EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 31996L0022

Richtlijn 96/22/EG van de Raad van 29 april 1996 betreffende het verbod op het gebruik, in de veehouderij, van bepaalde stoffen met hormonale werking en van bepaalde stoffen met thyreostatische werking, alsmede van ß-agonisten en tot intrekking van de Richtlijnen 81/602/EEG, 88/146/EEG en 88/299/EEG

OJ L 125, 23.5.1996, p. 3–9 (ES, DA, DE, EL, EN, FR, IT, NL, PT, FI, SV)
Special edition in Czech: Chapter 03 Volume 019 P. 64 - 70
Special edition in Estonian: Chapter 03 Volume 019 P. 64 - 70
Special edition in Latvian: Chapter 03 Volume 019 P. 64 - 70
Special edition in Lithuanian: Chapter 03 Volume 019 P. 64 - 70
Special edition in Hungarian Chapter 03 Volume 019 P. 64 - 70
Special edition in Maltese: Chapter 03 Volume 019 P. 64 - 70
Special edition in Polish: Chapter 03 Volume 019 P. 64 - 70
Special edition in Slovak: Chapter 03 Volume 019 P. 64 - 70
Special edition in Slovene: Chapter 03 Volume 019 P. 64 - 70
Special edition in Bulgarian: Chapter 03 Volume 018 P. 242 - 248
Special edition in Romanian: Chapter 03 Volume 018 P. 242 - 248
Special edition in Croatian: Chapter 03 Volume 016 P. 51 - 57

In force: This act has been changed. Current consolidated version: 18/12/2008

ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/1996/22/oj

31996L0022

Richtlijn 96/22/EG van de Raad van 29 april 1996 betreffende het verbod op het gebruik, in de veehouderij, van bepaalde stoffen met hormonale werking en van bepaalde stoffen met thyreostatische werking, alsmede van ß-agonisten en tot intrekking van de Richtlijnen 81/602/EEG, 88/146/EEG en 88/299/EEG

Publicatieblad Nr. L 125 van 23/05/1996 blz. 0003 - 0009


RICHTLIJN 96/22/EG VAN DE RAAD van 29 april 1996 betreffende het verbod op het gebruik, in de veehouderij, van bepaalde stoffen met hormonale werking en van bepaalde stoffen met thyreostatische werking, alsmede van â-agonisten en tot intrekking van de Richtlijnen 81/602/EEG, 88/146/EEG en 88/299/EEG

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, inzonderheid op artikel 43,

Gezien het voorstel van de Commissie (1),

Gezien het advies van het Europees Parlement (2),

Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité (3),

(1) Overwegende dat bij Richtlijn 81/602/EEG van de Raad (4) bepaalde stoffen met hormonale werking en stoffen met thyreostatische werking en bij Richtlijn 88/146/EEG (5) het gebruik van bepaalde stoffen met hormonale werking in de veehouderij zijn verboden, waarbij evenwel bepaalde afwijkingen werden toegelaten;

(2) Overwegende dat bij Richtlijn 88/299/EEG (6) is bepaald onder welke voorwaarden mag worden afgeweken van het verbod op het handelsverkeer van bepaalde, in artikel 7 van Richtlijn 88/146/EEG omschreven categorieën dieren en van vlees daarvan;

(3) Overwegende dat bepaalde stoffen met thyreostatische, respectievelijk oestrogene, androgene of gestagene werking voor de consument schadelijk kunnen zijn wegens de residuen ervan in het vlees of in andere levensmiddelen van dierlijke oorsprong; dat deze stoffen tevens afbreuk kunnen doen aan de kwaliteit van levensmiddelen van dierlijke oorsprong;

(4) Overwegende dat nieuwe stoffen met anabole werking, bij voorbeeld â-agonisten, in de veehouderij onwettig worden gebruikt om de groei en de produktiviteit van de dieren te bevorderen;

(5) Overwegende dat uit het onderzoek dat de Commissie in de periode 1990 tot en met 1992 in de Lid-Staten heeft verricht, blijkt dat in veehouderijkringen grote hoeveelheden â-agonisten beschikbaar zijn, hetgeen het illegale gebruik ervan in de hand werkt;

