Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 31994L0025

Richtlijn 94/25/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 juni 1994 inzake de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de Lid- Staten met betrekking tot pleziervaartuigen

OJ L 164, 30.6.1994, p. 15–38 (ES, DA, DE, EL, EN, FR, IT, NL, PT)
Special edition in Finnish: Chapter 13 Volume 026 P. 98 - 121
Special edition in Swedish: Chapter 13 Volume 026 P. 98 - 121
Special edition in Czech: Chapter 13 Volume 013 P. 196 - 219
Special edition in Estonian: Chapter 13 Volume 013 P. 196 - 219
Special edition in Latvian: Chapter 13 Volume 013 P. 196 - 219
Special edition in Lithuanian: Chapter 13 Volume 013 P. 196 - 219
Special edition in Hungarian Chapter 13 Volume 013 P. 196 - 219
Special edition in Maltese: Chapter 13 Volume 013 P. 196 - 219
Special edition in Polish: Chapter 13 Volume 013 P. 196 - 219
Special edition in Slovak: Chapter 13 Volume 013 P. 196 - 219
Special edition in Slovene: Chapter 13 Volume 013 P. 196 - 219
Special edition in Bulgarian: Chapter 13 Volume 014 P. 79 - 107
Special edition in Romanian: Chapter 13 Volume 014 P. 79 - 107
Special edition in Croatian: Chapter 13 Volume 062 P. 36 - 59

No longer in force, Date of end of validity: 17/01/2016; opgeheven door 32013L0053

ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/1994/25/oj

31994L0025

Richtlijn 94/25/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 juni 1994 inzake de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de Lid- Staten met betrekking tot pleziervaartuigen

Publicatieblad Nr. L 164 van 30/06/1994 blz. 0015 - 0038
Bijzondere uitgave in het Fins: Hoofdstuk 13 Deel 26 blz. 0098
Bijzondere uitgave in het Zweeds: Hoofdstuk 13 Deel 26 blz. 0098


RICHTLIJN 94/25/EG VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 16 juni 1994

inzake de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de Lid-Staten met betrekking tot pleziervaartuigen

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, inzonderheid op artikel 100 A,

Gezien het voorstel van de Commissie (1),

Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité (2),

Volgens de procedure van artikel 189 B van het Verdrag (3),

Overwegende dat de interne markt een ruimte zonder binnengrenzen omvat waarin het vrije verkeer van goederen, personen, diensten en kapitaal is gewaarborgd;

Overwegende dat de in de verschillende Lid-Staten geldende wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen met betrekking tot de veiligheidskenmerken van pleziervaartuigen qua inhoud en werkingssfeer verschillen; dat dergelijke verschillen handelsbelemmeringen en ongelijke concurrentievoorwaarden op de interne markt kunnen veroorzaken;

Overwegende dat de harmonisatie van de nationale wetgevingen de enige manier is om deze belemmeringen van de vrije handel weg te nemen; dat deze doelstelling niet naar behoren door de afzonderlijke Lid-Staten kan worden verwezenlijkt; dat in deze richtlijn uitsluitend de eisen worden vastgesteld die beslist noodzakelijk zijn voor het vrije verkeer van pleziervaartuigen;

Overwegende dat deze richtlijn uitsluitend op pleziervaartuigen met een minimumlengte van 2,5 m en een aan de ISO-normen ontleende maximumlengte van 24 m van toepassing is;

Overwegende dat, aangezien het wegnemen van de technische handelsbelemmeringen met betrekking tot pleziervaartuigen en de onderdelen daarvan niet kan worden verwezenlijkt door onderlinge erkenning tussen de Lid-Staten, de in de resolutie van de Raad van 7 mei 1985 (4) beschreven nieuwe aanpak moet worden gevolgd volgens welke essentiële veiligheidseisen en andere voor het algemeen welzijn van belang zijnde aspecten moeten worden vastgesteld; dat in artikel 100 A, lid 3, van het Verdrag is bepaald dat de Commissie bij haar voorstellen op het gebied van de volksgezondheid, de veiligheid, de milieubescherming en de consumentenbescherming uitgaat van een hoog beschermingsniveau; dat de essentiële eisen de criteria vormen waaraan de pleziervaartuigen, gedeeltelijk afgebouwde boten en losse of gemonteerde onderdelen moeten voldoen;

Overwegende dat in deze richtlijn derhalve alleen essentiële eisen zijn vastgesteld; dat, om gemakkelijker het bewijs van de overeenstemming met de essentiële eisen te kunnen leveren, het noodzakelijk is dat er op Europees niveau geharmoniseerde normen zijn voor pleziervaartuigen en de onderdelen daarvan; dat deze op Europees niveau geharmoniseerde normen worden uitgewerkt door particuliere instellingen en dat zij hun karakter van niet-verbindende bepalingen dienen te behouden; dat de Europese Commissie voor normalisatie (CEN) en het Europees Comité voor elektrotechnische normalisatie (Cenelec) daarom erkend zijn als bevoegde instellingen voor de vaststelling van geharmoniseerde normen overeenkomstig de op 13 november 1984 ondertekende algemene richtsnoeren voor de samenwerking van de Commissie en deze beide instellingen; dat in deze richtlijn onder een geharmoniseerde norm wordt verstaan een technische specificatie (Europese norm of harmonisatiedocument) die door een van beide of beide instellingen is aangenomen in opdracht van de Commissie overeenkomstig Richtlijn 83/189/EEG van de Raad van 28 maart 1983 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften (5) en uit hoofde van bovengenoemde algemene richtsnoeren;

Overwegende dat het, gezien de aard van de risico's die inherent zijn aan het gebruik van pleziervaartuigen en de onderdelen daarvan, noodzakelijk is procedures in te stellen voor de beoordeling van de overeenstemming met de essentiële eisen van de richtlijn; dat deze procedures in verhouding moeten staan tot het gevaar dat pleziervaartuigen en de onderdelen daarvan kunnen opleveren; dat bijgevolg voor elke conformiteitscategorie een adequate procedure moet worden vastgesteld of de keuze moet worden gelaten tussen verschillende gelijkwaardige procedures; dat de in aanmerking genomen procedures volledig in overeenstemming zijn met Besluit 93/465/EEG van de Raad van 22 juli 1993 betreffende de modules voor de verschillende fasen van de overeenstemmingsbeoordelingsprocedures en de voorschriften inzake het aanbrengen en het gebruik van de CE-markering van overeenstemming (1);

Overwegende dat de Raad heeft bepaald dat de CE-markering moet worden aangebracht hetzij door de fabrikant hetzij door diens in de Gemeenschap gevestigde gemachtigde; dat deze markering betekent dat het pleziervaartuig of het onderdeel in overeenstemming is met alle Gemeenschapsrechtelijke essentiële eisen en beoordelingsprocedures die erop van toepassing zijn;

Overwegende dat het verantwoord is dat de Lid-Staten, zoals bepaald in artikel 100 A, lid 5, van het Verdrag, voorlopige maatregelen mogen treffen tot het beperken of verbieden van het in de handel brengen of het in gebruik nemen van pleziervaartuigen of onderdelen daarvan, ingeval deze een welbepaald risico voor de veiligheid van personen en, in voorkomend geval, huisdieren of goederen inhouden, en voor zover deze maatregelen aan een communautaire toetsingsprocedure worden onderworpen;

Overwegende dat de adressaten van elk besluit dat in het kader van deze richtlijn wordt genomen de redenen voor dat besluit en de rechtsmiddelen waarover zij beschikken, dienen te kennen;

Overwegende dat in een overgangsregeling moet worden voorzien die het mogelijk maakt pleziervaartuigen en onderdelen daarvan in de handel te brengen en in gebruik te nemen die zijn vervaardigd overeenkomstig de nationale voorschriften die op de datum van vaststelling van deze richtlijn van kracht zijn;

Overwegende dat deze richtlijn geen bepalingen bevat die strekken tot een beperking van het gebruik van het pleziervaartuig na zijn ingebruikneming;

Overwegende dat de bouw van pleziervaartuigen een effect kan hebben op het milieu voor zover het vaartuig verontreinigende stoffen kan lozen; dat het derhalve noodzakelijk is in deze richtlijn bepalingen op te nemen inzake de bescherming van het milieu, voor zover deze bepalingen betrekking hebben op het rechtstreekse effect van de bouw van pleziervaartuigen op het milieu;

Overwegende dat de bepalingen van deze richtlijn geen afbreuk mogen doen aan de bevoegdheid van de Lid-Staten om, met inachtneming van het Verdrag, de voorschriften uit te vaardigen die zij nodig achten met betrekking tot het bevaren van bepaalde wateren, met het oog op de bescherming van het milieu en van het net van waterwegen, en ter bevordering van de veiligheid op die waterwegen, mits zulks niet neerkomt op een niet in de richtlijn aangegeven wijziging van de pleziervaartuigen,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

Artikel 1

1. Deze richtlijn is van toepassing op pleziervaartuigen, gedeeltelijk afgebouwde pleziervaartuigen, en losse en gemonteerde onderdelen als bedoeld in bijlage II.

2. In deze richtlijn wordt onder pleziervaartuig verstaan ieder voor sport- en vrijetijdsdoeleinden bedoeld vaartuig, ongeacht het type of de wijze van voortstuwing, met een romplengte van 2,5 tot 24 m, gemeten volgens de desbetreffende geharmoniseerde normen. Het feit dat hetzelfde vaartuig kan worden gebruikt voor de verhuur of voor pleziervaartcursussen belet niet dat het onder de werkingssfeer van deze richtlijn valt, wanneer het voor recreatiedoeleinden in de handel wordt gebracht.

