Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 31994L0080

Richtlijn 94/80/EG van de Raad van 19 december 1994 tot vaststelling van de wijze van uitoefening van het actieve en passieve kiesrecht bij gemeenteraadsverkiezingen ten behoeve van de burgers van de Unie die verblijven in een Lid-Staat waarvan zij de nationaliteit niet bezitten

OJ L 368, 31.12.1994, p. 38–47 (ES, DA, DE, EL, EN, FR, IT, NL, PT)
Special edition in Finnish: Chapter 01 Volume 004 P. 80 - 87
Special edition in Swedish: Chapter 01 Volume 004 P. 80 - 87
Special edition in Czech: Chapter 20 Volume 001 P. 12 - 18
Special edition in Estonian: Chapter 20 Volume 001 P. 12 - 18
Special edition in Latvian: Chapter 20 Volume 001 P. 12 - 18
Special edition in Lithuanian: Chapter 20 Volume 001 P. 12 - 18
Special edition in Hungarian Chapter 20 Volume 001 P. 12 - 18
Special edition in Maltese: Chapter 20 Volume 001 P. 12 - 18
Special edition in Polish: Chapter 20 Volume 001 P. 12 - 18
Special edition in Slovak: Chapter 20 Volume 001 P. 12 - 18
Special edition in Slovene: Chapter 20 Volume 001 P. 12 - 18
Special edition in Bulgarian: Chapter 20 Volume 001 P. 8 - 14
Special edition in Romanian: Chapter 20 Volume 001 P. 8 - 14
Special edition in Croatian: Chapter 20 Volume 001 P. 8 - 14

In force

ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/1994/80/oj

31994L0080

Richtlijn 94/80/EG van de Raad van 19 december 1994 tot vaststelling van de wijze van uitoefening van het actieve en passieve kiesrecht bij gemeenteraadsverkiezingen ten behoeve van de burgers van de Unie die verblijven in een Lid-Staat waarvan zij de nationaliteit niet bezitten

Publicatieblad Nr. L 368 van 31/12/1994 blz. 0038 - 0047
Bijzondere uitgave in het Fins: Hoofdstuk 1 Deel 4 blz. 0080
Bijzondere uitgave in het Zweeds: Hoofdstuk 1 Deel 4 blz. 0080


RICHTLIJN 94/80/EG VAN DE RAAD van 19 december 1994 tot vaststelling van de wijze van uitoefening van het actieve en passieve kiesrecht bij gemeenteraadsverkiezingen ten behoeve van de burgers van de Unie die verblijven in een Lid-Staat waarvan zij de nationaliteit niet bezitten

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, inzonderheid op artikel 8 B, lid 1,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van het Europees Parlement (1),

Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité (2),

Gezien het advies van het Comité van de Regio's (3),

Overwegende dat het Verdrag betreffende de Europese Unie een nieuwe etappe markeert in het proces van totstandbrenging van een steeds hechter verbond tussen de volkeren van Europa; dat de Europese Unie met name tot taak heeft de betrekkingen tussen de volkeren van de Lid-Staten samenhangend en solidair te organiseren en dat het tot haar fundamentele doelstellingen behoort de bescherming van de rechten en de belangen van de onderdanen van haar Lid-Staten door de instelling van een burgerschap van de Unie te versterken;

Overwegende dat daartoe titel II van het Verdrag betreffende de Europese Unie voor alle onderdanen van de Lid-Staten een burgerschap van de Unie instelt en hun uit dien hoofde een geheel van rechten toekent;

Overwegende dat het actieve en passieve kiesrecht in de Lid-Staat van verblijf bij gemeenteraadsverkiezingen, gewaarborgd door artikel 8 B, lid 1, van het EG-Verdrag, een toepassing van het beginsel van gelijkheid en non-discriminatie tussen onderdanen en niet-onderdanen en een logisch uitvloeisel van het in artikel 8 A van het EG-Verdrag neergelegde recht van vrij verkeer en van verblijf vormt;

Overwegende dat de toepassing van artikel 8 B, lid 1, van het EG-Verdrag geen algemene harmonisatie van de kiesstelsels van de Lid-Staten onderstelt; dat het hoofdzakelijk gericht is op het wegwerken van de nationaliteitsvoorwaarde die momenteel in de meeste Lid-Staten is vereist voor de uitoefening van het actieve en passieve kiesrecht en dat bovendien uit hoofde van het in artikel 3 B, derde alinea, van het EG-Verdrag neergelegde evenredigheidsbeginsel de communautaire regelgeving ter zake niet verder mag gaan dan noodzakelijk is om het doel van artikel 8 B, lid 1, van het EG-Verdrag te bereiken;

