- en "zero-coupon"-obligaties moeten worden behandeld als effecten die met disagio worden geëmitteerd. De rente wordt gedurende de looptijd van de obligaties opgebouwd en geregistreerd als herbelegging in deze obligaties (zie punt 4.46).

d) Wanneer langlopende effecten met een gering disagio worden geëmitteerd, kan het verschil tussen de emissiewaarde en de aflossingswaarde worden toegerekend op de dag van emissie.

e) In het geval van effecten waarvan de waarde van de hoofdsom gekoppeld is aan een prijsindexcijfer, de prijs van goederen of een wisselkoersindexcijfer, wordt de emissieprijs geregistreerd als hoofdsom en de geïndexeerde betaling die periodiek en/of op de vervaldag wordt verricht, als rente die gedurende de looptijd van de effecten wordt opgebouwd, terwijl de tegenboeking in de financiële rekening als herbelegging in effecten m.u.v. aandelen wordt geregistreerd.

f) Beleggingen in effecten die op de secundaire markt worden verhandeld, worden geregistreerd tegen de beurswaarde of de marktprijs.

g) Effecten die aflosbaar zijn gesteld, worden geregistreerd tegen de aflossingswaarde, inclusief aflossingspremies, maar exclusief uitlotings- en spaarpremies die als rente worden geregistreerd.

h) De conversie van obligaties in aandelen moet worden geregistreerd als verkoop van obligaties en aankoop van aandelen (zie punt 5.62l). De transactiewaarde moet worden afgeleid van de marktwaarde van de verkochte obligaties. Dit betekent een mogelijk waarderingsverschil op aandelen dat in de rekening voor nominale waarderingsverschillen moet worden geregistreerd (zie punt 6.54).

5.139. Financiële derivaten (F.34)

a) De secundaire handel in opties en het afdekken van opties voordat het tot levering komt, resulteren in financiële transacties. Komt het wel tot levering, dan kan de optie al dan niet worden uitgeoefend. Wanneer de optie wordt uitgeoefend, kan er sprake zijn van een betaling van de optieschrijver aan de optiehouder ten bedrage van het verschil tussen de geldende marktprijs voor het onderliggende activum en de uitoefenprijs. Ook is het mogelijk dat het onderliggende, al dan niet financiële activum wordt aangekocht of verkocht. Dit wordt dan geregistreerd tegen de geldende marktprijs, terwijl hiertegenover een betaling staat van de optiehouder aan de optieschrijver ten bedrage van de uitoefenprijs. Het verschil tussen de geldende marktprijs van het onderliggende activum en de uitoefenprijs is in beide gevallen gelijk aan de liquidatiewaarde van de optie, d.w.z. de optieprijs bij levering. Wanneer de optie niet wordt uitgeoefend, vindt er geen transactie plaats. Voor de optieschrijver wordt echter een positief en voor de optiehouder een negatief waarderingsverschil geregistreerd in de rekening voor nominale waarderingsverschillen.

b) Kenmerkend voor andere financiële derivaten dan opties is dat het gaat om contracten waarbij twee partijen overeenkomen gespecificeerde reële of financiële activa uit te wisselen op een of meer bepaalde tijdstippen in de toekomst. Bij dergelijke financiële derivaten wordt de waarde van de transacties gevormd door de eventuele waarde van de handel in de contracten alsmede het afgewikkelde saldo van de transacties. Ook kan het noodzakelijk zijn transacties te registreren die verband houden met de totstandkoming van derivaatovereenkomsten. De partijen zullen evenwel in vele gevallen een derivaatovereenkomst sluiten met gesloten beurzen, zodat de waarde van de transactie waartegen de overeenkomst wordt gesloten nihil is en registratie in de financiële rekening achterwege blijft.

c) Betalingen aan of door makelaars of andere tussenpersonen die uitdrukkelijk bedoeld zijn als commissie voor het tot stand brengen van optie-, future-, swap- en andere derivaatovereenkomsten worden in de daartoe bestemde rekeningen geregistreerd als betalingen voor diensten. Rentestromen die voortvloeien uit swapovereenkomsten moeten worden geregistreerd als inkomen uit vermogen, terwijl de aflossing van de hoofdsom als transactie in de betreffende onderliggende waarde in de financiële rekening wordt opgenomen. De bij een swapovereenkomst betrokken partijen worden niet geacht elkaar een dienst te hebben geleverd, maar iedere betaling aan een derde die heeft bemiddeld bij de totstandkoming van een swap, is wel een betaling voor dienstverlening (zie punt 4.47). Hoewel de premie die wordt betaald aan de verkoper van een optie, theoretisch gedeeltelijk als vergoeding voor dienstverlening kan worden beschouwd, is het in de praktijk normaal gesproken niet mogelijk dit element afzonderlijk te onderscheiden. Daarom moet de volledige prijs worden geregistreerd als verwerving van een vordering door de koper en het aangaan van een schuld door de verkoper.

d) Wanneer swapovereenkomsten gepaard gaan met een ruil van hoofdsommen, zoals bij valutaswaps, moet de oorspronkelijke ruil van de hoofdsommen als transactie in de geruilde onderliggende waarde worden geregistreerd en niet als transactie in financiële derivaten (F.34). Dit impliceert dat er op dat moment een financieel derivaat ontstaat met een beginwaarde van nul. Daarna zal de waarde van het derivaat in ieder geval uit de volgende elementen bestaan:

(1) de geldende marktwaarde van het verschil tussen de verwachte toekomstige marktwaarde van de hoofdsommen bij de terugruil en de hoofdsommen die zijn gespecificeerd in de overeenkomst, en

(2) de geldende marktwaarde van de toekomstige stroom aan eventuele rente en andere kasstromen zoals gespecificeerd in de overeenkomst.

Veranderingen van de waarde van het derivaat in de loop van de tijd moeten worden geregistreerd in de rekening voor nominale waarderingsverschillen.

Bij de terugruil van de hoofdsommen gelden de voorwaarden van de swapovereenkomst; hierbij kunnen financiële activa worden geruild tegen een prijs die afwijkt van de voor deze activa geldende marktprijs. De betaling hiervan door de partijen bij de swapovereenkomst is geregeld in de overeenkomst. Het verschil tussen de marktprijs en de in de overeenkomst neergelegde prijs is dan gelijk aan de liquidatiewaarde van het activum/passivum op de vervaldatum en moet worden geregistreerd als transactie in financiële derivaten (F.34). Deze slottransactie in het derivaat en ook een eventuele finale netto-rentestroom moet in overeenstemming zijn met de totale nominale waarderingsverschillen gedurende de looptijd van de swapovereenkomst. Deze behandeling is analoog aan die voor opties die voor de levering worden uitgeoefend (zie onder a)).

5.140. Aandelen en overige deelnemingen (exclusief participaties in beleggingsinstellingen) (F.51)

a) Nieuw geëmitteerde aandelen worden geregistreerd tegen de emissiewaarde, die normaal gesproken overeenkomt met de nominale waarde plus agio.

b) Transacties in aandelen die in omloop zijn, moeten worden geregistreerd tegen de transactiewaarde. Indien deze niet bekend is, kan zij worden geraamd aan de hand van de beursnotering of marktprijs voor beursgenoteerde en de boekwaarde voor niet-beursgenoteerde aandelen.

c) Aandelen die zijn geëmitteerd als keuzedividend, worden gewaardeerd tegen de prijs die blijkt uit het voorstel tot dividenduitkering door de emittent.

d) De emissie van bonusaandelen wordt niet geregistreerd in het systeem (zie punt 5.93). Indien uit de emissie van bonusaandelen echter een verandering in de totale marktwaarde van de aandelen van een vennootschap voortvloeit, moet deze worden geregistreerd in de rekening voor nominale waarderingsverschillen (zie punt 6.56).

e) De transactiewaarde van overige deelnemingen (F.513) is gelijk aan het bedrag dat door de eigenaars aan hun vennootschappen of quasi-vennootschappen is verstrekt. Soms worden middelen verstrekt door schulden van de vennootschap of quasi-vennootschap over te nemen.

5.141. Participaties in beleggingsinstellingen (F.52)

a) Transacties in participaties in beleggingsinstellingen worden bepaald aan de hand van de nettostorting bij een dergelijke instelling.

b) Inkomen uit vermogen dat beleggingsinstellingen ontvangen en dat, onder aftrek van een deel van de beheerskosten, aan de houders van de participatiebewijzen wordt toegewezen - zonder dat het wordt uitgekeerd - wordt op de financiële rekening tegengeboekt onder de subcategorie participaties in beleggingsinstellingen. Het inkomen uit vermogen wordt zodoende herbelegd.

MOMENT VAN REGISTRATIE

5.142. Financiële transacties en de transacties die hiervan de tegenboeking vormen, worden op hetzelfde moment geregistreerd.

5.143. Wanneer de tegenboeking van een financiële transactie een niet-financiële transactie is, worden beide geregistreerd op het moment dat de niet-financiële transactie plaatsvindt. Wanneer bij voorbeeld voor de verkoop van goederen of diensten een handelskrediet wordt verleend, moet deze financiële transactie worden geregistreerd op het moment dat de registratie in de relevante niet-financiële rekening plaatsvindt.

5.144. Wanneer de tegenboeking van een financiële transactie ook een financiële transactie is, zijn er drie mogelijkheden:

a) bij beide financiële transacties gaat het om een transactie in betaalmiddelen (zie punt 5.04): ze worden geregistreerd op het moment van de eerste betaling;

b) slechts een van de twee financiële transacties is een transactie in betaalmiddelen (zie punt 5.04): ze worden geregistreerd op het moment dat de betaling plaatsvindt;

c) geen van beide financiële transacties is een transactie in betaalmiddelen (zie punt 5.04): ze worden geregistreerd op het moment dat de eerste financiële transactie plaatsvindt.

AFLEIDEN VAN FINANCIËLE TRANSACTIES UIT BALANSMUTATIES

5.145. Wanneer er geen basisstatistieken over financiële transacties beschikbaar zijn, kunnen deze transacties worden afgeleid uit mutaties in de financiële balans, d.w.z. de verschillen in de bedragen aan vorderingen en schulden tussen de eind- en de beginbalans. Het verschil tussen het bedrag aan financiële transacties en de mutaties in de financiële balans bestaat uit de registratie op de rekening voor nominale waarderingsverschillen en de rekening voor overige volumemutaties in activa.

Bijlage 5.1

Relatie met monetaire aggregaten

5.146. In deze bijlage wordt een methode toegelicht waarmee monetaire aggregaten in de balansen en de financiële rekeningen zichtbaar kunnen worden gemaakt.

5.147. De definitie van monetaire aggregaten verschilt van land tot land en verandert in de loop der tijd. De monetaire aggregaten behoeven niet gebaseerd te zijn op de classificaties van de vorderingen en de sectoren zoals deze in het systeem zijn vastgesteld. Daarom is er geen definitie van monetaire aggregaten in het systeem opgenomen.

5.148. De volgende problemen doen zich voor wanneer monetaire aggregaten in de balansen en de financiële rekeningen worden opgenomen. In de eerste plaats kunnen zij opgebouwd zijn uit bestanddelen die niet overeenkomen met de categorieën, subcategorieën en subposten van vorderingen en schulden zoals deze in het systeem zijn gedefinieerd. Een monetair aggregaat kan bij voorbeeld uitsluitend één bepaald bestanddeel van de categorie chartaal geld en deposito's (AF.2) omvatten. Dit bestanddeel kan gedefinieerd zijn op basis van looptijden en/of van de institutionele eenheden die chartaal geld en deposito's aanhouden of emitteren. In de tweede plaats kunnen monetaire aggregaten betrekking hebben op geldscheppende, geldbezittende en geldneutrale sectoren die niet kunnen worden opgebouwd vanuit de sectoren en subsectoren van het systeem. In de derde plaats kunnen de gegevensbronnen voor het samenstellen van de monetaire aggregaten in de praktijk afwijken van de gegevensbronnen voor het opstellen van de balans en de financiële rekeningen van de sectoren en het buitenland.

5.149. Teneinde een monetair aggregaat MX uit de balans of de financiële rekeningen te kunnen afleiden, kan het noodzakelijk zijn (sub)categorie i van de vorderingen en schulden in het systeem in twee klassen onder te verdelen:

a) MXi: de klasse vorderingen (schulden) in klasse i, opgenomen in het monetaire aggregaat MX;

b) MX-i: de klasse vorderingen (schulden) in klasse i, niet opgenomen in het monetaire aggregaat MX.

In de praktijk hebben enkele categorieën vorderingen (schulden) zelfs niets te maken met monetaire aggregaten in de ruimste zin, bij voorbeeld monetair goud en SDR's (AF.1) of verzekeringstechnische voorzieningen (AF.6). Daarom zijn MX1 en MX6 gelijk aan nul; een splitsing van AF.1 in MXi en MX-i of van AF.6 in MX6 en MX-6 is dan ook niet nodig.

5.150. Het monetaire aggregaat MX is gelijk aan de som van alle klassen van vorderingen MXi van de geldbezittende sectoren en aan de som van alle klassen van schulden MXi van de geldscheppende sectoren.

5.151. Het grootste voordeel van deze methode is de flexibiliteit ervan. Wanneer de definitie van een monetair aggregaat wordt gewijzigd, behoeven alleen de onderverdelingen van sommige (sub)categorieën vorderingen en schulden in MXi en MX-i te worden aangepast.

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

HOOFDSTUK 6

OVERIGE TRANSACTIES EN OVERIGE MUTATIES IN ACTIVA

6.01. De overige transacties en overige mutaties in activa zijn verbruik van vaste activa (K.1), saldo aan- en verkopen van niet-geproduceerde niet-financiële activa (K.2) en overige mutaties in activa (K.3.-K.12).

De overige mutaties in activa bestaan uit diverse soorten mutaties in de activa en de passiva, die niet het gevolg zijn van in de kapitaalrekening en de financiële rekening geregistreerde transacties. Zij vallen uiteen in overige volumemutaties in activa (K.3-K.10 en K.12) en waarderingsverschillen (K.11).

VERBRUIK VAN VASTE ACTIVA (K.1)

6.02. Definitie: Het verbruik van vaste activa (K.1) geeft aan in hoeverre vaste activa tijdens de beschouwde periode worden verbruikt als gevolg van normale slijtage en voorzienbare economische veroudering, met inbegrip van dotaties aan voorzieningen voor verlies van vaste activa ten gevolge van niet-voorzienbare verzekerbare schade.

6.03. Het verbruik van vaste activa moet worden berekend voor alle vaste activa (m.u.v. dieren), zowel de materiële als de immateriële, zoals de kosten voor de exploratie van minerale reserves, computerprogrammatuur, belangrijke verbeteringen aan niet-geproduceerde activa en de overdrachtskosten op transacties in niet-geproduceerde activa.

6.04. Het verbruik van vaste activa (dat moet worden onderscheiden van fiscale en commerciële afschrijvingen) moet worden geraamd op basis van de kapitaalgoederenvoorraad en de waarschijnlijke gemiddelde economische levensduur van de verschillende soorten goederen. Voor de berekening van de kapitaalgoederenvoorraad wordt de "perpetual inventory method" aanbevolen voor het geval rechtstreekse informatie hierover ontbreekt. De kapitaalgoederenvoorraad dient te worden gewaardeerd tegen de aankoopprijzen in de lopende verslagperiode.

Met verlies van vaste activa ten gevolge van niet-voorzienbare verzekerbare schade wordt bij de berekening van de gemiddelde levensduur van de betreffende goederen rekening gehouden. Voor de totale economie kan ervan worden uitgegaan dat de werkelijk geleden niet-voorzienbare schade binnen een bepaalde verslagperiode gelijk is aan het gemiddelde of dit benadert. Voor afzonderlijke eenheden en groepen eenheden kan de werkelijk geleden niet-voorzienbare schade echter afwijken van het gemiddelde. In zo'n geval wordt, voor de betreffende sectoren, een eventueel verschil geregistreerd onder de overige volumemutaties in niet-financiële activa, n.e.g. (K.9).

Het verbruik van vaste activa wordt berekend volgens de lineaire methode, waarbij de waarde van de vaste activa gelijkmatig over de hele levensduur van het goed wordt afgeschreven.

Toch kan, afhankelijk van het tempo waarin een vast activum minder doelmatig wordt, de berekening van het verbruik van vaste activa volgens de "meetkundige afschrijvingsmethode" noodzakelijk zijn.

6.05. In het rekeningenstelsel komt het verbruik van vaste activa tot uitdrukking door alle saldi zowel bruto als netto weer te geven: "bruto" betekent vóór aftrek van verbruik van vaste activa, "netto" na aftrek van verbruik van vaste activa.

SALDO AAN- EN VERKOPEN VAN NIET-GEPRODUCEERDE NIET-FINANCIËLE ACTIVA (K.2)

6.06. Definitie: Tot de niet-geproduceerde niet-financiële activa (75) behoren grond en overige materiële niet-geproduceerde activa die kunnen worden gebruikt bij de produktie van goederen en diensten, alsmede immateriële niet-geproduceerde activa.

6.07. Grond wordt gedefinieerd als de bodem zelf, met inbegrip van bodembedekking en bijbehorend oppervlaktewater (76). Het oppervlaktewater omvat alle binnenwateren - reservoirs, meren, rivieren, enz. - waarover eigendomsrechten kunnen worden uitgeoefend.

6.08. Grond omvat niet:

a) bouwwerken die zich op of in de grond bevinden - wegen, tunnels, enz.;

b) wijngaarden, boomgaarden of andere aanplant van bomen of gewassen, enz.;

c) minerale reserves;

d) niet in cultuur gebrachte biologische hulpbronnen;

e) grondwater.

De posten a) en b) zijn geproduceerde vaste activa en de posten c), d) en e) behoren tot de overige materiële niet-geproduceerde activa.

6.09. Aan- en verkopen van grond worden gewaardeerd tegen de geldende marktprijzen op het moment dat de transacties plaatsvinden. Grondtransacties worden tegen dezelfde waarde geregistreerd in de rekeningen van koper en verkoper. Deze waarde is exclusief de kosten in verband met de eigendomsoverdracht van de grond; deze worden beschouwd als bruto-investeringen in vaste activa.

6.10. Aan- en verkopen van overige materiële niet-geproduceerde activa betreffen minerale reserves, niet in cultuur gebrachte biologische hulpbronnen en waterreserves. Tot de minerale reserves behoren kolen-, aardolie- en aardgasreserves, ertsen en overige minerale reserves (77).

6.11. Aan- en verkopen van overige materiële niet-geproduceerde activa worden gewaardeerd tegen de marktprijzen die gelden op het moment dat de transacties plaatsvinden. Tot de aan- en verkopen behoren niet de kosten in verband met de eigendomsoverdracht; deze worden geregistreerd als bruto-investeringen in vaste activa.

6.12. Immateriële niet-geproduceerde niet-financiële activa zijn octrooien, lease- en andere overdraagbare contracten, aangekochte goodwill en overige immateriële niet-geproduceerde activa. De lease- en andere overdraagbare contracten hebben onder andere betrekking op grond, minerale reserves, woningen en bedrijfsgebouwen (78). Andere voorbeelden zijn overdraagbare contracten met atleten en schrijvers. De waarde van de aangekochte of verkochte lease- en andere overdraagbare contracten bestaat uit de betalingen aan de oorspronkelijke dan wel latere eigenaars of lessees op het moment dat de leasecontracten of concessies worden verkocht of overgedragen aan andere institutionele eenheden. Tot de waarde van de aangekochte of verkochte immateriële niet-geproduceerde activa behoren niet de overdrachtskosten. Deze maken deel uit van de bruto-investeringen in vaste activa.

6.13. Het saldo van aan- en verkopen van niet-geproduceerde niet-financiële activa wordt geregistreerd in de kapitaalrekening van iedere sector, van de totale economie en van het buitenland.

OVERIGE MUTATIES IN ACTIVA (K.3-K.12)

6.14. Definitie: De overige mutaties in activa zijn stromen die niet het gevolg zijn van in de kapitaalrekening en de financiële rekening geregistreerde transacties. Er kunnen twee soorten "overige mutaties" worden onderscheiden. De eerste bestaat uit volumemutaties in activa. De tweede omvat mutaties in de waarde van activa en passiva, die zijn toe te schrijven aan veranderingen in het prijsniveau en de prijsstructuur, en die leiden tot waarderingsverschillen.

OVERIGE VOLUMEMUTATIES IN ACTIVA (K.3-K.10 EN K.12)

6.15. De overige volumemutaties in activa zijn mutaties met verschillende functies. Een belangrijke functie van deze mutaties is het weergeven van bij voorbeeld het ontstaan en het verlies van natuurlijke rijkdommen. Dit is belangrijk voor het registreren van de ontdekking, de uitputting en het kwaliteitsverlies van natuurlijke hulpbronnen. Een tweede functie is de registratie van de gevolgen van uitzonderlijke, onverwachte gebeurtenissen voor de economische baten uit activa.

6.16. De overige volumemutaties in activa vallen uiteen in negen categorieën:

a) economisch ontstaan van niet-geproduceerde activa (K.3);

b) economisch ontstaan van geproduceerde activa (K.4);

c) natuurlijke aanwas van niet in cultuur gebrachte biologische hulpbronnen (K.5);

d) economisch verlies van niet-geproduceerde activa (K.6);

e) verlies door rampen (K.7);

f) niet-gecompenseerde confiscaties (K.8);

g) overige volumemutaties in niet-financiële activa, n.e.g. (K.9);

h) overige volumemutaties in vorderingen en schulden, n.e.g. (K.10);

i) wijzigingen in classificaties en structuur (K.12).

ECONOMISCH ONTSTAAN VAN NIET-GEPRODUCEERDE ACTIVA (K.3)

6.17. Het economisch ontstaan van niet-geproduceerde niet-financiële activa (K.3) betreft de volumetoename van dit type activa, die niet het gevolg is van produktie.

Hiertoe behoren:

a) brutotoename van het niveau van exploiteerbare minerale reserves: aantoonbare reserves aan kolen, aardolie, aardgas, ertsen en overige mineralen, die economisch kunnen worden geëxploiteerd, alsmede de toename van de reserves waarvan de exploitatie economisch rendabel wordt als gevolg van technologische vooruitgang of relatieve prijswijzigingen;

b) overgang van overige natuurlijke hulpbronnen naar economische activa: natuurlijke hulpbronnen die van status veranderen en economische activa worden, d.w.z. activa waarover eigendomsrechten kunnen worden uitgeoefend door institutionele eenheden en waaruit economische baten kunnen voortvloeien voor de eigenaars ervan (b.v. exploitatie van oerwouden, ontwikkeling van woeste gronden tot grond die voor economische doeleinden wordt gebruikt, landwinning);

c) kwaliteitsveranderingen van niet-geproduceerde activa door veranderingen in het economisch gebruik ervan. Kwaliteitsveranderingen worden beschouwd als volumemutaties. De hier geregistreerde kwaliteitsveranderingen vormen de pendant van de veranderingen in economisch gebruik die worden geregistreerd als classificatiewijzigingen (zie punt 6.32) - bij voorbeeld de bestemming van landbouwgrond tot bouwgrond;

d) ontstaan van immateriële niet-geproduceerde activa. Immateriële niet-geproduceerde niet-financiële activa ontstaan wanneer octrooien worden verleend of overdraagbare contracten worden afgesloten. Indien voorts een onderneming wordt verkocht tegen een prijs die hoger is dan de waarde van het eigen vermogen (zie punt 7.05), is het verschil tussen de aankoopprijs en het eigen vermogen het activum "aangekochte goodwill". Goodwill die niet blijkt uit de aankoop/verkoop, wordt niet beschouwd als economisch activum.

ECONOMISCH ONTSTAAN VAN GEPRODUCEERDE ACTIVA (K.4)

6.18. Het economisch ontstaan van geproduceerde activa (K.4) doet zich voor bij goederen die niet eerder in de balans waren opgenomen. Het is de vaststelling van een substantiële of specifieke waarde, waarvan de economische relevantie de registratie als overige volumemutatie rechtvaardigt.

Onder deze rubriek vallen:

a) kostbaarheden als edelstenen en kunstobjecten op het moment dat de hoge waarde of artistieke betekenis van het niet eerder in de balans opgenomen object voor het eerst wordt onderkend;

b) historische monumenten, op het moment dat de bijzondere archeologische, historische of culturele waarde van een niet eerder in de balans opgenomen gebouw of lokatie voor het eerst wordt onderkend.

NATUURLIJKE AANWAS VAN NIET IN CULTUUR GEBRACHTE BIOLOGISCHE HULPBRONNEN (K.5)

6.19. De natuurlijke aanwas van niet in cultuur gebrachte biologische hulpbronnen (K.5) valt niet onder het rechtstreeks toezicht, de verantwoordelijkheid en het beheer van een institutionele eenheid, zodat er niet van een produktieproces kan worden gesproken. De waardevermeerdering van dergelijke economische activa als staand hout of vis in riviermondingen moet dan ook worden beschouwd als een economisch ontstaan.

6.20. Natuurlijke aanwas dient te worden geregistreerd als toevoeging (K.5), terwijl de uitputting van natuurlijke hulpbronnen als een economisch verlies (K.61) moet worden geregistreerd. In de praktijk kan de natuurlijke aanwas alleen netto worden geregistreerd, omdat de fysieke wijzigingen die waarschijnlijk de enige beschikbare bron voor de registratie vormen, op nettobasis worden waargenomen.

ECONOMISCH VERLIES VAN NIET-GEPRODUCEERDE ACTIVA (K.6)

6.21. Het economisch verlies van niet-geproduceerde niet-financiële activa (K.6) omvat:

a) uitputting van natuurlijke hulpbronnen (K.61), d.w.z. de vermindering van minerale reserves en de uitputting van niet in cultuur gebrachte biologische hulpbronnen die tot de activa worden gerekend (zie punt 6.19);

b) overig economisch verlies van niet-geproduceerde activa (K.62):

(1) overige verminderingen in de omvang van de exploiteerbare minerale reserves (afname van de exploitateerbaarheid als gevolg van technologische ontwikkelingen of relatieve prijswijzigingen),

(2) kwaliteitsverandering van niet-geproduceerde activa wegens veranderingen in het economisch gebruik,

(3) kwaliteitsverlies van niet-geproduceerde activa ten gevolge van economische activiteiten. Hieronder vallen kwaliteitsverlies van de bodem, de waterreserves en in beginsel ook van de overige natuurlijke hulpbronnen,

(4) afschrijving van aangekochte goodwill, annulering van overdraagbare contracten, beëindiging van octrooibescherming.

VERLIES DOOR RAMPEN (K.7)

6.22. Verlies door rampen (K.7), dat wordt geregistreerd als een onderdeel van overige volumemutaties in activa, is het gevolg van afzonderlijke en herkenbare grootschalige gebeurtenissen, waarbij allerlei (niet-financiële of financiële) economische activa kunnen worden verwoest.

6.23. Tot dergelijke gebeurtenissen worden gerekend grote aardbevingen, vulkaanuitbarstingen, vloedgolven, uitzonderlijk zware orkanen, droogte en andere natuurrampen, oorlogshandelingen, ongeregeldheden en andere politieke gebeurtenissen, alsmede milieurampen zoals grote giflozingen of het vrijkomen van radioactiviteit.

In het bijzonder vallen onder deze rubriek:

a) verslechtering van de bodemkwaliteit door abnormaal grote overstromingen of door stormschade;

b) vernietiging van in cultuur gebrachte activa door droogte of ziektes;

c) verwoesting van gebouwen, werktuigen of kostbaarheden door bosbranden of aardbevingen;

d) niet-voorzienbare vernietiging van chartaal geld of van effecten aan toonder als gevolg van natuurrampen of politieke gebeurtenissen.

NIET-GECOMPENSEERDE CONFISCATIES (K.8)

6.24. Niet-gecompenseerde confiscaties (K.8) vinden plaats wanneer de overheid of andere institutionele eenheden beslag leggen op de activa van andere institutionele eenheden, met inbegrip van niet-ingezeten eenheden, zonder volledige compensatie en om andere redenen dan als betaling voor belastingen, boetes of soortgelijke heffingen. Het niet-gecompenseerde gedeelte van dergelijke eenzijdige confiscaties wordt niet beschouwd als een kapitaaloverdracht zoals geregistreerd in de kapitaalrekening.

OVERIGE VOLUMEMUTATIES IN NIET-FINANCIËLE ACTIVA, N.E.G. (K.9)

6.25. Onder de rubriek "Overige volumemutaties in niet-financiële activa, n.e.g." (K.9) worden de gevolgen geregistreerd die onverwachte gebeurtenissen kunnen hebben op de economische baten uit activa.

Hiertoe behoren:

a) onvoorziene veroudering. Het verbruik van vaste activa omvat geen onvoorziene veroudering van vaste activa en het kan zijn dat het op grond van normale veroudering opgenomen bedrag de werkelijke waardevermindering onvoldoende weergeeft. Er moet daarom worden voorzien in registratie van waardevermindering van vaste activa als gevolg van de invoering van verbeterde technologieën;

b) verschillen tussen de in het verbruik van vaste activa ingecalculeerde normale schade en het werkelijke verlies. Het verbruik van vaste activa omvat geen onvoorziene schade en het is mogelijk dat het op grond van de verwachte normale schade opgenomen bedrag niet met de werkelijkheid overeenkomt. In dat geval moet daarom gecorrigeerd worden voor de onvoorziene waardevermindering (of -vermeerdering) van de vaste activa;

c) kwaliteitsvermindering van vaste activa waarmee geen rekening is gehouden bij het verbruik van vaste activa: waardevermindering van vaste activa door bij voorbeeld de onvoorziene gevolgen van verzuurde lucht en zure regen voor gebouwen of carrosserieën van voertuigen;

d) voortijdig opgeven van produktiefaciliteiten (vóór het einde van de economische levensduur of zelfs voordat ze economisch in gebruik zijn genomen);

e) uitzonderlijke voorraadverliezen (b.v. door brandschade, diefstal, aantasting van graanvoorraden door insekten);

f) statistische verschillen tussen de eindbalans en de overeenkomstige beginbalans, voor zover die betrekking hebben op niet-financiële activa.

OVERIGE VOLUMEMUTATIES IN VORDERINGEN EN SCHULDEN, N.E.G. (K.10)

6.26. Alle mutaties in vorderingen en schulden die niet het gevolg zijn van in de financiële rekening geregistreerde financiële transacties, die niet tot de in de rekening voor nominale waarderingsverschillen geregistreerde waarderingsverschillen behoren, die geen wijzigingen in classificaties en structuur zijn en die niet het gevolg zijn van verlies door rampen of van niet-gecompenseerde confiscaties, moeten hier worden geregistreerd.

6.27. Rubriek K.10 omvat:

a) toekenning en annulering van bijzondere trekkingsrechten (SDR's) (AF.12) (zie de punten 5.33-5.35): voor SDR's bestaat zelfs geen fictieve vordering. Het mechanisme waarbij SDR's worden gecreëerd (de toekenning van SDR's) en teniet worden gedaan (de annulering van SDR's) leidt daarom niet tot transacties, maar wordt geregistreerd in de rekening voor overige volumemutaties in activa. Door toekenning van SDR's nemen de vorderingen van de monetaire autoriteiten toe en door annulering nemen ze af;

b) overige volumemutaties die samenhangen met door pensioenfondsen gegarandeerde vaste uitkeringen. Bij dergelijke door pensioenfondsen uitgevoerde regelingen wordt de hoogte van de pensioenen voor de deelnemende werknemers gegarandeerd. De pensioenen worden op grond van een bepaalde pensioenformule gekoppeld aan het aantal dienstjaren en het loon, en zijn niet volledig afhankelijk van de waarde van de activa in het fonds. Bij dergelijke regelingen geeft een registratie in de rekening voor overige volumemutaties in activa de mutaties aan in de actuarieel bepaalde verplichtingen voor zover die voortvloeien uit veranderingen in de pensioenvoorwaarden. Deze moeten worden onderscheiden van veranderingen in de actuariële voorzieningen als gevolg van veranderingen in de leeftijds- en dienstjarenopbouw van de pensioengerechtigden. Tot de veranderingen in de pensioenvoorwaarden behoren veranderingen in de pensioenformule zoals de berekening van de pensioengrondslag, de verlaging van de pensioengerechtigde leeftijd of de wijze van indexering (het jaarlijkse stijgingspercentage) van toekomstige of lopende pensioenen;

c) incidentele verliezen van chartaal geld of van effecten aan toonder als gevolg van bij voorbeeld brand of diefstal;

d) een afschrijving van oninbare vorderingen door crediteuren: eenzijdige erkenning door een crediteur dat een vordering ten gevolge van een bankroet of van andere factoren niet meer kan worden geïnd; de afschrijving van deze vordering op de balans van de crediteur moet hier worden geregistreerd, evenals de afschrijving van de schuld van de debiteur. Wanneer de institutionele eenheid die debiteur is, door de crediteur wordt beheerd, wordt de afschrijving van de schuld door de crediteur - indien dit niet het gevolg is van een faillissement - in de accumulatierekeningen geregistreerd;

e) statistische verschillen tussen de eindbalans en de overeenkomstige beginbalans voor zover die betrekking hebben op vorderingen en schulden.

6.28. Rubriek K.10 omvat niet:

a) het afschrijven van een vordering in onderling overleg tussen crediteur en debiteur (kwijtschelding): dit wordt behandeld als een financiële transactie tussen de crediteur en de debiteur (zie de punten 4.165f en 5.16) en niet als een overige volumemutatie;

b) niet-erkenning van een schuld: met het eenzijdig niet-erkennen van een schuld door een debiteur wordt geen rekening gehouden.

WIJZIGINGEN IN CLASSIFICATIES EN STRUCTUUR (K.12)

6.29. De wijzigingen in classificaties en structuur (K.12) omvatten wijzigingen in sectorclassificatie en structuur van institutionele eenheden (K.12.1), alsmede wijzigingen in de classificatie van activa en passiva (K.12.2).

WIJZIGINGEN IN SECTORCLASSIFICATIE EN STRUCTUUR (K.12.1)

6.30. Door de herindeling van een institutionele eenheid in een andere sector wordt haar volledige balans naar die andere sector overgeboekt; wanneer bij voorbeeld een institutionele eenheid die tot de sector huishoudens behoorde, een quasi-vennootschap wordt, moet zij worden overgeboekt naar de sector niet-financiële vennootschappen c.q. financiële instellingen.

Veranderingen in de structuur van institutionele eenheden betreffen het ontstaan en verdwijnen van bepaalde vorderingen en schulden ten gevolge van herstructurering. Wanneer een onderneming als onafhankelijke rechtspersoon verdwijnt, omdat zij wordt overgenomen door een of meer andere ondernemingen, gaan alle vorderingen en schulden, met inbegrip van aandelen en overige deelnemingen, die bestonden tussen die onderneming en de overnemende onderneming(en) teniet. De verwerving van aandelen en overige deelnemingen door een onderneming in het kader van een fusie moet echter als een financiële transactie tussen de verwerver en de vroegere eigenaar worden geregistreerd. Vervanging van bestaande aandelen door aandelen in de overnemende of de nieuwe onderneming moet worden geregistreerd als aflossing van bestaande aandelen en de uitgifte van nieuwe aandelen. Vorderingen en schulden die bestonden tussen de overgenomen onderneming en derden, blijven onveranderd en gaan over naar de overnemende onderneming(en).

Nieuwe vorderingen en schulden die ontstaan wanneer een onderneming juridisch wordt gesplitst in twee of meer institutionele eenheden, worden eveneens in deze categorie geregistreerd (ontstaan van vorderingen) (K.12.1).

WIJZIGINGEN IN DE CLASSIFICATIE VAN ACTIVA EN PASSIVA (K.12.2)

6.31. Rubriek K.12.2 omvat monetisatie/demonetisatie van goud (K.12.21) en overige wijzigingen in de classificatie van activa en passiva (K.12.22).

6.32. Monetisatie/demonetisatie van goud (K.12.21) wordt geregistreerd in de rekening voor overige volumemutaties in activa van de monetaire autoriteiten (zie punt 5.27).

Monetisatie van goud vindt plaats wanneer de monetaire autoriteiten goud overbrengen uit de voorraad kostbaarheden naar hun reserves. In de rekening voor overige volumemutaties in activa wordt in dat geval een afname van hun bezit aan kostbaarheden en een toename van hun bezit aan monetair goud geregistreerd.

Aankopen van monetair goud rechtstreeks van andere monetaire autoriteiten worden behandeld als transacties in monetair goud (F.11). Alle andere aankopen, met inbegrip van die bij financiële intermediairs of via een gereglementeerde goudmarkt, moeten worden geregistreerd als aankopen van kostbaarheden, gevolgd door een classificatiewijziging.

Demonetisatie van goud vindt plaats wanneer de monetaire autoriteiten goud overbrengen van de reserves naar de kostbaarheden. Het bezit aan monetair goud van de monetaire autoriteiten neemt dan af en het bezit aan kostbaarheden neemt toe. Verkopen van monetair goud rechtstreeks aan andere monetaire autoriteiten worden geregistreerd als transacties in monetair goud (F.11). Alle andere verkopen, met inbegrip van die aan financiële intermediairs of via een gereglementeerde goudmarkt, moeten worden geregistreerd als verkopen van kostbaarheden voorafgegaan door een classificatiewijziging.

6.33. Overige wijzigingen in de classificatie van activa en passiva (K.12.22): voorbeelden zijn wijzigingen in de bestemming van grond of gebouwen, zoals de bestemming van een woning tot bedrijfsgebouw en omgekeerd. In het geval van grond moeten beide boekingen - een negatieve voor de oorspronkelijke categorie en een positieve voor de nieuwe - met dezelfde waarde worden opgenomen in rubriek K.12.22. De verandering in de waarde van grond als gevolg van de wijziging in bestemming wordt geregistreerd als het economisch ontstaan (zie punt 6.17c) dan wel verdwijnen van niet-geproduceerde activa (zie punt 6.21b); deze waardeverandering wordt dus beschouwd als volumemutatie.

K.12.22 omvat niet de conversie van obligaties in aandelen. Deze wordt geregistreerd in de vorm van twee financiële transacties (zie punt 5.621).

6.34. Overige volumemutaties in activa (K.3-K.10 en K.12) worden geregistreerd in de rekening voor overige volumemutaties in activa van de betreffende sectoren, de totale economie en het buitenland.

NOMINALE WAARDERINGSVERSCHILLEN (K.11)

6.35. De nominale waarderingsverschillen (79) betreffen de groep overige mutaties in de waarde van de activa, van de schulden en dus ook van het vermogenssaldo, die het resultaat zijn van veranderingen in hun prijsniveau en -structuur. Nominale waarderingsverschillen worden ingedeeld in neutrale en reële waarderingsverschillen.

6.36. Definitie: Een nominaal waarderingsverschil (K.11) op een bepaalde hoeveelheid van een activum is de waardeverandering van dat activum voor de eigenaar als gevolg van een prijswijziging. Een nominaal waarderingsverschil op een schuld is gelijk aan de waardeverandering van die schuld als gevolg van een prijswijziging, maar met een tegenovergesteld teken.

6.37. Een positief waarderingsverschil is het gevolg van een waardevermeerdering van een bepaald activum of een waardevermindering van een bepaalde schuld. Een negatief waarderingsverschil is het gevolg van een waardevermindering van een bepaald activum of een waardevermeerdering van een bepaalde schuld.

6.38. De in de rekening voor nominale waarderingsverschillen opgenomen waarderingsverschillen betreffen zowel activa als schulden en worden ook geregistreerd wanneer ze niet worden gerealiseerd. Een waarderingsverschil wordt geacht te zijn gerealiseerd wanneer het betreffende activum wordt verkocht, geruild, verbruikt of op andere wijze afgestoten, of wanneer de schuld wordt ingelost. Een niet-gerealiseerd waarderingsverschil ontstaat derhalve bij een activum dat aan het eind van de verslagperiode nog in het bezit van de eenheid is of een schuld die op dat moment nog uitstaat. Onder een gerealiseerd waarderingsverschil wordt gewoonlijk verstaan het waarderingsverschil over de gehele periode dat de eenheid het activum in eigendom had of dat de schuld uitstond, of deze periode nu samenvalt met de verslagperiode of niet. Omdat het waarderingsverschil in het systeem op batenbasis wordt geregistreerd, verschijnt het onderscheid tussen gerealiseerde en niet-gerealiseerde waarderingsverschillen niet in de classificaties en rekeningen, hoewel dit voor bepaalde doeleinden nuttig zou kunnen zijn.

6.39. Waarderingsverschillen hebben betrekking op alle soorten activa: geproduceerde en niet-geproduceerde niet-financiële activa, alsmede vorderingen, zodat ook waarderingsverschillen op voorraden van allerlei goederen bij producenten, met inbegrip van onderhanden werk, in aanmerking komen.

6.40. Nominale waarderingsverschillen zijn mogelijk bij activa die tijdens de verslagperiode gedurende enige tijd in de balans waren opgenomen, en niet uitsluitend bij activa die in de begin- en/of eindbalans verschijnen. Het nominale waarderingsverschil voor de eigenaar van een bepaald activum, of van een bepaalde hoeveelheid van een specifiek soort activum, tussen twee tijdstippen wordt bepaald als:

de actuele waarde van het betreffende activum op het laatste tijdstip

minus

de actuele waarde van het betreffende activum op het eerste tijdstip,

ervan uitgaande dat het activum zelf intussen kwalitatief noch kwantitatief verandert. Het nominale waarderingsverschil (W) op een bepaalde hoeveelheid h van een activum tussen de tijdstippen o en t, kan als volgt worden uitgedrukt:

W = (pt - p°) 7 h

waarbij p° en pt de prijzen van het activum zijn op respectievelijk de tijdstippen o en t. Voor vorderingen en schulden met een vaste nominale waarde, waarbij p° en pt per definitie gelijk zijn, zijn de nominale waarderingsverschillen altijd gelijk aan nul.

6.41. Om de nominale waarderingsverschillen te kunnen berekenen, dienen de aan- en verkopen van activa op dezelfde wijze te worden gewaardeerd als in de kapitaal- en de financiële rekening, terwijl de voorraden aan activa op dezelfde wijze moeten worden gewaardeerd als in de balans. In het geval van vaste activa is de waarde van een aankoop gelijk aan het bedrag dat de koper heeft betaald aan de producent of verkoper, plus de bijbehorende overdrachtskosten die ten laste van de koper komen. De verkoopwaarde van bestaande vaste activa is gelijk aan het bedrag dat de verkoper van de koper ontvangt, minus de overdrachtskosten die ten laste van de verkoper komen.