3. Buiten de werkingssfeer van deze richtlijn vallen:

a) wedstrijdboten, met inbegrip van roeiwedstrijdboten en boten voor roei-instructie die als zodaning door de fabrikant zijn bestempeld,

b) kano's en kajaks, gondels en waterfietsen,

c) zeilplanken,

d) motorzeilplanken, waterscooters en andere soortgelijke vaartuigen,

e) originelen en individuele replica's van vóór 1950 ontworpen historische vaartuigen, die hoofdzakelijk met de oorspronkelijke materialen zijn gebouwd en die als zodanig door de fabrikant zijn bestempeld,

f) experimentele vaartuigen, voor zover zij niet nadien op de communautaire markt worden gebracht,

g) voor persoonlijke gebruik gebouwde vaartuigen, voor zover zij nadien gedurende een periode van vijf jaar niet op de communautaire markt worden gebracht,

h) onverminderd lid 2, vaartuigen die specifiek bestemd zijn om te worden bemand en passagiers te vervoeren voor commerciële doeleinden, met name de vaartuigen als omschreven in Richtlijn 82/714/EEG van de Raad van 4 oktober 1982 tot vaststelling van de technische voorschriften voor binnenschepen (2), ongeacht het aantal passagiers,

i) duikboten,

j) luchtkussenvoertuigen,

k) draagvleugelboten.

Artikel 2

In de handel brengen en in bedrijf stellen

1. De Lid-Staten treffen alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de in artikel 1, lid 1, bedoelde produkten alleen in de handel gebracht en in bedrijf gesteld worden voor het bestemde doel, als zij geen gevaar opleveren voor de veiligheid en gezondheid van personen, eigendommen of het milieu, wanneer zij correct zijn gebouwd en worden onderhouden.

2. Deze richtlijn staat er niet aan in de weg dat de Lid-Staten, met inachtneming van het Verdrag, bepalingen vaststellen betreffende de vaart op bepaalde wateren met het oog op bescherming van het milieu en van het net van waterwegen en ter bevordering van de veiligheid op die waterwegen, mits deze bepalingen geen wijzigingen vereisen in de vaartuigen die aan de eisen van deze richtlijn voldoen.

Artikel 3

Essentiële eisen

De in artikel 1, lid 1, bedoelde produkten moeten voldoen aan de in bijlage I bepaalde essentiële eisen inzake veiligheid, gezondheid, milieu- en consumentenbescherming.

Artikel 4

Vrij verkeer van de in artikel 1, lid 1, bedoelde produkten

1. De Lid-Staten mogen het in de handel brengen en in bedrijf stellen op hun grondgebied van pleziervaartuigen die voorzien zijn van de in bijlage IV bedoelde CE-markering, waarmee wordt aangegeven dat zij in overeenstemming zijn met alle bepalingen van deze richtlijn, met inbegrip van de in hoofdstuk II genoemde overeenstemmingsbeoordelingsprocedures, niet verbieden, beperken of belemmeren.

2. De Lid-Staten mogen het in de handel brengen van gedeeltelijk afgebouwde vaartuigen niet verbieden, beperken of belemmeren, wanneer de fabrikant of zijn in de Gemeenschap gevestigde gemachtigde, dan wel de persoon die verantwoordelijk is voor het in de handel brengen, in overeenstemming met bijlage III, onder a), verklaart dat het vaartuig bestemd is om door anderen te worden afgebouwd.

3. De Lid-Staten mogen het in de handel brengen en in bedrijf stellen van de in bijlage II bedoelde onderdelen welke voorzien zijn van de in bijlage IV bedoelde CE-markering, waarmee wordt aangegeven dat zij voldoen aan de desbetreffende essentiële eisen, niet verbieden, beperken of belemmeren, wanneer deze onderdelen ervoor zijn bestemd om in pleziervaartuigen te worden ingebouwd, blijkens een verklaring, als bedoeld in bijlage III, onder b), van de fabrikant, van zijn in de Gemeenschap gevestigde gemachtigde, dan wel, in geval van invoer uit een derde land, van degene die het onderdeel in de Gemeenschap in de handel brengt.

4. De Lid-Staten verhinderen niet dat in artikel 1, lid 1, bedoelde produkten die niet met de richtlijn in overeenstemming zijn, op beurzen, tentoonstellingen en demonstraties worden getoond, mits met een zichtbaar teken duidelijk is aangegeven dat deze produkten noch in de handel kunnen worden gebracht noch in bedrijf kunnen worden gesteld voordat zijn met de richtlijn in overeenstemming zijn gebracht.

5. Indien in artikel 1, lid 1, bedoelde produkten met betrekking tot andere aspecten onder andere richtlijnen vallen die ook voorzien in het aanbrengen van de CE-markering, geeft deze laatste aan dat die produkten ook aan de voorschriften van die andere richtlijnen voldoen. Indien echter in een of meer van deze richtlijnen gedurende een overgangsperiode de fabrikant de keuze van de toe te passen regeling wordt gelaten, geeft de CE-markering alleen aan dat aan de voorschriften van de door de fabrikant toegepaste richtlijnen is voldaan. In dat geval moeten de in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen bekendgemaakte referenties van de toegepaste richtlijnen worden vermeld op de in die richtlijnen voorgeschreven bescheiden, handleidingen of gebruiksaanwijzingen die bij deze produkten zijn gevoegd.

Artikel 5

De Lid-Staten gaan ervan uit dat aan de in artikel 3 bedoelde essentiële eisen is voldaan door in artikel 1, lid 1, bedoelde produkten die in overeenstemming zijn met de desbetreffende nationale normen ter uitvoering van de geharmoniseerde normen waarvan de referentienummers zijn bekendgemaakt in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen; de Lid-Staten publiceren de referentienummers van deze nationale normen.

Artikel 6

1. Wanneer een Lid-Staat of de Commissie van mening is dat de in artikel 5 bedoelde geharmoniseerde normen niet geheel voldoen aan de in artikel 3 bedoelde essentiële eisen, legt de Commissie of de Lid-Staat de kwestie, met een toelichting, voor aan het bij Richtlijn 83/189/EEG ingestelde Comité. Het Comité brengt met spoed advies uit.

Afhankelijk van het advies van het Comité deelt de Commissie de Lid-Staten mede of de betrokken normen al dan niet uit de in artikel 5 bedoelde bekendmakingen moeten worden verwijderd.

2. De Commissie kan volgens de procedure van lid 3 alle dienstige maatregelen nemen ten einde de eenvormige praktische toepassing van deze richtlijn te verzekeren.

3. De Commissie wordt bijgestaan door een Permanent Comité, dat is samengesteld uit door de Lid-Staten aangewezen vertegenwoordigers en dat door een vertegenwoordiger van de Commissie wordt voorgezeten.

Het Permanent Comité stelt zijn reglement van orde vast.

De vertegenwoordiger van de Commissie legt het Permanent Comité een ontwerp voor van de te nemen maatregelen. Het Permanent Comité brengt binnen een termijn die de voorzitter kan vaststellen al naar gelang van de urgentie van de materie, advies uit over dit ontwerp, zo nodig door middel van een stemming.

Het advies wordt in de notulen opgenomen; voorts heeft iedere Lid-Staat het recht te verzoeken dat zijn standpunt in de notulen wordt opgenomen.

De Commissie houdt zoveel mogelijk rekening met het door het Permanent Comité uitgebrachte advies. Zij brengt het Permanent Comité op de hoogte van de wijze waarop zij rekening heeft gehouden met zijn advies.

4. Het Permanent Comité kan ook ieder vraagstuk betreffende de toepassing van deze richtlijn onderzoeken dat hem door zijn voorzitter, op diens initiatief of op initiatief van een Lid-Staat, wordt voorgelegd.

Artikel 7

Vrijwaringsclausule

1. Wanneer een Lid-Staat vaststelt dat van de CE-markering, als bedoeld in bijlage IV, voorziene pleziervaartuigen of in bijlage II bedoelde onderdelen, bij juiste constructie, montage, correct onderhoud en gebruik overeenkomstig hun gebruiksdoel, gevaar kunnen opleveren voor de veiligheid en de gezondheid van personen, eigendommen of het milieu, neemt hij alle dienstige voorlopige maatregelen om deze uit de handel te nemen of om het in de handel brengen of het in bedrijf stellen ervan te verbieden dan wel te beperken.

De Lid-Staat stelt de Commissie onmiddellijk van deze maatregel in kennis onder opgave van de redenen voor dit besluit, met name of de niet-overeenstemming voortvloeit uit:

a) het niet beantwoorden aan de in artikel 3 bedoelde essentiële eisen;

b) een verkeerde toepassing van de in artikel 5 bedoelde normen, voor zover wordt gesteld dat die zijn toegepast;

c) leemten in de in artikel 5 bedoelde normen zelf.

2. De Commissie treedt zo spoedig mogelijk met de betrokken partijen in overleg. Wanneer de Commissie na dit overleg vaststelt:

- dat de maatregel gerechtvaardigd is, deelt zij dit onverwijld mede aan de Lid-Staat die de maatregel heeft getroffen en aan de overige Lid-Staten. Wanneer het in lid 1 bedoelde besluit het gevolg is van een leemte in de normen, legt de Commissie, indien de Lid-Staat die het besluit heeft genomen dit wil handhaven, de kwestie na overleg met de betrokken partijen binnen twee maanden voor aan het in artikel 6, lid 1, bedoelde Comité en leidt zij de in artikel 6, lid 1, bedoelde procedure in;

- dat de maatregel niet gerechtvaardigd is, stelt zij de Lid-Staat die de maatregel heeft genomen, alsook de fabrikant of diens in de Gemeenschap gevestigde gemachtigde, daarvan onmiddellijk in kennis.

3. Wanneer een niet-overeenstemmend onderdeel als bedoeld in bijlage II of een niet-overeenstemmend vaartuig van de CE-markering is voorzien, neemt de Lid-Staat die ten aanzien van degene die de markering heeft aangebracht bevoegd is, de nodige maatregelen; hij stelt de Commissie en de andere Lid-Staten daarvan in kennis.

4. De Commissie zorgt ervoor dat de Lid-Staten op de hoogte worden gehouden van het verloop en de resultaten van de procedure.

