EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 31988D0591

88/591/EGKS, EEG, Euratom: Besluit van de Raad van 24 oktober 1988 tot instelling van een Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen

OJ L 319, 25.11.1988, p. 1–8 (ES, DA, DE, EL, EN, FR, IT, NL, PT)
Special edition in Finnish: Chapter 01 Volume 002 P. 89 - 97
Special edition in Swedish: Chapter 01 Volume 002 P. 89 - 97
Special edition in Czech: Chapter 01 Volume 001 P. 181 - 188
Special edition in Estonian: Chapter 01 Volume 001 P. 181 - 188
Special edition in Latvian: Chapter 01 Volume 001 P. 181 - 188
Special edition in Lithuanian: Chapter 01 Volume 001 P. 181 - 188
Special edition in Hungarian Chapter 01 Volume 001 P. 181 - 188
Special edition in Maltese: Chapter 01 Volume 001 P. 181 - 188
Special edition in Polish: Chapter 01 Volume 001 P. 181 - 188
Special edition in Slovak: Chapter 01 Volume 001 P. 181 - 188
Special edition in Slovene: Chapter 01 Volume 001 P. 181 - 188
Special edition in Bulgarian: Chapter 01 Volume 001 P. 67 - 74
Special edition in Romanian: Chapter 01 Volume 001 P. 67 - 74
Special edition in Croatian: Chapter 01 Volume 005 P. 8 - 15

No longer in force, Date of end of validity: 31/01/2003; gedeeltelijk einde van de geldigheid opgeheven door 12001C010

ELI: http://data.europa.eu/eli/dec/1988/591/oj

31988D0591

88/591/EGKS, EEG, Euratom: Besluit van de Raad van 24 oktober 1988 tot instelling van een Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen

Publicatieblad Nr. L 319 van 25/11/1988 blz. 0001 - 0008
Bijzondere uitgave in het Fins: Hoofdstuk 1 Deel 2 blz. 0089
Bijzondere uitgave in het Zweeds: Hoofdstuk 1 Deel 2 blz. 0089


BESLUIT VAN DE RAAD van 24 oktober 1988 tot instelling van een Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen ( 88/591/EGKS, EEG, Euratom )

DE RAAD VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal, inzonderheid op artikel 32 quinquies,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, inzonderheid op artikel 168A,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, inzonderheid op artikel 140A,

Gelet op het Protocol betreffende het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal, ondertekend te Parijs op 18 april 1951,

Gelet op het Protocol betreffende het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Economische Gemeenschap, ondertekend te Brussel op 17 april 1957,

Gelet op het Protocol betreffende het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, ondertekend te Brussel op 17 april 1957,

Gelet op het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschappen, ondertekend te Brussel op 8 april 1965,

Gezien het verzoek van het Hof van Justitie,

Gezien het advies van de Commissie,

Gezien het advies van het Europese Parlement ( 1 ),

Overwegende dat artikel 32 quinquies van het EGKS-Verdrag, artikel 168A van het EEG-Verdrag en artikel 140A van het EGA-Verdrag de Raad machtigen aan het Hof van Justitie een Gerecht van eerste aanleg toe te voegen, dat belangrijke rechterlijke taken zal dienen te vervullen en waarvan de leden alle waarborgen voor onafhankelijkheid bieden en bekwaam zijn zulke taken te vervullen;

Overwegende dat bovengenoemde bepalingen de Raad machtigen het Gerecht van eerste aanleg de bevoegdheid te verlenen om in eerste aanleg en behoudens een tot rechtsvragen beperkte hogere voorziening bij het Hof van Justitie op de wijze bepaald in de Statuten kennis te nemen van bepaalde categorieën van beroepen, ingesteld door natuurlijke of rechtspersonen; dat ingevolge dezelfde bepalingen de Raad de samenstelling van dit Gerecht bepaalt en de noodzakelijke aanpassingen en aanvullingen voor de Statuten van het Hof van Justitie vaststelt;

Overwegende dat in beroepen die een grondig onderzoek van complexe feiten vergen, de invoering van rechtspraak in twee instanties de rechtsbescherming der justitiabelen kan verbeteren;

Overwegende dat, met het oog op het behoud van een deugdelijke en doeltreffende rechtsbescherming in de communautaire rechtsorde, het Hof in staat moet worden gesteld zich te concentreren op zijn wezenlijke taak, bestaande in het verzekeren van eenheid in de uitlegging van het Gemeenschapsrecht;