Overwegende dat met artikel 8 B, lid 1, van het EG-Verdrag wordt beoogd dat alle burgers van de Unie, onverschillig of zij al dan niet onderdaan van de Lid-Staat van verblijf zijn, aldaar onder gelijke voorwaarden hun actieve en passieve kiesrecht bij gemeenteraadsverkiezingen kunnen uitoefenen en dat bijgevolg de voorwaarden, met name die betreffende de duur en het bewijs van het verblijf, welke voor niet-onderdanen gelden, dezelfde moeten zijn als die waaraan in voorkomend geval de onderdanen van de betrokken Lid-Staat zijn onderworpen; dat de niet-onderdanen niet mogen worden onderworpen aan specifieke voorwaarden, tenzij een verschillende behandeling van onderdanen en niet-onderdanen uitzonderlijk gerechtvaardigd is door specifieke omstandigheden welke betrekking hebben op de laatsten en hen onderscheiden van de eersten;

Overwegende dat artikel 8 B, lid 1, van het EG-Verdrag het actieve en passieve kiesrecht bij gemeenteraadsverkiezingen in de Lid-Staat van verblijf erkent zonder dat dit echter in de plaats wordt gesteld van het actieve en passieve kiesrecht in de Lid-Staat waarvan de burger van de Unie onderdaan is; dat de vrijheid van deze burgers om al dan niet aan de gemeenteraadsverkiezingen in de Lid-Staat van verblijf deel te nemen moet worden gerespecteerd en dat deze burgers derhalve blijk moeten geven van de wil aldaar hun actieve kiesrecht uit te oefenen, terwijl in Lid-Staten waar geen stemplicht bestaat, kan worden toegestaan dat deze burgers ambtshalve worden geregistreerd;

Overwegende dat het lokale bestuur van de Lid-Staten een weerspiegeling is van uiteenlopende politieke en juridische tradities en wordt gekenmerkt door een grote verscheidenheid aan structuren; dat het begrip gemeenteraadsverkiezingen verschilt per Lid-Staat; dat derhalve het voorwerp van deze richtlijn dient te worden verduidelijkt door het begrip gemeenteraadsverkiezingen te definiëren; dat deze verkiezingen betrekking hebben op de algemene en rechtstreekse verkiezingen op het niveau van de primaire lokale lichamen en hun onderverdelingen; dat het de algemene en rechtstreekse verkiezingen van zowel de gemeentelijke vertegenwoordigende vergaderingen als de leden van het gemeentebestuur betreft;

Overwegende dat de onverkiesbaarheid het gevolg kan zijn van een afzonderlijk besluit van de autoriteiten van de Lid-Staat van verblijf of van de Lid-Staat van herkomst; dat, gelet op het politieke belang van de functie van gemeentelijke verkozene, de Lid-Staten de maatregelen moeten kunnen treffen welke noodzakelijk zijn om te vermijden dat een persoon die in zijn Lid-Staat van herkomst vervallen is van het passieve kiesrecht, in dit recht wordt hersteld op grond van het enkele feit dat hij in een andere Lid-Staat verblijft; dat het wegens dit specifieke probleem, dat eigen is aan kandidaten die geen onderdaan zijn, gerechtvaardigd is dat de Lid-Staten die zulks nodig achten, hen niet alleen kunnen onderwerpen aan de regeling inzake onverkiesbaarheid van de Lid-Staat van verblijf, maar eveneens aan de wetgeving ter zake van de Lid-Staat van herkomst; dat het, rekening houdend met het evenredigheidsbeginsel, volstaat het actieve kiesrecht slechts te doen afhangen van de regeling inzake onbevoegdheid tot kiezen van de Lid-Staat van verblijf;

Overwegende dat het, waar de bevoegdheden van het bestuur van primaire lokale lichamen betrekking hebben op deelname aan de uitoefening van het openbare gezag en de bescherming van de algemene belangen, dienstig is dat de Lid-Staten deze functies aan hun onderdanen kunnen voorbehouden; dat de Lid-Staten hiertoe eveneens passende maatregelen moeten kunnen nemen, die echter de mogelijkheid voor de onderdanen van de andere Lid-Staten om te worden gekozen, niet verder mogen beperken dan voor dit doel noodzakelijk is;