HOOFDSTUK II

Overeenstemmingsbeoordeling

Artikel 8

Alvorens in artikel 1, lid 1, bedoelde produkten in produktie te nemen en in de handel te brengen, volgt de fabrikant of zijn in de Gemeenschap gevestigde gemachtigde de volgende procedures voor de categorieën vaartuigontwerpen A, B, C en D als bedoeld in bijlage I, punt 1:

1. Voor de ontwerpcategorieën A en B:

- voor vaartuigen met een romplengte van minder dan 12 m: de interne fabricagecontrole plus proef (module A bis) als bedoeld in bijlage VI;

- voor vaartuigen met een romplengte van 12 tot en met 24 m: het in bijlage VII bedoelde EG-typeonderzoek (module B), gevolgd door de in bijlage VIII bedoelde procedure van overeenstemming met het type (module C), dan wel één van de volgende modules: B + D, of B + F, of G of H.

2. Voor ontwerpcategorie C:

a) voor vaartuigen met een romplengte van 2,5 tot 12 m:

- indien conform de geharmoniseerde normen betreffende de punten 3.2 en 3.3 van bijlage I: de interne fabricagecontrole (module A) als bedoeld in bijlage V;

- indien niet conform de geharmoniseerde normen betreffende de punten 3.2 en 3.3 van bijlage I: de interne fabricagecontrole plus proef (module A bis) als bedoeld in bijlage VI;

b) voor vaartuigen met een romplengte van 12 tot en met 24 m: het in bijlage VII bedoelde EG-typeonderzoek (module B), gevolgd door de in bijlage VIII bedoelde procedure van overeenstemming met het type (module C), dan wel één van de volgende modules: B + D, of B + F, of G, of H.

3. Voor ontwerpcategorie D:

voor vaartuigen met een romplengte van 2,5 tot en met 24 m: de interne fabricagecontrole (module A) als bedoeld in bijlage V.

4. Voor in bijlage II bedoelde onderdelen, één van de volgende modules: B + C, of B + D, of B + F, of G, of H.

Artikel 9

Aangemelde instanties

1. De Lid-Staten delen de Commissie en de overige Lid-Staten mee welke instanties zij hebben aangewezen voor de in artikel 8 bedoelde overeenstemmingsbeoordeling, met welke specifieke taken deze instanties belast zijn en welk identificatienummer de Commissie hun van tevoren heeft toegekend.

De Commissie maakt in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen een lijst van de aangemelde instanties bekend, et hun identificatienummer en de taken waarvoor zij aangemeld zijn. Zij zorgt voor de bijwerking van deze lijst.

2. De Lid-Staten passen de criteria van bijlage XIV toe bij de beoordeling van de aan te melden instanties. Instanties die voldoen aan de beoordelingscriteria van de betreffende geharmoniseerde normen worden geacht aan die criteria te voldoen.

3. Een Lid-Staat trekt zijn erkenning van de instantie in, indien hij vaststelt dat die instantie niet meer aan de criteria van bijlage XIV voldoet. Hij stelt de Commissie en de overige Lid-Staten daarvan onmiddellijk in kennis.

HOOFDSTUK III

CE-markering

Artikel 10

1. Op pleziervaartuigen en onderdelen als bedoeld in bijlage II die worden geacht te voldoen aan de in artikel 3 bedoelde essentiële eisen, moet bij het in de handel brengen de CE-markering van overeenstemming zijn aangebracht.

2. De in bijlage IV weergegeven CE-markering van overeenstemming moet zichtbaar, leesbaar en onuitwisbaar zijn aangebracht op het pleziervaartuig overeenkomstig punt 2.2 van bijlage I en op onderdelen als bedoeld in bijlage II en/of op de verpakking ervan.

De CE-markering moet vergezeld gaan van het identificatienummer van de aangemelde instantie die verantwoordelijk is voor de uitvoering van de in de bijlagen VI, IX, X, XI en XII bedoelde procedures.

3. Het is verboden merktekens of opschriften aan te brengen die derden kunnen misleiden omtrent de betekenis of de grafische vorm van de CE-markering. Andere merktekens mogen op het pleziervaartuig en de onderdelen als bedoeld in bijlage II en/of op de verpakking ervan worden aangebracht, op voorwaarde dat daardoor de zichtbaarheid en de leesbaarheid van de CE-markering niet worden verminderd.

4. Onverminderd artikel 7:

a) is de fabrikant of zijn in de Gemeenschap gevestigde gemachtigde, wanneer een Lid-Staat vaststelt dat de CE-markering onrechtmatig is aangebracht, verplicht onder de door deze Lid-Staat gestelde voorwaarden een eind te maken aan de inbreuk;

b) moet de Lid-Staat, wanneer de inbreuk voortduurt, alle dienstige maatregelen treffen om het in de handel brengen van het betrokken produkt te beperken of te verbieden, dan wel om ervoor te zorgen dat het uit de handel wordt genomen volgens de procedure van artikel 7.

HOOFDSTUK IV

Slotbepalingen

Artikel 11

Ieder krachtens deze richtlijn genomen besluit dat ertoe leidt dat het in de handel brengen en/of het in bedrijf stellen van in artikel 1, lid 1, bedoelde produkten wordt beperkt, moet naar behoren worden gemotiveerd. De betrokken partij wordt zo spoedig mogelijk in kennis gesteld van het besluit, alsmede van de rechtsmiddelen die haar volgens de wetgeving van de betrokken Lid-Staat ter beschikking staan en van de termijnen waarbinnen deze rechtsmiddelen moeten worden aangewend.

Artikel 12

De Commissie neemt de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de gegevens over alle ter zake dienende besluiten met betrekking tot het beheer van deze richtlijn ter beschikking komen.

Artikel 13

1. De Lid-Staten dragen zorg voor aanneming en bekendmaking van de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen om uiterlijk op 16 december 1995 aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

De Lid-Staten passen deze bepalingen toe vanaf 16 juni 1996.

Het in artikel 6, lid 3, bedoelde Permanent Comité kan onmiddellijk na de inwerkingtreding van deze richtlijn in functie treden. De Lid-Staten kunnen vanaf die datum de in artikel 9 bedoelde maatregelen nemen.

Wanneer de Lid-Staten de in de eerste alinea bedoelde bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen naar de onderhavige richtlijn verwezen of wordt hiernaar verwezen bij de officiële bekendmaking van de bepalingen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de Lid-Staten.

2. De Lid-Staten delen de Commissie de tekst mede van de bepalingen van intern recht die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

3. De Lid-Staten staan, gedurende een tijdvak van vier jaar na de aanneming van deze richtlijn, het in de handel brengen en in bedrijf stellen toe van de in artikel 1, lid 1, bedoelde produkten die voldoen aan de voorschriften die op die datum op hun grondgebied van kracht zijn.

Artikel 14

Deze richtlijn treedt in werking op de dag van haar bekendmaking in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen.

Artikel 15

Deze richtlijn is gericht tot de Lid-Staten.

Gedaan te Brussel, 16 juni 1994.

Voor het Europees Parlement

De Voorzitter

E. KLEPSCH

Voor de Raad

De Voorzitter

Y. PAPANTONIOU

(1) PB nr. C 123 van 15. 5. 1992, blz. 7.

(2) PB nr. C 313 van 30. 11. 1992, blz. 38.

(3) Avies van het Europees Parlement van 18 november 1992 (PB nr. C 337 van 21. 12. 1992, blz. 17). Gemeenschappelijk standpunt van de Raad van 16 december 1993 (PB nr. C 137 van 19. 5. 1994, blz. 1). Besluit van het Europees Parlement van 9 maart 1994 (PB nr. C 91 van 28. 3. 1994).

(4) PB nr. C 136 van 4. 6. 1985, blz. 1.

(5) PB nr. L 109 van 26. 4. 1983, blz. 8. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 88/182/EEG (PB nr. L 81 van 26. 3. 1988, blz. 75).

(1) PB nr. L 220 van 30. 8. 1993, blz. 23.

(2) PB nr. L 301 van 28. 10. 1982, blz. 1.

BIJLAGE I

ESSENTIËLE VEILIGHEIDSEISEN MET BETREKKING TOT HET ONTWERP EN DE BOUW VAN PLEZIERVAARTUIGEN

1. CATEGORIEËN VAARTUIGONTWERPEN

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

Definities:

A. Oceaan: Ontworpen voor lange reizen, van voornamelijk zelfstandig opererende vaartuigen, waarbij de windkracht meer dan 8 (schaal van Beaufort) kan bedragen en de karakteristieke golfhoogte meer dan 4 m.

B. Zee: Ontworpen voor zeereizen bij een mogelijke windkracht tot en met 8 en een mogelijke karakteristieke golfhoogte tot en met 4 m.

C. Kust: Ontworpen voor de vaart in kustwateren, grote baaien, riviermondingen, meren en rivieren bij een mogelijke windkracht tot en met 6 en een mogelijke karakteristieke golfhoogte tot en met 2 m.

D. Beschut: Ontworpen voor de vaart op kleine meren, rivieren en kanalen bij een mogelijke windkracht tot en met 4 en een mogelijke karakteristieke golfhoogte tot en met 0,5 m.

De vaartuigen van elke categorie moeten zodanig zijn ontworpen en gebouwd dat zij met betrekking tot de stabiliteit, het drijfvermogen en de andere in deze bijlage genoemde essentiële veiligheidseisen de aan deze parameters verbonden eisen kunnen doorstaan en goed bestuurbaar zijn.

2. ALGEMENE EISEN

De in artikel 1, lid 1, van de richtlijn bedoelde produkten dienen te beantwoorden aan de essentiële eisen voor zover deze erop van toepassing zijn.

2.1. Identificatie van de romp

Op ieder vaartuig moet een rompidentificatienummer zijn aangebracht dat de volgende gegevens omvat:

- fabriekscode,

- land van fabricage,

- individueel serienummer,

- jaar van produktie,

- modeljaar.