Overwegende mitsdien dat gebruik dient te worden gemaakt van de machtiging verleend bij artikel 32 quinquies van het EGKS-Verdrag, artikel 168A van het EEG-Verdrag en artikel 140A van het EGA-Verdrag, en dat aan het Gerecht de bevoegdheid moet worden overgedragen om in eerste aanleg kennis te nemen van bepaalde categorieën van beroepen die vaak een onderzoek van ingewikkelde feiten noodzakelijk maken, te weten de beroepen ingesteld door ambtenaren of personeelsleden van de Instellingen, alsmede, wat het EGKS-Verdrag betreft, de beroepen ingesteld door ondernemingen en verenigingen op het gebied van heffingen, produktie, prijzen, afspraken, concentraties, en, wat het EEG-Verdrag betreft, de beroepen ingesteld door natuurlijke of rechtspersonen op het gebied van de mededinging,

BESLUIT :

Artikel 1 Aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen wordt een "Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen'' toegevoegd, hierna "Gerecht'' te noemen . Het Gerecht heeft zijn zetel bij het Hof van Justitie .

Artikel 2 1 . Het Gerecht bestaat uit twaalf leden .

2 . De leden kiezen uit hun midden voor drie jaar de President van het Gerecht . Hij is herkiesbaar .

3 . De leden van het Gerecht kunnen worden aangewezen om de functie van advocaat-generaal te bekleden .

De advocaat-generaal heeft tot taak in het openbaar in volkomen onpartijdigheid en onafhankelijkheid met redenen omklede conclusies te nemen aangaande zaken welke aan het Gerecht zijn voorgelegd, ten einde dit terzijde te staan bij de vervulling van zijn taak .

De criteria voor de selectie van de zaken en de wijze waarop de advocaten-generaal worden aangewezen, worden bepaald in het reglement voor de procesvoering van het Gerecht .

Een lid van het Gerecht dat is aangewezen om in een zaak de functie van advocaat-generaal te bekleden, mag niet deelnemen aan de berechtiging van die zaak .

4 . Het Gerecht houdt zitting in kamers bestaande uit drie of vijf rechters . Het reglement voor de procesvoering regelt de samenstelling van de kamers en bepaalt van welke zaken zij hebben kennis te nemen . In sommige, door het reglement voor de procesvoering bepaalde gevallen, kan het Gerecht voltallig zitting houden .

5 . Artikel 21 van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschappen alsmede artikel 6 van het Verdrag tot instelling van één Raad en één Commissie welke de Europese Gemeenschappen gemeen hebben zijn van toepassing op de leden van het Gerecht en op zijn griffier .

Artikel 3 1 . Het Gerecht oefent, in eerste aanleg, de bevoegdheden uit die door de Verdragen tot oprichting van de Gemeenschappen en door de handelingen ter uitvoering daarvan aan het Hof van Justitie zijn opgedragen :

a ) ten aanzien van de geschillen tussen de Gemeenschappen en hun personeelsleden, bedoeld in artikel 179 van het EEG-Verdrag en artikel 152 van het EGA-Verdrag;

b ) ten aanzien van de beroepen, krachtens artikel 33, tweede alinea, en artikel 35 van het EGKS-Verdrag door ondernemingen of de in artikel 48 van dat Verdrag bedoelde verenigingen van ondernemingen ingesteld tegen de Commissie en betreffende individuele handelingen tot toepassing van de artikelen 50 en 57 tot en met 66 van dat Verdrag;

c ) ten aanzien van de beroepen, krachtens artikel 173, tweede alinea, en artikel 175, derde alinea, van het EEG-Verdrag door natuurlijke of rechtspersonen ingesteld tegen een Instelling van de Gemeenschappen en betreffende de toepassing van de op de ondernemingen toepasselijke mededingingsregels .

2 . Wanneer dezelfde natuurlijke of rechtspersoon een beroep instelt ten aanzien waarvan het Gerecht ingevolge lid 1 van dit artikel bevoegd is, en tevens een beroep als bedoeld in artikel 40, eerste en tweede alinea, van het EGKS-Verdrag, artikel 178 van het EEG-Verdrag, of artikel 151 van het EGA-Verdrag, betreffende vergoeding van schade veroorzaakt door een Gemeenschapsinstelling als gevolg van het handelen of nalaten dat het onderwerp uitmaakt van het eerstbedoelde beroep, is het Gerecht ook bevoegd om op het beroep tot schadevergoeding uitspraak te doen .