Overwegende dat de deelname door gemeentelijke verkozenen aan de verkiezing van de leden van een parlementaire vergadering aan de eigen onderdanen voorbehouden moet kunnen worden;

Overwegende dat, wanneer in de wetgevingen van de Lid-Staten is voorzien in onverenigbaarheden tussen de hoedanigheid van gemeentelijke verkozene en andere functies, de Lid-Staten de mogelijkheid dienen te hebben om deze onverenigbaarheden uit te breiden tot gelijkwaardige functies die in andere Lid-Staten worden uitgeoefend;

Overwegende dat volgens artikel 8 B, lid 1, van het EG-Verdrag slechts van de algemene regels van deze richtlijn mag worden afgeweken indien zulks door de bijzondere problemen in een Lid-Staat wordt gerechtvaardigd en dat elke afwijkende bepaling uit de aard van de zaak vatbaar moet zijn voor herziening;

Overwegende dat dergelijke bijzondere problemen zich met name kunnen voordoen wanneer in een Lid-Staat het aantal burgers van de Unie die aldaar verblijven zonder de nationaliteit van deze Lid-Staat te bezitten en die de kiesgerechtigde leeftijd hebben bereikt, zeer ver boven het gemiddelde ligt; dat, wanneer het aantal van deze burgers 20 % van het totale electoraat bedraagt, afwijkende bepalingen op basis van het criterium van de verblijfsduur gerechtvaardigd zijn;

Overwegende dat het burgerschap van de Unie gericht is op een betere integratie van de burgers van de Unie in hun gastland en dat het in deze context in overeenstemming is met de bedoelingen van de auteurs van het EG-Verdrag elke polarisatie tussen kandidatenlijsten van onderdanen en niet-onderdanen te voorkomen;

Overwegende dat het polarisatiegevaar in het bijzonder een Lid-Staat betreft waar het aantal burgers van de Unie die geen onderdaan zijn van de betrokken Lid-Staat en de kiesgerechtigde leeftijd hebben bereikt, meer bedraagt dan 20 % van het totale aantal kiesgerechtigde burgers van de Unie die aldaar verblijf houden, en dat het derhalve van belang is dat deze Lid-Staat in het kader van artikel 8 B van het EG-Verdrag kan voorzien in bijzondere bepalingen ten aanzien van de samenstelling van de kandidatenlijsten;

Overwegende dat er rekening mee dient te worden gehouden dat in bepaalde Lid-Staten de onderdanen van andere Lid-Staten die aldaar verblijven, stemrecht hebben voor het nationale parlement en dat de in deze richtlijn vastgestelde formaliteiten derhalve verlicht kunnen worden;

Overwegende dat in het Koninkrijk België specifieke omstandigheden en evenwichten bestaan die in verband staan met het feit dat er volgens de grondwet (artikelen 1 tot en met 4) drie officiële talen bestaan, alsmede een verdeling in gewesten en gemeenschappen, en dat een integrale toepassing van deze richtlijn in sommige gemeenten daardoor zodanig zou kunnen uitwerken dat in de mogelijkheid van een afwijking van de bepalingen van deze richtlijn moet worden voorzien teneinde met deze specifieke omstandigheden en evenwichten rekening te houden;

Overwegende dat de Commissie een evaluatie zal maken van de toepassing van de richtlijn in rechte en in feite, met inbegrip van de ontwikkeling van het electoraat sinds de inwerkingtreding van de richtlijn; dat de Commissie hiertoe verslag zal uitbrengen aan het Europees Parlement en de Raad,

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I Algemene bepalingen

Artikel 1

1. In deze richtlijn worden de nadere regels vastgesteld volgens welke de burgers van de Unie die in een Lid-Staat verblijven waarvan zij geen onderdaan zijn, in die Lid-Staat hun actieve en passieve kiesrecht bij gemeenteraadsverkiezingen kunnen uitoefenen.

2. De bepalingen van deze richtlijn laten de bepalingen van elke Lid-Staat betreffende het actieve en passieve kiesrecht van zijn onderdanen die buiten zijn grondgebied verblijven of van onderdanen van derde landen die in deze Staat verblijven, onverlet.