(6) Overwegende dat oneigenlijk gebruik van â-agonisten de menselijke gezondheid ernstig in gevaar kan brengen; dat, in het belang van de consument, het houden, het toedienen aan dieren en het daartoe in de handel brengen van â-agonisten moeten worden verboden; dat voorts het houden, het toedienen aan dieren van welke soort dan ook en het in de handel brengen van stilbenen en stoffen met thyreostatische werking moeten worden verboden en dat voorts het gebruik van de andere stoffen dient te worden gereglementeerd;

(7) Overwegende dat evenwel kan worden toegestaan dat geneesmiddelen op basis van â-agonisten voor volledig omschreven therapeutische doeleinden worden toegediend aan bepaalde categorieën runderen, paardachtigen en gezelschapsdieren;

(8) Overwegende voorts dat alle consumenten zich onder dezelfde voorwaarden van vlees en van uit vlees bereide levensmiddelen moeten kunnen voorzien, waarbij de hun geboden produkten tegelijkertijd optimaal aan hun wensen en verwachtingen voldoen; dat dit, gelet op de bij de consumenten bestaande gevoeligheden, de afzetmogelijkheden voor deze produkten alleen maar ten goede kan komen;

(9) Overwegende dat het gebruik van stoffen met hormonale werking voor mestdoeleinden verboden moet blijven; dat in de gevallen waarin bepaalde stoffen toch voor therapeutische of zoötechnische doeleinden mogen worden toegediend, een strikte controle vereist is om elke vorm van oneigenlijk gebruik te voorkomen;

(10) Overwegende dat de wachttijden op communautair niveau nog niet zijn geharmoniseerd en dat er belangrijke verschillen bestaan tussen de verschillende Lid-Staten, met name voor toegestane geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik die hormonale stoffen of â-agonisten bevatten; dat daarom met het oog op een dergelijke harmonisatie maximum wachttijden voor deze geneesmiddelen moeten worden vastgesteld;

(11) Overwegende voorts dat aldus voor therapeutische of zoötechnische doeleinden behandelde levende dieren en vlees daarvan in beginsel niet in het handelsverkeer mogen worden gebracht, aangezien anders de doeltreffendheid van de controle van de gehele regeling in gevaar wordt gebracht; dat echter ten aanzien van het intracommunautaire handelsverkeer en de invoer uit derde landen van voor fokdoeleinden bestemde dieren en van voor de fokkerij afgeschreven fokdieren onder bepaalde voorwaarden van dit verbod kan worden afgeweken;

(12) Overwegende dat deze afwijkende regelingen mogen worden toegestaan wanneer toereikende garanties worden geboden om verstoringen van het handelsverkeer te voorkomen; dat deze garanties betrekking moeten hebben op de produkten die mogen worden gebruikt, alsmede op de gebruiksvoorschriften en de controle op de naleving daarvan, met name de naleving van de nodige wachttijd;

(13) Overwegende dat een doeltreffende controle op de toepassing van de uit deze richtlijn voortvloeiende bepalingen dient te worden gewaarborgd;

(14) Overwegende dat de Richtlijnen 81/602/EEG, 88/146/EEG en 88/299/EEG dienen te worden ingetrokken;

(15) Overwegende dat, om in alle Lid-Staten het illegale gebruik van groeibevorderaars en produktiviteitsverhogende middelen in de veehouderij doeltreffend te kunnen bestrijden, de te voeren actie op communautair niveau dient te worden georganiseerd;

(16) Overwegende dat het Europees Parlement op 18 januari 1996 de Commissie en de Raad heeft verzocht zich tegen de invoer van met hormonen behandeld vlees in de Gemeenschap te blijven verzetten; dat het de wens heeft uitgesproken dat het volledige verbod op het gebruik van groeibevorderaars in de veehouderij gehandhaafd blijft; dat het daartoe de Raad heeft verzocht het voorstel van de Commissie waarover het Europees Parlement op 19 april 1994 advies heeft uitgebracht, onverwijld aan te nemen,

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

1. Voor deze richtlijn gelden de in de Richtlijnen 64/433/EEG (7), 71/118/EEG (8), 77/99/EEG (9) en 91/495/EEG (10) vervatte definities van vlees en vleesprodukten, de in Richtlijn 91/493/EEG (11) vervatte definities van aquacultuurprodukten en de definities van geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik in de zin van de Richtlijnen 81/851/EEG (12) en 81/852/EEG (13).