3 . Wanneer het Gerecht van eerste aanleg twee jaar gefunctioneerd heeft, zal de Raad, in het licht van de ervaring, waaronder de ontwikkeling van de rechtspraak, opnieuw een bespreking wijden aan het voorstel van het Hof van Justitie om het Gerecht van eerste aanleg bevoegdheid te geven voor beroepen, krachtens artikel 33, tweede alinea, en artikel 35 van het EGKS-Verdrag door ondernemingen of de in artikel 48 van dat Verdrag bedoelde verenigingen ingesteld tegen de Commissie en betreffende handelingen tot toepassing van artikel 74 van dat Verdrag, alsmede voor beroepen die overeenkomstig artikel 173, tweede alinea, en artikel 175, derde alinea, van het EEG-Verdrag door een natuurlijke of rechtspersoon worden ingesteld tegen een Instelling van de Gemeenschappen en betrekking hebben op beschermingsmaatregelen in de zin van artikel 113 van dat Verdrag in geval van dumping of subsidies .

Artikel 4 Onverminderd de onderstaande bepalingen, zijn de artikelen 34, 36, 39, 44 en 92 van het EGKS-Verdrag, de artikelen 172, 174, 176, 184 tot en met 187 en 192 van het EEG-Verdrag, en de artikelen 147, 149, 156 tot en met 159 en 164 van het EGA-Verdrag van toepassing op het Gerecht .

Artikel 5 In het Protocol betreffende het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal worden na artikel 43 de volgende bepalingen ingevoegd :

"TITEL IV HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN Status van de leden en organisatie van het gerecht Artikel 44 De artikelen 2, 3, 4, 6 tot en met 9, artikel 13, lid 1, artikel 17, artikel 18, lid 2, en artikel 19 van dit Statuut zijn van toepassing op het Gerecht en op zijn leden . De eed bedoeld in artikel 2 wordt afgelegd voor het Hof en de beslissingen bedoeld in de artikelen 3, 4 en 7 worden door het Hof genomen, het Gerecht gehoord .

Griffier en personeel Artikel 45 Het Gerecht benoemt de griffier en bepaalt diens positie . De artikelen 9 en 14 van dit Statuut zijn van overeenkomstige toepassing op de griffier van het Gerecht .

De president van het Hof en de president van het Gerecht bepalen in onderlinge overeenstemming de wijze waarop ambtenaren en andere personeelsleden bij het Hof in het belang van de dienst hun diensten aan het Gerecht verlenen . Bepaalde ambtenaren of andere personeelsleden ressorteren onder de griffier van het Gerecht, onder het gezag van de president van het Gerecht .

Procedure voor het gerecht Artikel 46 De procedure voor het Gerecht wordt geregeld bij titel III van dit Statuut, met uitzondering van de artikelen 41 en 42 .

De procedure voor het Gerecht wordt, voor zover nodig, gepreciseerd en aangevuld door het reglement voor de procesvoering, vastgesteld op de wijze als bepaald in artikel 32 quinquies, lid 4, van het Verdrag .

In afwijking van artikel 21, vierde alinea, van dit Statuut, kan de advocaat-generaal zijn met redenen omklede conclusies schriftelijk indienen .

Artikel 47 Wanneer een tot het Gerecht gericht verzoekschrift of ander processtuk bij vergissing wordt neergelegd bij de griffier van het Hof, wordt het door deze onverwijld doorgezonden naar de griffier van het Gerecht; evenzo, wanneer een tot het Hof gericht verzoekschrift of ander processtuk bij vergissing wordt neergelegd bij de griffier van het Gerecht, wordt het door deze onverwijld doorgezonden naar de griffier van het Hof .

Wanneer het Gerecht vaststelt dat het niet bevoegd is kennis te nemen van een beroep ten aanzien waarvan het Hof bevoegd is, verwijst het de zaak naar het Hof; evenzo, wanneer het Hof vaststelt dat een beroep tot de bevoegdheid van het Gerecht behoort, verwijst het de zaak naar het Gerecht, dat zich dan niet onbevoegd kan verklaren .

Wanneer bij het Hof en het Gerecht zaken aanhangig worden gemaakt die hetzelfde voorwerp hebben of die dezelfde vraag van uitlegging dan wel de geldigheid van dezelfde handeling betreffen, kan het Gerecht, de partijen gehoord, de behandeling schorsen totdat het Hof arrest heeft gewezen . Wanneer het verzoeken tot nietigverkla - ring van dezelfde handeling betreft, kan het Gerecht zich ook onbevoegd verklaren opdat het Hof een beslissing geeft over die verzoeken . In de in deze alinea bedoelde gevallen, kan ook het Hof besluiten zijn behandeling te schorsen; de procedure voor het Gerecht vindt dan doorgang .

Artikel 48 Van eindbeslissingen van het Gerecht, beslissingen die het geding ten gronde slechts gedeeltelijk beslechten of die een einde maken aan een procesincident ter zake van onbevoegdheid of niet-ontvankelijkheid, geeft de griffier van het Gerecht kennis aan alle partijen, alsook aan alle Lid-Staten en aan de Instellingen van de Gemeenschap, zelfs indien deze niet in de zaak voor het Gerecht zijn tussengekomen .

