Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 31991L0422

Richtlijn 91/422/EEG van de Commissie van 15 juli 1991 tot aanpassing aan de vooruitgang van de techniek van Richtlijn 71/320/EEG van de Raad inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende de reminrichtingen van bepaalde categorieën motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan

OJ L 233, 22.8.1991, p. 21–29 (ES, DA, DE, EL, EN, FR, IT, NL, PT)
Special edition in Finnish: Chapter 13 Volume 021 P. 3 - 12
Special edition in Swedish: Chapter 13 Volume 021 P. 3 - 12
Special edition in Czech: Chapter 13 Volume 010 P. 319 - 328
Special edition in Estonian: Chapter 13 Volume 010 P. 319 - 328
Special edition in Latvian: Chapter 13 Volume 010 P. 319 - 328
Special edition in Lithuanian: Chapter 13 Volume 010 P. 319 - 328
Special edition in Hungarian Chapter 13 Volume 010 P. 319 - 328
Special edition in Maltese: Chapter 13 Volume 010 P. 319 - 328
Special edition in Polish: Chapter 13 Volume 010 P. 319 - 328
Special edition in Slovak: Chapter 13 Volume 010 P. 319 - 328
Special edition in Slovene: Chapter 13 Volume 010 P. 319 - 328

In force

ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/1991/422/oj

31991L0422

Richtlijn 91/422/EEG van de Commissie van 15 juli 1991 tot aanpassing aan de vooruitgang van de techniek van Richtlijn 71/320/EEG van de Raad inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende de reminrichtingen van bepaalde categorieën motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan

Publicatieblad Nr. L 233 van 22/08/1991 blz. 0021 - 0029
Bijzondere uitgave in het Fins: Hoofdstuk 13 Deel 21 blz. 0003
Bijzondere uitgave in het Zweeds: Hoofdstuk 13 Deel 21 blz. 0003


RICHTLIJN VAN DE COMMISSIE van 15 juli 1991 tot aanpassing aan de vooruitgang van de techniek van Richtlijn 71/320/EEG van de Raad inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende de reminrichtingen van bepaalde categorieën motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan (91/422/EEG)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap,

Gelet op Richtlijn 71/320/EEG van de Raad van 26 juli 1971 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende de reminrichtingen van bepaalde categorieën motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan (1), laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 88/194/EEG (2) van de Commissie, inzonderheid op artikel 5,

Overwegende dat het in het licht van de vooruitgang op het gebied van de remtechnologie thans mogelijk is ter verhoging van de verkeersveiligheid strengere voorschriften vast te stellen en met name verplicht te stellen dat bepaalde zware voertuigen en aanhangwagens met automatische stelinrichtingen voor de remvoeringen worden uitgerust;

Overwegende dat de bepalingen van deze richtlijn in overeenstemming zijn met het advies van het Comité voor de aanpassing van de richtlijnen op het gebied van motorvoertuigen aan de vooruitgang van de techniek,

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

De bijlagen I, II, III, IV, V, VII, IX, X en XII bij Richtlijn 71/320/EEG worden gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij de onderhavige richtlijn.

Artikel 2

1. Met ingang van 1 oktober 1991 mogen de Lid-Staten om redenen die met de reminrichtingen verband houden:

- voor een bepaald type voertuig noch de EEG-goedkeuring, noch de afgifte van het in artikel 10, lid 1, laatste streepje, van Richtlijn 70/156/EEG van de Raad (3) genoemde document, noch de nationale goedkeuring weigeren,

- noch het voor het eerst in het verkeer brengen van voertuigen verbieden,

indien de reminrichtingen van dit type voertuig of van deze voertuigen met de bepalingen van Richtlijn 71/320/EEG, zoals laatstelijk gewijzigd bij de onderhavige richtlijn, in overeenstemming zijn.

2. Met ingang van 1 oktober 1992 mogen de Lid-Staten voor een type voertuig waarvan de reminrichtingen niet met de bepalingen van Richtlijn 71/320/EEG, zoals laatstelijk gewijzigd bij de onderhavige richtlijn, in overeenstemming zijn,

- het in artikel 10, lid 1, laatste streepje, van Richtlijn 70/156/EEG genoemde document niet meer afgeven,

- de nationale goedkeuring weigeren.

