EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 31996F0443

96/443/JBZ: Gemeenschappelijk optreden van 15 juli 1996 door de Raad aangenomen op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie ter bestrijding van racisme en vreemdelingenhaat

OJ L 185, 24.7.1996, p. 5–7 (ES, DA, DE, EL, EN, FR, IT, NL, PT, FI, SV)
Special edition in Czech: Chapter 19 Volume 001 P. 33 - 35
Special edition in Estonian: Chapter 19 Volume 001 P. 33 - 35
Special edition in Latvian: Chapter 19 Volume 001 P. 33 - 35
Special edition in Lithuanian: Chapter 19 Volume 001 P. 33 - 35
Special edition in Hungarian Chapter 19 Volume 001 P. 33 - 35
Special edition in Maltese: Chapter 19 Volume 001 P. 33 - 35
Special edition in Polish: Chapter 19 Volume 001 P. 33 - 35
Special edition in Slovak: Chapter 19 Volume 001 P. 33 - 35
Special edition in Slovene: Chapter 19 Volume 001 P. 33 - 35
Special edition in Bulgarian: Chapter 19 Volume 001 P. 27 - 29
Special edition in Romanian: Chapter 19 Volume 001 P. 27 - 29

In force

ELI: http://data.europa.eu/eli/joint_action/1996/443/oj

31996F0443

96/443/JBZ: Gemeenschappelijk optreden van 15 juli 1996 door de Raad aangenomen op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie ter bestrijding van racisme en vreemdelingenhaat

Publicatieblad Nr. L 185 van 24/07/1996 blz. 0005 - 0007


GEMEENSCHAPPELIJK OPTREDEN van 15 juli 1996 door de Raad aangenomen op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie ter bestrijding van racisme en vreemdelingenhaat (96/443/JBZ)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag betreffende de Europese Unie, inzonderheid op artikel K.3, lid 2, onder b),

Gezien het initiatief van het Koninkrijk Spanje,

Overwegende dat de Lid-Staten het overeenkomstig met name artikel K.1, punt 7, van het Verdrag als een aangelegenheid van gemeenschappelijk belang beschouwen regels ter bestrijding van racisme en vreemdelingenhaat vast te stellen;

Overwegende de conclusies betreffende racisme en vreemdelingenhaat die respectievelijk op 24 en 25 juni 1994 te Korfoe, 9 en 10 december 1994 te Essen, 26 en 27 juni 1995 te Cannes en 15 en 16 december 1995 te Madrid door de Europese Raad zijn aangenomen;

Overwegende dat de tijdens de Europese Raad te Korfoe opgerichte Adviescommissie Racisme en Vreemdelingenhaat aanbevelingen heeft aangenomen;

Overwegende dat, ondanks de gedurende de laatste jaren door de Lid-Staten gedane inspanningen, het aantal misdrijven met een racistisch en xenofoob karakter blijft toenemen;

Bezorgd over de verschillen tussen bepaalde strafwetgevingen inzake het sanctioneren van bepaalde vormen van racistisch en xenofoob gedrag, die de internationale justitiële samenwerking belemmeren,

Erkennend dat de internationale samenwerking van alle Staten, met inbegrip van die Staten die intern niet met racisme en xenofobie geconfronteerd worden, noodzakelijk is teneinde te voorkomen dat de daders van deze misdrijven gebruik maken van het feit dat racistische en xenofobe activiteiten in de verschillende Staten strafrechtelijk niet steeds onder dezelfde categorieën vallen, en zich van het ene naar het andere land verplaatsen om te ontkomen aan strafvervolging of aan de strafexecutie en hun activiteiten ongestraft voort te kunnen zetten,

Eraan herinnerend dat aan de uitoefening van het recht op vrijheid van meningsuiting bijzondere plichten en verantwoordelijkheden verbonden zijn en met name de eerbiediging van de rechten van anderen zoals bepaald in artikel 19 van het Verdrag van de Verenigde Naties van 19 december 1966 inzake burgerrechten en politieke rechten,