Er zijn vier situaties die aanleiding geven tot nominale waarderingsverschillen:

(1) een activum dat in de begin- en de eindbalans is opgenomen: het nominale waarderingsverschil gedurende de verslagperiode is gelijk aan de waarde in de eindbalans minus de waarde in de beginbalans. Deze waarden zijn de geraamde waarden van het activum als dit zou worden verworven op het moment dat de balansen worden opgemaakt. Het nominale waarderingsverschil wordt niet gerealiseerd;

(2) een activum dat in de beginbalans is opgenomen en tijdens de verslagperiode wordt verkocht: het nominale waarderingsverschil is gelijk aan de werkelijke of geraamde waarde bij verkoop minus de waarde in de beginbalans. Het nominale waarderingsverschil wordt gerealiseerd;

(3) een activum dat tijdens de verslagperiode wordt aangeschaft en in de eindbalans is opgenomen: het nominale waarderingsverschil is gelijk aan de waarde in de eindbalans minus de werkelijke of geraamde waarde bij aankoop. Het nominale waarderingsverschil wordt niet gerealiseerd.

(4) een activum dat tijdens de verslagperiode wordt verworven en verkocht: het nominale waarderingsverschil is gelijk aan de werkelijke of geraamde waarde bij verkoop minus de werkelijke of geraamde waarde bij aankoop. Het nominale waarderingsverschil wordt gerealiseerd.

6.42. Nominale waarderingsverschillen betreffen zowel activa als schulden en worden ook geregistreerd wanneer ze niet worden gerealiseerd. Zij worden opgenomen in de rekening voor nominale waarderingsverschillen van de verschillende sectoren, de totale economie en het buitenland.

NEUTRALE WAARDERINGSVERSCHILLEN (K.11.1)

6.43. Definitie: Een neutraal waarderingsverschil (K.11.1) op een activum is de waarde van het waarderingsverschil dat zou zijn ontstaan als de prijs van het activum in de loop van de tijd in dezelfde mate zou zijn veranderd als het algemene prijspeil.

Neutrale waarderingsverschillen worden vastgesteld teneinde de afleiding van reële waarderingsverschillen mogelijk te maken; laatstgenoemde waarderingsverschillen beïnvloeden de (her)verdeling van de werkelijke koopkracht over de verschillende sectoren.

6.44. Stel het algemene prijsindexcijfer is r. Dan is het neutrale waarderingsverschil (NW) op een bepaalde hoeveelheid h van een activum tussen de tijdstippen o en t:

NW = P° 7 h (>NUM>rt/>DEN>r°- 1)

waarbij p° 7 h de lopende waarde van het activum is op tijdstip o, en rt/r° de factor waarmee het algemene prijsindexcijfer tussen de tijdstippen o en t is gewijzigd. Voor alle activa en schulden geldt dezelfde rt/r°.

6.45. Er bestaat geen optimaal algemeen prijsindexcijfer voor de berekening van neutrale waarderingsverschillen. Volgens afspraak wordt voor de berekening van neutrale waarderingsverschillen gebruik gemaakt van het prijsindexcijfer van de nationale finale bestedingen met uitzondering van de veranderingen in voorraden.

6.46. Neutrale waarderingsverschillen worden geregistreerd in de rekening voor neutrale waarderingsverschillen, een subrekening van de rekening voor nominale waarderingsverschillen, van de verschillende sectoren, de totale economie en het buitenland.

REËLE WAARDERINGSVERSCHILLEN (K.11.2)

6.47. Definitie: Een reëel waarderingsverschil (K.11.2) op een activum is het verschil tussen het nominale en het neutrale waarderingsverschil op dat activum.

Het reële waarderingsverschil (RW) op een bepaalde hoeveelheid h van een activum tussen de tijdstippen o en t wordt uitgedrukt als:

RW = W - NW

of

RW = (>NUM>pt/>DEN>p° - >NUM>rt/>DEN>r°) 7 p° 7 h

De waarde van reële waarderingsverschillen op activa hangt dus af van de prijsontwikkelingen van deze activa gedurende de betrokken periode ten opzichte van de gemiddelde ontwikkeling van andere prijzen, zoals gemeten met behulp van het algemene prijsindexcijfer.

6.48. Reële waarderingsverschillen worden geregistreerd in de rekening voor reële waarderingsverschillen, een subrekening van de rekening voor nominale waarderingsverschillen, van de verschillende sectoren, de totale economie en het buitenland.

WAARDERINGSVERSCHILLEN PER TYPE VORDERING

Chartaal geld en deposito's (AF.2)

6.49. De nominale waarde van chartaal geld en deposito's die in nationale valuta luiden, blijft in de loop van de tijd gelijk. De "prijs" van dergelijke activa verandert niet, terwijl de hoeveelheid wordt bepaald door het aantal eenheden van de valuta waarin zij luiden. De nominale waarderingsverschillen voor dergelijke activa bedragen altijd nul. Het verschil in waarde tussen de begin- en de eindstand van deze activa is daarom, afgezien van de overige volumemutaties in activa, volledig te beschouwen als een financiële transactie in deze activa. Doorgaans kan in dit geval het waardeverschil uit de balanscijfers worden afgeleid.

6.50. Om de neutrale en reële waarderingsverschillen op activa met een vaste nominale waarde te kunnen berekenen zijn behalve gegevens over het tijdstip en de waarde van de transacties ook de waarde volgens de begin- en de eindbalans nodig. Indien bij voorbeeld binnen de verslagperiode een lening wordt afgesloten en weer afgelost terwijl het algemene prijspeil is gestegen, dan is vanuit het oogpunt van de crediteur het neutrale waarderingsverschil op de lening positief en het reële waarderingsverschil negatief, waarbij de omvang van de verschillen afhankelijk is van de looptijd van de lening en van het inflatietempo. Het is onmogelijk om dergelijke negatieve reële waarderingsverschillen vast te stellen zonder over informatie te beschikken over de waarde van de tijdens de verslagperiode afgesloten en afgeloste leningen of over de tijdstippen van afsluiting en aflossing. In het algemeen kan men stellen dat wanneer de totale absolute waarde van de positieve en negatieve transacties groot is in verhouding tot de waarde volgens de begin- en eindbalans, benaderende ramingen van de neutrale en reële waarderingsverschillen op vorderingen en schulden met een vaste nominale waarde op basis van de balansgegevens alleen doorgaans niet erg bevredigend zijn. Zelfs een brutoregistratie van de waarde van financiële transacties - d.w.z. het registreren van de afgesloten en afgeloste leningen afzonderlijk in plaats van het saldo van de verstrekkingen en aflossingen - kan ontoereikend zijn indien informatie over de duur van de leningen ontbreekt.

Leningen (AF.4) en handelskredieten en transitorische posten (AF.7)

6.51. Wat geldt voor chartaal geld en deposito's, geldt ook voor leningen en handelskredieten en transitorische posten die niet worden verhandeld. Als een bestaande lening of een bestaand handelskrediet echter aan een andere institutionele eenheid wordt verkocht, moet het verschil tussen de aflossingsprijs en de transactieprijs op het moment van de transactie in de rekening voor nominale waarderingsverschillen van de verkoper en de koper worden geregistreerd.

Effecten m.u.v. aandelen (AF.3)

6.52. Wanneer obligaties worden uitgegeven met agio of disagio - en ook in het geval van "deep-discounted"- en "zero-coupon"-obligaties -, is het verschil tussen de prijs van uitgifte en de nominale of aflossingswaarde na afloop van de looptijd onderdeel van de rente die de emittent over de looptijd van de obligatie moet betalen. Deze rente wordt geregistreerd als inkomen uit vermogen, te betalen door de emittent van de obligatie en te ontvangen door de obligatiehouder, naast eventuele werkelijk door de emittent betaalde couponrente op bepaalde tijdstippen tijdens de looptijd van de obligatie. De opgebouwde rente wordt in de financiële rekening geregistreerd alsof deze op hetzelfde tijdstip weer door de obligatiehouder in de obligatie wordt belegd (80), dus als een verwerving van een vordering die aan de bestaande vorderingen wordt toegevoegd (zie punt 5.17). De geleidelijke toename van de marktwaarde van een obligatie ten gevolge van het cumuleren van opgebouwde en opnieuw belegde rente weerspiegelt derhalve een toename van de uitstaande hoofdsom - d.w.z. van de omvang van de vordering. In wezen gaat het om een kwantitatieve of volumestijging en niet om een prijsstijging. Er ontstaan voor de obligatiehouder of de emittent geen waarderingsverschillen. De situatie komt overeen met die voor een produkt als wijn, die tijdens de opslag rijpt. Een prijsstijging voor wijn die het gevolg is van een kwaliteitsverbetering, weerspiegelt een volumestijging en niet een prijsstijging. Naarmate de looptijd verstrijkt, verandert de "kwaliteit" van de obligatie en het is van essentieel belang in te zien dat waardestijgingen als gevolg van de accumulatie van opgebouwde rente geen prijsveranderingen zijn en niet leiden tot waarderingsverschillen.

6.53. De prijzen van vastrentende obligaties veranderen echter ook wanneer de marktrente verandert. Deze prijsmutaties zijn tegengesteld aan de rentebewegingen. De gevolgen van een rentewijziging op de prijs van een obligatie is geringer naarmate de resterende looptijd van de obligatie korter is. Veranderingen in de prijs van obligaties als gevolg van veranderingen in de marktrente zijn prijs- en geen volumemutaties. Hierdoor ontstaan derhalve nominale waarderingsverschillen voor zowel de emittenten als de obligatiehouders. Een rentestijging leidt tot een positief nominaal waarderingsverschil voor de emittent en een even groot negatief nominaal waarderingsverschil voor de oligatiehouder. Bij een rentedaling geldt het omgekeerde.

Bij kortlopende waardepapieren kunnen de nominale waarderingsverschillen op dezelfde wijze toenemen als bij obligaties. Gezien de kortere looptijd zijn de waarderingsverschillen door rentebewegingen doorgaans veel kleiner dan bij obligaties met dezelfde nominale waarde.

6.54. De omzetting van obligaties in aandelen wordt geregistreerd als twee financiële transacties (zie punt 5.62l). Gewoonlijk gebeurt dit tegen een prijs die onder de marktprijs van de aandelen ligt. Hieruit voortvloeiende waarderingsverschillen moeten als prijswijzigingen onder aandelen en overige deelnemingen in de rekening voor nominale waarderingsverschillen worden geregistreerd (zie punt 5.135).

6.55. De waarde van financiële derivaten (AF.34) kan variëren naar gelang van veranderingen in de waarde of in de volatiliteit van de prijs van de onderliggende waarde, dan wel naarmate het moment van uitvoering of de uiterste afloopdatum nadert. Al deze waardeveranderingen moeten als prijsmutaties worden aangemerkt en onder K.11 worden geregistreerd.

Aandelen en overige deelnemingen (AF.5)

6.56. Door de uitgifte van bonusaandelen (zie punt 5.93) nemen in beginsel het aantal aandelen en de nominale waarde van het uitstaande aandelenkapitaal toe, maar de marktwaarde van alle aandelen te zamen verandert in theorie niet. Volgens afspraak moet de uitgifte van bonusaandelen daarom niet in de rekeningen worden opgenomen. Daar dergelijke emissies bedoeld zijn om de liquiditeit van de aandelen op de markt te verhogen, zodat de totale marktwaarde van de uitgegeven aandelen als gevolg daarvan kan toenemen, moeten dergelijke veranderingen worden geregistreerd als nominale waarderingsverschillen.

Verzekeringstechnische voorzieningen (AF.6)

6.57. Veranderingen in de voorzieningen pensioen- en levensverzekering (AF.61) tijdens de verslagperiode die voortvloeien uit nominale waarderingsverschillen van de door verzekeringsinstellingen en pensioenfondsen belegde voorzieningen worden geregistreerd in de rekening voor nominale waarderingsverschillen. Dit geldt ook voor veranderingen in vooruitbetaalde premies en voorzieningen voor openstaande aanspraken (AF.62) als gevolg van waarderingsverschillen.

VORDERINGEN IN VREEMDE VALUTA

6.58. De waarde van vorderingen in vreemde valuta wordt vastgesteld op basis van de marktwaarde in vreemde valuta, tegen de actuele wisselkoers omgerekend in nationale valuta. Er kunnen derhalve niet alleen nominale waarderingsverschillen ontstaan door prijswijzigingen van de activa in de vreemde valuta, maar ook door wijzigingen in de wisselkoers. De totale waarde van de in de loop van de verslagperiode ontstane nominale waarderingsverschillen kan op de gebruikelijke wijze worden berekend, d.w.z. door de waarde van de transacties af te trekken van het verschil tussen de waarde in de beginbalans en die in de eindbalans. Hiertoe moeten de transacties in vreemde valuta worden omgerekend in nationale valuta tegen de wisselkoers die op het moment van de transactie van kracht is, terwijl de waarde in de begin- en eindbalans moet worden omgerekend tegen de wisselkoers op de datum waarop de balansen betrekking hebben. Dit betekent dat de totale waarde van de transacties - saldo van aan- en verkopen -, uitgedrukt in de vreemde valuta, in feite wordt omgerekend tegen een gewogen gemiddelde wisselkoers waarbij de gewichten gelijk zijn aan de waarde van de op verschillende tijdstippen uitgevoerde transacties.

HOOFDSTUK 7

BALANSEN

7.01. Definitie: Een balans is een op een bepaald moment vastgesteld overzicht van de waarde van de bezittingen en van de uitstaande schulden. Het saldo wordt vermogenssaldo (B.90) genoemd.

Alle in de balans opgenomen activa en passiva worden gewaardeerd tegen de marktprijzen die gelden per balansdatum.

7.02. Er wordt een balans opgesteld voor sectoren, de totale economie en het buitenland.

Voor sectoren geeft de balans de waarde van alle activa - geproduceerde, niet-geproduceerde en financiële - en passiva, alsmede het vermogenssaldo.

Voor de totale economie geeft de balans als saldo wat vaak wordt genoemd het nationale vermogen: de som van de niet-financiële activa en de nettovorderingen op het buitenland.

De balans van het buitenland, de rekening voor vorderingen en schulden van het buitenland genoemd, bestaat volledig uit vorderingen en schulden.

7.03. Vennootschappen worden geacht naast de waarde van de uitgegeven aandelen en overige deelnemingen ook een vermogenssaldo te hebben. In geval van quasi-vennootschappen is dit gelijk aan nul, omdat de waarde van het eigen vermogen van de eigenaar geacht wordt gelijk te zijn aan het saldo van diens activa en passiva. Het vermogenssaldo van ingezeten ondernemingen met directe investeringen uit het buitenland die filialen van niet-ingezeten ondernemingen zijn en daarom als quasi-vennootschappen worden behandeld, is dan ook nul.

7.04. Het verschil tussen de totale vorderingen en de totale schulden wordt nettovorderingen genoemd (zie punt 7.67).

7.05. Voor de sectoren niet-financiële vennootschappen en financiële instellingen levert de berekening van het eigen vermogen een belangrijke indicator voor analyses op.

Het eigen vermogen is de som van het vermogenssaldo (B.90) en de uitgegeven aandelen en overige deelnemingen (AF.5).

7.06. De balans vult het rekeningenstelsel aan met het eindresultaat van de registraties in de produktie-, inkomensverdelings-, inkomensbestedings- en accumulatierekeningen (zie hoofdstuk 8 "Rekeningen en saldi").

7.07. Een balans is een momentopname van de waarde van activa en passiva. Balansen dienen te worden opgesteld aan het begin van een verslagperiode (gelijk aan de eindbalans van de voorgaande periode) en aan het eind ervan.

7.08. Een boekhoudkundige identiteit verbindt de beginbalans met de eindbalans:

de waarden van de diverse activa in de beginbalans,

plus de transacties: de totale waarde van gekochte activa, minus de totale waarde van verkochte activa, als gevolg van transacties die plaatsvinden gedurende de verslagperiode (transacties in niet-financiële activa worden geregistreerd in de kapitaalrekening en transacties in vorderingen in de financiële rekening),

minus het verbruik van vaste activa,

plus de overige volumemutaties: de waarde van andere positieve of negatieve volumemutaties in de activa, b.v. als gevolg van de ontdekking van minerale reserves of de vernietiging van een activum door een oorlogshandeling of natuurramp (dergelijke mutaties worden geregistreerd in de rekening voor overige volumemutaties in activa),

plus de waarderingsverschillen: de waarde van de positieve of negatieve nominale waarderingsverschillen tijdens de verslagperiode als gevolg van een prijswijziging voor het activum (prijswijzigingen worden geregistreerd in de rekening voor nominale waarderingsverschillen),

zijn gelijk aan de waarde van de bedoelde activa in de eindbalans.

De boekhoudkundige verbinding tussen de begin- en eindbalans via transacties en overige mutaties in activa (overige volumemutaties en waarderingsverschillen) wordt schematisch weergegeven in bijlage 7.2.

SOORTEN ACTIVA

7.09. De activa die in de balans worden opgenomen, zijn economische activa.

7.10. Definitie: Economische activa zijn waardeobjecten waarover eigendomsrechten worden uitgeoefend door institutionele eenheden, afzonderlijk of collectief, en waaruit economische baten kunnen voortvloeien voor degenen die deze eenheden bezitten of gedurende een bepaalde periode gebruiken.

7.11. De economische baten bestaan uit primaire inkomens voortkomend uit het gebruik van het activum (exploitatieoverschot bij eigen gebruik; inkomen uit vermogen bij gebruik door anderen) en de waarde, met inbegrip van eventuele waarderingsverschillen, die kan worden gerealiseerd door het activum te verkopen of te liquideren.

7.12. Tabel 7.1 geeft een overzicht van de indeling en de omschrijving van economische activa. In bijlage 1 van dit hoofdstuk wordt een uitvoerige definitie gegeven van iedere categorie activa.

Tot de activa behoren niet:

a) menselijk kapitaal;

b) natuurlijke activa die geen economische activa zijn (b.v. lucht, rivierwater);

c) voorwaardelijke activa voor zover die in het systeem niet tot de vorderingen worden gerekend (zie punt 7.22).

7.13. Er worden drie categorieën activa onderscheiden:

a) geproduceerde niet-financiële activa;

b) niet-geproduceerde niet-financiële activa;

c) financiële activa (vorderingen).

GEPRODUCEERDE NIET-FINANCIËLE ACTIVA (AN.1)

7.14. Definitie: Geproduceerde activa (AN.1) zijn niet-financiële activa die zijn ontstaan als resultaat van een produktieproces.

7.15. De geproduceerde activa zijn ingedeeld op basis van hun rol in het produktieproces: vaste activa (81) die gedurende meer dan een jaar herhaaldelijk of voortdurend in een produktieproces worden gebruikt, voorraden die als intermediair verbruik bij de produktie worden verbruikt, dan wel worden verkocht of anderszins worden afgestoten, en kostbaarheden. Laatstgenoemde categorie wordt niet in de eerste plaats voor produktie of consumptie gebruikt, maar als waardeobject aangeschaft en aangehouden.

NIET-GEPRODUCEERDE NIET-FINANCIËLE ACTIVA (AN.2)

7.16. Definitie: Niet-geproduceerde activa (AN.2) zijn economische activa die op andere wijze ontstaan dan als resultaat van een produktieproces. Zij bestaan uit materiële en immateriële activa, die hieronder zijn gedefinieerd.

7.17. De niet-geproduceerde activa zijn ingedeeld op basis van hun ontstaanswijze. Sommige van deze activa komen in de natuur voor, andere, zogenaamde maatschappelijke constructies, komen tot stand via juridische of boekhoudkundige handelingen.

7.18. Alle materiële niet-geproduceerde activa zijn natuurlijke hulpbronnen. Welke natuurlijke hulpbronnen onder deze categorie vallen, wordt overeenkomstig de algemene definitie van economische activa bepaald door het feit of over deze hulpbronnen wel daadwerkelijk eigendomsrechten kunnen worden uitgeoefend en of zij economisch exploiteerbaar zijn voor de eigenaars ervan, gegeven de stand van de technologie, kennis, economische mogelijkheden, beschikbare middelen en de prijs van vervangende produkten. Natuurlijke hulpbronnen waarover geen eigendomsrechten (kunnen) worden uitgeoefend, zoals de open zee of het luchtruim, blijven buiten beschouwing.

7.19. Tot de immateriële niet-geproduceerde activa behoren octrooien, lease- en andere overdraagbare contracten, aangekochte goodwill, enz. Entiteiten zonder juridische of boekhoudkundige grondslag - zoals bij voorbeeld de toekenning van een octrooi of de overdracht van economische baten aan derden - vallen niet onder deze definitie.

VORDERINGEN EN SCHULDEN (AF.)

7.20. Definitie: Vorderingen, of financiële activa, (AF.) zijn economische activa. Hiertoe behoren betaalmiddelen, financiële aanspraken en economische activa die verwant zijn aan financiële aanspraken.

7.21. Tot de betaalmiddelen behoren monetair goud, bijzondere trekkingsrechten (SDR's), chartaal geld en girale deposito's.

Financiële aanspraken geven hun eigenaars, de crediteuren, het recht om zonder tegenprestatie een betaling of een reeks betalingen te ontvangen van andere institutionele eenheden, de debiteuren, die de overeenkomstige verplichtingen (schulden) zijn aangegaan.

Voorbeelden van economische activa die sterk lijken op financiële aanspraken, zijn aandelen en overige deelnemingen en, ten dele, voorwaardelijke vorderingen. De institutionele eenheid die een dergelijke vordering heeft uitgegeven, wordt geacht een dienovereenkomstige schuld te zijn aangegaan.

7.22. Voorwaardelijke vorderingen zijn overeenkomsten tussen institutionele eenheden onderling of tussen institutionele eenheden en het buitenland, waarbij aan een of meer voorwaarden moet worden voldaan alvorens een financiële transactie plaatsvindt. Voorbeelden zijn betalingsgaranties door derden, wissels, kredietlijnen, gegarandeerde "note issuance facilities" (NIF's) en vele typen financiële derivaten. In het systeem wordt een voorwaardelijke vordering alleen als vordering opgenomen wanneer deze een marktwaarde heeft omdat zij verhandelbaar is of op de markt kan worden gecompenseerd. In alle andere gevallen worden voorwaardelijke vorderingen niet in het systeem opgenomen (82).

7.23. In het systeem staat tegenover iedere vordering een schuld (tegenboeking). Dit geldt alleen niet voor de categorie monetair goud en bijzondere trekkingsrechten (SDR's) (AF.1).

7.24. De classificatie van de vorderingen en schulden stemt overeen met die van de financiële transacties. De definities van de categorieën, subcategorieën en subposten van de vorderingen en schulden en de toelichting daarop worden daarom slechts eenmaal gegeven in het ESR, in hoofdstuk 5 "Financiële transacties". In dit hoofdstuk worden de definities en toelichtingen niet herhaald, maar wel wordt in bijlage 7.1 een overzicht van alle in het systeem gedefinieerde activa en passiva gegeven.

.>RUIMTE VOOR DE TABEL>

WAARDERING VAN BALANSPOSTEN

ALGEMENE WAARDERINGSGRONDSLAGEN

7.25. Iedere balanspost dient te worden gewaardeerd als zijnde verworven per balansdatum, met inbegrip van alle bijbehorende overdrachtskosten in geval van niet-financiële activa. Dit houdt in dat de activa en passiva moeten worden gewaardeerd tegen hun per balansdatum geldende marktprijzen.

Een en ander betekent dat activa moeten worden gewaardeerd op basis van:

a) de aankoopprijs indien zij zijn gekocht;

b) de basisprijs indien zij in eigen beheer zijn geproduceerd, dan wel de basisprijs van soortgelijke goederen of de totale kostprijs indien geen basisprijzen beschikbaar zijn.

7.26. In het ideale geval kunnen deze prijzen op de markt worden waargenomen. Indien dit niet het geval is - er hebben bij voorbeeld in het recente verleden geen aankopen/verkopen van bedoelde activa plaatsgevonden - moet worden getracht de marktprijzen van deze activa per balansdatum te ramen.

7.27. Naast het waarnemen van de prijs op de markt of het ramen van de prijs aan de hand van waargenomen prijzen of de gemaakte kosten, kan de geldende prijs ten behoeve van de registratie in de balans ook nog worden benaderd aan de hand van:

a) bepaling en herwaardering van het saldo van aan- en verkopen, of

b) de huidige of contante waarde van de toekomstige opbrengsten.

7.28. Gewoonlijk zijn er marktprijzen beschikbaar voor tal van vorderingen, bestaand onroerend goed (bouwwerken met onderliggende grond), bestaande vervoermiddelen, gewassen en vee, alsmede nieuwe vaste activa en voorraden.

7.29. Voor sommige activa wordt de geherwaardeerde oorspronkelijke aankoopprijs afgeschreven over de verwachte economische levensduur. De waarde van een dergelijk activum op een gegeven moment wordt bepaald door de geldende vervangingswaarde minus de geaccumuleerde waarde van de afschrijvingen. De meeste vaste activa kunnen in de balans worden opgenomen tegen de geldende aankoopprijs na aftrek van het geaccumuleerde verbruik van vaste activa (afgeschreven vervangingskosten) (83).

7.30. In het geval van activa waarvan de opbrengsten pas veel later volgen (zoals bij hout) of over een lange periode zijn gespreid (zoals bij minerale reserves), moet aan de hand van een discontopercentage de contante waarde van de verwachte toekomstige opbrengsten worden berekend.

In plaats van een algemeen rentepercentage te gebruiken moet het discontopercentage veeleer worden afgeleid uit informatie over transacties in de betrokken activa bij voorbeeld bossen, mijnen, steengroeven.

7.31. De waarde van activa en passiva in vreemde valuta moet in de nationale valuta worden omgezet tegen de per balansdatum geldende wisselkoers. Deze koers moet een gemiddelde zijn van de contante aan- en verkoopkoersen voor valutatransacties.

7.32. Alternatieven voor de geldende marktwaarde kunnen voor sommige analytische doeleinden van nut zijn; ze kunnen als pro-memorie-post in de balans worden opgenomen. Voorbeelden van een alternatieve waardering zijn de nominale waarde voor langlopende obligaties en de geherwaardeerde waarde van het gestorte kapitaal en dergelijke voor het eigen vermogen van een onderneming.

NIET-FINANCIËLE ACTIVA (AN.)

GEPRODUCEERDE ACTIVA (AN.1)

Vaste activa (AN.11)

Materiële vaste activa (AN.111)

7.33. Materiële vaste activa dienen zo mogelijk tegen marktprijzen te worden geregistreerd (of tegen basisprijzen in het geval van produktie van nieuwe activa in eigen beheer), en anders tegen de vervangingswaarde na aftrek van het geaccumuleerde verbruik van vaste activa. In de balans worden ook de ten laste van de koper komende overdrachtskosten in verband met deze activa, op correcte wijze afgeschreven, opgenomen.

Immateriële vaste activa (AN.112)

7.34. De exploratie van minerale reserves dient te worden gewaardeerd op basis van de geaccumuleerde bedragen die andere institutionele eenheden contractueel voor dit doel hebben betaald, of op basis van de kosten van exploratie indien deze in eigen beheer wordt verricht. In het verleden verrichte exploratie die nog niet volledig is afgeschreven, moet tegen de prijzen of kosten van de lopende verslagperiode worden geherwaardeerd.

7.35. Computerprogrammatuur dient te worden gewaardeerd op basis van de aankoopprijs op de markt, op basis van de geraamde basisprijs indien zij in het eigen bedrijf is ontwikkeld, dan wel op basis van de produktiekosten indien er geen prijzen beschikbaar zijn. Bestaande programmatuur die nog niet volledig is afgeschreven, moet worden geherwaardeerd tegen de geldende prijzen of kosten (die lager kunnen zijn dan de oorspronkelijke prijzen of kosten).

7.36. Originelen op het gebied van woord, beeld en geluid en andere immateriële vaste activa moeten worden gewaardeerd tegen de aankoopprijs wanneer ze werkelijk op de markt worden verhandeld. Wanneer ze in eigen beheer zijn geproduceerd, kan het noodzakelijk zijn ze te waarderen op basis van de produktiekosten, waarbij correct is afgeschreven en geherwaardeerd tegen de prijzen van de lopende verslagperiode. In andere gevallen kan het noodzakelijk zijn en raming te maken van de contante waarde van de verwachte toekomstige opbrengsten voor de eigenaars van dergelijke activa.

Voorraden (AN.12)

7.37. Voorraden moeten worden gewaardeerd tegen de per balansdatum geldende prijzen en niet tegen de prijzen op het moment dat de produkten in de voorraden werden opgenomen.

7.38. Voorraden grondstoffen en halffabrikaten worden gewaardeerd tegen aankoopprijzen, voorraden gereed produkt en onderhanden werk tegen basisprijzen. Voorraden handelsgoederen die niet verder worden bewerkt door de groot- en detailhandel, worden gewaardeerd tegen de per balansdatum geldende prijzen, exclusief de transportkosten van de groot- of detailhandel. Voor voorraden onderhanden werk kan de waarde op de eindbalans worden berekend aan de hand van het aandeel van de totale produktiekosten dat aan het einde van de verslagperiode is gerealiseerd, in de basisprijs van een vergelijkbaar gereed produkt per balansdatum. Als er geen basisprijs voor het gereed produkt beschikbaar is, kan deze worden geraamd aan de hand van de waarde van de produktiekosten met een toeslag voor een verwacht netto-exploitatieoverschot of (geraamd netto) gemengd inkomen.

Gewassen te velde die slechts één oogst opleveren (met uitzondering van hout) en slachtvee kunnen worden gewaardeerd aan de hand van de prijzen van dergelijke produkten op de markt. Bij de waardering van staand hout wordt uitgegaan van de contante waarde van de verwachte toekomstige opbrengst van de houtverkoop tegen lopende prijzen na aftrek van de uitgaven voor het tot wasdom laten komen van het hout, het kappen, enz.

Kostbaarheden (AN.13)

7.39. Kostbaarheden (kunstwerken, antiek, juwelen, edelstenen, niet-monetair goud (zie punt 5.30) en andere edele metalen) worden gewaardeerd tegen de geldende prijs. Indien er georganiseerde markten voor dergelijke activa bestaan, moeten ze worden gewaardeerd tegen de werkelijke of geraamde prijs die er per balansdatum op de markt voor zou moeten worden betaald, inclusief honoraria of commissies voor tussenpersonen. In andere gevallen moeten zij worden gewaardeerd tegen aankoopprijzen die geherwaardeerd zijn tegen het prijsniveau van de lopende verslagperiode.

NIET-GEPRODUCEERDE ACTIVA (AN.2)

Materiële niet-geproduceerde activa (AN.21)

Grond (AN.211)

7.40. In de kapitaalrekening worden uitgaven voor grondverbeteringen en de overdrachtskosten van grond geregistreerd als bruto-investeringen in vaste activa, los van de waarde van de grond zelf.

Indien de waarde van de grond niet kan worden gescheiden van die van de bouwwerken die erop staan, moeten de activa te zamen worden ingedeeld bij het activum met de hoogste waarde.

In de balans wordt grond gewaardeerd tegen de geldende marktprijs.

Deze prijs behoeft niet gelijk te zijn aan de som van alle onderdelen van de verwervingskosten van de grond op het moment van aankoop. Met name is het mogelijk dat de geldende marktprijs niet de overdrachtskosten of de nog niet volledig afgeschreven uitgaven voor grondverbeteringen bevat. Dit heeft tot gevolg dat de betreffende bedragen (volledig of ten dele) als negatieve waarderingsverschillen moeten worden opgenomen in de rekening voor nominale waarderingsverschillen.

Minerale reserves (AN.212)

7.41. Aangetoonde reserves van mineralen aan of onder de aardoppervlakte, die gegeven de huidige technologie en de geldende prijzen voor vervangende produkten economisch exploiteerbaar zijn, worden gewaardeerd tegen de contante waarde van de verwachte netto-opbrengsten van de commerciële exploitatie van deze activa.

Overige natuurlijke hulpbronnen (AN.213 en AN.214)

7.42. Omdat voor deze activa waarschijnlijk geen prijzen kunnen worden waargenomen, moeten zij worden gewaardeerd tegen de contante waarde van de verwachte toekomstige opbrengsten.

Immateriële niet-geproduceerde activa (AN.22)

7.43. Immateriële niet-geproduceerde activa (octrooien, lease- en andere overdraagbare contracten, aangekochte goodwill, enz.) dienen tegen de geldende prijzen te worden gewaardeerd wanneer zij werkelijk op de markt worden verhandeld. Anders moeten er ramingen worden gemaakt van de contante waarde van de verwachte toekomstige opbrengsten voor de eigenaars van dergelijke activa.

VORDERINGEN EN SCHULDEN (AF.)

7.44. In beginsel moeten vorderingen en schulden (financiële activa en passiva) tegen de geldende prijzen worden gewaardeerd. Er moet dezelfde waarde aan worden toegekend of zij nu als vorderingen of als schulden verschijnen. De prijzen omvatten geen vergoeding voor dienstverlening, honoraria, commissies en soortgelijke betalingen; deze worden geregistreerd als diensten verleend bij de uitvoering van de transacties.

Monetair goud en bijzondere trekkingsrechten (SDR's) (AF.1)

7.45. Monetair goud (AF.11) dient te worden gewaardeerd tegen de prijs die geldt op de georganiseerde goudmarkten.

De waarde van SDR's (AF.12) wordt dagelijks door het IMF bepaald. De koers in nationale valuta kan worden afgeleid van de prijzen op de valutamarkten.

Chartaal geld en deposito's (AF.2)

7.46. Chartaal geld (AF.21) wordt gewaardeerd tegen de nominale waarde.

De in de balans op te nemen waarde van deposito's (AF.22, AF.29) is het bedrag van de hoofdsom die de debiteuren krachtens de depositovoorwaarden contractueel verplicht zijn aan de crediteuren terug te betalen wanneer de deposito's per balansdatum zouden worden afgewikkeld. De waarden kunnen opgebouwde rente omvatten (zie punt 5.130).

Effecten m.u.v. aandelen (AF.3)

7.47. De gekozen waardering moet consistent zijn met de behandeling van de opgebouwde rente en de indeling ervan bij een bepaald activum (zie de punten 5.128, 5.130 en 5.138). Indien de opgebouwde rente in de financiële rekening behandeld wordt als een herbelegging in de desbetreffende effecten, dan moeten de effecten m.u.v. aandelen (exclusief financiële derivaten) (AF.33) in de balans worden gewaardeerd tegen de geldende marktprijzen, en wel zodanig dat hierin de waarde van de opgebouwde rente begrepen is. De totale geldende marktwaarde van deze effecten omvat twee afzonderlijke volumecomponenten: de hoofdsom en de opgebouwde rente. Het totale volume is dus inclusief de opgebouwde rente (d.w.z. het aantal uitgegeven effecten plus het volume van de opgebouwde rente, zie punt 6.52). De prijs die voor elk van deze volume-eenheden geldt, omvat niet de opgebouwde rente.

Indien de waarde van de opgebouwde rente in de financiële rekening is opgenomen onder F.79 (Transitorische posten), en niet onder F.33 (Effecten m.u.v. aandelen (exclusief financiële derivaten), dan moet de waarde van de opgebouwde rente in de balans ook onder AF.79 worden geregistreerd.

7.48. Kortlopende effecten m.u.v. aandelen (exclusief financiële derivaten) (AF.331) moeten tegen de geldende marktwaarde worden geregistreerd.

Indien geen marktwaarde beschikbaar is, moeten:

a) kortlopende effecten die a pari worden uitgegeven, worden gewaardeerd tegen de nominale waarde inclusief de opgebouwde niet-vervallen of niet-betaalde rente;

b) effecten met disagio worden gewaardeerd tegen de uitgifteprijs inclusief de opgebouwde rente.

Het gebruik van dergelijke benaderingen dient te worden beperkt tot effecten waarvan de oorspronkelijke looptijd maximaal drie maanden bedraagt.

7.49. Langlopende effecten m.u.v. aandelen (exclusief financiële derivaten) (AF.332) moeten altijd tegen de geldende marktwaarde worden gewaardeerd, of het nu gaat om obligaties waarop regelmatig rente wordt betaald, dan wel om "deep-discounted"- of "zero-coupon"-obligaties waarop weinig of geen rente wordt uitbetaald.

7.50. Financiële derivaten (AF.34) moeten in de balans worden opgenomen tegen de lopende marktwaarde. Wanneer voor een financieel derivaat geen marktprijs wordt genoteerd (b.v. bij "over-the-counter"- (OTC-)opties), moet deze worden gewaardeerd tegen het voor afkoop of compensatie van het contract vereiste bedrag of tegen het bedrag van de betaalde premie.

Volgens afspraak wordt de uitgever van een financieel derivaat geacht een dienovereenkomstige schuld te zijn aangegaan.

Leningen (AF.4)

7.51. De in de balans van de crediteur en de debiteur op te nemen waarde is het bedrag van de hoofdsom dat de debiteur contractueel verplicht is terug te betalen aan de crediteur, ook al werd de lening met een agio of een disagio afgesloten.

Aandelen en overige deelnemingen (AF.5)

7.52. Aandelen en overige deelnemingen moeten tegen de geldende koers worden gewaardeerd. Volgens afspraak geldt voor de actief- en de passiefzijde dezelfde koers, hoewel het bij aandelen en overige deelnemingen juridisch niet om een verplichting van de emittent gaat, maar om een eigendomsrecht op de waarde van de onderneming bij liquidatie, waarvan het bedrag niet bij voorbaat bekend is.

7.53. Beursgenoteerde aandelen (AF.511) moeten worden gewaardeerd tegen de representatieve koers die op de beurs of een andere georganiseerde financiële markt is waargenomen.

7.54. Omdat niet-beursgenoteerde aandelen (AF.512) niet regelmatig op een georganiseerde markt worden verhandeld, moet de waarde ervan worden geraamd aan de hand van de waarde van aandelen die wel aan de beurs staan genoteerd. Bij deze raming moet evenwel rekening worden gehouden met de verschillen tussen beide soorten aandelen, met name wat betreft de liquiditeit, terwijl ook de gedurende het bestaan van de vennootschap opgebouwde reserves en de branche van de betrokken vennootschap niet buiten beschouwing mogen blijven.

7.55. Welke ramingsmethode moet worden toegepast, hangt in grote mate af van de beschikbare basisstatistieken. Er kan bij voorbeeld rekening worden gehouden met gegevens over fusieactiviteiten waarbij niet-beursgenoteerde aandelen betrokken zijn. Verder is het wellicht zinvol om in gevallen waarin de reserves van vennootschappen die niet-beursgenoteerde aandelen uitgeven, gemiddeld en in verhouding tot hun nominale kapitaal afwijken van die van vennootschappen die beursgenoteerde aandelen uitgeven, de geldende koers van niet-beursgenoteerde aandelen te berekenen in verhouding tot cijfers die ook de reserves omvatten, zoals het vermogenssaldo dat op de balans van de onderneming voorkomt, of het eigen vermogen als berekend volgens de ESR-principes.

Lopende prijs van niet-beursgenoteerde aandelen =Lopende prijs van beursgenoteerde aandelen ×

>NUM>Eigen vermogen (niet-beursgenoteerde ondernemingen)

>DEN>Eigen vermogen (beursgenoteerde ondernemingen)

De verhouding tussen de lopende prijs en het eigen vermogen kan per branche verschillen. Het verdient dan ook aanbeveling de lopende prijs van niet-beursgenoteerde aandelen per branche te berekenen. Ook andere verschillen tussen wel en niet beursgenoteerde ondernemingen kunnen voor de ramingsmethode van belang zijn.

7.56. De overige deelnemingen (AF.513) zijn zeer vaak schulden van specifieke institutionele eenheden (quasi-vennootschappen, overheidsondernemingen, internationale organisaties, fictieve eenheden, enz.). Meestal moeten zij worden gewaardeerd volgens specifieke methoden, bij voorbeeld op grond van het eigen vermogen of de nominale waarde. De waardering op grond van het eigen vermogen moet met name steeds worden gebruikt voor quasi-vennootschappen, aangezien hun vermogenssaldo volgens afspraak nul is.

7.57. Participaties in beleggingsinstellingen (AF.52) moeten worden gewaardeerd tegen de beurskoers indien zij op de beurs genoteerd zijn, en tegen de geldende afkoopwaarde indien zij aan de instelling zelf kunnen worden terugverkocht.

Verzekeringstechnische voorzieningen (AF.6)

7.58. Wat de voorzieningen levensverzekering (AF.611) betreft, kan de contante waarde van de actuarieel bepaalde aanspraken van individuele personen op de uitbetaling van kapitaal of inkomen worden vastgesteld. Deze waarde omvat de verplichting van levensverzekeringsinstellingen voorzieningen te treffen voor uitstaande risico's en voor winstdeling die worden toegevoegd aan de waarde op der vervaldatum van winstdelende kapitaalverzekeringen of soortgelijke polissen. De voorzieningen van winstdelende verzekeringen bevatten waarderingsverschillen.

7.59. Bij de voorzieningen pensioenverzekering (AF.612) is de aard van de passiva van de fondsen - zijnde vorderingen van de huishoudens - afhankelijk van de aard van de pensioenregeling.

Pensioenregelingen op basis van vaste toezeggingen zijn regelingen waarbij de hoogte van de aan de deelnemende werknemers toegezegde pensioenuitkeringen gegarandeerd is. De verplichtingen zijn gelijk aan de contante waarde van de toegezegde uitkeringen. Aangezien de regeling tijdelijk over- of ondergefinancierd kan zijn, kan een pensioenregeling op basis van vaste toezeggingen een positief of negatief vermogenssaldo hebben.

Pensioenregelingen op basis van bijdragen zijn regelingen waarvan de uitkeringen rechtstreeks afhangen van de activa van het fonds. De verplichtingen die uit een dergelijke pensioenregeling voortvloeien, zijn gelijk aan de geldende marktwaarde van de activa van deze fondsen. Het vermogenssaldo van de fondsen is altijd nul.