3. Met ingang van 1 oktober 1994 mogen de Lid-Staten het voor het eerst in het verkeer brengen van voertuigen waarvan de reminrichtingen niet in overeenstemming zijn met de bepalingen van Richtlijn 71/320/EEG, zoals laatstelijk gewijzigd bij de onderhavige richtlijn, verbieden.

Artikel 3

De Lid-Staten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om vóór 1 oktober 1991 aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

Wanneer de Lid-Staten deze bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen naar de onderhavige richtlijn verwezen of wordt hiernaar verwezen bij de officiële bekendmaking van die bepalingen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de Lid-Staten.

Artikel 4

Deze richtlijn is gericht tot de Lid-Staten. Gedaan te Brussel, 15 juli 1991. Voor de Commissie

Martin BANGEMANN

Vice-Voorzitter

(1) PB nr. L 202 van 6. 9. 1971, blz. 37. (2) PB nr. L 92 van 9. 4. 1988, blz. 47. (3) PB nr. L 42 van 23. 2. 1970, blz. 1.

BIJLAGE

WIJZIGINGEN VAN DE BIJLAGEN BIJ RICHTLIJN 71/320/EEG, ZOALS GEWIJZIGD BIJ DE RICHTLIJNEN 74/132/EEG, 75/524/EEG, 79/489/EEG, 85/647/EEG EN 88/194/EEG BIJLAGE I: DEFINITIES EN CONSTRUCTIE- EN MONTAGEVOORSCHRIFTEN Punt 1.16.3 wordt gelezen:

"1.16.3. Middenasaanhangwagen Onder "middenasaanhangwagen" wordt verstaan een getrokken voertuig uitgerust met een trekinrichting welke verticaal (ten opzichte van de aanhangwagen) niet kan bewegen en waarvan de as(sen) (bij uniform verdeelde lading) zo dicht bij het zwaartepunt van het voertuig is (zijn) geplaatst, dat slechts een zeer geringe verticale statische belasting die niet meer bedraagt dan 10 % van de door de maximummassa van de aanhangwagen veroorzaakte belasting of 1 000 daN (waarbij de laagste van beide waarden geldt) op het trekkende voertuig wordt overgebracht. (rest ongewijzigd)".

Aan het einde van punt 2.1.2.3 wordt toegevoegd:

"De luchtrem van de aanhangwagen en de parkeerrem van het trekkende voertuig mogen gelijktijdig worden bediend, op voorwaarde dat de bestuurder te allen tijde in staat is na te gaan dat de prestatie van de parkeerrem van de voertuigcombinatie die door de uitsluitend mechanische werking van de parkeerreminrichting wordt verkregen, voldoende is.".

Punt 2.2.1.5.2 wordt gelezen:

"2.2.1.5.2. Voorts moeten achter deze inrichtingen . . . (rest ongewijzigd)".

Punt 2.2.1.8 wordt gelezen:

"2.2.1.8. De werking van de bedrijfsreminrichting moet op passende wijze over de assen zijn verdeeld. Ten einde blokkering van de wielen of verglazing van de remvoeringen te voorkomen mag de remkracht bij een voertuig met meer dan twee assen op bepaalde assen automatisch tot nul worden teruggebracht wanneer dit voertuig slechts een geringe last vervoert, op voorwaarde dat de remprestaties van dit voertuig aan alle in bijlage II gestelde eisen voldoen.".