In de betreffende geharmoniseerde normen worden deze eisen nader gepreciseerd.

2.2. Plaatje van de bouwer

Op ieder vaartuig moet behalve het rompidentificatienummer nog een afzonderlijk, permanent bevestigd plaatje worden aangebracht met de volgende gegevens:

- naam van de fabrikant,

- CE-markering (zie bijlage IV),

- categorie bootontwerp overeenkomstig punt 1,

- door de fabrikant aanbevolen maximale belasting overeenkomstig punt 3.6,

- door de fabrikant aanbevolen aantal personen aan boord tijdens het varen, waarop de boot berekend is.

2.3 Beveiliging tegen overboord vallen en voorzieningen om weer aan boord te kunnen komen

Afhankelijk van de ontwerpcategorie dient het vaartuig zo ontworpen te zijn dat het risico van overboord vallen zo klein mogelijk is en men gemakkelijk weer aan boord kan komen.

2.4. Zicht vanaf de hoofdstuurstand

Op motorboten moet de stuurman vanuit de hoofdstuurstand, onder normale gebruiksomstandigheden (snelheid en belasting), rondom een goed zicht hebben.

2.5 Handleiding

Elk vaartuig moet voorzien zijn van een handleiding in de overeenkomstig het Verdrag door de Lid-Staat waar het in de handel gebracht wordt bepaalde officiële taal (talen) van de Gemeenschap. Deze handleiding moet met name de aandacht vestigen op risico's van brand en van het volstromen met water en de in de punten 2.2, 3.6 en 4 genoemde informatie bevatten, alsmede het leeggewicht vermelden van het vaartuig, uitgedrukt in kilogram.

3. EISEN TEN AANZIEN VAN INTEGRITEIT EN CONSTRUCTIE

3.1. Structuur

De keuze en combinatie van materialen en de constructie moeten garanderen dat het vaartuig in alle opzichten sterk genoeg is. Er wordt in het bijzonder gelet op de ontwerpcategorie van punt 1 en de door de fabrikant aanbevolen maximale belasting bedoeld in punt 3.6.

3.2 Stabiliteit en vrijboord

Het vaartuig moet, rekening houdend met de ontwerpcategorie van punt 1 en met de door de fabrikant aanbevolen maximale belasting bedoeld in punt 3.6, voldoende stabiliteit en vrijboord hebben.

3.3. Drijfvermogen en reserve-drijfvermogen

De constructie van het vaartuig moet zodanig zijn dat het drijfvermogen is afgestemd op de ontwerpcategorie van punt 1 en de door de fabrikant aanbevolen maximale belasting bedoeld in punt 3.6. Alle van leefruimte voorziene meerrompsvaartuigen dienen zodanig te worden ontworpen dat zij over voldoende drijfvermogen beschikken om in omgeslagen stand te blijven drijven.

Vaartuigen van minder dan 6 m moeten voorzien zijn van een passend reserve-drijfvermogen om het overeenkomstig zijn ontwerpcategorie gebruikte vaartuig in volgelopen toestand drijvende te houden.

3.4. Openingen in romp, dek en bovenbouw

Openingen in romp, dek(ken) en bovenbouw mogen in gesloten stand geen afbreuk doen aan de structurele integriteit en de weer-en-windbestendigheid van het vaartuig.

Ramen, patrijspoorten, deuren en luikafdekkingen moeten bestand zijn tegen de waterdruk die op de plaats waar zij zich bevinden te verwachten valt, alsmede tegen de puntbelastingen die door het gewicht van zich aan dek bevindende personen wordt uitgeoefend.

Voor de inwaartse of uitwaartse doorvoer van water door de romp heen bestemde huiddoorvoeren die zich bevinden onder de waterlijn die correspondeert met de door de fabrikant aanbevolen maximale belasting als bedoeld in punt 3.6, dienen te zijn uitgerust met gemakkelijk toegankelijke afsluiters.

3.5. Vollopen

Alle vaartuigen moeten zo ontworpen zijn dat de kans op zinken zo gering mogelijk is.

Daarbij dient bijzondere aandacht te worden besteed aan:

- kuipen en bunnen, die zelflozend moeten zijn of voorzien moeten zijn van andere middelen om het water uit het inwendige van de boot te houden,

- ventilatievoorzieningen,

- het verwijderen van water met doeltreffende pompen of andere middelen.

3.6. Door de fabrikant aanbevolen maximale belasting

De door de fabrikant aanbevolen maximale belasting (brandstof, water, proviand, diverse uitrusting en personen) (uitgedrukt in kilogram) waarvoor de boot ontworpen is en die op het plaatje van de bouwer vermeld moet worden, wordt vastgesteld al naar gelang van de ontwerpcategorie (punt 1), de stabiliteit en het vrijboord (punt 3.2), alsmede het drijfvermogen en het reserve-drijfvermogen (punt 3.3).

3.7. Bergplaats voor reddingsvlot

Alle vaartuigen van de ontwerpcategorieën A en B, alsmede de vaartuigen van de ontwerpcategorieën C en D die een romplengte hebben van meer dan 6 m, dienen te beschikken over een of meer bergplaatsen voor een reddingsvlot dat of reddingsvlotten die groot genoeg is of zijn voor het aantal personen waarvoor het vaartuig bestemd is. Deze bergplaats(en) moet(en) te allen tijde gemakkelijk toegankelijk zijn.

3.8. Ontsnappingsweg

Alle van leefruimte voorziene meerrompsvaartuigen van meer dan 12 m lang moeten voorzien zijn van in geval van omslaan bruikbare ontsnappingswegen.

Alle van leefruimte voorziene vaartuigen moeten voorzien zijn van in geval van brand bruikbare ontsnappingswegen.

3.9. Ankeren, afmeren en slepen

Alle vaartuigen moeten, rekening houdend met de ontwerpcategorie waartoe zij behoren en hun kenmerken, zijn uitgerust met een of meer versterkte aangrijpingspunten of andere middelen om de krachten die optreden bij ankeren, afmeren en slepen veilig te doorstaan.

4. STUUREIGENSCHAPPEN

De fabrikant draagt er zorg voor dat de stuureigenschappen van het vaartuig bevredigend zijn bij gebruik van de krachtigste motor waarvoor de boot ontworpen en gebouwd is. Voor alle motoren van pleziervaartuigen dient het maximumvermogen overeenkomstig de geharmoniseerde norm in de handleiding te worden aangegeven.

5. EISEN MET BETREKKING TOT DE INRICHTING

5.1. Motor en motorruimte

5.1.1. Binnenboordmotor

Alle binnenboordmotoren moeten in een gesloten en van de leefruimte afgescheiden compartiment zijn geplaatst en zodanig geïnstalleerd zijn dat het gevaar van brand of uitbreiding van brand en de gevaren van giftige rook, warmte, lawaai of trillingen in de leefruimte tot een minimum beperkt blijven. Onderdelen en accessoires van de motor die frequente controle en onderhoudsbeurten nodig hebben, moeten gemakkelijk toegankelijk zijn.

De isolatiematerialen in de motorruimtes moeten onbrandbaar zijn.

5.1.2. Ventilatie

De motorruimte moet geventileerd zijn. Bij alle ventilatieopeningen moet instroming van water in de motorruimte voorkomen worden.

5.1.3. Niet-ingesloten delen

Bewegende of hete delen van de motor die persoonlijk letsel kunnen veroorzaken, moeten doeltreffend worden afgeschermd, tenzij de motor zich onder een kap of binnen de eigen omhulling bevindt.

5.1.4. Starten van buitenboordmotoren

Alle vaartuigen met buitenboordmotoren moeten een inrichting hebben die het starten van de motor in ingeschakelde toestand verhindert, behalve

a) wanneer de motor een statische stuwkracht van minder dan 500 N levert,

b) wanneer de motor voorzien is van een blokkeerinrichting van de gashendel die de statische stuwkracht op het moment van het starten van de motor beperkt tot 500 N.

5.2. Brandstofsysteem

5.2.1. Algemeen

De voorzieningen en installaties voor het vullen, de opslag, de ontluchting en de toevoer van brandstof moeten zo zijn ontworpen en aangebracht dat het brand- en explosiegevaar tot een minimum beperkt wordt.

5.2.2. Brandstoftanks

De brandstoftanks, -buizen en -slangen moeten worden vastgemaakt en worden gescheiden van of beschermd tegen iedere veel warmte producerende bron. Het materiaal waaruit de tanks bestaan en de constructie ervan moeten zijn afgestemd op hun capaciteit en het soort brandstof. Alle ruimten waarin tanks staan opgesteld moeten geventileerd worden.

Vloeibare brandstof met een vlampunt van minder dan 55 °C moet worden bewaard in tanks die geen deel uitmaken van de romp en

a) van de motorkamer en van iedere andere ontvlammingsbron afgesloten zijn,

b) van de leefruimte afgesloten zijn.

Vloeibare brandstof met een vlampunt dat gelijk is aan of hoger is dan 55 °C mag worden bewaard in tanks die een integrerend deel van de romp vormen.

5.3. Elektrisch systeem

De elektrische systemen moeten zo zijn ontworpen en geïnstalleerd dat een goede bediening van het vaartuig onder normale bedrijfsomstandigheden gegarandeerd is en dat het gevaar voor brand en elektrische schokken tot een minimum wordt beperkt.

Alle door accu's gevoede stroomkringen moeten tegen overbelasting en kortsluiting worden beveiligd, uitgezonderd de stroomkringen voor het starten van de motor.

Er moet voor ventilatie worden gezorgd, ten einde de opeenhoping van eventuele door accu's geproduceerde gassen te voorkomen. De accu's moeten stevig bevestigd en tegen inkomend water beschermd worden.

5.4. Besturingssysteem

5.4.1. Algemeen

Het ontwerp, de constructie en de installatie van de besturingssystemen moeten zodanig zijn dat stuurbelastingen onder voorzienbare bedrijfsomstandigheden hiermee overgebracht kunnen worden.