Hogere voorziening bij het Hof Artikel 49 Uiterlijk binnen twee maanden te rekenen vanaf de betekening van de bestreden beslissing kan bij het Hof een verzoek om hogere voorziening worden ingediend tegen eindbeslissingen van het Gerecht, alsmede tegen beslissingen die het geding ten gronde slechts gedeeltelijk beslechten of die een einde maken aan een procesincident ter zake van onbevoegdheid of niet-ontvankelijkheid .

Hogere voorziening staat open voor iedere partij die geheel of gedeeltelijk in het ongelijk is gesteld . Voor andere tussenkomende partijen dan Lid-Staten en Instellingen van de Gemeenschap staat hogere voorziening evenwel slechts open wanneer de beslissing van het Gerecht hun situatie rechtstreeks aantast .

Met uitzondering van zaken betreffende geschillen tussen de Gemeenschappen en hun personeelsleden, staat hogere voorziening eveneens open voor de Lid-Staten en de Instellingen van de Gemeenschap die niet in het geding voor het Gerecht zijn tussengekomen . In dit geval verschilt de positie van die Lid-Staten en Instellingen niet van de positie van Lid-Staten of Instellingen die in eerste aanleg zouden zijn tussengekomen .

Artikel 50 Hogere voorziening bij het Hof staat open tegen beslissingen van het Gerecht, waarbij een verzoek tot tussenkomst wordt afgewezen . Het verzoek om hogere voorziening moet door degene wiens verzoek is afgewezen, worden ingediend binnen twee weken te rekenen vanaf de betekening van de afwijzende beslissing .

Tegen elke beslissing die door het Gerecht krachtens artikel 39, tweede of derde alinea, of artikel 92, derde alinea, van het Verdrag wordt genomen, staat voor de partijen in het geding hogere voorziening open gedurende twee maanden vanaf de betekening ervan .

Van de in de eerste en tweede alinea van dit artikel bedoelde hogere voorziening wordt kennis genomen en er wordt over beslist volgens de in artikel 33 van dit Statuut bedoelde procedure .

Artikel 51 Het verzoek aan het Hof om hogere voorziening kan alleen rechtsvragen betreffen . Het moet gebaseerd zijn op middelen ontleend aan onbevoegdheid van het Gerecht, onregelmatigheden in de procedure voor het Gerecht, waardoor aan de belangen van de verzoekende partij afbreuk is gedaan, dan wel schending van het Gemeenschapsrecht door het Gerecht .

Het verzoek om hogere voorziening kan niet uitsluitend betrekking hebben op de veroordeling in of het bedrag van de proceskosten .

Procedure voor het Hof Artikel 52 In geval van hogere voorziening tegen een beslissing van het Gerecht omvat de procedure voor het Hof een schriftelijk en een mondeling gedeelte . Onder de in het reglement voor de procesvoering bepaalde voorwaarden kan het Hof, de advocaat-generaal en de partijen gehoord, zonder mondelinge behandeling beslissen .

Opschortende werking Artikel 53 Onverminderd artikel 39, tweede en derde alinea, van het Verdrag, heeft het verzoek om hogere voorziening geen opschortende werking .

In afwijking van artikel 44 van het Verdrag treden beslissingen van het Gerecht, waarbij een algemene beschikking nietig is verklaard, eerst in werking na afloop van de termijn bedoeld in artikel 49, eerste alinea, van dit Statuut, of, indien binnen deze termijn een verzoek om hogere voorziening is ingediend, nadat dit verzoek is verworpen, onverminderd het feit dat een partij het Hof krachtens artikel 39, tweede en derde alinea, van het Verdrag kan verzoeken om opschorting van de werking van de nietig verklaarde beschikking of om enige andere voorlopige maatregel .

Uitspraak van het Hof in hogere voorziening Artikel 54 In geval van gegrondheid van het verzoek om hogere voorziening vernietigt het Hof de beslissing van het Gerecht . Het kan dan zelf de zaak afdoen wanneer deze in staat van wijzen is, dan wel haar voor afdoening verwijzen naar het Gerecht .

Indien de zaak wordt verwezen, is het Gerecht gebonden aan de beslissing van het Hof over de rechtsvragen .

In geval van gegrondheid van een verzoek om hogere voorziening van een Lid-Staat of een Instelling van de Gemeenschap die in de zaak voor het Gerecht niet is tussengekomen, kan het Hof, indien het zulks noodzakelijk acht, verklaren welke gevolgen van de vernietigde beslissing van het Gerecht als definitief worden beschouwd ten aanzien van de andere partijen in het geschil .''.