Na punt 2.2.1.11 worden de volgende punten 2.2.1.11.1 en 2.2.1.11.2 toegevoegd:

"2.2.1.11.1. Slijtage van de bedrijfsremmen moet automatisch worden gecompenseerd. De installatie van automatische stelinrichtingen is evenwel facultatief voor terreinvoertuigen van de categorieën N2 en N3, alsmede voor de achterremmen van voertuigen van de categorieën M1 en N1. Automatische stelinrichtingen moeten zodanig zijn uitgevoerd dat de remwerking na verhitting gevolgd door afkoeling van de remmen nog steeds afdoende is. In het bijzonder moet het voertuig na de proeven van bijlage II, punt 1.3 (proef type I), en bijlage II, punt 1.4 (beproeving type II), nog steeds normaal te gebruiken zijn. 2.2.1.11.2. De remvoeringen van de bedrijfsremmen moeten uitsluitend met behulp van de gewoonlijk bij het voertuig geleverde gereedschappen of apparatuur op eenvoudige wijze vanaf de buitenzijde of onderzijde van het voertuig op slijtage kunnen worden gecontroleerd; in deze mogelijkheid kan worden voorzien door bij voorbeeld geschikte inspectieopeningen aan te brengen of door andere maatregelen te treffen. In plaats daarvan zijn akoestische of optische waarschuwingssignalen toegestaan, waarmee de bestuurder op de bestuurderszitplaats erop attent gemaakt wordt dat de remvoeringen moeten worden vervangen. Alleen bij voertuigen van de categorieën M1 en N1 is het toegelaten dat de voor- en/of achterwielen voor de controle moeten worden weggenomen.".

Na punt 2.2.1.12.2 wordt het volgende punt 2.2.1.12.3 toegevoegd:

"2.2.1.12.3 De aard van de in het hydraulisch overbrengingssysteem te gebruiken vloeistof wordt overeenkomstig ISO-norm 9128-1987 vastgesteld. Het toepasselijke symbool volgens figuur 1 of 2 moet op een zichtbare plaats op onuitwisbare wijze op minder dan 100 mm van de vulopeningen van de vloeistofreservoirs worden aangebracht; aanvullende gegevens mogen door de fabrikanten worden verstrekt.".

Punt 2.2.1.18.3 wordt gelezen:

"2.2.1.18.3. bij een breuk of lek in een van de leidingen van de pneumatische verbinding (of andere verbinding) moet het de bestuurder desondanks mogelijk zijn de remmen van de aanhangwagen geheel of gedeeltelijk in werking te stellen door middel van het bedieningsorgaan van hetzij de bedrijfsreminrichting, hetzij de hulpreminrichting, herzij de parkeerreminrichting, tenzij de aanhangwagen in geval van een dergelijke breuk of een dergelijk lek automatisch wordt geremd op een wijze die aan de in punt 2.2.3 van bijlage II gestelde eisen voldoet;".

De punten 2.2.1.18.4.1 en 2.2.1.18.4.2 worden gelezen:

"2.2.1.18.4.1. wanneer het toepasselijke bedieningsorgaan van de in punt 2.2.1.18.3 genoemde bedieningsorganen volledig wordt bekrachtigd, moet de druk in de toevoerleiding binnen twee seconden dalen tot 1,5 bar; 2.2.1.18.4.2. wanneer de toevoerleiding leegstroomt met een snelheid van ten minste 1 bar/s moet de automatische remming van de aanhangwagen beginnen voordat de druk in de toevoerleiding tot 2 bar is gedaald.".

Na punt 2.2.1.23 wordt het volgende punt 2.2.1.24 toegevoegd:

"2.2.1.24. Bij een motorvoertuig waarmee een aanhangwagen van de categorie O3 of O4 mag worden voortbewogen, mag de bedrijfsreminrichting van de aanhanger alleen samen met de bedrijfsreminrichting, hulpreminrichting of parkeerreminrichting van het trekkende voertuig in werking worden gesteld.".

Na punt 2.2.2.8 worden de volgende punten 2.2.2.8.1 en 2.2.2.8.2 toegevoegd:

"2.2.2.8.1. Slijtage van de bedrijfsremmen moet automatisch worden gecompenseerd. De installatie van automatische stelinrichtingen is evenwel facultatief voor voertuigen van de categorieën O1 en O2. Automatische stelinrichtingen moeten zodanig zijn uitgevoerd dat de remwerking na verhitting gevolgd door afkoeling van de remmen nog steeds afdoende is. In het bijzonder moet het voertuig na de proeven van bijlage II, punt 1.3 (proef type I), en bijlage II, punt 1.4 (beproeving type II), nog steeds normaal te gebruiken zijn. 2.2.2.8.2. De remvoeringen van de bedrijfsremmen moeten uitsluitend met behulp van de gewoonlijk bij het voertuig geleverde gereedschappen of apparatuur op eenvoudige wijze vanaf de buitenzijde of onderzijde van het voertuig op slijtage kunnen worden gecontroleerd; in deze mogelijkheid kan worden voorzien door bij voorbeeld geschikte inspectieopeningen aan te brengen of door andere maatregelen te treffen.".

