EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 31993L0006

Richtlijn 93/6/EEG van de Raad van 15 maart 1993 inzake de kapitaaltoereikendheid van beleggingsondernemingen en kredietinstellingen

OJ L 141, 11.6.1993, p. 1–26 (ES, DA, DE, EL, EN, FR, IT, NL, PT)
Special edition in Finnish: Chapter 06 Volume 004 P. 58 - 82
Special edition in Swedish: Chapter 06 Volume 004 P. 58 - 82
Special edition in Czech: Chapter 06 Volume 002 P. 16 - 42
Special edition in Estonian: Chapter 06 Volume 002 P. 16 - 42
Special edition in Latvian: Chapter 06 Volume 002 P. 16 - 42
Special edition in Lithuanian: Chapter 06 Volume 002 P. 16 - 42
Special edition in Hungarian Chapter 06 Volume 002 P. 16 - 42
Special edition in Maltese: Chapter 06 Volume 002 P. 16 - 42
Special edition in Polish: Chapter 06 Volume 002 P. 16 - 42
Special edition in Slovak: Chapter 06 Volume 002 P. 16 - 42
Special edition in Slovene: Chapter 06 Volume 002 P. 16 - 42
Special edition in Bulgarian: Chapter 06 Volume 002 P. 89 - 115
Special edition in Romanian: Chapter 06 Volume 002 P. 89 - 115

No longer in force, Date of end of validity: 19/07/2006; opgeheven door 32006L0049 . Latest consolidated version: 13/04/2005

ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/1993/6/oj

31993L0006

Richtlijn 93/6/EEG van de Raad van 15 maart 1993 inzake de kapitaaltoereikendheid van beleggingsondernemingen en kredietinstellingen

Publicatieblad Nr. L 141 van 11/06/1993 blz. 0001 - 0026
Bijzondere uitgave in het Fins: Hoofdstuk 6 Deel 4 blz. 0058
Bijzondere uitgave in het Zweeds: Hoofdstuk 6 Deel 4 blz. 0058


RICHTLIJN 93/6/EEG VAN DE RAAD van 15 maart 1993 inzake de kapitaaltoereikendheid van beleggingsondernemingen en kredietinstellingen

DE RAAD VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, inzonderheid op artikel 57, lid 2, eerste en derde zin,

Gezien het voorstel van de Commissie (1),

In samenwerking met het Europees Parlement (2),

Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité (3),

Overwegende dat het hoofddoel van Richtlijn 93/22/EEG van de Raad van 10 mei 1993 betreffende het verrichten van diensten op het gebied van beleggingen in effecten (4) is, beleggingsondernemingen waaraan door de bevoegde autoriteiten van hun Lid-Staat van herkomst vergunning is verleend en waarop door deze autoriteiten toezicht wordt gehouden, toe te staan in andere Lid-Staten bijkantoren te vestigen en daar vrij diensten te verrichten; dat genoemde richtlijn derhalve voorziet in cooerdinatie van de regels betreffende de vergunningverlening aan en de bedrijfsvoering van beleggingsondernemingen;

Overwegende dat in genoemde richtlijn echter geen gemeenschappelijke voorschriften voor het eigen vermogen van beleggingsondernemingen en evenmin bedragen voor het aanvangskapitaal van dergelijke ondernemingen worden vastgesteld; dat zij ook geen gemeenschappelijk kader biedt voor de bewaking van de risico's die deze ondernemingen lopen; dat zij wel, in verscheidene bepalingen, naar een ander communautair initiatief verwijst, dat juist strekt tot het nemen van gecooerdineerde maatregelen op deze gebieden;

Overwegende dat de gevolgde benadering erin bestaat alleen de essentiële harmonisatie tot stand te brengen welke noodzakelijk en voldoende is om de wederzijdse erkenning van de vergunningen en van de stelsels van bedrijfseconomisch toezicht tot stand te brengen; dat het nemen van maatregelen tot cooerdinatie van de definitie van het eigen vermogen van beleggingsondernemingen, de vaststelling van de bedragen van het aanvangskapitaal en van een gemeenschappelijk kader voor de bewaking van de risico's die beleggingsondernemingen lopen, essentiële punten vormen van de harmonisatie die nodig is voor het bereiken van wederzijdse erkenning in het kader van de interne financiële markt;

Overwegende dat het passend is voor het aanvangskapitaal verschillende bedragen vast te stellen naar gelang van de werkzaamheden waarvoor beleggingsondernemingen vergunning hebben verkregen;

Overwegende dat reeds bestaande beleggingsondernemingen onder bepaalde voorwaarden moet worden toegestaan hun bedrijf voort te zetten, ook indien zij niet aan het voor nieuwe ondernemingen vastgestelde minimumvereiste inzake aanvangskapitaal voldoen;

Overwegende dat de Lid-Staten ook stringentere regels dan die van deze richtlijn mogen vaststellen;

Overwegende dat deze richtlijn deel uitmaakt van het bredere internationale streven naar onderlinge aanpassing van de geldende regels met betrekking tot het toezicht op beleggingsondernemingen en kredietinstellingen (hierna te zamen instellingen te noemen);

Overwegende dat gemeenschappelijke basisvoorschriften betreffende het eigen vermogen van instellingen een centraal element vormen van de interne markt in de sector beleggingsdiensten, omdat het eigen vermogen het mogelijk maakt de continuïteit van de instellingen te waarborgen en de beleggers te beschermen;

Overwegende dat de instellingen, ongeacht of dit beleggingsondernemingen of kredietinstellingen zijn, op een gemeenschappelijke financiële markt rechtstreeks met elkaar concurreren;

Overwegende dat het daarom wenselijk is tot een gelijke behandeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen te komen;

Overwegende dat er, wat kredietinstellingen betreft, reeds gemeenschappelijke voorschriften voor het toezicht op en de bewaking van kredietrisico's zijn vastgesteld in Richtlijn 89/647/EEG van de Raad van 18 december 1989 betreffende een solvabiliteitsrisico voor kredietinstellingen (5);

Overwegende dat het noodzakelijk is gemeenschappelijke voorschriften met betrekking tot de door kredietinstellingen gelopen marktrisico's te ontwikkelen en een aanvullend kader te bieden voor het toezicht op de risico's die instellingen lopen, inzonderheid de marktrisico's en, meer in het bijzonder, positie-, afwikkelings/tegenpartij- en valutarisico's;

Overwegende dat het belangrijk is bij het toezicht op het leverings/afwikkelingsrisico rekening te houden met het bestaan van stelsels die goede bescherming bieden waardoor dat risico beperkt wordt;

Overwegende dat het noodzakelijk is het begrip "handelsportefeuille" in te voeren, dat posities in effecten en andere financiële instrumenten omvat die worden aangehouden voor handelsdoeleinden en die hoofdzakelijk aan marktrisico's zijn onderworpen, alsmede risicoposities in verband met bepaalde voor cliënten verrichte financiële diensten;

Overwegende dat het wenselijk is dat instellingen met zowel in absolute als in relatieve zin te verwaarlozen handelsportefeuilleactiviteiten Richtlijn 89/647/EEG kunnen toepassen in plaats van de vereisten van de bijlagen I en II van de onderhavige richtlijn;

Overwegende dat de instellingen in elk geval aan de bepalingen van deze richtlijn moeten voldoen voor wat betreft de dekking van hun valutarisico met betrekking tot hun gehele bedrijf; dat lagere kapitaalvereisten dienen te gelden voor posities in nauw gecorreleerde valuta's, mits de correlatie bevestigd is door statistische gegevens dan wel volgt uit bindende overeenkomsten tussen Staten, inzonderheid in het vooruitzicht van de totstandbrenging van de Europese Monetaire Unie;

Overwegende dat het bestaan, bij alle instellingen, van interne stelsels voor bewaking en beheersing van het renterisico met betrekking tot hun gehele bedrijf een bijzonder belangrijk middel is om dat risico te beperken; dat dergelijke stelsels derhalve aan toetsing door de bevoegde autoriteiten moeten zijn onderworpen;

Overwegende dat Richtlijn 92/121/EEG van de Raad van 21 december 1992 betreffende het toezicht op en de beheersing van grote risico's van kredietinstellingen (6) niet strekt tot het vaststellen van gemeenschappelijke regels voor het toezicht op grote risico's in verband met activiteiten die hoofdzakelijk aan marktrisico's onderworpen zijn; dat in die richtlijn wordt verwezen naar een ander communautair initiatief dat erop gericht is de vereiste cooerdinatie van de methoden op dat gebied tot stand te brengen;

Overwegende dat het noodzakelijk is gemeenschappelijke regels voor toezicht op en beheersing van grote risico's van beleggingsondernemingen vast te stellen;

Overwegende dat voor kredietinstellingen het eigen vermogen reeds is gedefinieerd in Richtlijn 89/299/EEG van de Raad van 17 april 1989 betreffende het eigen vermogen van kredietinstellingen (7);

Overwegende dat voor de definitie van het eigen vermogen van instellingen uitgegaan moet worden van die definitie; dat voor de toepassing van de onderhavige richtlijn echter van de definitie van genoemde richtlijn kan worden afgeweken, ten einde rekening te houden met de specifieke kenmerken van de werkzaamheden van deze instellingen die hoofdzakelijk aan marktrisico's onderworpen zijn;

Overwegende dat in Richltijn 92/30/EEG van de Raad van 6 april 1992 inzake toezicht op kredietinstellingen op geconsolideerde basis (8) het consolidatiebeginsel wordt geponeerd; dat die richtlijn geen gemeenschappelijke regels behelst voor de consolidatie van financiële instellingen met werkzaamheden die hoofdzakelijk aan marktrisico's onderworpen zijn; dat in die richtlijn wordt verwezen naar een ander communautair initiatief dat gericht is op de vaststelling van gecooerdineerde maatregelen op dat gebied;

Overwegende dat Richtlijn 92/30/EEG niet van toepassing is op groepen die (een) beleggingsonderneming(en) maar geen kredietinstelling(en) omvatten; dat het evenwel wenselijk werd geacht een gemeenschappelijk kader te scheppen voor de invoering van toezicht op beleggingsondernemingen op geconsolideerde basis;

Overwegende dat technische aanpassingen van de gedetailleerde bepalingen van deze richtlijn van tijd tot tijd noodzakelijk kunnen zijn om met nieuwe ontwikkelingen op het gebied van beleggingsdiensten rekening te houden; dat de Commissie in voorkomend geval de nodige wijzigingen zal voorstellen;

Overwegende dat de Raad in een latere fase bepalingen dient aan te nemen voor de aanpassing van deze richtlijn aan de vooruitgang van de techniek, overeenkomstig Besluit 87/373/EEG van de Raad van 13 juli 1987 tot vaststelling van de voorwaarden die gelden voor de uitoefening van aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden (9); dat de Raad in afwachting daarvan zelf of op voorstel van de Commissie dergelijke aanpassingen dient te verrichten;

Overwegende dat uiterlijk drie jaar na de datum van toepassing moet worden voorzien in een heronderzoek van deze richtlijn, in het licht van de opgedane ervaring, de ontwikkelingen op de financiële markten en de werkzaamheden in internationale forums van regulerende autoriteiten; dat bij dat heronderzoek ook herziening van de lijst van onderwerpen die voor technische aanpassing in aanmerking komen, aan de orde moet komen;

Overwegende dat deze richtlijn en Richtlijn 93/22/EEG zo nauw bij elkaar aansluiten dat het van kracht worden van beide richtlijnen op verschillende data zou kunnen leiden tot verstoring van de mededingingsvoorwaarden,

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

1. De Lid-Staten passen de vereisten van deze richtlijn toe op beleggingsondernemingen en op kredietinstellingen als omschreven in artikel 2.

2. De Lid-Staten mogen aan de beleggingsondernemingen en kredietinstellingen waaraan zij vergunning hebben verleend, nadere of strengere eisen stellen.