5.4.2. Noodvoorzieningen

Zeilboten en met één binnenboordmotor uitgeruste motorboten waarvan het roer op afstand bediend wordt, moeten uitgerust zijn met een noodvoorziening waarmee het vaartuig bij beperkte snelheid kan worden bestuurd.

5.5. Gassysteem

Gassystemen voor huishoudelijk gebruik moeten van het type met dampafvoer zijn en zo zijn ontworpen en geïnstalleerd dat gaslekken en ontploffingsgevaar vermeden worden en zij moeten op gaslekken getest kunnen worden. Materialen en onderdelen moeten geschikt zijn voor het gebruikte soort gas en bestand zijn tegen de belastingen en invloeden waaraan zij op het water blootstaan.

Ieder toestel moet zijn uitgerust met een beveiliging die bij wegvallen van de vlam de gastoevoer naar alle branders afsluit. Ieder gassysteem moet het gas toegevoerd krijgen via een afzonderlijke leiding van het distributiesysteem en ieder toestel moet voorzien zijn van een afzonderlijke afsluiter. Er moet voor voldoende ventilatie worden gezorgd om te voorkomen dat men wordt blootgesteld aan de gevaren die zijn verbonden aan gaslekken en verbrandingsprodukten.

Ieder vaartuig met een vast gassysteem moet uitgerust zijn met een compartiment voor de opslag van alle gasflessen. Dit compartiment moet afgesloten zijn van de leefruimte, uitsluitend van buitenaf toegankelijk zijn en naar buiten toe geventileerd, zodat vrijkomend gas naar buiten toe kan wegstromen. Elk vast gassysteem moet na installatie getest worden.

5.6. Brandbeveiliging

5.6.1. Algemeen

Bij de uitrusting en de indeling van het vaartuig moet rekening gehouden worden met het gevaar voor ontstaan en uitbreiding van brand. Er moet speciaal gelet worden op de omgeving van apparaten met een open vlam, hete zones en motoren en hulpapparaten, overlooppijpen van olie en brandstof en onbedekte olie- en brandstofbuizen. Vermeden moet worden dat boven hete zones van machines elektrische bedrading wordt aangebracht.

5.6.2. Brandblusapparatuur

Het vaartuig dient geleverd te worden met op het brandgevaar afgestemde brandblusapparatuur. De motorruimten van benzinemotoren moeten beschermd worden met een blussysteem dat in geval van brand gebruikt kan worden zonder dat de ruimte geopend hoeft te worden. Indien er draagbare brandblussers zijn aangebracht, moeten zij gemakkelijk toegankelijk zijn en één daarvan moet zo zijn geplaatst dat hij gemakkelijk bereikbaar is vanuit de hoofdstuurstand van het vaartuig.

5.7. Navigatielichten

Wanneer navigatielichten worden aangebracht moeten deze voldoen aan de voorschriften van de Bepalingen ter voorkoming van aanvaringen op zee van 1972 en latere wijzigingen daarop, of aan de CEVNI-voorschriften.

5.8. Het voorkomen van lozing

Vaartuigen moeten zo gebouwd zijn dat verontreinigende stoffen (olie, brandstof, enz.) niet per ongeluk overboord kunnen raken.

Vaartuigen waarin toiletten zijn aangebracht, dienen te beschikken over

a) reservoirs,

b) installaties waarin tijdelijk reservoirs kunnen worden aangebracht in zones of voor gebruiksdoeleinden waar de lozing van menselijk afval aan beperkingen is onderworpen.

Bovendien moeten door de romp aangelegde afvoerbuizen zijn voorzien van afsluitbare kleppen.

BIJLAGE II

ONDERDELEN

1. Vonkafschermingsvoorzieningen voor binnenboordmotoren en buitenboordmotoren ("sterndrive").

2. Beveiliging tegen starten in ingeschakelde toestand voor buitenboordmotoren.

3. Stuurwielen, stuurmechanismen en bekabeling.

4. Brandstoftanks en -buizen.

5. Gefabriceerde luiken en patrijspoorten.

BIJLAGE III

VERKLARING VAN DE FABRIKANT OF VAN ZIJN IN DE GEMEENSCHAP GEVESTIGDE GEMACHTIGDE OF VAN DE PERSOON DIE VERANTWOORDELIJK IS VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN

(artikel 4, leden 2 en 3)

a) De in artikel 4, lid 2 (gedeeltelijk afgebouwde vaartuigen), bedoelde verklaring van de fabrikant, van zijn in de Gemeenschap gevestigde gemachtigde of van de persoon die verantwoordelijk is voor het in de handel brengen, behelst de volgende gegevens:

- naam en adres van de fabrikant;

- naam en adres van de in de Gemeenschap gevestigde gemachtigde van de fabrikant of, in voorkomend geval, van de persoon die verantwoordelijk is voor het in de handel brengen;

- een beschrijving van de gedeeltelijk afgebouwde boot;

- een verklaring dat de gedeeltelijk afgebouwde boot bestemd is om door anderen te worden afgebouwd en dat hij voldoet aan de essentiële eisen die in dit constructiestadium van toepassing zijn.

b) De in artikel 4, lid 3 (losse en gemonteerde onderdelen), bedoelde verklaring van de fabrikant, van zijn in de Gemeenschap gevestigde gemachtigde of van de persoon die verantwoordelijk is voor het in de handel brengen, behelst de volgende gegevens:

- naam en adres van de fabrikant;

- naam en adres van de in de Gemeenschap gevestigde gemachtigde van de fabrikant of, in voorkomend geval, van de persoon die verantwoordelijk is voor het in de handel brengen;

- een beschrijving van de losse en gemonteerde onderdelen;

- een verklaring dat de losse of gemonteerde onderdelen voldoen aan de desbetreffende essentiële eisen.

BIJLAGE IV

CE-MARKERING

De CE-markering van overeenstemming bestaat uit de letters CE in de volgende grafische vorm:

>REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK>

Bij verkleining of vergroting van de markering moeten de verhoudingen van bovenstaande gegradueerde afbeelding in acht worden genomen.

De onderscheiden onderdelen van de CE-markering moeten nagenoeg dezelfde hoogte hebben, die minimaal 5 mm bedraagt.

De CE-markering wordt gevolgd door het identificatienummer van de aangemelde instantie, indien deze een rol speelt in de fase van de produktiecontrole, alsmede de laatste twee cijfers van het jaar waarin de CE-markering is aangebracht.

BIJLAGE V

INTERNE FABRICAGECONTROLE (module A)

1. De fabrikant of zijn in de Gemeenschap gevestigde gemachtigde die voldoet aan de in punt 2 genoemde verplichtingen, garandeert en verklaart dat de betrokken apparaten voldoen aan de eisen van de richtlijn die daarop van toepassing zijn. De fabrikant of zijn in de Gemeenschap gevestigde gemachtigde brengt op ieder produkt de CE-markering aan en stelt een schriftelijke verklaring van overeenstemming op.

2. De fabrikant stelt de in punt 3 beschreven technische documentatie samen; de fabrikant of zijn in de Gemeenschap gevestigde gemachtigde houdt deze gedurende ten minste tien jaar na de vervaardiging van het laatste produkt voor controledoeleinden ter beschikking van de bevoegde nationale instanties.

Indien noch de fabrikant noch zijn gemachtigde in de Gemeenschap is gevestigd, is de persoon die met het in de handel brengen van het apparaat in de Gemeenschap is belast, degene die de technische documentatie ter beschikking moet houden.

3. Op basis van de technische documentatie moet kunnen worden beoordeeld of het apparaat in overeenstemming is met de eisen van de richtlijn. Voor zover dat voor deze beoordeling nodig is, dient de technische documentatie tevens inzicht te verschaffen in het ontwerp, het fabricageproces en de werking van het produkt (zie bijlage XIII).

4. De fabrikant of zijn gemachtigde bewaart samen met de technische documentatie een afschrift van de verklaring van overeenstemming.

5. De fabrikant neemt alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat het fabricageproces waarborgt dat de vervaardigde produkten in overeenstemming zijn met de in punt 2 bedoelde technische documentatie en met de eisen van de richtlijn die op die produkten van toepassing zijn.

BIJLAGE VI

INTERNE FABRICAGECONTROLE PLUS PROEVEN (module A bis, optie 1)

Deze module komt overeen met module A als opgenomen in bijlage V, aangevuld met de volgende aanvullende bepalingen:

Met betrekking tot een of meer vaartuigen die representatief zijn voor de produktie van de fabrikant worden een of meer van de volgende proeven, daarmee gelijkstaande berekeningen of controles uitgevoerd door de fabrikant of voor zijn rekening:

- stabiliteitsproef volgens punt 3.2 van de essentiële eisen,

- beproeving van het drijfvermogen als omschreven in punt 3.3 van de essentiële eisen.

Deze proeven, berekeningen of controles worden uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van een door de fabrikant gekozen aangemelde instantie. De fabrikant brengt onder verantwoordelijkheid van de aangemelde instantie tijdens het fabricageproces het identificatienummer van die instantie aan.

BIJLAGE VII

EG-TYPEONDERZOEK (module B)

1. Een aangemelde instantie stelt vast en verklaart dat een representatief exemplaar van de betrokken produktie voldoet aan de desbetreffende bepalingen van de richtlijn.

2. De aanvraag om een EG-typeonderzoek wordt door de fabrikant of zijn in de Gemeenschap gevestigde gemachtigde ingediend bij een aangemelde instantie van zijn keuze.

De aanvraag omvat:

- naam en adres van de fabrikant, alsmede naam en adres van de gemachtigde indien de aanvraag door laatstgenoemde wordt ingediend;

- een schriftelijke verklaring dat er geen gelijkluidende aanvraag is ingediend bij een andere aangemelde instantie;

- de technische documentatie als omschreven in punt 3.