In punt 2.2.2.9 wordt het woord "eenassige" in de derde regel geschrapt en worden de woorden "breuk in" vervangen door "losschieten van".

Punt 2.2.2.11 wordt gelezen:

"2.2.2.11. Indien de aanhangwagen is voorzien van een inrichting waarmee de pneumatische bekrachtiging van een andere reminrichting dan de parkeerrem buiten werking kan worden gesteld, moet eerstgenoemde inrichting zodanig zijn ontworpen en gebouwd dat zij automatisch in ruststand terugkeert, uiterlijk wanneer de aanhangwagen opnieuw druklucht krijgt toegevoerd.".

BIJLAGE II: REMPROEVEN EN PRESTATIES VAN DE REMINRICHTINGEN Punt 1.1.1 wordt gelezen:

"1.1.1. De voor de reminrichting voorgeschreven werking is gebaseerd op de remafstand en/of de gemiddelde volle vertraging. De werking van een reminrichting wordt bepaald door meting van de remafstand betrokken op de beginsnelheid van het voertuig en/of door meting van de gemiddelde volle vertraging gedurende de proef.".

Aan het einde van punt 1.1.3.7 wordt toegevoegd:

"Blokkering van wielen is toegestaan indien uitdrukkelijk vermeld.".

Aan het einde van punt 1.2.1.2.3 wordt toegevoegd:

"zowel de remweg als de gemiddelde volle vertraging van het voertuig moeten voldoen aan de voor de betrokken voertuigcategorie voorgeschreven waarde, doch het is wellicht niet noodzakelijk beide parameters daadwerkelijk te meten;".

Na punt 1.2.3.1 wordt het volgende punt 1.2.3.2 toegevoegd:

"1.2.3.2. Verdere proeven moeten worden uitgevoerd met gekoppelde motor en met de voor de betrokken voertuigcategorie voorgeschreven beginsnelheid. De voor de betrokken categorie minimaal vereiste remwerking moet worden bereikt. Trekkers voor opleggers welke ter simulering van de effecten van een belaste oplegger zijn beladen, worden niet bij een hogere snelheid dan 80 km/h beproefd.".

Punt 1.3.1.3 wordt gelezen:

"1.3.1.3. Bij deze proeven moet de op het bedieningsorgaan uitgeoefende kracht zodanig zijn geregeld, dat bij de eerste remming een gemiddelde volle vertraging van 3 m/s2 wordt verkregen. Deze kracht moet tijdens de hieropvolgende remmingen constant blijven.".

Punt 1.3.3 wordt gelezen:

"1.3.3. Remwerking bij warmgelopen remmen 1.3.3.1. Na afloop van de proef type I . . . de remwerking van de warmgelopen bedrijfsreminrichting. De remwerking bij warmgelopen remmen mag bij motorvoertuigen . . . Bij aanhangwagens mag de remkracht bij warmgelopen remmen . . . (rest ongewijzigd). 1.3.3.2. Ingeval een motorvoertuig wel aan de in punt 1.3.3.1. gestelde 60 %-eis beantwoordt doch niet aan de in punt 1.3.3.1 gestelde 80 %-eis kan voldoen, mag een nieuwe proef ter bepaling van de remwerking bij warmgelopen remmen worden verricht waarbij een bedieningskracht wordt gebruikt die niet groter is dan die welke is voorgeschreven in punt 2.1.1.1 van deze bijlage. De resultaten van beide proeven worden in het rapport vermeld.".