7.60. De waarde van de vooruitbetaalde verzekeringspremies, die deel uitmaken van AF.62, wordt vastgesteld door voor de resterende duur van het contract de risico's af te zetten tegen de tijd. De voorzieningen voor openstaande aanspraken, die ook onder AF.62 vallen, zijn gelijk aan de contante waarde van de verwachte uit te betalen bedragen ter honorering van aanspraken, inclusief die welke worden betwist.

Handelskredieten en transitorische posten (AF.7)

7.61. Handelskredieten (AF.71) en transitorische posten (AF.79) moeten zowel voor de crediteur als voor de debiteur worden gewaardeerd tegen het bedrag dat de debiteur contractueel verplicht is op de vervaldatum te betalen aan de crediteur.

PRO-MEMORIE-POSTEN

7.62. Ten behoeve van meer specifieke analyses voor bepaalde sectoren moeten in de balans twee pro-memorie-posten worden opgenomen:

a) duurzame consumptiegoederen (AN.m);

b) directe buitenlandse investeringen (AF.m).

Duurzame consumptiegoederen (AN.m)

7.63. Duurzame consumptiegoederen zijn duurzame goederen die huishoudens gedurende meer dan een jaar regelmatig gebruiken voor consumptie. In de balans worden zij slechts opgenomen als pro-memorie-post. Registratie als bestanddeel van de balans zou zinvol zijn wanneer er in het systeem van werd uitgegaan dat de duurzame goederen geleidelijk worden verbruikt in een produktieproces dat diensten voortbrengt, maar dat is niet het geval.

7.64. De voorraden aan duurzame consumptiegoederen bij huishoudens - vervoermiddelen, machines en werktuigen - moeten worden gewaardeerd tegen de geldende prijzen, zowel in- als exclusief de geaccumuleerde lasten, die gelijk zijn aan het verbruik van vaste activa. Als pro-memorie-post moeten de cijfers exclusief deze geaccumuleerde lasten in de balans worden opgenomen.

7.65. Duurzame goederen die in het bezit zijn van eigenaars van ondernemingen zonder rechtspersoonlijkheid, kunnen deels door de onderneming worden gebruikt voor het produktieproces en deels door leden van het huishouden voor consumptie. De in de balans van de onderneming opgenomen waarden moeten betrekking hebben op het gedeelte van het gebruik dat aan de onderneming kan worden toegeschreven.

Directe buitenlandse investeringen (AF.m)

7.66. De directe investeringen bestaan uit vorderingen en niet uit fysiek kapitaal, aangezien de directe-investeringsonderneming een in een ander land ingezeten onderneming of quasi-vennootschap is. De vorderingen en schulden waaruit de directe investering bestaat, moeten naargelang de aard van de vorderingen worden opgenomen onder de categorieën aandelen en overige deelnemingen, leningen of handelskredieten en transitorische posten. De bedragen aan directe investeringen voor elk van deze categorieën moeten afzonderlijk als pro-memorie-post worden geregistreerd.

FINANCIËLE BALANSEN

7.67. De financiële balans (van een sector of van het buitenland) laat links de vorderingen en rechts de schulden zien. Het saldo van de financiële rekening geeft de nettovorderingen (BF.90) weer.

7.68. De financiële balans van een sector kan al dan niet geconsolideerd zijn. De niet-geconsolideerde financiële balans geeft alle vorderingen en schulden van de in de sector ingedeelde institutionele eenheden. In de geconsolideerde financiële balans worden daarentegen vorderingen en schulden waar corresponderende schulden respectievelijk vorderingen van in dezelfde sector ingedeelde institutionele eenheden tegenover staan, geëlimineerd. De rekening voor vorderingen en schulden van het buitenland, die de financiële balans van het buitenland is (zie hoofdstuk 8), wordt per definitie geconsolideerd.

7.69. De financiële balans naar sector van herkomst en bestemming (een sector of het buitenland) is een aanvulling op de financiële balans, waarin een uitsplitsing wordt gegeven van de vorderingen naar sector van de debiteur en van de schulden naar sector van de crediteur. Hiermee wordt informatie gegeven over de debiteuren/crediteurenverhoudingen tussen sectoren, in overeenstemming met de financiële rekening naar sector van herkomst en bestemming (zie punt 5.13).

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

Saldi

B.10.1 Mutaties in het vermogenssaldo a.g.v. besparingen en kapitaaloverdrachten

B.10.2 Mutaties in het vermogenssaldo a.g.v. overige volumemutaties in activa

B.10.31 Mutaties in het vermogenssaldo a.g.v. neutrale waarderingsverschillen

B.10.32 Mutaties in het vermogenssaldo a.g.v. reële waarderingsverschillen

B.90 Vermogenssaldo

Financiële transacties

F. Transacties in vorderingen en schulden

F.1 Monetair goud en bijzondere trekkingsrechten (SDR's)

F.2 Chartaal geld en deposito's

F.3 Effecten m.u.v. aandelen

F.4 Leningen

F.5 Aandelen en overige deelnemingen

F.6 Verzekeringstechnische voorzieningen

F.7 Handelskredieten en transitorische posten

Transacties in produkten

P.5 Investeringen (bruto)

P.51 Investeringen in vaste activa (bruto)

P.511 Saldo aan- en verkopen van materiële vaste activa

P.512 Saldo aan- en verkopen van immateriële vaste activa

P.513 Toevoegingen aan de waarde van niet-geproduceerde niet-financiële activa

P.52 Veranderingen in voorraden

P.53 Saldo aan- en verkopen van kostbaarheden

Overige transacties en overige mutaties in activa

K.1 Verbruik van vaste activa

K.2 Saldo aan- en verkopen van niet-geproduceerde niet-financiële activa

K.21 Saldo aan- en verkopen van grond en overige materiële niet-geproduceerde activa

K.22 Saldo aan- en verkopen van immateriële niet-geproduceerde activa

K.3 Economisch ontstaan van niet-geproduceerde activa

K.4 Economisch ontstaan van geproduceerde activa

K.5 Natuurlijke aanwas van niet in cultuur gebrachte biologische hulpbronnen

K.61 Uitputting van natuurlijke hulpbronnen

K.62 Overig economisch verlies van niet-geproduceerde activa

K.7 Verlies door rampen

K.8 Niet-gecompenseerde confiscaties

K.9 Overige volumemutaties in niet-financiële activa, n.e.g.

K.10 Overige volumemutaties in vorderingen en schulden, n.e.g.

K.11 Nominale waarderingsverschillen

K.11.1 Neutrale waarderingsverschillen

K.11.2 Reële waarderingsverschillen

K.12 Wijzigingen in classificaties en structuur

K.12.1 Wijzigingen in sectorclassificatie en structuur

K.12.21 Monetisatie/demonetisatie van goud

K.12.22 Overige wijzigingen in de classificatie van activa en passiva

HOOFDSTUK 8

REKENINGEN EN SALDI

8.01. Het ESR registreert stromen en standen in een geordend rekeningenstelsel dat de economische kringloop beschrijft vanaf de inkomensvorming, via de verdeling en herverdeling ervan tot en met de accumulatie in de vorm van activa.

8.02. Iedere rekening toont transacties die met elkaar in evenwicht zijn, hetzij vanwege de gehanteerde definities, hetzij omdat een betekenisvol saldo wordt overgebracht naar de volgende rekening.

8.03. De gestructureerde registratie van transacties op basis van een logische analyse van de economische werkelijkheid levert de noodzakelijke aggregaten voor de bestudering van een bedrijfstak, een institutionele sector of subsector of de totale economie. De rekeningen zijn zodanig ingedeeld dat de meest relevante economische informatie wordt geboden.

8.04. Er zijn drie categorieën rekeningen:

a) lopende rekeningen;

b) accumulatierekeningen;

c) balansen.

Lopende rekeningen betreffen de inkomensvorming, -verdeling en -herverdeling, en de besteding van het inkomen in de vorm van consumptie. Ten slotte kunnen met behulp van deze rekeningen de besparingen worden berekend als een wezenlijke factor in het kader van de accumulatie.

In de accumulatierekeningen worden de verschillende bestanddelen van mutaties in activa en passiva van de diverse eenheden geanalyseerd en kunnen mutaties in het vermogenssaldo (het verschil tussen activa en passiva) worden vastgesteld.

Balansen tonen het totaal aan activa en passiva van de verschillende eenheden aan het begin en het eind van de verslagperiode, te zamen met het vermogenssaldo. De stromen van iedere actief- en passiefpost in de accumulatierekeningen komen weer terug in de rekening voor balansmutaties.

8.05. Het rekeningenstelsel is geheel of gedeeltelijk van toepassing op institutionele eenheden, institutionele sectoren en subsectoren, bedrijfstakken en de totale economie.

8.06. De saldi worden zowel bruto als netto vastgesteld: bruto, indien berekend vóór aftrek van het verbruik van vaste activa en netto, na aftrek hiervan. Bij de inkomenssaldi is een nettoregistratie relevanter.

8.07. De rekeningen worden op diverse manieren gepresenteerd:

a) in de vorm van een integraal rekeningenstelsel, waarbij de rekeningen van alle institutionele sectoren, de totale economie en het buitenland in een enkele tabel worden weergegeven;

b) in de vorm van een rekeningenstelsel met meer gedetailleerde informatie. De tabellen voor iedere rekening worden in dit hoofdstuk onder "Rekeningenstelsel" gegeven;

c) in de vorm van matrices, waarbij iedere rekening wordt weergegeven als een combinatie van een regel en een kolom.

8.08. Beknopt overzicht van de rekeningen, saldi en belangrijkste aggregaten:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

REKENINGENSTELSEL

8.09. Het rekeningenstelsel bestaat uit drie hoofdcategorieën:

a) lopende rekeningen:

1. produktierekening (I),

2. inkomensverdelings- en inkomensbestedingsrekeningen (II);

b) accumulatierekeningen (III);

c) balansen (IV).

LOPENDE REKENINGEN

Produktierekening (I) (84)

8.10. De produktierekening (I) toont de transacties met betrekking tot het produktieproces. Zij wordt opgesteld voor institutionele sectoren en bedrijfstakken. Tot de middelen behoort de output en tot de bestedingen het intermediair verbruik.

8.11. De produktierekening kan worden gebruikt voor het verkrijgen van een van de belangrijkste saldi in het stelsel - de toegevoegde waarde, ofwel de waarde die wordt gegenereerd door een producerende eenheid - alsmede van een essentieel aggregaat: het bruto binnenlands produkt. De toegevoegde waarde is economisch relevant voor zowel de institutionele sectoren als de bedrijfstakken.

8.12. Evenals de saldi van de volgende rekeningen kan de toegevoegde waarde (het saldo van deze rekening) worden berekend voor of na verbruik van vaste activa, d.w.z. bruto of netto. Aangezien de output wordt gewaardeerd tegen basisprijzen en het intermediair verbruik tegen aankoopprijzen, omvat de toegevoegde waarde niet het saldo van produktgebonden belastingen en subsidies.

8.13. Op het niveau van de totale economie omvat de produktierekening aan de middelenzijde, behalve de output van goederen en diensten, ook het saldo van produktgebonden belastingen en subsidies. Het saldo van deze rekening is het bruto binnenlands produkt tegen marktprijzen.

8.14. Aangezien de indirect gemeten diensten van financiële intermediairs (IGDFI) niet over gebruikers worden verdeeld, wordt de volledige waarde van de output hiervan geregistreerd als intermediair verbruik van een nominale sector die geen output voortbrengt en een negatieve toegevoegde waarde heeft; deze toegevoegde waarde is in omvang gelijk aan het intermediair verbruik, maar met een tegengesteld teken. Op deze wijze wordt het totaal van de toegevoegde waarde van alle sectoren en bedrijfstakken samen met dit bedrag verminderd. Om de presentatie van de rekeningen te vereenvoudigen, is het mogelijk om in plaats van een extra kolom voor de nominale sector het desbetreffende bedrag op te nemen in de kolom "totale economie".

Inkomensverdeling- en inkomensbestedingsrekeningen (II)

8.15. De verdeling en besteding van het inkomen wordt in vier fasen geanalyseerd: de primaire, secundaire en tertiaire inkomensverdeling, en de inkomensbesteding.

De eerste fase betreft de inkomensvorming als rechtstreeks gevolg van het produktieproces, en de verdeling ervan over de produktiefactoren (arbeid, kapitaal) en de overheid (via belastingen op produktie en invoer, en via subsidies). Hiermee kunnen het exploitatieoverschot (of het gemengd inkomen in geval van huishoudens) en het primaire inkomen worden vastgesteld.

De tweede fase heeft betrekking op de herverdeling van inkomen via overdrachten, met uitzondering van sociale overdrachten in natura. Op grond hiervan wordt het beschikbaar inkomen verkregen.

De derde fase beschrijft de herverdeling via sociale overdrachten in natura, op grond waarvan het alternatief beschikbaar inkomen wordt verkregen.

In de vierde fase wordt beschreven in hoeverre het inkomen wordt geconsumeerd, zodat de besparingen vastgesteld kunnen worden.

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

Primaire inkomensverdelingsrekeningen (II.1)

Inkomensvormingsrekening (II.1.1)

De lay-out van de inkomensvormingsrekening per institutionele sector blijkt uit tabel 8.3.

8.16. In de kolommen van de aanbod- en gebruikstabellen wordt de inkomensvormingsrekening ook per bedrijfstak weergegeven.

8.17. De inkomensvormingsrekening geeft aan welke sectoren, subsectoren en bedrijfstakken de bron (niet de bestemming) zijn van het primaire inkomen.

8.18. Deze rekening geeft een analyse van de mate waarin de toegevoegde waarde de beloning van werknemers en het saldo van de niet-produktgebonden belastingen en subsidies dekt. Zij meet het exploitatieoverschot als het overschot (of tekort) van de produktieactiviteiten voordat rekening is gehouden met rente, inkomen uit grond en minerale reserves of kosten c.q. opbrengsten die de produktie-eenheid:

a) moet betalen voor vorderingen of materiële niet-geproduceerde activa die zij heeft geleend of gehuurd;

b) moet ontvangen voor vorderingen of materiële niet-geproduceerde activa waarvan zij eigenaar is.

Het exploitatieoverschot komt overeen met het inkomen dat de eenheden ontvangen door hun produktiefaciliteiten zelf te gebruiken. Het is het laatste saldo dat kan worden berekend voor zowel de bedrijfstakken als de institutionele sectoren en subsectoren.

8.19. Voor ondernemingen zonder rechtspersoonlijkheid in de sector huishoudens omvat het saldo van de inkomensvormingsrekening impliciet een element dat overeenkomt met de beloning voor door de eigenaar of leden van zijn gezin verricht werk, dat niet kan worden onderscheiden van de winst die hij als ondernemer maakt. Daarom wordt dit "gemengd inkomen" genoemd.

8.20. Bij het produceren van woondiensten voor eigen gebruik door huishoudens met een eigen woning, is het saldo van de inkomensvormingsrekening een exploitatieoverschot.

Rekening voor bestemming van primaire inkomens (II.1.2)

8.21. Anders dan in de inkomensvormingsrekening worden de ingezeten eenheden en institutionele sectoren in de rekening voor bestemming van primaire inkomens als ontvangers en niet als producenten van primair inkomen beschouwd.

8.22. "Primair inkomen" is het inkomen dat ingezeten eenheden ontvangen voor hun directe deelname aan het produktieproces, alsmede het inkomen dat de eigenaar van een vordering of een materieel niet-geproduceerd activum ontvangt voor het verstrekken van middelen, dan wel voor het ter beschikking stellen van het materiële niet-geproduceerde activum aan een andere institutionele eenheid.

8.23. De rekening voor bestemming van primaire inkomens (II.1.2) kan alleen voor institutionele sectoren en subsectoren worden opgesteld, omdat het voor bedrijfstakken onmogelijk is bepaalde stromen in verband met de financiering (het verstrekken en aantrekken van vreemd vermogen) en de activa te splitsen.

8.24. Aangezien de indirect gemeten diensten van financiële intermediairs (IGDFI) niet over de gebruikers worden verdeeld, worden de werkelijk betaalde en de werkelijk ontvangen rente geregistreerd. Bij de middelen wordt een negatieve correctiepost opgenomen bij de sector financiële instellingen en een positieve correctiepost bij de nominale sector. Om de presentatie van de rekeningen te vereenvoudigen, is het mogelijk om in plaats van een extra kolom voor de nominale sector het desbetreffende bedrag op te nemen in de kolom "totale economie".

8.25. De rekening voor bestemming van primaire inkomens wordt onderverdeeld in een rekening voor inkomen uit bedrijfsuitoefening (II.1.2.1) en een rekening voor bestemming van overige primaire inkomens (II.1.2.2).

Rekening voor inkomen uit bedrijfsuitoefening (II.1.2.1)

8.26. Het doel van de rekening voor inkomen uit bedrijfsuitoefening is het vaststellen van een saldo dat overeenkomt met het begrip winst vóór winstuitkering en vóór aftrek van belastingen op inkomen, zoals gebruikelijk is in de bedrijfsadministratie.

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

8.27. Voor de overheid en de IZW's ten behoeve van huishoudens worden in deze rekening enkel de transacties die samenhangen met hun marktactiviteiten opgenomen.

8.28. Het inkomen uit bedrijfsuitoefening is gelijk aan het exploitatieoverschot of het gemengd inkomen (aan de middelenzijde):

plus ontvangen inkomen uit vermogen in verband met financiële en andere activa die de onderneming toebehoren (aan de middelenzijde);

minus betaalde rente op schulden van de onderneming en door de onderneming betaald inkomen uit grond en andere materiële niet-geproduceerde activa die door de onderneming zijn gehuurd of geleasd (aan de bestedingenzijde).

Inkomen uit vermogen dat in de vorm van dividenden of ingehouden winsten op directe buitenlandse investeringen wordt betaald, wordt niet van het inkomen uit bedrijfsuitoefening afgetrokken.

Rekening voor bestemming van overige primaire inkomens (II.1.2.2)

8.29. Het doel van de rekening voor bestemming van overige primaire inkomens is terug te keren van het begrip inkomen uit bedrijfsuitoefening naar dat van primair inkomen. Deze rekening omvat derhalve de bestanddelen van het primaire inkomen die niet in de rekening voor inkomen uit bedrijfsuitoefening zijn opgenomen:

a) in geval van ondernemingen: uitgekeerde dividenden en ingehouden winsten op directe buitenlandse investeringen (aan de bestedingenzijde);

b) in geval van huishoudens:

(1) betaald inkomen uit vermogen, met uitzondering van rente en inkomen uit grond en minerale reserves in verband met de bedrijfsuitoefening (aan de bestedingenzijde),

(2) beloning van werknemers (aan de middelenzijde),

(3) ontvangen inkomen uit vermogen, met uitzondering van inkomen in verband met de bedrijfsuitoefening (aan de middelenzijde);

c) in geval van overheid:

(1) betaald inkomen uit vermogen, met uitzondering van inkomen in verband met marktactiviteiten (aan de bestedingenzijde);

(2) belastingen op produktie en invoer minus subsidies (aan de middelenzijde),

(3) ontvangen inkomen uit vermogen met uitzondering van inkomen in verband met marktactiviteiten (aan de middelenzijde).

Secundaire inkomensverdelingsrekening (II.2)

8.30. De secundaire inkomensverdelingsrekening laat zien hoe het saldo van het primaire inkomen van een institutionele sector wordt herverdeeld door belastingen op inkomen, vermogen, enz., sociale premies en uitkeringen (exclusief sociale overdrachten in natura) en overige inkomensoverdrachten.

8.31. Het saldo van deze rekening is het beschikbaar inkomen, dat de lopende transacties weergeeft; kapitaaloverdrachten, reële waarderingsverschillen en de gevolgen van gebeurtenissen als natuurrampen zijn niet inbegrepen.

8.32. De sociale premies worden geregistreerd (85) als bestedingen in de secundaire inkomensverdelingsrekening van de huishoudens en als middelen in de secundaire inkomensverdelingsrekening van de institutionele sectoren die verantwoordelijk zijn voor het beheer van de sociale verzekering. Indien deze premies door de werkgevers voor hun werknemers worden betaald, worden zij als bestedingen in de inkomensvormingsrekening van de werkgever opgenomen onder de rubriek beloning van werknemers, aangezien zij deel uitmaken van de loonkosten; zij worden daarnaast ook geregistreerd als middelen in de rekening voor bestemming van primaire inkomens van de huishoudens onder de rubriek beloning van werknemers, aangezien het baten voor huishoudens betreft.

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

Tertiaire inkomensverdelingsrekening (II.3)

8.33. De tertiaire inkomensverdelingsrekening geeft een breder beeld van het inkomen van de huishoudens, omdat hierin de stromen zijn opgenomen die overeenkomen met de besteding van individuele goederen en diensten die de huishoudens gratis ontvangen, d.w.z. sociale uitkeringen in natura en overdrachten van individuele niet-marktprodukten; beide stromen vallen onder het begrip sociale overdrachten in natura. De tertiaire inkomensverdelingsrekening vergemakkelijkt vergelijkingen in de tijd indien er sprake is van verschillen of wijzigingen in de economische en sociale omstandigheden. Tevens vormt zij een aanvulling op de analyse van de rol van de overheid bij de inkomensverdeling.

8.34. Sociale overdrachten in natura worden geregistreerd aan de middelenzijde van de tertiaire inkomensverdelingsrekening van de huishoudens en aan de bestedingenzijde bij de overheid en de IZW's ten behoeve van huishoudens.

8.35. Het saldo van de tertiaire inkomensverdelingsrekening is het alternatief beschikbaar inkomen.

Inkomensbestedingsrekening (II.4).

8.36. Voor institutionele sectoren waar consumptie plaatsvindt, laat de inkomensbestedingsrekening zien hoe het beschikbaar inkomen (of het alternatief beschikbaar inkomen) wordt verdeeld in consumptieve bestedingen (of werkelijke consumptie) en besparingen.

8.37. In het systeem is alleen bij de overheid, de IZW's ten behoeve van huishoudens en de huishoudens sprake van consumptie. De inkomensbestedingsrekening voor huishoudens en pensioenfondsen bevat verder een correctiepost (D8 - Correctie voor mutaties in voorzieningen pensioenverzekering) die betrekking heeft op de wijze van registratie van transacties tussen huishoudens en pensioenfondsen (86).

Rekening voor de besteding van het beschikbaar inkomen (II.4.1)

8.38. De rekening voor de besteding van het beschikbaar inkomen omvat het begrip consumptieve bestedingen door de betrokken sectoren: huishoudens, overheid en IZW's ten behoeve van huishoudens.

8.39. Het saldo van de rekening voor de besteding van het beschikbaar inkomen wordt gevormd door de besparingen.

Rekening voor de besteding van het alternatief beschikbaar inkomen (II.4.2)

8.40. In de rekening voor de besteding van het alternatief beschikbaar inkomen is het begrip werkelijke consumptie opgenomen, dat overeenkomt met de waarde van de goederen en diensten die werkelijk voor consumptie ter beschikking staan van huishoudens, ook al wordt de aankoop ervan betaald door de overheid of IZW's ten behoeve van huishoudens.

De werkelijke consumptie van de overheid betreft dan ook uitsluitend collectieve consumptie. Aangezien de consumptieve bestedingen van IZW's ten behoeve van huishoudens als zuiver individueel worden beschouwd, is hun werkelijke consumptie gelijk aan nul.

8.41. Voor de totale economie zijn de consumptieve bestedingen en de werkelijke consumptie in waarde gelijk; de verdeling over de institutionele sectoren is echter verschillend. Hetzelfde geldt voor het beschikbaar inkomen en het alternatief beschikbaar inkomen.

8.42. Besparingen vormen het saldo van beide inkomensbestedingsrekeningen. De waarde ervan is voor alle sectoren identiek, ongeacht of deze wordt verkregen door van het beschikbaar inkomen de consumptieve bestedingen af te trekken, dan wel door van het alternatief beschikbaar inkomen de werkelijke consumptie af te trekken.

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

8.43. Besparingen zijn de (positieve of negatieve) bedragen die resulteren uit lopende transacties en die de verbinding vormen met de accumulatie. Bij positieve besparingen wordt het niet-bestede inkomen gebruikt voor de aankoop van activa of voor de afbetaling van schulden. Indien de besparingen negatief zijn, worden bepaalde activa geliquideerd of nemen bepaalde schulden toe.

ACCUMULATIEREKENINGEN (III) (87)

8.44. Accumulatierekeningen zijn stroomrekeningen. Zij registreren de oorzaken van mutaties in de activa en passiva van eenheden, alsmede de veranderingen in hun vermogenssaldo.

8.45. Mutaties in activa worden aan de linkerzijde van de rekeningen geregistreerd (positief en negatief), mutaties in passiva en het vermogenssaldo aan de rechterzijde (positief en negatief).

Kapitaalrekening (III.1)

8.46. De kapitaalrekening registreert het saldo van aan- en verkopen van niet-financiële activa door ingezeten eenheden en meet de mutatie in het vermogenssaldo als gevolg van besparingen (eindsaldo van de lopende rekening) en kapitaaloverdrachten.

8.47. Met behulp van de kapitaalrekening kan worden bepaald in welke mate het saldo aan- en verkopen van niet-financiële activa is gefinancierd met besparingen en kapitaaloverdrachten. Een vorderingenoverschot, het saldo van de kapitaalrekening, komt overeen met het bedrag waarover een eenheid of sector kan beschikken voor de al dan niet rechtstreekse financiering van andere eenheden of sectoren; een vorderingentekort komt overeen met het bedrag dat een eenheid of sector van andere eenheden of sectoren moet lenen.

Rekening voor mutaties in het vermogenssaldo als gevolg van besparingen en kapitaaloverdrachten (III.1.1)

8.48. Met behulp van deze rekening kan de mutatie in het vermogenssaldo a.g.v. besparingen en kapitaaloverdrachten worden vastgesteld; dit saldo komt overeen met de nettobesparingen plus het saldo van de ontvangen en de betaalde kapitaaloverdrachten.

Kapitaalvormingsrekening (III.1.2)

8.49. Deze rekening registreert het saldo van aan- en verkopen van niet-financiële activa teneinde van het begrip mutaties in het vermogenssaldo a.g.v. besparingen en kapitaaloverdrachten tot het vorderingenoverschot of -tekort te komen.

Financiële rekening (III.2)

8.50. In de financiële rekening worden per soort financieel instrument de mutaties in de vorderingen en schulden geregistreerd die te zamen de bestanddelen vormen van het vorderingenoverschot of -tekort.

8.51. De in de financiële rekening gehanteerde indeling van activa en passiva is gelijk aan die in de balansen.

Rekening voor overige mutaties in activa (III.3)

8.52. De rekening voor overige mutaties in activa registreert mutaties in de activa en passiva van eenheden, die niet in verband staan met besparingen of vrijwillige vermogensoverdrachten; deze worden immers geregistreerd in de kapitaalrekening en in de financiële rekening. De rekening bestaat uit twee delen: de rekening voor overige volumemutaties in activa (III.3.1) en de rekening voor nominale waarderingsverschillen (III.3.2).

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

Rekening voor overige volumenmutaties in activa (III.3.1)

8.53. De mutaties die worden geregistreerd in de rekening voor overige volumemutaties in activa, beïnvloeden het vermogenssaldo van de balans van de betrokken eenheden, sectoren en subsectoren. De "mutaties in het vermogenssaldo a.g.v. overige volumemutaties in activa" vormen het saldo van deze rekening.

Rekening voor nominale waarderingsverschillen (III.3.2)

8.54. In de rekening voor nominale waarderingsverschillen worden de veranderingen in de waarde van activa en passiva geregistreerd die zijn toe te schrijven aan veranderingen in de prijzen.

Voor een bepaald activum of passivum wordt zo'n verandering gemeten als:

a) het verschil tussen de waarde aan het einde en die aan het begin van de verslagperiode of bij de eerste registratie in de balans,

b) of het verschil tussen de waarde op het moment van verdwijning uit de balans en de waarde aan het begin van de verslagperiode of bij de eerste registratie in de balans.

Dit verschil wordt "nominaal waarderingsverschil" genoemd.

Een positief nominaal waarderingsverschil betreft een waardestijging van een activum of een waardedaling van een (financieel) passivum.

Een negatief nominaal waarderingsverschil betreft een waardedaling van een activum of een waardestijging van een (financieel) passivum.

8.55. De stromen in de rekening voor nominale waarderingsverschillen beïnvloeden het vermogenssaldo van de balans van de betrokken eenheden. Deze "mutaties in het vermogenssaldo a.g.v. nominale waarderingsverschillen" vormen het saldo van de rekening voor nominale waarderingsverschillen. Het wordt geregistreerd aan de passiefzijde.

8.56. De rekening voor nominale waarderingsverschillen is onderverdeeld in twee subrekeningen: de rekening voor neutrale waarderingsverschillen (III.3.2.1) en de rekening voor reële waarderingsverschillen (III.3.2.2.)

Rekening voor neutrale waarderingsverschillen (III.3.2.1)

8.57. De rekening voor neutrale waarderingsverschillen registreert veranderingen in de waarde van activa en passiva naar rato van de wijzigingen in het algemene prijspeil. Dergelijke veranderingen komen overeen met de herwaardering die nodig is om het algemene koopkrachtniveau van activa en passiva te handhaven. Het algemene prijsindexcijfer dat voor deze berekening moet worden toegepast, is het prijsindexcijfer voor de nationale finale bestedingen met uitzondering van de veranderingen in voorraden.

Rekening voor reële waarderingsverschillen (III.3.2.2)

8.58. De rekening voor reële waarderingsverschillen registreert het verschil tussen de nominale en de neutrale waarderingsverschillen.

8.59. Als voor een bepaald activum het saldo van de nominale waarderingsverschillen groter is dan dat van de neutrale waarderingsverschillen, is er voor de betreffende eenheid sprake van een positief reël waarderingsverschil op dit item. Hierin komt tot uiting dat de werkelijke prijs van het activum gemiddeld sneller is gestegen dan het algemene prijspeil. Omgekeerd betekent een daling van de relatieve prijs van een activum een negatief reëel waarderingsverschil voor die eenheid.

Evenzo zorgt een stijging van de relatieve prijs van een passivum voor een negatief reëel waarderingsverschil, terwijl een daling van de relatieve prijs van een passivum een positief reëel waarderingsverschil tot gevolg heeft.

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

BALANSEN (IV) (88)

8.60. De balans geeft een beeld van de waarde van de activa, de passiva en het vermogenssaldo van eenheden aan het begin en het eind van de verslagperiode, alsmede van de mutaties daarin. Onderscheiden worden:

a) de beginbalans (IV.1);

b) de balansmutaties (IV.2);

c) de eindbalans (IV.3).

Beginbalans (IV.1)

8.61. De beginbalans registreert de waarde van de activa en passiva van eenheden aan het begin van de verslagperiode.

Deze items worden geordend volgens de classificatie van activa en passiva.

Zij worden gewaardeerd tegen de prijzen aan het begin van de verslagperiode.

Het verschil tussen de activa en passiva - het saldo van deze rekening - is het vermogenssaldo aan het begin van de verslagperiode.

Balansmutaties (IV.2)

8.62. De rekening voor balansmutaties registreert de veranderingen in de waarde van de activa en passiva gedurende de verslagperiode, die worden verkregen door aggregatie van de bedragen uit de onderscheiden accumulatierekeningen: de rekening voor mutaties in het vermogenssaldo a.g.v. besparingen en kapitaaloverdrachten, de rekening voor overige volumemutaties in activa en de rekening voor nominale waarderingsverschillen.

Eindbalans (IV.3)

8.63. De eindbalans registreert de waarde van activa en passiva van eenheden aan het einde van de verslagperiode. De items worden op dezelfde wijze geordend als in de beginbalans en gewaardeerd tegen de prijzen aan het einde van de verslagperiode.

Het verschil tussen de activa en passiva is het vermogenssaldo aan het eind van de verslagperiode.

8.64. De waarde van een activum of passivum in de eindbalans is gelijk aan de som van de waarde in de beginbalans plus de bedragen die zijn geregistreerd in de rekening voor balansmutaties.

REKENINGEN VOOR TRANSACTIES VAN HET BUITENLAND (V)

8.65. In de rekeningen voor transacties van het buitenland worden transacties tussen ingezeten en niet-ingezeten eenheden geregistreerd. Het buitenland vormt als zodanig geen institutionele sector, maar speelt in de structuur van het systeem een soortgelijke rol.

8.66. Het rekeningenstelsel van het buitenland volgt hetzelfde algemene patroon als het rekeningenstelsel van de institutionele sectoren, namelijk:

a) lopende rekeningen;

b) accumulatierekeningen;

c) balansen.

8.67. De rekeningen worden opgesteld vanuit het oogpunt van het buitenland: middelen voor het buitenland zijn bestedingen voor de totale economie en omgekeerd. Evenzo is een vordering voor het buitenland een schuld voor de totale economie en omgekeerd (m.u.v. monetair goud en bijzondere trekkingsrechten (SDR's)).

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

LOPENDE REKENINGEN

Rekening voor goederen- en dienstentransacties van het buitenland (V.I)

8.68. De invoer van goederen en diensten wordt aan de middelenzijde van de rekening geregistreerd en de uitvoer aan de bestedingenzijde. Het verschil tussen middelen en bestedingen is het saldo van de rekening en wordt "saldo goederen- en dienstentransacties van het buitenland" genoemd. Bij een positief saldo is er sprake van een overschot voor het buitenland en van een tekort voor de totale economie. Het omgekeerde geldt in geval van een negatief saldo.

8.69. Om de invoer op dezelfde wijze te meten als de output van ingezeten eenheden, wordt de invoer gewaardeerd tegen een equivalent van de basisprijs, namelijk exclusief het saldo van belastingen en subsidies op invoer.

De invoer van goederen die in de rekening voor goederen- en dienstentransacties van het buitenland wordt geregistreerd, wordt op fob-basis gewaardeerd, d.w.z. aan de grens van het land van uitvoer. Ook de uitvoer van goederen wordt fob gewaardeerd.

Indien de transport- en verzekeringsdiensten, die in de fob-prijs van ingevoerde goederen zijn begrepen (d.w.z. voor het traject tussen de fabriek en de grens van het land van uitvoer), door ingezeten eenheden worden verleend, moeten deze tevens worden geregistreerd als uitvoer van diensten door het land dat de goederen invoert. Wanneer omgekeerd de transport- en verzekeringsdiensten, die in de fob-prijs van uitgevoerde goederen zijn begrepen, door niet-ingezeten eenheden worden verleend, moeten ze tevens worden geregistreerd als invoer van diensten door het land dat de goederen uitvoert.

Rekening voor inkomenstransacties van het buitenland (V.II)

8.70. Doel van de rekening voor inkomenstransacties van het buitenland is het vaststellen van het saldo lopende transacties van het buitenland, dat in de structuur van het systeem vergelijkbaar is met de besparingen van de institutionele sectoren. Deze rekening is een ingekorte versie van het rekeningenstelsel voor een institutionele sector, vanaf de rekening voor bestemming van primaire inkomens tot en met de inkomensbestedingsrekening.

8.71. Aan de middelenzijde staat op de rekening voor inkomenstransacties van het buitenland het saldo goederen- en dienstentransacties van het buitenland. Het registreert eveneens, aan de middelen- of de bestedingenzijde, alle verdelingstransacties waarbij het buitenland betrokken is, met uitzondering van kapitaaloverdrachten.

REKENING VOOR ACCUMULATIETRANSACTIES VAN HET BUITENLAND (V.III)

Rekening voor kapitaaltransacties van het buitenland (V.III.1)

8.72. De rekening voor kapitaaltransacties van het buitenland registreert het saldo aan- en verkopen van niet-geproduceerde niet-financiële activa door niet-ingezeten eenheden en de mutaties in het vermogenssaldo a.g.v. besparingen en kapitaaloverdrachten.

8.73. Het saldo van de rekening voor kapitaaltransacties van het buitenland is het vorderingenoverschot of -tekort van het buitenland. Het is gelijk, maar met tegengesteld teken, aan het totale vorderingenoverschot of -tekort van de institutionele sectoren.

Rekening voor financiële transacties van het buitenland (V.III.2)

8.74. De lay-out van de rekening voor financiële transacties van het buitenland is identiek aan die van de financiële rekening van de institutionele sectoren.

Rekening voor overige mutaties in activa van het buitenland (V.III.3)

8.75. Evenals voor de institutionele sectoren worden achtereenvolgens de mutaties in het vermogenssaldo a.g.v. de overige volumemutaties in de activa en van nominale waarderingsverschillen bepaald, waarbij laatstgenoemd saldo wordt gesplitst in een deel veroorzaakt door neutrale en een deel veroorzaakt door reële waarderingsverschillen.

8.76. Het ontbreken van geproduceerde activa in de accumulatierekeningen en balansen van het buitenland is het gevolg van de afspraak dat er een fictieve institutionele eenheid wordt gecreëerd waarbij het buitenland geacht wordt een vordering te hebben verworven. Hetzelfde geldt voor activa in andere economieën die in handen zijn van ingezeten eenheden.

BALANSEN VAN HET BUITENLAND (V.IV)

8.77. De balansen van het buitenland bevatten vorderingen en schulden. Aan de actiefzijde wordt het saldo van de aan- en verkopen van monetair goud en bijzondere trekkingsrechten (SDR's) geregistreerd, die tussen niet-ingezeten en ingezeten eenheden plaatsvinden.

Tabel 8.16 - Complete rekeningenreeks voor het buitenland (rekening voor transacties van het buitenland)

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

GOEDEREN- EN DIENSTENREKENING (0)

8.78. Het doel van de goederen- en dienstenrekening is, per produktgroep en voor de totale economie, te laten zien op welke wijze de beschikbare produkten worden gebruikt.

8.79. Deze rekening toont derhalve, per produktgroep en voor de totale economie, de middelen (output en invoer) en de bestedingen van goederen en diensten (intermediair verbruik, consumptie, bruto-investeringen in vaste activa, veranderingen in voorraden, saldo aan- en verkopen van kostbaarheden, uitvoer).

8.80. Aangezien de output wordt gewaardeerd tegen basisprijzen en de bestedingen tegen aankoopprijzen, moet het saldo van produktgebonden belastingen en subsidies aan de middelenzijde worden opgenomen.

8.81. Bestedingen worden geregistreerd aan de rechterzijde van de goederen- en dienstenrekening en middelen aan de linkerzijde, d.w.z. tegengesteld aan de registratie in de lopende rekeningen voor de institutionele sectoren: produktstromen zijn immers de tegenhangers van geldstromen.

8.82. De goederen- en dienstenrekening is per definitie in evenwicht en kent derhalve geen saldo.

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

INTEGRAAL REKENINGENSTELSEL

8.83. Het integraal rekeningenstelsel geeft een beknopt overzicht van de rekeningen van een economie: lopende rekeningen, accumulatierekeningen en balansen.

In één tabel worden de rekeningen van alle institutionele sectoren, de totale economie en het buitenland gegroepeerd, en alle stromen en alle activa en passiva met elkaar in evenwicht gebracht. Bovendien kunnen hieruit rechtstreeks de aggregaten worden afgelezen.

8.84. In de tabel van het integraal rekeningenstelsel worden de bestedingen, activa en mutaties in activa aan de linkerzijde geregistreerd en de middelen, passiva, mutaties in passiva en het vermogenssaldo aan de rechterzijde.

8.85. Teneinde de tabel overzichtelijk te houden en toch een goed beeld van het hele economische proces te geven, is een niveau van aggregatie gehanteerd waarbij nog inzicht in de structuur van het systeem wordt gegeven.

8.86. In de kolommen van de tabel staan de institutionele sectoren: niet-financiële vennootschappen, financiële instellingen, overheid, instellingen zonder winstoogmerk ten behoeve van huishoudens en huishoudens. Bovendien is er een kolom voor de totale economie, een voor het buitenland en een die zorgt voor het evenwicht tussen middelen en bestedingen van goederen en diensten.

8.87. De rijen in de tabel hebben betrekking op de diverse soorten transacties, activa en passiva, saldi en bepaalde aggregaten.

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

AGGREGATEN

8.88. Aggregaten zijn samenvattende indicatoren voor het resultaat van het economisch proces in een land. Het zijn de belangrijkste grootheden voor macro-economische analyses en voor vergelijkingen in tijd en ruimte.

BRUTO BINNENLANDS PRODUKT TEGEN MARKTPRIJZEN (BBP)

8.89. Het bruto binnenlands produkt tegen marktprijzen is het eindresultaat van de produktieve activiteiten van ingezeten produktie-eenheden.

Het kan op drie manieren worden gedefinieerd:

a) het BBP is de som van de bruto toegevoegde waarde van alle institutionele sectoren of bedrijfstakken en het saldo van produktgebonden belastingen en subsidies (die niet aan sectoren en bedrijfstakken worden toegerekend). Het is eveneens het saldo van de produktierekening van de totale economie;

b) het BBP is de som van de finale bestedingen aan goederen en diensten door ingezeten institutionele eenheden (werkelijke consumptie en bruto-investeringen) en het saldo van uitvoer en invoer van goederen en diensten;

c) het BBP is de som van de bestedingen in de inkomensvormingsrekening van de totale economie (beloning van werknemers, belastingen op produktie en invoer minus subsidies, bruto-exploitatieoverschot en gemengd inkomen van de totale economie).

8.90. Door het BBP te verminderen met het verbruik van vaste activa, wordt het netto binnenlands produkt tegen marktprijzen (NBP) verkregen.

EXPLOITATIEOVERSCHOT VAN DE TOTALE ECONOMIE

8.91. Het bruto- (of netto-)exploitatieoverschot van de totale economie is de som van de bruto- (of netto-)exploitatieoverschotten van alle institutionele sectoren of bedrijfstakken.

GEMENGD INKOMEN VAN DE TOTALE ECONOMIE

8.92. Het bruto (of netto) gemengd inkomen van de totale economie is gelijk aan het bruto (of netto) gemengd inkomen van de sector huishoudens.

INKOMEN UIT BEDRIJFSUITOEFENING VAN DE TOTALE ECONOMIE

8.93. Het bruto- (of netto-)inkomen uit bedrijfsuitoefening van de totale economie is de som van de bruto- (of netto-)inkomens uit bedrijfsuitoefening van alle institutionele sectoren.

