EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 31985D0257

85/257/EEG, Euratom: Besluit van de Raad van 7 mei 1985 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Gemeenschappen

OJ L 128, 14.5.1985, p. 15–17 (DA, DE, EL, EN, FR, IT, NL)
Spanish special edition: Chapter 01 Volume 004 P. 99 - 101
Portuguese special edition: Chapter 01 Volume 004 P. 99 - 101

No longer in force, Date of end of validity: 01/01/1988; opgeheven door 388D0376

ELI: http://data.europa.eu/eli/dec/1985/257/oj

31985D0257

85/257/EEG, Euratom: Besluit van de Raad van 7 mei 1985 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Gemeenschappen

Publicatieblad Nr. L 128 van 14/05/1985 blz. 0015 - 0017
Bijzondere uitgave in het Spaans: Hoofdstuk 01 Deel 4 blz. 0099
Bijzondere uitgave in het Portugees: Hoofdstuk 01 Deel 4 blz. 0099


*****

BESLUIT VAN DE RAAD

van 7 mei 1985

betreffende het stelsel van eigen middelen van de Gemeenschappen

(85/257/EEG, Euratom)

DE RAAD VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, inzonderheid op artikel 201,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, inzonderheid op artikel 173,

Gezien het voorstel van de Commissie (1),

Gezien het advies van het Europese Parlement (2),

Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité (3),

Overwegende dat bij het besluit van 21 april 1970 betreffende de vervanging van de financiële bijdragen van de Lid-Staten door eigen middelen van de Gemeenschappen (4), hierna te noemen »besluit van 21 april 1970", een communautair stelsel van eigen middelen werd ingevoerd;

Overwegende dat ten einde de eigen middelen, onder handhaving van de bestaande bronnen van inkomsten die bij het besluit van 21 april 1970 tot stand zijn gebracht, te verhogen, het maximumpercentage van 1 dat wordt toegepast op de uniforme grondslag van de belasting over de toegevoegde waarde, dient te worden verhoogd;

Overwegende de conclusies van de Europese Raad van 25/26 juni 1984 te Fontainebleau;

Overwegende dat luidens deze conclusies het maximumpercentage voor de BTW-afdracht aan de eigen middelen wordt vastgesteld op 1,4 per 1 januari 1986; dat dit maximumpercentage geldt voor elke Lid-Staat en in werking treedt zodra de bekrachtigingsprocedures zijn voltooid en uiterlijk op 1 januari 1988 kan worden verhoogd tot 1,6 ingevolge een besluit van de Raad, genomen met eenparigheid van stemmen en na akkoordverklaring volgens de nationale procedures;

Overwegende dat luidens dezelfde conclusies de Europese Raad van mening is dat het uitgavenbeleid op termijn het essentiële middel is om de kwestie van de budgettaire onevenwichtigheden op te lossen;

Overwegende dat de Europese Raad evenwel heeft besloten dat elke Lid-Staat die een buitensporige begrotingslast draagt naar de maatstaf van zijn relatieve welvaart, te zijner tijd voor een correctie in aanmerking kan komen;

Overwegende dat thans een dergelijke correctie moet worden toegepast op het Verenigd Koninkrijk,

HEEFT DE VOLGENDE BEPALINGEN VASTGESTELD WAARVAN HIJ DE AANNEMING DOOR DE LID-STATEN AANBEVEELT:

Artikel 1

Aan de Gemeenschappen worden ter verzekering van het evenwicht van hun begroting eigen middelen toegekend overeenkomstig de in de volgende artikelen vastgestelde regels.

De begroting van de Gemeenschappen wordt, onverminderd de andere ontvangsten, geheel gefinancierd uit eigen middelen van de Gemeenschappen.

Artikel 2

De ontvangsten uit:

a) de heffingen, premies, extra bedragen of compenserende bedragen, aanvullende bedragen of aanvullende elementen en de overige door de Instellingen van de Gemeenschappen in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid ingevoerde of in te voeren rechten op het handelsverkeer met niet-Lid-Staten, alsmede de bijdragen en andere heffingen, die in het kader van de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker zijn vastgesteld;

b) de rechten van het gemeenschappelijk douanetarief en de overige door de Instellingen van de Gemeenschappen ingevoerde of in te voeren rechten op het handelsverkeer met niet-Lid-Staten,

vormen eigen middelen die op de begroting van de Gemeenschappen worden opgevoerd.

