EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 31986R4057

Verordening (EEG) nr. 4057/86 van de Raad van 22 december 1986 betreffende oneerlijke tariefpraktijken in het vervoer over zee

OJ L 378, 31.12.1986, p. 14–20 (ES, DA, DE, EL, EN, FR, IT, NL, PT)
Special edition in Czech: Chapter 07 Volume 001 P. 251 - 257
Special edition in Estonian: Chapter 07 Volume 001 P. 251 - 257
Special edition in Latvian: Chapter 07 Volume 001 P. 251 - 257
Special edition in Lithuanian: Chapter 07 Volume 001 P. 251 - 257
Special edition in Hungarian Chapter 07 Volume 001 P. 251 - 257
Special edition in Maltese: Chapter 07 Volume 001 P. 251 - 257
Special edition in Polish: Chapter 07 Volume 001 P. 251 - 257
Special edition in Slovak: Chapter 07 Volume 001 P. 251 - 257
Special edition in Slovene: Chapter 07 Volume 001 P. 251 - 257
Special edition in Bulgarian: Chapter 07 Volume 002 P. 13 - 19
Special edition in Romanian: Chapter 07 Volume 002 P. 13 - 19
Special edition in Croatian: Chapter 07 Volume 019 P. 3 - 9

In force

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/1986/4057/oj

31986R4057

Verordening (EEG) nr. 4057/86 van de Raad van 22 december 1986 betreffende oneerlijke tariefpraktijken in het vervoer over zee

Publicatieblad Nr. L 378 van 31/12/1986 blz. 0014 - 0020


VERORDENING (EEG) Nr. 4057/86 VAN DE RAAD

van 22 december 1986

betreffende oneerlijke tariefpraktijken in het vervoer over zee

DE RAAD VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, inzonderheid op artikel 84, lid 2,

Gezien de ontwerp-verordening ingediend door de Commissie,

Gezien het advies van het Europese Parlement (1),

Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité (2),

Overwegende dat er, onder meer op grond van het in Beschikking 78/774/EEG (3) bedoelde informatiesysteem, aanleiding bestaat om aan te nemen dat de concurrentiepositie van de reders van de Gemeenschap in de internationale lijnvaart nadelig beïnvloed wordt door bepaalde oneerlijke praktijken van scheepvaartondernemingen uit derde landen;

Overwegende dat de structuur van de zeevervoersector van de Gemeenschap zo is dat de bepalingen van deze verordening ook van toepassing dienen te zijn op onderdanen van de Lid-Staten die buiten de Gemeenschap zijn gevestigd en op rederijen die buiten de Gemeenschap zijn gevestigd en die worden gecontroleerd door onderdanen van een Lid-Staat, indien hun vaartuigen zijn geregistreerd in deze Lid-Staat overeenkomstig zijn wetgeving;

Overwegende dat deze praktijken erin bestaan, voor het vervoer van bepaalde goederen steeds vrachttarieven toe te passen die lager zijn dan de laagste tarieven die door een gevestigde en representatieve "non-conference''-rederij voor dezelfde goederen worden toegepast;

Overwegende dat dergelijke tariefpraktijken mogelijk gemaakt worden door niet-commerciële voordelen die worden toegekend door een Staat die geen lid van de Gemeenschap is;

Overwegende dat de Gemeenschap compenserende maat-

regelen moet kunnen nemen tegen dergelijke tariefpraktijken;

Overwegende dat er geen internationaal overeengekomen regels bestaan betreffende hetgeen een oneerlijke prijs is op het gebied van het zeevervoer;

Overwegende dat om oneerlijke tariefpraktijken te kunnen vaststellen, dient te worden voorzien in een aangepaste

berekeningsmethode; dat bij de berekening van het "normale vrachttarief'' rekening moet worden gehouden met de vergelijkbare vrachttarieven die daadwerkelijk worden toegepast door gevestigde en representatieve ondernemingen, die binnen of buiten een conference werkzaam zijn of anders met een aangenomen tarief dat berust op de kosten van vergelijkbare ondernemingen met een redelijke winstmarge;

Overwegende dat het dienstig is een aantal factoren te omschrijven die van belang kunnen zijn bij de vaststelling van schade;

Overwegende dat de procedures moeten worden vastgesteld voor de indiening van een klacht door een ieder die optreedt namens rederijen uit de Gemeenschap die zich geschaad of bedreigd achten door oneerlijke tariefpraktijken; dat het dienstig lijkt er duidelijk op te wijzen dat bij intrekking van een klacht de procedure kan, maar niet noodzakelijk behoeft te worden beëindigd;