De aanvrager stelt een voor de betrokken produktie representatief exemplaar, dat hierna "type" (*) wordt genoemd, ter beschikking van de aangemelde instantie. De aangemelde instantie kan om meer exemplaren verzoeken indien dit nodig is voor het keuringsprogramma.

3. Op basis van de technische documentatie moet beoordeeld kunnen worden of het produkt in overeenstemming is met de eisen van de richtlijn. Voor zover dat voor deze beoordeling nodig is, dient de technische documentatie inzicht te verschaffen in het ontwerp, het fabricageproces en de werking van het produkt (zie bijlage XIII).

4. De aangemelde instantie

4.1. bestudeert de technische documentatie, controleert of het type in overeenstemming daarmee vervaardigd is en identificeert de onderdelen die ontworpen zijn overeenkomstig de relevante bepalingen van de in artikel 5 van de richtlijn bedoelde normen, alsook de onderdelen die zijn ontworpen zonder dat de desbetreffende bepalingen van die normen in acht werden genomen;

4.2. verricht of geeft opdracht tot het verrichten van de passende controles en de noodzakelijke proeven om na te gaan of de door de fabrikant gekozen oplossingen aan de essentiële eisen van de richtlijn voldoen, ingeval de in artikel 5 van de richtlijn bedoelde normen niet zijn toegepast;

4.3. verricht of geeft opdracht tot het verrichten van de passende controles en de noodzakelijke proeven om, ingeval de fabrikant heeft besloten de desbetreffende normen toe te passen, na te gaan of deze ook werkelijk zijn toegepast;

4.4. stelt in overleg met de aanvrager de plaats vast waar de noodzakelijke controles en proeven zullen worden uitgevoerd.

5. Indien het type voldoet aan de bepalingen van de richtlijn, verstrekt de aangemelde instantie een certificaat van EG-typeonderzoek aan de aanvrager. Het certificaat bevat naam en adres van de fabrikant, de conclusies van de controle, de voorwaarden voor de geldigheid van het certificaat en de noodzakelijke gegevens voor de identificatie van het goedgekeurde type.

Een lijst van de belangrijke onderdelen van de technische documentatie wordt als bijlage bij het certificaat gevoegd en een afschrift daarvan wordt door de aangemelde instantie bewaard.

Indien aan de fabrikant een typecertificaat wordt geweigerd, dan geeft de aangemelde instantie de gedetailleerde redenen voor deze weigering op.

6. De aangemelde instantie die in het bezit is van de technische documentatie betreffende het certificaat van EG-typeonderzoek, wordt door de aanvrager in kennis gesteld van alle in het goedgekeurde produkt aangebrachte wijzigingen; voor de betrokken wijzigingen moet aanvullende goedkeuring worden verleend indien zij van invloed kunnen zijn op de overeenstemming met de essentiële eisen of de voor het produkt voorgeschreven gebruiksomstandigheden. Deze aanvullende goedkeuring wordt gegeven in de vorm van een aanvulling op het oorspronkelijke certificaat van EG-typeonderzoek.

7. Iedere aangemelde instantie deelt aan de andere aangemelde instanties een overzicht mee van de verstrekte en ingetrokken certificaten van EG-typeonderzoek en bijbehorende aanvullingen.

8. De overige aangemelde instanties kunnen afschriften van de certificaten van EG-typeonderzoek en/of de aanvullingen krijgen. De bijlagen bij de certificaten worden ter beschikking van de overige aangemelde instanties gehouden.

9. Gedurende ten minste tien jaar na de vervaardiging van het laatste produkt bewaart de fabrikant of zijn gemachtigde naast de technische documentatie ook een afschrift van het certificaat van EG-typeonderzoek en van de aanvullingen daarop.

Indien noch de fabrikant noch zijn gemachtigde in de Gemeenschap is gevestigd, is de persoon die met het in de handel brengen van het produkt in de Gemeenschap is belast, degene die de technische documentatie ter beschikking moet houden.

(*) Een type kan verscheidene produktvarianten omvatten voor zover de verschillen tussen de varianten geen invloed hebben op het veiligheidsniveau en de andere eisen inzake deugdelijkheid van het produkt.

BIJLAGE VIII

OVEREENSTEMMING MET HET TYPE (module C)

1. De fabrikant of zijn in de Gemeenschap gevestigde gemachtigde garandeert en verklaart dat de betrokken produkten in overeenstemming zijn met het type beschreven in het certificaat van EG-typeonderzoek en voldoen aan de eisen van deze richtlijn die op die produkten van toepassing zijn. De fabrikant brengt op ieder produkt de CE-markering aan en stelt een schriftelijke verklaring van overeenstemming op (zie bijlage XV).

2. De fabrikant neemt alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat het fabricageproces waarborgt dat de vervaardigde produkten in overeenstemming zijn met het type beschreven in het certificaat van EG-typeonderzoek en met de desbetreffende eisen van deze richtlijn.

3. Gedurende een periode van ten minste tien jaar na de vervaardiging van het laatste produkt bewaart de fabrikant of zijn gemachtigde een afschrift van de verklaring van overeenstemming.

Indien noch de fabrikant noch zijn gemachtigde in de Gemeenschap is gevestigd, is de persoon die met het in de handel brengen van het produkt in de Gemeenschap is belast, degene die de technische documentatie ter beschikking moet houden (zie bijlage XIII).

BIJLAGE IX

PRODUKTKWALITEITSBORGING (module D)

1. De fabrikant die aan de eisen van punt 2 voldoet, garandeert en verklaart dat de betrokken produkten in overeenstemming zijn met het type als beschreven in het certificaat van EG-typeonderzoek. De fabrikant of zijn in de Gemeenschap gevestigde gemachtigde brengt op ieder produkt de CE-markering aan en stelt een schriftelijke verklaring van overeenstemming op (zie bijlage XV). De CE-markering gaat vergezeld van het identificatienummer van de aangemelde instantie die is belast met het toezicht als omschreven in punt 4.

2. De fabrikant hanteert een goedgekeurd produktiekwaliteitssysteem, verricht een eindproduktcontrole en proeven met het afgewerkte produkt, als omschreven in punt 3, en is onderworpen aan toezicht, als omschreven in punt 4.

3. Kwaliteitssysteem

3.1. De fabrikant dient voor de betrokken produkten bij een aangemelde instantie van zijn keuze een aanvraag om beoordeling van zijn kwaliteitssysteem in.

Deze aanvraag omvat:

- alle relevante informatie voor de bedoelde categorie produkten;

- de documentatie over het kwaliteitssysteem;

- in voorkomend geval, de technische documentatie over het goedgekeurde type (zie bijlage XIII) en een afschrift van het certificaat van EG-typeonderzoek.

3.2. Het kwaliteitssysteem moet waarborgen dat de produkten in overeenstemming zijn met het type als beschreven in het certificaat van EG-typeonderzoek en met de desbetreffende eisen van de richtlijn.

Alle door de fabrikant gevolgde beginselen, eisen en bepalingen moeten systematisch en ordelijk worden aangegeven in een documentatie van schriftelijk vastgelegde maatregelen, procedures en instructies. Deze documentatie over het kwaliteitssysteem dient ervoor te zorgen dat de kwaliteitsprogramma's, -plannen, -handleidingen en -dossiers door iedereen op dezelfde manier worden geïnterpreteerd.

Zij dient met name een behoorlijke beschrijving te bevatten van:

- de kwaliteitsdoelstellingen, het organisatieschema en de verantwoordelijkheden en bevoegdheden van de bedrijfsleiding met betrekking tot de produktkwaliteit;

- de fabricageprocessen, de kwaliteitscontrole- en kwaliteitsborgingstechnieken, alsmede de in dat verband systematisch toe te passen technieken en maatregelen;

- de onderzoeken en proeven die vóór, tijdens en na de fabricage worden verricht en de frequentie waarmee dat zal gebeuren;

- de kwaliteitsrapporten, zoals controleverslagen, keuringsgegevens, ijkgegevens, rapporten betreffende de kwalificatie van het betrokken personeel, enz.;

- de middelen om controle uit te oefenen op de doeltreffende werking van het kwaliteitssysteem.

3.3. De aangemelde instantie beoordeelt het kwaliteitssysteem om na te gaan of dit voldoet aan de in punt 3.2 bedoelde eisen. Zij veronderstelt dat aan deze eisen wordt voldaan wanneer het gaat om kwaliteitssystemen waarbij de desbetreffende geharmoniseerde norm wordt toegepast.

Ten minste één lid van het beoordelingsteam dient ervaring te hebben met het beoordelen van de produkttechnologie in kwestie. De beoordelingsprocedure omvat een evaluatiebezoek aan de installaties van de fabrikant.

De fabrikant wordt van de beslissing in kennis gesteld. De kennisgeving bevat de conclusie van het onderzoek en het met redenen omklede beoordelingsbesluit.

3.4. De fabrikant verbindt zich ertoe de verplichtingen die voortvloeien uit het goedgekeurde kwaliteitssysteem na te komen en ervoor te zorgen dat het passend en doeltreffend blijft.

De aangemelde instantie die het kwaliteitssysteem heeft goedgekeurd, wordt door de fabrikant of zijn gemachtigde op de hoogte gebracht van elke voorgenomen wijziging van het kwaliteitssysteem.

De aangemelde instantie beoordeelt de voorgestelde wijzigingen en beslist of het gewijzigde kwaliteitssysteem nog steeds voldoet aan de in punt 3.2 bedoelde eisen dan wel of een nieuwe beoordeling is vereist.

Zij stelt de fabrikant van haar beslissing in kennis. De kennisgeving bevat de conclusie van het onderzoek en het met redenen omklede beoordelingsbesluit.

4. Toezicht onder verantwoordelijkheid van de aangemelde instantie

4.1. Het toezicht heeft tot doel ervoor te zorgen dat de fabrikant naar behoren voldoet aan de verplichtingen die voortvloeien uit het goedgekeurde kwaliteitssysteem.