Bovendien vormen de ontvangsten uit andere belastingen die in het kader van een gemeenschappelijk beleid overeenkomstig het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap of het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie worden ingesteld, eigen middelen die op de begroting van de Gemeenschappen worden opgevoerd, voor zover de procedure van artikel 201 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap of van artikel 173 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie is voltooid.

Artikel 3

1. De overeenkomstig dit artikel verkregen ontvangsten uit de toepassing van percentages op de BTW-grondslag die op uniforme wijze voor de Lid-Staten is vastgesteld volgens communautaire voorschriften, vormen eveneens eigen middelen.

2. Geen van de in lid 1 bedoelde percentages bedraagt meer dan 1,4 %. Deze percentages worden vastgesteld in het kader van de begrotingsprocedure, waarbij rekening wordt gehouden met alle andere ontvangsten.

3. De percentages worden als volgt berekend:

a) met betrekking tot de in lid 1 bedoelde grondslag wordt een uniform percentage bepaald;

b) ten aanzien van het voor het Verenigd Koninkrijk toe te passen percentage, wordt van het door toepassing van het uniforme percentage verkregen bedrag een bedrag afgetrokken dat als volgt wordt berekend:

i) berekend wordt het verschil in het voorafgaande begrotingsjaar tussen het procentuele aandeel van het Verenigd Koninkrijk in de belasting over de toegevoegde waarde dat in dat jaar betaald zou zijn, met inbegrip van de aanpassingen betreffende voorafgaande jaren, indien het uniforme percentage zou zijn toegepast, en het procentuele aandeel van het Verenigd Koninkrijk in het totaal van de toegerekende uitgaven;

ii) het aldus verkregen verschil wordt toegepast op het totaal van de toegerekende uitgaven;

iii) het resultaat wordt vermenigvuldigd met 0,66.

Het verlaagde bedrag wordt gedeeld door de grondslag van het Verenigd Koninkrijk;

c) ten aanzien van de voor de andere Lid-Staten toe te passen percentages, komt een bedrag ten laste van deze Staten dat overeenkomt met het sub b) bedoelde af te trekken bedrag. Voor de verdeling van dit bedrag worden eerst de aandelen van deze Lid-Staten in het ingevolge toepassing van het uniforme percentage te betalen bedrag aan belasting over de toegevoegde waarde bepaald, waarbij het Verenigd Koninkrijk buiten beschouwing wordt gelaten; vervolgens worden de aandelen zodanig aangepast dat de deelneming van de Bondsrepubliek Duitsland wordt verlaagd tot twee derde van haar aldus berekende aandeel.

Voor elk van deze Lid-Staten wordt het toe te passen percentage verkregen door het ingevolge toepassing van het uniforme percentage te betalen bedrag, vermeerderd met het aandeel in het extra bedrag, te delen door de grondslag van de Lid-Staat;

d) indien lid 7 van toepassing is, komen in de in het onderhavige lid bedoelde berekeningen voor elke betrokken Lid-Staat financiële bijdragen in de plaats van betalingen van belasting over de toegevoegde waarde.

4. Bij de inwerkingtreding van dit lid wordt het door het Verenigd Koninkrijk aan BTW verschuldigde bedrag, in afwijking van het besluit van 21 april 1970, forfaitair verminderd met 1 miljard Ecu. Een aan deze aftrek gelijk bedrag kom ten laste van de andere Lid-Staten, waarbij de verdeling geschiedt overeenkomstig lid 3, sub c).

De in de eerste alinea aangegeven verrichtingen vormen wijzigingen van de eigen middelen afkomstig uit de belasting over de toegevoegde waarde uit hoofde van het begrotingsjaar 1985. Zo nodig worden de overeenkomstige bedragen door de Commissie uit hoofde van het begrotingsjaar 1985 in rekening gebracht.

5. De Commissie voert de voor de toepassing van lid 3 en lid 4 vereiste berekeningen uit.

6. Indien de begroting niet is vastgesteld bij het begin van het begrotingsjaar blijven de voordien vastgestelde BTW-percentages van toepassing tot de inwerkingtreding van nieuwe percentages. 7. Indien op 1 januari van het betrokken begrotingsjaar de voorschriften tot vaststelling van de uniforme grondslag van de belasting over de toegevoegde waarde nog niet in alle Lid-Staten worden toegepast, wordt, in afwijking van lid 1, de financiële bijdrage aan de begroting van de Gemeenschappen van een Lid-Staat die de uniforme grondslag van de belasting over de toegevoegde waarde nog niet toepast, bepaald op grond van het aandeel van zijn bruto nationaal produkt in het totale bruto nationaal produkt van de gezamenlijke Lid-Staten. Het saldo van de begroting wordt gedekt door de ontvangsten uit de belasting over de toegevoegde waarde overeenkomstig lid 1 die door de andere Lid-Staten worden geïnd. Deze afwijking treedt buiten werking zodra de voorschriften inzake de berekening van de uniforme grondslag van de belasting over de toegevoegde waarde in alle Lid-Staten worden toegepast.