Overwegende dat er samenwerking moet zijn tussen de Lid-Staten en de Commissie zowel voor uitwisseling van informatie over het bestaan van oneerlijke tariefpraktijken en de daaruit voortvloeiende schade, als voor het daaropvolgende onderzoek naar de feiten op communautair niveau; dat hiertoe overleg moet plaatsvinden in een raadgevend co-

mité;

Overwegende dat het dienstig is duidelijk aan te geven welke procedurevoorschriften bij het onderzoek moeten worden nageleefd, in het bijzonder welke de rechten en verplichtingen van de communautaire autoriteiten en die van de betrokken partijen zijn, en onder welke voorwaarden de belanghebbende partijen toegang kunnen krijgen tot gegevens en kunnen verzoeken op de hoogte te worden gebracht van de belangrijkste feiten en overwegingen op grond waarvan wordt overwogen compenserende rechten voor te stellen;

Overwegende dat het, ten einde oneerlijke tariefpraktijken tegen te gaan, maar zonder de prijsconcurrentie voor "non-conference''-lijnen die werken op een eerlijke en commerciële basis te beletten, te beperken of te vervalsen, dienstig is om, wanneer uit de definitieve vaststelling van de feiten blijkt dat er van oneerlijke tariefpraktijken en schade sprake is, te voorzien in de mogelijkheid compenserende rechten op te leggen op bijzondere gronden;

Overwegende dat het noodzakelijk is gemeenschappelijke voorschriften voor de toepassing van compenserende rechten vast te stellen ten einde een correcte en uniforme heffing daarvan te verzekeren; dat bedoelde voorschriften, gelet op de aard van die rechten, kunnen afwijken van de voorschriften voor de heffing van de normaal bij invoer verschuldigde rechten;

Overwegende dat moet worden gezorgd voor open en rechtvaardige procedures voor de toetsing van genomen maatregelen en voor de heropening van het onderzoek indien de omstandigheden zulks vereisen;

Overwegende dat passende procedures voor het onderzoek van de verzoeken tot terugbetaling van compenserende rechten moeten worden vastgesteld,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Werkingssfeer

Bij deze verordening wordt de procedure vastgesteld die moet worden gevolgd om te reageren op oneerlijke tariefpraktijken van bepaalde rederijen uit derde landen in het internationale lijnvervoer van goederen, die het patroon van het vrachtvervoer op een bepaalde route naar, van of binnen de Gemeenschap ernstig verstoren en aanzienlijke materiële schade berokkenen of dreigen te berokkenen aan rederijen uit de Gemeenschap die dit vervoer verzorgen en aan de belangen van de Gemeenschap.

Artikel 2

Als reactie op de in artikel 1 bedoelde oneerlijke tariefpraktijken die aanzienlijke schade berokkenen, kan de Gemeenschap een compenserend recht instellen.

Een dreiging van aanzienlijke schade kan alleen aanleiding geven tot een onderzoek in de zin van artikel 4.

Artikel 3

In de zin van deze verordening wordt verstaan onder:

a)

"rederijen uit derde landen'': andere dan onder d) genoemde ondernemingen voor het lijnvervoer van goederen;

b)

"oneerlijke tariefpraktijken'': het op een bepaalde scheepvaartroute naar, van of binnen de Gemeenschap voor welbepaalde of voor alle goederen steeds toepassen van een vrachttarief dat lager is dan het normale dat gedurende ten minste zes maanden is toegepast, wanneer deze lagere tarieven mogelijk zijn geworden doordat de betrokken rederij niet-commerciële voordelen geniet die haar worden toegekend door een Staat die geen lid van de Gemeenschap is;

c)

bij de vaststelling van het "normale vrachttarief'' wordt rekening gehouden met:

i)

het vergelijkbare tarief dat normaliter voor soortgelijke diensten op dezelfde of een vergelijkbare route in het scheepvaartvervoer wordt toegepast door gevestigde en representatieve ondernemingen, die de onder b) genoemde voordelen niet genieten;

ii)

of anders, het aangenomen tarief, dat wordt bepaald op basis van de kosten van vergelijkbare ondernemingen die de onder b) genoemde voordelen niet genieten, vermeerderd met een redelijke winstmarge. Deze

kosten worden berekend op basis van alle kosten die normaliter worden gemaakt bij het verzorgen van

scheepvaartvervoer, zowel vaste als variabele kosten, vermeerderd met een redelijk bedrag voor overhead-kosten;

d)

