EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 31988A0525

88/525/EEG: Advies van de Commissie van 28 september 1988 gericht tot de Regering van het Koninkrijk Denemarken aangaande een wetsontwerp inzake het vervoer van goederen over de weg (Slechts de tekst in de Deense taal is authentiek)

OJ L 288, 21.10.1988, p. 44–45 (ES, DA, DE, EL, EN, FR, IT, NL, PT)

In force

ELI: http://data.europa.eu/eli/opin/1988/525/oj

31988A0525

88/525/EEG: Advies van de Commissie van 28 september 1988 gericht tot de Regering van het Koninkrijk Denemarken aangaande een wetsontwerp inzake het vervoer van goederen over de weg (Slechts de tekst in de Deense taal is authentiek)

Publicatieblad Nr. L 288 van 21/10/1988 blz. 0044 - 0045


*****

ADVIES VAN DE COMMISSIE

van 28 september 1988

gericht tot de Regering van het Koninkrijk Denemarken aangaande een wetsontwerp inzake het vervoer van goederen over de weg

(Slechts de tekst in de Deense taal is authentiek)

(88/525/EEG)

Overeenkomstig artikel 1 van de beschikking van de Raad van 21 maart 1962 houdende vaststelling van een procedure voor het voorafgaande onderzoek en overleg omtrent bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen welke door de Lid-Staten op het gebied van het vervoer worden overwogen (1), zoals gewijzigd bij Beschikking 73/402/EEG (2), deed de Deense Regering in een brief van haar Permanente Vertegenwoordiging bij de Europese Gemeenschappen van 8 februari 1988 de Commissie mededeling van een wetsontwerp inzake het goederenvervoer over de weg.

De brief van de Permanente Vertegenwoordiging van Denemarken bereikte de Commissie op 10 februari 1988 en de inhoud hiervan werd, overeenkomstig artikel 1 van voornoemde beschikking van de Raad, eveneens aan de overige Lid-Staten medegedeeld.

Op initiatief van de Commissie vond op 16 mei 1988 in Brussel een voorlichtingsbijeenkomst met de Deense Regering plaats. De Commissie achtte het niet wenselijk om over bedoelde bepalingen met alle Lid-Staten overleg te plegen en geen enkele Lid-Staat heeft om overleg verzocht.

Krachtens artikel 2, lid 1, van de beschikking van de Raad brengt de Commissie het volgende advies uit:

1. De Commissie constateert dat het wetsontwerp volgens de Deense Regering ten doel heeft de kwantitatieve beperkingen op de toegang tot de markt van het nationale goederenvervoer over de weg in Denemarken op te heffen. Voor de toegang tot deze markt zullen slechts kwalitatieve criteria, waaraan de vervoerondernemers moeten beantwoorden, gelden.

Voorts beoogt het wetsontwerp de voorwaarden voor intrekking van vervoervergunningen vast te stellen en de bijzondere, voor het verrichten van het regelmatig goederenvervoer vereiste vergunningen af te schaffen.

Tenslotte zal de nieuwe, door de Deense Regering overwogen wettelijke regeling bepalingen omvatten ter uitvoering van de besluiten van de Raad van de Europese Gemeenschappen tot invoering van het vrij verrichten van diensten in de sector nationaal goederenvervoer over de weg in Denemarken.

2. De Commissie keurt het initiatief van de Deense Regering goed dat beoogt de mededingingsvoorwaarden tussen ondernemers voor beroepsvervoer gelijk te maken, de sociale situatie van de werknemers te verbeteren en de verkeersveiligheid te verhogen. De door de Deense Regering overwogen opheffing van de kwantitatieve beperkingen en hun vervanging door kwalitatieve voorwaarden voor het verkrijgen van toegang tot de markt zijn in overeenstemming met hetgeen door de Commissie wordt voorgestaan en met Verordening (EEG) nr. 1841/88 van de Raad van 21 juni 1988 houdende wijziging van Verordening (EEG) nr. 3164/76 betreffende het communautaire contingent voor het goederenvervoer over de weg tussen de Lid-Staten (3). Aldus zal er in Denemarken overeenstemming zijn tussen de bepalingen inzake het nationale vervoer en die inzake het internationale vervoer tussen de Lid-Staten. Deze overeenstemming zal dit vervoer en de voltooiing van de interne markt in de sector goederenvervoer over de weg alleen maar kunnen vergemakkelijken.