2. Voorts wordt verstaan onder:

a) "landbouwhuisdieren": als huisdier gehouden runderen, varkens, schapen, geiten, eenhoevigen, pluimvee en tamme konijnen, alsook wilde dieren van genoemde soorten en wilde herkauwers, voor zover zij op een bedrijf worden gehouden;

b) "therapeutische behandeling": de individuele toediening aan landbouwhuisdieren krachtens artikel 4 van een stof waarvan het gebruik is toegestaan ter behandeling van een door een dierenarts, na onderzoek van het dier, geconstateerde fertiliteitsstoornis - met inbegrip van de onderbreking van een ongewenste dracht - en, voor wat â-agonisten betreft, voor de behandeling van tocolyse bij vrouwelijke runderen tijdens het kalven, en ademhalingsstoornissen en tocolyse bij voor andere doeleinden dan de vleesproduktie gefokte paardachtigen;

c) "zoötechnische behandeling": de toediening:

i) op individuele basis, aan landbouwhuisdieren, van een stof waarvan het gebruik krachtens artikel 5 van deze richtlijn is toegestaan, om, na onderzoek van het dier door een dierenarts of overeenkomstig artikel 5, tweede alinea, onder diens verantwoordelijkheid, de bronst te synchroniseren, en donor- en receptordieren op een embryotransplantatie voor te bereiden;

ii) aan aquacultuurdieren, en wel aan een groep kweekdieren, met het oog op geslachtsverandering op voorschrift van een dierenarts en onder diens verantwoordelijkheid;

d) "illegale behandeling": het gebruik van niet-toegestane stoffen of produkten of het gebruik van bij de communautaire wetgeving toegestane stoffen of produkten voor andere doeleinden of onder andere voorwaarden dan die welke in de communautaire wetgeving zijn vastgesteld.

Artikel 2

De Lid-Staten zien erop toe dat het verboden wordt:

a) stilbenen, stilbeenderivaten, zouten en esters daarvan en stoffen met thyreostatische werking in de handel te brengen om deze aan dieren, van welke soort dan ook, toe te dienen;

b) â-agonisten in de handel te brengen om deze voor andere doeleinden dan die genoemd in artikel 4, punt 2, toe te dienen aan dieren, indien het vlees en de produkten van deze dieren bestemd zijn voor menselijke consumptie.

Artikel 3

De Lid-Staten zien erop toe dat het volgende wordt verboden:

a) het op enigerlei wijze toedienen van stoffen met thyreostatische, oestrogene, androgene of gestagene werking en van â-agonisten aan landbouwhuisdieren en aan aquacultuurdieren;

b) het houden - behalve onder officiële controle - van de onder a) bedoelde dieren op een bedrijf, het in de handel brengen of slachten voor consumptie van landbouwhuisdieren of aquacultuurdieren die sporen vertonen van de onder a) genoemde stoffen of waarin de aanwezigheid van dergelijke stoffen is vastgesteld, behalve wanneer kan worden aangetoond dat de betrokken dieren overeenkomstig artikel 4 of artikel 5 zijn behandeld;

c) het in de handel brengen voor consumptie van aquacultuurdieren waaraan de onder a) bedoelde stoffen zijn toegediend, alsmede van verwerkte produkten die afkomstig zijn van deze dieren;

d) het in de handel brengen van vlees van onder b) bedoelde dieren;

e) het verwerken van onder d) bedoeld vlees.

Artikel 4

In afwijking van de artikelen 2 en 3 kunnen de Lid-Staten het volgende toestaan:

1. toediening, voor therapeutische doeleinden, aan landbouwhuisdieren van 17-â-oestradiol, testosteron en progesteron, en van derivaten daarvan die bij hydrolyse na resorptie op de toedieningsplaats gemakkelijk weer de stamverbinding opleveren. Geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik die voor therapeutische doeleinden worden toegediend moeten voldoen aan de voorwaarden voor het in de handel brengen zoals vastgesteld bij Richtlijn 81/851/EEG en mogen slechts door een dierenarts door middel van een injectie of - voor de behandeling van stoornissen aan de eierstokken - door middel van spiraaltjes en in geen geval door middel van implantaten aan duidelijk geïdentificeerde landbouwhuisdieren worden toegediend. De verantwoordelijke dierenarts registreert de behandeling van de geïdentificeerde dieren. Hij noteert in een register, dat het register kan zijn dat in Richtlijn 81/851/EEG wordt voorgeschreven, ten minste de volgende gegevens;

- aard van de behandeling,

- aard van de toegestane produkten,

- datum van de behandeling,

- identiteit van de behandelde dieren.