"rederijen uit de Gemeenschap'':

- alle scheepvaartondernemingen voor goederenvervoer die overeenkomstig het Verdrag in een Lid-Staat van de Gemeenschap zijn gevestigd;

- onderdanen van de Lid-Staten die buiten de Gemeenschap zijn gevestigd en buiten de Gemeenschap gevestigde scheepvaartondernemingen voor goederenvervoer die door onderdanen van de Lid-Staten worden gecontroleerd, indien hun schepen in een Lid-Staat zijn geregistreerd overeenkomstig de wetgeving van die Lid-Staat.

Artikel 4

Onderzoek naar schade

1. Een onderzoek naar schade heeft betrekking op de volgende factoren:

a) het door de concurrenten van de rederijen uit de Lid-Staten aangeboden vrachttarief, waarbij in het bijzonder wordt nagegaan of er op de betrokken scheepvaartroute, rekening houdende met het serviceniveau van alle betrokken vervoerders, aanzienlijke onderbieding heeft plaatsgevonden ten opzichte van het normale vrachttarief dat wordt aangeboden door de rederijen uit de Lid-Staten;

b) de gevolgen van deze factoren voor de rederijen uit de Gemeenschap, blijkend uit de tendensen in bepaalde economische grootheden, zoals:

- afvaarten,

- bezettingsgraad,

- boeking van lading,

- marktaandeel,

- vrachttarieven (dat wil zeggen neerwaartse druk op de vrachttarieven of het niet-plaatsvinden van vrachttariefverhogingen die normaal zouden hebben plaatsgevonden),

- winsten,

- rendement van kapitaal,

- investeringen,

- werkgelegenheid.

2. Wanneer dreiging van schade wordt aangevoerd, kan de Commissie ook nagaan of het duidelijk te voorzien is dat een bepaalde situatie naar alle waarschijnlijkheid tot werkelijke schade leidt. In dit verband kan ook met factoren rekening worden gehouden als:

a) de stijging van de tonnage op de scheepvaartroute waarop de concurrentie met de rederijen uit de Gemeenschap plaatsvindt;

b) de reeds ter beschikking staande of in de nabije toekomst ter beschikking komende capaciteit in het land van de buitenlandse rederijen en de waarschijnlijkheid dat de uit

die capaciteit voortkomende tonnage op de onder a) bedoelde scheepvaartroute zal worden gebruikt.

3. Schade veroorzaakt door andere factoren, die afzonderlijk of gecombineerd eveneens nadelige gevolgen voor de rederijen in de Gemeenschap hebben, mag niet aan de hier behandelde praktijken worden toegeschreven.

Artikel 5

Klachten

1. Iedere natuurlijke of rechtspersoon, alsmede iedere vereniging zonder rechtspersoonlijkheid die optreedt namens de scheepvaartindustrie van de Gemeenschap welke zich geschaad of bedreigd acht door oneerlijke tariefpraktijken, kan een schriftelijke klacht indienen.

2. De klacht moet voldoende bewijsmateriaal bevatten betreffende het bestaan van oneerlijke tariefpraktijken en de daaruit voortvloeiende schade.

3. De klacht kan worden ingediend bij de Commissie of bij een Lid-Staat, die deze ter kennis brengt van de Commissie. De Commissie zendt de Lid-Staten een afschrift van elke ontvangen klacht.

4. De klacht kan worden ingetrokken, in welk geval de procedure kan worden beëindigd, tenzij zulks niet in het belang van de Gemeenschap zou zijn.

5. Wanneer na overleg blijkt dat de klacht niet voldoende bewijsmateriaal bevat om instelling van een onderzoek te rechtvaardigen, wordt de klager hiervan in kennis gesteld.

6. Wanneer een Lid-Staat, zonder dat een klacht is ingediend, over voldoende bewijsmateriaal beschikt zowel betreffende oneerlijke tariefpraktijken als betreffende schade die daaruit voor rederijen uit de Gemeenschap voortvloeit, brengt hij dit bewijsmateriaal onmiddellijk ter kennis van de Commissie.