NATIONAAL INKOMEN (TEGEN MARKTPRIJZEN)

8.94. Het bruto (of netto) nationaal inkomen (tegen marktprijzen) is het totaal van de per saldo door ingezeten institutionele eenheden ontvangen primaire inkomens: beloning van werknemers, belastingen op produktie en invoer minus subsidies, saldo van ontvangen en betaald inkomen uit vermogen, bruto- (of netto-)exploitatieoverschot en bruto (of netto) gemengd inkomen.

Het bruto nationaal inkomen (tegen marktprijzen) is gelijk aan het BBP minus het primaire inkomen dat ingezeten eenheden aan niet-ingezeten eenheden betalen plus het primaire inkomen dat ingezeten eenheden uit het buitenland ontvangen.

Het bruto nationaal inkomen (tegen marktprijzen) is theoretisch identiek aan het bruto nationaal produkt (BNP) (tegen marktprijzen), zoals dat tot nu toe steeds in de nationale rekeningen gold.

In het ESER 1979 werd het BNP evenwel anders berekend (89).

Het begrip nationaal inkomen is geen produktie-, maar een inkomensbegrip; het is daarom relevanter indien het netto wordt uitgedrukt, d.w.z. na aftrek van het verbruik van vaste activa.

NATIONAAL BESCHIKBAAR INKOMEN

8.95. Het bruto (of netto) nationaal beschikbaar inkomen is de som van de bruto (of netto) beschikbare inkomens van de institutionele sectoren.

Het bruto (of netto) nationaal beschikbaar inkomen is gelijk aan het bruto (of netto) nationaal inkomen (tegen marktprijzen) minus de inkomensoverdrachten (belastingen op inkomen, vermogen, enz., sociale premies, sociale uitkeringen en overige inkomensoverdrachten) die aan niet-ingezeten eenheden worden betaald plus de inkomensoverdrachten die ingezeten eenheden uit het buitenland ontvangen.

BESPARINGEN

8.96. De besparingen geven het gedeelte van het nationaal beschikbaar inkomen aan dat niet voor consumptieve bestedingen wordt gebruikt.

Bruto (of netto) nationale besparingen zijn de som van de bruto- of (netto-)besparingen van alle institutionele sectoren.

SALDO LOPENDE TRANSACTIE VAN HET BUITENLAND

8.97. Het saldo van de rekening voor inkomenstransacties van het buitenland vormt het overschot (indien negatief) of het tekort (indien positief) van de totale economie op zijn lopende transacties (handel in goederen en diensten, primair inkomen, inkomensoverdrachten) met het buitenland.

VORDERINGENOVERSCHOT (+) C.Q. -TEKORT (-) VAN DE TOTALE ECONOMIE

8.98. Het vorderingenoverschot (+) c.q. -tekort (-) van de totale economie is de som van het vorderingenoverschot c.q. -tekort van de institutionele sectoren. Dit aggregaat vertegenwoordigt de middelen die de totale economie netto aan het buitenland ter beschikking stelt (indien positief) of uit het buitenland ontvangt (indien negatief).

Het vorderingenoverschot (+) c.q. (-) van de totale economie is gelijk, maar met tegengesteld teken, aan het vorderingentekort (-) c.q. -overschot (+) van het buitenland.

VERMOGENSSALDO VAN DE TOTALE ECONOMIE

8.99. Het vermogenssaldo van de totale economie is de som van de vermogenssaldi van de institutionele sectoren.

Het vertegenwoordigt de waarde van de niet-financiële activa van de totale economie minus het saldo van vorderingen en schulden van het buitenland.

MATRICES

8.100. In het eerste deel van dit hoofdstuk is een reeks (T-)rekeningen opgevoerd. De begrippen en definities van het systeem maken het echter ook mogelijk de gegevens op een andere manier te presenteren, zodat nieuwe inzichten worden verkregen en andersoortige analyses mogelijk zijn.

8.101. De input-outputtabel is een op ruime schaal gebruikt matrixschema voor het verkrijgen van gedetailleerde, samenhangende informatie over de goederen- en dienstenstromen en de structuur van de produktiekosten. Deze matrix bevat meer informatie dan de T-rekeningen voor goederen en diensten, produktie en inkomensvorming. Zo worden de consumptieve bestedingen per produktgroep of bedrijfstak van oorsprong gegeven en het intermediair verbruik zowel per produktgroep of bedrijfstak van oorsprong als per produktgroep of bedrijfstak van bestemming. Gedetailleerde koppelingen tussen deze rekeningen worden verder uitgewerkt in de aanbod- en gebruikstabellen van het ESR, door middel van een specificatie van de output van produktgroepen naar bedrijfstakken.

8.102. In de rest van deze sectie zal eerst worden aangetoond dat het complete systeem van rekeningen en saldi ook in de vorm van een matrix kan worden weergegeven. Deze matrix omvat alle transacties van respectievelijk de totale economie en het buitenland. Daarnaast is een geaggregeerde goederen- en dienstenrekening opgenomen.

8.103. Vervolgens worden de algemene doelstellingen van een rekeningenmatrix besproken. Van cruciaal belang zijn de talloze mogelijkheden om een dergelijke matrix naargelang de specifieke omstandigheden en behoeften uit te breiden of in te krimpen. Ten slotte zal worden uiteengezet hoe dit in de praktijk in zijn werk gaat. Met name zal aandacht worden besteed aan de koppelingen tussen de aanbod- en gebruikstabellen enerzijds en de sectorrekeningen anderzijds door de invoeging van arbeidsrekeningen. Op deze wijze wordt een raamwerk verkregen voor een zogenaamde Social Accounting Matrix (SAM). Een SAM maakt het onder meer mogelijk onderwerpen van economisch en sociaal beleid, zoals de werkloosheid, meer geïntegreerd te analyseren.

MATRIX VAN DE ESR-REKENINGEN

8.104. Tabel 8.19 geeft het complete systeem van rekeningen en saldi in matrixvorm. Hierbij zijn de primaire inkomensverdelingsrekening, de inkomensbestedingsrekening en de rekening voor overige mutaties in activa niet onderverdeeld. Het is overigens altijd mogelijk de tertiaire inkomensverdelingsrekening te combineren met de secundaire inkomensverdelingsrekening. Ten slotte is er een rekening toegevoegd die het vermogenssaldo registreert.

8.105. De cijfers in de tabellen van deze sectie zijn overigens exact gelijk aan die in het cijfervoorbeeld in het voorgaande deel van dit hoofdstuk. In alle matrices zijn de velden met een saldo vet omlijnd.

8.106. Dankzij de matrixopstelling kan iedere transactie worden weergegeven met een enkele registratie en kan de aard van de transactie worden afgeleid uit haar plaats in de matrix. Iedere rekening wordt weergegeven door een regel en een kolom; volgens afspraak staan de middelen op de regels en de bestedingen in de kolommen. Zo wordt het netto binnenlands produkt (1602) betaald door de producenten in de economie, en ontvangen op de primaire inkomensverdelingsrekening. Tabel 8.19. laat dit zien in cel (3,2), d.w.z. op regel 3 en in kolom 2. Aangezien de transacties met het buitenland in deze tabel in een aparte rekening staan, bevatten de posten op de diagonaal, d.w.z. de cellen (3,3), (4,4), (5,5), (6,6), (7,7) en (8,8), uitsluitend transacties tussen ingezeten institutionele eenheden.

8.107. De totalen van de regels en de kolommen hebben geen naam: hun belangrijkste functie in de matrixrekeningen is ervoor te zorgen dat alle rekeningen volledig zijn, in die zin dat alles wat binnenkomt (totalen van de regels) gelijk is aan alles wat eruit gaat (totalen van de kolommen). Zinvolle saldi, die opeenvolgende rekeningen met elkaar verbinden, kunnen daarom ook alleen worden berekend wanneer aan deze voorwaarde wordt voldaan.

8.108. Regel 1 geeft de besteding van goederen en diensten tegen aankoopprijzen: intermediair verbruik (1904) in kolom 2, consumptie (1371) in kolom 5, bruto-investeringen (414) in kolom 7 en uitvoer (536) in kolom 14.

8.109. De elementen op regel 1 vormen samen de totale bestedingen aan goederen en diensten tegen aankoopprijzen (4225). Kolom 1 geeft het aanbod van goederen en diensten (uiteraard ook 4225). De output (tegen basisprijzen) plus het saldo van produktgebonden belastingen en subsidies (3728) is te vinden op het snijpunt met regel 2. De invoer (497) is afkomstig uit de rekening voor goederen- en dienstentransacties van het buitenland (regel 14).

8.110. Regel 2 geeft de output (tegen basisprijzen) plus het saldo van produktgebonden belastingen en subsidies. Door deze waarderingswijze is het saldo van de produktgebonden belastingen en subsidies opgenomen in het totaal van regel 2 (3728) en in het even grote totaal van kolom 2. Hierdoor vormen deze belastingen ook een onderdeel van het saldo van rekening 2, het netto binnenlands produkt (NBP) in cel (3,2). De meeste saldi kunnen bruto of netto worden berekend. Deze matrix bevat uitsluitend nettosaldi. Het verbruik van vaste activa (222) wordt rechtstreeks op de kapitaalvormingsrekening geregistreerd (regel 7 en kolom 2).

8.111. Regel 3 geeft het door de totale economie ontvangen primair inkomen: het netto binnenlands produkt in cel (3,2), het inkomen uit vermogen afkomstig van andere ingezeten sectoren (341) op de diagonaal, en de primair-inkomensstromen uit het buitenland (72) in cel (3,15). Aangezien de primaire inkomensverdelingsrekening in deze matrix niet wordt onderverdeeld, wordt de door de producenten betaalde toegevoegde waarde, anders dan in de inkomensvormingsrekening, niet uitgesplitst naar de verschillende bestanddelen ervan.

8.112. Afgezien van de post op de diagonaal bevat kolom 3 het aan het buitenland betaalde primaire inkomen (41) in cel (15,3) alsmede het saldo, het netto nationaal inkomen (1633), dat deze rekening verbindt met de volgende.

8.113. In deze matrix kan men er nog voor kiezen de tertiaire inkomensverdelingsrekening te combineren met de secundaire inkomensverdelingsrekening. Indien de tertiaire inkomensverdeling buiten beschouwing blijft, bevat de diagonaal de inkomensoverdrachten, met uitzondering van de sociale overdrachten in natura, tussen ingezeten sectoren (1096). Deze overdrachten bestaan uit de belastingen op inkomen, vermogen, enz., de sociale premies en uitkeringen (exclusief de sociale overdrachten in natura) en de overige inkomensoverdrachten. Als de tertiaire inkomensverdeling wel is opgenomen, bevat de diagonaal van rekening 4 ook de sociale overdrachten in natura; samengeteld met de overige inkomensoverdrachten is dit 1315. In beide gevallen opent regel 4 met het netto nationaal inkomen, terwijl de inkomensoverdrachten uit het buitenland (10) in cel (4,15) worden geregistreerd. Afgezien van de post op de diagonaal bevat kolom 4 in cel (15,4) nog de inkomensoverdrachten aan het buitenland (39), terwijl het saldo, het (alternatieve) netto beschikbaar inkomen (1604), op de rekening voor besteding van het (alternatief) beschikbaar inkomen wordt geregistreerd.

8.114. Indien de tertiaire inkomensverdeling is opgenomen, is rekening 5 de rekening voor besteding van het alternatief beschikbaar inkomen. In het andere geval is het de rekening voor besteding van het beschikbaar inkomen. Op geaggregeerd niveau is dit alleen een kwestie van terminologie, want het totale beschikbaar inkomen is gelijk aan het totale alternatief beschikbaar inkomen en het totaal van de consumptieve bestedingen is gelijk aan het totaal van de werkelijke consumptie. Afgezien van het beschikbaar inkomen omvat de regel voor deze rekening een correctie voor mutaties in voorzieningen van ingezeten pensioenverzekeringen (11) op de diagonaal en een correctie voor mutaties in voorzieningen van niet-ingezeten pensioenverzekeringen (0) in kolom 15. De kolom bevat behalve de consumptie (1371) en de post op de diagonaal een correctie voor mutaties in voorzieningen van ingezeten pensioenverzekeringen ten behoeve van niet-ingezeten huishoudens (0) in cel (15,5) en het saldo, de nettobesparingen (233), die naar de eerste subrekening van de kapitaalrekening worden overgebracht (rekening 6).

8.115. De kapitaalrekening bestaat uit twee subrekeningen. Ten eerste worden op de regel van de rekening voor mutaties in het vermogenssaldo a.g.v. besparingen en kapitaaloverdrachten, de nettobesparingen vermeerderd met de van ingezeten sectoren ontvangen kapitaaloverdrachten (61) (zie cel 6,6) en de uit het buitenland ontvangen kapitaaloverdrachten (1) (zie cel 6,16). In de kolom van deze rekening staan, naast de aan de ingezeten sectoren betaalde kapitaaloverdrachten, de overdrachten aan het buitenland (4), in cel (16,6). Het saldo, de mutaties in het vermogenssaldo a.g.v. besparingen en kapitaaloverdrachten (230), wordt overgebracht naar de rekening voor balansmutaties (rekening 11).

8.116. Vervolgens geeft de regel voor de kapitaalvormingsrekening het verbruik van vaste activa in cel (7,2), het saldo aan- en verkopen van niet-geproduceerde niet-financiële activa van ingezeten eenheden (0) in cel (7,7), respectievelijk van niet-ingezeten eenheden (0) in cel (7,17), en de mutaties in activa a.g.v. besparingen en kapitaaloverdrachten (833) in cel (7,12). Dit levert het totaalbedrag op dat voor ingezetenen beschikbaar is voor de aankopen van activa. Deze aankopen worden in twee etappes geregistreerd: in de kolom van deze rekening de aankopen van niet-financiële activa en in de kolom van de volgende rekening de aankopen van financiële activa. De kolom van rekening 7 bevat dus de bruto-investeringen (cel 1,7), de hierboven besproken post op de diagonaal (7,7), de mutaties in passiva a.g.v. besparingen en kapitaaloverdrachten (603) in cel (12,7), en als saldo het vorderingenoverschot van de totale economie (38), dat wordt overgebracht naar de volgende rekening, die voor de financiële transacties.

8.117. Rekening 8, de financiële rekening, opent met het vorderingenoverschot van de totale economie (cel 8,7), waaraan de financiële transacties tussen ingezeten sectoren (553) op de diagonaal en de nettotoename van schulden aan het buitenland (50) in cel (8,18) worden toegevoegd. De kolom bevat naast de post op de diagonaal de nettotoename van vorderingen op het buitenland (88) in cel (18,8). Uiteraard is de nettotoename van schulden aan het buitenland en het vorderingenoverschot van de totale economie te zamen gelijk aan de nettotoename van vorderingen op het buitenland, zodat er ook in deze rekening sprake is van een evenwicht tussen het totaal van de regel en dat van de kolom.

8.118. De rekening voor overige mutaties in activa, rekening 9, geeft op de regel de mutaties in activa a.g.v. overige mutaties (379) in cel (9,12) en in de kolom de mutaties in passiva a.g.v. overige mutaties (74) in cel (12,9) en als saldo de mutaties in het vermogenssaldo a.g.v. overige mutaties (305) in cel (11,9).

8.119. De laatste vier rekeningen voor de totale economie hebben betrekking op de balansen en de balansmutaties. De beginbalans geeft op de regel de beginstand van de activa (16714) in cel (10,12) en in de kolom de beginstand van de passiva (6298) in cel (12,10) alsmede het vermogenssaldo aan het begin van de periode (10416) in cel (13,10). De rekening voor balansmutaties geeft vervolgens op de regel beide componenten van deze mutaties (cel 11,6 en cel 11,9) en in de kolom het totaal van de mutaties in het vermogenssaldo (535) (cel 13,11). Vervolgens geeft de eindbalans op de regel de beginstand van de passiva (cel 12,10), beide componenten van de mutaties in de passiva (cel 12,7 en cel 12,9) en het vermogenssaldo aan het einde van de periode (10951) in cel (12,13). De som van deze elementen is uiteraard gelijk aan de eindstand van de activa, die ook wordt berekend in de kolom van deze rekening: de beginstand van de activa (cel 10,12) plus beide componenten van de mutaties in de activa (cel 7,12 en cel 9,12). De aanvullende rekening voor het vermogenssaldo ten slotte geeft het vermogenssaldo aan het begin van de periode (cel 13,10) en het totaal van de mutaties in het vermogenssaldo (cel 13,11) op de regel en het vermogenssaldo aan het einde van de periode in de kolom (cel 12,13).

8.120. Voor het buitenland zijn dezelfde rekeningen opgenomen als voor de totale economie, maar wel in een enigszins geaggregeerde vorm. De rekening voor goederen- en dienstentransacties van het buitenland geeft op de regel in cel (14,1) de invoer door de totale economie en in de kolom: in cel (1,14) de uitvoer en in cel (15,14) het saldo goederen- en dienstentransacties van het buitenland (-39). Opgemerkt zij dat alle saldi van de rekeningen van het buitenland worden gezien vanuit het gezichtspunt van het buitenland. Om de relevante aggregaten te verkrijgen voor de totale economie moet het teken worden omgekeerd.

8.121. Het saldo van de vorige rekening wordt opgenomen in de rekening voor inkomenstransacties van het buitenland. Deze rekening bevat voorts het primaire inkomen, de inkomensoverdrachten en de correctie voor mutaties in voorzieningen pensioenverzekering, respectievelijk aan en uit het buitenland. Deze posten zijn hierboven al besproken. Een en ander leidt tot het in cel (16,15) opgenomen saldo lopende transacties van het buitenland (-41).

8.122. De derde rekening, de rekening voor kapitaaltransacties van het buitenland, is ook in twee subrekeningen gesplitst: een voor het saldo lopende transacties van het buitenland, de kapitaaloverdrachten aan en uit het buitenland, en het saldo, de mutaties in de netto financiële positie van het buitenland a.g.v. het saldo lopende transacties en kapitaaloverdrachten (-38) in cel (21,16); en een andere voor de mutaties in activa a.g.v. het saldo lopende transacties en kapitaaloverdrachten (50) in cel (17,22), het saldo aan- en verkopen van niet-geproduceerde niet-financiële activa door niet-ingezeten eenheden in cel (7,17), de mutaties in passiva a.g.v. het saldo lopende transacties en kapitaaloverdrachten (88) in cel (22,17) en het saldo, het vorderingenoverschot van het buitenland (-38), dat naar de volgende rekening wordt overgebracht.

8.123. De vierde rekening, de rekening voor financiële transacties van het buitenland, geeft op de regel de nettotoename van vorderingen op het buitenland (cel 18,8) alsmede het vorderingenoverschot van het buitenland (cel 18,17), en in de kolom de nettotoename van schulden aan het buitenland (cel 8,18). De vijfde rekening, de rekening voor overige mutaties in activa van het buitenland, geeft op de regel de betreffende mutaties in activa (7) in cel (19,22) en in de kolom de betreffende mutaties in de passiva (3) in cel (22,19), alsmede het saldo, de mutaties in de netto financiële positie van het buitenland a.g.v. overige mutaties (4) in cel (21,19).

8.124. De balansen voor het buitenland ten slotte zijn analoog aan die voor de totale economie. Hierboven nog niet genoemde elementen zijn: de beginstand van vorderingen op het buitenland (573) in cel (20,22), de beginstand van schulden aan het buitenland (297) in cel (22,20), de netto financiële positie van het buitenland ten opzichte van de totale economie aan het begin van de periode (276) in cel (23,20), het totaal van de mutaties in de netto financiële positie van het buitenland (-34) in cel (23,21), en de financiële positie van het buitenland ten opzichte van de totale economie aan het einde van de periode (242) in cel (22,23).

8.125. Deze beknopte matrix kan vervolgens worden uitgesplitst in de volledige reeks rekeningen inclusief detailinformatie over de transactiecategorieën en de eenheden die deze transacties verrichten. Het rekenen met matrices geeft evenwel de beste resultaten wanneer niet alle rekeningen even gedetailleerd worden weergegeven, maar wanneer voor iedere rekening de meest relevante indeling wordt gekozen. Dit wordt in de volgende subsectie nader uiteengezet.

EIGENSCHAPPEN VAN REKENINGENMATRICES

8.126. Iedere registratie in een geaggregeerde matrix als tabel 8.19 kan worden beschouwd als het totaal-generaal van een submatrix, waarin groepen van actoren aan beide zijden (middelen en bestedingen) van de betreffende set van transacties worden getoond. Een zeer nuttige optie in een matrixopstelling van rekeningen is dat in iedere rekening een ander type actor of groep van actoren kan worden gekozen zonder dat dit van invloed is op de samenhang en de integratie van het gehele rekeningenstelsel. Dit betekent dat in iedere rekening de eenheid en de classificatie van eenheden kunnen worden gekozen die het meest relevant zijn voor de betreffende set van transacties: "multiple actoring" en "multiple sectoring".

8.127. In beginsel kan iedere rekening op twee nogal uiteenlopende manieren worden ingedeeld: door de totale economie in groepen van eenheden in te delen of door de transactiecategorieën die in een rekening voorkomen, in diverse deelrekeningen onder te brengen. Zo kunnen in de eerste vijf rekeningen de volgende onderverdelingen van de totale economie worden gemaakt:

a) het onderscheiden van produkten in de goederen- en dienstenrekening en deze naar produktiegroep indelen;

b) het onderscheiden van eenheden van economische activiteit op lokaal niveau in de produktierekening en deze naar bedrijfstak indelen;

c) het onderscheiden van institutionele eenheden in de primaire en de secundaire inkomensverdelingsrekening in de inkomensbestedingsrekening, en deze naar institutionele (sub)sector indelen.

8.128. Dergelijke onderverdelingen hebben twee belangrijke gevolgen. Ten eerste wordt het voor alle transactiecategorieën die in een enkele cel van deze rekeningen worden onderscheiden, duidelijk wat welke groep betalende eenheden met welke groep ontvangende eenheden heeft uitgewisseld. Ten tweede komen door gedetailleerde cross-classificaties de onderlinge relaties tussen de verschillende economische stromen aan het licht. In het voorbeeld uit het voorgaande punt kan op mesoniveau een eenvoudig kringloopschema van de inkomensstromen worden gepresenteerd aan de hand van onderstaande submatrices:

a) submatrix (3,2) laat zien welke institutionele subsector van welke bedrijfstakken netto toegevoegde waarde ontvangt;

b) submatrices (4,3) en (5,4) laten zien welke institutionele subsector primair inkomen en beschikbaar inkomen van welke institutionele subsector ontvangt (uiteraard kunnen in de inkomensverdelingen en in de inkomensbestedingsrekening verschillende classificaties worden gebruikt, en dan zijn deze submatrices niet langer diagonaal);

c) submatrix (1,5) laat zien welke produkten door welke institutionele subsectoren worden geconsumeerd;

d) submatrix (2,1) laat zien welke bedrijfstak welke produktie maakt.

8.129. Wanneer een dergelijke matrix wordt opgesteld is het verstandig om te beginnen met het ontwerpen van een voor de beoogde toepassingen relevant systeem van rekeningen. Vervolgens worden voor iedere rekening de meest geschikte eenheden en classificaties van eenheden gekozen. In de praktijk zal dit een interactief proces zin. Het is bij voorbeeld goed mogelijk dat voor een bepaalde transactiecategorie alleen de totale ontvangsten en betalingen van de bij deze transacties betrokken partijen bekend zijn (de totalen van de regel en de kolom van een submatrix) en niet wie aan wie heeft betaald (de interne structuur van de submatrix). Dit probleem kan worden opgelost door de invoeging van een onverdeelde dummyrekening.

8.130. Een matrixpresentatie van rekenigen heeft onder meer de volgende algemene eigenschappen:

a) een gedetailleerde matrixpresentatie is geschikt voor wiskundige toepassingen die gebruik maken van matrixalgebra; dit kan ook van nut zijn bij het integreren van de rekeningen;

b) een gedetailleerde matrix biedt een gelijktijdige indeling van met elkaar verbonden transacties naar betalende en ontvangende eenheid; zij is dan ook geschikt voor het op mesoniveau laten zien van onderlinge relaties tussen economische stromen, waaronder ook stromen waarbij twee verschillende soorten eenheden betrokken zijn (b.v. consumptieve bestedingen van diverse categorieën goederen en diensten door een aantal subsectoren van de huishoudens);

c) voor een rekeningenstelsel waarin transacties naar betalende en ontvangende eenheid worden ingedeeld, is een matrixpresentatie beknopter dan enige andere wijze van presentatie; de betaling door de ene en de ontvangst door de andere bij een transactie betrokken eenheid worden weergegeven door een enkele registratie.

8.131. Een geaggregeerde matrix voor de totale economie kan als referentietabel voor gedetailleerde tabellen dienen. Als de lezer vervolgens wordt geconfronteerd met een gedetailleerde presentatie van delen van het systeem (aanbod- en gebruikstabellen, sectorrekeningen, enz.), zou de relatie van de gedetailleerde submatrices met de geaggregeerde matrix via een systeem van codes duidelijk moeten zijn. De matrixopstelling is vooral van nut indien het niet mogelijk of wenselijk is in alle rekeningen van het systeem een even gedetailleerde classificatie te hanteren.

8.132. De matrixpresentatie is een geschikt instrument om de flexibiliteit van het systeem te onderzoeken. Zo kan men de onderlinge relaties tussen de sociale en de economische aspecten van het systeem verder uitwerken en daarmee een Social Accounting Matrix opstellen. Een dergelijke matrix wordt in de volgende subsectie van dit hoofdstuk uiteengezet en toegelicht.

AANPASSING VAN DE BEKNOPTE MATRIX VOOR SPECIFIEKE ANALYSES

8.133. De classificatie van de regels en kolommen in de aanbod- en gebruikstabellen is vooral geschikt voor een beschrijving van de betrokken economische processen, namelijk de voortbrenging en het gebruik van produkten. In deze matrices wordt evenwel geen verband gelegd tussen de toegevoegde waarde en het finaal gebruik. Door een aanbod- en gebruikstabel of een input-outputtabel zodanig uit te breiden dat een volledige kringloop van inkomens op mesoniveau wordt getoond, legt men een wezenskenmerk van een Social Accounting Matrix (SAM) vast.

8.134. Een SAM wordt hier als volgt gedefinieerd: de presentatie van ESR-rekeningen in een matrix waarbij verbanden worden gelegd tussen een aanbod- en gebruikstabel aan de ene kant en sectorrekeningen aan de andere kant. Een typisch kenmerk van een SAM is dat de nadruk ligt op de rol van mensen in de economie, wat onder meer tot uitdrukking komt in extra indelingen van de sector huishoudens en een gedesaggregeerde presentatie van de arbeidsmarkt (d.w.z met een onderscheid naar de verschillende categorieëen werkenden).

8.135. Een belangrijk sociaal vraagstuk is het niveau en de samenstelling van de werkgelegenheid en de werkloosheid. Een SAM verschaft hierover gewoonlijk aanvullende informatie, door middel van een onderverdeling van de beloning van werknemers naar type werkende. Deze onderverdeling betreft zowel het gebruik van arbeid per bedrijfstak (zoals weergegeven in de aanbod- en gebruikstabellen) als het aanbod van arbeid per sociaal-economische subgroep (zoals weergegeven in de primaire inkomensverdelingsrekening van huishoudens). Hieruit volgt dat de matrix niet alleen het aanbod en gebruik van verschillende produktgroepen geeft, maar ook het aanbod en gebruik van allerlei categorieën arbeid.

8.136. De classificatie van zelfstandigen en werknemers kan worden gebaseerd op een combinatie van individuele kenmerken en van kenmerken van de baan, zoals geslacht, opleiding, leeftijd en woonplaats enerzijds, en beroep, aard van het arbeidscontract (voltijd/deeltijd, vaste/tijdelijke aanstelling), regio en subsector van tewerkstelling anderzijds. Daarbij moet er rekening mee worden gehouden dat de variaties in de relatieve salarisverschillen binnen een groep kleiner zijn dan die tussen verschillende groepen. Een classificatie naar bedrijfstak van tewerkstelling is minder relevant, omdat dit in de SAM al wordt aangegeven door de cross-classificatie van de toegevoegde waarde.

8.137. Ingezetenen die in niet-ingezeten ondernemingen werkzaam zijn, niet-ingezetenen die bij ingezeten ondernemingen werkzaam zijn, en tijdelijk in het buitenland werkende werknemers moeten afzonderlijk worden opgenomen. Aldus kan het aantal in de betrokken economie werkzame personen worden geraamd. Uiteraard vallen hieronder ook zelfstandigen voor wie een toegerekende beloning voor hun arbeidsinput kan worden afgesplitst van het netto gemengd inkomen.

8.138. Door (1) het inkomen uit arbeid van alle werkenden, (2) een uitsplitsing van deze inkomens in gewerkte uren en gemiddelde lonen per uur, en (3) potentiële arbeidsaanbod (uitgedrukt in arbeidsjaren) gesplitst op basis van persoonskenmerken en de samenstelling van het huishouden, tegen elkaar af te zetten, wordt niet alleen

Tabel 8.19 - Matrix-presentatie van alle rekeningen en saldi voor de totale economie

>REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK>

gedetailleerde informatie over de samenstelling van de werkloosheid verkregen, maar ook een geaggregeerde indicator (werkloosheid in arbeidsjaren) die, zowel conceptueel als cijfermatig, consistent is met de andere macro-economische indicatoren; laatstgenoemde kunnen ook uit het SAM-kader worden afgeleid. Wanneer bovendien het aantal werkenden (exclusief niet-ingezetenen) en het potentiële arbeidsaanbod met elkaar worden vergeleken, verkrijgt men de werkloosheid zoals deze volgens afspraak is gedefinieerd.

8.139. Het is wellicht zinvol hier bij wijze van voorbeeld een SAM uit te werken. Tabel 8.20 illustreert de opzet van een SAM waarin alle onderscheiden transacties uit het systeem zijn opgenomen (d.w.z. alle stromen met uitzondering van de "overige mutaties in activa"). De belangrijkste aanvulling betreft de betekenis die hier aan de inkomensvormingsrekening wordt gegeven, teneinde gemakkelijker een koppeling te kunnen maken tussen uitvoerige arbeidsmarktanalyses en de nationale rekeningen. De hier opgenomen geaggregeerde SAM is bedoeld als een beknopte tabel die vervolgens ten grondslag kan liggen aan meer gedetailleerde tabellen. Mogelijke soorten classificaties zijn in iedere rekening tussen haakjes in de titels van de regels en kolommen aangegeven.

8.140. De volgorde van de rekeningen in deze matrix is gelijk aan die in tabel 8.19. Om die matrix in de hier gepresenteerde geaggregeerde SAM om te zetten moeten:

a) de rekening voor overige mutaties in activa, de beginbalans, de rekening voor balansmutaties, de eindbalans en de rekening voor het vermogenssaldo, zowel voor de totale economie als voor het buitenland, alsmede de rekening voor financiële transacties van het buitenland worden geschrapt;

b) de primaire inkomensverdelingsrekening en de tweede kapitaalsubrekening worden onderverdeeld; en

c) de beide kapitaalsubrekeningen (exclusief investeringen in vaste activa) worden gecombineerd, evenals de rekening voor goederen- en dienstentransacties en de rekening voor inkomenstransacties van het buitenland.

8.141. De eerste twee regels en kolommen van tabel 8.20 bevatten een geaggregeerde versie van de aanbod- en gebruikstabel, die hier expliciet wordt gekoppeld aan de andere rekeningen van het systeem. Opgemerkt zij dat de regels en kolommen van de aanbodtabel (cel II, I) getransponeerd zijn.

8.142. De derde rekening, voor de inkomensvorming, speelt een belangrijke rol. De classificatie geschiedt aan de hand van de primaire inputcategorieën: (1) beloning van verschillende typen werknemers, (2) saldo van niet-produktgebonden belastingen en subsidies, (3) netto-exploitatieoverschot en (4) netto gemengd inkomen.

8.143. De inkomensvormingsrekening bevat transacties tussen twee verschillende soorten eenheden. In het bijzonder heeft de rekening betrekking op de beloning van werknemers, die wordt geregistreerd als een transactie (werk in ruil voor een beloning) tussen een institutionele eenheid (werkgever) en een persoon (werknemer). In deze SAM worden werkenden beschouwd als afzonderlijke eenheden die loon ontvangen in de inkomensvormingsrekening en dit inkomen doorsluizen naar hun huishouden in de primaire inkomensverdelingsrekening. Deze eenheden worden daarbij gedetailleerd naar verschillende groepen van werkenden. Deze weergave is van nut voor de integratie van arbeidsmarktanalyse en de nationale rekeningen.

8.144. Het (resterende) gemengd inkomen en exploitatieoverschot blijven bij de producerende eenheid, maar de classificatie van producerende eenheden behoeft niet gelijk te zijn aan die in de produktierekening. Een zekere detaillering naar institutionele subsector is zelfs uitermate relevant voor het exploitatieoverschot en het gemengd inkomen. Hiervoor is een cross-classificatie van deze elementen van de toegevoegde waarde naar bedrijfstak en naar institutionele subsector nodig.

8.145. Aangezien het saldo in cel (III,II) gelijk is aan de totale binnenlandse toegevoegde waarde, omvatten de primaire-inputcategorieën iedereen die in een ingezeten onderneming werkzaam is. In kolom III wordt de beloning van niet-ingezetenen die in ingezeten ondernemingen werkzaam zijn, overgedragen aan het buitenland. In rekening III wordt vervolgens alleen een zinvol nationaal saldo verkregen wanneer hieraan eerst de beloning van ingezetenen die in niet-ingezeten ondernemingen werken, wordt toegevoegd. Dit geschiedt in regel III en voor dit doel kan een afzonderlijke categorie, ingezetenen die in niet-ingezeten ondernemingen werken, worden gecreëerd. Een bijkomend voordeel hiervan is dat de raming van het aantal werkzame personen, zoals dit volgens afspraak is gedefinieerd, wordt vergemakkelijkt.

8.146. Het resultaat van het een en ander is dat de inkomensvormingsrekening een nieuw saldo krijgt (1473), dat ligt tussen de totale netto toegevoegde waarde en het netto nationaal inkomen. Dit saldo, het totale netto gegenereerde inkomen tegen basisprijzen, geeft het totale inkomen dat ingezeten institutionele eenheden hebben verdiend door hun deelname aan het produktieproces.

8.147. De rekening voor bestemming van primaire inkomens in een gedetailleerde SAM geeft het inkomen uit arbeid van huishoudens als een bijdrage van een of meer (al dan niet als zelfstandige) werkende leden van de huishoudens. Hieruit kan onder meer worden afgeleid in welke mate iedere groep huishoudens van diverse bronnen van inkomen (uit arbeid) afhankelijk is. Afgezien daarvan zijn de transactiecategorieën in de inkomensverdelings- en -bestedingsrekeningen gelijk aan die in de vorige tabel.

8.148. Bij het opzetten van deze SAM zijn de kapitaal- en de financiële rekening met elkaar verweven, terwijl de financiële rekening niet wordt ingedeeld naar institutionele sector, maar naar type activa. Bij een uitsplitsing van deze SAM ziet men dan ook voor iedere institutionele subsector zowel het saldo verandering (toe- en afneming) van verschillende soorten vorderingen (cel IX, VII) als het saldo verandering (toe- en afneming) van schulden (cel VII, IX). Deze twee groepen van transacties zijn gecombineerd voor zover het buitenland erbij betrokken is. Als gevolg hiervan is in tabel 8.20 het vorderingenoverschot opgenomen, maar met een tegengesteld teken ten opzichte van de situatie waarin dit saldo wordt bezien vanuit het standpunt van de nationale economie (cel IX, XI).

8.149. Een groot gedeelte van de totale volumemutaties in het vermogenssaldo bestaat vermoedelijk uit een toename van de vaste activa. Indien men vooral belangstelling heeft voor de dynamiek van een economie, is het belangrijk aan te geven in welke bedrijfstakken de produktiecapaciteit is uitgebreid. Dit is het doel van de rekening voor investeringen in vaste activa (rekening VIII) die in deze SAM is opgenomen. Uit een meer gedetailleerde tabel komt dan naar voren:

a) wie investeert waar, op de regels van deze rekening - cel (VIII, VII), en

b) waar wordt in wat geïnvesteerd, in de kolommen - cel (I, VIII).

In dit geval heeft het wie betrekking op een institutionele subsector, het waar op een bedrijfstak en het wat op een produktgroep. Door deze rekening voor investeringen in vaste activa laat de SAM op mesoniveau zien welke relaties er bestaan tussen de investeringen in vaste activa per institutionele sector, zoals gepresenteerd in de kapitaalrekening, en de investeringen in vaste activa per produktgroep, zoals opgenomen in de aanbod- en gebruikstabellen.

8.150. Tabel 8.21 laat zien wat voor soort informatie kan worden ontleend aan een gedetailleerde SAM. Deze tabel is vooral bedoeld om aan te geven:

a) het kringloopschema van de inkomens, met inbegrip van een onderverdeling van het inkomen uit arbeid naar enkele categorieën van werkenden, waardoor een gedetailleerde analyse van de relatie tussen de toegevoegde waarde van bedrijfstakken en het primair inkomen van subgroepen van de huishoudens mogelijk is;

b) de onderlinge afhankelijkheid van de inkomensverdeling en de produktiestructuur; dit houdt onder meer verband met de uiteenlopende vraagpatronen van de subgroepen van de huishoudens;

c) de toerekening van de besparingen aan de subsectoren, met inbegrip van een onderverdeling van de investeringen in vaste activa naar investerende bedrijfstak, waardoor een gedetailleerde analyse van de relatie tussen de investeringen in vaste activa van de subsectoren en de investeringen in vaste activa per produktgroep mogelijk is.

Met het oog op de presentatie is het aantal groepen per rekening tot een minimum beperkt gehouden. Uiteraard moet een volledig uitgebouwde SAM meer categorieën per rekening onderscheiden.

8.151. Aangezien een SAM zowel inkomens- en uitgavenstromen als aanbod- en gebruikstabellen op mesoniveau omvat, kan zij worden gebruikt als een kader voor het ramen van een uitgebreid scala van rekeningen. De SAM-aanpak is vooral bruikbaar wanneer men gedetailleerde informatie over bij voorbeeld produktie en internationale handel in overeenstemming wil brengen met basisgegevens uit bij voorbeeld een arbeidskrachtenenquête, een budgetonderzoek of een investeringsenquête voor bedrijfstakken. Bovendien heeft het inpassen van rekeningen in een SAM-kader tot gevolg dat matrixalgebra kan worden toegepast om ze met elkaar in evenwicht te brengen.

8.152. Door meer basisgegevens te integreren wordt het mogelijk meer beleidsdoelstellingen in relatie tot elkaar te volgen en te analyseren. Bovenal biedt een SAM een mogelijkheid het verband te leggen tussen aspecten van de werkgelegenheid en de inkomensverdeling en meer macro-gerichte doelstellingen als groei van het NBP, evenwicht op de betalingsbalans, een stabiel prijspeil enz. Daarnaast biedt de SAM een raamwerk en consistente gegevens (van een bepaald basisjaar) voor algemene evenwichtsmodellen met gedetailleerde classificaties van actoren, waaronder bedrijfstakken, typen van werkenden en subgroepen van huishoudens.

8.153. Tabel 8.22 laat een deel van de informatie zien die in een volledig uitgebouwde SAM is opgenomen. In deze tabel wordt door een vergrootglas gekeken naar de totale netto toegevoegde waarde, d.w.z. cel (3,2) van de geaggregeerde tabel 8.20. Om verwijzingen naar de aanbod- en gebruikstabel te vergemakkelijken zijn de bedrijfstakken alleen ingedeeld naar sectie van de NACE. Het inkomen uit arbeid van mannen en vrouwen is ingedeeld naar beroepsgroep en woonplaats van de werkende. Het netto-exploitatieoverschot is ingedeeld naar de (sub)sector van de onderneming waartoe de lokale EEA behoort, en het netto gemengd inkomen naar de locatie van de onderneming zonder rechtspersoonlijkheid. In dit voorbeeld omvat het gemengd inkomen nog een toegerekende beloning voor de arbeid van de zelfstandige. Uiteraard tellen de cijfers in deze tabel op tot de dienovereenkomstige totalen in de tabellen 8.20 en 8.21. Zo staat bij voorbeeld de totale netto toegevoegde waarde in de rechterbenedenhoek.

8.154. Aan een dergelijke tabel kan onder meer de volgende informatie worden ontleend:

a) het aandeel van het inkomen uit arbeid van vrouwen per bedrijfstak en regio;

b) de mate van concentratie van het inkomen uit arbeid van vrouwen in een bepaalde beroepsgroep, per bedrijfstak en regio;

c) de samenstelling van het inkomen uit arbeid per beroep in iedere bedrijfstak en regio, voor beide geslachten;

d) de regionale verdeling van het gemengd inkomen per bedrijfstak;

e) het aandeel van overheidsondernemingen en ondernemingen in handen van het buitenland in het exploitatieoverschot van iedere bedrijfstak.

8.155. De gedetailleerde informatie over de beloning van werknemers in deze tabel is afkomstig uit de arbeidsstatistiek; door deze in het systeem van nationale rekeningen te integreren zullen de relevantie en de betrouwbaarheid van zowel deze bron als van de nationale rekeningen toenemen.

Het inkomen uit arbeid, zoals gepresenteerd in deze tabel, kan worden uitgesplitst in een volume- en een prijscomponent per type arbeid en per bedrijfstak: enerzijds werkzame personen in arbeidsjaren en anderzijds (gewogen) lonen per arbeidsjaar. Bovendien bevat een volledig uitgewerkte SAM ook nog een tabel met de uitsplitsing van deze inkomens uit arbeid en de betreffende werkzame personen naar groepen huishoudens. Soortgelijke transacties kunnen ook worden getoond voor het toegerekende inkomen uit arbeid van zelfstandigen.

Een set gegevens met een raming van het toegerekende inkomen uit arbeid van zelfstandigen en een uitsplitsing van alle inkomens uit arbeid in een volume- en prijscomponent leveren gedetailleerde gegevens over de arbeid op. Deze informatie is heel bruikbaar voor allerlei analyses en is rechtstreeks gekoppeld aan alle belangrijke macro-economische aggregaten, inclusief de werkzame personen (d.w.z. het totale aantal werkenden) en de werkzame personen in arbeidsjaren (d.w.z. het totale input van arbeid).