8. Voor de toepassing van lid 7 wordt onder bruto nationaal produkt verstaan, het bruto nationaal produkt tegen marktprijzen.

Artikel 4

1. De in de artikelen 2 en 3 bedoelde ontvangsten dienen zonder onderscheid voor de financiering van alle uitgaven die op de begroting van de Gemeenschappen worden opgevoerd.

2. De financiering van de uitgaven betreffende de onderzoekprogramma's van de Europese Gemeenschappen uit eigen middelen van de Gemeenschappen sluit niet uit dat de uitgaven betreffende aanvullende programma's in de begroting van de Gemeenschappen worden opgenomen, noch dat zij worden gefinancierd door middel van financiële bijdragen van de Lid-Staten, waarvan de hoogte en de bijzondere verdeelsleutel worden vastgesteld bij een door de Raad met eenparigheid van stemmen genomen besluit.

Artikel 5

De Gemeenschappen betalen aan elke Lid-Staat, bij wijze van inningskosten, 10 % van de overeenkomstig artikel 2, eerste alinea, gestorte bedragen terug.

Artikel 6

Het eventuele overschot van de eigen middelen van de Gemeenschappen op de totale werkelijke uitgaven gedurende een begrotingsjaar wordt naar het volgende begrotingsjaar overgeboekt.

Artikel 7

1. De in de artikelen 2 en 3 bedoelde middelen worden door de Lid-Staten geheven overeenkomstig de nationale wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die daartoe in voorkomend geval worden gewijzigd. De Lid-Staten stellen deze middelen ter beschikking van de Commissie.

2. Onverminderd de in artikel 206 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap bedoelde controle op de rekeningen en onverminderd de krachtens artikel 209, sub c), van dit Verdrag georganiseerde controles, stelt de Raad met eenparigheid van stemmen, op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europese Parlement, de bepalingen vast betreffende de controle op de inning van de in de artikelen 2 en 3 bedoelde ontvangsten, betreffende de wijze waarop deze ontvangsten ter beschikking van de Commissie worden gesteld en betreffende de storting ervan.

Artikel 8

Dit besluit wordt ter kennis gebracht van de Lid-Staten door de Secretaris-generaal van de Raad van de Europese Gemeenschappen en bekendgemaakt in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen.

De Lid-Staten stellen de Secretaris-generaal van de Raad van de Europese Gemeenschappen onverwijld in kennis van de voltooiing van de volgens hun onderscheidene grondwettelijke bepalingen voor de aanvaarding van dit besluit vereiste procedures.

Dit besluit treedt in werking:

- voor wat betreft artikel 3, lid 4, op de tweede dag volgende op de datum van ontvangst van de laatste van de in de tweede alinea bedoelde kennisgevingen;

- voor wat betreft de andere bepalingen, op de tweede dag volgende op de datum van ontvangst van de laatste van deze kennisgevingen of volgende op de datum van nederlegging van de laatste van de akten van bekrachtiging van de Verdragen inzake de toetreding van Spanje en Portugal door de huidige Lid-Staten van de Gemeenschappen, waarbij de laatste datum wordt aangehouden, tenzij de Raad met eenparigheid van stemmen anders besluit.

Onverminderd het bepaalde in artikel 3, lid 4, wordt dit besluit van kracht op 1 januari 1986 en wordt het besluit van 21 april 1970 op diezelfde datum ingetrokken. Zo nodig worden verwijzingen naar het besluit van 21 april 1970 opgevat als verwijzingen naar het onderhavige besluit.

Gedaan te Brussel, 7 mei 1985.

Voor de Raad

De Voorzitter

G. ANDREOTTI

(1) PB nr. C 193 van 21. 7. 1984, blz. 5.

(2) PB nr. C 315 van 26. 11. 1984, blz. 60.

(3) PB nr. C 307 van 19. 11. 1984, blz. 24.

(4) PB nr. L 94 van 28. 4. 1970, blz. 19.

Top