Artikel 6

Overleg

1. Het in deze verordening bedoelde overleg vindt plaats in een raadgevend Comité dat bestaat uit vertegenwoordigers van elke Lid-Staat en waarvan het voorzitterschap wordt bekleed door een vertegenwoordiger van de Commissie. Met het overleg wordt onmiddellijk een aanvang gemaakt, op verzoek van een Lid-Staat of op initiatief van de Commissie.

2. Het Comité komt bijeen op uitnodiging van de Voorzitter. Deze verstrekt de Lid-Staten zo spoedig mogelijk de nodige gegevens.

3. Zo nodig kan het overleg louter schriftelijk plaatsvinden; in dit geval stelt de Commissie de Lid-Staten in kennis onder opgave van een termijn waarbinnen deze hun mening

kunnen geven of om mondeling overleg kunnen verzoeken.

4. Het overleg heeft in het bijzonder betrekking op:

a) het bestaan van oneerlijke tariefpraktijken en het niveau daarvan;

b) het bestaan en de omvang van de schade;

c) het oorzakelijk verband tussen de oneerlijke tariefpraktijken en de schade;

d) de onder de gegeven omstandigheden passende maatregelen om de door oneerlijke tariefpraktijken veroorzaakte schade te voorkomen of te herstellen, alsmede de wijze van toepassing daarvan.

Artikel 7

Aanvang van de procedure en daaropvolgend onderzoek

1. Wanneer na overleg blijkt dat er voldoende bewijsmateriaal is om de opening van een procedure te rechtvaardigen, moet de Commissie onmiddellijk:

a)

de aanvang van een procedure in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen aankondigen; deze aankondiging bevat de naam en het land van vestiging van de betrokken buitenlandse rederij, een samenvatting van de ontvangen gegevens en de mededeling dat alle dienstige gegevens aan de Commissie dienen te worden toegezonden; in de aankondiging wordt tevens de termijn vermeld waarbinnen de belanghebbende partijen hun standpunt schriftelijk kenbaar kunnen maken en kunnen verzoeken om door de Commissie overeenkomstig lid 5 te worden gehoord;

b)

de rederijen, verladers en expediteurs waarvan de Commissie weet dat zij betrokken zijn, alsmede de klagers hiervan in kennis stellen;

c)

op communautair niveau een aanvang maken met het onderzoek, in samenwerking met de Lid-Staten; dit onderzoek heeft zowel betrekking op oneerlijke tariefpraktijken als op de daaruit voortvloeiende schade, en vindt plaats overeenkomstig het bepaalde in de leden 2 tot en met 8; het onderzoek naar oneerlijke tariefpraktijken bestrijkt normaal een onmiddellijk aan de inleiding van de procedure voorafgaande periode van niet minder dan zes maanden.

2.

a)

In voorkomend geval wint de Commissie alle door haar nodig geachte inlichtingen in; zij tracht deze te verifiëren bij de rederijen, agentschappen, verladers, expediteurs, conferences, verenigingen en organisaties, op voorwaarde dat de betrokken ondernemingen of organisaties daarmee instemmen.

b)

Zo nodig stelt de Commissie, na overleg, een onderzoek in derde landen in, op voorwaarde dat de betrokken ondernemingen daarmee instemmen en de regering van het betrokken land daarvan officieel in

kennis is gesteld en geen bezwaar maakt. De Commissie wordt bijgestaan door ambtenaren van de Lid-Staten die de wens daartoe te kennen geven.

3.

a)

De Commissie kan de Lid-Staten verzoeken:

- haar gegevens te verstrekken;

- alle nodige verificaties en controles te verrichten, met name bij verladers, expediteurs, rederijen uit de Gemeenschap en hun agentschappen;

- onderzoekingen in derde landen in te stellen, op voorwaarde dat de betrokken ondernemingen daarmee instemmen en de regering van het betrokken land daarvan officieel in kennis is gesteld en geen bezwaar maakt.

b)

De Lid-Staten treffen de nodige maatregelen om aan de verzoeken van de Commissie te voldoen. Zij brengen de gevraagde gegevens en de resultaten van de verrichte verificaties, controles of onderzoekingen te harer kennis.

c)

Wanneer deze gegevens van algemeen belang zijn of wanneer een Lid-Staat om toezending daarvan verzoekt, doet de Commissie deze gegevens aan de Lid-Staten toekomen, mits deze niet vertrouwelijk zijn, in welk geval een niet-vertrouwelijke samenvatting wordt verstrekt.

d)

Ambtenaren van de Commissie kunnen, op verzoek van de Commissie of van een Lid-Staat, de ambtenaren van de Lid-Staten bijstaan bij hun werkzaamheden.