DEFINITIES

Artikel 2

In deze richtlijn wordt verstaan onder:

1. "kredietinstellingen": alle instellingen die voldoen aan de definitie in artikel 1, eerste streepje, van de eerste Richtlijn (77/780/EEG) van de Raad van 12 december 1977 tot cooerdinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen (10), waarop de vereisten uit hoofde van Richtlijn 89/647/EEG van toepassing zijn;

2. "beleggingsondernemingen": alle instellingen die voldoen aan de definitie in artikel 1, punt 2, van Richtlijn 93/22/EEG en waarop de vereisten uit hoofde van diezelfde richtlijn van toepassing zijn, met uitzondering van:

- kredietinstellingen,

- plaatselijke ondernemingen als omschreven in punt 20, en

- ondernemingen die uitsluitend orders van beleggers in ontvangst nemen en doorgeven, zonder dat zij aan cliënten toebehorend geld en/of effecten houden, en daarom ten aanzien van hun cliënten nooit in een debiteurspositie kunnen verkeren;

3. "instellingen": kredietinstellingen en beleggingsondernemingen;

4. "erkende beleggingsondernemingen uit een derde land": ondernemingen die, indien zij in de Gemeenschap waren gevestigd, onder de definitie van beleggingsonderming in punt 2 zouden vallen, en waaraan vergunning is verleend in een derde land, en die onderworpen zijn en zich houden aan voorschriften inzake bedrijfseconomisch toezicht welke door de bevoegde autoriteiten als minstens even streng als de voorschriften van deze richtlijn worden beschouwd;

5. "financiële instrumenten": instrumenten als omschreven in deel B van de bijlage van Richtlijn 93/22/EEG;

6. "handelsportefeuille van een instelling": een portefeuille bestaande uit:

a) de eigen posities in financiële instrumenten die door de instelling voor wederverkoop worden aangehouden en/of worden ingenomen met de bedoeling op korte termijn een voordeel te behalen uit bestaande en/of verwachte verschillen tussen de aankoop- en verkoopprijzen of uit andere koers- of renteschommelingen, en posities in financïele instrumenten uit hoofde van door een tussenpersoon voor eigen rekening verrichte compenserende aan- en verkopen ( "matched principal broking") of posities die worden ingenomen ten einde andere elementen van de handelsportefeuille af te dekken;

b) de risicoposities in verband met niet-afgewikkelde transacties, leveringen zonder tegenprestatie ( "free deliveries") en afgeleide over-the-counter (OTC)-instrumenten als bedoeld in de punten 1, 2, 3 en 5 van bijlage II; de risicoposities in verband met retrocessieovereenkomsten en verstrekte effectenleningen, als bedoeld in punt 4 van bijlage II, welke berusten op overeenkomstig punt a) hierboven in de handelsportefeuille opgenomen effecten, en mits de bevoegde autoriteiten daarmee instemmen, de risicoposities in verband met omgekeerde retrocessieovereenkomsten en opgenomen effectenleningen, beschreven in punt 4 van bijlage II, welke voldoen aan de voorwaarden vermeld onder i), ii), iii) en v), dan wel aan de voorwaarden vermeld onder iv) en v):

i) de risicoposities worden dagelijks tegen marktwaarde gewaardeerd volgens de procedure van bijlage II;

ii) de zekerheid wordt aangepast om rekening te houden met veranderingen van betekenis in de waarde van de effecten waarop de overeenkomst of effectenleningstransactie in kwestie berust, overeenkomstig een voor de bevoegde autoriteiten aanvaardbare regel;

iii) in de overeenkomst of effectenleningstransactie is bepaald dat de vorderingen van de instelling automatisch en onmiddellijk worden gecompenseerd met de vorderingen van de tegenpartij, indien deze in gebreke blijft;

iv) de overeenkomst of effectenleningstransactie in kwestie wordt aangegaan tussen professionele partijen;

v) een dergelijke overeenkomst of effectenleningstransactie wordt uitsluitend aangegaan in de gebruikelijke en passende omstandigheden; kunstmatige transacties, vooral die welke geen korte-termijntransacties zijn, zijn uitgesloten; en

c) de risicoposities in de vorm van provisie, courtage, rente, dividend en marges met betrekking tot aan een beurs verhandelde afgeleide instrumenten, welke rechtstreeks verband houden met de in de portefeuille opgenomen elementen, als bedoeld in punt 6 van bijlage II.

Het al dan niet opnemen van welbepaalde elementen in de handelsportefeuille geschiedt volgens objectieve procedures, waaronder in voorkomend geval de bij de betrokken instelling gehanteerde boekhoudkundige normen; op deze procedures en de consequente toepassing ervan wordt door de bevoegde autoriteiten toezicht gehouden;

7. "moederonderneming", "dochteronderneming" en "financiële instelling" worden gedefinieerd overeenkomstig artikel 1 van Richtlijn 92/30/EEG;

8. "financiële holding": een financiële instelling waarvan de dochterondernemingen uitsluitend of hoofdzakelijk kredietinstellingen, beleggingsondernemingen of andere financiële instellingen zijn, met dien verstande dat ten minste één van die dochterondernemingen een kredietinstelling of beleggingsonderneming is;

9. "risicowegingsfactoren": de kredietrisicograden die van toepassing zijn op de tegenpartijen in kwestie overeenkomstig Richtlijn 89/647/EEG. Aan activa in de vorm van vorderingen en andere risicoposities op beleggingsondernemingen of op erkende beleggingsondernemingen uit een derde land en risicoposities op erkende clearinginstellingen en beurzen wordt evenwel dezelfde wegingsfactor toegekend als die welke wordt toegekend wanneer de tegenpartij in kwestie een kredietinstelling is;

10. "afgeleide over-the-counter-instrumenten (OTC-instrumenten)": rente- en valutacontracten als beschreven in bijlage II van Richtljn 89/647/EEG en op aandelen gebaseerde contracten buiten de balanstelling, op voorwaarde dat deze contracten niet worden verhandeld op een erkende beurs waar een dagelijkse margeverplichting geldt, en dat, in het geval van valutacontracten, de oorspronkelijke looptijd meer dan 14 kalenderdagen bedraagt;

11. "gereglementeerde markt": markt die voldoet aan de omschrijving van artikel 1, punt 13, van Richtlijn 93/22/EEG;

12. "gekwalificeerde posten": lange en korte posities in activa als bedoeld in artikel 6, lid 1, onder b), van Richtlijn 89/647/EEG en in schuldinstrumenten uitgegeven door beleggingsondernemingen of door erkende beleggingsondernemingen uit een derde land. De uitdrukking heeft ook betrekking op lange en korte posities in schuldinstrumenten, indien deze instrumenten aan de volgende voorwaarden voldoen: zij zijn genoteerd op ten minste één gereglementeerde markt van een Lid-Staat of aan een effectenbeurs in een derde land, mits die beurs door de bevoegde autoriteiten van de betrokken Lid-Staat is erkend, én de betrokken instelling beschouwt de instrumenten als voldoende liquide, en de graad van het aan deze instrumenten verbonden debiteurenrisico is, gelet op de solvabiliteit van de emittent, vergelijkbaar met, of lager dan die van de activa bedoeld in artikel 6, lid 1, onder b), van Richtlijn 89/647/EEG; de bevoegde autoriteiten oefenen toezicht uit op de wijze waarop de instrumenten worden beoordeeld, en wijzen de evaluatie van de instelling af indien aan de betrokken instrumenten naar hun oordeel een te hoog debiteurenrisico verbonden is om als gekwalificeerde posten te kunnen worden beschouwd.

Onverminderd het voorgaande punt staat het de bevoegde autoriteiten, in afwachting van een verdere cooerdinatie, vrij om als gekwalificeerde posten die instrumenten aan te merken die voldoende liquide zijn en waaraan, gelet op de solvabiliteit van de emittent, een graad van debiteurenrisico verbonden is die vergelijkbaar is met, of lager is dan die van de activa als bedoeld in artikel 6, lid 1, onder b), van Richtlijn 89/647/EEG. Het aan deze instrumenten verbonden debiteurenrisico moet op een zodanig niveau zijn gewaardeerd door ten minste twee door de bevoegde autoriteiten erkende credit-ratinginstellingen, dan wel door één dergelijke credit-ratinginstelling, mits aan deze instrumenten door een andere door de bevoegde autoriteiten erkende credit-ratinginstelling geen lagere waardering is toegekend.

De bevoegde autoriteiten mogen evenwel afzien van toepassing van de in de voorgaande zin gestelde voorwaarden indien zij deze ongeschikt achten, bij voorbeeld gelet op de kenmerken van de markt, de emittent, of de emissie, dan wel een combinatie van deze kenmerken.

Tevens verlangen de bevoegde autoriteiten van de instellingen dat zij de maximumwegingsfactor van tabel 1, punt 14, van bijlage I toepassen op effecten waaraan wegens ontoereikende solvabiliteit van de emittent en/of ontoereikende liquiditeit een bijzonder risico verbonden is.

De bevoegde autoriteiten van elke Lid-Staat verstrekken aan de Raad en aan de Commissie regelmatig informatie over de methoden die voor de waardering van gekwalificeerde posten worden gehanteerd, inzonderheid de methoden om de graad van liquiditeit van de emissie en de solvabiliteit van de emittent te evalueren;

13. "posten centrale overheid": lange en korte posities in de activa als bedoeld in artikel 6, lid 1, onder a), van Richtlijn 89/647/EEG, en activa waarvoor krachtens artikel 7 van die zelfde richtlijn een wegingsfactor 0 % geldt;

14. "converteerbaar waardepapier": een waardepapier dat naar keuze van de houder tegen een ander waardepapier, gewoonlijk een aandeel van de emittent, kan worden ingeruild;

15. "warrant": een instrument dat de houder het recht geeft om tot het einde van de looptijd van de "warrant" tegen een vastgestelde prijs een aantal gewone aandelen of obligaties te kopen. De afwikkeling kan plaatsvinden door levering van de waardepapieren zelf of het equivalent daarvan in geldmiddelen;

16. "gedekte warrant": een door een ander lichaam dan de emittent van het onderliggend instrument uitgegeven instrument dat de houder het recht geeft om tot het einde van de looptijd van de warrant tegen een vastgestelde prijs een aantal gewone aandelen of obligaties te kopen, of het recht om winst vast te leggen of verlies te vermijden op grond van schommelingen in een index betreffende een van de financiële instrumenten vermeld in deel B van de bijlage van Richtlijn 93/22/EEG;

17. "retrocessieovereenkomst" en "omgekeerde retrocessieovereenkomst": een overeenkomst waarbij een instelling of haar tegenpartij effecten of gegarandeerde rechten betreffende de eigendom van effecten overdraagt, mits die garantie is gegeven door een erkende beurs die houder is van de rechten betreffende de effecten, en de overeenkomst een instelling niet toestaat een bepaald effect aan meer dan één tegenpartij tegelijkertijd over te dragen of toe te zeggen, onder de verbintenis deze effecten (of vervangende effecten met dezelfde kenmerken) tegen een vastgestelde prijs op een door de overdragende instelling bepaald of te bepalen tijdstip in de toekomst terug te kopen, wordt aangemerkt als een "retrocessieovereenkomst" voor een instelling die de effecten verkoopt, en een "omgekeerde retrocessieovereenkomst" voor de instelling die de effecten koopt.

Een omgekeerde retrocessieovereenkomst wordt als een transactie tussen professionele partijen beschouwd wanneer de tegenpartij onderworpen is aan prudentiële cooerdinatie op communautair niveau of een kredietinstelling van zone A is als omschreven in Richtljn 89/647/EEG, of een erkende beleggingsonderneming uit een derde land, of wanneer de overeenkomst is gesloten met een erkende clearinginstelling of beurs;

18. "verstrekte effectenlening" en "opgenomen effectenlening": een transactie waarbij een instelling of haar tegenpartij effecten overdraagt tegen een passende zekerheid, onder de verbintenis dat de leningnemer op een tijdstip in de toekomst of wanneer de overdragende instelling daarom verzoekt, gelijkwaardige effecten teruglevert, wordt aangemerkt als een "verstrekte effectenlening" voor de instelling die de effecten overdraagt, en een "opgenomen effectenlening" voor de instelling waaraan de effecten worden overgedragen.

Een opgenomen effectenlening wordt beschouwd als een transactie tussen professionele partijen wanneer de tegenpartij onderworpen is aan prudentiële cooerdinatie op communautair niveau of een kredietinstelling van zone A is in de zin van Richtlijn 89/647/EEG, of een erkende beleggingsonderneming uit een derde land of wanneer de transactie is verricht met een erkende clearinginstelling of beurs;

19. "clearing member": een lid van de beurs en/of van de clearinginstelling dat met de centrale tegenpartij ( "market guarantor") een rechtstreekse contractuele verhouding heeft. Niet-clearing members moeten voor hun handel een beroep doen op een clearing member;

20. "plaatselijke onderneming": een onderneming die op een beurs voor financiële futures of voor opties alleen voor eigen rekening of voor rekening van andere leden van dezelfde beurs handelt of deze laatsten een prijs geeft, en die door een clearing member van dezelfde beurs wordt gegarandeerd. De verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de door dergelijke ondernemingen gesloten contracten berust bij een clearing member van dezelfde beurs, en met deze contracten moet rekening worden gehouden bij de berekening van de totale kapitaalvereisten voor het clearing member, zolang de posities van de plaatselijke onderneming volledig gescheiden zijn van die van het clearing member;

21. "delta": de verwachte verandering van een optieprijs als evenredig deel van een geringe verandering in de prijs van het onderliggende instrument;

22. "lange positie" voor de toepassing van bijlage I, punt 4: een positie waarin een instelling de op een bepaald tijdstip in de toekomst te ontvangen rente heeft vastgelegd en "korte positie": een positie waarin een instelling de op een bepaald tijdstip in de toekomst te betalen rente heeft vastgelegd;

23. "eigen vermogen": het eigen vermogen als omschreven in Richtlijn 89/299/EEG. Deze definitie kan echter worden gewijzigd onder de voorwaarden van bijlage V;

24. "aanvangskapitaal": posten als omschreven in artikel 2, lid 1, punten 1 en 2, van Richtlijn 89/299/EEG;

25. "oorspronkelijk eigen vermogen": de som van de activa als omschreven in artikel 2, lid 1, punten 1, 2 en 4, minus de som van de activa in de punten 9, 10 en 11, van Richtlijn 89/299/EEG;

26. "kapitaal": het eigen vermogen;

27. "gewijzigde duration": berekend volgens de formule in bijlage I, punt 26.

AANVANGSKAPITAAL

Artikel 3

1. De beleggingsondernemingen die geld en/of waardepapieren van cliënten onder zich houden, moeten een aanvangskapitaal van 125 000 ecu hebben als zij een of meer van de volgende diensten verrichten:

- het ontvangen en doorgeven van orders van beleggers met betrekking tot financiële instrumenten;

- het uitvoeren van orders van beleggers met betrekking tot financiële instrumenten;

- het beheren van persoonlijke beleggingsportefeuilles van financiële instrumenten,

mits zij zelf geen transacties met financiële instrumenten voor eigen rekening verrichten of emissies van financiële instrumenten met plaatsingsgarantie overnemen.