Artikel 2

1. In deze richtlijn wordt verstaan onder

a) "primair lokaal lichaam": de in de bijlage genoemde overheidslichamen die overeenkomstig de wetgeving van elke Lid-Staat beschikken over op grond van algemene, rechtstreekse verkiezingen verkozen organen en op eigen verantwoordelijkheid bevoegd zijn voor het bestuur van bepaalde lokale aangelegenheden op het basisniveau van de politieke en administratieve organisatie;

b) "gemeenteraadsverkiezingen": de algemene en rechtstreekse verkiezingen ter aanwijzing van de leden van de vertegenwoordigende vergadering en, in voorkomend geval, van het hoofd en de leden van het bestuur van een primair lokaal lichaam overeenkomstig de wetgeving van elke Lid-Staat;

c) "Lid-Staat van verblijf": de Lid-Staat waar de burger van de Unie verblijf houdt zonder dat hij de nationaliteit van deze Lid-Staat bezit;

d) "Lid-Staat van herkomst": de Lid-Staat waarvan de burger van de Unie onderdaan is;

e) "kiezerslijst": het officiële register van alle personen die in een bepaald onder een primair lokaal lichaam ressorterend gebied of in een van zijn kieskringen kiesgerechtigd zijn, dat overeenkomstig het recht inzake verkiezingen van de Lid-Staat van verblijf door de bevoegde autoriteit wordt opgesteld en bijgewerkt, of het bevolkingsregister indien daarin de hoedanigheid van kiezer is vermeld;

f) "referentiedag": de dag/de dagen waarop de burgers van de Unie volgens het recht van de Lid-Staat van verblijf moeten voldoen aan de voorwaarden om aldaar kiesgerechtigd of verkiesbaar te zijn;

g) "formele verklaring": de verklaring van de betrokkene, op de onjuistheid waarvan sancties zijn gesteld uit hoofde van de toepasselijke nationale wetgeving.

2. Een Lid-Staat stelt de Commissie ervan in kennis wanneer een van de in de bijlage bij de richtlijn genoemde primaire lokale lichamen krachtens een wijziging van de nationale wetgeving wordt vervangen door een ander lichaam dat de in lid 1, onder a), bedoelde functies vervult, dan wel of ingevolge die wijziging een primair lokaal lichaam wordt afgeschaft of andere dergelijke lichamen worden opgericht.

Binnen drie maanden na ontvangst van die kennisgeving en van de garantie van de betrokken Lid-Staat dat geen afbreuk wordt gedaan aan de rechten van personen uit hoofde van deze richtlijn, past de Commissie de bijlage aan door er de nodige vervangingen, doorhalingen en toevoegingen in aan te brengen. De aldus herziene bijlage wordt bekendgemaakt in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen.

Artikel 3

Een ieder die op de referentiedag

a) burger is van de Unie in de zin van artikel 8, lid 1, tweede alinea, van het Verdrag, en,

b) zonder de nationaliteit van de Lid-Staat van verblijf te bezitten, voor het overige voldoet aan de voorwaarden waaraan de wetgeving van deze Staat het actieve en passieve kiesrecht van zijn onderdanen onderwerpt,

heeft in de Lid-Staat van verblijf actief en passief kiesrecht bij de gemeenteraadsverkiezingen overeenkomstig deze richtlijn.

Artikel 4

1. Indien de onderdanen van de Lid-Staat van verblijf, om kiezer of verkiesbaar persoon te kunnen zijn, sedert een bepaalde minimumperiode op het nationale grondgebied van deze Lid-Staat verblijf moeten hebben gehouden, worden de in artikel 3 bedoelde kiezers en verkiesbare personen geacht aan deze voorwaarde te voldoen, indien zij gedurende een gelijkwaardige periode in andere Lid-Staten verblijf hebben gehouden.

2. Indien de eigen onderdanen overeenkomstig de wetgeving van de Lid-Staat van verblijf slechts kiezer of verkiesbaar persoon kunnen zijn in het onder een primair lokaal lichaam ressorterend gebied waar zij hun voornaamste verblijfplaats hebben, geldt deze voorwaarde eveneens ten aanzien van de in artikel 3 bedoelde kiezers of verkiesbare personen.

3. Lid 1 doet niets af aan de bepalingen van elke Lid-Staat die de uitoefening van het actieve en passieve kiesrecht door de kiezers of verkiesbare personen in een bepaald onder een primair lokaal lichaam ressorterend gebied afhankelijk maken van een verblijf sedert een minimumperiode in het bedoelde gebied.

Lid 1 doet evenmin afbreuk aan de op het tijdstip van aanneming van deze richtlijn vigerende bepalingen die de uitoefening van het actieve en passieve kiesrecht afhankelijk maken van een minimumverblijf in het landsdeel van de Lid-Staat waarvan het primaire lokale lichaam deel uitmaakt.