4.

a)

De klager en de als betrokken bekende verladers en rederijen worden in de gelegenheid gesteld kennis te nemen van alle gegevens die de bij het onderzoek betrokken partijen aan de Commissie hebben verstrekt, met uitzondering van de door de autoriteiten van de Gemeenschap of van haar Lid-Staten opgestelde interne documenten, voor zover deze gegevens voor de behartiging van hun belangen van betekenis zijn, niet vertrouwelijk zijn in de zin van artikel 8 en door de Commissie bij het onderzoek worden gebruikt. Zij richten daartoe een schriftelijk verzoek tot de Commissie met opgave van de gewenste gegevens.

b)

De rederijen waarop het onderzoek betrekking heeft en de klager kunnen verzoeken op de hoogte te worden gebracht van de belangrijkste feiten en overwegingen op grond waarvan wordt overwogen instelling van compenserende rechten aan te bevelen.

c)

IIi)

Verzoeken om gegevens op grond van het bepaalde onder b):

- moeten schriftelijk bij de Commissie worden ingediend;

- moeten een nadere omschrijving bevatten van de specifieke punten waarover gegevens worden gevraagd.

Iii)

De gegevens kunnen mondeling of schriftelijk worden verstrekt, ter keuze van de Commissie. Zij lopen niet vooruit op eventuele besluiten

die later door de Raad kunnen worden genomen. Vertrouwelijke inlichtingen worden overeenkomstig artikel 8 behandeld.

iii)

De gegevens mogen normaal niet later worden verstrekt dan vijftien dagen vóór de indiening door de Commissie van een voorstel voor maatregelen ingevolge artikel 11. Op- of aanmerkingen die worden ingediend nadat de gegevens zijn verstrekt, worden alleen dan in aanmerking genomen wanneer zij worden ontvangen binnen een door de Commissie, met inachtneming van de urgentie van de zaak, per geval vast te stellen termijn die ten minste tien dagen bedraagt.

5. De Commissie kan de belanghebbende partijen horen. Zij moeten worden gehoord indien zij binnen de termijn, vastgesteld in de aankondiging die in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen is geplaatst, hierom schriftelijk hebben gevraagd en daarbij hebben aangetoond dat zij belanghebbende partij zijn voor wie de uitkomsten van de procedure gevolgen kunnen hebben en dat zij bijzondere redenen hebben om te worden gehoord.

6. Daarenboven stelt de Commissie desgevraagd de rechtstreeks betrokken partijen in de gelegenheid elkaar te ontmoeten ten einde hun standpunten tegenover elkaar te stellen en elkaars argumenten te weerleggen. Zij houdt daarbij rekening met de noodzaak het vertrouwelijk karakter van de gegevens te bewaren en met de vraag of de ontmoeting de partijen gelegen komt. Geen enkele partij is verplicht een ontmoeting bij te wonen en de afwezigheid van een partij mag haar zaak niet schaden.

7. a) De bepalingen van dit artikel beletten de Raad niet voorlopige vaststellingen te doen of onverwijld maatregelen toe te passen.

b) Wanneer een belanghebbende partij toegang weigert te verlenen tot de nodige gegevens of deze gegevens niet binnen een redelijke termijn verstrekt, of het onderzoek in belangrijke mate belemmert, kunnen conclusies, in bevestigende of in negatieve zin, worden getrokken op grond van de beschikbare gegevens.

8. Een procedure inzake oneerlijke tariefpraktijken vormt geen beletsel voor de inklaring van de goederen waarop de betrokken vrachttarieven betrekking hebben.

9. a) Een onderzoek wordt afgesloten hetzij door beëindiging, hetzij door het nemen van maatregelen ingevolge artikel 11. In het algemeen dient het onderzoek binnen een jaar na de aanvang van de procedure te zijn afgesloten.

b) Een procedure wordt afgesloten hetzij door beëindiging van het onderzoek zonder instelling van rechten en zonder de aanvaarding van verbintenissen, hetzij door het vervallen of intrekken van dergelijke rechten, hetzij door de beëindiging van verbintenissen overeenkomstig artikel 14 of 15.

31. 12. 86

Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen

Artikel 8

Vertrouwelijkheid

1. De krachtens deze verordening verkregen gegevens mogen slechts worden gebruikt voor het doel waarvoor zij gevraagd zijn.