Desgevraagd moet dit register de bevoegde autoriteit ter beschikking worden gesteld;

2. toediening voor therapeutische doeleinden van toegestane geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik:

i) die allyltrenbolon bevatten voor orale toediening of van â-agonisten aan paardachtigen en gezelschapsdieren, voor zover deze middelen overeenkomstig de specificaties van de fabrikant worden gebruikt;

ii) van â-agonisten in de vorm van een injectie van â-agonisten voor de behandeling van tocolyse bij vrouwelijke runderen tijdens het kalven.

Deze stoffen moeten door een dierenarts of - indien het gaat om de onder punt i) bedoelde diergeneesmiddelen - onder diens rechtstreekse verantwoordelijkheid worden toegediend. De verantwoordelijke dierenarts moet de behandeling registreren, met vermelding van ten minste de in punt 1 bedoelde gegevens;

Het is het bedrijfshoofd verboden diergeneesmiddelen te houden die â-agonisten bevatten die gebruikt kunnen worden voor de opwekking van tocolyse bij vrouwelijke runderen.

Onverminderd het bepaalde in de eerste alinea is therapeutische behandeling van gebruiksdieren, met inbegrip van voor de fokkerij afgeschreven fokdieren, verboden.

Artikel 5

In afwijking van artikel 3, onder a), en onverminderd artikel 2, kunnen de Lid-Staten toestaan dat - voor zoötechnische doeleinden - aan landbouwhuisdieren geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik met oestrogene, androgene of gestagene werking worden toegediend, die overeenkomstig de Richtlijnen 81/851/EEG en 81/852/EEG zijn toegestaan. Deze geneesmiddelen moeten door een dierenarts aan duidelijk geïdentificeerde dieren worden toegediend en de behandeling wordt door de verantwoordelijke dierenarts overeenkomstig artikel 4, punt 1, geregistreerd.

De Lid-Staten kunnen echter toestaan dat de bronstsynchronisatie en de voorbereiding van donor- en receptordieren op een embryotransplantatie niet door de dierenarts zelf, maar onder diens verantwoordelijkheid plaatsvinden.

Voor wat aquacultuurdieren betreft kunnen de jonge vissen met het oog op geslachtsverandering gedurende de eerste drie maanden worden behandeld met geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik met androgene werking, die overeenkomstig de Richtlijnen 81/851/EEG en 81/852/EEG zijn toegestaan.

In de in het onderhavige artikel bedoelde gevallen geeft de dierenarts een eenmalig voorschrift met vermelding van de beoogde behandeling en van de benodigde hoeveelheid van het produkt, waarbij hij de voorgeschreven produkten registreert.

Bij gebruiksdieren, met inbegrip van voor de fokkerij afgeschreven fokdieren tijdens de vetmestingsperiode, mag evenwel geen zoötechnische behandeling worden toegepast.

Artikel 6

1. Produkten met hormonale werking en â-agonisten die conform het bepaalde in de artikelen 4 en 5 aan landbouwhuisdieren mogen worden toegediend, moeten aan de eisen van de Richtlijnen 81/851/EEG en 81/852/EEG voldoen.

2. Overeenkomstig lid 1 mogen echter niet worden toegestaan:

a) de volgende hormonale produkten:

i) produkten met depotwerking;

ii) produkten waarvan de wachttijd meer dan 15 dagen na de beëindiging van de behandeling bedraagt;

iii) produkten

- waarvoor vergunning is verleend uit hoofde van voorschriften die bestonden vóór de wijziging die bij Verordening (EEG) nr. 2309/93 (14) is aangebracht;

- waarvan de gebruiksvoorwaarden niet bekend zijn;

- waarvoor reagentia of het nodige materiaal voor analysemethoden waarmee de aanwezigheid van residuen boven de toegestane maxima kan worden aangetoond, niet voorhanden zijn;

b) geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik die â-agonisten bevatten waarvan de wachttijd meer dan 28 dagen na de beëindiging van de behandeling bedraagt.