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

Tabel 8.21 - Voorbeeld van een gedetailleerdere sociale-rekeningenmatrix (Social Accounting Matrix: SAM)

>REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK>

Tabel 8.22 - Voorbeeld van een gedetailleerde submatrix: toegevoegde waarde (netto, basisprijzen)

>REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK>

HOOFDSTUK 9

HET INPUT-OUTPUTSYSTEEM

9.01. Het input-outputsysteem bestaat uit drie soorten tabellen:

a) aanbod- en gebruikstabellen;

b) tabellen voor het koppelen van aanbod- en gebruikstabellen aan de sectorrekeningen;

c) symmetrische input-outputtabellen

9.02. Aanbod- en gebruikstabellen zijn matrices waarin per bedrijfstak en produktgroep een gedetailleerde beschrijving wordt gegeven van de binnenlandse produktieprocessen en de transacties in produkten van de nationale economie. Deze tabellen geven een beeld van:

a) de structuur van de produktiekosten en het in het produktieproces gegenereerde inkomen;

b) de stromen van goederen en diensten die in de nationale economie worden geproduceerd;

c) de goederen- en dienstenstromen van en naar het buitenland.

9.03. Een aanbodtabel geeft een beeld van het aanbod van goederen en diensten, gespecificeerd naar produktgroep en naar herkomst, waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen de output van binnenlandse bedrijfstakken en de invoer. Tabel 9.1 geeft een eenvoudig voorbeeld van een aanbodtabel.

Tabel 9.1 - Eenvoudige aanbodtabel

>BEGIN VAN DE GRAFIEK>

Aanbod

Bedrijfstakken

Buitenland

Totaal

(1)

(2)

(3)

Produktgroepen

(1)

Output per produktgroep en per bedrijfstak

Invoer per produktgroep

Totaal aanbod per produktgroep

Totaal

(2)

Totale output per bedrijfstak

Totale invoer

Totaal aanbod

>EIND VAN DE GRAFIEK>

9.04. Een gebruikstabel geeft een beeld van het gebruik van goederen en diensten, gespecificeerd naar produktgroep en naar bestemming, d.w.z. als intermediair verbruik (per bedrijfstak), consumptie, bruto-investeringen of uitvoer. Verder geeft de tabel een overzicht van de componenten van de bruto toegevoegde waarde, d.w.z. beloning van werknemers, saldo van niet-produktgebonden belastingen en subsidies, netto gemengd inkomen, netto-exploitatieoverschot en verbruik van vaste activa. Tabel 9.2 geeft een eenvoudig voorbeeld van een gebruikstabel.

Tabel 9.2 - Eenvoudige gebruikstabel

>BEGIN VAN DE GRAFIEK>

Gebruik

Bedrijfstakken

Buitenland

Consumptie

Investeringen (bruto)

Totaal

(1)

(2)

(3)

(4)

(5)

Produktgroepen

(1)

Intermediair verbruik per produktgroep en per bedrijfstak

Uitvoer

Consumptieve bestedingen

Investeringen (bruto)

Totaal gebruik per produktgroep

Componenten van de toegevoegde waarde

(2)

Toegevoegde waarde per component en per bedrijfstak

Totaal

(3)

Totale input per bedrijfstak

>EIND VAN DE GRAFIEK>

9.05. Tussen de aanbod- en de gebruikstabellen bestaan twee identiteiten (mits aanbod en gebruik op dezelfde wijze zijn gewaardeerd, zie de tabellen 9.5 en 9.6):

a) Identiteit per bedrijfstak: output bedrijfstak = input bedrijfstak.

In deze eenvoudige tabellen voor aanbod en gebruik moet de regelvector in cel (2,1) in tabel 9.1 dus gelijk zijn aan die in cel (3,1) in tabel 9.2.

Voor iedere bedrijfstak geldt dus:

Output = intermediair verbruik + toegevoegde waarde.

b) Identiteit per produktgroep: totaal aanbod per produktgroep = totaal gebruik per produktgroep.

In deze eenvoudige tabellen moet de kolomvector in cel (1,3) van tabel 9.1 dus gelijk zijn aan die in cel (1,5) van tabel 9.2.

Voor iedere produktgroep geldt dus:

Output + invoer = intermediair verbruik + uitvoer + consumptieve bestedingen + investeringen (bruto).

Deze identiteiten per bedrijfstak en produktgroep kunnen worden gebruikt om de consistentie en volledigheid van ramingen te controleren en te verbeteren (zie punt 9.11).

9.06. Aanbod- en gebruikstabellen zijn het centrale raamwerk voor alle tabellen met de bedrijfstak als ingang, bij voorbeeld die met betrekking tot de werkzame personen, de bruto-investeringen in vaste activa en de kapitaalgoederenvoorraad.

9.07. De aanbod- en gebruikstabellen omvatten alle stromen van de onderstaande rekeningen:

a) goederen- en dienstenrekening;

b) produktierekening;

c) inkomensvormingsrekening.

9.08. Een aanbodtabel en een gebruikstabel kunnen worden samengevoegd tot een enkele tabel. Dit is mogelijk door twee regels en een kolom aan de gebruikstabel toe te voegen, namelijk voor de output en de invoer (zie tabel 9.3). De regels en de kolommen van de aanbodtabel uit punt 9.03 zijn hierbij verwisseld.

Tabel 9.3 - Eenvoudige gecombineerde aanbod- en gebruikstabel

>BEGIN VAN DE GRAFIEK>

Produktgroepen

Bedrijfstakken

Buitenland

Consumptie

Investeringen (bruto)

Totaal

(1)

(2)

(3)

(4)

(5)

(6)

Produktgroepen

(1)

-

Intermediair verbruik

Uitvoer

Consumptieve bestedingen

Investeringen (bruto)

Totaal gebruik per produktgroep

Bedrijfstakken

(2)

Output

-

-

-

-

Totale output per bedrijfstak

Componenten van de toegevoegde waarde

(3)

-

Toegevoegde waarde

Buitenland

(4)

Invoer

-

Totaal

(5)

Totaal aanbod per produktgroep

Totale input per bedrijfstak

>EIND VAN DE GRAFIEK>

9.09. Een symmetrische input-outputtabel is een matrix waarin, gespecificeerd naar produktgroep of naar bedrijfstak, een gedetailleerde beschrijving wordt gegeven van de binnenlandse produktieprocessen en de transacties in produkten van de nationale economie. In een symmetrische input-outputtabel worden aanbod en gebruik in één tabel samengebracht, maar op een andere wijze dan in de gecombineerde aanbod- en gebruikstabel (zie punt 9.08). Er is echter een belangrijk verschil tussen een symmetrische input-outputtabel en een gecombineerde aanbod- en gebruikstabel: in de aanbod- en gebruikstabel worden produktgroepen gekoppeld aan bedrijfstakken, terwijl in de symmetrische input-outputtabel produktgroepen aan produktgroepen worden gekoppeld of bedrijfstakken aan bedrijfstakken. Daarom wordt in een symmetrische input-outputtabel hetzij een produkten-, hetzij een bedrijfstakkenclassificatie gebruikt voor zowel de regels als de kolommen (zie tabel 9.4).

Tabel 9.4 - Eenvoudige symmetrische input-outputtabel (produktgroep × produktgroep)

>BEGIN VAN DE GRAFIEK>

Produktgroepen

Buitenland

Consumptieve

bestedingen

Investeringen (bruto)

Totaal

(1)

(2)

(3)

(4)

(5)

Produktgroepen

(1)

Intermediair verbruik

Uitvoer

Consumptieve bestedingen

Investeringen (bruto)

Totaal gebruik per produktgroep

Componenten van de toegevoegde waarde

(2)

Toegevoegde waarde

-

-

-

-

Buitenland

(3)

Invoer

-

-

-

-

Totaal

(4)

Totaal aanbod per produktgroep

-

-

-

Totaal aanbod = totaal gebruik

>EIND VAN DE GRAFIEK>

9.10. De statistische informatie die bij produktie-eenheden kan worden verkregen, geeft doorgaans aan welke produkten er zijn vervaardigd/verkocht en, meestal minder gedetailleerd, welke produkten er zijn gekocht/gebruikt. De aanbod- en gebruikstabellen zijn opgesteld om dit soort statistische informatie in één kader samen te brengen (d.w.z. bedrijfstak × produktgroep). Informatie van het type produktgroep × produktgroep of bedrijfstak × bedrijfstak, die nodig is voor symmetrische input-outputtabellen, is daarentegen vaak niet beschikbaar. Produktiestatistieken bij voorbeeld verschaffen gewoonlijk wel informatie over de aard van de gebruikte produkten en over de voortgebrachte produkten, maar informatie over produkten en componenten van de toegevoegde waarde die als input bij de vervaardiging van ieder produkt worden gebruikt, kan meestal niet worden verkregen (de bedrijfsadministratie zou dan niet alleen een overzicht moeten geven van alle kosten uitgesplitst naar de verschillende soorten van output, maar ook van de samenstelling van het intermediair verbruik naar produktgroep). In de praktijk is in de vorm van aanbod- en gebruikstabellen weergegeven informatie daarom een goed uitgangspunt voor het maken van symmetrische input-outputtabellen met meer analytische informatie. De informatie (bedrijfstak × produktgroep) in de aanbod- en gebruikstabellen kan worden omgezet in statistieken die gegevens van het type produktgroep × produktgroep (of bedrijfstak × bedrijfstak) presenteren door extra statistische informatie over de structuur van de input toe te voegen of door constante inputstructuren per produktgroep of per bedrijfstak te veronderstellen (zie de punten 9.54-9.60).

9.11. Aanbod- en gebruikstabellen dienen zowel statistische als analytische doeleinden.

Belangrijke statistische doeleinden zijn:

a) vaststellen van hiaten en inconsistenties in het basismateriaal;

b) wegen en berekenen van indexcijfers van waarde-, prijs- en volumeontwikkelingen;

c) ramen van variabelen als restpost (ramen van een variabele door eerst alle andere variabelen in een identiteit vast te stellen), bij voorbeeld voor de output of de consumptie van bepaalde produkten;

d) controleren en verbeteren van de consistentie, plausibiliteit en volledigheid van de gegevens in de aanbod- en gebruikstabellen en de hieraan ontleende cijfers (zoals die in de produktierekeningen). Hiervoor zijn echter de aanbod- en gebruikstabellen in lopende prijzen alleen niet voldoende:

(1) door aanbod- en gebruikstabellen in lopende en constante prijzen voor twee of meer jaren op te stellen kunnen ramingen van mutaties in volume, waarde en prijs met elkaar in evenwicht worden gebracht. Integratie leidt in dat geval tot betere resultaten dan wanneer de integratie zich beperkt tot de gegevens van een enkel jaar,

(2) met behulp van de tabellen die de relatie met de sectorrekeningen leggen, kan een rechtstreekse vergelijking worden gemaakt met informatie uit deze rekeningen, bij voorbeeld over de inkomensverdeling, de besparingen en het vorderingenoverschot (berekend als het resultaat van financiële transacties). Hierdoor wordt bereikt dat er na de afronding van het integratieve proces overeenstemming is tussen de aanbod- en gebruikstabellen en de sectorrekeningen,

(3) door symmetrische input-outputtabellen af te leiden uit de aanbod- en gebruikstabellen kunnen inconsistenties en zwakheden in de aanbod- en gebruikstabellen aan het licht komen. Op deze wijze vindt er ook een terugkoppeling van de symmetrische input-outputtabellen naar de aanbod- en gebruikstabellen plaats;

e) ramen van cijfers voor tijdvakken waarvoor minder betrouwbare informatie beschikbaar is, bij voorbeeld het ramen van jaarcijfers op basis van gedetailleerde aanbod- en gebruikstabellen van een basisjaar of van kwartaalcijfers op basis van de jaarlijkse aanbod- en gebruikstabellen.

9.12. De aanbod- en gebruikstabellen en de symmetrische input-outputtabel gegeven een gedetailleerd beeld van de structuur van het aanbod en gebruik van goederen, diensten en arbeid en van de bijbehorende primaire inkomens. Samen met de hieruit af te leiden verhoudingscijfers, zoals die voor de produktiviteit, zijn deze tabellen belangrijk voor economische analyses.

9.13. De aanbod- en gebruikstabellen en de symmetrische input-outputtabel kunnen ook worden gebruikt als hulpmiddelen voor economische analyses. Beide soorten tabellen hebben ieder hun eigen kwaliteiten. Voor de berekening van directe en indirecte effecten moeten aanbod- en gebruikstabellen worden aangepast met behulp van specifieke veronderstellingen en extra statistische informatie, met name wanneer cumulatieve effecten moeten worden berekend. In feite komt de berekening van cumulatieve effecten aan de hand van een aanbod- en gebruikstabel neer op het samenstellen van een symmetrische input-outputtabel. Voor de berekening van cumulatieve effecten wordt daarom de voorkeur gegeven aan de symmetrische input-outputtabel als instrument. Wanneer echter directe effecten en effecten van de eerste orde worden berekend, wordt doorgaans de voorkeur gegeven aan aanbod- en gebruikstabellen die op grond van een beperkt aantal veronderstellingen (of extra statistische informatie) zijn aangepast, omdat:

a) de berekening minder van veronderstellingen afhankelijk is;

b) een aanbod- en gebruikstabel gedetailleerder is dan de symmetrische input-outputtabel;

c) informatie uit de aanbod- en gebruikstabel beter aan andere statistische gegevens kan worden gekoppeld.

Deze eigenschappen zijn ook nuttig wanneer de aanbod- en gebruikstabellen in een macro-economisch model worden geïntegreerd: een dergelijk overkoepelend model staat dichter bij de statistische bronnen, kan veel gedetailleerde informatie verschaffen en kan vrij gemakkelijk worden gekoppeld aan informatiesystemen van andere statistische gegevens (b.v. over de arbeidsmarkt of het milieu).

9.14. De aanbod- en gebruikstabellen en de symmetrische input-outputtabel kunnen worden gebruikt voor de berekening van:

a) de gevolgen van veranderingen in prijzen of belastingtarieven voor de waarde van aanbod of gebruik;

b) de gevolgen van volumemutaties voor de waarde van aanbod of gebruik;

c) de gevolgen van prijsmutaties in het aanbod voor de prijzen van het gebruik;

d) de gevolgen van veranderingen in het gebruikvolume voor het aanbodvolume;

e) de gevolgen van veranderingen in het aanbodvolume voor het gebruiksvolume.

Uit de berekeningen kunnen zowel de indirecte als de directe effecten worden afgeleid. Een grote prijsstijging voor energie zal bij voorbeeld niet alleen van invloed zijn op bedrijfstakken met een groot energieverbruik, maar ook op bedrijfstakken die de produkten van de producenten met het hoge energieverbruik gebruiken. Met behulp van een aantal veronderstellingen kunnen ramingen voor dergelijke indirecte effecten aan de aanbod- en gebruikstabellen worden ontleend. Voorbeelden van gebruikelijke veronderstellingen zijn:

a) een constante structuur van de input uitgedrukt in waarde-eenheden;

b) een constante samenstelling van de waarde van de output naar bedrijfstak en naar produktgroep;

c) een constante samenstelling van de waarde van de consumptieve bestedingen van huishoudens naar produktgroep.

Deze algemene veronderstellingen zijn nogal star omdat ervan wordt uitgegaan dat de prijsverhoudingen niet veranderen, dat de produktieprocessen technisch niet evolueren en dat er geen substitutie plaatsvindt tussen bepaalde categorieën consumptieve bestedingen van de huishoudens. Ze kunnen evenwel worden gewijzigd door veranderingen in de prijsverhoudingen mogelijk te maken, bij voorbeeld met het Leontief-prijsmodel. Dit kan worden uitgebreid met econometrische of andere ramingen van de invloed van prijsverhoudingen en andere variabelen op technische coëfficiënten of de consumptieve bestedingen van huishoudens.

De berekeningen behoeven niet te worden beperkt tot het aanbod en gebruik van goederen en diensten. Ze kunnen ook worden toegepast op het aanbod en gebruik van arbeid en componenten van de toegevoegde waarde.

9.15. De aanbod- en gebruikstabellen en de symmetrische input-outputtabel kunnen in macro-economische modellen worden geïntegreerd om deze een gedetailleerde meso-economische basis te geven. Analyses waarvoor de aanbod- en gebruikstabellen en de symmetrische input-outputtabel worden gebruikt, zijn bij voorbeeld:

a) analyses van de produktie, de kostenstructuur en de produktiviteit;

b) prijsanalyses;

c) analyses van de werkzame personen;

d) analyses van de structuur van de investeringen, de consumptie, de uitvoer, enz.;

e) analyses van de relatie tussen de binnenlandse produktie en het milieu (b.v. door de aandacht te richten op het gebruik van specifieke produkten als brandstoffen, papier en glas);

f) analyses van de benodigde invoer van energie;

g) analyses van de gevolgen van nieuwe technologieën;

h) gevoeligheidsanalyses van de gevolgen van veranderingen in belastingregelingen en -tarieven.

AANBOD- EN GEBRUIKSTABELLEN

9.16. De tabellen 9.5 en 9.6 geven een gedetailleerder beeld van de aanbod- en gebruikstabellen.

9.17. De voor de bedrijfstakken gebruikte classificatie is de NACE Rev. 1 en die voor produkten is de CPA. Deze classificaties zijn volledig op elkaar afgestemd; op ieder aggregatieniveau geeft de CPA de belangrijkste produkten van de bedrijfstakken volgens de NACE Rev.1.

9.18. In de aanbod- en gebruikstabellen is de produktenclassificatie minstens zo gedetailleerd als de classificatie van de bedrijfstakken, d.w.z. het drie-digitniveau van de CPA en het twee-digitniveau van de NACE Rev.1.

9.19. Het onderscheid tussen marktoutput, output voor eigen finaal gebruik en overige niet-marktoutput moet alleen worden gebruikt voor de totale output per bedrijfstak; het onderscheid is niet voor iedere produktgroep vereist.

9.20. Het onderscheid tussen marktproducenten en producenten die voor eigen finaal gebruik produceren enerzijds en overige niet-marktproducenten anderzijds moet alleen per bedrijfstak worden gebruikt wanneer hierin beide typen producenten voorkomen. In het algemeen zal dit onderscheid daarom alleen worden gebruikt om een zeer beperkt aantal bedrijfstakken onder te verdelen, bij voorbeeld de gezondheidszorg en het onderwijs (zie punt 3.66).

9.21. De in- en uitvoer moet worden onderverdeeld in:

a) leveringen binnen de EU;

b) invoer uit en uitvoer naar derde landen.

Tabel 9.5 - Aanbodtabel tegen basisprijzen, inclusief de overgang naar aanbod tegen aankoopprijzen

>BEGIN VAN DE GRAFIEK>

Bedrijfstakken (NACE)

1 2 3 4 . . . . . . n

Ó (1)

Invoer cif

Totaal aanbod tegen basis

prijzen

Handels- en vervoersmarge

Saldo produkt-gebonden

belastingen en

subsidies

Totaal aanbod tegen aankoopprijzen

(1)

(2)

(3)

(4)

(5)

(6)

(7)

1

2

3

4

.

.

.

Produktgroepen (CPA)

(1)

Output per produktgroep en per bedrijfstak tegen basisprijzen

.

.

.

m

(Correctieposten)

Ó (1)

(2)

Totale output per bedrijfstak

0

Totaal, waarvan:

Marktoutput

Output voor eigen finaal gebruik

(3)

0

0

Overige niet-marktoutput

0

0

>EIND VAN DE GRAFIEK>

Tabel 9.6 - Gebruikstabel tegen aankoopprijzen

>BEGIN VAN DE GRAFIEK>

Bedrijfstakken (NACE)

1 2 3 . . . . . . n

Ó (1)

Finaal gebruik a) b) c) d) e) f)

Ó (3)

Ó (1) + Ó (3)

(1)

(2)

(3)

(4)

(5)

1

2

3

4

.

.

.

Produktgroepen (CPA)

(1)

Intermediair verbruik tegen aankoopprijzen per produktgroep en per bedrijfstak

.

.

.

m

(Correctieposten)

Finaal gebruik tegen aankoopprijzen:

Consumptieve bestedingen:

a) door huishoudens

b) door IZW's ten behoeve van huishoudens

c) door de overheid

Investeringen (bruto):

d) investeringen in vaste activa (bruto) en kostbaarheden

e) veranderingen in voorraden

f) uitvoer

Ó (1)

(2)

Totaal intermediair verbruik per bedrijfstak

Totaal finaal gebruik per type

Totaal gebruik

Beloning van werknemers

Netto niet-produktgebonden belastingen op produktie

Verbruik van vaste activa

Exploitatieoverschot (netto)

(3)

Componenten van de toegevoegde waarde per bedrijfstak

Ó (3)

(4)

Toegevoegde waarde per bedrijfstak

Ó (1) + Ó (3)

(5)

Output tegen basisprijzen per bedrijfstak

Aanvullende informatie:

Investeringen in vaste activa (bruto)

Kapitaalgoederenvoorraad

(6)

Input van arbeid

>EIND VAN DE GRAFIEK>

9.22. In de aanbodtabel worden goederen- en dienstenstromen gewaardeerd tegen basisprijzen en in de gebruikstabel tegen aankoopprijzen. Om ervoor te zorgen dat aanbod en gebruik gelijk zijn, geeft tabel 9.5 ook de overgang van het aanbod tegen basisprijzen naar het aanbod tegen aankoopprijzen. Omdat het aanbod gelijk moet zijn aan het gebruik, volgt uit de tabel ook de overgang van het gebruik tegen aankoopprijzen naar het gebruik tegen basisprijzen. Hieraan kunnen daarom twee identiteiten worden ontleend:

a) aanbod tegen aankoopprijzen is gelijk aan gebruik tegen aankoopprijzen;

b) aanbod tegen basisprijzen is gelijk aan gebruik tegen basisprijzen.

9.23. De toegevoegde waarde wordt geregistreerd tegen basisprijzen. Het is het nettoverschil tussen de output gewaardeerd tegen basisprijzen en het intermediair verbruik gewaardeerd tegen aankoopprijzen.

9.24. Toegevoegde waarde tegen factorkosten is geen ESR-begrip. Toch kan deze worden berekend door van de toegevoegde waarde tegen basisprijzen het saldo van de niet-produktgebonden belastingen en subsidies af te trekken.

9.25. Het BBP wordt gewaardeerd tegen marktprijzen. Dit aggregaat kan op drie manieren uit de aanbod- en gebruikstabellen worden afgeleid:

a) de totale output tegen basisprijzen per bedrijfstak minus het totale intermediair verbruik tegen aankoopprijzen per bedrijfstak plus de netto produktgebonden belastingen (de produktiemethode); het intermediair verbruik omvat het verbruik van indirect gemeten diensten van financiële intermediairs, dat wordt geregistreerd in een nominale bedrijfstak (zie punt 9.33);

b) de aggregaten van de diverse componenten van de toegevoegde waarde tegen basisprijzen per bedrijfstak minus het verbruik van indirect gemeten diensten van financiële intermediairs (geregistreerd in een nominale bedrijfstak, zie punt 9.33) plus de netto produktgebonden belastingen (de inkomensmethode);

c) de som van de categorieën finaal gebruik minus de invoer: uitvoer - invoer + consumptieve bestedingen + bruto-investeringen (alle tegen aankoopprijzen) (de bestedingenmethode).

9.26. De gebruikstabel 9.6 bevat ook enige aanvullende informatie: bruto-investeringen in vaste activa, kapitaalgoederenvoorraad en input van arbeid per bedrijfstak. Deze informatie is van cruciaal belang voor produktiviteitsanalyses en kan ook voor diverse andere soorten analyses worden gebruikt (b.v. van de werkzame personen).

9.27. In het ESR wordt de kapitaalgoederenvoorraad gewaardeerd tegen de op de balansdatum geldende marktprijzen. Voor in vroegere jaren gekochte vaste activa betekent dit dat de waarde ervan moet worden herberekend op basis van de lopende marktprijzen voor nieuwe activa van dezelfde soort en kwaliteit en het verbruik in voorgaande jaren. Deze nettobenadering van de kapitaalgoederenvoorraad kan worden gebruikt voor de berekening van de kapitaalintensiteit. Voor een produktiviteitsanalyse wordt evenwel meestal een brutobenadering gebruikt, waarbij alle vaste activa worden gewaardeerd tegen de huidige marktprijzen van nieuwe activa van dezelfde soort en kwaliteit, terwijl geen bedrag in mindering wordt gebracht voor het verbruik van de vaste activa in het laatste jaar of in eerdere jaren. Deze brutobenadering van de kapitaalgoederenvoorraad is niet de standaardaanpak van het ESR, maar kan met behulp van de "perpetual inventory method" wel gemakkelijk worden berekend. Omdat van dergelijke brutocijfers goed gebruik kan worden gemaakt, verdient het aanbeveling zowel de bruto- als de nettocijfers over de kapitaalgoederenvoorraad als aanvullende informatie op te nemen.

9.28. Voor produktiviteitsanalyses geniet het aantal gewerkte uren de voorkeur als variabele voor de input van arbeid. Voor informatie over het aantal werkzame personen kan echter ook het aantal banen interessant zijn. Voor beide variabelen kan een onderscheid worden gemaakt in, bij voorbeeld, werknemers en zelfstandigen.

9.29. Voor een juiste opstelling en een correct begrip van aanbod- en gebruikstabellen is het van belang enige in het ESR gebruikte boekdhoudkundige regels onder de aandacht te brengen:

a) de output van hulpactiviteiten wordt niet afzonderlijk geregistreerd; alle door een hulpactiviteit verbruikte input wordt behandeld als input voor de hoofd- of nevenactiviteit die erdoor wordt ondersteund. Tot de hulpactiviteiten behoren bij voorbeeld marketing, boekhouding, opslag en reiniging (zie de punten 3.12 en 3.13);

b) goederen en diensten die binnen een zelfde verslagperiode binnen een zelfde lokale EEA worden geproduceerd en verbruikt, worden niet afzonderlijk geïdentificeerd. Ze worden dan ook niet geregistreerd als deel van de output of het intermediair verbruik van die lokale EEA. Dit betreft onder andere:

(1) zaai- en pootgoed,

(2) door mijnen verbruikte steenkool voor het produceren van briketten,

(3) door elektriciteitscentrales verbruikte elektrische energie;

c) kleine bewerkingen, onderhoud en reparatie ten behoeve van andere lokale EEA's moeten netto worden geregistreerd, d.w.z. exclusief de waarde van de betrokken goederen. Wanneer de goederen evenwel een aanzienlijke fysieke verandering ondergaan, moet de transactie bruto worden geregistreerd, d.w.z. als koop en verkoop van de betrokken goederen;

d) duurzame goederen kunnen worden gehuurd of geleasd (operationele lease). Zij worden dan geregistreerd als investeringen in vaste activa en toegevoegd aan de kapitaalgoederenvoorraad van de bedrijfstak van de eigenaar. Voor de bedrijfstak van de gebruiker wordt intermediair verbruik ter waarde van de huur- of leasesom geregistreerd;

e) uitzendkrachten worden als werknemer geregistreerd bij de bedrijfstak van de uitzendbureaus en niet bij die van het bedrijf waar zij feitelijk werken. Hun betaling wordt in de bedrijfstak waar zij feitelijk werken dan ook geregistreerd als intermediair verbruik (en niet als beloning van werknemers). Uitbesteed werk wordt op soortgelijke wijze behandeld;

f) werkzame personen en beloning van werknemers zijn in het ESR ruime begrippen:

(1) personen die uit sociale motieven werk hebben gekregen, worden ook tot de werkzame personen gerekend; dit betreft bij voorbeeld werkplaatsen voor gehandicapten, werkgelegenheidsprogramma's voor langdurig werklozen of jonge werkzoekenden. De betrokkenen zijn in dat geval ook werknemers en ontvangen een beloning (en geen sociale overdrachten), hoewel hun produktiviteit wellicht (veel) lager is dan die van andere werknemers,

(2) tot de werkzame personen behoren in een aantal gevallen ook personen die helemaal niet geacht worden te werken, bij voorbeeld personen die zijn ontslagen, maar die nog enige tijd betalingen van hun vroegere werkgever ontvangen. De input van arbeid uitgedrukt in aantal gewerkte uren wordt door deze afspraak niet vertekend, daar er feitelijk geen enkel uur wordt gewerkt.

9.30. In de aanbod- en gebruikstabellen moeten twee correctieposten worden ingevoerd om de waardering van de invoer in de aanbod- en gebruikstabellen in overeenstemming te brengen met die in de sectorrekeningen (zie ook de tabellen 9.5 en 9.6).

In de aanbodtabel wordt de invoer van goederen gewaardeerd tegen cif-waarden. Hierdoor worden de kosten van de invoer overgewaardeerd wanneer de in de cif-waarde begrepen vervoers- en verzekeringsdiensten door ingezetenen worden verleend (b.v. vervoer in eigen beheer of door gespecialiseerde ingezeten vervoerbedrijven). Om een goed evenwicht tussen invoer en uitvoer te verkrijgen moet de uitvoer van diensten daarom worden vermeerderd met het bedrag van deze overwaardering van de invoer. In de sectorrekeningen wordt de invoer van goederen gewaardeerd tegen fob-waarden. Hierdoor wordt de invoer net als bij de cif-waardering overgewaardeerd. Bij de fob-waardering is het verschil echter kleiner, wat betekent dat de toegerekende vermeerdering van de uitvoer ook kleiner is. Het resultaat van het gebruik van verschillende waarderingsprincipes is dus dat de totale invoer netto gelijk blijft, maar dat zowel de totale invoer als de totale uitvoer bij een cif-waardering groter is. De twee waarderingsprincipes kunnen in de aanbod- en gebruikstabellen met elkaar in overeenstemming worden gebracht door het gebruik van correctieposten bij de invoer en de uitvoer. De correctieposten moeten gelijk zijn aan de waarde van de door ingezetenen verleende vervoers- en verzekeringsdiensten, die wel in de cif-waarde, doch niet in de fob-waarde zijn begrepen, de kosten dus voor het vervoer en de verzekering tussen de grens van het land van uitvoer en die van het land van invoer. Wanneer deze correctieposten in de aanbod- en gebruikstabellen zijn opgenomen, behoeven zij bij de input-outputberekeningen geen speciale behandeling meer.

9.31. De overdracht van gebruikte goederen wordt in de gebruikstabel geregistreerd als negatieve uitgaven voor de verkoper en positieve voor de koper. Voor de desbetreffende produktgroep leidt de overdracht van het gebruikte goed tot een herclassificatie van het gebruik. Alleen de overdrachtskosten blijven buiten deze herclassificatie: zij worden geregistreerd als gebruik van een zakelijke dienst. Voor sommige beschrijvingen en analyses kan het nuttig zijn voor een aantal produktgroepen de relatieve omvang van de overdracht van gebruikte goederen afzonderlijk te vermelden, bij voorbeeld een studie over de markt voor tweedehands auto's of over het hergebruik van papier.

9.32. Directe aankopen van ingezetenen in het buitenland en aankopen van niet-ingezetenen op het binnenlands grondgebied worden gewoonlijk apart geraamd bij het samenstellen van statistieken. Zij worden opgevoerd als correcties op de eerste ramingen van de invoer, de uitvoer en, voor zover het bij de aankoop in het buitenland om consumptieartikelen gaat, de consumptieve bestedingen. Om een evenwicht te verkrijgen tussen het aanbod en het gebruik per produktgroep, moeten deze aankopen worden verdeeld over de betrokken produktgroepen. Indien voor een bepaalde produktgroep de omvang van deze aankopen aanzienlijk is, kunnen zij als subcategorie worden vermeld, bij voorbeeld bij de uitgaven voor huisvesting.

9.33. Overal in de aanbod- en gebruikstabellen wordt de NACE Rev.1-classificatie van de bedrijfstakken uitgebreid met een nominale bedrijfstak voor het gebruik van de indirect gemeten diensten van financiële intermediairs. In de aanbodtabel worden voor deze bedrijfstak in het geheel geen transacties geregistreerd. In de gebruikstabel wordt het totale gebruik van de indirect gemeten diensten van financiële intermediairs geregistreerd als intermediair verbruik van deze nominale bedrijfstak. Aangezien deze verder geen transacties heeft, is het netto-exploitatieoverschot negatief voor een bedrag ter hoogte van het intermediair verbruik; alle andere componenten van de toegevoegde waarde zijn nul. Bijgevolg is de totale bruto toegevoegde waarde gelijk aan het (negatieve) netto-exploitatieoverschot.

9.34. De overgang van aanbod en gebruik tegen basisprijzen naar die tegen aankoopprijzen behelst:

a) reallocatie van handelsmarges;

b) reallocatie van vervoersmarges;

c) het optellen van produktgebonden belastingen (zonder aftrekbare BTW);

d) het aftrekken van produktgebonden subsidies.

De raming van deze overgang is een belangrijk element bij het integreren van de aanbod- en gebruikstabellen. Een gedetailleerder beeld van de overgang kan worden gegeven in afzonderlijke tabellen (9.7 en 9.8), die ook nog van belang kunnen zijn voor analytische doeleinden, bij voorbeeld voor prijsanalyses en voor een analyse van de gevolgen van veranderingen in de tarieven van produktgebonden belastingen.

9.35. Bij het samenstellen van aanbod- en gebruikstabellen en bij het onderling afstemmen van aanbod en gebruik moet altijd een keuze worden gemaakt tussen twee tegengestelde manieren voor het corrigeren van de statistische gegevens:

a) het aanbod van ieder produkt tegen basisprijzen wordt herrekend tot een waardering tegen aankoopprijzen, zodat afstemming met het gebruik tegen aankoopprijzen mogelijk wordt;

b) het gebruik tegen aankoopprijzen wordt herrekend tot een waardering tegen basisprijzen, zodat afstemming met het aanbod tegen basisprijzen mogelijk wordt.

9.36. In de praktijk zullen beide soorten aanpassingen nodig zijn om een aanbod- en gebruikstabel te construeren. Beide vereisen correcties van het saldo van produktgebonden belastingen en subsidies en de handels- en vervoersmarges per produktgroep. In feite is het eerste alternatief niet mogelijk zonder het tweede, aangezien men doorgaans de kolommen voor produktgebonden belastingen, produktgebonden subsidies en handels- en vervoersmarges per produktgroep in de aanbodtabel niet kan ramen zonder dat men inzicht heeft gekregen in de verdeling naar gebruik van de afzonderlijke produktgroepen uit de gebruikstabel tegen aankoopprijzen (tabel 9.6).

9.37. Voor het verkrijgen van een evenwicht zijn dus onderstaande tabellen nodig:

a) de aanbod- en gebruikstabellen 9.5 en 9.6 met als uiteindelijke resultaat het evenwicht van het totale aanbod en het totale gebruik per produktgroep zowel tegen aankoop- als tegen basisprijzen;

b) de tabellen betreffende de handels- en vervoersmarges en het saldo van produktgebonden belastingen en subsidies (tabellen 9.7 en 9.8).

9.38. De overgang van aanbod en gebruik tegen basisprijzen naar aanbod en gebruik tegen aankoopprijzen (zie punt 9.34) komt neer op een herindeling van de handelsmarges: waardering tegen basisprijzen betekent dat de handelsmarges worden geregistreerd als deel van de handel in produkten, terwijl ze bij een waardering tegen aankoopprijzen worden ingedeeld bij de produkten waarop ze betrekking hebben. Mutatis mutandis geldt dit ook voor de vervoersmarges.

9.39. Het totaal van de handelsmarges per produktgroep is gelijk aan het totaal van de handelsmarges geproduceerd door de handel plus de handelsmarges geproduceerd als nevenactiviteit door de overige bedrijfstakken. Mutatis mutandis geldt dit ook voor de vervoersmarges.

Tabel 9.7 - Eenvoudige tabel betreffende handels- en vervoersmarges

>BEGIN VAN DE GRAFIEK>

Bedrijfstakken (NACE)

1 2 3 . . . . . . n

Ó (1)

Finaal gebruik a) b) c) d) e) f)

Ó (3)

Ó (1) + Ó (3)

(1)

(2)

(3)

(4)

(5)

1

2

3

.

.

.

Produktgroepen (CPA)

(1)

Handels- en vervoersmarges op het intermediair verbruik per produktgroep en per bedrijfstak

.

.

.

m

Handels- en vervoersmarges op het finaal gebruik:

Consumptieve bestedingen:

a) door huishoudens

b) door IZW's ten behoeve van huishoudens

c) door de overheid

Investeringen (bruto):

d) investeringen in vaste activa (bruto) en kostbaarheden

e) veranderingen in voorraden

f) uitvoer

Ó (1)

(2)

Handels- en vervoersmarges op het intermediair verbruik per bedrijfstak

Handels- en vervoersmarges op het finaal gebruik per type

Totaal handels- en vervoersmarges

>EIND VAN DE GRAFIEK>

Tabel 9.8 - Eenvoudige tabel betreffende het saldo van produktgebonden belastingen en subsidies

>BEGIN VAN DE GRAFIEK>

Bedrijfstakken (NACE)

1 2 3 . . . . . . n

Ó (1)

Finaal gebruik a) b) c) d) e) f)

Ó (3)

Ó (1) + Ó (3)

(1)

(2)

(3)

(4)

(5)

1

2

3

.

.

.

Produktgroepen (CPA)

(1)

Saldo van produktgebonden belastingen en subsidies in verband met intermediair verbruik per produktgroep en per bedrijfstak

.

.

.

m

Saldo van produktgebonden belastingen en subsidies in verband met finaal gebruik:

Consumptieve bestedingen:

a) door huishoudens

b) door IZW's ten behoeve van huishoudens

c) door de overheid

Investeringen (bruto):

d) investeringen in vaste activa (bruto) en kostbaarheden

e) veranderingen in voorraden

f) uitvoer

Ó (1)

(2)

Saldo van produktgebonden belastingen en subsidies in verband met intermediair verbruik per bedrijfstak

Saldo van produktgebonden belastingen en subsidies in verband met finaal gebruik per type

Totaal saldo van produktgebonden belastingen en subsidies

>EIND VAN DE GRAFIEK>

9.40. De vervoersmarge omvat de vervoerkosten die de koper apart betaalt; deze zijn wel begrepen in het gebruik van produkten tegen aankoopprijzen, maar niet in de basisprijzen van de output van een producent of in de handelsmarges van de groot- of detailhandel. De vervoersmarge omvat in het bijzonder:

a) het vervoer van goederen vanaf de plaats waar zij zijn vervaardigd naar de plaats waar de koper ze in ontvangst neemt, indien de producent de kosten voor het vervoer aan een derde partij betaalt en hij dit bedrag afzonderlijk bij de koper in rekening brengt;

b) het vervoer van goederen indien dit door de producent of de groot- of detailhandelaar zodanig is geregeld dat de koper afzonderlijk voor de vervoerkosten moet betalen, ook al geschiedt het vervoer door de producent of door de groot- of detailhandel zelf.

Alle andere vervoerkosten worden niet als vervoersmarge geregistreerd, bij voorbeeld:

a) wanneer de producent de goederen zelf vervoert, zijn de vervoerkosten in de basisprijzen van de output van de producent begrepen; dit vervoer is een hulpactiviteit en de vervoerkosten voor een bepaald goed zijn niet als zodanig identificeerbaar;

b) wanneer de producent ervoor zorgt dat de goederen vervoerd worden zonder dat de vervoersdiensten apart in rekening worden gebracht, zijn deze vervoerkosten begrepen in de basisprijzen van de producent; deze vervoerkosten zijn als zodanig identificeerbaar en worden geregistreerd onder het intermediair verbruik van de producent;

c) wanneer de groot- en detailhandel ervoor zorgen dat goederen worden vervoerd van de plaats waar zij ze in ontvangst nemen naar een plaats waar een andere koper ze op zijn beurt in ontvangst neemt, zijn de kosten hiervan in de handelsmarge begrepen wanneer geen afzonderlijke kosten voor het vervoer naar de koper in rekening worden gebracht. Net als bij de producenten kunnen deze kosten ook hier betrekking hebben op een hulpactiviteit van de groot- en detailhandel of de aankoop van een intermediaire dienst betreffen, zodat ze onder de handelsmarge vallen en niet onder de vervoersmarge;

d) wanneer een huishouden voor consumptiedoeleinden goederen koopt en een derde het vervoer laat verzorgen, worden deze vervoerkosten geregistreerd als consumptieve bestedingen aan vervoerdiensten (en niet als een handels- of vervoersmarge).

9.41. Tabel 9.7 geeft een enigszins vereenvoudigd beeld van een matrix van handels- en vervoersmarges, omdat:

a) er geen expliciet onderscheid tussen handels- en vervoersmarges wordt gemaakt. Beide kunnen voor iedere produktgroep worden getoond. Een andere oplossing is het gebruik van afzonderlijke tabellen: een voor handelsmarges en een voor vervoersmarges;

b) er bij handelsmarges een onderscheid moet worden gemaakt tussen groot- en detailhandel, zodat rekening kan worden gehouden met de prijsverschillen tussen beide. Bij het opstellen van de tabellen moet er voorts rekening mee worden gehouden dat de groothandel soms ook rechtstreeks aan huishoudens verkoopt (b.v. meubelen) en dat de detailhandel soms ook aan het bedrijfsleven verkoopt (b.v. aan cafés en restaurants);

c) er bij het berekenen en analyseren van handelsmarges op produkten bestemd voor consumptieve bestedingen door huishoudens voor iedere produktgroep een onderscheid kan worden gemaakt tussen de belangrijkste distributiekanalen, zodat de verschillen in hun prijsstelling in aanmerking kunnen worden genomen; het verschil tussen groothandels- en detailhandelsprijzen is in feite te grof. Huishoudens kunnen goederen en diensten bij voorbeeld in de supermarkt, de kruidenierswinkel, de bloemenzaak, het warenhuis of in het buitenland aanschaffen of ze als inkomen in natura ontvangen. Voor sommige produkten is de secundaire verkoop zeer omvangrijk, bij voorbeeld voor sigaretten die in cafés of restaurants of bij benzinestations worden verkocht. Uiteraard kunnen dergelijk verfijnde onderverdelingen alleen worden ingevoerd wanneer de beschikbare bronnen voldoende materiaal bieden om ten minste grove ramingen van de omvang van elk van deze distributiekanalen te kunnen maken;

d) bij het berekenen van de vervoersmarges een onderscheid naar wijze van vervoer (b.v. binnenvaart, rail-, zee-, weg- of luchtvervoer) zeer nuttig kan zijn.