2. a) De Raad, de Commissie, de Lid-Staten en hun

ambtenaren, mogen de gegevens die hun krachtens deze verordening ter kennis zijn gekomen en door een partij met verzoek om vertrouwelijke behandeling zijn verstrekt, niet bekendmaken, tenzij deze uitdrukkelijk in bekendmaking heeft toegestemd.

b) Elk verzoek om vertrouwelijke behandeling vermeldt waarom de gegevens vertrouwelijk zijn en gaat vergezeld van een niet-vertrouwelijke samenvatting van de gegevens of van een opgave van de redenen waarom de gegevens niet kunnen worden samengevat.

3. Gegevens worden gewoonlijk als vertrouwelijk beschouwd indien bekendmaking aanzienlijk nadeel kan berokkenen aan degene die ze verstrekt of de bron ervan is.

4. Wanneer evenwel blijkt dat een verzoek om vertrouwelijke behandeling niet gerechtvaardigd is, en degene die de gegevens heeft verstrekt deze niet openbaar wil maken, noch machtiging wil geven tot bekendmaking ervan in algemene bewoordingen of in de vorm van een samenvatting, kunnen de betrokken gegevens buiten beschouwing worden gelaten.

De betrokken gegevens kunnen eveneens buiten beschouwing worden gelaten wanneer een dergelijk verzoek gerechtvaardigd is en degene die de gegevens heeft verstrekt geen niet-vertrouwelijke samenvatting wil overleggen, mits de gegevens in de vorm van een dergelijke samenvatting kunnen worden verstrekt.

5. Dit artikel vormt geen beletsel voor de bekendmaking van algemene gegevens door de autoriteiten van de Gemeenschap en in het bijzonder van de motivering van de besluiten die krachtens deze verordening zijn genomen, noch voor de bekendmaking van het bewijsmateriaal waarop de autoriteiten van de Gemeenschap steunen voor zover het noodzakelijk is deze motivering in gerechtelijke procedures te verantwoorden. Bij deze bekendmaking moet rekening worden gehouden met het rechtmatige belang dat de belanghebbende partijen hebben bij het niet bekendmaken van hun zakengeheimen.

Artikel 9

Beeindiging van de procedure indien geen beschermende

maatregelen nodig zijn

1. Wanneer na overleg blijkt dat geen enkele beschermende maatregel noodzakelijk is, en wanneer hiertegen in het in artikel 6, lid 1, bedoelde Raadgevend Comité geen bezwaar wordt gemaakt, wordt de procedure beëindigd. In alle andere gevallen legt de Commissie onmiddellijk een verslag inzake het resultaat van het overleg, alsmede een voorstel tot

beëindiging van de procedure aan de Raad voor. De procedure wordt geacht te zijn beëindigd, tenzij de Raad binnen een maand met gekwalificeerde meerderheid van stemmen anders besluit.

2. De Commissie stelt de als betrokken bekende partijen in kennis van de beëindiging en maakt deze bekend in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen, onder opgave van de voornaamste conclusies en met een samenvatting van de redenen daarvoor.

Artikel 10

Verbintenissen

1. Wanneer in de loop van het onderzoek verbintenissen worden aangeboden die de Commissie, na overleg, aanvaardbaar acht, kan het onderzoek worden beëindigd zonder instelling van compenserende rechten.

De verbintenissen mogen, behalve in uitzonderlijke gevallen, niet later worden aangeboden dan op de laatste dag van de periode waarbinnen ingevolge artikel 7, lid 4, onder c), iii), op- of aanmerkingen kunnen worden ingediend. Tot beëindiging wordt besloten overeenkomstig de procedure van artikel 9, lid 1; kennisgeving en bekendmaking geschieden overeenkomstig artikel 9, lid 2.

2. De verbintenissen als bedoeld in lid 1 zijn die waarbij de tarieven zodanig worden herzien dat de Commissie ervan overtuigd is dat de oneerlijke tariefpraktijken of de schadelijke gevolgen daarvan worden opgeheven.

3. Verbintenissen kunnen door de Commissie worden voorgesteld, maar het feit dat dergelijke verbintenissen niet worden aangeboden of dat op een daartoe strekkend verzoek niet wordt ingegaan, mag de behandeling van de zaak niet nadelig beïnvloeden. Indien de oneerlijke tariefpraktijken echter worden voortgezet, kan zulks worden beschouwd als een aanwijzing dat de kans groter wordt dat een dreiging van schade ook tot werkelijke schade leidt.