Artikel 7

1. Met het oog op het handelsverkeer kunnen de Lid-Staten toestemming verlenen voor het in de handel brengen van voor fokdoeleinden bestemde dieren of van voor de fokkerij afgeschreven fokdieren die in de periode waarin zij als fokdier werden gebruikt, een van de in artikelen 4 en 5 bedoelde behandelingen hebben ondergaan, alsmede voor het gebruik van het communautaire stempel op vlees van deze dieren, indien aan de in de artikelen 4 en 5 vervatte voorwaarden is voldaan en indien de minimale wachttijden in artikel 6, lid 2, onder respectievelijk a), ii), of b), of de in de toestemming voor het in de handel brengen genoemde wachttijden in acht zijn genomen.

Handelsverkeer in waardevolle paarden, met name renpaarden, springpaarden, circuspaarden, voor dekdoeleinden of voor tentoonstellingen bestemde paarden, met inbegrip van de geregistreerde paardachtigen waaraan voor de in artikel 4 aangegeven doeleinden geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik zijn toegediend die allyltrenbolon of â-agonisten bevatten, mag plaatsvinden nog vóórdat de wachttijd is verstreken, mits aan de toedieningsvoorwaarden is voldaan en op het certificaat of het paspoort waarvan deze dienen vergezeld gaan, aard en datum van de behandeling worden vermeld.

2. Vlees of produkten van dieren waaraan overeenkomstig de afwijkende bepalingen van deze richtlijn stoffen met oestrogene, androgene of gestagene werking of â-agonisten zijn toegediend, mogen slechts met het oog op menselijke consumptie in de handel worden gebracht indien deze dieren zijn behandeld met geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik die voldoen aan de eisen van artikel 6 en voor zover de vastgestelde wachttijd vóór het slachten van de dieren in acht is genomen.

Artikel 8

De Lid-Staten zien erop toe dat:

1. het houden van de in artikel 2 en in artikel 3, onder a), genoemde stoffen beperkt blijft tot de personen die volgens de nationale wetgeving overeenkomstig artikel 1 van Richtlijn 90/676/EEG (15) daartoe gemachtigd zijn in de stadia van invoer, bereiding, opslag, distributie, verkoop of gebruik van die stoffen;

2. naast de controles als bedoeld in de richtlijnen inzake het in de handel brengen van de verschillende betrokken produkten, de in artikel 11 van Richtlijn 96/23/EG (16) bedoelde officiële controles door de bevoegde nationale autoriteiten zonder voorafgaand bericht worden uitgevoerd voor het controleren van:

a) het houden of de aanwezigheid van overeenkomstig artikel 2 verboden stoffen of produkten die bestemd zouden zijn voor toediening aan dieren met het oog op de vetmesting daarvan;

b) de illegale behandeling van dieren;

c) het niet-nakomen van de wachttijden als bedoeld in artikel 6;

d) het niet-nakomen van de beperkingen die in de artikelen 4 en 5 worden gesteld aan het gebruik van bepaalde stoffen of produkten;

3. de opsporing

a) van de aanwezigheid van de in punt 1 bedoelde stoffen in dieren en in het drinkwater voor dieren, alsmede op alle plaatsen waar dieren worden opgefokt of gehouden;

b) van de aanwezigheid van residuen van bovengenoemde stoffen in levende dieren, in de excreta en lichaamsvochten daarvan, alsmede in weefsel en dierlijke produkten,

wordt uitgevoerd overeenkomstig de bepalingen van de bijlagen III en IV bij Richtlijn 96/23/EG;

4. wanneer bij de in punt 2 en 3 bedoelde controles blijkt dat:

a) er stoffen of produkten aanwezig zijn waarvan het gebruik of het houden verboden is of er residuen aanwezig zijn van stoffen die in het kader van een illegale behandeling zijn toegediend, beslag wordt gelegd op deze stoffen of produkten, terwijl de eventueel behandelde dieren of het vlees daarvan onder officiële controle moeten worden geplaatst totdat de nodige sancties zijn getroffen;

b) de eisen zoals genoemd in punt 2, onder b) en c), niet zijn nageleefd, de bevoegde autoriteit passende maatregelen treft in het licht van de ernst van de geconstateerde inbreuk.