9.42. De indirecte belastingen omvatten:

a) produktgebonden belastingen (D.21):

(1) belastingen over de toegevoegde waarde (BTW) (D.211),

(2) belastingen op invoer (exclusief BTW) (D.212),

(3) overige produktgebonden belastingen (D.214);

b) niet-produktgebonden belastingen op produktie (D.29).

Voor produktgebonden subsidies en subsidies op invoer worden soortgelijke categorieën onderscheiden. Deze subsidies worden behandeld als negatieve belastingen op produktie en invoer.

Zie voor de definities van al deze categorieën de punten 4.14-4.40.

9.43. Aanbod tegen basisprijzen omvat de netto niet-produktgebonden belastingen op produktie (d.w.z. minus de niet-produktgebonden subsidies). Om de overgang van basisprijzen naar aankoopprijzen te maken (of omgekeerd, zie punt 9.34), moeten de verschillende produktgebonden belastingen worden bijgeteld en de produktgebonden subsidies worden afgetrokken (of omgekeerd).

9.44. De BTW kan aftrekbaar, niet-aftrekbaar of niet van toepassing zijn:

a) aftrekbare BTW is gewoonlijk van toepassing op het merendeel van het intermediair verbruik, het merendeel van de bruto-investeringen in vaste activa en een deel van de veranderingen in voorraden;

b) niet-aftrekbare BTW is vaak van toepassing op de consumptieve bestedingen en voorts op een deel van de bruto-investeringen in vaste activa, een deel van de veranderingen in voorraden en een deel van het intermediair verbruik;

c) BTW is in het algemeen niet van toepassing op:

(1) uitvoer (althans naar landen buiten de EU),

(2) goederen of diensten waarvoor een nul-tarief voor de BTW geldt, ongeacht het gebruik dat ervan wordt gemaakt,

(3) producenten die van de BTW-registratie zijn vrijgesteld (kleine bedrijven, religieuze organisaties, enz.).

9.45. BTW wordt in het ESR netto geregistreerd: al het aanbod wordt tegen basisprijzen gewaardeerd, d.w.z. zonder in rekening gebrachte BTW. Intermediair verbruik en finaal gebruik worden tegen aankoopprijzen geboekt, d.w.z. zonder aftrekbare BTW.

9.46. Tabel 9.8 over het saldo van produktgebonden belastingen en subsidies is een vereenvoudigde tabel omdat:

a) de verschillende soorten produktgebonden belastingen niet worden onderscheiden en de subsidies niet apart worden vermeld;

b) er voor verschillende distributiekanalen uiteenlopende belastingtarieven en subsidies kunnen gelden; daarom moet een onderscheid naar distributiekanaal worden gemaakt wanneer er voldoende relevante informatie bestaat.

9.47. Bij produktgebonden belastingen en subsidies gaat het om bedragen die verschuldigd zijn en die duidelijk blijken uit belastingaanslagen, -aangiften, enz., of om bedragen die werkelijk zijn betaald (zie punt 4.27). Gewoonlijk worden de produktgebonden belastingen (en subsidies) per produkt geraamd door op de verschillende stromen de officiële belasting- c.q. subsidietarieven toe te passen. Naderhand moeten de verschillen met de belastingsaanslagen of de werkelijk betaalde bedragen worden geanalyseerd.

a) Sommige van deze verschillen wijzen erop dat de aanvankelijke raming van de produktgebonden belastingen niet in overeenstemming was met de ESR-definities. Daarom moet:

(1) in geval van vrijstelling de aanvankelijke raming van de produktgebonden belastingen worden verlaagd;

(2) in geval van ontwijking van de betaling van de produktgebonden belastingen (b.v. de betaling van belasting is wel verplicht, maar er komt geen belastingaanslag) de raming van de produktgebonden belastingen worden verlaagd;

(3) in geval van boetes de raming van de produktgebonden belastingen worden verhoogd.

Wijzigingen in de raming van de produktgebonden belastingen hebben ook gevolgen voor variabelen die op hun beurt worden geraamd door de genoemde raming ergens bij op te tellen of ergens van af te trekken. Zo kan de output tegen basisprijzen van een bepaalde produktgroep worden geraamd door onder meer de produktgebonden belastingen van het geraamde gebruik tegen aankoopprijzen af te trekken. Een raming van de output tegen basisprijzen kan echter ook worden gecombineerd met onder meer ramingen van de produktgebonden belastingen, teneinde een raming van het gebruik tegen aankoopprijzen te verkrijgen.

b) Diverse andere soorten verschillen moeten in de aanbod- en gebruikstabel buiten beschouwing worden gelaten:

(1) overloop: zo kunnen betalingen betrekking hebben op de belastingaanslagen voor verschillende jaren;

(2) ondernemingen die niet tot betaling in staat zijn (faillissement): dit moet worden geregistreerd als overige volumemutaties in vorderingen en schulden en dus niet in de aanbod- en gebruikstabel.

c) Soms wijzen de verschillen ook uit dat er een ernstige fout gemaakt is bij de aanvankelijke raming van de produktgebonden belastingen en subsidies, bij voorbeeld omdat de output te laag is geraamd. Dan kunnen ook wijzigingen in de raming van de goederen- en dienstenstromen gerechtvaardigd zijn.

Bij de overgang van gebruik per produkt tegen aankoopprijzen naar dat tegen basisprijzen kan de wijziging van de aanvankelijke raming van de produktgebonden belastingen en subsidies als afzonderlijke post worden vermeld. Voor alle input-outputberekeningen moet deze wijziging per produktgroep worden vastgesteld, ook al is dit alleen op basis van een eenvoudige wiskundige methode mogelijk (b.v. proportionele verdeling).

9.48. Uit de gebruikstabel 9.6 blijkt niet in hoeverre de gebruikte goederen en diensten in het binnenland zijn geproduceerd of zijn ingevoerd. Deze informatie is nodig voor alle analyses waarin de relatie tussen het aanbod en het gebruik van goederen en diensten binnen de nationale economie een rol speelt. Dit betreft onder meer de analyse van de gevolgen van veranderingen in de uitvoer of de consumptieve bestedingen op de invoer, de binnenlandse produktie en verwante variabelen, zoals de werkzame bevolking. In feite geldt het voor de meeste van de in de punten 9.14 en 9.15 genoemde analyses. Het input-outputsysteem bevat daarom ook een gebruikstabel voor ingevoerde produkten en een voor in het binnenland geproduceerde goederen en diensten (zie de tabellen 9.9 en 9.10).

9.49. De gebruikstabel voor ingevoerde produkten moet worden opgesteld door alle over het gebruik van ingevoerde produkten beschikbare informatie te verwerken: zo kunnen voor sommige produkten de belangrijkste importeurs bekend zijn en voor bepaalde producenten is er wellicht informatie over de omvang van de invoer. In het algemeen is er echter nauwelijks rechtstreekse statistische informatie over het gebruik van ingevoerde produkten. Gewoonlijk zal deze daarom moeten worden aangevuld door per produktgroep veronderstellingen te doen.

9.50. De gebruikstabel voor in het binnenland geproduceerde goederen en diensten kan worden verkregen door van de algemene gebruikstabel de gebruikstabel voor ingevoerde produkten af te trekken.

d

Tabel 9.9 - Gebruikstabel voor de invoer

>BEGIN VAN DE GRAFIEK>

Bedrijfstakken (NACE)

1 2 3 . . . . . . n

Ó (1)

Finaal gebruik a) b) c) d) e) f)

Ó (3)

Ó (1) + Ó (3)

(1)

(2)

(3)

(4)

(5)

1

2

3

.

.

.

Produktgroepen (CPA)

(1)

Voor ingevoerde produktgroepen: intermediair verbruik tegen aankoopprijzen/cif-waarden per produktgroep en per bedrijfstak

.

.

.

m

Voor ingevoerde produkten:

Finaal gebruik tegen aankoopprijzen/cif-waarden:

Consumptieve bestedingen:

a) door huishoudens

b) door IZW's t.b.v. huishoudens

c) door de overheid

Investeringen (bruto):

d) investeringen in vaste activa (bruto) en kostbaarheden

e) veranderingen in voorraden

f) uitvoer

Ó (1)

(2)

Totaal intermediair verbruik van ingevoerde produktgroepen per bedrijfstak

Totaal finaal gebruik van ingevoerde produktgroepen per type

Totale invoer

>EIND VAN DE GRAFIEK>

Tabel 9.10 - Gebruikstabel tegen basisprijzen voor de binnenlandse output

>

BEGIN VAN DE GRAFIEK>

Bedrijfstakken (NACE)

1 2 3 . . . . . . n

Ó (1)

Finaal gebruik a) b) c) d) e) f)

Ó (3)

Ó (1) + Ó (3)

(1)

(2)

(3)

(4)

(5)

1

2

3

.

.

.

Produktgroepen (CPA)

(1)

Voor binnenlandse output: intermediair verbruik tegen basisprijzen per produktgroep en per bedrijfstak

.

.

.

m

Voor binnenlandse output:

Finaal gebruik tegen basisprijzen:

Consumptieve bestedingen:

a) door huishoudens

b) door IZW's t.b.v. huishoudens

c) door de overheid

Investeringen (bruto):

d) investeringen in vaste activa (bruto) en kostbaarheden

e) veranderingen in voorraden

f) uitvoer

Ó (1)

(2)

Totaal intermediair verbruik van binnenlandse output tegen basisprijzen per bedrijfstak

Finaal gebruik van binnenlandse output tegen basisprijzen

Totaal binnenlandse output

Gebruik van ingevoerde produktgroepen

(3)

Totaal intermediair verbruik van ingevoerde produktgroepen per bedrijfstak

Finaal gebruik van ingevoerde produktgroepen tegen basisprijzen

Totale invoer

Netto produktgebonden belastingen

(4)

Netto produktgebonden belastingen op produktgroepen voor intermediair verbruik per bedrijfstak

Netto produktgebonden belastingen op produktgroepen voor finaal gebruik

Totaal netto produktgebonden belastingen

Ó (1) + (3) + (4)

(5)

Totaal intermediair verbruik in aankoopprijzen per bedrijfstak

Totaal finaal gebruik per type

Totaal gebruik

Beloning van werknemers

(6)

Componenten van de toegevoegde waarde per bedrijfstak

Netto niet-produktgebonden belastingen op produkten

Verbruik van vaste activa

Exploitatieoverschot (netto)

Ó (6)

(7)

Toegevoegde waarde per bedrijfstak

Ó (1) + (3) + (4) + Ó (6)

(8)

Output tegen basisprijzen per bedrijfstak

Investeringen in vaste activa

(9)

Kapitaalgoederenvoorraad

Input van arbeid

>EIND VAN DE GRAFIEK>

9.51. Voor bijzondere doeleinden kunnen de hierboven gepresenteerde aanbod- en gebruikstabellen worden gewijzigd door alternatieve en aanvullende classificaties te gebruiken. Belangrijk in dit verband zijn:

a) gedetailleerde classificaties van de produkten en bedrijfstakken, die zijn gebaseerd op nationale classificaties of die zijn opgesteld voor bijzondere doeleinden, bij voorbeeld voor een analyse van de rol van speur- en ontwikkelingswerk in de nationale economie;

b) een uitvoeriger geografische indeling van de invoer en de uitvoer, door bij voorbeeld de intra-EU-handel in te delen naar land en de extra-EU-handel naar economische regio en enkele specifieke landen, zoals de Verenigde Staten en Japan;

c) een indeling van de invoer in:

(1) invoer van produkten die ook in het binnenland worden voortgebracht (concurrerende invoer),

(2) invoer van produkten die niet in het binnenland worden voortgebracht (niet-concurrerende invoer).

Voor deze twee soorten invoer geldt dat hun verband met en hun belang voor de nationale economie niet gelijk is. Concurrerende invoer wordt wellicht geanalyseerd omdat deze invoer een substituut kan vormen voor de binnenlandse output (er kan dan economisch beleid op worden gebaseerd); daarom kan deze invoer als een afzonderlijke categorie van (potentieel) finaal gebruik in de gebruikstabellen worden opgenomen. Voor niet-concurrerende invoer zullen analyses vooral betrekking hebben op de gevolgen van veranderingen in prijs of volume (b.v. bij een oliecrisis) voor de nationale economie;

d) een classificatie van de beloning van werknemers naar criteria als onderwijsniveau, voltijd/deeltijd, leeftijd en geslacht. Deze classificatie kan dan worden toegepast op de aanvullende informatie over de werkzame personen. Zo kunnen de aanbod- en gebruikstabellen ook voor allerlei arbeidsmarktanalyses worden gebruikt;

e) een uitsplitsing van de beloning van werknemers in:

(1) lonen, waarvan:

- sociale premies t.l.v. werknemers (90),

(2) sociale premies t.l.v. werkgevers.

Aan de hand van deze indeling kan de rol van de sociale premies voor de prijs van de input van arbeid en de verschuiving van deze last naar het bruto-exploitatieoverschot worden geanalyseerd;

f) een indeling van de consumptie naar functie (voor huishoudens: COICOP, en voor de overheid: COFOG). Door de functionele classificatie van de consumptieve bestedingen is het mogelijk de gevolgen van iedere functie voor de rest van de economie vast te stellen. Zo kan het belang van de particuliere en overheidsuitgaven voor de gezondheidszorg, het vervoer en het onderwijs worden bepaald. Ook is dit van belang voor de analyse van de gevolgen van de overheidsuitgaven voor defensie voor bepaalde binnenlandse bedrijfstakken, met name de vliegtuig-, vrachtwagen- en wapenindustrie;

g) een herclassificatie van de investeringen in vaste activa en van de kapitaalgoederenvoorraad in het geval dat de betrokken kapitaalgoederen door de eigenaar zijn verhuurd, bij voorbeeld bij operationele lease: de vaste activa kunnen worden geregistreerd alsof de gebruiker ze in eigendom heeft (in afwijking van de standaardbehandeling in het ESR). Met deze herclassificatie wordt beoogd de kostenstructuur van bedrijfstakken die vaste activa leasen, vergelijkbaar te maken met die van bedrijfstakken die dergelijke vaste activa in eigendom hebben. Voor een consequente boekhoudkundige behandeling is voor deze herclassificatie tevens nodig dat het intermediair verbruik van de lessee en de output van de lessor worden gewijzigd met de leasesom voor de vaste activa;

h) een herclassificatie van de werkzame personen en de beloning van werknemers voor uitbesteed werk en voor uitzendkrachten. Met deze herclassificatie wordt beoogd de kostenstructuur van bedrijfstakken beter vergelijkbaar te maken door personen als werknemer te registreren bij de bedrijfstak waar zij feitelijk werken. Deze herclassificatie komt neer op een wijziging van de begrippen intermediair verbruik en output van de betrokken bedrijfstakken.

TABELLEN VOOR HET KOPPELEN VAN AANBOD- EN GEBRUIKSTABELLEN AAN DE SECTORREKENINGEN

9.52. De informatie in de aanbod- en gebruikstabellen moet worden gekoppeld aan de sectorrekeningen, zodat ze hiermee in overeenstemming zijn. Dit wordt bereikt door de opneming van een kruistabel met variabelen van bedrijfstakken en sectoren (zie tabel 9.11).

Tabel 9.11 - Koppeling aanbod- en gebruikstabellen aan sectorrekeningen

>BEGIN VAN DE GRAFIEK>

aeFN1,àSektorenaeBOà>Bedrijfstakken (NACE)

1 2 3 . . . . . . n

Ó (1)

(1)

(2)

I. Niet-financiële vennootschappen

Totale output

Marktoutput

Output voor eigen finaal gebruik

Overige niet-marktoutput

Intermediair verbruik

Toegevoegde waarde (bruto)

Beloning van werknemers

Netto niet-produktgebonden belastingen op produktie

Verbruik van vaste activa

(1)

Exploitatieoverschot (netto)

Investeringen in vaste activa (bruto)

II. Financiële instellingen

Totale output

. . .

Investeringen in vaste activa (bruto)

III. Overheid

IV. Huishoudens

V. IZW's t.b.v. huishoudens

Totaal der sectoren

Output

(2)

. . .

Investeringen in vaste activa (bruto)

>EIND VAN DE GRAFIEK>

SYMMETRISCHE INPUT-OUTPUTTABELLEN

9.53. In het ESR is de input-outputtabel van het type produktgroep × produktgroep de belangrijkste symmetrische input-outputtabel; hieronder wordt een dergelijke tabel beschreven.

9.54. Een input-outputtabel van het type produktgroep × produktgroep (zie de tabellen 9.4 en 9.12) kan worden samengesteld door de aanbod- en gebruikstabellen tegen basisprijzen te transformeren. Dit betekent een verandering van de lay-out, d.w.z. in plaats van twee asymmetrische tabellen komt er één symmetrische tabel (zie ook punt 9.09). De transformatie kan worden opgesplitst in drie fases:

a) overboeking van nevenprodukten in de aanbodtabel naar de bedrijfstakken waarvan zij hoofdprodukten zijn;

b) herschikking van de kolommen van de gebruikstabel van input van bedrijfstakken naar input van homogene branches (zonder aggregatie van de regels);

c) zo nodig aggregatie van afzonderlijke produkten (regels) in de nieuwe gebruikstabel in relatie tot de in de kolommen opgenomen homogene branches.

9.55. Fase a) houdt de overboeking in van output in de vorm van nevenprodukten in de aanbodtabel. Aangezien nevenprodukten in de aanbodtabel niet op de diagonaal voorkomen, is een dergelijke overboeking een vrij eenvoudige aangelegenheid. De nevenprodukten worden toegevoegd aan de bedrijfstakken waar zij de hoofdprodukten zijn en verwijderd bij de bedrijfstakken waar zij zijn geproduceerd.

9.56. Fase b) is ingewikkelder, aangezien de basisgegevens over de input betrekking hebben op de totale output van een bedrijfstak en niet op ieder afzonderlijk voortgebracht produkt binnen deze output. De hier te verrichten transformatie behelst de overboeking van de input van de nevenprodukten van de bedrijfstak waar de nevenproduktie plaatsvond naar de bedrijfstak waaraan zij wordt toegerekend (zie fase a)). Voor deze overboeking zijn twee methoden mogelijk:

(1) door middel van aanvullende statistische en technische informatie;

(2) door middel van veronderstellingen.

9.57. raar mogelijk moet gebruik worden gemaakt van aanvullende statistische en technische informatie. Zo is het wellicht mogelijk specifieke informatie in te winnen over de voor het produceren van bepaalde soorten benodigde input. Dergelijke informatie is echter doorgaans onvolledig. Uiteindelijke zal meestal moeten worden uitgegaan van eenvoudige veronderstellingen om de overboeking te kunnen maken.

Tabel 9.12 - Symmetrische input-outputtabel tegen basisprijzen (produktgroep × produktgroep)

>

BEGIN VAN DE GRAFIEK>

Produktgroepen (CPA)

1 2 3 . . . . . . n

Ó (1)

Finaal gebruik

a) b) c) d) e) f)

Ó (3)

Ó (1) + Ó (3)

(1)

(2)

(3)

(4)

(5)

Produktgroepen

(CPA)

1

2

3

.

.

.

.

.

.

n

(1)

Intermediair verbruik tegen basisprijzen, produktgroep × produktgroep

Finaal gebruik tegen basisprijzen:

Consumptieve bestedingen:

a) door huishoudens

b) door IZW's t.b.v. huishoudens

c) door de overheid

Investeringen (bruto):

d) investeringen in vaste activa (bruto) en kostbaarheden

e) veranderingen in voorraden

f) uitvoer

Ó (1)

(2)

Totaal intermediair verbruik tegen basisprijzen per produktgroep

Finaal gebruik tegen basisprijzen per type

Totaal gebruik tegen basisprijzen

Produktgebonden belastingen

Produktgebonden subsidies (-)

(3)

Netto produktgebonden belastingen per produktgroep

Netto produktgebonden belastingen per type finaal gebruik

Totaal netto produktgebonden belastingen

Ó (1) + (3)

(4)

Totaal intermediair verbruik tegen aankoopprijzen per produktgroep

Totaal finaal gebruik per type tegen aankoopprijzen

Totaal gebruik tegen aankoopprijzen

Beloning van werknemers

Netto niet-produktgebonden belastingen op produkten

Verbruik van vaste activa

Exploitatieverschot (netto)

(5)

Componenten van de toegevoegde waarde per produktgroep

Ó (5)

(6)

Toegevoegde waarde per produktgroep

Ó (1) + (3) + Ó (5)

(7)

Output tegen basisprijzen per produktgroep

Invoer

(8)

Invoer cif per produktgroep

(7) + (8)

(9)

Aanbod tegen basisprijzen per produktgroep

Investeringen in vaste activa

Kapitaalgoederenvoorraad

Input van arbeid

(10)

>EIND VAN DE GRAFIEK>

9.58. De aannamen die worden gedaan bij de overboeking van de output en de bijbehorende input zijn gebaseerd op twee soorten technologieveronderstellingen:

a) bedrijfstaktechnologie, waarbij wordt verondersteld dat alle door lokale EEA's in een bedrijfstak voortgebrachte produkten dezelfde inputstructuur hebben;

b) produkttechnologie, waarbij wordt verondersteld dat alle produkten in een produktgroep dezelfde inputstructuur hebben, ongeacht de bedrijfstak die ze produceert.

Het kiezen van de beste veronderstelling voor een bepaald geval is niet eenvoudig en is in feite afhankelijk van de structuren van het nationale bedrijfsleven, zoals van de mate van specialisatie, en van de homogeniteit van de technologieën die in een land voor het produceren van produkten binnen dezelfde produktgroep worden gebruikt. Laarzen kunnen bij voorbeeld van leer of van kunststof worden gemaakt. Ervan uitgaan dat voor alle laarzen (of op een hoger aggregatieniveau bij voorbeeld schoeisel) dezelfde produkttechnologie wordt gebruikt, kan dus problematisch zijn; in dat geval kan het de voorkeur verdienen om uit te gaan van de bedrijfstaktechnologie.

Vaak blijkt een eenvoudige toepassing van de veronderstelling van de produkttechnologie tot onaanvaardbare resultaten te leiden, aangezien de gegenereerde input-outputcoëfficiënten soms onwaarschijnlijk of zelfs onmogelijk zijn (b.v. negatief). Onwaarschijnlijke coëfficiënten kunnen te wijten zijn aan meetfouten en aan de heterogeniteit ("produkt-mix") in de bedrijfstak waarvan het overgeboekte produkt het hoofdprodukt is. Hiervoor kan worden gecorrigeerd met behulp van aanvullende informatie of door gebruik te maken van de aanwezige expertise. Natuurlijk kan ook de alternatieve veronderstelling van de bedrijfstaktechnologie worden toegepast. In de praktijk is de beste strategie voor de opstelling van symmetrische input-outputtabellen het gebruik van beide technologieveronderstellingen in combinatie met aanvullende informatie.

9.59. Het belang van de rol van de veronderstellingen is afhankelijk van de mate waarin nevenprodukten worden voortgebracht, en dit hangt niet alleen af van de wijze waarop het produktieproces in de economie georganiseerd is, maar ook van de produktenclassificatie. Hoe gedetailleerder deze is, des te meer nevenprodukten zijn er te verwachten.

9.60. In fase c) worden de produkten in de nieuwe gebruikstabel geaggregeerd conform de bedrijfstakken die deze produkten ingevolge fase a) genereren; dit resulteert in een symmetrische input-outputtabel met een dubbele ingang van produkten en nevenprodukten. Daar deze wijzigingen beginnen bij gegevens die gebaseerd zijn op lokale EEA's, is de uiteindelijke registratie in overeenstemming met die van "homogene-produktie-eenheden".

9.61. De classificaties in de symmetrische input-outputtabel vallen samen met die in de aanbod- en gebruikstabellen, aangezien de symmetrische input-outputtabel hiervan een omzetting is (uiteraard met uitzondering van de indeling naar bedrijfstak/homogene branche).

9.62. De symmetrische input-outputtabel 9.12 moet vergezeld gaan van ten minste twee tabellen:

a) een matrix voor het gebruik van ingevoerde produkten; de lay-out van deze tabel is gelijk aan die van de invoertabel ter ondersteuning van de aanbod- en gebruikstabellen (zie tabel 9.10), afgezien van het feit dat de produktenclassificatie wordt gebruikt;

b) een symmetrische input-outputtabel voor de binnenlandse output (tabel 9.13).

Deze laatste tabel moet worden gebruikt voor de berekening van de gecumuleerde coëfficienten, d.w.z. de Leontief-inverse. In tabel 9.13 is de Leontief-inverse de inverse van het verschil tussen identiteitsmatrix I en de matrix van technische coëfficiënten die het resultaat is van matrix [(1), (1)]. Er zou ook een Leontief-inverse kunnen worden berekend voor de binnenlandse output en de concurrerende invoer (zie punt 9.51). In dat geval moet men ervan uitgaan dat de concurrerende invoer op dezelfde wijze is geproduceerd als de binnenlandse output waarmee deze invoer concurreert.

Tabel 9.13 - Symmetrische input-outputtabel voor de binnenlandse output (produktgroep × produktgroep)

>BEGIN VAN DE GRAFIEK>

Produktgroepen (CPA)

1 2 3 . . . . . . n

Ó (1)

Finaal gebruik

a) b) c) d) e) f)

Ó (3)

Ó (1) + Ó (3)

(1)

(2)

(3)

(4)

(5)

Produktgroepen

(CPA)

1

2

3

.

.

.

.

.

.

n

(1)

Voor binnenlandse output: Intermediair verbruik tegen basisprijzen, produktgroep x produktgroep

Voor binnenlandse output:

Finaal gebruik tegen basisprijzen:

Consumptieve bestedingen:

a) door huishoudens

b) door IZW's t.b.v. huishoudens

c) door de overheid

Investeringen (bruto):

d) investeringen in vaste activa (bruto) en kostbaarheden

e) veranderingen in voorraden

f) uitvoer

Ó (1)

(2)

Totaal intermediair verbruik van binnenlandse output tegen basisprijzen per produktgroep

Finaal gebruik van binnenlandse output tegen basisprijzen

Totaal binnenlandse output

Gebruik van ingevoerde produktgroepen

(3)

Totaal intermediair verbruik van ingevoerde produktgroepen per produktgroep

Finaal gebruik van ingevoerde produktgroepen tegen basisprijzen

Totale invoer

Netto produktgebonden belastingen

(4)

Netto produktgebonden belastingen op produktgroepen voor intermediair verbruik per produktgroep

Netto produktgebonden belastingen op produktgroepen voor finaal gebruik

Totaal netto produktgebonden belastingen

Ó (1) + (3) + (4)

(5)

Totaal intermediair verbruik tegen aankoopprijzen per produktgroep

Totaal finaal gebruik per type

Totaal gebruik

Beloning van werknemers

Niet-produktgebonden belastingen op produkten

Verbruik van vaste activa

Exploitatieoverschot (netto)

(6)

Componenten van de toegevoegde waarde per produktgroep

Ó (6)

(7)

Toegevoegde waarde per produktgroep

Ó (1) + (3) + (4) + Ó (6)

(8)

Output tegen basisprijzen per produktgroep

Investeringen in vaste activa

Kapitaalgoederenvoorraad

Input van arbeid

(9)

>EIND VAN DE GRAFIEK>

HOOFDSTUK 10

HET METEN VAN PRIJS- EN VOLUMEMUTATIES

10.01. In een systeem van economische rekeningen worden alle stromen en standen in geld uitgedrukt. De zeer uiteenlopende transacties die in het systeem zijn opgenomen, kunnen alleen door waardering in geld op een gemeenschappelijke noemer worden gebracht, waardoor tevens relevante saldi kunnen worden afgeleid.

Het probleem bij het gebruik van geld als meeteenheid is dat het geen stabiele of internationale standaard is. Een belangrijk aspect bij economische analyses is het meten van het volume van de economische groei in de loop der tijd. In dat geval moeten mutaties in de waarde van bepaalde economische aggregaten worden gesplitst in mutaties die uitsluitend het gevolg zijn van prijsmutaties en de overige, die volumemutaties worden genoemd.

Economische analyses hebben mede betrekking op internationale vergelijkingen, d.w.z. die tussen verschillende nationale economieën. Centraal in de analyse staan dan de internationale vergelijkingen van het produktie- en inkomensniveau, maar ook het prijspeil is van belang. Het is daarom noodzakelijk de verschillen in waarde tussen economische aggregaten van paren of groepen landen te splitsen in een volume- en een prijscomponent.

10.02. Bij vergelijkingen van stromen en standen in de tijd is een accurate meting van prijs- en volumemutaties even belangrijk. Op de korte termijn is de waarneming van prijsmutaties zeker niet van minder belang dan het meten van de volumemutaties van vraag en aanbod. Op de wat langere termijn moet bij de bestudering van de economische groei rekening worden gehouden met wijzigingen van de relatieve prijzen van de verschillende soorten goederen en diensten.

De eerste doelstelling is niet het verschaffen van allesomvattende indicatoren voor prijs- en volumemutaties van de belangrijkste aggregaten van het systeem, maar het opbouwen van een set van onderling afhankelijke indicatoren waarmee systematische en gedetailleerde analyses kunnen worden gemaakt van inflatie en economische groei en de fluctuaties hierin.

10.03. Als algemene regel voor internationale vergelijkingen geldt dat nauwkeurige indicatoren voor zowel de volume- als de prijscomponent van de economische aggregaten moeten worden gemaakt. Aangezien de afwijking tussen de formules van Laspeyres en Paasche bij internationale vergelijkingen vaak aanzienlijk is, is alleen de indexformule van Fisher voor dergelijke doeleinden aanvaardbaar.

10.04. Economische rekeningen hebben als voordeel dat zij een geschikt kader bieden voor het opzetten van een systeem van volume- en prijsindexcijfers en voor het waarborgen van de onderlinge samenhang van de statistische gegevens.

De voordelen van een boekhoudkundige aanpak kunnen als volgt worden samengevat:

a) Begripsmatig dwingt het gebruik van een boekhoudkundig kader voor het gehele economische systeem tot een consistente specificatie van prijzen en hoeveelheden met betrekking tot de verschillende produkten en stromen van het systeem. Zo moeten in een dergelijk kader de begrippen prijs en volume voor een bepaalde groep produkten aan de middelenkant op dezelfde wijze worden gedefinieerd als aan de bestedingenkant.

b) Statistisch gezien dwingt het gebruik van het systeem van economische rekeningen ertoe boekhoudkundige regels toe te passen bij zowel constante als lopende prijzen; dit zal gewoonlijk leiden tot enige aanpassingen om ervoor te zorgen dat de prijs- en volumegegevens consistent zijn.

c) Een geïntegreerd systeem van prijs- en volume-indexcijfers in het kader van een systeem van economische rekeningen biedt de opsteller van de nationale rekeningen bovendien extra controlemogelijkheden. Wanneer er een sluitend systeem van aanbod- en gebruikstabellen in lopende prijzen bestaat, betekent de constructie van sluitende aanbod- en gebruikstabellen in constante prijzen dat automatisch een systeem van impliciete prijsindexcijfers wordt afgeleid. Een onderzoek naar de plausibiliteit van deze afgeleide indexcijfers kan leiden tot herziening en correctie van de gegevens in constante prijzen en soms zelfs van de waarden in lopende prijzen.

d) Ten slotte maakt de boekhoudkundige aanpak het mogelijk om het verloop van bepaalde saldi in prijs- en volumemutaties uit te drukken, omdat saldi per definitie uit andere elementen van de rekeningen zijn afgeleid.

10.05. De voordelen van een geïntegreerd systeem dat gebaseerd is op een evenwicht - algemeen en per bedrijfstak - van de transacties in goederen en diensten, mogen niet tot de conclusie leiden dat aldus verkregen prijs- en volume-indexcijfers tegemoet komen aan alle behoeften en een antwoord geven op alle vragen die men ten aanzien van prijs- en volumemutaties kan stellen. Boekhoundkundige regels en de keuze van prijs- en volume-indexformules zijn weliswaar noodzakelijk voor de opbouw van een samenhangend systeem, maar kunnen ook hinderlijk zijn. Bovendien is er behoefte aan kortlopende informatie, zoals maand- of kwartaalgegevens. In dergelijke gevallen kunnen andere typen prijs- en volume-indexcijfers nuttig zijn.

TOEPASSINGSGEBIED VAN PRIJS- EN VOLUME-INDEXCIJFERS

10.06. Bij een aantal stromen die in de economische rekeningen in lopende prijzen voorkomen - vooral die met betrekking tot produkten - kan een prijsmutatie op soortgelijke wijze als op micro-economisch niveau worden onderscheiden van een volumemutatie. Bij talrijke andere stromen in het systeem ligt dit onderscheid veel minder voor de hand.

In het eerste geval betreft het stromen die een groep elementaire transacties in goederen en diensten omvatten, waarvan de waarde telkens gelijk is aan het produkt van een bepaald aantal fysieke eenheden en de prijs per eenheid. In dat geval behoeft men niet meer te weten dan de samenstelling van de desbetreffende stroom in elementaire transacties om de gemiddelde prijs- en volumemutaties te kunnen vaststellen.

In het tweede geval - dat betrekking heeft op een aantal verdelingstransacties en transacties van financiële intermediairs, alsmede op saldi zoals de toegevoegde waarde - is het moeilijk, zo niet onmogelijk, lopende waarden in prijs en volumecomponenten te splitsen, zodat speciale oplossingen moeten worden gevonden.

Ook is het nodig de koopkracht van een aantal aggregaten, zoals de beloning van werknemers, het beschikbare inkomen van huishoudens of het nationale inkomen te meten. Dit is bij voorbeeld mogelijk door deze aggregaten te defleren aan de hand van een prijsindexcijfer voor de goederen en diensten die ermee gekocht kunnen worden.

10.07. Benadrukt moet worden dat doelstelling en gevolgde methode bij het meten van de koopkracht fundamenteel verschillen van die bij het defleren van goederen- en dienstenstromen, en van saldi. Voor deze twee kan een geïntegreerd systeem van prijs- en volume-indexcijfers worden opgesteld, wat onder meer nuttig is voor het meten van de economische groei. Voor de vaststelling van de koopkracht zijn prijsindexcijfers van andere dan de bestudeerde stromen nodig, die bovendien kunnen verschillen naargelang het doel van de analyse. De vaststelling van dergelijke waarden is gebaseerd op afspraken en is niet ondubbelzinnig mogelijk binnen een geïntegreerd systeem van prijs- en volume-indexcijfers.

HET GEÏNTEGREERDE SYSTEEM VAN PRIJS- EN VOLUME-INDEXCIJFERS

10.08. De systematische splitsing van veranderingen van lopende waarden in de componenten "prijsmutaties" en "volumemutaties" is beperkt tot de transactiestromen die geregistreerd worden in de goederen- en dienstenrekening (0) en de produktierekening (I); het gebeurt zowel voor de gegevens per bedrijfstak als voor die van de totale economie. Saldi, bij voorbeeld de toegevoegde waarde, kunnen niet rechtstreeks worden gesplitst in prijs- en volumecomponenten; dit is alleen indirect mogelijk met behulp van de relevante transactiestromen.

Het gebruik van het boekhoudkundig kader bij de berekening van de gegevens leidt tot twee eisen:

a) het evenwicht van de goederen- en dienstenrekening moet voor twee opeenvolgende jaren steeds zowel in constante als in lopende prijzen worden verkregen;

b) iedere stroom voor de totale economie moet gelijk zijn aan de som van de desbetreffende stromen voor de verschillende bedrijfstakken.

Een derde eis, die niet inherent is aan het gebruik van het boekhoudkundig kader maar voortvloeit uit een weloverwogen keuze, betreft het feit dat iedere verandering van de waarde van transacties aan een prijsmutatie, aan een volumemutatie of aan een combinatie van beide moet worden toegerekend.

Wanneer aan deze drie eisen wordt voldaan kan de waardering van de goederen- en dienstenrekeningen en de produktierekeningen in constante prijzen een geïntegreerd systeem van prijs- en volume-indexcijfers opleveren.

10.09. De posten die in aanmerking komen bij de samenstelling van een dergelijk systeem zijn:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

PRIJS- EN VOLUME-INDEXCIJFERS VOOR ANDERE AGGREGATEN

10.10. Behalve bovengenoemde prijs- en volume-indicatoren kunnen ook onderstaande aggregaten in prijs- en volumecomponenten worden gesplitst. De doeleinden van deze indicatoren lopen uiteen.

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

De voorraden aan het begin en het einde van iedere periode moeten soms in constante prijzen worden berekend om de verandering in het volume van de voorraden gedurende de periode te kunnen ramen.

De kapitaalgoederenvoorraad moet in constante prijzen worden berekend om ramingen van de kapitaalcoëfficiënt te kunnen maken. Tevens vormt het een basis voor het ramen van het verbruik van vaste activa in constante prijzen.

De beloning van werknemers moet in constante prijzen worden berekend om de produktiviteit te kunnen meten en ook wanneer de output wordt geraamd met behulp van de input in constante prijzen.

10.11. De beloning van werknemers is een inkomenscomponent. Voor het meten van de koopkracht kan de reële waarde ervan worden vastgesteld door deflatie met een indexcijfer dat de ontwikkeling van de prijzen van de door werknemers gekochte produkten weergeeft. Ook andere inkomenscomponenten, zoals het beschikbare inkomen van huishoudens en het nationaal inkomen, kunnen op dezelfde wijze in reële termen worden uitgedrukt.

ALGEMENE UITGANGSPUNTEN VOOR HET METEN VAN PRIJS- EN VOLUME-INDEXCIJFERS

DEFINITIE VAN PRIJZEN EN VOLUMES VOOR MARKTPRODUKTEN

10.12. De samenstelling van een geïntegreerd systeem van prijs- en volume-indexcijfers stoelt op de veronderstelling dat voor een afzonderlijk homogeen produkt (goed of dienst) de waarde (w) gelijk is aan de prijs per eenheid (p), vermeningvuldigd met het aantal eenheden (q):

w ≡ p × q

10.13. Definitie: Een prijs wordt gedefinieerd als de waarde van één eenheid produkt, waarvan de hoeveelheden volkomen homogeen zijn, niet alleen in fysieke zin, maar ook voor wat een aantal andere kenmerken, als omschreven in punt 10.16, betreft. Om in economische zin additief te zijn, moeten de hoeveelheden identiek zijn en moet de prijs per eenheid steeds gelijk zijn. Voor ieder in de rekeningen opgenomen aggregaat van goederen- en dienstentransacties moet een zodanige maatstaf voor prijs en hoeveelheid worden geconstrueerd dat:

waarde-indexcijfer = prijsindexcijfer × volume-indexcijfer.

Dit betekent dat iedere verandering van de waarde van een bepaalde stroom hetzij aan een prijsmutatie hetzij aan een volumemutatie of aan een combinatie van beide wordt toegerekend.

10.14. Bij goederentransacties kan de fysieke eenheid die een rol speelt bij de transactie, in het algemeen gemakkelijk worden bepaald en bijgevolg ook de prijs per eenheid. In een aantal gevallen, zoals voor unieke kapitaalgoederen, is het moeilijker, zodat speciale oplossingen moeten worden gevonden.

Bij dienstentransacties in het vaak moelijker de kenmerken van de fysieke eenheid vast te stellen, zodat er verschil van mening kan rijzen over de aan te houden criteria. Dit kan belangrijke bedrijfstakken betreffen, zoals financiële intermediatie, groot- en detailhandel, zakelijke dienstverlening, onderwijs, speur- en ontwikkelingswerk, gezondheidszorg en recreatie. Omdat het belang van de diensten toeneemt, is het van wezenlijk belang om bij de keuze van de fysieke eenheden te komen tot gemeenschappelijke oplossingen, ook al zijn die slechts op afspraken gebaseerd.

KWALITEITS- EN PRIJSVERSCHILLEN

10.15. De fysieke en andere kenmerken waarmee rekening moet worden gehouden bij de identificatie van de produkten, leiden tot verschillen in kwaliteit en spelen een belangrijke rol, maar werpen wel moeilijke statistische problemen op.

Van vele goederen en diensten die voor een bepaald doel bestemd zijn, bestaan nu eenmaal verschillende variëteiten van uiteenlopende kwaliteit, elk met een eigen prijs.

10.16. Kwaliteitsverschillen komen tot uiting in de volgende factoen:

a) fysieke kenmerken;

b) levering op verschillende plaatsen;

c) levering op verschillende tijdstippen van de dag of in verschillende periodes van het jaar;

d) verschillen in verkoopvoorwaarden of in de omstandigheden of de omgeving waarin de goederen of diensten worden geleverd.

Zijn de fysieke kenmerken gelijk, maar zijn er verschillen in de andere factoren, dan betekent dit dat de fysieke eenheden in economisch opzicht niet identiek zijn en dat er waardeverschillen tussen de eenheden kunnen zijn. Deze verschillen in waarde per eenheid worden als volumeverschillen en niet als prijsverschillen beschouwd.

In de praktijk betreft de betaling bij de aankoop van een goed niet alleen de prijs van het goed, maar ook de prijs van de in verband met de levering van het goed verleende diensten. Dit betekent dat in beginsel identieke goederen die tegen verschillende prijzen in uiteenlopende omstandigheden worden verkocht, als verschillende produkten moeten worden beschouwd. Dit wordt uitdrukkelijk in acht genomen in de aanbod- en gebruikstabellen, waar de waarde van de handels- en vervoersmarges - die het grootste deel van de diensten in verband met de levering van goederen uitmaken - afzonderlijk wordt geregistreerd.

10.17. Afgezien van de in punt 10.19 beschreven gevallen, kan het tegelijkertijd bestaan van verschillende prijzen per eenheid binnen een bepaalde markt en tijdens een zelfde periode, worden beschouwd als bewijs voor het bestaan van kwaliteitsverschillen. Verschillende automodellen en ook verschillende versies van een zelfde model moeten dan ook als verschillende produkten worden behandeld, en ook moet een treinreis in de eerste klasse worden onderscheiden van een reis in de tweede klasse.