4. Indien de verbintenissen zijn aanvaard, wordt het onderzoek naar de schade niettemin voltooid, wanneer de Commissie, na overleg, daartoe besluit of de betrokken rederijen uit de Gemeenschap daarom verzoeken. Indien de Commissie in een dergelijk geval, na overleg, vaststelt dat er geen schade is, komt de verbintenis automatisch te vervallen. Wanneer evenwel een conclusie dat er geen dreiging van schade bestaat, hoofdzakelijk is toe te schrijven aan het bestaan van een verbintenis, kan de Commissie verlangen dat de verbintenis gehandhaafd blijft.

5. De Commissie kan van elke partij van wie zij een verbintenis heeft aanvaard, eisen dat zij regelmatig inlichtingen met betrekking tot het nakomen van deze verbintenis verstrekt en de verificatie van de desbetreffende gegevens toestaat. Het niet inwilligen van deze eisen wordt uitgelegd als een inbreuk op de verbintenis.

Artikel 11

Compenserende rechten

Wanneer uit een onderzoek blijkt dat oneerlijke tariefpraktijken en daardoor veroorzaakte schade bestaan en de belangen van de Gemeenschap een communautair optreden noodzakelijk maken, stelt de Commissie aan de Raad voor, na het in artikel 6 bedoelde overleg, om een compenserend recht in te stellen. De Raad neemt binnen twee maanden met gekwalificeerde meerderheid een besluit.

Artikel 12

Bij zijn besluiten over de compenserende rechten houdt de Raad ook naar behoren rekening met de overwegingen op het gebied van het beleid inzake de buitenlandse handel, alsook met de belangen van de havens en de overwegingen inzake het zeevervoerbeleid van de betrokken Lid-Staten.

Artikel 13

Algemene bepalingen betreffende rechten

1. Compenserende rechten worden jegens de betrokken buitenlandse rederijen ingesteld bij verordening.

2. In de verordening worden in het bijzonder vermeld: het bedrag en de aard van het ingestelde recht, de vervoerde goederen, de naam en het land van vestiging van de betrokken buitenlandse rederij, en de motivering voor het vaststellen van de verordening.

3. De rechten mogen niet hoger zijn dan het verschil tussen het toegepaste vrachttarief en het in artikel 3, onder c), bedoelde normale vrachttarief; zij moeten lager zijn, indien lagere rechten voldoende zijn om de schade op te heffen.

4. a) Rechten kunnen niet met terugwerkende kracht worden ingesteld of verhoogd en zijn van toepassing op het vervoer van goederen die na het van kracht worden van deze rechten in een haven in de Gemeenschap worden geladen of gelost.

b) Wanneer de Raad echter vaststelt dat inbreuk is gemaakt op een verbintenis of een verbintenis is teruggetrokken, kunnen de compenserende rechten op voorstel van de Commissie worden ingesteld voor het vervoer van goederen die maximaal negentig dagen vóór de datum van toepassing van deze rechten in een haven in de Gemeenschap werden geladen of gelost; in geval van inbreuk op een verbintenis of intrekking is deze terugwerkende heffing evenwel niet van toepassing op het vervoer van goederen die vóór de inbreuk of de intrekking in een haven in de Gemeenschap werden geladen of gelost. Deze rechten mogen worden berekend op de grondslag van de voor de aanvaarding van de verbintenis vastgestelde feiten.

5. De Lid-Staten innen de rechten in de vorm, volgens het tarief en overeenkomstig de andere bij de instelling van deze

rechten vastgestelde criteria onafhankelijk van de invoerrechten, heffingen en andere bij de invoer van de vervoerde goederen normaal verschuldigde belastingen.

6. Toestemming tot het laden of lossen van lading in een haven in de Gemeenschap kan afhankelijk worden gesteld van het stellen van een waarborg ten belope van het bedrag van de rechten.