Het houden van posities in financiële instrumenten buiten de handelsportefeuille om eigen middelen te beleggen, wordt niet beschouwd als het verrichten van transacties in de zin van de eerste alinea of in het kader van lid 2.

De bevoegde autoriteiten mogen beleggingsondernemingen die orders van beleggers met betrekking tot financiële instrumenten uitvoeren, evenwel toestaan deze instrumenten voor eigen rekening te houden mits:

- dergelijke posities uitsluitend het resultaat zijn van het feit dat de beleggingsonderneming niet bij machte is de ontvangen order exact af te sluiten,

- de totale marktwaarde van deze posities niet meer dan 15 % van het aanvangskapitaal van de onderneming vertegenwoordigt,

- de onderneming voldoet aan de in de artikelen 4 en 5 bedoelde vereisten, en

- deze posities een incidenteel en voorlopig karakter hebben en strikt beperkt blijven tot de tijd die voor de uitvoering van de bewuste transactie nodig is.

2. De Lid-Staten mogen het in lid 1 gestelde niveau tot 50 000 ecu verlagen indien de onderneming niet over een vergunning beschikt om geld of effecten van cliënten te houden, transacties voor eigen rekening te verrichten, of emissies met plaatsingsgarantie over te nemen.

3. Alle andere beleggingsondernemingen moeten een aanvangskapitaal van 730 000 ecu hebben.

4. De ondernemingen bedoeld in artikel 2, punt 2, tweede en derde streepje, moeten een aanvangskapitaal van 50 000 ecu hebben voor zover zij vrijheid van vestiging genieten of diensten verrichten overeenkomstig artikel 14 en/of artikel 15 van Richtlijn 93/22/EEG.

5. Onverminderd de leden 1 tot en met 4 mogen de Lid-Staten de vergunning handhaven voor beleggingsondernemingen en onder lid 4 vallende ondernemingen die vóór het van kracht worden van deze richtlijn bestonden, en waarvan het eigen vermogen geringer is dan de in de leden 1 tot en met 4 genoemde bedragen van het aanvangskapitaal. Het eigen vermogen van al deze ondernemingen mag niet kleiner worden dan het hoogste referentieniveau dat sinds de datum van kennisgeving van deze richtlijn is berekend. Het referentieniveau is het daggemiddelde van het eigen vermogen, berekend over de zes maanden voorafgaande aan de datum van berekening. Dit referentieniveau wordt om de zes maanden berekend voor de overeenkomstige voorafgaande periode.

6. Indien de zeggenschap over een beleggingsonderneming die onder lid 5 valt, wordt verworven door een andere natuurlijke of rechtspersoon dan die welke voordien de zeggenschap over de onderneming uitoefende, dient het eigen vermogen van deze onderneming ten minste gelijk te zijn aan de in de leden 1 tot en met 4 gestelde niveaus, behalve in de volgende situaties:

i) in het geval van de eerste overdracht door vererving na het van kracht worden van de richtlijn, onder voorbehoud van goedkeuring door de bevoegde autoriteiten en gedurende niet meer dan tien jaar na het plaatsvinden van de overdracht;

ii) in het geval van wijziging van een partner in een partnership voor zover ten minste één van de partners op de datum van toepassing van de richtlijn in de partnership blijft en gedurende niet meer dan tien jaar na de datum van toepassing van de richtlijn.

7. In welbepaalde omstandigheden evenwel, en met instemming van de bevoegde autoriteiten, behoeft bij een fusie tussen twee of meer beleggingsondernemingen en/of onder lid 4 vallende ondernemingen, het eigen vermogen van de onderneming die het resultaat van de fusie is, niet de in de leden 1 tot en met 4 gestelde niveaus te bereiken. Gedurende de periode dat de in de leden 1 tot en met 4 gestelde niveaus niet zijn bereikt, mag het eigen vermogen van de nieuwe onderneming echter niet minder bedragen dan het totaal van de eigen vermogens van de gefuseerde ondernemingen op het tijdstip van de fusie.

8. Het eigen vermogen van beleggingsondernemingen en onder lid 4 vallende ondernemingen mag niet kleiner worden dan de in de leden 1 tot en met 5 en 7 gestelde niveaus. Als dit evenwel toch gebeurt, kunnen de bevoegde autoriteiten, indien de omstandigheden zulks rechtvaardigen, die ondernemingen een beperkte termijn toestaan om aan deze eis te voldoen dan wel hun werkzaamheden te beëindigen.

VOORZIENING VOOR RISICO'S

Artikel 4

1. De bevoegde autoriteiten schrijven voor dat instellingen doorlopend over een eigen vermogen moeten beschikken dat ten minste gelijk is aan de som van:

i) de kapitaalvereisten berekend overeenkomstig de bijlagen I, II en VI met betrekking tot hun handelsportefeuille;

ii) de kapitaalvereisten berekend overeenkomstig bijlage III met betrekking tot hun gehele bedrijf;

iii) de kapitaalvereisten als bedoeld in Richtlijn 89/647/EEG met betrekking tot hun gehele bedrijf, met uitzondering van de handelsportefeuille en de niet-liquide activa indien deze overeenkomstig punt 2, onder d), van bijlage V op het eigen vermogen in mindering worden gebracht;

iv) het kapitaalvereiste als bedoeld in lid 2.

Ongeacht het bedrag van de kapitaalvereisten als bedoeld in de punten i) tot en met iv) mag het vereiste eigen vermogen van beleggingsondernemingen in geen geval lager zijn dan het in bijlage IV vastgestelde niveau.

2. De bevoegde autoriteiten schrijven voor dat instellingen over toereikend eigen vermogen moeten beschikken ter dekking van de risico's in verband met werkzaamheden die buiten de werkingssfeer van zowel deze richtlijn als Richtlijn 89/647/EEG vallen en die als gelijkaardig beschouwd worden met de risico's waarop die richtlijnen betrekking hebben.

3. Indien het eigen vermogen van een instelling lager wordt dan het overeenkomstig lid 1 berekende vereiste bedrag, zien de bevoegde autoriteiten erop toe dat de bewuste instelling passende maatregelen treft om zo spoedig mogelijk aan het vereiste te voldoen.

4. De bevoegde autoriteiten schrijven voor dat instellingen moeten beschikken over systemen voor de bewaking en beheersing van het renterisico met betrekking tot hun gehele bedrijf, welke systemen aan toetsing door de bevoegde autoriteiten zijn onderworpen.

5. Instellingen dienen ten genoegen van hun bevoegde autoriteiten aan te tonen dat zij over passende systemen beschikken om te allen tijde hun financiële positie redelijk nauwkeurig te kunnen berekenen.

6. Onverminderd lid 1 kunnen de bevoegde autoriteiten instellingen toestaan de kapitaalvereisten voor hun handelsportefeuilleactiviteiten te berekenen overeenkomstig Richtlijn 89/647/EEG in plaats van overeenkomstig de bijlagen I en II van de onderhavige richtlijn, mits

i) de handelsportefeuilleactiviteiten van deze instellingen normaal niet meer dan 5 % van hun totale bedrijf uitmaken,

ii) het totaal van de handelsportefeuilleposities normaal niet meer bedraagt dan 15 miljoen ecu, en

iii) de handelsportefeuilleactiviteiten van deze instellingen nooit meer dan 6 % van hun totale bedrijf uitmaken en het totaal van hun handelsportefeuilleposities nooit meer dan 20 miljoen ecu bedraagt.

7. Om het aandeel van de handelsportefeuilleactiviteiten ten opzichte van het totale bedrijf, als bedoeld in lid 6, onder i) en iii), te berekenen, mogen de bevoegde autoriteiten zich baseren op hetzij het gecombineerde bedrag van de posten in en buiten balanstelling, hetzij de winst- en verliesrekening, hetzij het eigen vermogen van de betrokken instellingen, of een combinatie daarvan. Bij de berekening van de omvang van de activiteiten in en buiten balanstelling worden schuldinstrumenten gewaardeerd tegen marktprijs of tegen nominale waarde, aandelen tegen marktprijs en afgeleide instrumenten tegen nominale waarde of marktwaarde van de onderliggende instrumenten. Lange en korte posities worden samengevoegd, ongeacht of zij positief of negatief zijn.

8. Indien een instelling voor langere tijd een van beide of beide in lid 6, onder i) en ii), gestelde grenswaarden overschrijdt of een van beide of beide in lid 6, onder iii), gestelde grenswaarden overschrijdt, moet zij met betrekking tot haar handelsportefeuilleactiviteiten voldoen aan het vereiste van lid 1, onder i), en niet aan de vereisten van Richtlijn 89/647/EEG, en moet zij de bevoegde autoriteit daarvan in kennis stellen.

BEWAKING EN BEHEERSING VAN GROTE RISICO'S

Artikel 5

1. Instellingen dienen hun grote risico's te bewaken en te beheersen overeenkomstig Richtlijn 92/121/EEG.

2. Onverminderd lid 1 dienen instellingen die de kapitaalvereisten met betrekking tot hun handelsportefeuille overeenkomstig de bijlagen I en II berekenen, hun grote risico's te bewaken en te beheersen overeenkomstig Richtlijn 92/121/EEG, behoudens de in bijlage VI van de onderhavige richtlijn neergelegde wijzigingen.

WAARDERING VAN POSITIES VOOR RAPPORTAGE- DOELEINDEN

Artikel 6

1. Instellingen dienen hun handelsportefeuilles dagelijks tegen marktwaarde te waarderen, tenzij zij onder artikel 4, lid 6, vallen.

2. Bij ontstentenis van direct beschikbare marktprijzen, bij voorbeeld indien het nieuwe emissies op de primaire markten betreft, behoeven de bevoegde autoriteiten het vereiste van lid 1 niet toe te passen, en mogen zij voorschrijven dat de instellingen andere waarderingsmethoden gebruiken, mits deze methoden voldoende voorzichtig zijn en door de bevoegde autoriteiten zijn goedgekeurd.

TOEZICHT OP GECONSOLIDEERDE BASIS

Artikel 7

Algemene beginselen

1. De in de artikelen 4 en 5 bedoelde kapitaalvereisten voor instellingen die noch moederondernemingen, noch dochterondernemingen van moederondernemingen zijn, worden toegepast op niet-geconsolideerde basis.

2. De in de artikelen 4 en 5 bedoelde vereisten voor:

- instellingen met een kredietinstelling in de zin van Richtlijn 92/30/EEG, een beleggingsonderneming of een andere financiële instelling als dochteronderneming, of met een deelneming in een dergelijk lichaam, en

- instellingen waarvan de moederonderneming een financiële holding is,

worden toegepast op geconsolideerde basis overeenkomstig de methoden van genoemde richtlijn en de leden 7 tot en met 14 van de onderhavige richtlijn.

3. Wanneer een groep die onder lid 2 valt geen kredietinstelling omvat, is Richtlijn 92/30/EEG van toepassing, met de volgende aanpassingen:

- een "financiële holding" is een financiële instelling waarvan de dochterondernemingen uitsluitend of hoofdzakelijk beleggingsondernemingen of andere financiële instellingen zijn, en waarvan ten minste één dochteronderneming een beleggingsonderneming is;

- een "gemengde holding" is een moederonderneming die noch een financiële holding, noch een beleggingsonderneming is en die onder haar dochterondernemingen ten minste één beleggingsonderneming telt;

- "bevoegde autoriteiten" zijn de nationale autoriteiten die op grond van wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen bevoegd zijn om op beleggingsondernemingen toezicht uit te oefenen;

- alle verwijzingen naar "kredietinstellingen" worden vervangen door verwijzingen naar "beleggingsondernemingen";

- artikel 3, lid 5, tweede alinea, van Richtlijn 92/30/EEG is niet van toepassing;

- in artikel 4, leden 1 en 2, en artikel 7, lid 5, van Richtlijn 92/30/EEG wordt elke verwijzing naar Richtlijn 77/780/EEG vervangen door een verwijzing naar Richtlijn 93/22/EEG;

- in artikel 3, lid 9, en artikel 8, lid 3, van Richtlijn 92/30/EEG wordt elke verwijzing naar het "Raadgevend Comité voor het bankwezen" of het "Raadgevend Comité" vervangen door een verwijzing naar de Raad en de Commissie;

- de eerste zin van artikel 7, lid 4, van Richtlijn 92/30/EEG wordt als volgt gelezen:

"Indien een beleggingsonderneming, een financiële holding of een gemengde holding zeggenschap heeft over een of meer dochterondernemingen die verzekeringsondernemingen zijn, werken de bevoegde autoriteiten nauw samen met de autoriteiten die van overheidswege belast zijn met het toezicht op verzekeringsondernemingen.".

4. De bevoegde autoriteiten die belast zijn met de uitoefening van het toezicht op geconsolideerde basis op onder lid 3 vallende groepen, kunnen, in afwachting van verdere cooerdinatie van het geconsolideerde toezicht op dergelijke groepen en indien de omstandigheden zulks rechtvaardigen, ontheffing van deze verplichting verlenen, mits elke beleggingsonderneming in een dergelijke groep:

i) de in punt 9 van bijlage V gegeven definitie van het eigen vermogen toepast;

ii) op niet-geconsolideerde basis voldoet aan de kapitaalvereisten van de artikelen 4 en 5;

iii) systemen invoert voor bewaking en beheersing van de bronnen van eigen en vreemd vermogen van alle andere financiële instellingen binnen de groep.