Bij de berekening van prijs- en volume-indicatoren moet gebruik worden gemaakt van een zo gedetailleerd mogelijke classificatie van produkten, zo dat ieder produkt zo homogeen mogelijk kan worden geïdentificeerd, ongeacht de mate van detail waarin de resultaten worden gepresenteerd.

10.18. Ook wanneer veranderingen in de tijd worden geregistreerd, moet rekening worden gehouden met het kwaliteitsaspect. Een kwaliteitswijziging ten gevolge van bij voorbeeld een verandering van fysieke kenmerken moet als een volumemutatie en niet als een prijsmutatie worden beschouwd. Bovendien moet rekening worden gehouden met de gevolgen van aggregatie Veranderingen in de samenstelling van een stroom, die bij voorbeeld een verschuiving naar een gemiddeld hogere kwaliteit tot gevolg hebben, moeten als een toename van het volume en niet als een prijsstijging worden geregistreerd. Uit deze regel volgt voor de output dat het gevolg van verschuivingen tussen markten met uiteenlopende prijzen, bij voorbeeld binnenland tegenover buitenland of markt voor industrieel gebruik tegenover markt voor consumentenprodukten, als een volumemutatie wordt behandeld en niet als een prijsmutatie. De regel leidt er ook toe dat een prijsmutatie voor een bepaalde stroom alleen het gevolg kan zijn van prijsmutaties op het niveau van de afzonderlijke transacties.

10.19. Definitie: Wanneer verschillen in de waarde per eenheid worden waargenomen, mogen deze niet als indicatoren voor kwaliteitsverschillen worden aangemerkt indien de volgende omstandigheden meespelen: gebrek aan informatie, prijsdiscriminatie door een beperkte keuzevrijheid en het bestaan van parallelle markten. In deze gevallen worden verschillen in de waarde per eenheid beschouwd als prijsverschillen.

10.20. Gebrek aan informatie betekent dat de kopers wellicht niet altijd goed geïnformeerd zijn over bestaande prijsverschillen, zodat zij onbewust een te hoge prijs betalen. Dit - of het tegenovergestelde - kan ook voorkomen in situaties waarin individuele kopers en verkopers over de prijs onderhandelen. Anderzijds moet het verschil tussen de gemiddelde prijs van een goed dat wordt gekocht op een markt of een bazaar, waar vaak wordt onderhandeld, van de prijs van hetzelfde goed dat elders bij de detailhandel, bij voorbeeld in een warenhuis, wordt gekocht, normaliter worden behandeld als een kwaliteitsverschil als gevolg van uiteenlopende verkoopomstandigheden.

10.21. Prijsdiscriminatie betekent dat verkopers in een positie verkeren waarin zij verschillende categorieën kopers voor identieke goederen en diensten die onder exact dezelfde omstandigheden worden verkocht, verschillende prijzen in rekening kunnen brengen. In deze gevallen heeft de koper die tot een bepaalde categorie behoort, geen of slechts een beperkte keuzevrijheid. Als regel geldt dat variaties in prijs als prijsdiscriminatie worden beschouwd wanneer voor identieke eenheden die onder precies dezelfde omstandigheden in duidelijk gescheiden markten worden verkocht, verschillende prijzen in rekening worden gebracht. Prijsvariaties als gevolg van dergelijke discriminatie leiden niet tot volumeverschillen.

Wanneer wederverkoop van goederen op een bepaalde markt mogelijk is, mag worden aangenomen dat voor de betrokken produkten prijsdiscriminatie doorgaans niet significant is. Prijsverschillen kunnen dan gewoonlijk worden toegeschreven aan gebrek aan informatie of aan het bestaan van een parallelmarkt.

In de dienstensector, zoals bij het vervoer, kunnen producenten groepen individuen met in de regel lagere inkomens, zoals gepensioneerden en studenten, lagere prijzen in rekening brengen. Indien het hen vrijstaat om op elk gewenst tijdstip te reizen, is er sprake van prijsdiscriminatie. Indien de lagere tarieven echter gekoppeld zijn aan de voorwaarde dat zij alleen op bepaalde tijdstippen mogen reizen, doorgaans tijdens de daluren, wordt hen kwalitatief slechter vervoer aangeboden.

10.22. Er zijn diverse redenen voor het bestaan van parallelmarkten. Kopers zijn wellicht niet in staat om de gewenste hoeveelheden tegen een lagere prijs te kopen omdat er bij die prijs onvoldoende aanbod is, terwijl er wel een secundaire (parallel)markt met hogere prijzen is. Verder is het mogelijk dat er een parallelmarkt bestaat waar de verkopers lagere prijzen in rekening brengen omdat zij dan bepaalde belastingen kunnen ontlopen. Ook in deze gevallen is een prijsvariatie een verschil in prijs en niet in volume.

10.23. De structuur en de totale waarde van een stroom kunnen veranderen wanneer ten gevolge van gebrek aan informatie, prijsdiscriminatie of een parallelmarkt identieke produkten tegen verschillende prijzen worden verkocht.

Stel dat een bepaalde hoeveelheid van een goed of een dienst aan bepaalde kopers wordt verkocht tegen een lagere prijs dan voor dat goed of die dienst gebruikelijk is, zonder dat er enig verschil is ten aanzien van de aard van het goed of de dienst, de plaats, het tijdstip de verkoopvoorwaarden of welke andere factor dan ook. Wanneer dan het aandeel van het produkt dat tegen een lagere prijs wordt verkocht, daalt, stijgt de gemiddelde prijs die door de kopers van het goed of de dienst wordt betaald. Dit moet als een prijstijging worden geregistreerd en niet als een toename van het volume.

UITGANGSPUNTEN VOOR NIET-MARKTDIENSTEN

10.24. De opstelling van een volledig systeem van prijs- en volume-indexcijfers voor alle vormen van aanbod en gebruik van goederen en diensten stuit bij het meten van de output van niet-marktdiensten op een specifiek probleem. Deze diensten onderscheiden zich van marktdiensten doordat zij niet tegen een marktprijs worden verkocht en hun waarde in lopende prijzen volgens afspraak wordt berekend als de som van de gemaakte kosten. Deze kosten zijn intermediair verbruik, beloning van werknemers, het saldo van niet-produktgebonden belastingen en subsidies en verbruik van vaste activa.

10.25. Omdt een marktprijs per eenheid ontbreekt, kan de verandering van de "kosten per eenheid" van een niet-marktdienst als een benadering van de prijsmutatie worden beschouwd. Indien niet-marktdiensten individueel worden verbruikt, is het in beginsel mogelijk hoeveelheden te ramen die homogeen zijn en waarin het gebruik van deze diensten kan worden uitgedrukt, en hierop de kosten per eenheid voor een basisjaar toe te passen om zo gegevens in constante prijzen te verkrijgen. Door op deze wijze de output te meten is het mogelijk de veranderingen in de produktiviteit voor indidividuele niet-marktdiensten te analyseren. Voor collectieve diensten is het doorgaans niet mogelijk de kosten per eenheid vast te stellen of het gebruik in hoeveelheden uit te drukken. Indien toch een poging wordt gedaan om door middel van indirecte methoden produktiviteitswijzigingen bij collectieve diensten in aanmerking te nemen, moeten de statistiekgebruikers hierop worden geattendeerd.

10.26. In het kader van de economische rekeningen is het van fundamenteeel belang om uit te gaan van het beginsel dat de produktie en de consumptie van niet-marktdiensten - evenals de produktie en de consumptie van goederen en marktdiensten - moeten worden gedefinieerd als de goederen- en dienstenstromen zelf en niet als de door het gebruik ervan bereikte uiteindelijke resultaten. Aangezien deze ook van diverse andere factoren afhankelijk zijn, is het bij voorbeeld onmogelijk de volumemutaties van onderwijsdiensten af te meten aan de stijging van het onderwijspeil of de volumemutatie van gezondheidsdiensten aan de verbetering van de gezondheidssituatie van de bevolking.

UITGANGSPUNTEN VOOR DE TOEGEVOEGDE WAARDE TEGEN BASISPRIJZEN EN HET BBP

10.27. De toegevoegde waarde, het saldo van de produktierekening, is het enige saldo dat deel uitmaakt van het geïntegreerde systeem van prijs- en volume-indexcijfers. Nogmaals wordt gewezen op de zeer bijzondere kenmerken van deze grootheid en op de betekenis van de prijs- en volume-indexcijfers die ermee verband houden.

Anders dan de verschillende goederen- en dienstenstromen vertegenwoordigt de toegevoegde waarde niet een aparte transactiecategorie. Een rechtstreekse ontleding in een prijs- en een volumecomponent is dan ook niet mogelijk.

10.28. Definitie: De toegevoegde waarde in constante prijzen is gelijk aan het verschil tussen de output in constante prijzen en het intermediair verbruik in constante prijzen.

TW = ÓP(0)H(1) - Óp(0)h(1)

waarin P en H de prijzen en hoeveelheden voor de output en p en h de prijzen en hoeveelheden voor het intermediair verbruik zijn. De theoretisch correcte methode voor de berekening van de toegevoegde waarde in constante prijzen is die van de dubbele deflatie, d.w.z. afzonderlijke deflatie van beide stromen van de produktierekening (output en intermediair verbruik) en berekening van het saldo van beide geherwaardeerde stromen.

10.29. In gevallen waarin de statistische informatie nog onvolledig is of de kwaliteit twijfelachtig, moet soms gebruik worden gemaakt van een enkele indicator. Indien er goede gegevens over de toegevoegde waarde in lopende prijzen bestaan, is het mogelijk om in plaats van een dubbele deflatie de lopende toegevoegde waarde direct aan de hand van een prijsindexcijfer voor de output te defleren. Hierbij gaat men er wel van uit dat de prijzen voor het intermediair verbruik in gelijke mate stijgen als die voor de output. Een andere mogelijkheid is extrapolatie van de toegevoegde waarde in het basisjaar met een volume-indexcijfer voor de output, dat hetzij rechtstreeks uit kwantitatieve gegevens, hetzij door deflatie van de lopende waarde van de output met een goed prijsindexcijfer kan worden berekend. Bij deze methode gaat men ervan uit dat de volumemutaties voor de output en het intermediair verbruik even groot zijn.

Voor bedrijfstakken die marktdiensten en niet-marktdiensten verlenen, zoals de financiële instellingen, de zakelijke dienstverlening, onderwijs of defensie, kan het onmogelijk blijken bevredigende ramingen van prijs- of volumemutaties voor de output te verkrijgen. De bewegingen van de toegevoegde waarde in constante prijzen kunnen dan worden geraamd aan de hand van de veranderingen in de beloning van werknemers en het verbruik van vaste activa, beide in constante prijzen. De samenstellers van de gegevens moeten soms hun toevlucht nemen tot dergelijke hulpmiddelen, ook al is er geen goede reden om aan te nemen dat de arbeidsproduktiviteit op de korte of lange termijn ongewijzigd blijft.

10.30. De prijs- en volume-indexcijfers voor de toegevoegde waarde zijn dan ook anders van aard dan de overeenkomstige indexcijfers voor de goederen- en dienstenstromen.

Hetzelfde geldt voor de prijs- en volume-indexcijfers van aggregaten die tevens een saldo zijn, zoals het bruto binnenlands produkt. Dit komt overeen met de som van alle toegevoegde waarden minus de indirect gemeten diensten van financiële intermediairs - d.w.z. een optelling van alle saldi - plus het saldo van de produktgebonden belastingen en subsidies, maar het kan ook worden gezien als het verschil tussen de totale finale bestedingen en de invoer.

PROBLEMEN BIJ DE TOEPASSING VAN DE UITGANGSPUNTEN

10.31. Om de splitsing in prijs- en volumemutaties voor de verschillende stromen van het systeem mogelijk te maken, moeten eerst een aantal problemen worden opgelost.

ALGEMENE TOEPASSING

10.32. Wanneer men tijdreeksen van waardegegevens bestudeert en prijsmutaties van volumemutaties wil onderscheiden, moet worden vastgesteld welke van de hiervoor beschreven factoren aan de basis liggen van de prijsverschillen. Hieruit volgt dat zelfs op een zeer gedetailleerd niveau reeksen kwantitatieve gegevens soms niet meer dan een grove indicatie van volumemutaties geven, aangezien niet duidelijk is welke van de vele kwaliteitsvarianten zijn gewijzigd. Dit betekent bij voorbeeld dat indien voor een bepaalde stroom een constant aantal fysieke eenheden wordt genomen, de volumemutatie wordt onderschat wanneer het aandeel van eenheden met een hogere kwaliteit is toegenomen. Hierdoor verandert de gemiddelde kwaliteit, zodat de verschuiving als een stijging van het volume-indexcijfers moet worden geregistreerd. In het algemeen is het defleren van waardegegevens met prijsindexcijfers de beste methode voor het ramen van volumemutaties bij goederen- en dienstenstromen. Aangezien alle veranderingen in de gemiddelde kwaliteit in de waardereeksen juist zijn weergegeven, levert delen door een representatief, voor kwaliteitswijzigingen gecorrigeerd prijsindexcijfer een correct volume-indexcijfer op.

10.33. In de praktijk is deflatie aan de hand van prijsindexcijfers niet altijd de beste oplossing, zodat er andere methoden moeten worden gevonden. Waardereeksen kunnen bij voorbeeld zijn opgesteld door prijsgegevens te vermenigvuldigen met gegevens over de hoeveelheden; er kunnen dan gegevens in constante prijzen worden verkregen door prijzen uit het basisjaar te gebruiken. Soms zijn waardereeksen echter ook van inferieure kwaliteit en bovendien is het niet altijd eenvoudig betrouwbare prijsindexcijfers te verkrijgen. Er zijn dan ramingen op basis van kwantitatieve indicatoren mogelijk. Daarbij moet er wel voor worden gezorgd dat de hoeveelheden betrekking hebben op zo homogeen mogelijke produkten. Indien geen van deze methoden kan worden toegepast, moeten de outputgegevens in constante prijzen bij voorbeeld worden gebaseerd op ramingen van de input in constante prijzen.

10.34. Voor niet-markdiensten is het niet mogelijk waarden te defleren aan de hand van prijsindexcijfers, zodat andere oplossingen moeten worden gezocht. Dit wordt beschreven in de punten 10.41.-10.46.

TOEPASSING OP SPECIFIEKE STROMEN

Stromen van goederen en marktdiensten

10.35. Van alle economische stromen lenen de stromen van goederen en marktdiensten zich het best voor een splitsing van de waardemutaties in een prijs- en een volumemutatie. In dit verband moet wel een duidelijk onderscheid worden gemaakt tussen:

a) stromen die werkelijke markttransacties tegen een bepaalde prijs vertegenwoordigen;

b) stromen die output voor eigen finaal gebruik vertegenwoordigen (b.v. produktie van landbouwprodukten in eigen beheer en woondiensten door bewoners van een eigen huis);

c) stromen waarvan de waarde wordt vastgesteld als verschil tussen goederen- en dienstentransacties (b.v. handelsmarges);

d) stromen waarvan de waarde wordt vastgesteld als verschil tussen verdelings- en/of financiële transacties (b.v. indirect gemeten diensten van financiële intermediairs en verzekeringsdiensten)

10.36. De stromen ad a) zijn verreweg het talrijkst en het meest gangbaar. Veranderingen van de waarde van deze stromen kunnen zonder meer worden gesplitst in een volume- en een prijsmutatie. De algemene methode voor het defleren van de lopende waarde van deze stromen aan de hand van prijsindexcijfers is steeds mogelijk wanneer de goederen en diensten kunnen worden uitgedrukt in eenheden waarvan de meeste van jaar op jaar homogeen blijven.

10.37. De stromen ad b), de fictieve transacties, worden gekenmerkt door de afwezigheid van een echte prijs voor de transacties. Dit is het geval bij goederen als landbouwprodukten die voor eigen finaal gebruik zijn bestemd en goederen die voor investeringen in vaste activa in eigen beheer worden gebruikt. Bij de diensten betreft het vooral de woondiensten door bewoners van een eigen huis. De waarden voor deze toegerekende stromen worden verkregen door hierop de prijzen van soortgelijke, op de markt gebrachte produkten toe te passen, zodat de deflator dezelfde is. Aangezien het gewoonlijk noodzakelijk is de output van bouwwerkzaamheden in eigen beheer te waarderen tegen de produktiekosten in plaats van tegen de prijs, moet de deflator dienovereenkomstig worden gecorrigeerd.

10.38. De belangrijkste stromen ad c) zijn de stromen waarvan de waarde in lopende prijzen wordt verkregen als het verschil tussen de waarden van twee goederenstromen. Dit is het geval voor handelsmarges, waarvan de waarde in lopende prijzen overeenkomt met het verschil tussen de feitelijke of toegerekende prijs die wordt gerealiseerd op een goed dat door de groot- of detailhandel voor wederverkoop is gekocht en de prijs die door de handelaar zou moeten worden betaald om het goed te vervangen op het tijdstip waarop het werd verkocht of op andere wijze werd afgestoten. Er zijn twee methoden voor het ramen van handelsmarges in constante prijzen: de waarde in constante prijzen van de door de handel voor wederverkoop ingekochte goederen aftrekken van de waarde in constante prijzen van de door de handel verkochte goederen, of de handelsmarge van het basisjaar extrapoleren aan de hand van de omvang van de verkopen of de aankopen van de groot- en detailhandel. Voor een correcte berekening moet bij de tweede methode rekening worden gehouden met het feit dat de handelsmarges verschillen per produkt en het gebruik ervan. Dit komt expliciet tot uiting in de aanbod- en gebruikstabellen.

10.39. De stromen ad c) omvatten ook de output van reisbureaus, gemeten aan de hand van de vergoeding voor hun diensten (honoraria, commissies). Ook deze diensten kunnen worden gemeten als het verschil tussen twee stromen: de volledige betaling door de koper en de uitgaven van de producent voor vervoer en accommodatie. Als maatstaf voor het volume kan gebruik worden gemaakt van het verschil tussen deze stromen berekend in constante prijzen. Daarnaast kan het honorarium of de commissie worden vastgesteld als de prijs per eenheid van het type vervoer of accommodatie, zodat de volume-indicator voor de vergoeding voor de diensten hetzelfde verloop krijgt als deze stromen.

10.40. De stromen ad d) bestaan uit diensten van financiële intermediairs, alsmede de vergoeding voor de diensten van verzekeringsmaatschappijen en pensioenfondsen. Financiële intermediatie geschiedt door banken en andere financiële instellingen en bestaat uit het lenen van geld aan bedrijven en huishoudens, het verschaffen van een veilige en gemakkelijke manier van sparen, het in bewaring nemen van geld en ander kostbaarheden, het kopen en verkopen van vreemde valuta, het verrekenen van cheques, het verschaffen van algemene economische informatie, het handelen in aandelen en obligaties en het geven van beleggingsadviezen. In sommige gevallen kunnen deze diensten gemakkelijk worden vastgesteld en wordt er speciaal voor betaald, bij voorbeeld bij het huren van ruimte in een bankkluis of wanneer een honorarium wordt berekend in verband met de emissie van aandelen of obligaties of het aangaan van een lening. De lopende waarde van deze transacties kan worden vastgesteld, alsmede de prijzen en hoeveelheden die moeten worden gemeten. Een indeling van de indirect gemeten diensten van financiële intermediairs en van verzekeringsdiensten in prijs- en volumecomponenten is gewoonlijk echter alleen op arbitraire gronden mogelijk, zodat hiervoor afspraken moeten worden gemaakt.

Stromen van niet-marktdiensten

10.41. De door de overheid en de instellingen zonder winstoogmerk (IZW's) ten behoeve van huishoudens geproduceerde niet-marktdiensten bestrijken een breed scala van voor de samenleving noodzakelijke en nuttige diensten. Zij kunnen worden onderscheiden in twee hoofdcategorieën:

a) diensten verleend aan individuen, d.w.z. diensten waarbij de consumenten of begunstigden individueel identificeerbaar zijn. Deze diensten worden alleen verleend wanneer de belanghebbenden het initiatief nemen;

b) zuiver collectieve diensten, d.w.z. diensten die aan de bevolking in haar geheel worden verleend.

10.42. De diensten verleend aan individuen kunnen worden verleend op zuiver individuele basis (b.v. gezondheidszorg) of aan groepen individuen (b.v. onderwijs). Uit hun aard volgt dat zij als markt- dan wel als niet-marktdiensten kunnen worden verleend; vaak kan een individu zich dergelijke diensten aanschaffen door zich te wenden tot een marktproducent (en de prijs te betalen) of tot een eenheid van de overheid of van een IZW ten behoeve van huishoudens die niet-marktprodukten voortbrengt (waardoor hij de diensten gratis of bijna gratis krijgt).

Bij marktproducenten moet gebruik worden gemaakt van de methode om lopende waarden te defleren met behulp van de prijsindexcijfers, omdat op deze wijze correct wordt aangegeven dat verschuivingen in de samenstelling van de output waarbij de prijzen uiteenlopen, de volumes beïnvloeden en niet de prijzen. Voor aan individuen verleende niet-marktdiensten kunnen ramingen van de output op kwantitatieve indicatoren worden gebaseerd. Voor onderwijs kan dit betrekking hebben op het aantal uren dat door leerlingen op school is doorgebracht of aan individueel onderwijs is besteed, en voor niet-marktdiensten op het gebied van de gezondheidszorg zouden de indicatoren betrekking moeten hebben op de behandelingen in ziekenhuizen of de bezoeken aan/van artsen of verpleegkundigen. In beide gevallen wordt een kwalitatieve dimensie weergegeven in de hoeveelheid per leerling of patiënt verstrekte middelen. Er moet voldoende gedetailleerd worden, zodat iedere indicator waarvoor berekeningen worden gemaakt, ten aanzien van de kosten zo homogeen mogelijk is. Pas dan worden veranderingen in de samenstelling van de output correct als volumemutaties aangegeven.

Bij diensten aan individuen moet de volumemutatie van output en verbruik in beginsel worden gemeten op basis van het gebruik dat van deze diensten wordt gemaakt; zo wordt vermeden dat voor diensten van dezelfde aard criteria worden toegepast die verschillen naargelang het om markt- of niet-marktdiensten gaat. Natuurlijk moet iedere kwaliteitsverandering als volumemutatie worden behandeld; dit geldt zowel voor marktdiensten als voor aan individuen verleende niet-marktdiensten.

10.43. De zuiver collectieve diensten worden door de overheid geproduceerd ten behoeve van de gehele bevolking. Deze diensten bestrijken een breed scala van activiteiten, zoals diensten van algemeen overheidsbestuur, defensie, buitenlandse zaken, rechtspraak, politie, stedebouw, milieu, economisch beleid, enz. Aangezien deze diensten collectief, indirect en voortdurend worden verbruikt, kan de omvang van de output niet worden afgemeten aan de mate van gebruik.

10.44. In de praktijk is het niet altijd mogelijk betrouwbare kwantitatieve indicatoren voor aan individuen verleende niet-marktdiensten te verkrijgen, zodat het volume ervan met behulp van dezelfde methoden moet worden gemeten als bij zuiver collectieve diensten. Men dient zich daarbij te baseren op een waardering in constante prijzen van de verschillende kostencomponenten van deze output, namelijk:

a) intermediair verbruik;

b) beloning van werknemers;

c) saldo van niet-produktgebonden belastingen en subsidies;

d) verbruik van vaste activa.

Het gebruik van input-indicatoren om de waarde van de output te benaderen betekent dat een produktiviteitsanalyse onmogelijk is.

10.45. De berekening van het intermediair verbruik in constante prijzen werpt geen bijzondere theoretische problemen op, aangezien het intermediair verbruik betrekking heeft op goederen en marktdiensten. Het kan worden berekend door de waarde ervan te defleren met behulp van een prijsindexcijfer voor het intermediair verbruik of door de hoeveelheden te herwaarderen tegen prijzen van het basisjaar.

10.46. De berekening in constante prijzen van de beloning van werknemers en het verbruik van vaste activa voor bedrijfstakken die niet-marktdiensten voortbrengen, geschiedt aan de hand van de algemene methoden die in de punten 10.53 en 10.54 worden beschreven. De niet-produktgebonden belastingen op produktie zijn vaak van een type dat aan een volume-indicator kan worden gerelateerd, bij voorbeeld aantal werkzame personen, aantal gebruikte auto's.

Produktgebonden belastingen en subsidies

10.47. Hoewel het geïntegreerde systeem van prijs- en volume-indexcijfers in wezen beperkt is tot goederen- en dienstentransacties, is het ook mogelijk om voor bepaalde andere transacties de prijs- en volumemutaties te meten. Dit geldt met name voor belastingen en subsidies die rechtstreeks verband houden met de kwantiteit of de waarde van de goederen en diensten waarop een bepaalde transactie betrekking heeft. In de aanbod- en gebruikstabellen wordt de waarde ervan expliciet aangegeven. Door hierop onderstaande regels toe te passen is het mogelijk prijs- en volumemutaties te berekenen voor de categorieën belastingen en subsidies die in de goederen- en dienstenrekening worden geregistreerd, namelijk:

a) produktgebonden belastingen exclusief BTW (D.212 en D.214);

b) produktgebonden subsidies (D.31);

c) BTW (D.211).

10.48. Het eenvoudigste geval is dat van belastingen die een vast bedrag uitmaken per fysieke eenheid van het bij de transactie betrokken produkt. De waarde van de opbrengst van een dergelijke belasting is afhankelijk van:

a) de hoeveelheid produkten waarop de transactie betrekking heeft;

b) de heffing per eenheid, d.w.z. de prijscomponent van de belasting.

Het splitsen van de waardemutatie in twee componenten levert nauwelijks moeilijkheden op: de volumemutatie wordt bepaald door de verandering van de hoeveelheid belaste produkten en de prijsmutatie komt overeen met de verandering van de heffing per eenheid.

10.49. Meestal is de belasting echter een bepaald percentage van de waarde van de transactie. De waarde van de opbrengst van een dergelijke belasting is afhankelijk van:

a) de hoeveelheid produkten waarop de transactie betrekking heeft;

b) de prijs van de produkten waarop de transactie betrekking heeft;

c) het belastingtarief (in procenten).

De prijscomponent van de belasting wordt verkregen door het belastingtarief op de prijs van het produkt toe te passen. De verandering van de waarde van de opbrengst van een dergelijke belasting kan ook worden gesplitst in een volumemutatie, bepaald door de verandering van de hoeveelheid belaste produkten, en een prijsmutatie, die overeenkomt met de verandering van de prijscomponent van de belasting (b x c).

10.50. Het volume van het bedrag aan produktgebonden belastingen (exclusief BTW) (D.212 en D.214) wordt gemeten door op de hoeveelheden geproduceerde of ingevoerde produkten de prijscomponent van de belasting van het basisjaar toe te passen of door op de waarde van de output of de invoer, geherwaardeerd tegen de prijzen van het basisjaar, de belastingtarieven van het basisjaar toe te passen. Men mag niet uit het oog verliezen dat afhankelijk van het gebruik van het produkt de prijscomponent van de belasting kan variëren. Hiermee wordt rekening gehouden in de aanbod- en gebruikstabellen.

10.51. Evenzo wordt het volume van het bedrag aan produktgebonden subsidies (D.31) gemeten door op de hoeveelheden geproduceerde of ingevoerde produkten de prijscomponent van de subsidie van het basisjaar toe te passen of door op de waarde van de output of de invoer, geherwaardeerd tegen de bedragen van het basisjaar, de subsidiepercentages van het basisjaar toe te passen en hierbij rekening te houden met het feit dat afhankelijk van het gebruik van het produkt de prijscomponent van de subsidie kan variëren.

10.52. De BTW (D.211) wordt, zowel voor de totale economie als voor de afzonderlijke bedrijfstakken en andere gebruikers, netto berekend en heeft dan ook alleen betrekking op de niet-aftrekbare BTW. Deze wordt gedefinieerd als het verschil tussen de voor de betrokken produkten in rekening gebrachte BTW en de voor de gebruikers van deze produkten aftrekbare BTW. Het is echter ook mogelijk de BTW te bepalen als de som van alle niet-aftrekbare bedragen die door de gebruikers moeten worden betaald.

De niet-aftrekbare BTW in constante prijzen kan worden berekend door op de stromen in prijzen van het basisjaar de BTW-tarieven van het basisjaar toe te passen. Wijzigingen in het BTW-tarief voor het lopende jaar worden dan weerspiegeld in het prijsindexcijfer en niet in het volume-indexcijfer van de niet-aftrekbare BTW.

Het aandeel van de aftrekbare BTW in de in rekening gebrachte BTW, en dus ook van de niet-aftrekbare BTW, kan veranderen:

a) ten gevolge van gewijzigde aftrekmogelijkheden, voortvloeiend uit een wijziging van de belastingwetgeving of regelingen dienaangaande, die al dan niet onmiddellijk in werking treden;

b) ten gevolge van veranderingen in het bestedingspatroon met betrekking tot een produkt (b.v. toename van het aandeel van de aanwendingen waarvoor BTW mag worden afgetrokken).

Een wijziging van het bedrag aan aftrekbare BTW als gevolg van gewijzigde aftrekmogelijkheden zal bij de beschreven methode worden behandeld als een verandering van de prijscomponent van de belasting. Dit geldt ook voor een wijziging van het tarief van de in rekening gebrachte BTW.

Een wijziging van het bedrag aan aftrekbare BTW als gevolg van een wijziging in het bestedingspatroon leidt daarentegen tot een volumemutatie van de aftrekbare BTW en is bijgevolg van invloed op het volume-indexcijer van de BTW.

Verbruik van vaste activa

10.53. Het meten van het volume van het verbruik van vaste activa levert nauwelijks moeilijkheden op wanneer goede informatie over de samenstelling van de kapitaalgoederenvoorraad beschikbaar is. Bij de "perpetual inventory method", die in de meeste landen wordt toegepast, is het voor de raming van het verbruik van vaste activa in lopende prijzen al nodig de kapitaalgoederenvoorraad in constante prijzen te berekenen. Om een waardering tegen de historische kostprijs om te zetten in een waardering tegen vervangingswaarde moeten de kapitaalgoederen die in de verschillende perioden zijn aangeschaft, gewaardeerd worden tegen vergelijkbare prijzen, namelijk de prijzen van het basisjaar. De hiervoor gebruikte prijs- en volume-indexcijfers kunnen dus ook worden gebruikt voor de berekening van de waarde van het verbruik van vaste activa in constante prijzen en van het desbetreffende prijsindexcijfer.

Wanneer een dergelijke doorlopende administratie van de kapitaalgoederenvoorraad ontbreekt, kunnen wijzigingen in het verbruik van vaste activa in constante prijzen worden verkregen door deflatie van de gegevens in lopende prijzen met behulp van prijsindexcijfers die zijn ontleend aan de gegevens over de bruto-investeringen in vaste activa per produkt. Er dient rekening te worden gehouden met de leeftijdsopbouw van de aangeschafte vaste activa.

Beloning van werknemers

10.54. Om het volume van de input van arbeid door werknemers te kunnen meten, kan als kwantitatieve eenheid voor de beloning van werknemers worden gedacht aan een uur arbeid van een bepaald type en een bepaald niveau van bekwaamheid. Evenals bij goederen en diensten moeten ook bij arbeid uiteenlopende kwaliteiten worden onderkend en moet voor ieder type arbeid afzonderlijk het kwantitatieve aandeel worden berekend. De aan ieder type arbeid gekoppelde prijs is de per uur betaalde beloning, die uiteraard naargelang het soort arbeid uiteenloopt. Een indicator voor het volume van verrichte arbeid kan worden berekend als een gewogen gemiddelde van de kwantitatieve aandelen van de verschillende soorten arbeid, met de waarde van de beloning van werknemers in het voorgaande jaar of in het basisjaar als gewicht. Ook kan een indexcijfer van het loontarief voor arbeid worden berekend door een gewogen gemiddelde van de procentuele veranderingen in de uurtarieven voor de beloning van verschillende soorten arbeid te berekenen, waarbij ook hier de beloning van werknemers als gewicht moet worden gebruikt. Als indirect een volume-indexcijfer van het Laspeyres-type wordt berekend door de veranderingen in de beloning van werknemers in lopende waarden te defleren met behulp van een indexcijfer van de gemiddelde wijziging in de beloning per uur, dient dit een Paasche-indexcijfer te zijn.

10.55. Voor het meten van de koopkracht van de beloning van werknemers kan deze stroom worden gedefleerd met behulp van een indexcijfer voor de met deze verdiensten verrichte bestedingen. Gewoonlijk wordt hierbij gekozen voor de impliciete deflator voor de individuele consumptieve bestedingen of het indexcijfer van de consumptieprijzen.

Kapitaalgoederenvoorraad en voorraden vlottende activa

10.56. Zowel voor de kapitaalgoederenvoorraad als voor de voorraden vlottende activa zijn gegevens in constante prijzen nodig. Voor de kapitaalgoederenvoorraad zijn deze gegevens, die nodig zijn voor de berekening van de kapitaalcoëfficiënt, beschikbaar indien gebruik wordt gemaakt van de "perpetual inventory method". In andere gevallen kan informatie over de waarde van de activa verzameld worden bij de producenten en is defleren mogelijk aan de hand van de voor de investeringen in vaste activa gebruikte prijsindexcijfers, waarbij rekening wordt gehouden met de leeftijdsopbouw van de voorraden.

Veranderingen in de voorraden vlottende activa worden gemeten door voor een bepaalde periode de waarde van de onttrekkingen en de waarde van eventuele normale verliezen op in voorraad gehouden goederen op de waarde van de toevoegingen aan de voorraden in mindering te brengen. Ramingen in constante prijzen kunnen worden gemaakt door deze componenten te defleren. Wanneer volume- en prijsmutaties bij de voorraden vrij regelmatig plaatsvinden, kunnen de veranderingen in de voorraden ook worden geraamd door de wijziging van het volume van de voorraden te vermeningvuldigen met de gemiddelde prijzen voor het lopende of het basisjaar. Als tweede alternatief, en voor controledoeleinden, kunnen voorraadveranderingen ook worden berekend als het verschil tussen de voorraden aan het begin en aan het einde van de periode. Hiertoe moet de waarde van de voorraden minus herwaardering volgens de administratie van de producenten worden geherwaardeerd en uitgedrukt in gemiddelde prijzen, hetzij van het lopende jaar hetzij van het basisjaar. Als zij betrekking hebben op het lopende jaar, geeft de waarde de wijziging weer in het volume van de voorraden in lopende prijzen, maar als de gemiddelde prijzen op een basisjaar betrekking hebben, komt de waarde overeen met de wijziging in het volume van de voorraden in prijzen van het basisjaar.

Berekening van het reële inkomen voor de totale economie

10.57. Inkomensstromen kunnen niet in een prijs- en een volumecomponent worden opgesplitst, zodat de prijs- en volume-indicatoren niet kunnen worden afgesplitst op de manier waarop dit voor bovengenoemde stromen en standen is gedaan. Inkomensstromen kunnen alleen in reële waarden worden gemeten wanneer men een pakket selecteert met goederen en diensten waaraan het inkomen veelal wordt uitgegeven en het prijsindexcijfer voor dit pakket gebruikt als deflator voor de lopende inkomens. De keuze is altijd willekeurig daar inkomen zelden enkel aan aankopen gedurende de beschouwde periode wordt uitgegeven. Een deel wordt wellicht gespaard voor aankopen in latere perioden en ook kunnen aankopen gedurende de periode gedeeltelijk uit eerdere besparingen worden gefinancierd.

10.58. Met het bruto binnenlands produkt in constante prijzen wordt het volume van de totale toegevoegde waarde (output minus intermediar verbruik) voor de totale economie gemeten. Het totale reële inkomen van ingezetenen wordt niet alleen door dit volume beïnvloed, maar ook door de ruilvoet van de uitvoer ten opzichte van de invoer uit het buitenland. Indien de ruilvoet toeneemt, is minder uitvoer nodig om te betalen voor een bepaald invoervolume, zodat bij een bepaald niveau van de binnenlandse output goederen en diensten kunnen worden overgeheveld van de uitvoer naar de consumptie of de investeringen.

10.59. Hieruit kan het reële bruto binnenlands inkomen worden afgeleid door de zogenaamde ruilvoetwinst op te stellen bij de volumegegevens over het bruto binnenlands produkt. De ruilvoetwinst - of eventueel het verlies - wordt gedefinieerd als:

T = >NUM>X - M>DEN>P- [>NUM>X>DEN>Px- >NUM>M>DEN>Pm]

d.w.z. het lopende saldo van uitvoer en invoer, gedefleerd met behulp van prijsindexcijfer P, minus het verschil tussen de gedefleerde waarde van de uitvoer en de gedefleerde waarde van de invoer. De keuze van een goede deflator P voor de lopende handelsbalans wordt aan de statistische autoriteiten van een land overgelaten, zodat rekening kan worden gehouden met de bijzondere omstandigheden van dat land. Wanneer er geen zekerheid is over de keuze van de deflator, kan een gemiddelde van de prijsindexcijfers voor de invoer en de uitvoer hiervoor waarschijnlijk goed worden gebruikt.

10.60. Diverse aggregaten van het reële inkomen worden geïdentificeerd en gedefinieerd als aangegeven in onderstaand schema.

Bruto binnenlands produkt in constante prijzen

plus de ruilvoetwinst of het ruilvoetverlies

is gelijk aan het reële bruto binnenlands inkomen

plus de uit het buitenland ontvangen reële primaire inkomens

minus de aan het buitenland betaalde reële primaire inkomens

is gelijk aan het reële bruto nationaal inkomen

plus de uit het buitenland ontvangen reële inkomensoverdrachten

minus de aan het buitenland betaalde reële inkomensoverdrachten

is gelijk aan het reële bruto nationaal beschikbaar inkomen

minus het verbruik van vaste activa in constante prijzen

is gelijk aan het reële netto nationaal beschikbaar inkomen.

Om de verschillende definities van het nationaal inkomen in reële waarden te kunnen uitdrukken verdient het aanbeveling de primaire inkomens en inkomensoverdrachten ontvangen van en betaald aan het buitenland te defleren met behulp van een indexcijfer van de bruto binnenlandse bestedingen. Het reële nationaal beschikbaar inkomen moet worden uitgedrukt in nettocijfers door van de brutowaarde het verbruik van vaste activa in constante prijzen af te trekken.

KEUZE VAN INDEXFORMULES EN BASISJAAR

10.61. De constructie van een geïntegreerd systeem van prijs- en volume-indexcijfers impliceert een weloverwogen keuze van de te gebruiken indexcijfers.

10.62. Voor het meten van het jaarlijks verloop van volumemutaties wordt de voorkeur gegeven aan een volume-indexcijfer volgens Fisher; dit is het meetkundige gemiddelde van de indexcijfers van Laspeyres en Paasche. Bij volumemutaties over langere perioden worden kettingindexcijfers gebruikt, d.w.z. de jaarlijkse volumemutaties worden gecumuleerd.

10.63. Ook voor het meten van het jaarlijks verloop van prijsmutaties hebben prijsindexcijfers volgens Fisher de voorkeur. Voor prijsmutaties over langere perioden worden de jaarlijkse wijzigingen met behulp van kettingindexcijfers gekoppeld.

10.64. Kettingindexcijfers op basis van volume-indexcijfers volgens Laspeyres voor het meten van volumemutaties en prijsindexcijfers volgens Paasche voor het meten van het jaarlijkse prijsverloop bieden een aanvaardbaar alternatief voor Fisher-indexcijfers.

10.65. Hoewel volume- en prijsmutaties bij voorkeur met behulp van kettingindexcijfers worden berekend, kan het ontbreken van additieve consistentie voor vele soorten van analyses een ernstig nadeel betekenen.

Een aggregaat wordt gedefinieerd als de som van de samenstellende delen. Voor additiviteit is het nodig dat deze gelijkheid bewaard blijft wanneer de waarden van een aggregaat en de samenstellende delen ervan in een bepaalde referentieperiode aan de hand van een reeks volume-indexcijers in de tijd worden geëxtrapoleerd.

10.66. Het verdient daarom aanbeveling om voor de hoofdaggregaten naast de kettingindexcijfers ook gedesaggregeerde gegevens in constante prijzen - d.w.z. directe waardering van lopende hoeveelheden in prijzen van het basisjaar - op te stellen.

Het ramen van gegevens voor de rekeningen in constante prijzen dient op een zo gedetailleerd mogelijk niveau te geschieden, om ervoor te zorgen dat de gegevens binnen het kader van een geïntegreerd systeem van prijs- en volume-indicatoren met elkaar in overeenstemming zijn. De aanbod- en gebruikstabellen vormen het centrale begripsmatige en statistische kader voor alle indicatoren in constante prijzen. Extra tabellen geven aanvullende informatie.

Reeksen in constante prijzen moeten echter in de loop der tijd een nieuwe basis krijgen. Het ESR gaat er in beginsel van uit dat het basisjaar vanaf 1995 om de vijf jaar moet worden gewijzigd. Wanneer dit gebeurt, is het gebruikelijk de gegevens op de oude basis te koppelen aan de nieuwe basis en niet andersom. Bij een nieuw basisjaar is er door de koppeling geen sprake meer van additiviteit.

10.67. Wanneer de waarden voor het basisjaar door middel van kettingindexcijfers zijn geëxtrapoleerd, moet aan de gebruikers duidelijk gemaakt worden waarom er in de tabellen geen sprake is van additiviteit.

De niet-additieve gegevens in constante prijzen worden zonder enige correctie gepubliceerd. Deze methode is doorzichtig en laat de gebruikers de omvang van het probleem zien.

Toch kunnen er omstandigheden zijn dat de opstellers er de voorkeur aan geven discrepanties op te heffen en de algemene consistentie van de gegevens te verbeteren.

INTERNATIONALE PRIJS- EN VOLUME-INDEXCIJFERS

10.68. Bij vergelijkingen van prijzen en volumes van verschillende landen krijgt men te maken met het probleem van verschillende nationale munteenheden. Aangezien de stabiliteit van de wisselkoersen voor dit doel onvoldoende is en wisselkoersen verschillen in koopkracht onjuist weergeven, is het noodzakelijk methoden te gebruiken die gelijkenis vertonen met die welke worden gebruikt voor vergelijkingen in de tijd binnen een enkel land. Daarom moeten voor paren van landen prijs- en volume-indexcijfers worden opgesteld waarbij soortgelijke indexformules worden toegepast als bij het meten van veranderingen in de tijd. De landen A en B kunnen beide als gewicht worden gebruikt en - uitgaande van land A - kunnen zowel Laspeyres-indexcijfers met gewichten voor land A als Paasche- indexcijfers met gewichten voor land B worden berekend.