Artikel 5

1. De Lid-Staten van verblijf kunnen vaststellen dat een burger van de Unie die ingevolge een strafrechtelijke of individuele civielrechtelijke beslissing overeenkomstig het recht van zijn Lid-Staat van herkomst het passieve kiesrecht heeft verloren, is uitgesloten van de uitoefening van dat recht bij gemeenteraadsverkiezingen.

2. De kandidaatstelling van een burger van de Unie bij gemeenteraadsverkiezingen in de Lid-Staten van verblijf kan niet-ontvankelijk worden verklaard indien de burger de in artikel 9, lid 2, onder a), bedoelde verklaring of het krachtens artikel 9, lid 2, onder b), verlangde bewijs niet kan overleggen.

3. De Lid-Staten kunnen bepalen dat alleen hun eigen onderdanen verkiesbaar zijn voor de functies van hoofd, plaatsvervanger/adjunct of lid van het bestuur van een primair lokaal lichaam, voor zover zij worden verkozen voor het uitoefenen van deze functies gedurende de mandaatsperiode.

De Lid-Staten kunnen tevens bepalen dat de tijdelijke en plaatsvervangende vervulling van de functies van het hoofd van het bestuur van een primair lokaal lichaam of van diens adjunct of van de wethouders voorbehouden kan worden aan de eigen onderdanen.

De Lid-Staten kunnen met inachtneming van de bepalingen van het Verdrag en van de algemene rechtsbeginselen de dienstige, noodzakelijke en passende maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat de uitoefening van de functies als bedoeld in de eerste alinea alsook de waarneming der bevoegdheden als vervanger als bedoeld in de tweede alinea alleen door onderdanen van de betrokken Staat kan geschieden.

4. De Lid-Staten kunnen voorts bepalen dat de in een vertegenwoordigend lichaam verkozen burgers van de Unie niet mogen deelnemen aan de benoeming van de kiescolleges van een parlementaire vergadering en evenmin aan de verkiezing van de leden daarvan.

Artikel 6

1. De in artikel 3 bedoelde verkiesbare personen worden onderworpen aan dezelfde voorwaarden inzake onverenigbaarheid welke overeenkomstig de wetgeving van de Lid-Staat van verblijf van toepassing zijn op de onderdanen van deze Staat.

2. De Lid-Staten kunnen vaststellen dat de hoedanigheid van gemeentelijk verkozene in de Lid-Staat van verblijf tevens onverenigbaar is met de in andere Lid-Staten uitgeoefende functies welke gelijkwaardig zijn aan die welke in de Lid-Staat van verblijf een onverenigbaarheid tot gevolg hebben.

HOOFDSTUK II De uitoefening van het actieve en passieve kiesrecht

Artikel 7

1. De in artikel 3 bedoelde kiezer oefent bij gemeenteraadsverkiezingen in de Lid-Staat van verblijf het actieve kiesrecht uit indien hij blijk heeft gegeven van de wil daartoe.

2. Indien in de Lid-Staat van verblijf stemplicht bestaat, geldt deze voor de in artikel 3 bedoelde kiezers die aldaar zijn ingeschreven op de kiezerslijst.

3. De Lid-Staten waar geen stemplicht bestaat, kunnen bepalen dat de in artikel 3 bedoelde kiezers ambtshalve op de kiezerslijst worden ingeschreven.

Artikel 8

1. De Lid-Staten treffen de nodige maatregelen om de in artikel 3 bedoelde kiezer die daarom heeft verzocht, de mogelijkheid te bieden tijdig voor de verkiezingen op de kiezerslijst te worden ingeschreven.

2. Om op de kiezerslijst te worden ingeschreven moet de in artikel 3 bedoelde kiezer dezelfde bewijzen overleggen als een nationale kiezer.

Bovendien kan de Lid-Staat van verblijf eisen dat de in artikel 3 bedoelde kiezer een geldig identiteitsbewijs overlegt alsmede een officiële verklaring met vermelding van zijn nationaliteit en adressen in de Lid-Staat van verblijf.

3. De in artikel 3 bedoelde kiezer die is ingeschreven op een kiezerslijst blijft onder dezelfde voorwaarden als de nationale kiezer daarop ingeschreven totdat hij ambtshalve daarvan wordt geschrapt omdat hij niet langer aan de voorwaarden voor de uitoefening van het actieve kiesrecht voldoet.