4.2. De fabrikant verleent de aangemelde instantie voor controledoeleinden toegang tot de controle-, beproevings- en opslagruimten en verstrekt haar alle nodige informatie, met name

- de documentatie over het kwaliteitssysteem,

- de kwaliteitsrapporten, zoals controleverslagen, keuringsgegevens, ijkgegevens, rapporten betreffende de kwalificatie van het betrokken personeel, enz.

4.3. De aangemelde instantie verricht periodieke controles om erop toe te zien dat de fabrikant het kwaliteitssysteem onderhoudt en toepast en bezorgt de fabrikant een controleverslag.

4.4. De aangemelde instantie kan bovendien onaangekondigde bezoeken brengen aan de fabrikant. Bij die bezoeken kan de aangemelde instantie zo nodig proeven verrichten of laten verrichten om zich van de goede werking van het kwaliteitssysteem te vergewissen; zij verstrekt de fabrikant een verslag van het bezoek en, voor zover van toepassing, een keuringsverslag.

5. De fabrikant houdt gedurende een periode van ten minste tien jaar na de vervaardiging van het laatste produkt de volgende gegevens ter beschikking van de nationale autoriteiten:

- de in punt 3.1, tweede alinea, tweede streepje, bedoelde documentatie;

- de in punt 3.4, tweede alinea, bedoelde aanpassingen;

- de in punt 3.4, laatste alinea, en in de punten 4.3 en 4.4 bedoelde beslissingen en verslagen van de aangemelde instantie.

6. Iedere aangemelde instantie stelt de andere aangemelde instanties in kennis van de ter zake dienende informatie over afgifte en intrekking van kwaliteitssysteemgoedkeuringen.

BIJLAGE X

PRODUKTKEURING (module F)

1. In deze module wordt de procedure beschreven in het kader waarvan de fabrikant of zijn in de Gemeenschap gevestigde gemachtigde garandeert en verklaart dat de aan de bepalingen van punt 3 onderworpen produkten in overeenstemming zijn met het type beschreven in het certificaat van EG-typeonderzoek en voldoen aan de desbetreffende eisen van deze richtlijn.

2. De fabrikant neemt alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat het fabricageproces waarborgt dat de produkten in overeenstemming zijn met het type beschreven in het certificaat van EG-typeonderzoek en met de eisen van de richtlijn die op die produkten van toepassing zijn. De fabrikant of zijn in de Gemeenschap gevestigde gemachtigde brengt op elk produkt de CE-markering aan en stelt een verklaring van overeenstemming op (zie bijlage XV).

3. De aangemelde instantie verricht passende onderzoeken en proeven ten einde via onderzoek en beproeving van ieder afzonderlijk produkt zoals aangegeven in punt 4 dan wel via onderzoek en beproeving op statistische basis, na te gaan of het produkt in overeenstemming is met de eisen van de richtlijn.

3 bis. De fabrikant of zijn gemachtigde bewaart gedurende een periode van ten minste tien jaar na de vervaardiging van het laatste produkt een afschrift van de verklaring van overeenstemming.

4. Keuring door onderzoek en beproeving van ieder afzonderlijk produkt

4.1. Alle produkten worden afzonderlijk onderzocht en er worden passende proeven als omschreven in de in artikel 5 van de richtlijn bedoelde relevante norm(en) of daarmee gelijkstaande proeven verricht, ten einde na te gaan of zij in overeenstemming zijn met het type als beschreven in het certificaat van EG-typeonderzoek en met de desbetreffende eisen van de richtlijn.

4.2. De aangemelde instantie brengt op ieder goedgekeurd produkt haar identificatienummer aan of laat dit doen; tevens stelt zij ten aanzien van de verrichte proeven een schriftelijk certificaat van overeenstemming op.

4.3. De fabrikant of zijn gemachtigde moet in staat zijn de certificaten van overeenstemming van de aangemelde instantie over te leggen indien daarom wordt verzocht.

5. Statistische keuring

5.1. De fabrikant biedt zijn produkten aan in de vorm van homogene partijen en neemt alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat het fabricageproces de homogeniteit van iedere geproduceerde partij waarborgt.

5.2. Alle produkten moeten voor keuring in de vorm van homogene partijen beschikbaar zijn. Van iedere partij wordt een willekeurig monster genomen. De produkten in een monster worden afzonderlijk onderzocht en er worden passende proeven als omschreven in de in artikel 5 van de richtlijn bedoelde relevante norm(en) of daarmee gelijkstaande proeven uitgevoerd, ten einde de overeenstemming met de desbetreffende eisen van de richtlijn te controleren en te bepalen of de partij wordt goed- dan wel afgekeurd.

5.3. Bij de statistische procedure wordt gebruik gemaakt van de volgende elementen:

- de toe te passen statistische methode,

- het bemonsteringsschema met de karakteristieke werkwijze.

5.4. Indien een partij wordt goedgekeurd, brengt de aangemelde instantie op ieder produkt haar identificatienummer aan of laat dit doen; tevens stelt zij ten aanzien van de verrichte proeven een schriftelijke verklaring van overeenstemming op. Alle produkten van de partij mogen in de handel worden gebracht, behalve de produkten van het monster die niet in overeenstemming worden bevonden.

Indien een partij wordt afgekeurd, neemt de bevoegde aangemelde instantie passende maatregelen om te voorkomen dat die partij in de handel wordt gebracht. Ingeval het vaak voorkomt dat partijen worden afgekeurd, kan de aangemelde instantie de statistische keuring staken.

De fabrikant mag onder verantwoordelijkheid van de aangemelde instantie tijdens het fabricageproces het identificatienummer van die instantie aanbrengen.

5.5. De fabrikant of zijn gemachtigde moet in staat zijn de certificaten van overeenstemming van de aangemelde instantie over te leggen, indien daarom wordt verzocht.

BIJLAGE XI

EENHEIDSKEURING (module G)

1. In deze module wordt de procedure beschreven in het kader waarvan de fabrikant garandeert en verklaart dat het betrokken produkt waarvoor het in punt 2 bedoelde certificaat is afgegeven, in overeenstemming is met de eisen van de richtlijn die op die produkten van toepassing zijn. De fabrikant of zijn in de Gemeenschap gevestigde gemachtigde brengt op het produkt de CE-markering aan en stelt een verklaring van overeenstemming op (zie bijlage XV).

2. De aangemelde instantie onderzoekt het produkt en voert passende proeven als omschreven in de in artikel 5 van de richtlijn bedoelde relevante norm(en) of daarmee gelijkstaande proeven uit ten einde de overeenstemming van het produkt met de desbetreffende eisen van deze richtlijn te controleren.

De aangemelde instantie brengt haar identificatienummer op het goedgekeurde produkt aan of laat dit doen; tevens stelt zij ten aanzien van de verrichte proeven een certificaat van overeenstemming op.

3. Op basis van de technische documentatie moet kunnen worden beoordeeld of het produkt in overeenstemming is met de eisen van de richtlijn en moet inzicht kunnen worden verkregen in het ontwerp, het fabricageproces en de werking van het produkt (zie bijlage XIII).

BIJLAGE XII

VOLLEDIGE KWALITEITSBORGING (module H)

1. In deze module wordt de procedure beschreven in het kader waarvan de fabrikant die aan de eisen van punt 2 voldoet, garandeert en verklaart dat de betrokken produkten voldoen aan de eisen van de richtlijn die op die produkten van toepassing zijn. De fabrikant of zijn in de Gemeenschap gevestigde gemachtigde brengt op ieder produkt de CE-markering aan en stelt een schriftelijke verklaring van overeenstemming op (zie bijlage XV). De CE-markering gaat vergezeld van het identificatienummer van de aangemelde instantie die is belast met het toezicht als omschreven in punt 4.

2. De fabrikant hanteert een goedgekeurd kwaliteitssysteem voor ontwerp, fabricage, eindproduktcontrole en keuring als omschreven in punt 3 en is onderworpen aan het toezicht omschreven in punt 4.

3. Kwaliteitssysteem

3.1. De fabrikant dient bij een aangemelde instantie een aanvraag voor beoordeling van zijn kwaliteitssysteem in.

Deze aanvraag omvat:

- alle relevante informatie voor de bedoelde categorie produkten;

- de documentatie over het kwaliteitssysteem.

3.2. Het kwaliteitssysteem moet waarborgen dat de produkten in overeenstemming zijn met de eisen van de richtlijn die daarop van toepassing zijn.

Alle door de fabrikant gevolgde beginselen, eisen en bepalingen moeten systematisch en ordelijk worden aangegeven in een documentatie van schriftelijk vastgelegde beleidslijnen, procedures en instructies. Deze documentatie over het kwaliteitssysteem dient ervoor te zorgen dat de kwaliteitsprogramma's, -plannen, -handleidingen en -rapporten door iedereen op dezelfde manier worden geïnterpreteerd.

Zij dient met name een behoorlijke beschrijving te bevatten van:

- de kwaliteitsdoelstellingen, het organisatieschema en de verantwoordelijkheden en bevoegdheden van de bedrijfsleiding met betrekking tot ontwerp- en produktkwaliteit,

- de technische ontwerp-specificaties, met inbegrip van de normen die worden toegepast en, indien de in artikel 5 van de richtlijn bedoelde normen niet volledig worden toegepast, de middelen die zullen worden aangewend om te waarborgen dat wordt voldaan aan de fundamentele eisen van de richtlijn die op de produkten van toepassing zijn,

- de controle- en keuringstechnieken voor het ontwerp, de procédés en systematische maatregelen die zullen worden toegepast bij het ontwerpen van de produkten die onder de bedoelde produktcategorie vallen,

- de daarbij gebruikte fabricage-, kwaliteitscontrole- en kwaliteitsborgingstechnieken en -procédés en de in dat verband systematisch toe te passen maatregelen,

- de onderzoeken en proeven die vóór, tijdens en na de fabricage worden verricht en de frequentie waarmee dat zal gebeuren,

- de kwaliteitsdossiers, zoals controleverslagen, keuringsgegevens, ijkgegevens, rapporten betreffende de kwalificatie van het betrokken personeel, enz.,

- de middelen om controle uit te oefenen op het bereiken van de vereiste ontwerp- en produktkwaliteit en de doeltreffende werking van het kwaliteitssysteem.