Vastbesloten om, getrouw aan hun gemeenschappelijke humanitaire traditie, er met name voor te zorgen dat de artikelen 10 en 11 van het Europees Verdrag van 4 november 1950 tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, geëerbiedigd worden,

Wensend zorg te dragen voor de continuïteit van de werkzaamheden die gedurende 1994 in het kader van titel VI van het Verdrag zijn aangevat met betrekking tot de strafrechtelijke aspecten van de bestrijding van racisme en xenofobie,

BESLUIT:

TITEL I

A. Teneinde de bestrijding van racisme en vreemdelingenhaat te vergemakkelijken, verbindt iedere Lid-Staat zich ertoe volgens de procedure van titel II te zorgen voor effectieve justitiële samenwerking inzake misdrijven die gebaseerd zijn op de hierna vermelde gedragingen en erop toe te zien dat, zonodig, ten behoeve van de samenwerking deze gedragingen strafbaar worden gesteld of dat, indien dat niet mogelijk is, in afwachting van de eventuele aanneming van de nodige bepalingen, ervoor kan worden afgeweken van het beginsel van de dubbele strafbaarheid:

a) het publiekelijk aanzetten tot discriminatie, geweld of rassenhaat tegenover een groep personen of een lid van een groep die op basis van huidskleur, ras, religie, nationale of etnische afstamming wordt gekenmerkt;

b) het met racistische of xenofobe doelstellingen publiekelijk vergoelijken van misdaden tegen de mensheid en schendingen van het humanitair recht;

c) het publiekelijk ontkennen van de in artikel 6 van het Statuut van het Internationale Militaire Tribunaal bij het Verdrag van Londen van 8 april 1945 omschreven delicten, voor zover zulks minachting of vernedering inhoudt van een groep personen die op basis van huidskleur, ras, religie of nationale of etnische afstamming wordt gekenmerkt;

d) het publiekelijk verspreiden van racistische of xenofobe uitingen door middel van tekst, beeld of anderszins;

e) het deelnemen aan activiteiten van groepen, organisaties of verenigingen die discriminatie, geweld en rassenhaat, etnische of godsdiensthaat impliceren.

B. In het geval van onderzoek en/of vervolging van delicten die op in lid A omschreven gedragingen zijn gebaseerd, dient iedere Lid-Staat overeenkomstig titel II de justitiële samenwerking op de volgende gebieden te verbeteren en passende maatregelen te nemen voor het volgende:

a) inbeslagneming en confiscatie van documenten, beelden of ander materiaal met een racistisch en/of xenofoob karakter, die bestemd zijn voor publieke verspreiding, zodra deze op het grondgebied van een Lid-Staat aan het publiek zijn aangeboden;

b) aanvaarding dat de in lid A bedoelde gedragingen niet kunnen worden beschouwd als politieke delicten waarvoor wederzijdse rechtshulp mag worden geweigerd;

c) informatieverstrekking aan een andere Lid-Staat teneinde die Lid-Staat in staat te stellen overeenkomstig het nationale recht vervolging of confiscatieprocedures in te stellen wanneer blijkt dat documenten, afbeeldingen of ander materiaal met racistische of xenofobe uitingen in een Lid-Staat worden opgeslagen met het oog op de publieke verspreiding ervan in een andere Lid-Staat;

d) oprichting van contactpunten in de Lid-Staten om gegevens te verzamelen en uit te wisselen die nuttig zijn voor het onderzoek en de vervolging van misdrijven die gebaseerd zijn op de onder A genoemde gedragingen.

C. Niets in dit gemeenschappelijk optreden kan worden geïnterpreteerd als afbreuk doend aan enige verplichting van de Lid-Staten uit hoofde van de hierna genoemde internationale instrumenten. De Lid-Staten leggen het gemeenschappelijk optreden zodanig ten uitvoer dat het verenigbaar is met dergelijke verplichtingen en laten zich daarbij leiden door de definities en de beginselen die deze behelzen:

- het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden van 4 november 1950;

- het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen van 28 juli 1951, zoals gewijzigd bij het Protocol van New York van 31 januari 1967;

- het Verdrag van de Verenigde Naties van 9 december 1948 inzake genocide;

- het Verdrag van 7 maart 1966 inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie;

- de Verdragen van Genève van 12 augustus 1949 en de bijbehorende Protocollen I en II van 12 december 1977;

- de Resoluties 827(93) en 955(94) van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties;

- de Resolutie van de Raad van 23 november 1995 (1) inzake de bescherming van getuigen bij de bestrijding van de internationale georganiseerde misdaad bij strafvervolging wegens in lid A bedoelde gedragingen indien getuigen in een andere Lid-Staat zijn opgeroepen.