Kiezers die op eigen verzoek op de kiezerslijst zijn geplaatst, kunnen op hun verzoek ook weer van deze lijst worden afgevoerd.

Ingeval hij zijn verblijfplaats verplaatst naar een onder een ander primair lokaal lichaam ressorterend gebied in dezelfde Lid-Staat, wordt deze kiezer op de kiezerslijst van dit lichaam ingeschreven onder dezelfde voorwaarden als een nationale kiezer.

Artikel 9

1. Een in artikel 3 bedoelde verkiesbare persoon moet bij het indienen van zijn kandidaatstelling dezelfde bewijzen overleggen als een nationale kandidaat. De Lid-Staat van verblijf kan eisen dat hij een officiële verklaring overlegt waarin zijn nationaliteit en zijn adres in de Lid-Staat van verblijf zijn aangegeven.

2. De Lid-Staat van verblijf kan bovendien eisen dat de in artikel 3 bedoelde verkiesbare persoon:

a) bij zijn kandidaatstelling, in zijn verklaring overeenkomstig lid 1, vermeldt dat hij zijn passieve kiesrecht in zijn Lid-Staat van herkomst niet verloren heeft,

b) in geval van twijfel over de inhoud van de verklaring als bedoeld onder a), of wanneer de wettelijke bepalingen van een Lid-Staat zulks verlangen, voor of na de verkiezingen een verklaring van de bevoegde administratieve autoriteiten van de Lid-Staat van herkomst overlegt, waarin wordt bevestigd dat hij zijn passieve kiesrecht in de Lid-Staat niet verloren heeft of dat deze autoriteiten daarvan niets bekend is,

c) een geldig identiteitsbewijs overlegt,

d) in zijn in lid 1 bedoelde officiële verklaring verklaart geen enkele functie uit te oefenen die onverenigbaar is met het bepaalde in artikel 6, lid 2,

e) in voorkomend geval zijn laatste adres in de Lid-Staat van herkomst aangeeft.

Artikel 10

1. De Lid-Staat van verblijf deelt de betrokkene tijdig mee welk gevolg aan zijn verzoek om inschrijving op de kiezerslijst is gegeven of welk besluit inzake de ontvankelijkheid van zijn kandidaatstelling is genomen.

2. Wordt de betrokkene niet op de kiezerslijst ingeschreven, wordt zijn verzoek om inschrijving op de kiezerslijst afgewezen of wordt zijn kandidaatstelling verworpen, dan kan hij de beroepsprocedures instellen die volgens de wetgeving van de Lid-Staat van verblijf in vergelijkbare gevallen voor de nationale kiezers en verkiesbare personen openstaan.

Artikel 11

De Lid-Staat van verblijf stelt de in artikel 3 bedoelde kiezers en verkiesbare personen tijdig en op passende wijze in kennis van de voorwaarden en nadere bepalingen die gelden voor de uitoefening van het actieve en passieve kiesrecht in die Staat.

HOOFDSTUK III Afwijzingen en overgangsbepalingen

Artikel 12

1. Indien in een Lid-Staat op 1 januari 1996 het aantal burgers van de Unie die aldaar verblijf houden zonder de nationaliteit van deze Lid-Staat te bezitten en die de kiesgerechtigde leeftijd hebben bereikt, meer bedraagt dan 20 % van het totale aantal burgers van de Unie die de kiesgerechtigde leeftijd hebben bereikt en die in deze Lid-Staat verblijf houden, kan deze Lid-Staat in afwijking van de bepalingen van deze richtlijn:

a) het actieve kiesrecht uitsluitend toekennen aan de in artikel 3 bedoelde kiezers die in deze Lid-Staat verblijf houden sedert ten minste een bepaalde tijd, welke op niet meer dan de duur van één mandaat in de vertegenwoordigende gemeentelijke vergadering mag worden vastgesteld,

b) het passieve kiesrecht uitsluitend toekennen aan de in artikel 3 bedoelde verkiesbare personen die in deze Lid-Staat verblijf houden sedert ten minste een bepaalde tijd, die op niet meer dan de duur van twee mandaten in deze vergadering mag worden vastgesteld, en

c) dienstige maatregelen inzake de samenstelling van de kandidatenlijsten treffen, meer bepaald met het oog op het vergemakkelijken van de integratie van de burgers van de Unie die onderdaan van een andere Lid-Staat zijn.