10.69. Indien de economieën van de twee landen sterk van elkaar afwijken, kan de spreiding tussen beide indexcijfers vrij groot zijn en hangen de resulaten te veel af van het gekozen indexcijfer. Voor vergelijkingen tussen twee landen verlangt het ESR daarom een gemiddelde van beide, in de vorm van een Fisher-indexcijfer.

10.70. Directe kwantitatieve vergelijkingen tussen economische situaties die weinig met elkaar gemeen hebben, zijn uiteraard moeilijk en het defleren van lopende waarden met prijsindexcijfers is daarom het beste alternatief. Dit geldt nog meer voor internationale vergelijkingen dan voor vergelijkingen in de tijd. Indien de produkten zorgvuldig worden gespecificeerd en geïdentificeerd, kunnen prijsverhoudingen worden berekend aan de hand van informatie die in ieder land wordt verzameld bij prijsenquêtes. Aangezien de prijzen in nationale valuta luiden, is voor de interpretatie van de prijsverhoudingen het begrip koopkrachtpariteit (KKP) ingevoerd. Voor een bepaald produkt wordt de KKP tussen de munteenheden van land A en land B gedefinieerd als het aantal eenheden van land B's munteenheid die in land B nodig zijn om dezelfde hoeveelheid van het produkt te kopen die in land A met één eenheid van de munteenheid van land A kan worden gekocht. KKP's voor produktgroepen, en zelfs voor het BBP, worden verkregen door de KKP's voor produkten te wegen aan de hand van hun aandeel in de bestedingen. Om een indexcijfer voor het prijsniveau tussen beide landen te verkrijgen moet het KKP-indexcijfer door de lopende wisselkoers van de twee munteenheden ten opzichte van elkaar worden gedeeld.

10.71. Bij nationale vergelijkingen van niet-marktdiensten kampt men met dezelfde problemen als bij vergelijkingen in de tijd. Dit betekent dat de output wordt gemeten als de som van de componenten van de input. De thans voor internationale vergelijkingen gebruikte methode bestaat in het berekenen van KKP's op basis van prijsverhoudingen voor belangrijke componenten van deze input. Bij deze methode, waarvoor volumevergelijkingen van de input nodig zijn, wordt geen rekening gehouden met verschillen in produktiviteit bij het produceren van niet-marktdiensten in de vergeleken landen. Het is daarom van belang methoden te ontwikkelen die in plaats daarvan leiden tot een vergelijking van het volume van de output van niet-marktdiensten. In beginsel moet dit haalbaar zijn voor individuele niet-marktdiensten, op dezelfde algemene wijze als bij vergelijkingen in de tijd.

10.72. Het ESR gaat uit van de noodzaak internationale prijs- en volumevergelijkingen te maken. Het belangrijkste doel is het maken van volumevergelijkingen voor het BBP en de besteding van het BBP. Ook moet worden voldaan aan de voorwaarde van transitiviteit. Transitiviteit wil zeggen dat het indirecte indexcijfer voor land C in relatie tot land A gelijk is aan het indirecte indexcijfer dat wordt verkregen door het directe indexcijfer voor land B in relatie tot land A te vermeningvuldigen met het directe indexcijfer voor land C in relatie tot land B.

10.73. Om een serie multilaterale volume-indicatoren en KKP's te berekenen is er in het ESR voor gekozen om te beginnen met vergelijkingen tussen alle mogelijke paren - twee aan twee - van de beschouwde landen. De hiervoor gebruikte Fisher-indexcijfers zijn niet transitief, maar het is mogelijk hieruit een reeks transitieve indexcijfers af te leiden die zoveel mogelijk op de oorspronkelijke Fisher-indexcijfers lijken. Hiervoor is gebruik gemaakt van het traditionele criterium van de kleinste kwadraten. Door de deviaties tussen de oorspronkelijke Fisher-indexcijfers en de gewenste transitieve indexcijfers zo klein mogelijk te houden krijgt men de zogenaamde EKS-formule.

10.74. Bij het EKS-indexcijfers worden alle indirecte indexcijfers die land i aan land k koppelen alsmede het directe indexcijfer tussen beide gebruikt. Tussen de landen i en k is het EKS-indexcijfer het meetkundige gemiddelde van het directe indexcijfer tussen i en k en alle mogelijke indirecte indexcijfers die de landen i en k met elkaar verbinden. Het gewicht van het directe indexcijfer is twee maal zo groot als dat van elk van de indirecte indexcijfers. Transitiviteit wordt verkregen door bij het EKS-indexcijfer voor ieder paar landen ieder ander land te betrekken.

HOOFDSTUK 11

BEVOLKING EN INPUT VAN ARBEID

11.01. Bepaalde vergelijkingen tussen landen of tussen bedrijstakken of sectoren binnen een economie krijgen pas betekenis wanneer de aggregaten van de nationale rekeningen (zoals bruto binnenlands produkt, consumptie van huishoudens, toegevoegde waarde van een bedrijfstak, beloning van werknemers) worden gerelateerd aan het aantal inwoners of aan bepaalde arbeidsvariabelen. Vandaar de behoefte aan definities van de totale bevolking, werkzame personen, banen, totaal aantal gewerkte uren, arbeidsjaren en input van arbeid van werknemers tegen constante beloning, die nauw verbonden zijn met de begrippen uit de nationale rekeningen.

11.02. Bij het definiëren van deze begrippen wordt in het ESR uitgegaan van de begrippen economisch gebied en economisch belangencentrum.

11.03. Voor de classificatie van de input van arbeid moeten dezelfde statistische eenheden worden gebruikt als voor de analyse van het produktieproces, namelijk de eenheid van economische activiteit op lokaal niveau en de institutionele eenheid.

11.04. De aggregaten waaraan de cijfers voor bevolking en input van arbeid worden gerelateerd, zijn jaartotalen. Daarom moeten ook voor de bevolkingsgegevens en de arbeidsvariabelen jaargemiddelen worden gebruikt.

Wanneer gedurende het jaar op verschillende tijdstippen onderzoeken worden gehouden, moet het gemiddelde van de op deze tijdstippen verkregen resultaten worden genomen.

Wanneer slechts één onderzoek wordt gedaan, is het belangrijk om na te gaan of de onderzochte periode representatief is; bij de raming van de gegevens voor het gehele jaar moet gebruik worden gemaakt van de laatst beschikbare informatie over de wijzigingen in de loop van het jaar. Zo moet er bij een raming van het gemiddelde aantal werkzame personen rekening mee worden gehouden dat bepaalde personen niet het hele jaar werken (losse arbeiders en seizoenarbeiders).

TOTALE BEVOLKING

11.05. Definitie: Op een bepaalde datum omvat de totale bevolking van een land alle personen van eigen of vreemde nationaliteit die duurzaam in het economisch gebied van het land zijn gevestigd, ook al verblijven zij tijdelijk elders. Voor sommige doeleinden biedt een jaargemiddelde van het aantal inwoners een goede basis voor een raming van bepaalde variabelen van de nationale rekeningen of voor gebruik als noemer bij vergelijkingen.

11.06. Voor de nationale rekeningen wordt bij de definitie van de totale bevolking uitgegaan van het begrip ingezetenschap (zie hoofdstuk 2 "Eenheden en indeling van eenheden").

Duurzaam gevestigd noemt men elke persoon die voor een periode van een jaar of langer in het economisch gebied van het land verblijft of dat van plan is.

Tijdelijk afwezig noemt men elke duurzaam in het land gevestigde persoon die voor een periode korter dan een jaar in het buitenland verblijft of dat van plan is.

Alle personen die tot hetzelfde huishouden (91) behoren, zijn daar gevestigd waar het huishouden een economisch belangencentrum heeft: dit is waar het huishouden zijn woning(en) heeft die de leden van dat huishouden als hun hoofdverblijf beschouwen. Een lid van een ingezeten huishouden blijft ook dan ingezeten wanneer het regelmatig reizen buiten het economisch gebied maakt, omdat zijn economisch belangencentrum in de economie blijft waar het huishouden gevestigd is.

11.07. De totale bevolking van een land omvat:

a) de in het land gevestigde staatsburgers;

b) civiele staatsburgers die voor een periode korter dan een jaar in het buitenland verblijven (grens- en seizoenarbeiders, toeristen, kuurpatiënten, enz.);

c) civiele personen van vreemde nationaliteit die voor een periode van een jaar of langer in het land gevestigd zijn (met inbegrip van het personeel (92) van de Instellingen van de Europese Gemeenschappen en van internationale civiele organisaties, die zich in het geografisch gebied van het land bevinden);

d) buitenlandse militairen (93) werkzaam bij internationale militaire organisaties die zich in het geografisch gebied van het land bevinden;

e) buitenlandse hulpverleners (94) met een langlopende opdracht, die in het land werkzaam zijn en die worden geacht bij de Regering van het gastland in dienst te zijn namens de Regering of de internationale organisatie die in feite hun werk financiert.

Volgens afspraak omvat de totale bevolking eveneens, ongeacht de verblijfsduur in het buitenland:

a) staatsburgers die in het buitenland studeren, ongeacht de duur van hun studie;

b) leden van de nationale strijdkrachten (95), gelegerd in het buitenland;

c) staatsburgers (96) werkzaam bij nationale wetenschappelijke bases, gevestigd buiten het geografisch gebied van het land;

d) diplomatiek personeel (97) van eigen nationaliteit op vertegenwoordigingen in het buitenland;

e) staatsburgers (98) die deel uitmaken van de bemanning van vissersvaartuigen, andere schepen, luchtvaartuigen en drijvende boorplatforms, die geheel of gedeeltelijk buiten het economisch gebied werkzaam zijn.

11.08. Omgekeerd omvat de totale bevolking van een land niet:

a) civiele personen van vreemde nationaliteit die voor een periode korter dan een jaar in het land verblijven (grens- en seizoenarbeiders, toeristen, kuurpatiënten, enz.);

b) civiele staatsburgers die voor een periode van een jaar of langer in het buitenland verblijven;

c) militairen van eigen nationaliteit werkzaam bij internationale organisaties die zich in het buitenland bevinden;

d) hulpverleners van eigen natinaliteit met een langlopende opdracht, die in het buitenland werkzaam zijn en die worden geacht bij de Regering van het gastland in dienst te zijn namens de Regering of de internationale organisatie die in feite hun werk financiert,

en volgens afspraak evenmin:

a) buitenlandse studenten ongeacht de duur van hun studie in het land;

b) leden van buitenlandse strijdkrachten, gelegerd in het land;

c) buitenlands personeel van buitenlandse wetenschappelijke bases, gevestigd in het geografisch gebied van het land;

d) buitenlands diplomatiek personeel op vertegenwoordigingen in het land.

11.09. Bovenstaande definitie wijkt af van de definitie van de aanwezige (of de facto) bevolking, namelijk de personen die op een bepaalde datum feitelijk in het geografisch gebied van een land aanwezig zijn.

BEROEPSBEVOLKING

11.10. Definitie: Tot de beroepsbevolking behoren al degenen, ongeacht hun geslacht, maar boven een bepaalde leeftijd, die gedurende een referentieperiode het arbeidsaanbod vormen voor de produktieve activiteiten (die vallen binnen de produktiegrens zoals gedefinieerd in het ESR). Hiertoe behoort iedereen die voldoet aan de vereisten voor opname bij de werkenden (werknemers en zelfstandigen) of de werklozen.

"Werknemers" en "zelfstandigen" worden gedefinieerd onder de titel "Werkzame personen".

"Werklozen" worden gedefinieerd onder de titel "Werklozen".

WERKZAME PERSONEN

11.11. Definitie: Tot de werkzame personen behoren al degenen - werknemers en zelfstandigen - die een produktieve activiteit uitoefenen die valt binnen de produktiegrens zoals gedefinieerd in het ESR.

WERKNEMERS (99)

11.12. Definitie: Werknemers zijn personen die op grond van een arbeidsovereenkomst werk verrichten voor een andere ingezeten institutionele eenheid en daarvoor loon ontvangen (geregistreerd als D.1 Beloning van werknemers).

Er is sprake van een werkgever-werknemerverhouding wanneer er een al dan niet formele en gewoonlijk vrijwillig aangegane overeenkomst tussen een onderneming en een persoon bestaat, waarbij laatstgenoemde in ruil voor loon in geld of in natura voor de onderneming werkzaam is.

Personen in loondienst worden alleen als werknemer ingedeeld indien ze niet ook, als hoofdactiviteit, als zelfstandige werkzaam zijn; in dat geval behoren zij tot de zelfstandigen.

11.13. De volgende categorieën worden tot de werknemers gerekend:

a) personen die met een werkgever een arbeidsovereenkomst zijn aangegaan (arbeiders, beambten, employés, kaderpersoneel, huishoudelijk personeel, personen die in het kader van een werkgelegenheidsprogramma een betaalde produktieve activiteit verrichten);

b) burgerpersoneel dat met de overheid een publiekrechtelijke arbeidsverhouding is aangegaan;

c) beroepsmilitairen, kortverbanders en dienstplichtigen (ook indien zij civiel werk verrichten);

d) geestelijken die rechtstreeks door de overheid of een instelling zonder winstoogmerk worden betaald;

e) meewerkende eigenaren van vennootschappen en quasi-vennootschappen;

f) studenten die zich er formeel toe hebben verplicht om in ruil voor loon en/of onderwijs mee te werken aan het produktieproces van een onderneming;

g) thuiswerkers (100) indien er sprake is van een expliciete afspraak dat de thuiswerker wordt betaald op basis van het werk dat hij heeft verricht, d.w.z. de hoeveelheid arbeid die in een produktieproces is ingezet;

h) gehandicapte werkenden, mits er sprake is van een al dan niet formele werkgever-werknemerverhouding;

i) uitzendkrachten, die moeten worden ingedeeld bij de bedrijfstak van het uitzendbureau waarvoor zij werkzaam zijn en niet bij die van de onderneming waarvoor zij feitelijk werken. Voor input-outputanalyses kan een herclassificatie van de uitzendkrachten en de bijbehorende kosten gewenst zijn (zie punt 9.51).

11.14. Als werknemers worden ook aangemerkt degenen die tijdelijk niet op het werk aanwezig zijn, mits er een formele arbeidsverhouding bestaat. Dit laatste moet worden vastgesteld aan de hand van een of meer van de onderstaande criteria:

a) het blijven ontvangen van loon;

b) de garantie dat men na afloop van de gebeurtenis die tot de afwezigheid heeft geleid, op het werk kan terugkeren, of een afspraak over de datum van terugkeer;

c) de duur van de afwezigheid, wat in voorkomende gevallen de periode kan zijn gedurende welke men recht heeft op een vervangende uitkering zonder verplicht te zijn om ander werk te accepteren.

Dit betreft personen die tijdelijk niet op het werk aanwezig zijn wegens ziekte, een ongeval, een feestdag, vakantie, een staking of een uitsluiting, scholingsverlof, zwangerschaps- of ouderschapsverlof, een vermindering van de economische activiteit, een tijdelijke onderbreking van het werk in verband met slecht weer, een technische of elektrische storing, een tekort aan grond- of brandstoffen, enz., of een andere tijdelijke afwezigheid met of zonder toestemming.

ZELFSTANDIGEN

11.15. Definitie: Zelfstandigen zijn personen die als eigenaar of mede-eigenaar werkzaam zijn in een onderneming zonder rechtspersoonlijkheid die niet als quasi-vennootschap wordt beschouwd. Zelfstandigen worden hier alleen ingedeeld indien zij niet ook, als hoofdactiviteit, in loondienst werken; in dat geval behoren zij tot de werknemers.

Om bepaalde redenen kunnen zij gedurende de verslagperiode tijdelijk niet op het werk aanwezig zijn. De beloning voor het werken als zelfstandige wordt gemengd inkomen genoemd.

11.16. Tot de zelfstandigen behoren ook onderstaande categorieën:

a) niet-betaalde meewerkende gezinsleden, met inbegrip van degenen die werken in een onderneming zonder rechtspersoonlijkheid die geheel of gedeeltelijk voor de markt produceert;

b) thuiswerkers van wie het inkomen afhankelijk is van de waarde van de output van het produktieproces waarvoor zij verantwoordelijk zijn, ongeacht de hoeveelheid werk die dit voor hen meebrengt;

c) werkenden die enkel en alleen voor eigen consumptie of eigen investeringen produceren, hetzij individueel, hetzij samen met anderen.

Niet-betaalde vrijwilligers vallen onder de zelfstandigen wanneer bij hun vrijwilligerswerk goederen worden voortgebracht, bij voorbeeld de bouw van een woning, een kerk of een ander bouwwerk. Worden daarentegen diensten verleend, bij voorbeeld oppassen of schoonmaken zonder betaling, dan worden zij niet gerekend tot de werkzame personen; dergelijke diensten vallen niet binnen de produktiegrens (zie punt 3.08).

Het produceren van woondiensten door bewoners van een eigen huis vergt geen input van arbeid; om deze reden worden bewoners van een eigen huis dan ook niet als zelfstandigen beschouwd.

WERKZAME PERSONEN EN INGEZETENSCHAP

11.17. De resultaten van de activiteiten van produktie-eenheden kunnen alleen aan de werkzame personen worden gerelateerd indien hiertoe zowel ingezetenen als niet-ingezetenen die werk voor ingezeten produktie-eenheden verrichten, worden gerekend.

Tot de werkzame personen behoren daarom ook onderstaande categorieën:

a) niet-ingezeten grensarbeiders, d.w.z. degenen die dagelijks de grens overschrijden om in het economisch gebied te komen werken;

b) niet-ingezeten seizoenarbeiders, d.w.z. degenen die voor een periode korter dan een jaar in het economisch gebied verblijven om er werk te verrichten in bedrijfstakken waar periodiek extra arbeidskrachten worden gevraagd;

c) leden van de nationale strijdkrachten, gelegerd in het buitenland;

d) staatsburgers werkzaam bij nationale wetenschappelijke bases, gevestigd buiten het geografisch gebied van het land;

e) diplomatiek personeel van eigen nationaliteit op vertegenwoordigingen in het buitenland;

f) leden van de bemanning van vissersvaartuigen, andere schepen, luchtvaartuigen en drijvende boorplatforms, geëxploiteerd door ingezeten eenheden;

g) plaatselijk personeel van nationale overheidsinstellingen die buiten het economisch gebied zijn gevestigd.

11.18. Tot de werkzame personen behoren daarentegen niet:

a) ingezetenen die als grens- of seizoenarbeider in een ander economisch gebied werken;

b) staatsburgers die deel uitmaken van de bemanning van vissersvaartuigen, andere schepen, luchtvaartuigen en drijvende boorplatforms, geëxploiteerd door niet-ingezeten eenheden;

c) plaatselijk personeel van buitenlandse overheidsinstellingen die in het geografisch gebied van het land zijn gevestigd;

d) het personeel van de Instellingen van de Europese Gemeenschappen en van internationale civiele organisaties die in het geografisch gebied van het land zijn gevestigd (inclusief rechtstreeks aangetrokken plaatselijk personeel);

e) militairen werkzaam bij internationale militaire organisaties die in het geografisch gebied van het land zijn gevestigd;

f) staatsburgers werkzaam bij buitenlandse wetenschappelijke bases die in het economisch gebied zijn gevestigd.

11.19. Om de overgang mogelijk te maken naar de begrippen die over het algemeen in de arbeidskrachtenstatistiek worden gehanteerd (b.v. werkzame personen volgens nationaal concept) voert het ESR met name onderstaande categorieën afzonderlijk op:

a) dienstplichtige militairen (uitgezonderd in de arbeidskrachtenstatistiek, maar wel begrepen in het ESR, onder de diensten van de overheid);

b) ingezetenen werkzaam bij niet-ingezeten produktie-eenheden (wel begrepen in de arbeidskrachtenstatistiek, maar niet in de werkzame personen volgens de ESR-definitie);

c) niet-ingezetenen werkzaam bij ingezeten produktie-eenheden (niet begrepen in de arbeidskrachtenstatistiek, maar wel in de werkzame personen volgens de ESR-definitie);

d) ingezeten werkenden die permanent in een inrichting, instelling of tehuis wonen;

e) ingezeten werkenden onder de leeftijdsgrens die in de arbeidskrachtenstatistiek wordt gehanteerd.

WERKLOZEN

11.20. Definitie: In overeenstemming met de door de International Labour Organisation (13e Internationale conferentie van arbeidsstatistici) vastgestelde normen behoren tot de werklozen al degenen boven een bepaalde leeftijd die gedurende de referentieperiode:

a) "zonder werk" waren, d.w.z. niet in loondienst of als zelfstandige werkten;

b) "direct beschikbaar voor werk" waren, d.w.z. gedurende de referentieperiode voor werk in loondienst of als zelfstandige beschikbaar waren, en

c) "werk zochten", d.w.z. in een bepaalde, recente periode gerichte stappen hebben ondernomen om werk in loondienst of als zelfstandige te zoeken.

Tot de gerichte stappen kunnen worden gerekend inschrijving bij een arbeidsbemiddelingsbureau van de overheid of bij een particulier arbeidsbemiddelingsbureau; sollicitaties bij werkgevers; navragen bij bouwplaatsen, landbouwbedrijven, fabrieken, markten en andere daarvoor geschikte plaatsen; plaatsen van en reageren op advertenties in kranten; hulp vragen bij vrienden of familie; uitkijken naar grond, gebouwen, machines of apparatuur om zelf een onderneming te beginnen; financiële middelen proberen te krijgen; aanvragen van vergunningen, licenties, enz.

11.21. Definitie: Het werkloosheidspercentage staat voor het aandeel van de werklozen in de beroepsbevolking.

Dit percentage wordt gewoonlijk berekend voor groepen die zijn onderscheiden naar geslacht en leeftijd. Soms vindt echter ook een indeling plaats op basis van andere demografische variabelen, zoals burgerlijke staat, scholingsgraad of nationaliteit.

BANEN

11.22. Definitie: Een baan is een expliciete of impliciete overeenkomst (101) tussen een persoon en een ingezeten institutionele eenheid om gedurende een bepaalde periode of tot nader order tegen beloning (102) werk (103) te verrichten.

Onder deze definitie vallen zowel banen van werknemers als banen van zelfstandigen; er is sprake van een werknemersbaan wanneer de betrokkene niet tot dezelfde institutionele eenheid behoort als de werkgever en er is sprake van een baan als zelfstandige wanneer dit wel het geval is.

11.23. Het begrip banen wijkt af van het begrip werkzame personen, zoals dat hierboven is gedefinieerd:

a) inbegrepen zijn alle (inclusief tweede, derde, enz.) banen van een zelfde persoon; deze banen kunnen elkaar binnen de referentieperiode (gewoonlijk een week) opvolgen of, wanneer iemand behalve overdag ook 's avonds een baan heeft, ook naast elkaar bestaan;

b) buiten beschouwing blijven daarentegen personen die tijdelijk niet op het werk aanwezig zijn, maar die "een formele arbeidsverhouding" hebben in de vorm van "de garantie dat men (. . .) op het werk kan terugkeren" of van "een afspraak over de datum van terugkeer". In het ESR wordt een dergelijke afspraak tussen een werkgever en iemand die tijdelijk ontslagen is of elders een opleiding volgt, niet als baan geteld.

BANEN EN INGEZETENSCHAP

11.24. Een baan in het economisch gebied van het land is een expliciete of impliciete overeenkomst tussen een persoon (die ingezetene van een ander economisch gebied kan zijn) en een ingezeten institutionele eenheid.

Voor het meten van arbeid als input van een economische activiteit is alleen het ingezetenschap van de producerende institutionele eenheid van belang omdat alleen ingezeten producenten aan het bruto binnenlands produkt bijdragen.

11.25. Bovendien:

a) wanneer werknemers van een ingezeten producent tijdelijk in een ander economisch gebied werken en de aard en de duur van de activiteit geen redenen vormen om een fictieve ingezeten eenheid van dat andere gebied te creëren, dan worden zij meegeteld bij de banen van het economisch gebied;

b) wanneer het banen betreft bij een niet-ingezeten institutionele eenheid, d.w.z. bij een eenheid met een belangencentrum in een ander land, die niet voornemens is om gedurende een jaar of langer in het gebied van het land actief te blijven, dan worden zij niet tot de banen van het economisch gebied gerekend;

c) de banen van het personeel van internationale organisaties en van het ter plaatse aangetrokken personeel van buitenlandse ambassades blijven bij de telling buiten beschouwing, aangezien deze werkgevers niet ingezeten zijn.

TOTAAL AANTAL GEWERKTE UREN

11.26. Definitie: Het totale aantal gewerkte uren komt overeen met alle uren die door een werknemer of een zelfstandige gedurende de verslagperiode werkelijk zijn gewerkt, wanneer hun output binnen de produktiegrens valt.

In verband met de ruime definitie van werknemers - inclusief deeltijdwerkers en personen die tijdelijk niet op het werk aanwezig zijn maar voor wie wel een formele arbeidsverhouding blijft bestaan - beveelt het ESR het totale aantal gewerkte uren aan als maatstaf voor produktiviteitsberekeningen, en niet het aantal werknemers.

Het totale aantal gewerkte uren wordt in het ESR aanbevolen als eenheid van de input van arbeid.

11.27. In overeenstemming met de normen van de International Labour Organisation (10e Internationale conferentie van arbeidsstatistici) omvat het totale aantal werkelijk gewerkte uren:

a) de uren die gedurende de normale werktijd werkelijk zijn gewerkt;

b) de uren die buiten de normale werktijd nog gewerkt zijn en die in de regel worden betaald tegen een tarief dat hoger is dan het normale tarief (overuren);

c) de tijd die op de werkplek is besteed aan werkzaamheden als werkvoorbereiding, reparatie en onderhoud, gereed maken en schoonmaken van gereedschappen en schrijven van ontvangstbewijzen, rekeningen, tijdregistratie en andere rapporten;

d) de tijd die als wachttijd op de werkplek is doorgebracht, bij voorbeeld wegens tijdelijk gebrek aan werk, stilstand van machines of ongevallen, of die tijd die op de werkplek is doorgebracht zonder dat werk is verricht, maar waarvoor in het kader van een gegarandeerde arbeidsovereenkomst wel betaald wordt;

e) de tijd voor korte rustperioden op de werkplek, met inbegrip van koffie- en theepauzes.

11.28. De werkelijk gewerkte uren omvatten daarentegen niet:

a) betaalde, maar niet gewerkte uren zoals betaalde vakantie, betaalde feestdagen of betaald ziekteverlof;

b) lunchpauzes;

c) de tijd besteed aan woon-werkverkeer, ook indien deze uren betaald worden (bouwvakkers). Georganiseerd woon-werkverkeer in de tijd van de werkgever is echter wel in de gewerkte uren begrepen.

11.29. Het totale aantal gewerkte uren komt overeen met alle uren die gedurende de verslagperiode in het economisch gebied werkelijk zijn gewerkt in een baan als werknemer of zelfstandige,

a) inclusief het werk buiten het economisch gebied in opdracht van ingezeten werkgevers die daar geen economisch belangencentrum hebben,

b) exclusief werk voor buitenlandse werkgevers die geen economisch belangencentrum in het economisch gebied hebben.

11.30. In veel enquêtes bij ondernemingen wordt het aantal betaalde en niet het aantal gewerkte uren geregistreerd.

In die gevallen moeten de gewerkte uren voor iedere banencategorie worden geraamd aan de hand van de beschikbare informatie over betaald verlof, enz.

11.31. Voor conjunctuuranalyses is het wellicht zinvol het totale aantal gewerkte uren te corrigeren op basis van een standaardaantal werkdagen per jaar.

ARBEIDSJAREN

11.32. Definitie: Het aantal banen in arbeidsjaren komt overeen met het totale aantal gewerkte uren gedeeld door het gemiddelde aantal uren dat per jaar in het economisch gebied in een volledige baan wordt gewerkt.

11.33. In deze definitie wordt niet echt beschreven hoe de duur van een volledige baan wordt geraamd: aangezien deze in de loop van de tijd verandert en van bedrijfstak tot bedrijfstak uiteenloopt, moeten methoden worden gebruikt om per banencategorie vast te stellen wat gemiddeld het aandeel van deeltijdbanen is en hoeveel uren gemiddeld in deeltijd wordt gewerkt. Eerst moet voor iedere banencategorie de omvang van een normale volledige werkweek worden geraamd. Indien mogelijk kunnen binnen een bedrijfstak banencategorieën worden afgebakend naar geslacht en/of naar soort werk dat de mensen verrichten. Voor banen van werknemers vormt de in een arbeidsovereenkomst neergelegde arbeidsduur een goed criterium voor de vaststelling van deze cijfers. Voor iedere banencategorie afzonderlijk worden de arbeidsjaren berekend, waarna ze worden samengeteld.

11.34. Hoewel het totale aantal gewerkte uren de beste eenheid is om de input van arbeid in uit te drukken, heeft het gebruik van arbeidsjaren bepaalde voordelen: een raming is eenvoudiger, zodat internationale vergelijkingen met landen die de werkzame personen alleen in arbeidsjaren kunnen ramen, gemakkelijker tot stand kunnen worden gebracht.

INPUT VAN ARBEID VAN WERKNEMERS BIJ CONSTANTE BELONING

11.35. Definitie: De input van arbeid van werknemers tegen constante beloning meet de waarde van de lopende input van arbeid tegen het beloningsniveau voor banen van werknemers in een geselecteerde basisperiode.

11.36. De beloning van werknemers in lopende prijzen gedeeld door de input van arbeid van werknemers in constante prijzen geeft een impliciet prijsindexcijfer voor de beloning dat kan worden vergeleken met het impliciete prijsindexcijfer voor het finaal gebruik.

11.37. Met het begrip input van arbeid van werknemers tegen constante beloning wordt beoogd de veranderingen in de samenstelling van arbeid uit te drukken, bij voorbeeld een toename van werknemers met een hoog loon ten opzichte van werknemers met een laag loon. Om zinvolle resultaten te verkrijgen, moet de analyse per bedrijfstak worden uitgevoerd.

HOOFDSTUK 12

KWARTAALREKENINGEN

12.01. De kwartaalrekeningen zijn onlosmakelijk verbonden met het systeem van nationale rekeningen en zijn vooral van groot belang voor de analyse van het lopende jaar en de eerste jaarramingen van het voorgaande jaar. Zij bestaan uit een consistente set van transacties, rekeningen en saldi (zowel financieel als niet-financieel) op kwartaalbasis. Daarbij worden dezelfde uitgangspunten, definities, en structuur gehanteerd als die welke voor de jaarrekeningen gelden; soms zijn echter specifieke aanpassingen nodig in verband met de beschreven periode.

12.02. Het belang van kwartaalrekeningen is vooral gelegen in het feit dat kort na afloop van de verslagperiode een volledig consistent overzicht wordt geboden van de economische ontwikkelingen.

12.03. Als gevolg van de periode die beschreven wordt, en de noodzaak om op korte termijn betrouwbare informatie te verschaffen, hebben de kwartaalrekeningen een aantal specifieke kenmerken. Deze hebben betrekking op de statistische methoden die bij het samenstellen gebruikt worden, het seizoenpatroon in de uitkomsten en de behandeling daarvan, de consistentie tussen kwartaal- en jaarrekeningen en enkele bijzonderheden in verband met de verslagperiode. Deze specifieke kenmerken zullen uitgebreid worden behandeld in een handboek over kwartaalrekeningen dat Eurostat voornemens is te publiceren voordat de voorgeschreven methodologie moet worden toegepast.

12.04. De statistische methoden om kwartaalrekeningen samen te stellen, kunnen aanzienlijk verschillen van de methoden die bij de jaarrekeningen worden gebruikt. Zij kunnen worden onderscheiden in twee hoofdcategorieën: directe en indirecte methoden. Directe methoden zijn gebaseerd op statistisch bronmateriaal dat op kwartaalbasis beschikbaar komt; in grote lijnen en eventueel in vereenvoudigde vorm komt dit materiaal overeen met dat wat wordt gebruikt voor de samenstelling van jaarrekeningen. Indirecte methoden zijn meer gebaseerd op wiskundige of statistische technieken voor de verdeling van de gegevens uit de jaarrekeningen naar kwartalen; daarbij wordt gebruik gemaakt van referentie-indicatoren die het mogelijk maken de gegevens voor het lopende jaar te extrapoleren. De keuze tussen de verschillende indirecte methoden wordt vooral bepaald door de gewenste minimalisatie van de voorspelfout voor het lopende jaar. De voorlopige jaarcijfers dienen immers zo dicht mogelijk bij de definitieve jaarrekeningen te liggen. De keuze voor een directe dan wel een indirecte methode hangt onder meer af van de beschikbaarheid van statistisch materiaal op kwartaalbasis.

12.05. Reeksen uit de kwartaalrekeningen laten gewoonlijk fluctuaties zien - ook wel seizoenfluctuaties genoemd - die veroorzaakt worden door weersinvloeden, gewoonten, wetgeving, enz. Deze seizoeninvloeden, die inherent zijn aan de kwartaalrekeningen, bemoeilijken vaak de analyse van de conjunctuur. Daarom is er behoefte aan zowel oorspronkelijke als seizoengecorrigeerde kwartaalrekeningen. De consistentie tussen seizoengecorrigeerde cijfers moet daarbij gewaarborgd zijn. Een aan seizoencorrectie gerelateerd probleem is de correctie in verband met het aantal werkdagen in de verslagperiode. Hieraan zal in het handboek van Eurostat nader aandacht worden besteed.

12.06. Omdat de kwartaalrekeningen dezelfde uitgangspunten kennen als de jaarrekeningen, dienen beide onderling consistent te zijn. Dit betekent, althans voor stroomvariabelen, dat de som van vier kwartaalcijfers gelijk moet zijn aan het corresponderende jaarcijfer. In beginsel levert het geen probleem op om voor voorgaande jaren aan deze voorwaarde te voldoen. Voor het lopende jaar is er echter wel een probleem, omdat de kwartaalgegevens gewoonlijk eerder beschikbaar zijn dan de jaarcijfers. Dit probleem kan worden opgelost door af te spreken dat de voorlopige ramingen van de jaarcijfers worden verkregen door optelling van de overeenkomstige kwartaalcijfers. Als er nieuwe jaarinformatie beschikbaar komt die een herziening inhoudt van deze voorlopige cijfers, moeten de kwartaalrekeningen hieraan aangepast worden. Bij sommige systemen zijn de jaarrekeningen een bijprodukt van de kwartaalrekeningen en vindt er geen afzonderlijke berekening op jaarbasis plaats.

12.07. De consistentie tussen kwartaal- en jaarrekeningen moet verzekerd zijn voor zowel de oorspronkelijke cijfers als voor de seizoengecorrigeerde cijfers.

12.08. Hoewel de meeste transacties en saldi regelmatig over alle kwartalen zijn gespreid, zijn er posten die zijn geconcentreerd in één of twee kwartalen van het jaar. Dit geldt voor belastingen op inkomen, dividend, rente, enz. De behandeling van deze posten hangt af van de aan deze transacties ten grondslag liggende principes.

12.09. Theoretisch gezien kan de lay-out van de kwartaaltabellen dezelfde zijn als die voor de jaarrekeningen. Om snel betrouwbare gegevens te kunnen publiceren, zal het tabellenschema van de kwartaalrekeningen in de praktijk echter eenvoudiger en meer geaggregeerd zijn (zie het programma van de in het kader van het ESR 1995 te verstrekken tabellen en gegevens).

HOOFDSTUK 13

REGIONALE REKENINGEN

13.01. De regionale rekeningen zijn een regionale specificatie van de ermee overeenkomende rekeningen van de totale economie. In de regionale rekeningen wordt gebruik gemaakt van dezelfde begrippen als in de rekeningen van de totale economie, tenzij expliciet anders aangegeven in dit hoofdstuk.

13.02. Een volledige reeks rekeningen op regionaal niveau betekent dat iedere regio als een afzonderlijke economische entiteit wordt beschouwd. In dit verband worden transacties met andere regio's min of meer externe transacties, waarbij uiteraard onderscheid moet worden gemaakt tussen transacties met andere regio's van het land en transacties met het buitenland.

13.03. Begripsmatige problemen (zie de punten 13.10-13.14) vormen een gedeeltelijke verklaring voor het feit dat de regionale rekeningen zijn beperkt tot het registreren van produktieactiviteiten per bedrijfstak en tot rekeningen van slechts enkele institutionele sectoren, zoals huishoudens.

REGIONAAL GEBIED

13.04. De regionale economie van een land maakt deel uit van de totale economie van dat land. Deze wordt gedefinieerd in termen van institutionele eenheden: zij bestaat uit alle institutionele eenheden die een economisch belangencentrum in het economisch gebied van een land hebben (zie punt 2.04). Al komt het economisch gebied voor het grootste deel overeen met het geografisch gebied, toch valt het niet precies samen (zie punt 2.05). Het economisch gebied van een land kan worden verdeeld in regionale gebieden en het extraregionale gebied.

13.05. Een regionaal gebied omvat:

a) een regio die deel uitmaakt van het geografisch gebied van een land;

b) eventuele vrije zones, douane-entrepots en fabrieken onder douanecontrole in die regio.

13.06. Het extraregionaal gebied omvat de delen van het economisch gebied van een land die niet rechtstreeks aan een enkele regio kunnen worden toegevoegd. Het betaat uit:

a) het nationale luchtruim, de territoriale wateren en het continentaal plat in de internationale wateren, waarop het land exclusieve rechten kan doen gelden;

b) territoriale enclaves (d.w.z. geografische gebieden in het buitenland, die op grond van internationale verdragen of overeenkomsten tussen Staten worden gebruikt door vertegenwoordigingen van de overheid van het land (ambassades, consulaten, militaire en wetenschappelijke bases, enz.));

c) aardolie- en aardgasvelden, enz. in de internationale wateren buiten het continentaal plat van het land, die worden geëxploiteerd door ingezeten eenheden.

13.07. De nomenclatuur van territoriale eenheden voor de statistiek (NUTS) geeft een uniforme indeling van het economisch gebied van de Europese Unie. De NUTS is de gebiedsindeling voor de samenstelling van regionale rekeningen.

EENHEDEN EN INGEZETENSCHAP

13.08. Er worden twee soorten eenheden onderscheiden: de lokale EEA voor de analyse van de stromen tijdens het produktieproces en bij het gebruik van goederen en diensten, en de institutionele eenheid voor de analyse van stromen die betrekking hebben op inkomens- en kapitaaltransacties, financiële transacties, overige transacties en overige mutaties in activa en balansen.

13.09. De lokale EEA is het deel van een EEA dat aansluiting heeft op een lokale eenheid. De lokale eenheid is een goederen en diensten producerende institutionele eenheid of een deel daarvan, gelegen op een geografisch bepaalde plaats (zie punt 2.106). De regionale vestiging van een lokale EEA kan in principe dan ook onomstotelijk worden vastgesteld.

Wat de transacties in verband met de produktieactiviteiten betreft, is het noodzakelijk de stromen waar te nemen tussen lokale EEA's die tot dezelfde institutionele eenheid behoren, maar in verschillende regio's zijn gevestigd. In het ESR wordt aanbevolen leveringen tussen lokale EEA's op te nemen in de definitie van de output; dit is met name belangrijk voor de regionale rekeningen.

13.10. In het kader van de regionale rekeningen dienen twee soorten institutionele eenheden te worden onderscheiden. Ten eerste uniregionale eenheden, waarvan het economische belangencentrum zich in een enkele regio bevindt en de meeste activiteiten in die regio plaatsvinden. Tot de uniregionale eenheden behoren huishoudens, ondernemingen waarvan alle lokale EEA's in dezelfde regio zijn gevestigd, lokale en deelstaatoverheden, ten minste een deel van de sociale verzekeringen en veel IZW's ten behoeve van huishoudens.

Ten tweede zijn er multiregionale eenheden. Het economisch belangencentrum van deze eenheden strekt zich uit over meer dan een regio. Veel ondernemingen en een aantal IZW's bevinden zich in deze situatie. In ruimere zin geldt dit ook voor institutionele eenheden waarvan de activiteiten het hele land bestrijken, zoals de centrale overheid en een klein aantal ondernemingen die over het algemeen een monopolie of bijna een monopolie hebben, zoals de nationale spoorwegen of het nationaal elektriciteitsbedrijf.

13.11. Alle transacties van uniregionale institutionele eenheden worden toegerekend aan de regio waar zij hun economisch belangencentrum hebben. Voor huishoudens is dat de regio waar zij wonen, niet die waar zij werken. De andere uniregionale eenheden hebben hun economisch belangencentrum in de regio waar zij zijn gevestigd.

13.12. Strikt genomen kunnen bepaalde transacties van multiregionale eenheden op grond van de theorie niet worden geregionaliseerd. Dit geldt voor de meeste financiële en verdelingstransacties. De saldi van multiregionale eenheden kunnen derhalve niet zonder meer op regionaal niveau worden vastgesteld.

13.13. Er kan worden gedacht aan een verdeling van de transacties van multiregionale eenheden over de regio's aan de hand van enkele vuistregels. Dit dient echter niet enkel als een praktische benadering te worden beschouwd. Het behelst een begripsmatige aanpassing van het ESR, aangezien dezelfde redenen die de opname van een volledig rekeningenstelsel voor lokale EEA's/bedrijfstakken in het centrale kader in de weg staan, in beginsel ook verhinderen dat alle institutionele eenheden en hun rekeningen over de regio's worden verdeeld; dat zou immers betekenen dat er een volledig rekeningenstelsel voor lokale EEA's moet worden opgezet.

13.14. Deze overwegingen leiden ertoe dat het stelsel van regionale rekeningen beperkt is tot:

a) aggregaten per economische activiteit met betrekking tot het produktieproces op regionaal niveau:

(1) bruto toegevoegde waarde,

(2) beloning van werknemers,

(3) werkzame personen,

(4) werknemers,

(5) bruto-investeringen in vaste activa;

b) bruto binnenlands produkt per regio (BBPR);

c) regionale rekeningen van de huishoudens.

METHODEN VOOR REGIONALISATIE