3. De Commissie neemt nota van de overwogen definitie van vervoer voor eigen rekening (artikel 1, lid 4, van het Deense wetsontwerp). Zij stelt vast dat deze definitie afwijkt van die in punt 11 van bijlage I van de eerste richtlijn van de Raad van 23 juli 1962 inzake de vaststelling van gemeenschappelijke regels voor bepaalde soorten goederenvervoer over de weg tussen Lid-Staten (1), zoals deze met name bij Richtlijn 80/49/EEG (2) werd gewijzigd. De Commissie stelt derhalve voor de communautaire definitie te gebruiken.

4. De Commissie neemt nota van de door de vertegenwoordigers van de Deense Regering in voornoemde voorlichtingsbijeenkomst afgelegde verklaringen, volgens welke het bepaalde in artikel 1, lid 2, artikel 3, lid 2, en artikel 4, lid 4, van het Deense wetsontwerp met name de verwezenlijking van het vrij verrichten van diensten voor het binnen Denemarken verrichte goederenvervoer over de weg beoogt. De Commissie meent echter dat de verwijzing naar »internationale overeenkomsten" in deze artikelen van het wetsontwerp te vaag is om het vrij verrichten van diensten voor het goederenvervoer te garanderen ten aanzien van het afgeleide communautaire recht, dat wil zeggen ten aanzien van de door de Raad van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 75, lid 1, onder b), van het EEG-Verdrag te nemen besluiten. De Commissie stelt derhalve voor de huidige tekst van deze artikelen te wijzigen en hieraan een uitdrukkelijke verwijzing naar het »Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap en het hiervan afgeleide recht" toe te voegen en deze vóór de woorden »internationale overeenkomsten" in de tekst van voornoemde artikelen van de Deense wet in te lassen.

5. De Commissie stelt vast dat artikel 14, lid 2, voortzetting van de exploitatie van een vervoeronderneming mogelijk maakt in geval van overlijden of lichamelijke of wettelijke onbekwaamheid van de persoon die de werkzaamheden van vervoer verricht. De Commissie wijst de Deense Regering erop dat, krachtens artikel 4, lid 1, van Richtlijn 74/561/EEG van de Raad van 12 november 1974 inzake de toegang tot het beroep van ondernemer van nationaal goederenvervoer over de weg (3), zoals gewijzigd bij Richtlijn 85/578/EEG (4), deze voorlopige voortzetting van de exploitatie van de onderneming een periode van één jaar, die in naar behoren gemotiveerde speciale gevallen met maximaal zes maanden kan worden verlengd, niet mag overschrijden. Voorts kunnen de Deense autoriteiten bij uitzondering, overeenkomstig artikel 4, lid 2, van Richtlijn 74/561/EEG, in sommige bijzondere gevallen toestaan dat de exploitatie van een vervoeronderneming definitief wordt voortgezet door een persoon die niet aan de in artikel 3, lid 1, onder c), van Richtlijn 74/561/EEG bedoelde voorwaarde van vakbekwaamheid voldoet, maar die wel over een praktische ervaring van ten minste drie jaar in het dagelijks beheer van die onderneming beschikt.

6. De Commissie verzoekt de Deense Regering haar te zijner tijd op de hoogte te stellen van de met het oog op de toepassing van de wet inzake het goederenvervoer over de weg getroffen uitvoeringsmaatregelen.

Gedaan te Brussel, 28 september 1988.

Voor de Commissie

Stanley CLINTON DAVIS

Lid van de Commissie

(1) PB nr. 23 van 3. 4. 1962, blz. 720/62.

(2) PB nr. L 347 van 17. 12. 1973, blz. 48.

(3) PB nr. L 163 van 30. 6. 1988, blz. 1.

(1) PB nr. 70 van 6. 8. 1962, blz. 2005/62.

(2) PB nr. L 18 van 24. 1. 1980, blz. 23.

(3) PB nr. L 308 van 19. 11. 1974, blz. 18.

(4) PB nr. L 372 van 31. 12. 1985, blz. 34.

Top