Artikel 6 De voormalige artikelen 44 en 45 van het Protocol betreffende het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal worden onderscheidenlijk de artikelen 55 en 56 .

Artikel 7 In het Protocol betreffende het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Economische Gemeenschap worden na artikel 43 de volgende bepalingen ingevoegd :

"TITEL IV HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN Artikel 44 De artikelen 2 tot en met 8 en 13 tot en met 16 van dit Statuut zijn van toepassing op het Gerecht en op zijn leden . De eed bedoeld in artikel 2 wordt afgelegd voor het Hof en de beslissingen bedoeld in de artikelen 3, 4 en 6 worden genomen door het Hof, het Gerecht gehoord .

Artikel 45 Het Gerecht benoemt de griffier en bepaalt diens positie . De artikelen 9, 10 en 13 van dit Statuut zijn van overeenkomstige toepassing op de griffier van het Gerecht .

De president van het Hof en de president van het Gerecht bepalen in onderlinge overeenstemming de wijze waarop ambtenaren en andere personeelsleden bij het Hof in het belang van de dienst hun diensten aan het Gerecht verlenen . Bepaalde ambtenaren of andere personeelsleden ressorteren onder de griffier van het Gerecht, onder het gezag van de president van het Gerecht .

Artikel 46 De procedure voor het Gerecht wordt geregeld bij titel III van dit Statuut, met uitzondering van artikel 20 .

Deze procedure voor het Gerecht wordt, voor zover nodig, gepreciseerd en aangevuld door het reglement voor de procesvoering, vastgesteld op de wijze als bepaald in artikel 168A, lid 4, van het Verdrag .

In afwijking van artikel 18, vierde alinea, van dit Statuut, kan de advocaat-generaal zijn met redenen omklede conclusies schriftelijk indienen .

Artikel 47 Wanneer een tot het Gerecht gericht verzoekschrift of ander processtuk bij vergissing wordt neergelegd bij de griffier van het Hof, wordt het door deze onverwijld doorgezonden aan de griffier van het Gerecht; evenzo,

wanneer een tot het Hof gericht verzoekschrift of ander processtuk bij vergissing wordt neergelegd bij de griffier van het Gerecht, wordt het door deze onverwijld doorgezonden aan de griffier van het Hof .

Wanneer het Gerecht vaststelt dat het niet bevoegd is kennis te nemen van een beroep ten aanzien waarvan het Hof bevoegd is, verwijst het de zaak naar het Hof; evenzo, wanneer het Hof vaststelt dat een beroep tot de bevoegdheid van het Gerecht behoort, verwijst het de zaak naar het Gerecht, dat zich dan niet onbevoegd kan verklaren .

Wanneer bij het Hof en het Gerecht zaken aanhangig worden gemaakt die hetzelfde voorwerp hebben of die dezelfde vraag van uitlegging dan wel de geldigheid van dezelfde handeling betreffen, kan het Gerecht, de partijen gehoord, de behandeling schorsen totdat het Hof arrest heeft gewezen . Wanneer het verzoeken tot nietigverklaring van dezelfde handeling betreft, kan het Gerecht zich ook onbevoegd verklaren opdat het Hof een beslissing geeft over die verzoeken . In de in deze alinea bedoelde gevallen, kan ook het Hof besluiten zijn behandeling te schorsen; de procedure voor het Gerecht vindt dan doorgang .

Artikel 48 Van eindbeslissingen van het Gerecht, beslissingen die het geding ten gronde slechts gedeeltelijk beslechten of die een einde maken aan een procesincident ter zake van onbevoegdheid of niet-ontvankelijkheid, geeft de griffier van het Gerecht kennis aan alle partijen, alsook aan alle Lid-Staten en aan de Instellingen van de Gemeenschap, zelfs indien deze niet in de zaak voor het Gerecht zijn tussengekomen .

Artikel 49 Uiterlijk binnen twee maanden te rekenen vanaf de betekening van de bestreden beslissing kan bij het Hof een verzoek om hogere voorziening worden ingediend tegen eindbeslissingen van het Gerecht, alsmede tegen beslissingen die het geding ten gronde slechts gedeeltelijk beslechten of die een einde maken aan een procesincident ter zake van onbevoegdheid of niet-ontvankelijkheid .

Hogere voorziening staat open voor iedere partij die geheel of gedeeltelijk in het ongelijk is gesteld . Voor andere tussenkomende partijen dan Lid-Staten en Instellingen van de Gemeenschap staat hogere voorziening evenwel slechts open wanneer de beslissing van het Gerecht hun situatie rechtstreeks aantast .