Artikel 9

Onverminderd Richtlijn 81/851/EEG houden ondernemingen die stoffen met thyreostatische, oestrogene, androgene of gestagene werking, dan wel â-agonisten kopen of produceren, ondernemingen die deze stoffen op welke grond van ook mogen verhandelen, en ondernemingen die op basis van deze stoffen bereide farmaceutische produkten en geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik kopen of produceren, een register bij waarin chronologisch aantekening wordt gehouden van de vervaardigde, respectievelijk aangekochte hoeveelheden, en van de hoeveelheden die voor de vervaardiging van farmaceutische produkten en geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik zijn overgedragen of gebruikt; tevens dienen zij te registreren aan wie zij deze hoeveelheden hebben overgedragen of van wie zij deze hebben gekocht.

Bovengenoemde gegevens moeten de bevoegde autoriteit desgevraagd ter beschikking worden gesteld; in het geval van geautomatiseerde bestanden geschiedt dit in gedrukte vorm.

Artikel 10

Wanneer bij de controles in een Lid-Staat blijkt dat in het land van oorsprong van de dieren of van de produkten niet is voldaan aan de eisen van deze richtlijn, beroept de bevoegde autoriteit van die Lid-Staat zich op de bepalingen van Richtlijn 89/608/EEG van de Raad van 21 november 1989 betreffende wederzijdse bijstand tussen de administratieve autoriteiten van de Lid-Staten en samenwerking tussen deze autoriteiten en de Commissie, met het oog op de juiste toepassing van de veterinaire en zoötechnische wetgeving (17).

Artikel 11

1. Op geen van de bij communautaire wetgeving vastgestelde lijsten van landen waaruit de Lid-Staten landhuisdieren of aquacultuurdieren of van dergelijke dieren verkregen vlees of produkten mogen invoeren, mogen derde landen voorkomen waar het op de markt brengen en het toedienen van stilbenen, stilbeenderivaten, zouten of esters daarvan alsmede stoffen met thyreostatische werking om deze stoffen aan dieren van welke soort ook toe te dienen, wettelijk is toegestaan.

2. De Lid-Staten zien er tevens op toe dat de invoer uit op een van de in lid 1 bedoelde lijsten vermelde derde landen wordt verboden,

a) van landbouwhuisdieren of aquacultuurdieren

i) waaraan op enigerlei wijze de in artikel 2, eerste streepje, bedoelde produkten of stoffen zijn toegediend;

ii) waaraan de in artikel 3, onder a), bedoelde stoffen of produkten zijn toegediend, behalve indien hierbij de bepalingen en eisen van de artikelen 4, 5 en 7 zijn nagekomen en indien de in de internationale aanbevelingen toegestane wachttijden in acht worden genomen;

b) van vlees of produkten die zijn verkregen uit dieren waarvan de invoer overeenkomstig punt a) is verboden.

3. Voor fokdoeleinden bestemde dieren en voor de fokkerij afgeschreven fokdieren, alsmede vlees daarvan, van herkomst uit derde landen, mogen evenwel worden ingevoerd voor zover die dieren, respectievelijk het vlees daarvan, beantwoorden, respectievelijk beantwoordt aan garanties die ten minste gelijkwaardig zijn aan de bij de onderhavige richtlijn vastgestelde garanties en die in het kader van de procedure van artikel 33 van Richtlijn 96/23/EG, ter toepassing van hoofdstuk V van laatstgenoemde richtlijn zijn vastgesteld.

4. Controles bij de invoer uit derde landen geschieden overeenkomstig artikel 4, lid 2, onder c), van Richtlijn 91/496/EEG van de Raad van 15 juli 1991 tot vaststelling van de beginselen voor de organisatie van de veterinaire controles voor dieren uit derde landen die in de Gemeenschap worden binnengebracht (18) en overeenkomstig artikel 8, lid 2, van Richtlijn 90/675/EEG van de Raad van 10 december 1990 tot vaststelling van de beginselen voor de organisatie van de veterinaire controles voor produkten uit derde landen die in de Gemeenschap worden binnengebracht (19).