2. Het Koninkrijk België kan, in afwijking van de bepalingen van deze richtlijn, de bepalingen van lid 1, onder a), toepassen op en beperkt aantal gemeenten, waarvan het ten minste een jaar voor de gemeenteraadsverkiezingen waarvoor het van de afwijking gebruik wenst te maken, de namen meedeelt.

3. Indien op 1 januari 1996 bij de wetgeving van een Lid-Staat is voorgeschreven dat aldaar verblijvende onderdanen van een andere Lid-Staat stemrecht hebben bij de verkiezingen voor het nationale Parlement van die Lid-Staat en daartoe op de kiezerslijsten van die Lid-Staat kunnen worden ingeschreven onder precies dezelfde voorwaarden als de nationale kiezers, hoeft eerstgenoemde Lid-Staat, in afwijking van deze richtlijn, de artikelen 6 tot en met 11 niet op die onderdanen toe te passen.

4. Uiterlijk op 31 december 1998 en vervolgens om de zes jaar dient de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in, waarin zij nagaat of de redenen die toekenning aan de betrokken Lid-Staten van een afwijking overeenkomstig artikel 8 B, lid 1, van het Verdrag rechtvaardigen, nog aanwezig zijn en stelt zij zo nodig passende wijzigingen voor. De Lid-Staten die overeenkomstig de leden 1 en 2 afwijkende bepalingen vaststellen, verstrekken de Commissie alle nodige gegevens ter rechtvaardiging hiervan.

HOOFDSTUK IV Slotbepalingen

Artikel 13

De Commissie brengt binnen een jaar nadat in alle Lid-Staten op basis van de voorgaande bepalingen gemeenteraadsverkiezingen zijn gehouden, verslag uit aan het Europees Parlement en de Raad over de toepassing van de bepalingen van deze richtlijn, met inbegrip van de ontwikkeling van het electoraat sinds de inwerkingtreding van de richtlijn, en stelt eventueel de aangewezen aanpassingen voor.

Artikel 14

De Lid-Staten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om vóór 1 januari 1996 aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

Wanneer de Lid-Staten deze bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen naar de onderhavige richtlijn verwezen of wordt hiernaar verwezen bij de officiële bekendmaking van die bepalingen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de Lid-Staten.

Artikel 15

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen.

Artikel 16

Deze richtlijn is gericht tot de Lid-Staten.

Gedaan te Brussel, 19 december 1994.

Voor de Raad

De Voorzitter

K. KINKEL

(1) PB nr. C 323 van 21. 11. 1994.

(2) Advies uitgebracht op 14 september 1994 (nog niet verschenen in het Publikatieblad).

(3) Advies uitgebracht op 28 september 1994 (nog niet verschenen in het Publikatieblad).

BIJLAGE

Voor de toepassing van het bepaalde in artikel 2, lid 1, onder a), van deze richtlijn wordt onder primair lokaal lichaam het volgende verstaan:

in Denemarken:

amtskommune, Københavns kommune, Frederiksberg kommune, primærkommune;

in België:

commune/gemeente/Gemeinde;

in Duitsland:

kreisfreie Stadt bzw. Stadtkreis; Kreis;

Gemeinde, Bezirk in der Freien und Hansestadt Hamburg und im Land Berlin;

Stadtgemeinde Bremen in der Freien Hansestadt Bremen;

Stadt-, Gemeinde- oder Ortsbezirke bzw. Ortschaften;

in Griekenland:

êïéíüôçò;

äÞìïò;

in Spanje:

municipio;

entitad de ámbito territorial inferior al municipal;

in Frankrijk:

commune;

arrondissement dans les villes déterminées par la législation interne, section de commune;

in Ierland:

county, county borough;

borough, urban district, town;

in Italië:

comune;

circoscrizione;

in Luxemburg:

commune;

in Nederland:

gemeente;

deelgemeente;

in Portugal:

município;

freguesia;

in het Verenigd Koninkrijk:

counties in England; counties, county boroughs and communities in Wales; regions and Islands in Scotland; districts in England, Scotland and Northern Ireland; London boroughs; parishes in England; the City of London in relation to ward elections for common councilmen.

Verklaring van de Duitse delegatie voor de notulen betreffende artikel 2, lid 1, onder b)

De Bondsrepubliek Duitsland gaat van het beginsel uit dat de definitie van artikel 2, lid 1, onder b), betreffende het hoofd en de leden van het bestuur van een primair lokaal lichaam ook geldt voor het via verkiezingen wegzenden ("Abwahl") van deze personen.