Met uitzondering van zaken betreffende geschillen tussen de Gemeenschappen en hun personeelsleden, staat hogere voorziening eveneens open voor de Lid-Staten en de Instellingen van de Gemeenschap die niet in het geding voor het Gerecht zijn tussengekomen . In dit geval verschilt de positie van die Lid-Staten en Instellingen niet van de positie van Lid-Staten of Instellingen die in eerste aanleg zouden zijn tussengekomen .

Artikel 50 Hogere voorziening bij het Hof staat open tegen beslissingen van het Gerecht, waarbij een verzoek tot tussenkomst wordt afgewezen . Het verzoek om hogere voorziening moet door degene wiens verzoek is afgewezen, worden ingediend binnen twee weken te rekenen vanaf de betekening van de afwijzende beslissing .

Tegen elke beslissing die door het Gerecht krachtens de artikelen 185 of 186 of artikel 192, vierde alinea, van het Verdrag wordt genomen, staat voor de partijen in het geding hogere voorziening open gedurende twee maanden vanaf de betekening ervan .

Van de in de eerste en tweede alinea van dit artikel bedoelde hogere voorziening wordt kennis genomen en er wordt over beslist volgens de in artikel 36 van dit Statuut bedoelde procedure .

Artikel 51 Het verzoek aan het Hof om hogere voorziening kan alleen rechtsvragen betreffen . Het moet gebaseerd zijn op middelen ontleend aan onbevoegdheid van het Gerecht, onregelmatigheden in de procedure voor het Gerecht, waardoor aan de belangen van de verzoekende partij afbreuk is gedaan, dan wel schending van het Gemeenschapsrecht door het Gerecht .

Het verzoek om hogere voorziening kan niet uitsluitend betrekking hebben op de veroordeling in of het bedrag van de proceskosten .

Artikel 52 In geval van hogere voorziening tegen een beslissing van het Gerecht omvat de procedure voor het Hof een schriftelijk en een mondeling gedeelte . Onder de in het reglement voor de procesvoering bepaalde voorwaarden kan het Hof, de advocaat-generaal en de partijen gehoord, zonder mondelinge behandeling beslissen .

Artikel 53 Onverminderd de artikelen 185 en 186 van het Verdrag, heeft het verzoek om hogere voorziening geen opschortende werking .

In afwijking van artikel 187 van het Verdrag treden beslissingen van het Gerecht, waarbij een verordening nietig is verklaard, eerst in werking na afloop van de termijn bedoeld in artikel 49, eerste alinea, van dit Statuut, of, indien binnen deze termijn een verzoek om hogere voorziening is ingediend, nadat dit verzoek is verworpen, onverminderd het feit dat een partij het Hof krachtens de artikelen 185 en 186 van het Verdrag kan verzoeken om opschorting van de werking van de nietig verklaarde verordening of om enige andere voorlopige maatregel .

Artikel 54 In geval van gegrondheid van het verzoek om hogere voorziening vernietigt het Hof de beslissing van het Gerecht . Het kan dan zelf de zaak afdoen wanneer deze in staat van wijzen is, dan wel haar voor afdoening verwijzen naar het Gerecht .

Indien de zaak wordt verwezen, is het Gerecht gebonden aan de beslissing van het Hof over de rechtsvragen .

In geval van gegrondheid van een verzoek om hogere voorziening van een Lid-Staat of een Instelling van de Gemeenschap die in de zaak voor het Gerecht niet is tussengekomen, kan het Hof, indien het zulks noodzakelijk acht, verklaren welke gevolgen van de vernietigde beslissing van het Gerecht als definitief worden beschouwd ten aanzien van de andere partijen in het geschil .''.

Artikel 8 De voormalige artikelen 44, 45 en 46 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Economische Gemeenschap worden onderscheidenlijk de artikelen 55, 56 en 57 .

Artikel 9 In het Protocol betreffende het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie worden na artikel 44 de volgende bepalingen ingevoegd :

"TITEL IV HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN Artikel 45 De artikelen 2 tot en met 8 en 13 tot en met 16 van dit Statuut zijn van toepassing op het Gerecht en op zijn leden . De eed bedoeld in artikel 2 wordt afgelegd voor het Hof en de beslissingen bedoeld in de artikelen 3, 4 en 6 worden genomen door het Hof, het Gerecht gehoord .

Artikel 46 Het Gerecht benoemt de griffier en bepaalt diens positie . De artikelen 9, 10 en 13 van dit Statuut zijn van overeenkomstige toepassing op de griffier van het Gerecht .

De president van het Hof en de president van het Gerecht bepalen in onderlinge overeenstemming de wijze waarop ambtenaren en andere personeelsleden bij het Hof in het belang van de dienst hun diensten aan het Gerecht verlenen . Bepaalde ambtenaren of andere personeelsleden ressorteren onder de griffier van het Gerecht, onder het gezag van de president van het Gerecht .