Artikel 12

De Raad kan met gekwalificeerde meerderheid op voorstel van de Commissie overgangsmaatregelen vaststellen die nodig zijn voor het instellen van de regeling waarin deze richtlijn voorziet.

Artikel 13

1. De Richtlijnen 81/602/EEG, 88/146/EEG en 88/299/EEG worden met ingang van 1 juli 1997 ingetrokken.

2. Verwijzingen naar de ingetrokken richtlijnen gelden als verwijzingen naar de onderhavige richtlijn en moeten worden gelezen volgens de in de bijlage voorkomende concordantietabel.

Artikel 14

1. De Lid-Staten doen de nodig wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen, met eventuele sancties, in werking treden om uiterlijk op 1 juli 1997 aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

Wanneer de Lid-Staten deze bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen naar de onderhavige richtlijn verwezen of wordt hiernaar verwezen bij de officiële bekendmaking van die bepalingen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de Lid-Staten.

2. De Lid-Staten delen de Commissie de tekst van de belangrijke bepalingen van intern recht mede die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

3. In afwachting van de tenuitvoerlegging van de bepalingen van deze richtlijn betreffende de â-agonisten, blijven de nationale voorschriften ter zake gelden, met inachtneming van de algemene Verdragsbepalingen.

Artikel 15

Deze richtlijn treedt in werking op de dag van haar bekendmaking in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen.

Artikel 16

Deze richtlijn is gericht tot de Lid-Staten.

Gedaan te Luxemburg, 29 april 1996.

Voor de Raad

De Voorzitter

W. LUCHETTI

(1) PB nr. C 302 van 9. 11. 1993, blz. 8 en PB nr. C 222 van 10. 8. 1994, blz. 16.

(2) PB nr. C 128 van 9. 5. 1994, blz. 107.

(3) PB nr. C 52 van 19. 2. 1994, blz. 30.

(4) PB nr. L 222 van 7. 8. 1981, blz. 32. Richtlijn gewijzigd bij Richtlijn 85/358/EEG (PB nr. L 191 van 23. 7. 1985, blz. 46).

(5) PB nr. L 70 van 16. 3. 1988, blz. 16. Richtlijn gewijzigd bij de Toetredingsakte van 1994.

(6) PB nr. L 128 van 21. 5. 1988, blz. 36.

(7) PB nr. 121 van 29. 7. 1964, blz. 2012/64. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 95/23/EG (PB nr. L 243 van 11. 10. 1995, blz. 7).

(8) PB nr. L 55 van 8. 3. 1971, blz. 23. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij de Toetredingsakte van 1994.

(9) PB nr. L 26 van 31. 1. 1977, blz. 85. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 95/68/EG (PB nr. L 332 van 30. 12. 1995, blz. 10).

(10) PB nr. L 268 van 24. 9. 1991, blz. 41. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij de Toetredingsakte van 1994.

(11) PB nr. L 268 van 24. 9. 1991, blz. 15. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 95/71/EG (PB nr. L 332 van 30. 12. 1995, blz. 40).

(12) PB nr. L 317 van 6. 11. 1981, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 93/40/EEG (PB nr. L 214 van 24. 8. 1993, blz. 31).

(13) PB nr. L 317 van 6. 11. 1981, blz. 16. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 93/40/EEG (PB nr. L 214 van 24. 8. 1993, blz. 31).

(14) PB nr. L 214 van 24. 8. 1993, blz. 1.

(15) PB nr. L 373 van 31. 12. 1990, blz. 15.

(16) Zie bladzijde 10 van dit Publikatieblad.

(17) PB nr. L 351 van 2. 12. 1989, blz. 34.

(18) PB nr. L 268 van 24. 9. 1991, blz. 56. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Besluit 95/157/EG van de Commissie (PB nr. L 103 van 6. 5. 1995, blz. 40).

(19) PB nr. L 373 van 31. 12. 1990, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 95/52/EG (PB nr. L 265 van 8. 11. 1995, blz. 16).

BIJLAGE

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

Top