Punt 1.4.3 wordt gelezen:

"1.4.3. Na afloop van de proef . . . de remwerking van de warmgelopen bedrijfsreminrichting. Bij motorvoertuigen moet de remwerking bij warmgelopen remmen en bij een bedieningskracht van niet meer dan 700 N resulteren in een maximale remafstand en een minimale gemiddelde volle remvertraging die met de volgende waarden overeenkomen: categorie M3: s = 0,15 V + 1,33 V2

130 (de tweede term komt overeen met een gemiddelde volle remvertraging van 3,75 m/s2); categorie N3: s = 0,15 V + 1,33 V2

115 (de tweede term komt overeen met een gemiddelde volle remvertraging van 3,30 m/s2). Bij aanhangwagens mag de remkracht bij warmgelopen remmen aan de omtrek van de wielen . . . (rest ongewijzigd).".

Punt 2.1.1.1.1 wordt gelezen:

"2.1.1.1.1. De bedrijfsremmen van voertuigen van de categorieën M en N worden beproefd onder condities volgens onderstaande tabel: Type proef M1 M2 M3 N1 N2 N3 O-I O-I O-I-II O-I O-I O-I-II Proef type O met ontkoppelde motor V 80 km/h 60 km/h 60 km/h 80 km/h 60 km/h 60 km/h s " 0,1 V + V2 150 0,15 V + V2 130 dm ' 5,8 m/s2 5 m/s2 Proef type O met gekoppelde motor V = 80 % Vmax doch " 160 km/h 100 km/h 90 km/h 120 km/h 100 km/h 90 km/h s " 0,1 V + V2 130 0,15 V + V2 103,5 dm ' 5 m/s2 4 m/s2 F " 500 N 700 N Hierin hebben de symbolen de volgende betekenis: V = beproevingssnelheid; s = remafstand; dm = gemiddelde volle remvertraging; F = op het voetbedieningsorgaan uitgeoefende kracht; Vmax = maximumsnelheid van het voertuig.".

Punt 2.1.2.1 wordt gelezen:

"2.1.2.1. De hulpreminrichting dient, ook als het bedieningsorgaan waarmee deze wordt bekrachtigd voor andere remfuncties wordt gebruikt, een maximale remafstand en een minimale gemiddelde volle remvertraging te geven die met de volgende waarden overeenkomen: categorie M1: s = 0,1 V + 2 V2

150 (de tweede term komt overeen met een gemiddelde volle remvertraging van 2,9 m/s2); categorie M2, M3: s = 0,15 V + 2 V2

130 (de tweede term komt overeen met een gemiddelde volle remvertraging van 2,5 m/s2); categorie N: s = 0,15 V + 2 V2

115 (de tweede term komt overeen met een gemiddelde volle remvertraging van 2,2 m/s2). ".

Na punt 2.1.2.4 wordt het volgende punt 2.1.2.5 toegevoegd:

"2.1.2.5. Bij de proef ter bepaling van de prestatie van de hulpreminrichting worden de werkelijke foutcondities in de bedrijfsreminrichting gesimuleerd.".

Punt 2.1.4.1 wordt gelezen:

"2.1.4.1. Bij een storing in een deel van de overbrenging moet de restremwerking van de bedrijfsreminrichting bij een bedieningskracht van niet meer dan 700 N resulteren in een maximale remafstand en een minimale gemiddelde volle vertraging die overeenkomen met onderstaande waarden, bij een proef van het type O met ontkoppelde motor en uitgaande van de volgende beginsnelheden voor de desbetreffende voertuigcategorie: Remafstand (m) en gemiddelde volle vertraging (m/s2)"

(de tabel blijft ongewijzigd).

Na punt 2.1.4.1 wordt het volgende punt 2.1.4.2 toegevoegd:

"2.1.4.2. Bij de proef ter bepaling van de restremwerking worden de werkelijke foutcondities in de bedrijfsreminrichting gesimuleerd.".

Punt 2.2.1.2.1: De Nederlandse versie blijft ongewijzigd.