3.3. De aangemelde instantie beoordeelt het kwaliteitssysteem om na te gaan of dit voldoet aan de in punt 3.2 bedoelde eisen. Zij veronderstelt dat aan deze eisen wordt voldaan wanneer het gaat om kwaliteitssystemen waarbij de desbetreffende geharmoniseerde norm (EN 29001) wordt toegepast.

Ten minste één lid van het beoordelingsteam dient, als assessor, ervaring te hebben met het beoordelen van de technologie in kwestie. De beoordelingsprocedure omvat een inspectiebezoek aan de installaties van de fabrikant.

De fabrikant wordt van de beslissing in kennis gesteld. De kennisgeving bevat de conclusies van het onderzoek en het met redenen omklede beoordelingsbesluit.

3.4. De fabrikant verbindt zich ertoe de verplichtingen die voortvloeien uit het goedgekeurde kwaliteitssysteem na te komen en ervoor te zorgen dat het passend en doeltreffend blijft.

De aangemelde instantie die het kwaliteitssysteem heeft goedgekeurd, wordt door de fabrikant of zijn gemachtigde op de hoogte gebracht van elke voorgenomen wijziging van het kwaliteitssysteem.

De aangemelde instantie beoordeelt de voorgestelde wijzigingen en beslist of het gewijzigde kwaliteitssysteem nog steeds voldoet aan de in punt 3.2 bedoelde eisen dan wel of een nieuwe beoordeling noodzakelijk is.

Zij stelt de fabrikant van haar beslissing in kennis. De kennisgeving bevat de conclusie van het onderzoek en het met redenen omklede beoordelingsbesluit.

4. EG-toezicht onder verantwoordelijkheid van de aangemelde instantie

4.1. Het toezicht heeft tot doel ervoor te zorgen dat de fabrikant naar behoren voldoet aan de verplichtingen die voortvloeien uit het goedgekeurde kwaliteitssysteem.

4.2. De fabrikant verleent de aangemelde instantie voor controledoeleinden toegang tot de ontwerp-, fabricage-, controle-, beproevings- en opslagruimten en verstrekt haar alle nodige informatie, met name

- de documentatie over het kwaliteitssysteem;

- de kwaliteitsdossiers die in het kader van het ontwerp-gedeelte van het kwaliteitssysteem moeten worden opgemaakt, zoals resultaten van analyses, berekeningen, keuringen, enz.;

- de kwaliteitsdossiers die in het kader van het fabricagegedeelte van het kwaliteitssysteem moeten worden opgemaakt, zoals controleverslagen, keuringsgegevens, ijkgegevens, rapporten betreffende de kwalificatie van het betrokken personeel, enz.

4.3. De aangemelde instantie verricht periodieke controles om erop toe te zien dat de fabrikant het kwaliteitssysteem onderhoudt en toepast en bezorgt de fabrikant een controleverslag.

4.4. De aangemelde instantie kan bovendien onaangekondigd bezoeken brengen aan de fabrikant. Bij die bezoeken kan de aangemelde instantie zo nodig proeven verrichten of laten verrichten om zich van de goede werking van het kwaliteitssysteem te vergewissen. Zij verstrekt de fabrikant een verslag van het bezoek en, voor zover van toepassing, een keuringsverslag.

5. De fabrikant houdt gedurende een periode van ten minste tien jaar na de vervaardiging van het laatste produkt de volgende gegevens ter beschikking van de nationale autoriteiten:

- de in punt 3.1, tweede alinea, tweede streepje, bedoelde documentatie;

- de in punt 3.4, tweede alinea, bedoelde aanpassingen;

- de in punt 3.4, laatste alinea, en in de punten 4.3 en 4.4 bedoelde beslissingen en verslagen van de aangemelde instantie.

6. Iedere aangemelde instantie stelt de andere aangemelde instanties in kennis van de ter zake dienende informatie over afgifte en intrekking van kwaliteitssysteemgoedkeuringen.

BIJLAGE XIII

DOOR DE FABRIKANT GELEVERDE TECHNISCHE DOCUMENTATIE

De in de bijlagen V, VII, VIII, IX en XI bedoelde technische documentatie moet de middelen aangeven die door de fabrikant zijn gebruikt om te garanderen dat de onderdelen of vaartuigen aan de desbetreffende essentiële eisen voldoen of alle relevante gegevens ter zake bevatten.

De technische documentatie moet inzicht mogelijk maken in het ontwerp, het fabricageproces en de werking van het produkt en het ook mogelijk maken te beoordelen of aan de eisen van de richtlijn is voldaan.

De technische documentatie omvat, voor zover dat voor de beoordeling noodzakelijk is:

- een algemene beschrijving van het produkt,

- ontwerp- en fabricagetekeningen, alsmede schema's van delen, onderdelen, leidingen, enz.,

- beschrijvingen en toelichtingen die nodig zijn voor het begrijpen van genoemde tekeningen en schema's en van de werking van het produkt,

- een lijst van de in artikel 5 van de richtlijn bedoelde normen die geheel of gedeeltelijk zijn toegepast en een beschrijving van de oplossingen die zijn gekozen om aan de essentiële eisen van de richtlijn te voldoen ingeval de in artikel 5 van de richtlijn bedoelde normen niet zijn toegepast,

- de resultaten van de verrichte berekeningen voor het ontwerp, van de onderzoeken, enz.,

- de keuringsrapporten of de berekeningen, met name betreffende de stabiliteit volgens punt 3.2 van de essentiële eisen en het drijfvermogen volgens punt 3.3 van de essentiële eisen.

BIJLAGE XIV

MINIMUMCRITERIA VOOR DE AANWIJZING VAN DE AAN TE MELDEN INSTANTIES DOOR DE LID-STATEN

1. De instantie, de directeur daarvan en het met de keuring belaste personeel mogen niet de ontwerper, de fabrikant, de leverancier of de installateur zijn van de onderdelen of vaartuigen die zij keuren, noch de gemachtigde van een der genoemde personen. Zij mogen bij het ontwerpen, de bouw, de verkoop of het onderhoud van deze onderdelen of vaartuigen noch rechtstreeks noch als gemachtigde optreden. Een eventuele uitwisseling van technische informatie tussen fabrikant en instantie wordt door deze bepaling niet uitgesloten.

2. De instantie en het personeel dat met de keuringen is belast, dienen de keuring uit te voeren met de grootste mate van beroepsintegriteit en technische bekwaamheid; zij dienen vrij te zijn van elke pressie en beïnvloeding, met name van financiële aard, die hun beoordeling of de uitslagen van hun keuring kan beïnvloeden, inzonderheid van personen of groepen van personen die bij de resultaten van de keuring belang hebben.

3. De instantie dient te beschikken over het nodige personeel en de nodige middelen om de met de uitvoering van de keuringen verbonden technische en administratieve taken naar behoren te vervullen; tevens dient de instantie toegang te hebben tot het nodige materiaal voor bijzondere keuringen.

4. Het personeel dat met de keuringen is belast dient:

- een goede technische en beroepsopleiding te hebben genoten;

- een behoorlijke kennis te bezitten van de voorschriften betreffende de keuringen die het verricht en voldoende ervaring met deze keuringen te hebben;

- de vereiste bekwaamheid te bezitten om op grond van de verrichte keuringen certificaten, processen-verbaal en rapporten op te stellen.

5. De onafhankelijkheid van het personeel dat met de keuringen is belast dient te zijn gewaarborgd. De bezoldiging van de functionarissen mag niet afhangen van het aantal keuringen dat zij verrichten, noch van de uitslag van deze keuringen.

6. De instantie dient een verzekering tegen wettelijke aansprakelijkheid te sluiten, tenzij deze wettelijke aansprakelijkheid op basis van het nationale recht door de Staat wordt gedekt of de keuringen rechtstreeks door de Lid-Staat worden verricht.

7. Het personeel van de instantie is gebonden aan het beroepsgeheim ten aanzien van al hetgeen het bij de uitoefening van zijn taak in het kader van de richtlijn of van de bepalingen van intern recht die daaraan uitvoering geven, ter kennis is gekomen (behalve tegenover de ter zake bevoegde overheidsinstanties van de Staat waarin de instantie haar werkzaamheden uitoefent).

BIJLAGE XV

SCHRIFTELIJKE VERKLARING VAN OVEREENSTEMMING

1. De schriftelijke verklaring van overeenstemming met de bepalingen van de richtlijn vergezelt:

- het pleziervaartuig en wordt bij de handleiding (bijlage I, punt 2.5) gevoegd;

- de onderdelen als bedoeld in bijlage II.

2. De schriftelijke verklaring van overeenstemming behelst de volgende gegevens (1):

- naam en adres van de fabrikant of zijn in de Gemeenschap gevestigde gemachtigde (2);

- beschrijving van het pleziervaartuig (3);

- verwijzing naar de desbetreffende geharmoniseerde normen die zijn toegepast of verwijzing naar de kenmerken waarop de verklaring van overeenstemming betrekking heeft;

- in voorkomend geval, referentie van het door een aangemelde instantie afgegeven certificaat van EG-typeonderzoek;

- in voorkomend geval, naam en adres van de aangemelde instantie;

- identiteit van de ondertekenaar die bevoegd is om de fabrikant of zijn in de Gemeenschap gevestigde gemachtigde te binden.

(1) En is in de in bijlage I, punt 2.5, bedoelde taal/talen gesteld.

(2) Naam, volledig adres; in het geval van een gemachtigde worden eveneens de naam en het adres van de fabrikant opgegeven.

(3) Beschrijving van het betrokken produkt: merk, type, serienummer (in voorkomend geval).

Top