5. De bevoegde autoriteiten verlangen dat beleggingsondernemingen in een groep waarvoor de in lid 4 bedoelde ontheffing geldt, hen in kennis stellen van de risico's, met inbegrip van die welke samenhangen met de samenstelling en de bronnen van eigen en vreemd vermogen, die de financiële positie van deze ondernemingen in gevaar kunnen brengen. Indien de bevoegde autoriteiten dan van oordeel zijn dat de financiële positie van deze beleggingsondernemingen onvoldoende beschermd is, verlangen zij dat deze ondernemingen maatregelen treffen, zo nodig met inbegrip van beperkingen van de overdracht van kapitaal van deze ondernemingen naar de lichamen binnen de groep.

6. Wanneer de bevoegde autoriteiten ontheffing verlenen van de verplichting van toezicht op geconsolideerde basis overeenkomstig lid 4, moeten zij andere passende maatregelen nemen voor het toezicht op de risico's, met name grote risico's, van de gehele groep, met inbegrip van die ondernemingen die niet in een van de Lid-Staten zijn gevestigd.

7. De Lid-Staten kunnen ervan afzien de in de artikelen 4 en 5 bedoelde vereisten op niet-geconsolideerde of gesubconsolideerde basis toe te passen op instellingen die als moederonderneming aan toezicht op geconsolideerde basis onderworpen zijn, en op elke dochteronderneming van een dergelijke instelling die voor vergunning en toezicht onder deze Lid-Staat ressorteert en die is opgenomen in het toezicht op geconsolideerde basis op de instelling die haar moederonderneming is.

Deze ontheffing kan ook worden toegestaan wanneer de moederonderneming een financiële holding is die haar zetel in dezelfde Lid-Staat heeft als de instelling, mits zij aan hetzelfde toezicht is onderworpen als kredietinstellingen of beleggingsondernemingen, en met name aan de vereisten van de artikelen 4 en 5.

In beide bovenstaande gevallen moeten, wanneer van de ontheffing gebruik wordt gemaakt, maatregelen worden genomen met het oog op een adequate verdeling van het eigen vermogen binnen de groep.

8. Wanneer een instelling waarvan de moederonderneming zelf een instelling is, vergunning heeft verkregen en gelegen is in een andere Lid-Staat, passen de bevoegde autoriteiten die de vergunning verleend hebben, op die instelling de voorschriften van de artikelen 4 en 5 toe op niet-geconsolideerde basis, of in voorkomend geval op gesubconsolideerde basis.

9. Onverminderd lid 8 mogen de bevoegde autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de vergunningverlening aan de dochteronderneming van een moederonderneming die een instelling is, bij bilateraal akkoord hun verantwoordelijkheid voor het toezicht op de kapitaaltoereikendheid en de grote risico's van de dochteronderneming overdragen aan de bevoegde autoriteiten die vergunning hebben verleend aan en toezicht uitoefenen op de moederonderneming. De Commissie moet over het bestaan en de inhoud van dergelijke akkoorden worden ingelicht. Zij deelt deze informatie mee aan de bevoegde autoriteiten van de andere Lid-Staten alsmede aan het Raadgevend Comité voor het bankwezen en aan de Raad, behoudens in het geval van groepen die onder lid 3 vallen.

Berekening van de geconsolideerde vereisten

10. Wanneer geen gebruik wordt gemaakt van de in de leden 7 en 9 bedoelde ontheffing, mogen de bevoegde autoriteiten voor de berekening van de kapitaalvereisten (bijlage I) en de risisco's met betrekking tot cliënten (bijlage VI) op geconsolideerde basis, compensatie toestaan van netto-posities in de handelsportefeuille van een andere instelling overeenkomstig de voorschriften van respectievelijk de bijlagen I en VI.

Zij mogen ook toestaan dat onder bijlage III vallende valutaposities bij één instelling worden gecompenseerd met onder bijlage III vallende valutaposities bij een andere instelling, overeenkomstig de voorschriften van bijlage III.

11. De bevoegde autoriteiten mogen ook compensatie toestaan met betrekking tot de handelsportefeuille- en valutaposities van in derde landen gevestigde ondernemingen, mits tegelijkertijd wordt voldaan aan de onderstaande voorwaarden:

i) aan die ondernemingen is vergunning verleend in een derde land en zij beantwoorden aan de definitie van kredietinstelling in artikel 1, eerste streepje, van Richtlijn 77/780/EEG, of zijn erkende beleggingsondernemingen uit een derde land;

ii) die ondernemingen voldoen op niet-geconsolideerde basis aan kapitaalvereisten die gelijkwaardig zijn aan de kapitaalvereisten van deze richtlijn;

iii) in de betrokken landen bestaan geen voorschriften met aanzienlijke gevolgen voor de overdracht van middelen binnen de groep.

12. De bevoegde autoriteiten mogen tevens toestemming verlenen voor compensatie als beschreven in lid 10, tussen instellingen binnen een groep waaraan in de betrokken Lid-Staat vergunning is verleend, op voorwaarde dat:

i) er binnen de groep een adequate verdeling van kapitaal is;

ii) het reglementaire, juridische en/of contractuele kader waarbinnen de instellingen werken wederzijdse financiële ondersteuning binnen de groep waarborgt.

13. Bovendien mogen de bevoegde autoriteiten compensatie als beschreven in lid 10 toestaan tussen instellingen binnen een groep die voldoen aan de voorwaarden van lid 12 en elke instelling binnen die zelfde groep waaraan in een andere Lid-Staat vergunning is verleend, op voorwaarde dat die instelling verplicht is op niet-geconsolideerde basis te voldoen aan de haar door de artikelen 4 en 5 opgelegde kapitaalvereisten.

Definitie van geconsolideerd eigen vermogen

14. Voor de berekening van het eigen vermogen op geconsolideerde basis is artikel 5 van Richtlijn 89/299/EEG van toepassing.

15. De bevoegde autoriteiten die belast zijn met de uitoefening van het toezicht op geconsolideerde basis, mogen de specifieke definities van eigen vermogen welke overeenkomstig bijlage V voor de betrokken instellingen gelden, als toepasselijk bij de berekening van hun geconsolideerd eigen vermogen aanmerken.

RAPPORTAGEVERPLICHTINGEN

Artikel 8

1. De Lid-Staten schrijven voor dat beleggingsondernemingen en kredietinstellingen aan de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staat van herkomst alle nodige gegevens verstrekken om te beoordelen of zij voldoen aan de regels die ingevolge deze richtlijn zijn vastgesteld. De Lid-Staten dragen er tevens zorg voor dat de interne controlemechanismen en de administratieve en boekhoudprocedures van de instellingen het mogelijk maken te allen tijde na te gaan of aan deze regels wordt voldaan.

2. Beleggingsondernemingen dienen verplicht te zijn aan de bevoegde autoriteiten, op de door deze autoriteiten voorgeschreven wijze, verslag uit te brengen, en wel ten minste eenmaal per maand in het geval van ondernemingen als bedoeld in artikel 3, lid 3, ten minste eens in de drie maanden in het geval van de onder artikel 3, lid 1, vallende ondernemingen, en ten minste eens in de zes maanden in het geval van de onder artikel 3, lid 2, vallende ondernemingen.

3. Onverminderd lid 2 hoeven de onder artikel 3, leden 1 en 3, vallende beleggingsondernemingen de gegevens op geconsolideerde of op gesubconsolideerde basis slechts eens in de zes maanden te verstrekken.

4. Kredietinstellingen dienen verplicht te zijn aan de bevoegde autoriteiten op de door deze autoriteiten voorgeschreven wijze verslag uit te brengen met dezelfde frequentie als voor hun rapportageverplichtingen ingevolge Richtlijn 89/647/EEG.

5. De bevoegde autoriteiten verplichten instellingen ertoe om hen onmiddellijk in kennis te stellen van gevallen waarin hun tegenpartijen bij retrocessieovereenkomsten en omgekeerde retrocessieovereenkomsten of bij verstrekte en opgenomen effectenleningen in gebreke blijven. De Commissie brengt uiterlijk drie jaar na de in artikel 12 bedoelde datum bij de Raad verslag uit over die gevallen en over de gevolgen daarvan voor de behandeling van dergelijke overeenkomsten en effectenleningstransacties in deze richtlijn. In dat verslag wordt ook uiteengezet op welke wijze instellingen voldoen aan de voorwaarden i) tot en met v) van artikel 2, punt 6, onder b), welke op die instellingen van toepassing zijn, en meer bepaald aan voorwaarde v). Voorts worden in dat verslag nadere gegevens verstrekt over eventuele veranderingen in de relatieve omvang van de door de instellingen verstrekte traditionele leningen en de leningen die zij verstrekken via omgekeerde retrocessieovereenkomsten en opgenomen effectenleningen. Indien de Commissie op grond van dit verslag en van andere informatie concludeert dat verdere waarborgen nodig zijn om misbruiken te voorkomen, dient zij passende voorstellen in.

BEVOEGDE AUTORITEITEN

Artikel 9

1. De Lid-Staten wijzen de autoriteiten aan die de in deze richtlijn omschreven taken moeten vervullen. Zij stellen de Commissie van deze aanwijzing in kennis, onder vermelding van een eventuele taakverdeling.

2. De in lid 1 bedoelde autoriteiten moeten overheidsinstanties zijn of lichamen die bij de nationale wetgeving of door overheidsinstanties officieel zijn erkend als deel uitmakend van het in de betrokken Lid-Staat geldende stelsel van toezicht.

3. Aan de betrokken autoriteiten moeten alle benodigde bevoegdheden worden verleend voor de vervulling van hun taken, in het bijzonder met het oog op het toezicht op de samenstelling van de handelsportefeuille.

4. De bevoegde autoriteiten van de onderscheiden Lid-Staten werken nauw samen voor de uitvoering van de in deze richtlijn omschreven taken, in het bijzonder wanneer beleggingsdiensten worden verstrekt in het kader van dienstverrichting of door het vestigen van bijkantoren in een of meer Lid-Staten. Zij verstrekken elkaar op verzoek alle gegevens die het toezicht op de kapitaaltoereikendheid van beleggingsondernemingen en kredietinstellingen, en in het bijzonder het controleren van de naleving van de in deze richtlijn vastgelegde regels kunnen vergemakkelijken. Voor elke uitwisseling van gegevens tussen bevoegde autoriteiten op grond van deze richtlijn geldt, met betrekking tot beleggingsondernemingen, de geheimhoudingsplicht omschreven in artikel 25 van Richtlijn 93/22/EEG en, met betrekking tot kredietinstellingen, de geheimhoudingsplicht omschreven in artikel 12 van Richtlijn 77/780/EEG, als gewijzigd bij Richtlijn 89/646/EEG.

Artikel 10

In afwachting van de aanneming van een volgende richtlijn waarin bepalingen worden vastgesteld tot aanpassing van deze richtlijn aan de technische vooruitgang op de hierna genoemde gebieden, neemt de Raad overeenkomstig Besluit 87/373/EEG, met gekwalificeerde meerderheid op voorstel van de Commissie, de nodige aanpassingen aan:

- verduidelijking van de definities van artikel 2 ten einde een eenvormige toepassing van deze richtlijn in de Gemeenschap te verzekeren,

- verduidelijking van de definities van artikel 2 om rekening te houden met de ontwikkelingen op de financiële markten,

- wijziging van de in artikel 3 vermelde bedragen van het aanvangskapitaal en van het in artikel 4, lid 6, genoemde bedrag om rekening te houden met de ontwikkelingen op economisch en monetair gebied,

- aanpassing van de terminologie aan en formulering van de definities overeenkomstig latere besluiten betreffende instellingen en aanverwante onderwerpen.

OVERGANGSBEPALINGEN

Artikel 11

1. De Lid-Staten mogen vergunning verlenen aan de beleggingsondernemingen vallend onder artikel 30, lid 1, van Richtlijn 93/22/EEG waarvan het eigen vermogen op de datum van toepassing van deze richtlijn lager is dan het bedrag voorgeschreven uit hoofde van artikel 3, leden 1 tot en met 3. Het eigen vermogen van die beleggingsondernemingen moet daarna echter voldoen aan de voorwaarden gesteld in artikel 3, leden 5 tot en met 8.

2. Onverminderd het bepaalde in punt 14 van bijlage I mogen de Lid-Staten met betrekking tot obligaties waaraan uit hoofde van artikel 11, lid 2, van Richtlijn 89/647/EEG in die richtlijn een risicowegingsfactor van 10 % is toegekend, een vereiste voor het specifieke risico vaststellen, dat gelijk is aan de helft van het vereiste voor gekwalificeerde posten met dezelfde resterende looptijd als die obligatie.

SLOTBEPALINGEN

Artikel 12

1. De Lid-Staten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op de datum vastgesteld in artikel 31, tweede alinea, van Richtlijn 93/22/EEG aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

Wanneer de Lid-Staten deze bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen naar de onderhavige richtlijn verwezen of wordt hiernaar verwezen bij de officiële bekendmaking van die bepalingen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de Lid-Staten.

2. De Lid-Staten delen de Commissie de tekst van de belangrijke bepalingen van intern recht mede die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 13

De Commissie dient bij de Raad ten spoedigste voorstellen in voor kapitaalvereisten met betrekking tot de grondstoffenhandel, van grondstoffen afgeleide instrumenten en rechten van deelneming van instellingen voor collectieve belegging.