Na punt 2.2.2.1 wordt het volgende punt 2.2.3 toegevoegd:

"2.2.3. Automatische remming 2.2.3.1. Bij een totaal drukverlies in de luchttoevoerleiding mag de remwerking van de automatische reminrichting bij de beproeving van het belaste voertuig met een beginsnelheid van 40 km/h niet minder bedragen dan 13,5 % van de kracht die correspondeert met de door de wielen ondersteunde maximummassa bij stilstand van het voertuig. Wanneer de remwerking meer dan 13,5 % bedraagt, is blokkering van wielen toelaatbaar.".

AANHANGSEL BIJ BIJLAGE II: VERDELING VAN DE REMKRACHT OVER DE ASSEN VAN EEN VOERTUIG (75/524/EEG) Punt 3.1.2 wordt gelezen:

"3.1.2. Indien een motorvoertuig waarmee een aanhangwagen van categorie O3 of O4 met drukluchtreminrichting mag worden voortbewogen, wordt beproefd met uitgeschakelde energiebron, met afgesloten voedingsleiding, met een reservoir van 0,5 liter aangesloten op de bedieningsleiding en met de systeemdruk op inschakel- en op uitschakelniveau, moet de druk bij volledig intrappen van het bedieningsorgaan aan de koppelingskop van de voedingsleiding en van de bedieningsleiding tussen 6,5 en 8,5 bar bedragen, ongeacht de beladingstoestand van het voertuig. Deze drukniveaus moeten aantoonbaar in het trekkende voertuig aanwezig zijn, wanneer de aanhangwagen ervan is losgekoppeld. De compatibiliteitsbanden in de diagrammen 2, 3 en 4 A mogen niet worden verruimd tot drukniveaus van meer dan 7,5 bar.".

Punt 3.1.4.1 wordt gelezen:

"3.1.4.1. Indien een motorvoertuig waarmee een aanhangwagen van categorie O3 of O4 met drukluchtreminrichting mag worden voortbewogen, moet de toegestane verhouding tussen de vertragingsfactor TM PM en de druk pm binnen de in diagram 2 aangegeven zones liggen.".

Na punt 5.1.2 wordt het volgende punt 5.1.3 toegevoegd:

"5.1.3. De toegestane verhouding tussen de vertragingsfactor TR PR en de druk pm moet binnen de in diagram 2 voor de beladen en onbeladen toestand aangegeven zones liggen.".

Punt 7.3 wordt gelezen:

"7.3. Punt 18.2 van bijlage IX moet worden toegevoegd . . . (de rest blijft ongewijzigd)".

Punt 8.2 wordt gelezen:

"8.2. De drukmeetpunten moeten voldoen aan bepaling 4 van ISO-norm 3583-1984.".

Bij de voetnoot onder diagram 4 A wordt volgende nieuwe zin toegevoegd:

"Er wordt van uitgegaan dat er, tussen de waarden TR PR = 0 en TR PR = 0,1, geen evenredigheid noodzakelijk is tussen de vertragingsfactor TR PR en de druk van de bedieningsleiding gemeten bij de koppelingskop.".

BIJLAGE III: METHODE VOOR HET METEN VAN DE REACTIETIJD BIJ VOERTUIGEN VOORZIEN VAN EEN DRUKLUCHTREMINRICHTING Aan het einde van punt 1.1 wordt toegevoegd:

"Bij voertuigen met lastafhankelijke ventielen moeten deze voorzieningen in de voor de belaste toestand bestemde positie zijn gesteld.".

Na punt 2.6 wordt het volgende punt 2.7 toegevoegd:

"2.7. Indien het gaat om een voertuig waarmee een aanhangwagen van categorie O3 of O4 met drukluchtreminrichting mag worden voortbewogen, moet niet alleen aan bovenstaande eisen zijn voldaan maar moet ook aan de hand van de volgende proef worden nagegaan dat aan de voorschriften van punt 2.2.1.18.4.1 van bijlage I is voldaan: a) aan het uiteinde van een pijp met een lengte van 2,5 m en een inwendige diameter van 13 mm die met de koppelingskop van de voedingsleiding wordt verbonden, wordt de druk gemeten; b) er wordt een storing in de bedieningsleiding vlak bij de koppelingskop gesimuleerd; c) het bedieningsorgaan van de bedrijfsreminrichting wordt in 0,2 seconden bekrachtigd, zoals aangegeven in punt 2.3.".