De Bondsrepubliek Duitsland wijst erop dat naar Duits constitutioneel recht de bepalingen inzake gemeenteraadsverkiezingen ook gelden voor "Gemeindeversammlungen" wanneer die een verkozen vertegenwoordigend lichaam vervangen.

Verklaring van de Raad en de Commissie voor de notulen betreffende artikel 3

Artikel 3 sluit de mogelijkheid voor een Lid-Staat niet uit om zich er op niet-discriminerende wijze van te vergewissen dat een kiezer in de zin van artikel 3 in een andere Lid-Staat dan de Lid-Staat van verblijf het kiesrecht niet verloren heeft, mits deze voorwaarde ook voor de eigen onderdanen geldt.

Verklaring voor de notulen van de Luxemburgse delegatie betreffende de verklaring van de Raad en van de Commissie inzake artikel 3

Volgens de Luxemburgse autoriteiten komt de eis van een verklaring op erewoord die de kiezer in de zin van artikel 3 bij zijn opneming in de kiezerslijsten moet afleggen, overeen met de woorden "zich vergewissen".

Verklaring van de Raad en van de Commissie voor de notulen betreffende artikel 5, lid 3, derde alinea

De in artikel 5, lid 3, derde alinea, bedoelde maatregelen kunnen de mogelijkheden voor de onderdanen van de andere Lid-Staten om te worden gekozen, slechts beperken voor zover dit noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de in artikel 5, lid 3, eerste en tweede alinea, vermelde doelstellingen.

Verklaring van de Franse delegatie voor de notulen betreffende artikel 5, lid 4

De in artikel 5, lid 4, beoogde mogelijkheid om niet-onderdanen uit te sluiten van de verkiezing van en de deelneming aan het college van verkozen kiezers ("grands électeurs") van de Franse Senaat, is geenszins bedoeld om het kiesrecht en de verkiesbaarheid voor gemeenteraadsverkiezingen zoals die voortvloeien uit artikel 8 B, lid 1, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, te ondergraven.

Verklaring voor de notulen van de Raad betreffende de verklaring van de Belgische delegatie betreffende artikel 12, lid 2

De Raad neemt akte van de volgende verklaring van de Belgische delegatie:

Verklaring van de Belgische delegatie voor de notulen betreffende artikel 12, lid 2

België verklaart dat, indien het gebruik maakt van de in artikel 12, lid 2, toegestane afwijking, deze slechts wordt toegepast in enige van de gemeenten waar het aantal van de in artikel 3 bedoelde kiezers meer bedraagt dan 20 % van het totale aantal kiezers en waar een specifieke situatie naar de mening van de Belgische Federale Regering een dergelijke uitzonderlijke afwijking rechtvaardigt.

Verklaring van de Raad voor de notulen inzake de verklaring van de Commissie betreffende artikel 13

De Raad neemt nota van de volgende verklaring van de Commissie:

Verklaring van de Commissie voor de notulen betreffende artikel 13

De Commissie verklaart dat zij bijzondere aandacht zal besteden aan de ontwikkeling van het electoraat sinds de inwerkingtreding van de richtlijn, die voor een aantal Lid-Staten specifieke problemen met zich zou kunnen brengen.

Verklaring voor de notulen van de Griekse delegatie inzake artikel 13

Griekenland hecht gezien zijn geografische ligging bijzonder veel belang aan het verslag dat de Commissie overeenkomstig artikel 13 zal opstellen.

Griekenland verwacht dat de Commissie, rekening houdend met de ontwikkeling van het electoraat in de Lid-Staten, de specifieke problemen zal evalueren waarmee deze Lid-Staten na de inwerkingtreding van de richtlijn mogelijkerwijs te kampen hebben gekregen.

Verklaring van de Spaanse delegatie voor de notulen betreffende Gibraltar

Het Koninkrijk Spanje verklaart dat, indien het Verenigd Koninkrijk besluit de toepassing van de Richtlijn 94/80/EG van de Raad van 19 december 1994 tot vaststelling van de wijze van uitoefening van het actieve en passieve kiesrecht bij gemeenteraadsverkiezingen ten behoeve van de burgers van de Unie die verblijven in een Lid-Staat waarvan zij de nationaliteit niet bezitten, tot Gibraltar uit te breiden, zulks geacht zal worden het standpunt van Spanje met betrekking tot Gibraltar volledig onverlet te laten.

Top