De Raad spreekt zich uiterlijk zes maanden vóór de datum waarop deze richtlijn van toepassing wordt, uit over de voorstellen van de Commissie.

HERZIENINGSCLAUSULE

Artikel 14

Binnen drie jaar na de in artikel 12 bedoelde datum gaat de Raad, op voorstel van de Commissie, over tot onderzoek en, indien nodig, herziening van de richtlijn in het licht van de ervaring die met de toepassing ervan is opgedaan; daarbij houdt hij rekening met de vernieuwingen op de markt en, in het bijzonder, de ontwikkelingen in de internationale forums van regulerende autoriteiten.

Artikel 15

Deze richtlijn is gericht tot de Lid-Staten.

Gedaan te Brussel, 15 maart 1993.

Voor de Raad

De Voorzitter

M. JELVED

(1) PB nr. C 152 van 21. 6. 1990, blz. 6, en PB nr. C 50 van 25. 2. 1992, blz. 5.(2) PB nr. C 326 van 16. 12. 1991, blz. 89, en PB nr. C 337 van 21. 12. 1992, blz. 114.(3) PB nr. C 69 van 18. 3. 1991, blz. 1.(4) Zie bladzijde 27 van dit Publikatieblad.(5) PB nr. L 386 van 30. 12. 1989, blz. 14. Richtlijn gewijzigd bij Richtlijn 92/30/EEG (PB nr. L 110 van 28. 4. 1992, blz. 52).(6) PB nr. L 29 van 5. 2. 1993, blz. 1.(7) PB nr. L 124 van 5. 5. 1989, blz. 16. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 92/30/EEG (PB nr. L 110 van 24. 9. 1992, blz. 52).(8) PB nr. L 110 van 28. 4. 1992, blz. 52.(9) PB nr. L 197 van 18. 7. 1987, blz. 33.(10) PB nr. L 322 van 17. 12. 1977, blz. 30. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 89/646/EEG (PB nr. L 386 van 30. 12. 1989, blz. 1).

BIJLAGE I

POSITIERISICO

INLEIDING

Saldering

1. Het saldo van de lange (korte) posities van de instelling tegenover haar korte (lange) posities in dezelfde aandelen, schuldinstrumenten en converteerbare waardepapieren en identieke financiële futures, opties, warrants en gedekte warrants, is de netto-positie van de instelling in elk van de verschillende instrumenten. Bij de berekening van de netto-positie staan de bevoegde autoriteiten toe dat posities in afgeleide instrumenten op de in de punten 4 tot en met 7 beschreven wijze behandeld worden als posities in de onderliggende (of virtuele) effecten. Door de instelling gehouden eigen schuldinstrumenten worden niet in aanmerking genomen bij de berekening van het specifieke risico overeenkomstig punt 14.

2. Tussen een converteerbaar waardepapier en een compenserende positie in het onderliggende instrument is geen saldering toegestaan, tenzij de bevoegde autoriteiten een benadering volgen waarbij rekening wordt gehouden met de waarschijnlijkheid van de conversie van een bepaald converteerbaar waardepapier, of een kapitaalvereiste stellen ter dekking van eventuele bij conversie geleden verliezen.

3. Alle netto-posities, ongeacht of zij positief of negatief zijn, moeten voordat zij worden samengevoegd, op dagbasis tegen de geldende contante wisselkoers worden omgerekend in de rapportagevaluta van de instelling.

Specifieke instrumenten

4. Rentefutures, rentetermijncontracten (FRA's) en termijnverbintenissen tot aan- of verkoop van schuldinstrumenten worden behandeld als combinaties van lange en korte posities. Aldus wordt een lange rentefuturepositie behandeld als een combinatie van een schuld die vervalt op de leveringsdatum van het futurecontract en een vordering waarvan de vervaldatum gelijk is aan die van het instrument of de virtuele positie die aan het futurecontract in kwestie ten grondslag liggen. Evenzo wordt een verkocht FRA behandeld als een lange positie die vervalt op de afwikkelingsdatum, verlengd met de contractduur, en een korte positie die vervalt op de afwikkelingsdatum. Zowel de schuld als de vordering worden opgenomen in de kolom "centrale overheid" van tabel 1 in punt 14 voor de berekening van het kapitaalvereiste voor het specifieke risico in verband met rentefutures en FRA's. Een termijnverbintenis tot aankoop van een schuldinstrument wordt behandeld als een combinatie van een schuld die vervalt op de leveringsdatum en een lange (contante) positie in het schuldinstrument zelf. De schuld wordt opgenomen in de kolom "centrale overheid" van tabel 1 voor het specifieke risico en het schuldinstrument in de daarvoor in aanmerking komende kolom in dezelfde tabel. De bevoegde autoriteiten kunnen toestaan dat het kapitaalvereiste voor een ter beurze verhandelde future gelijk is aan de door de beurs verlangde marge, indien zij er ten volle van overtuigd zijn dat deze een nauwkeurige maatstaf van het aan de future verbonden risico vormt en dat de voor de berekening van de marge gebruikte methode gelijkwaardig is aan de berekeningsmethode die in de rest van deze bijlage is omschreven.

5. Opties op rente, schuldinstrumenten, aandelen, aandelenindexen, financiële futures, swaps en valuta's worden voor de toepassing van deze bijlage behandeld alsof het posities zijn die in waarde gelijk zijn aan het bedrag van het onderliggende instrument waarop de optie betrekking heeft, vermenigvuldigd met zijn delta. De aldus berekende posities mogen gesaldeerd worden met compenserende posities in dezelfde onderliggende effecten of daarvan afgeleide instrumenten. De gebruikte delta moet die van de betrokken beurs zijn of de door de bevoegde autoriteiten berekende delta dan wel, indien deze niet beschikbaar is, of voor OTC-opties, de delta welke door de instelling zelf is berekend, mits de bevoegde autoriteiten overtuigd zijn van de redelijkheid van het door de instelling gebruikte model.

De bevoegde autoriteiten mogen evenwel ook voorschrijven dat de instellingen hun delta berekenen volgens een door de bevoegde autoriteiten aangegeven methode.

De bevoegde autoriteiten schrijven voor dat voor de andere aan opties verbonden risico's, afgezien van het deltarisico, dekking aanwezig moet zijn. De bevoegde autoriteiten kunnen toestaan dat het vereiste voor een geschreven op de beurs verhandelde optie gelijk is aan de door de beurs verlangde marge, indien zij er ten volle van overtuigd zijn dat deze een nauwkeurige maatstaf voor het aan de optie verbonden risico vormt, en dat de voor de berekening van de marge gebruikte methode gelijkwaardig is aan de berekeningsmethode die in de rest van deze bijlage voor deze opties is omschreven. Tevens kunnen zij toestaan dat het vereiste voor een gekochte op de beurs verhandelde of OTC-optie gelijk is aan dat voor het onderliggende instrument, met dien verstande dat het daaruit resulterende vereiste niet hoger mag zijn dan de marktwaarde van de optie. Het vereiste voor een geschreven OTC-optie wordt vastgesteld op basis van het onderliggende instrument.

6. Warrants en gedekte warrants worden op dezelfde wijze behandeld als opties in punt 5.

7. Swaps worden met betrekking tot het renterisico op dezelfde basis behandeld als balansinstrumenten. Aldus wordt een renteswap waarbij een instelling een variabele rente ontvangt en een vaste rente betaalt, behandeld als een lange positie in een instrument met variabele rente met een looptijd die gelijk is aan de periode tot de volgende rentevaststelling, en een korte positie in een instrument met vaste rente en met dezelfde looptijd als de swap zelf.

8. Instellingen die het renterisico op afgeleide instrumenten als bedoeld in de punten 4 tot en met 7 op "discounted cash flow"-basis waarderen en beheren, mogen gebruik maken van gevoeligheidsmodellen voor de berekening van de bovengenoemde posities, en dienen daarvan gebruik te maken voor obligaties die over de resterende looptijd, en niet aan het einde daarvan via terugbetaling van de hoofdsom in één termijn worden afgelost. Zowel het model als het gebruik ervan door de instelling moeten door de bevoegde autoriteiten worden goedgekeurd. Deze modellen moeten posities opleveren die dezelfde gevoeligheid voor renteschommelingen hebben als de onderliggende cash flows. Bij de evaluatie van deze gevoeligheid moet worden uitgegaan van onafhankelijke schommelingen in over de gehele rendementscurve bemonsterde renten, waarbij ten minste één gevoeligheidspunt in elk van de in tabel 2 van punt 18 hieronder genoemde looptijdklassen wordt genomen. De posities worden bij de berekening van de kapitaalvereisten in aanmerking genomen overeenkomstig de bepalingen van de punten 15 tot en met 30.

9. Instellingen die geen gebruik maken van modellen overeenkomstig punt 8, mogen in de plaats daarvan, met goedvinden van de bevoegde autoriteiten, posities in afgeleide instrumenten als bedoeld in de punten 4 tot en met 7 als volledig compenserende posities behandelen, mits zij ten minste aan de volgende voorwaarden voldoen:

i) de posities hebben dezelfde waarde en luiden in dezelfde valuta;

ii) de referentierenten (voor posities met variabele rente) of coupons (voor posities met vaste rente) sluiten nauw bij elkaar aan;

iii) de eerstvolgende data van rentevaststelling of, voor vastecouponposities, de resterende looptijden vallen binnen de volgende grenzen samen:

- minder dan een maand: dezelfde dag;

- tussen een maand en een jaar: binnen zeven dagen;

- meer dan een jaar: binnen dertig dagen.

10. De partij die effecten of gegarandeerde rechten inzake de eigendom van effecten overdraagt bij een retrocessieovereenkomst, en de partij die effecten in lening geeft bij een effectenleningstransactie, dient deze effecten te betrekken in de berekening van haar kapitaalvereiste uit hoofde van deze bijlage, mits deze effecten voldoen aan de criteria van artikel 2, punt 6, onder a).

11. Posities in rechten van deelneming van instellingen voor collectieve belegging worden onderworpen aan de kapitaalvereisten van Richtlijn 89/647/EEG, in plaats van aan de positierisicovereisten uit hoofde van deze bijlage.

Specifieke en algemene risico's

12. Het positierisico met betrekking tot een verhandelbaar schuldinstrument of aandeel (of een van een schuldinstrument of een aandeel afgeleid instrument) wordt met het oog op de berekening van het desbetreffende kapitaalvereiste gesplitst in twee componenten. De eerste component betreft het specifieke risico. Dit is het risico van een prijsverandering in het betrokken instrument als gevolg van factoren die verband houden met de emittent ervan of, in het geval van een afgeleid instrument, de emittent van het onderliggende instrument. De tweede component betreft het algemene risico. Dit is het risico van een prijsverandering van het instrument als gevolg van (bij een verhandelbaar schuldinstrument of van een schuldinstrument afgeleid instrument) een wijziging in de rentestand of (bij een aandeel of van een aandeel afgeleid instrument) een algemene koersontwikkeling op de aandelenmarkt die geen verband houdt met enigerlei specifieke aspecten van de betrokken waardepapieren.

VERHANDELBARE SCHULDINSTRUMENTEN

13. De instelling deelt haar netto-posities in naar de valuta's waarin zij luiden en berekent het kapitaalvereiste voor het algemene en het specifieke risico in elke valuta afzonderlijk.

Specifiek risico

14. De instelling brengt haar overeenkomstig punt 1 berekende netto-posities op grond van hun resterende looptijden onder in de desbetreffende categorieën van tabel 1, en vermenigvuldigt deze vervolgens met de wegingsfactoren. Zij bepaalt de som van haar gewogen posities (ongeacht of deze lang of kort zijn) ten einde haar kapitaalvereiste met betrekking tot het specifieke risico te berekenen.

/* Tabellen: zie PB */

Algemeen risico

a) Op grond van de looptijd

15. De procedure voor de berekening van het kapitaalvereiste met betrekking tot het algemene risico bestaat uit twee fasen. Eerst worden alle posities gewogen naar looptijd (zoals uiteengezet in punt 16) ten einde het bedrag van het desbetreffende kapitaalvereiste te berekenen. Vervolgens kan dit vereiste worden verlaagd wanneer een gewogen positie naast een tegengestelde gewogen positie in dezelfde looptijdklasse wordt ingenomen. Verlaging van het vereiste is ook toegestaan wanneer de tegengestelde gewogen posities zich in verschillende looptijdklassen bevinden; de omvang van deze verlaging hangt af van het zich al dan niet in dezelfde zone bevinden van de twee posities alsmede van de concrete zones waarin zij zich bevinden. In totaal zijn er drie zones (groepen van looptijdklassen).

16. De instelling brengt haar netto-posities onder in de desbetreffende looptijdklassen in de tweede of derde kolom van tabel 2 van punt 18. Zij doet dit op grond van resterende looptijden in het geval van vastrentende instrumenten en op grond van de periode tot de volgende rentevaststelling in het geval van instrumenten waarvan de rente vóór de eindvervaldatum kan veranderen. Zij maakt tevens onderscheid tussen schuldinstrumenten met een coupon van 3 % of meer en schuldinstrumenten met een coupon van minder dan 3 %, en deelt deze dienovereenkomstig in in de tweede dan wel de derde kolom van tabel 2. Zij vermenigvuldigt dan elk van deze netto-posities met de wegingsfactor die voor de desbetreffende looptijdklasse is vermeld in de vierde kolom van tabel 2.