Punt 4.2 wordt gelezen:

"4.2. De drukmeetpunten moeten voldoen aan bepaling 4 van ISO-norm 3583-1984.".

BIJLAGE IV: ENERGIERESERVOIRS EN -BRONNEN A. DRUKLUCHTREMMEN

Punt 1.3.1 wordt gelezen:

"1.3.1. De reservoirs van aanhangwagens moeten zodanig zijn uitgevoerd dat na achtmaal volledig indrukken van het bedieningsorgaan van de bedrijfsreminrichting van de trekker de op de bedrijfsorganen overgebrachte druk niet daalt tot beneden een niveau dat overeenkomt met de helft van de bij de eerste remming verkregen waarde, waarbij de automatische reminrichting of de parkeerreminrichting van de aanhanger niet wordt bekrachtigd.".

Punt 1.3.2.1 wordt gelezen:

"1.3.2.1. aan het begin van de proef dient de druk in de reservoirs gelijk te zijn aan 8,5 bar;".

Punt 3.2 wordt gelezen:

"3.2. De drukmeetpunten moeten voldoen aan bepaling 4 van ISO-norm 3583-1984.".

BIJLAGE V: VEERREMMEN Tussen de derde en de vierde zin van punt 2.3 wordt de volgende zin ingevoegd:

"In ieder geval mogen de veerremmen tijdens het opnieuw opvoeren van de druk in de reminrichting vanaf het nulniveau niet buiten werking worden gesteld voordat de druk in de bedrijfsreminrichting zo hoog is dat met behulp van het bedieningsorgaan voor de bedrijfsreminrichting ten minste de voorgeschreven hulpremwerking voor het belaste voertuig kan worden bereikt.". BIJLAGE VII: GEVALLEN WAARIN PROEVEN VAN HET TYPE I EN/OF II (OF II bis) NIET BEHOEVEN TE WORDEN UITGEVOERD OP HET TER TYPEGOEDKEURING AANGEBODEN VOERTUIG Aanhangsel 1

In punt 3.1.2 worden de woorden "de sleep- en restremwerkingsproeven" vervangen door "de sleepproeven en de remwerkingsproeven bij warmgelopen remmen".

In punt 3.2.1 wordt het woord "restwerkingsproeven" vervangen door "remwerkingsproeven bij warmgelopen remmen".

In punt 3.5.1.1 wordt het woord "restremwerking" vervangen door "remwerking bij warmgelopen remmen".

In de punten 3.5.2.4 en 3.5.3.4 wordt het woord "restwerkingsproef" vervangen door "remwerkingsproef bij warmgelopen remmen".

In punt 4.3 wordt het woord "restremwerking" vervangen door "remwerking bij warmgelopen remmen".

In punt 4.3.7 wordt de eerste zin vervangen door "Na afloop van de proeven van type I en type II wordt de remwerking bij warmgelopen remmen bepaald overeenkomstig de punten 4.3.2, 4.3.3, 4.3.4 en 4.3.5.".

Aanhangsel 2

In punt 2 (tabel) worden de woorden "restremkracht" en "restremwerking" vervangen door "remkracht bij warmgelopen remmen" respectievelijk "remwerking bij warmgelopen remmen". BIJLAGE IX: BIJLAGE BIJ HET EEG-GOEDKEURINGSFORMULIER VAN EEN TYPE VOERTUIG MET BETREKKING TOT DE REMINRICHTINGEN Punt 7 wordt gelezen:

"7. Verdeling van de massa over de assen

(maximale waarde) ".

Punt 8 wordt gelezen:

"8. Merk en type van de remvoeringen 8.1. Alternatieve remvoeringen 8.1.1. Beproevingsmethode bij de keuring: beproeving voertuig/bijlage XII/overige (4) ".

Punt 9.4.3: De Nederlandse versie blijft ongewijzigd.

Na punt 9.4.4 wordt het volgende nieuwe punt 9.4.5 ingevoegd:

"9.4.5. Maximummassa van de lichte aanhangwagen: geremd/ongeremd (4)".