Artikel 47 De procedure voor het Gerecht wordt geregeld bij titel III van dit Statuut, met uitzondering van de artikelen 20 en 21 .

De procedure voor het Gerecht wordt, voor zover nodig, gepreciseerd en aangevuld door het reglement voor de procesvoering, vastgesteld op de wijze als bepaald in artikel 140A, lid 4, van het Verdrag .

In afwijking van artikel 18, vierde alinea, van dit Statuut, kan de advocaat-generaal zijn met redenen omklede conclusies schriftelijk indienen .

Artikel 48 Wanneer een tot het Gerecht gericht verzoekschrift of ander processtuk bij vergissing wordt neergelegd bij de griffier van het Hof, wordt het door deze onverwijld doorgezonden aan de griffier van het Gerecht; evenzo, wanneer een tot het Hof gericht verzoekschrift of ander processtuk bij vergissing wordt neergelegd bij de griffier van het Gerecht, wordt het door deze onverwijld doorgezonden aan de griffier van het Hof .

Wanneer het Gerecht vaststelt dat het niet bevoegd is kennis te nemen van een beroep ten aanzien waarvan het Hof bevoegd is, verwijst het de zaak naar het Hof; evenzo, wanneer het Hof vaststelt dat een beroep tot de bevoegdheid van het Gerecht behoort, verwijst het de zaak naar het Gerecht, dat zich dan niet onbevoegd kan verklaren .

Wanneer bij het Hof en het Gerecht zaken aanhangig worden gemaakt die hetzelfde voorwerp hebben of die dezelfde vraag van uitlegging dan wel de geldigheid van dezelfde handeling betreffen, kan het Gerecht, de partijen gehoord, de behandeling schorsen totdat het Hof arrest heeft gewezen . Wanneer het verzoeken tot nietigverklaring van dezelfde handeling betreft, kan het Gerecht zich ook onbevoegd verklaren opdat het Hof een beslissing geeft over die verzoeken . In de in deze alinea bedoelde gevallen, kan ook het Hof besluiten zijn behandeling te schorsen; de procedure voor het Gerecht vindt dan doorgang .

Artikel 49 Van eindbeslissingen van het Gerecht, beslissingen die het geding ten gronde slechts gedeeltelijk beslechten of die een einde maken aan een procesincident ter zake van onbevoegdheid of niet-ontvankelijkheid, geeft de griffier van het Gerecht kennis aan alle partijen, alsook aan alle Lid-Staten en aan de Instellingen van de Gemeenschap, zelfs indien deze niet in de zaak voor het Gerecht zijn tussengekomen .

Artikel 50 Uiterlijk binnen twee maanden te rekenen vanaf de betekening van de bestreden beslissing kan bij het Hof een verzoek om hogere voorziening worden ingediend tegen eindbeslissingen van het Gerecht, alsmede tegen beslissingen die het geding ten gronde slechts gedeeltelijk beslechten of die een einde maken aan een procesincident ter zake van onbevoegdheid of niet-ontvankelijkheid .

Hogere voorziening staat open voor iedere partij die geheel of gedeeltelijk in het ongelijk is gesteld . Voor andere tussenkomende partijen dan Lid-Staten en Instellingen van de Gemeenschap staat hogere voorziening evenwel slechts open wanneer de beslissing van het Gerecht hun situatie rechtstreeks aantast .

Met uitzondering van zaken betreffende geschillen tussen de Gemeenschappen en hun personeelsleden, staat hogere voorziening eveneens open voor de Lid-Staten en de Instellingen van de Gemeenschap die niet in het geding voor het Gerecht zijn tussengekomen . In dit geval verschilt de positie van die Lid-Staten en Instellingen niet van de positie van Lid-Staten of Instellingen die in eerste aanleg zouden zijn tussengekomen .

Artikel 51 Hogere voorziening bij het Hof staat open tegen beslissingen van het Gerecht, waarbij een verzoek tot tussenkomst wordt afgewezen . Het verzoek om hogere voorziening moet door degene wiens verzoek is afgewezen, worden ingediend binnen twee weken te rekenen vanaf de betekening van de afwijzende beslissing .

Tegen elke beslissing die door het Gerecht krachtens de artikelen 157 of 158 of artikel 164, derde alinea, van het Verdrag wordt genomen, staat voor de partijen in het geding hogere voorziening open gedurende twee maanden vanaf de betekening ervan .

Van de in de eerste en tweede alinea van dit artikel bedoelde hogere voorziening wordt kennis genomen en er wordt over beslist volgens de in artikel 37 van dit Statuut bedoelde procedure .