TITEL II

Elke Lid-Staat legt passende voorstellen over de tenuitvoerlegging van dit gemeenschappelijk optreden ter overweging en met het oog op de aanneming ervan voor aan de bevoegde autoriteiten.

De Raad zal tegen eind juni 1998 beoordelen of de Lid-Staten hun uit dit gemeenschappelijk optreden voortvloeiende verplichtingen zijn nagekomen en daarbij rekening houden met de aangehechte verklaringen.

Dit gemeenschappelijk optreden alsmede de hieraangehechte verklaringen, die door de Raad zijn goedgekeurd en geen gevolgen hebben voor de tenuitvoerlegging van dit gemeenschappelijk optreden door andere Lid-Staten dan die waarop zij betrekking hebben, worden in het Publikatieblad bekendgemaakt.

Gedaan te Brussel, 15 juli 1996.

Voor de Raad

De Voorzitter

D. SPRING

(1) PB nr. C 327 van 7. 12. 1995, blz. 5.

BIJLAGE

VERKLARINGEN WAARNAAR IN TITEL II WORDT VERWEZEN

1. Verklaring van de Griekse delegatie inzake titel I.B, onder b):

"Griekenland interpreteert titel I, punt B, onder b), in het licht van het bepaalde in zijn Grondwet waardoor elk optreden ten aanzien van personen die worden vervolgd op grond van politieke motieven, verboden is.".

2. Verklaring van de Franse delegatie inzake titel I.C, vijfde streepje:

"Frankrijk herinnert eraan dat het aan de Verdragen van Genève van 1949 gehechte Protocol I van 8 juni 1977 Frankrijk niet kan worden tegengeworpen, omdat het dat protocol noch bekrachtigd, noch ondertekend heeft, en dit instrument niet beschouwd kan worden als de vertaling van het internationale gewoonterecht dat bij gewapende conflicten van toepassing is.".

3. Verklaring van de Britse delegatie inzake titel I:

"De Britse delegatie verklaart dat het Verenigd Koninkrijk bij de tenuitvoerlegging van het gemeenschappelijk optreden door het Verenigd Koninkrijk en met inachtneming van de bepalingen en algemene beginselen van het Britse strafrecht, titel I, punt A, onder a) tot en met e), en de desbetreffende verwijzingen zal toepassen wanneer de gewraakte gedragingen bedreigend, kwetsend of beledigend zijn en ten doel hebben rassenhaat aan te wakkeren of geacht kunnen worden dit te doen.

Overeenkomstig titel I.B en titel II impliceert het bovenstaande met name dat de bevoegde autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk in dit kader de mogelijkheid zou worden gegeven tot het opsporen en inbeslagnemen van documenten, afbeeldingen en ander materiaal in het Verenigd Koninkrijk dat bestemd is voor verspreiding in een andere Lid-Staat en geacht kan worden daar aan te zetten tot rassenhaat.

Indien zich als gevolg van de toepassing van deze verklaring problemen voordoen, zal het Verenigd Koninkrijk in overleg met de betrokken Lid-Staat trachten die problemen op te lossen.".

4. Verklaring van de Deense delegatie inzake titel I:

"De Deense delegatie verklaart dat Denemarken bij de tenuitvoerlegging van dit gemeenschappelijk optreden door Denemarken en met inachtneming van de bepalingen en algemene beginselen van het Deense strafrecht, titel I, punt A, onder a) tot en met e), en de desbetreffende verwijzingen alleen zal toepassen wanneer de gewraakte gedraging bedreigend, beledigend of vernederend is.".

Top