Na punt 9.5 wordt het volgende nieuwe punt 9.6 ingevoegd:

"9.6. Voertuig is uitgerust/niet uitgerust (4) voor het trekken van een aanhangwagen met anti-blokkeersystemen.".

Punt 13 wordt gelezen:

"13. Massa van het voertuig tijdens (rest ongewijzigd)".

Punt 14.2 wordt gelezen:

"14.2. Proef type O gekoppelde motor bedrijfsrem snelheid overeenkomstig bijlage II, punt 2.1.1.1.1".

De derde kolomkop van de tabel wordt gelezen:

"Gemeten kracht op de bedieningshefboom (N)".

Punt 14.5 wordt gelezen:

"14.5. Tijdens de proef van het type II/II bis (4) gebruikte reminrichting(en) ".

Punt 14.6 wordt gelezen:

"14.6. Reactietijd en . . . 14.6.1. Reactietijd aan . . . 14.6.2. Reactietijd bij . . .".

Punt 14.7.2 wordt gelezen:

"14.7.2.

Assen van het voertuig Referentie-assen Massa per as (*) Vereiste remkracht aan de wielen Snelheid Massa per as (*) Werkelijke remkracht aan de wielen Snelheid kg N km/h kg N km/h As nr. 1 As nr. 2 As nr. 3 As nr. 4

(*) Het betreft hier de technisch toelaatbare maximummassa per as.".

Punt 14.7.3 wordt gelezen:

"14.7.3.

Totale massa van het ter keuring aangeboden voertuig . . . kg Vereiste remkracht aan de wielen . . . N Vereist vertragingskoppel op de hoofdas van de rem . . . mN Werkelijk vertragingskoppel op de hoofdas van de rem (volgens diagram) . . . mN".

In punt 14.7.4 (tabel) wordt het woord "restremwerking" vervangen door "remwerking bij warmgelopen remmen".

Na punt 19.2 worden de volgende nieuwe punten 20 en 21 ingevoegd:

"20. Automatische remming bij aanhangwagens met drukluchtremmen 20.1. Ontwikkelde remkracht in procenten 21. Aanhangwagens met elektrische remsystemen 21.1. Voldoet het voertuig aan de voorschriften van bijlage XI: ja/neen (4). 21.2. Ontwikkelde remkracht in procenten ".

De punten 20 tot en met 27 krijgen als nieuwe nummers 22 tot en met 29.

Voetnoot (1) wordt gelezen:

"(1) Bij een oplegger dient hier de met de belasting van de oplegschotel corresponderende massa te worden vermeld.". BIJLAGE X: EISEN DIE VAN TOEPASSING ZIJN BIJ PROEVEN MET REMRICHTINGEN VOORZIEN VAN ANTI-BLOKKEERSYSTEMEN Punt 6.1.2 wordt gelezen:

"6.1.2. Het aanvangsniveau van de energie . . . gelijk zijn aan een druk van 8,5 bar aan de koppelingskop van de toevoerleiding naar de aanhangwagen. (rest ongewijzigd)".

Punt 6.1.5 wordt gelezen:

"6.1.5. Na de remming wordt het bedieningsorgaan van de bedrijfsreminrichting bij stilstaand voertuig eenmaal volledig ingedrukt. Tijdens deze indrukking moet de druk in het bedrijfscircuit voldoende zijn om een totale remkracht aan de omtrek van de wielen te bewerkstelligen welke ten minste 22,5 % bedraagt van de kracht die correspondeert met de door de wielen ondersteunde maximummassa bij stilstand van het voertuig, waarbij er geen automatische bekrachtiging plaatsvindt van enig remsysteem dat niet onder controle van het anti-blokkeersysteem staat.".

BIJLAGE XII: DYNAMOMETERTESTS VOOR REMVOERINGEN In de punten 4.4.3, 4.4.3.1, 4.4.3.2, 4.5.3, 4.5.3.1 en 4.5.3.2 wordt het woord "restremwerking" vervangen door "remwerking bij warmgelopen remmen".

Top