17. Vervolgens bepaalt zij de som van de gewogen lange posities en de som van de gewogen korte posities in elke looptijdklasse. Het bedrag ten belope waarvan de eerstgenoemde som in een bepaalde looptijdklasse gelijk is aan de laatstgenoemde som, vormt de gecompenseerde gewogen positie in deze looptijdklasse, terwijl de resterende lange of korte positie de niet-gecompenseerde gewogen positie in deze zelfde looptijdklasse is. Vervolgens wordt het totaal van de gecompenseerde gewogen posities in alle looptijdklassen berekend.

18. De instelling berekent het totaal van de niet-gecompenseerde gewogen lange posities voor de looptijdklassen in elk van de zones in tabel 2, ten einde de niet-gecompenseerde gewogen lange positie voor elke zone te bepalen. Op dezelfde wijze wordt de som van de niet-gecompenseerde gewogen korte posities voor elke looptijdklasse in een bepaalde zone bepaald om te komen tot de niet-gecompenseerde gewogen korte positie voor deze zone. Het deel van de niet-gecompenseerde gewogen lange positie van een bepaalde zone dat gelijk is aan de niet-gecompenseerde gewogen korte positie voor dezelfde zone, is de gecompenseerde gewogen positie voor die zone. Het deel van de niet-gecompenseerde gewogen lange of niet-gecompenseerde gewogen korte positie voor een zone dat niet op deze wijze gecompenseerd kan worden, vormt de niet-gecompenseerde gewogen positie voor die zone.

/* Tabellen: zie PB */

19. Vervolgens wordt het bedrag berekend ten belope waarvan de niet-gecompenseerde gewogen lange (korte) positie in zone 1 gelijk is aan het bedrag van de niet-gecompenseerde gewogen korte (lange) positie in zone 2. Dit bedrag wordt in punt 23 aangeduid als de gecompenseerde gewogen positie tussen de zones 1 en 2. Dezelfde berekening vindt vervolgens plaats voor het resterende deel van de niet-gecompenseerde gewogen positie in zone 2 en de niet-gecompenseerde gewogen positie in zone 3, ten einde de gecompenseerde gewogen positie tussen de zones 2 en 3 te bepalen.

20. De instelling mag desgewenst de volgorde in punt 19 omkeren, dat wil zeggen eerst de gecompenseerde gewogen positie tussen de zones 2 en 3 berekenen en vervolgens die tussen de zones 1 en 2.

21. Ten einde de gecompenseerde gewogen positie tussen de zones 1 en 3 te bepalen, wordt vervolgens bepaald tot welk bedrag het resterende deel van de niet-gecompenseerde gewogen positie in zone 1 gelijk is aan het deel dat voor zone 3 resteert nadat deze zone is gecompenseerd met zone 2.

22. De na de drie afzonderlijke compensatieberekeningen van de punten 19 tot en met 21 resterende posities worden opgeteld.

23. Het kapitaalvereiste voor de instelling wordt berekend als de som van:

a) 10 % van de som van de gecompenseerde gewogen posities in alle looptijdklassen;

b) 40 % van de gecompenseerde gewogen positie in zone 1;

c) 30 % van de gecompenseerde gewogen positie in zone 2;

d) 30 % van de gecompenseerde gewogen positie in zone 3;

e) 40 % van de gecompenseerde gewogen positie tussen de zones 1 en 2, en tussen de zones 2 en 3 (zie punt 19);

f) 150 % van de gecompenseerde gewogen positie tussen de zones 1 en 3;

g) 100 % van de resterende niet-gecompenseerde gewogen posities.

b) Op grond van de "duration"

24. De bevoegde autoriteiten in een Lid-Staat mogen als algemene regel of per geval toestaan dat de instellingen voor de berekening van het kapitaalvereiste voor het algemene risico met betrekking tot verhandelbare schuldinstrumenten een systeem gebruiken dat de "duration" weergeeft in plaats van het systeem dat in de punten 15 tot en met 23 is beschreven, mits zulks consequent geschiedt.

25. In een dergelijk systeem berekent de instelling, uitgaande van de marktwaarde van elk vastrentend schuldinstrument, het rendement tot het einde van de looptijd, dat het impliciete discontopercentage voor dat instrument is. Bij instrumenten met variabele rente berekent de onderneming, uitgaande van de marktwaarde van elk instrument, het rendement op basis van de hypothese dat het kapitaal verschuldigd wordt op het tijdstip dat de rente voor wijziging vatbaar is (voor de eerstvolgende periode).

26. Vervolgens berekent de instelling voor elk schuldinstrument de "gewijzigde duration" op grond van de volgende formule:

waarin

en

r = rendement tot einde van de looptijd (zie punt 25)

Ct = constante betaling in tijd t

m = totale looptijd (zie punt 25)

27. De instelling brengt elk instrument onder in de passende zone van tabel 3 en gaat daarbij uit van de gewijzigde "duration" voor elk instrument.

/* Tabellen: zie PB */

28. De instelling berekent vervolgens de naar duration gewogen positie van elk instrument door de marktwaarde ervan te vermenigvuldigen met de gewijzigde duration en met de veronderstelde renteverandering voor een instrument met die specifieke gewijzigde duration (zie kolom 3 van tabel 3).

29. De instelling bepaalt haar naar duration gewogen lange en haar naar duration gewogen korte posities in elke zone. Het bedrag van de eerstgenoemde posities dat in elke zone door laatstgenoemde posities wordt gecompenseerd, is de gecompenseerde naar duration gewogen positie voor deze zone. De instelling berekent vervolgens de niet-gecompenseerde naar duration gewogen posities voor elke zone. Zij volgt dan de werkwijze die in de punten 19 tot en met 22 voor niet-gecompenseerde gewogen posities is beschreven.

30. Het kapitaalvereiste voor de instelling wordt dan berekend als de som van

a) 2 % van de som van de gecompenseerde naar duration gewogen positie in elke zone;

b) 40 % van de gecompenseerde naar duration gewogen posities tussen de zones 1 en 2 en tussen de zones 2 en 3;

c) 150 % van de gecompenseerde naar duration gewogen posities tussen de zones 1 en 3;

d) 100 % van de resterende niet-gecompenseerde naar duration gewogen posities.

AANDELEN

31. De instelling bepaalt de som van al haar netto - volgens punt 1 - lange posities en van al haar netto korte posities. De som van de twee cijfers is haar totale bruto-positie. Het verschil tussen de twee cijfers is haar totale netto-positie.

Specifiek risico

32. Zij vermenigvuldigt haar totale bruto-positie met 4 % ten einde haar kapitaalvereiste met betrekking tot het specifieke risico te bepalen.

33. Onverminderd punt 32 mogen de bevoegde autoriteiten een kapitaalvereiste voor het specifieke risico toestaan van 2 % in plaats van 4 % voor door een instelling gehouden portefeuilles van aandelen die voldoen aan de volgende voorwaarden:

i) de aandelen mogen niet afkomstig zijn van emittenten die verhandelbare schuldinstrumenten hebben uitgegeven waarvoor momenteel in tabel 1 van punt 14 een vereiste van 8 % geldt;

ii) de aandelen moeten door de bevoegde autoriteiten zeer liquide worden geacht op basis van objectieve criteria;

iii) geen individuele positie mag meer dan 5 % bedragen van de waarde van de totale aandelenportefeuille van de instelling. De bevoegde autoriteiten kunnen evenwel individuele posities van ten hoogste 10 % toestaan op voorwaarde dat het totaal van die posities niet meer dan 50 % van de portefeuille bedraagt.

Algemeen risico

34. Het kapitaalvereiste met betrekking tot het algemene risico is de totale netto-positie vermenigvuldigd met 8 %.

Aandelenindexfutures

35. Aandelenindexfutures, naar de delta gewogen equivalenten van opties in aandelenindexfutures en aandelenindexen, hierna aangeduid met de verzamelnaam "aandelenindexfutures", mogen worden opgesplitst in posities in elk van de daaraan ten grondslag liggende aandelen. Deze posities mogen worden behandeld als onderliggende posities in de desbetreffende aandelen; met goedkeuring van de bevoegde autoriteiten mogen zij derhalve worden gesaldeerd met tegengestelde posities in de onderliggende aandelen zelf.

36. De bevoegde autoriteiten dragen er zorg voor dat een instelling die haar posities in een of meer van de aan een aandelenindexfuture ten grondslag liggende aandelen gesaldeerd heeft met een of meer tegengestelde posities in de aandelenindexfuture zelf, over toereikend kapitaal beschikt ter dekking van het risico van verlies als gevolg van het feit dat de waarde van de future niet exact de ontwikkeling volgt van de waarde van de onderliggende aandelen; hetzelfde geldt wanneer een instelling tegengestelde posities houdt in aandelenindexfutures die wat betreft looptijd en/of samenstelling niet identiek zijn.

37. Onverminderd de punten 35 en 36 geldt voor ter beurze verhandelde aandelenindexfutures die naar het oordeel van de bevoegde autoriteiten op ruim gediversifieerde indices berusten, een kapitaalvereiste van 8 % met betrekking tot het algemene risico, maar geen kapitaalvereiste met betrekking tot het specifieke risico. Deze aandelenindexfutures worden in aanmerking genomen bij de berekening van de totale netto-positie als bedoeld in punt 31, maar buiten beschouwing gelaten bij de berekening van de totale bruto-positie als bedoeld in hetzelfde punt.

38. Indien een aandelenindexfuture niet in onderliggende posities wordt opgesplitst, wordt hij behandeld als één afzonderlijk aandeel. Het specifieke risico met betrekking tot dit afzonderlijke aandeel kan echter buiten beschouwing blijven indien het gaat om een aandelenindexfuture die ter beurze wordt verhandeld en die naar het oordeel van de bevoegde autoriteiten op een ruim gediversifieerde index berust.

OVERNEMING

39. In het geval van overneming van emissies van schuldinstrumenten en aandelen kunnen de bevoegde autoriteiten een instelling toestaan de volgende methode te gebruiken ter berekening van de kapitaalvereisten. Eerst worden de netto-posities berekend door de op grond van een formele overeenkomst bij derden geplaatste of door derden herovergenomen overnemingsposities af te trekken. Vervolgens worden op de netto-posities de volgende verlagingsfactoren toegepast:

- werkdag 0: 100 %

- werkdag 1: 90 %

- werkdagen 2 en 3: 75 %

- werkdag 4: 50 %

- werkdag 5: 25 %

- na werkdag 5: 0 %.

Werkdag 0 is de werkdag waarop de instelling een onherroepelijke verbintenis is aangegaan tot aanvaarding van een bekend aantal waardepapieren tegen een overeengekomen prijs. Tenslotte worden de kapitaalvereisten berekend op basis van de verlaagde overnemingsposities. De bevoegde autoriteiten dragen er zorg voor dat de instelling over voldoende kapitaal beschikt ter dekking van het risico van verlies in het tijdvak tussen het aangaan van de oorspronkelijke verbintenis en werkdag 1.

BIJLAGE II

AFWIKKELINGS-/TEGENPARTIJRISICO

AFWIKKELINGS-/LEVERINGSRISICO

1. In geval van transacties waarbij schuldinstrumenten en aandelen (exclusief retrocessie- en omgekeerde retrocessieovereenkomsten en opgenomen en verstrekte effectenleningen) na de overeengekomen leveringsdata nog niet zijn afgewikkeld, moet een instelling het prijsverschil berekenen waarvoor zij een risico loopt. Dit is het verschil tussen de overeengekomen afwikkelingsprijs voor het betrokken schuldinstrument of aandeel, en de dagkoers daarvan, indien dit verschil voor de instelling een verlies zou kunnen opleveren. Zij moet dit verschil vermenigvuldigen met de passende factor in kolom A van de tabel in punt 2 om haar kapitaalvereiste te berekenen.

2. Onverminderd punt 1 mag een instelling, indien de bevoegde autoriteiten zulks toestaan, haar kapitaalvereisten berekenen door vermeningvuldiging van de overeengekomen afwikkelingsprijs van iedere transactie die tussen 5 en 45 werkdagen na de vastgestelde datum nog niet is afgewikkeld, met de passende factor in kolom B van genoemde tabel. Vanaf 46 werkdagen na de vastgestelde datum is het vereiste 100 % van het prijsverschil waarvoor zij een risico loopt, conform kolom A.

TEGENPARTIJRISICO

Leveringen zonder tegenprestaties "free deliveries"

3.1. Een instelling moet kapitaal tot dekking van het tegenpartijrisico aanhouden indien:

i) zij voor waardepapieren heeft betaald alvorens ze te ontvangen, of waardepapieren heeft geleverd alvorens daarvoor betaling te hebben ontvangen, en

ii) in het geval van grensoverschrijdende transacties, een dag of meer zijn verstreken sedert deze betaling of levering.

3.2. Het kapitaalvereiste bedraagt 8 % van de waarde van de aan de instelling verschuldigde waardepapieren of contanten, vermenigvuldigd met de voor de desbetreffende tegenpartij toepasselijke risicowegingsfactor.

Retrocessie en omgekeerde retrocessieovereenkomsten en verstrekte en opgenomen effectenleningen

4.1. In het geval van retrocessieovereenkomsten en verstrekte effectenleningen op basis van tot de handelsportefeuille behorende effecten, berekent de instelling het verschil tussen de marktwaarde van de effecten en het bedrag van de lening die is opgenomen door de instelling of de marktwaarde van de zekerheid, indien dit verschil positief is. In het geval van omgekeerde retrocesieovereenkomsten en opgenomen effectenleningen berekent de instelling het verschil tussen het bedrag van de door de instelling verstrekte lening of de marktwaarde van de zekerheid en de marktwaarde van de waardepapieren die zij heeft ontvangen, indien dit verschil positief is.