Artikel 52 Het verzoek aan het Hof om hogere voorziening kan alleen rechtsvragen betreffen . Het moet gebaseerd zijn op middelen ontleend aan onbevoegdheid van het Gerecht, onregelmatigheden in de procedure voor het Gerecht, waardoor aan de belangen van de betrokken partij afbreuk is gedaan, dan wel schending van het Gemeenschapsrecht door het Gerecht .

Het verzoek om hogere voorziening kan niet uitsluitend betrekking hebben op de veroordeling in of het bedrag van de proceskosten .

Artikel 53 In geval van hogere voorziening tegen een beslissing van het Gerecht omvat de procedure voor het Hof een schriftelijk en een mondeling gedeelte . Onder de in het reglement voor de procesvoering bepaalde voorwaarden kan het Hof, de advocaat-generaal en de partijen gehoord, zonder mondelinge behandeling beslissen .

Artikel 54 Onverminderd de artikelen 157 en 158 van het Verdrag, heeft het verzoek om hogere voorziening geen opschortende werking .

In afwijking van artikel 159 van het Verdrag treden beslissingen van het Gerecht, waarbij een verordening nietig is verklaard, eerst in werking na afloop van de termijn bedoeld in artikel 50, eerste alinea, van dit Statuut, of, indien binnen deze termijn een verzoek om hogere voorziening is ingediend, nadat dit verzoek is verworpen, onverminderd het feit dat een partij het Hof krachtens de artikelen 157 en 158 van het Verdrag kan verzoeken om opschorting van de werking van de nietig verklaarde verordening of om enige andere voorlopige maatregel .

Artikel 55 In geval van gegrondheid van het verzoek om hogere voorziening vernietigt het Hof de beslissing van het Gerecht . Het kan dan zelf de zaak afdoen wanneer deze in staat van wijzen is, dan wel haar voor afdoening verwijzen naar het Gerecht .

Indien de zaak opnieuw naar het Gerecht wordt verwezen, is dit gebonden aan de beslissing van het Hof over de rechtsvragen .

In geval van gegrondheid van een verzoek om hogere voorziening van een Lid-Staat of een Instelling van de Gemeenschap die in de zaak voor het Gerecht niet is tussengekomen, kan het Hof, indien het zulks noodzakelijk acht, verklaren welke gevolgen van de vernietigde beslissing van het Gerecht als definitief worden beschouwd ten aanzien van de andere partijen in het geschil .''.

Artikel 10 De voormalige artikelen 45, 46 en 47 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie worden onderscheidenlijk de artikelen 56, 57 en 58 .

Artikel 11 De President van het Gerecht wordt voor de eerste keer aangewezen voor drie jaren op dezelfde wijze als de andere leden . De Regeringen van de Lid-Staten kunnen echter in onderlinge overeenstemming besluiten dat de in artikel 2, lid 2, bedoelde procedure wordt gevolgd .

Onmiddellijk na zijn samenstelling stelt het Gerecht zijn reglement voor de procesvoering vast .

Tot de inwerkingtreding van het reglement voor de procesvoering van het Gerecht is het reglement voor de procesvoering van het Hof van overeenkomstige toepassing .

Artikel 12 Onmiddellijk nadat alle leden van het Gerecht de eed hebben afgelegd, gaat de Voorzitter van de Raad over tot aanwijzing, bij loting, van de leden van het Gerecht die aan het einde van de eerste periode van drie jaar overeenkomstig artikel 32 quinquies, lid 3, van het EGKS-Verdrag, artikel 168A, lid 3, van het EEG-Verdrag, en artikel 140A, lid 3, van het EGA-Verdrag, moeten worden vervangen .

Artikel 13 Dit besluit treedt in werking op de dag volgende op die van zijn bekendmaking in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen, met uitzondering van artikel 3, dat in werking treedt op de dag van de bekendmaking, in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen, van de vaststelling door de President van het Hof, dat het Gerecht regelmatig is samengesteld .

Artikel 14 De zaken bedoeld in artikel 3, die op de dag van inwerkingtreding van dat artikel bij het Hof aanhangig zijn en waarin het voorlopig rapport bedoeld in artikel 44, paragraaf 1, van het reglement voor de procesvoering van het Hof, nog niet is uitgebracht, worden verwezen naar het Gerecht ten einde in eerste aanleg te worden berecht .

Gedaan te Luxemburg, 24 oktober 1988 .

Voor de Raad De Voorzitter Th . PANGALOS EWG:L111UMBH00.96 FF : 1UHO; SETUP : 01; Hoehe : 3698 mm; 711 Zeilen; 33420 Zeichen;

Bediener : JUTT Pr .: C;

Kunde :

( 1 ) PB nr . C 187 van 18 . 7 . 1988, blz . 227 .

Top