Artikel 14

Nieuw onderzoek

1. De verordeningen waarbij compenserende rechten worden ingesteld en de beschikkingen om verbintenissen te aanvaarden worden, wanneer daartoe aanleiding bestaat, geheel of gedeeltelijk aan een nieuw onderzoek onderworpen. Dit nieuwe onderzoek wordt ingesteld op verzoek van een Lid-Staat of op initiatief van de Commissie. Een nieuw onderzoek wordt ook ingesteld wanneer een belanghebbende partij daarom verzoekt en voldoende bewijsmateriaal over gewijzigde omstandigheden overlegt om de noodzaak van dat onderzoek te wettigen, mits ten minste één jaar is verstreken na de beëindiging van het onderzoek. Het desbetreffende verzoek wordt gericht tot de Commissie, die de Lid-Staten ervan in kennis stelt.

2. Indien, na overleg, blijkt dat een nieuw onderzoek gewettigd is, wordt het onderzoek overeenkomstig artikel 7 opnieuw geopend indien de omstandigheden zulks vereisen. Deze heropening is als zodanig niet van invloed op de vigerende maatregelen.

3. Wanneer het nieuwe onderzoek, al dan niet uitgevoerd met heropening van het onderzoek, zulks wettigt, worden de maatregelen gewijzigd, ingetrokken of geannuleerd door de instelling van de Gemeenschap die tot de invoering ervan bevoegd is.

Artikel 15

1. Behoudens het bepaalde in lid 2 vervallen compenserende rechten en verbintenissen vijf jaar na de datum waarop zij van kracht zijn geworden of laatstelijk werden gewijzigd of bevestigd.

2. De Commissie maakt, na overleg, normaliter binnen zes maanden vóór het einde van de periode van vijf jaar, door middel van een bericht in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen, bekend dat de desbetreffende maatregel zal vervallen en stelt de als betrokken bekende rederijen uit de Gemeenschap hiervan in kennis. In dit bericht wordt de termijn aangegeven waarbinnen de belanghebbende partijen hun standpunt schriftelijk kunnen uiteenzetten en kunnen verzoeken overeenkomstig artikel 7, lid 5, door de Commissie te worden gehoord.

Indien een belanghebbende partij aantoont dat de beëindiging van de maatregel opnieuw tot schade of dreiging van schade zou leiden, onderwerpt de Commissie de maatregel aan een nieuw onderzoek. De maatregel blijft hangende het resultaat van dit onderzoek van kracht.

Indien op grond van dit artikel compenserende rechten en verbintenissen vervallen, maakt de Commissie een bericht van deze strekking bekend in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen.

Artikel 16

Terugbetaling

1. Wanneer de betrokken rederij kan aantonen dat het geïnde recht meer bedraagt dan het verschil tussen het toegepaste vrachttarief en het in artikel 3, onder c), bedoelde normale vrachttarief wordt het surplus terugbetaald.

2. Om de in lid 1 bedoelde terugbetaling te verkrijgen, dient de betrokken buitenlandse rederij bij de Commissie een verzoek in. Het verzoek moet worden ingediend via de Lid-Staat in wiens haven de vervoerde goederen werden geladen of gelost en vóór het verstrijken van een termijn van drie maanden na de datum waarop het bedrag van de te heffen compenserende rechten door de bevoegde autoriteiten naar behoren werd vastgesteld.

De Lid-Staat zendt het verzoek zo spoedig mogelijk aan de Commissie, al dan niet vergezeld van een advies over de gegrondheid ervan.

De Commissie stelt de andere Lid-Staten hiervan onmiddellijk in kennis en brengt over de aangelegenheid advies uit. Wanneer de Lid-Staten met het advies van de Commissie instemmen of daartegen binnen een maand na ontvangst ervan geen bezwaar maken, kan de Commissie een met dat advies overeenstemmend besluit nemen. In de overige gevallen beslist de Commissie, na overleg, of, en zo ja in welke mate, gevolg moet worden gegeven aan het verzoek.

Artikel 17

Slotbepaling

Deze verordening laat de toepassing van de bijzondere voorschriften in overeenkomsten tussen de Gemeenschap en derde landen onverlet.

Artikel 18

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op 1 juli 1987.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke Lid-Staat.

Gedaan te Brussel, 22 december 1986.

Voor de Raad

De Voorzitter

G. SHAW

EWG:L378UMBH02.95

FF: 3UHO; SETUP: 01; Hoehe: 3307 mm; 662 Zeilen; 31197 Zeichen;

Bediener: MARL Pr.: C;

Kunde: ................................

(1) PB nr. C 255 van 15. 10. 1986, blz. 169.

(2) PB nr. C 344 van 31. 12. 1985, blz. 31.

(3) PB nr. L 258 van 21. 9. 1978, blz. 35.

Top