De bevoegde autoriteiten nemen maatregelen opdat de overwaarde aan zekerheid aanvaardbaar is.

Voorts mogen de bevoegde autoriteiten instellingen toestaan het bedrag van de overwaarde aan zekerheid niet te betrekken in de berekeningen als bedoeld in de eerste alinea van dit punt, indien het bedrag van de overwaarde zodanig is gegarandeerd dat de overdragende partij er altijd van verzekerd is dat zij de overwaarde aan zekerheid terugkrijgt in geval van in gebreke blijven van haar tegenpartij.

Opgelopen en nog niet vervallen rente wordt in aanmerking genomen bij de berekening van de marktwaarde van de geleende bedragen en van de zekerheid.

4.2. Het kapitaalvereiste bedraagt 8 % van het uit punt 4.1 resulterende bedrag, vermenigvuldigd met de voor de desbetreffende tegenpartij toepasselijke risicowegingsfactor.

Afgeleide OTC-instrumenten

5. Om het kapitaalvereiste voor hun afgeleide OTC-instrumenten te berekenen passen de instellingen bijlage II van Richtlijn 89/647/EEG toe in het geval van rente- en valutacontracten; gekochte OTC-aandelenopties en gedekte warrants krijgen dezelfde behandeling als die voor valutacontracten in bijlage II van Richtlijn 89/647/EEG.

De op de desbetreffende tegenpartijen toe te passen wegingsfactoren worden bepaald overeenkomstig artikel 2, punt 9, van deze richtlijn.

OVERIGE

6. De kapitaalvereisten van Richtlijn 89/647/EEG zijn van toepassing op posities in de vorm van provisie, courtage, rente, dividend en marges met betrekking tot ter beurze verhandelde future- en optiecontracten die niet onder deze bijlage of onder bijlage I vallen, noch krachtens punt 2, onder d), van bijlage V, in mindering zijn gebracht op het eigen vermogen, en die rechtstreeks verband houden met bestanddelen van de handelsportefeuille.

De op de desbetreffende tegenpartijen toe te passen wegingsfactoren worden bepaald overeenkomstig artikel 2, punt 9, van deze richtlijn.

BIJLAGE III

VALUTARISICO

1. Indien de totale netto positie in vreemde valuta's van een instelling berekend volgens de hieronder omschreven procedure, meer dan 2 % van het totale eigen vermogen van de instelling bedraagt, wordt het verschil met 8 % vermenigvuldigd om het kapitaalvereiste ter dekking van het valutarisico te berekenen.

2. De berekening geschiedt in twee fasen:

3.1. Eerst wordt de netto open positie van de instelling in elke valuta (met inbegrip van de rapportagevaluta) berekend. Deze positie bestaat uit de som van de volgende elementen (positief of negatief):

- de netto contante positie (dat wil zeggen alle activa min alle passiva, met inbegrip van de opgelopen en nog niet vervallen rente, in de betrokken valuta);

- de netto termijnpositie (dat wil zeggen alle te ontvangen bedragen min alle te betalen bedragen in het kader van valuta-termijntransacties, met inbegrip van valutafutures en de hoofdsom bij valutaswaps die niet zijn opgenomen in de contante positie);

- onherroepelijke garanties (en soortgelijke instrumenten) die zeker zullen worden opgevraagd;

- netto toekomstige inkomsten/uitgaven, nog niet vervallen maar reeds volledig afgedekt (naar keuze van de rapporterende instelling en met voorafgaande goedkeuring van de bevoegde autoriteiten mogen hier de netto toekomstige inkomsten/uitgaven worden opgenomen die nog niet in de rekeningen zijn geboekt maar reeds volledig zijn afgedekt door valuta-termijntransacties. Deze keuze moet consequent worden aangehouden);

- het netto delta- (of op delta gebaseerde) equivalent van de totale portefeuille van valutaopties;

- de marktwaarde van andere (dan valuta-) opties;

- posities die een instelling doelbewust heeft ingenomen om valutarisico's voor haar kapitaalratio af te dekken, kunnen bij de berekening van de netto open valutaposities buiten beschouwing worden gelaten. Deze posities mogen geen handelskarakter dragen of moeten van structurele aard zijn, en voor het buiten beschouwing laten ervan, alsook voor wijzigingen in de daarvoor geldende voorwaarden, is de toestemming van de bevoegde autoriteiten vereist. Op dezelfde wijze kan, onder dezelfde voorwaarden als hierboven, te werk worden gegaan voor posities van een instelling die betrekking hebben op posten die reeds bij de berekening van het eigen vermogen zijn afgetrokken.

3.2. Het staat de bevoegde autoriteiten vrij om de instellingen toe te staan bij de berekening van de netto open positie in elke valuta gebruik te maken van de netto actuele waarde.

4. Vervolgens worden de netto korte en lange posities in elke valuta (behalve de rapportagevaluta) tegen de contante koers in de rapportagevaluta omgerekend. Zij worden dan afzonderlijk samengevoegd tot respectievelijk het totaal van de netto korte posities en het totaal van de netto lange posities. Het hoogste van deze twee totalen is de totale netto valutapositie van de instelling.

5. Onverminderd de punten 1 tot en met 4 mogen de bevoegde autoriteiten in afwachting van verdere cooerdinatie voorschrijven of toestaan dat de instellingen voor de toepassing van deze bijlage alternatieve procedures gebruiken.

6. Ten eerste mogen de bevoegde autoriteiten toestaan dat de instellingen ter dekking van posities in nauw gecorreleerde valuta's aan lagere kapitaalvereisten voldoen dan die welke de toepassing van de punten 1 tot en met 4 oplevert. De bevoegde autoriteiten mogen twee valuta's alleen dan als nauw gecorreleerd aanmerken indien het voor ten minste 99 % (bij een waarnemingsperiode van drie jaar) of 95 % (bij een waarnemingsperiode van vijf jaar) waarschijnlijk is dat een eventueel verlies op gelijke en tegengestelde posities in die valuta's gedurende de volgende tien werkdagen niet meer dan 4 % bedraagt van de waarde van de gecompenseerde positie in kwestie (berekend in de rapportagevaluta) - uitgaande van de dagelijkse wisselkoersen in de voorafgaande drie of vijf jaar. Het eigen-vermogenvereiste met betrekking tot de gecompenseerde positie in twee nauw gecorreleerde valuta's bedraagt 4 %, vermenigvuldigd met de waarde van de gecompenseerde positie.

Het kapitaalvereiste met betrekking tot niet-gecompenseerde posities in nauw gecorreleerde valuta's, en alle posities in andere valuta's, bedraagt 8 %, vermenigvuldigd met het totaal van de netto korte of, indien hoger, van de netto lange posities in deze valuta's, na aftrek van de gecompenseerde posities in nauw gecorreleerde valuta's.

7. Ten tweede mogen de bevoegde autoriteiten de instellingen toestaan om voor de toepassing van deze bijlage een andere dan de in de punten 1 tot en met 6 uiteengezette methode toe te passen. Het uit deze methode resulterende kapitaalvereiste moet:

i) meer bedragen dan eventuele verliezen die zich in ten minste 95 % van de voortschrijdende perioden van tien werkdagen in de voorgaande vijf jaar, of anders in ten minste 99 % van de voortschrijdende perioden van tien werkdagen in de voorgaande drie jaar, zouden hebben voorgedaan indien de instelling elke dergelijke periode met haar huidige posities was ingegaan, of

ii) uitgaande van een analyse van de wisselkoersfluctuaties gedurende alle voortschrijdende periodes van tien werkdagen in de voorgaande vijf jaar, in 95 % of meer van de gevallen meer bedragen dan het waarschijnlijke verlies gedurende de eerstvolgende periode van tien werkdagen waarin de valuta's worden gehouden, of anders in 99 % of meer van de gevallen meer bedragen dan dit waarschijnlijk verlies, indien de analyse van de wisselkoersfluctuaties alleen op de voorgaande drie jaar betrekking heeft,

iii) ongeacht het bedrag van i) en ii), meer bedragen dan 2 % van de netto open positie zoals berekend in punt 4.

8. Ten derde mogen de bevoegde autoriteiten de instellingen toestaan om posities in valuta's ten aanzien waarvan een juridisch bindende overeenkomst tussen staten bestaat ter beperking van fluctuaties ten opzichte van andere onder dezelfde overeenkomst vallende valuta's, uit te sluiten van de door hen toegepaste methodes zoals uiteengezet in de punten 1 tot en met 7. De instellingen berekenen hun gecompenseerde posities in die valuta's en passen daarop een kapitaalvereiste toe dat niet lager is dan de helft van de maximaal toegestane fluctuatie die voor de betrokken valuta's in de overeenkomst tussen staten is vastgesteld. Niet-gecompenseerde posities in deze valuta's worden op dezelfde wijze behandeld als andere valuta's.

Onverminderd de eeste alinea mogen de bevoegde autoriteiten toestaan dat het kapitaalvereiste met betrekking tot gecompenseerde posities in valuta's van Lid-Staten die deelnemen aan de tweede fase van de Europese Monetaire Unie, 1,6 % bedraagt, vermenigvuldigd met de waarde van deze gecompenseerde posities.

9. De bevoegde autoriteiten stellen de Raad en de Commissie in voorkomend geval in kennis van de methodes die zij met betrekking tot de punten 6 tot en met 8 voorschrijven of toestaan.

10. De Commissie brengt bij de Raad verslag uit over de in punt 9 bedoelde methodes en doet zo nodig, met inachtneming van de internationale ontwikkelingen, voorstellen voor een meer geharmoniseerde behandeling van het valutarisico.

11. Netto posities in samengestelde valuta's mogen worden opgesplitst in de samenstellende valuta's aan de hand van de geldende quota.

BIJLAGE IV

OVERIGE RISICO'S

Beleggingsondernemingen moeten eigen vermogen aanhouden ten belope van een kwart van hun vaste kosten in het voorafgaande jaar. De bevoegde autoriteiten mogen dit vereiste aanpassen in geval van aanzienlijke wijzigingen in de werkzaamheden van de onderneming sinds het voorgaande jaar. Wanneer de onderneming haar werkzaamheden niet gedurende een volledig jaar heeft uitgeoefend (met inbegrip van de dag van bedrijfsaanvang) bedraagt het vereiste een kwart van het in haar programma van werkzaamheden begrote cijfer voor vaste kosten, tenzij de autoriteiten een aanpassing van dit programma verlangen.

BIJLAGE V

EIGEN VERMOGEN

1. Het eigen vermogen van beleggingsondernemingen en kredietinstellingen wordt gedefinieerd in overeenstemming met Richtlijn 89/299/EEG van de Raad.

Voor de toepassing van deze richtlijn worden beleggingsondernemingen die niet een van de rechtsvormen hebben als bedoeld in artikel 1, lid 1, van de vierde Richtlijn (78/660/EEG) van de Raad van 25 juli 1978 op de grondslag van artikel 54, lid 3, onder g), van het Verdrag betreffende de jaarrekening van bepaalde vennootschapsvormen (1), toch geacht onder het toepassingsgebied te vallen van Richtlijn 86/635/EEG van de Raad van 8 december 1986 betreffende de jaarrekening en de geconsolideerde jaarrekening van banken en andere financiële instellingen (2).

2. Onverminderd punt 1 mogen de bevoegde autoriteiten de instellingen die moeten voldoen aan de in de bijlagen I, II, III, IV en VI gestelde eigen-vermogensvereisten, toestaan een alternatieve definitie van het eigen vermogen te hanteren ter voldoening aan uitsluitend deze verplichtingen. Van het aldus berekende eigen vermogen mag geen bestanddeel tegelijkertijd worden gebruikt om aan andere kapitaalvereisten te voldoen. Deze alternatieve definitie omvat de onderstaande bestanddelen a) plus b) plus c) minus d); de aftrek van dit bestanddeel wordt ter keuze van de bevoegde autoriteiten gelaten:

a) het eigen vermogen als gedefinieerd in Richtlijn 89/299/EEG, met uitsluiting van alleen de bestanddelen 12 en 13 van artikel 2, lid 1, van die richtlijn voor beleggingsondernemingen die onderstaand bestanddeel d) van het totaal van de bestanddelen a), b) en c) moeten aftrekken;

b) de nettowinst uit de handelsportefeuille van de instelling, na aftrek van alle te verwachten lasten en voorzieningen voor dividenden, min de nettoverliezen over de rest van haar bedrijf, mits geen van deze bedragen reeds in aanmerking is genomen in bestanddeel a) overeenkomstig artikel 2, lid 1, punt 2 of 11, van Richtlijn 89/299/EEG;

c) achtergestelde leningen, en/of de in punt 5 vermelde bestanddelen, met inachtneming van de in de punten 3 tot en met 7 hieronder vermelde voorwaarden;

d) niet-liquide activa als omschreven in punt 8.

3. De in punt 2, onder c), bedoelde achtergestelde leningen moeten een oorspronkelijke looptijd van ten minste twee jaar hebben. Zij moeten volledig gestort zijn en de leningovereenkomst mag geen clausule bevatten op grond waarvan de schuld onder bepaalde omstandigheden, met uitzondering van de liquidatie van de instelling, vóór de overeengekomen aflossingsdatum moet worden afgelost, tenzij de bevoegde autoriteiten daarmee instemmen. Noch de hoofdsom, noch de interest van deze achtergestelde leningen mogen worden afgelost indien zulks zou betekenen dat het eigen vermogen van de betrokken instelling tot minder dan 100 % van het totale vereiste voor de instelling zou dalen.

Daarenboven stellen de instellingen de bevoegde autoriteiten in kennis van alle aflossingen op deze achtergestelde leningen zodra het eigen vermogen van de instelling tot onder de 120 % van het totale vereiste voor de instelling daalt.

4. De in punt 2, onder c), bedoelde achtergestelde leningen mogen niet meer belopen dan maximaal 150 % van het oorspronkelijke eigen vermogen dat resteert om te voldoen aan de vereisten van de bijlagen I, II, III, IV en VI en mogen dit maximum uitsluitend benaderen in voor de betrokken autoriteiten aanvaardbare bijzondere omstandigheden.

5. De bevoegde autoriteiten mogen instellingen toestaan om de in de punten 3 en 4 bedoelde achtergestelde leningen te vervangen door de bestanddelen bedoeld in artikel 2, lid 1, punten 3, 5, 6, 7 en 8 van Richtlijn 89/299/EEG.

6. De bevoegde autoriteiten mogen beleggingsondernemingen toestaan de in punt 4 gestelde grenswaarde voor achtergestelde leningen te overschrijden, als zij dit bedrijfseconomisch aanvaardbaar achten, en mits het totaal van deze achtergestelde leningen en de in punt 5 bedoelde bestanddelen niet meer bedraagt dan 200 % van het oorspronkelijke eigen vermogen dat resteert om aan de in de bijlagen I, II, III, IV en VI gestelde vereisten te voldoen, dan wel 250 % van hetzelfde bedrag indien de beleggingsonderneming bij de berekening van het eigen vermogen bestanddeel 2, onder d), in mindering brengt.

7. De bevoegde autoriteiten mogen kredietinstellingen toestaan de in punt 4 gestelde grenswaarde voor achtergestelde leningen te overschrijden als zij dit bedrijfseconomisch aanvaardbaar achten en mits het totaal van deze achtergestelde leningen en de in punt 5 bedoelde bestanddelen niet meer bedraagt dan 250 % van het oorspronkelijke eigen vermogen dat resteert om aan de in de bijlagen I, II, III en VI gestelde vereisten te voldoen.

8. Niet-liquide activa omvatten:

- materiële vaste activa (behalve voor zover kan worden toegestaan dat onroerend goed in aanmerking wordt genomen tegenover de leningen waarvoor zij als waarborg gelden);

- deelnemingen in, met inbegrip van achtergestelde schuldvorderingen op, kredietinstellingen of financiële instellingen, welke tot het eigen vermogen van die instellingen kunnen worden gerekend, tenzij deze zijn afgetrokken overeenkomstig artikel 2, lid 1, punten 12 en 13 van Richtlijn 89/299/EEG of overeenkomstig punt 9, onder iv).

Wanneer aandelen in een kredietinstelling of financiële instelling tijdelijk worden gehouden in het kader van een financiële bijstandsoperatie met het oog op de reorganisatie of de redding van deze instelling, mogen de bevoegde autoriteiten ontheffing van deze verplichting verlenen. Zij mogen eveneens ontheffing verlenen voor dergelijke aandelen die deel uitmaken van de handelsportefeuille van de beleggingsonderneming;

- niet onmiddellijk verhandelbare deelnemingen en andere beleggingen in ondernemingen die geen kredietinstellingen of andere financiële instellingen zijn;

- tekorten bij dochterondernemingen;

- deposito's met uitzondering van die welke binnen 90 dagen opvraagbaar zijn, en tevens met uitzondering van margebetalingen in verband met futures of optiecontracten;

- leningen en andere verschuldigde bedragen, met uitzondering van die welke binnen 90 dagen moeten worden terugbetaald;

- materiële voorraden, tenzij daarop de kapitaalvereisten van artikel 4, lid 2, van toepassing zijn en mits die vereisten niet minder streng zijn dan de vereisten op grond van artikel 4, lid 1, onder iii).

9. Beleggingsondernemingen die deel uitmaken van een groep waarvoor de in artikel 7, lid 4, bedoelde ontheffing geldt, berekenen hun eigen vermogen overeenkomstig de punten 1 tot en met 8 hierboven, met inachtneming van de volgende wijzigingen:

i) de in punt 2, onder d), bedoelde niet-liquide activa worden afgetrokken;

ii) de in punt 2, onder a), bedoelde uitsluiting heeft geen betrekking op de bestanddelen van artikel 2, lid 1, punten 12 en 13, van Richtlijn 89/299/EEG die de beleggingsonderneming houdt met betrekking tot ondernemingen die zijn opgenomen in de consolidatie bedoeld in artikel 7, lid 2;

iii) de in artikel 6, lid 1, onder a) en b), van Richtlijn 89/299/EEG bedoelde grenswaarden worden berekend aan de hand van het oorspronkelijke eigen vermogen, min de onder ii) hierboven beschreven bestanddelen van artikel 2, lid 1, punten 12 en 13, van Richtlijn 89/299/EEG die deel uitmaken van het oorspronkelijke eigen vermogen van de betrokken ondernemingen;

iv) de onder iii) bedoelde bestanddelen van artikel 2, lid 1, punten 12 en 13, van Richtlijn 89/299/EEG worden afgetrokken van het oorspronkelijke eigen vermogen, en niet van de som van alle bestanddelen, zoals voorgeschreven in lid 1, onder c), van artikel 6 van die richtlijn, meer bepaald voor de toepassing van de punten 4 tot en met 7 van deze bijlage.

(1) PB nr. L 222 van 14. 8. 1978, blz. 11. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 90/605/EEG (PB nr. L 317 van 16. 11. 1990, blz. 60).(2) PB nr. L 372 van 31. 12. 1986, blz. 1.

BIJLAGE VI

GROTE RISICO'S

1. De in artikel 5, lid 2, bedoelde instellingen zorgen voor bewaking en beheersing van hun risico's op individuele cliënten of groepen van verbonden cliënten overeenkomstig Richtlijn 92/121/EEG, met inachtneming van onderstaande wijzigingen.

2. De risico's op individuele cliënten in het kader van de handelsportefeuille worden berekend door optelling van de onderstaande posten i) tot en met iii):

i) het verschil - indien positief - tussen de lange en korte posities van de instelling in alle door de betrokken cliënt uitgegeven financiële instrumenten (de netto-positie in elk onderscheiden instrument wordt berekend volgens de in bijlage I omschreven methode);

ii) in het geval van overneming van een schuld- of aandeleninstrument is het risico voor de instelling haar netto-risico (berekend door aftrek van de op grond van een formele overeenkomst bij derden geplaatste of door derden herovergenomen overnemingsposities), verminderd met de factoren vermeld in bijlage I, punt 39.

In afwachting van verdere cooerdinatie schrijven de bevoegde autoriteiten voor dat de instellingen systemen invoeren voor bewaking en beheersing van hun overnemingsrisico's in het tijdvak tussen het aangaan van de oorspronkelijke verbintenis en werkdag 1, rekening houdend met de aard van de risico's waaraan zij op de bewuste markten blootstaan;

iii) de risico's in verband met de in bijlage II bedoelde transacties, overeenkomsten en contracten met de betrokken cliënt; deze risico's worden berekend zoals voorgeschreven in die bijlage, zonder toepassing van de wegingsfactoren voor het tegenpartijrisico.

3. Vervolgens worden de risico's met betrekking tot groepen van verbonden cliënten in het kader van de handelsportefeuille berekend door optelling van de risico's met betrekking tot de individuele cliënten in een groep, zoals berekend in punt 2.

4. De totale risico's met betrekking tot individuele cliënten of groepen van verbonden cliënten worden berekend door de risico's met betrekking tot de activiteiten in en buiten het kader van hun handelsportefeuille op te tellen, met inachtneming van artikel 4, leden 6 tot en met 12, van Richtlijn 92/121/EEG. Ter berekening van het risico met betrekking tot activiteiten buiten het kader van de handelsportefeuille beschouwen instellingen het risico verbonden aan activa die op grond van punt 2, onder (d), van bijlage V op hun eigen vermogen in mindering worden gebracht, als nul.

5. De totale risico's van instellingen met betrekking tot individuele cliënten en groepen van verbonden cliënten, als berekend overeenkomstig punt 4, worden overeenkomstig artikel 3 van Richtlijn 92/121/EEG gemeld.

6. Behoudens de overgangsbepalingen van artikel 6 van Richtlijn 92/121/EEG gelden voor die som van de risico's met betrekking tot een individuele cliënt of groep van verbonden cliënten de grenswaarden van artikel 4 van die richtlijn.

7. Onverminderd punt 6 mogen de bevoegde autoriteiten toestaan dat activa in de vorm van vorderingen en andere risico's op beleggingsondernemingen, erkende beleggingsondernemingen van derde landen en erkende "clearing"-instellingen en beurzen in financiële instrumenten, op dezelfde wijze worden behandeld als de vorderingen en risico's op kredietinstellingen op grond van artikel 4, lid 7, onder i), lid 9 en lid 10, van Richtlijn 92/121/EEG.

8. De bevoegde autoriteiten mogen toestaan dat de in artikel 4 van Richtlijn 92/121/EEG vastgestelde grenswaarden worden overschreden, mits tegelijkertijd aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

1. het risico buiten de handelsportefeuille op de betrokken cliënt of groep van cliënten is niet groter dan de in Richtlijn 92/121/EEG gestelde grenswaarden, berekend met betrekking tot het eigen vermogen als omschreven in Richtlijn 89/299/EEG, zodat de overschrijding zich integraal voordoet binnen de handelsportefeuille;

2. de instelling voldoet aan een aanvullend kapitaalvereiste voor de overschrijding van de in artikel 4, leden 1 en 2, van Richtlijn 92/121/EEG gestelde grenswaarden. Dit vereiste wordt berekend door uit het totale handelsrisico op de betrokken cliënt of groep van cliënten die componenten te selecteren waarvoor de hoogste kapitaalvereisten ter dekking van het specifieke risico in bijlage I en/of kapitaalvereisten in bijlage II gelden, en waarvan de som gelijk is aan het bedrag van de in punt 1 bedoelde overschrijding; wanneer de overschrijding niet langer duurt dan tien dagen, bedraagt het aanvullende kapitaalvereiste 200 % van de in de vorige zin bedoelde vereisten voor deze componenten.

Vanaf tien dagen na het ontstaan van de overschrijding worden de componenten van de overschrijding die volgens de bovenstaande criteria zijn geselecteerd, ondergebracht op de passende regel van kolom 1 van tabel I, in stijgende volgorde van de kapitaalvereisten voor het specifieke risico in bijlage I en/of de vereisten in bijlage II. De instelling moet dan voldoen aan een aanvullend kapitaalvereiste dat gelijk is aan de som van de kapitaalvereisten voor specifieke risico's in bijlage I en/of de vereisten in bijlage II voor deze componenten, vermenigvuldigd met de overeenkomstige factor uit kolom 2;

/* Tabellen: zie PB */

3. wanneer niet meer dan tien dagen zijn verstreken sedert het ontstaan van de overschrijding, bedraagt het risico binnen de handelsportefeuille op de betrokken cliënt of groep van verbonden cliënten niet meer dan 500 % van het eigen vermogen van de instelling;

4. alle overschrijdingen die langer dan tien dagen duren, bedragen samen niet meer dan 600 % van het eigen vermogen van de instelling;

5. de instellingen dienen om de drie maanden aan de bevoegde autoriteiten alle gevallen te melden waarin de grenswaarden van artikel 4, leden 1 en 2, van Richtlijn 92/121/EEG in de afgelopen drie maanden zijn overschreden. Voor elk geval waarin de grenswaarden zijn overschreden, dient opgave te worden gedaan van de hoogte van de overschrijding en van de naam van de betrokken cliënt.

9. De bevoegde autoriteiten stellen procedures vast - waarvan zij kennisgeving doen aan de Raad en de Commissie - om te voorkomen dat instellingen de aanvullende kapitaalvereisten die voortvloeien uit het langer dan tien dagen voortduren van risico's boven de grenswaarden van artikel 4, leden 1 en 2, van Richtlijn 92/121/EEG, opzettelijk omzeilen door deze risico's tijdelijk naar een andere onderneming, al of niet behorend tot dezelfde groep, over te dragen en/of door middel van kunstmatige transacties waardoor het risico binnen de periode van tien dagen wordt beëindigd en een nieuw risico wordt gecreëerd. De instellingen dienen te zorgen voor regelingen die waarborgen dat elke overdracht die dit effect heeft, onmiddellijk ter kennis van de bevoegde autoriteiten wordt gebracht.

10. De bevoegde autoriteiten kunnen instellingen die overeenkomstig punt 2 van bijlage V de alternatieve definitie van het eigen vermogen mogen hanteren, toestaan die definitie te gebruiken voor de toepassing van bovenstaande punten 5, 6 en 8, mits de betrokken instellingen daarenboven moeten voldoen aan alle in de artikelen 3 en 4 van Richtlijn 92/121/EEG voorgeschreven verplichtingen met betrekking tot risico's buiten hun handelsportefeuille, door gebruikmaking van eigen vermogen in de zin van Richtlijn 89/299/EEG.

Top