EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 31982R2057

Verordening (EEG) nr. 2057/82 van de Raad van 29 juni 1982 houdende vaststelling van bepaalde maatregelen voor controle op de activiteiten van vissersvaartuigen uit de Lid-Staten

PB L 220 van 29.7.1982, p. 1–5 (DA, DE, EL, EN, FR, IT, NL)

Dit document is verschenen in een speciale editie. (ES, PT)

Legal status of the document No longer in force, Date of end of validity: 01/08/1987; opgeheven door 31987R2241

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/1982/2057/oj

31982R2057

Verordening (EEG) nr. 2057/82 van de Raad van 29 juni 1982 houdende vaststelling van bepaalde maatregelen voor controle op de activiteiten van vissersvaartuigen uit de Lid-Staten

Publicatieblad Nr. L 220 van 29/07/1982 blz. 0001 - 0005
Bijzondere uitgave in het Spaans: Hoofdstuk 04 Deel 1 blz. 0230
Bijzondere uitgave in het Portugees: Hoofdstuk 04 Deel 1 blz. 0230


*****

VERORDENING (EEG) Nr. 2057/82 VAN DE RAAD

van 29 juni 1982

houdende vaststelling van bepaalde maatregelen voor controle op de activiteiten van vissersvaartuigen uit de Lid-Staten

DE RAAD VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, inzonderheid op artikel 43,

Gezien het voorstel van de Commissie (1),

Gezien het advies van het Europese Parlement (2),

Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité (3),

Overwegende dat het voor de vangsten door vissersvaartuigen die de vlag van een Lid-Staat voeren of in een Lid-Staat zijn geregistreerd, dienstig is controlemaatregelen vast te stellen ten einde te verzekeren dat de elders aan de visserij gestelde beperkingen worden nageleefd;

Overwegende dat deze maatregelen voorschriften moeten behelzen betreffende de inspectie door de autoriteiten van de Lid-Staten van de vissersvaartuigen en van hun activiteiten zowel op zee als in de havens en dat deze inspectie overeenkomstig een aantal gemeenschappelijke voorschriften dient te worden uitgevoerd;

Overwegende dat de Lid-Staten de Commissie regelmatig verslag dienen uit te brengen over de inspectie en over de naar aanleiding van eventuele overtredingen van de communautaire visserijregeling genomen maatregelen;

Overwegende dat voor een doeltreffende controle op de aanvoer van soorten waarvoor een maximum toegestane vangst (TAC) per bestand of groep bestanden is vastgesteld, de kapiteins van vissersvaartuigen een register moeten bijhouden van en verklaringen moeten verstrekken over hun activiteiten; dat het dienstig is kleine vaartuigen met een beperkte actieradius waarvoor de verplichting tot het bijhouden van een logboek een last zou betekenen die buiten verhouding zou staan tot hun potentiële visserijactiviteit, vrij te stellen van die verplichting;

Overwegende dat het echter wenselijk is dat de kapiteins van de vaartuigen met een lengte over alles van meer dan 10 meter of hun gemachtigden na iedere visreis een vangstaangifte invullen, omdat dit, gezien het aantal van de betrokken vaartuigen, het enige middel is om controle op hun activiteiten uit te oefenen en dientengevolge om te beoordelen in hoeverre de geldende instandhoudingsmaatregelen worden nageleefd;

Overwegende dat voor een doeltreffende controle op de vangsten van deze soorten, de buiten het grondgebied van de Gemeenschap aan wal gebrachte hoeveelheden moeten worden geregistreerd;

Overwegende dat het dienstig is te bepalen dat de Lid-Staten de aanvoer van deze zelfde soorten registreren en de resultaten aan de Commissie mededelen;

Overwegende dat, wanneer de vissers van een Lid-Staat een aan die Lid-Staat toegewezen quotum volledig hebben gebruikt, verdere vangsten bij besluit van de Commissie moeten worden verboden;

Overwegende dat deze verordening de nationale controlemaatregelen op het door haar bestreken gebied, die verder gaan dan haar minimumvoorschriften, niet mag aantasten, voor zover zij in overeenstemming zijn met het Gemeenschapsrecht;

Overwegende dat regelingen moeten worden getroffen voor het toezicht op de tenuitvoerlegging van deze verordening;

Overwegende dat door de toepassing van deze verordening uitvoeringsbepalingen moeten kunnen worden vastgesteld,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING

VASTGESTELD:

TITEL I

Inspectie van vissersvaartuigen en controle op de activiteiten daarvan

Artikel 1

1. Elke Lid-Staat inspecteert de vissersvaartuigen die de vlag van een Lid-Staat voeren of in een Lid-Staat

zijn geregistreerd en die zich bevinden in de havens op zijn grondgebied of in de onder zijn soevereiniteit of jurisdictie vallende maritieme wateren, ten einde te waarborgen dat alle geldende regelingen met betrekking tot de instandhoudings- en controlemaatregelen worden nageleefd.

2. Wanneer de bevoegde autoriteiten van een Lid-Staat bij de krachtens lid 1 uitgevoerde inspectie constateren dat een vissersvaartuig dat de vlag van een Lid-Staat voert of in een Lid-Staat is geregistreerd de geldende regelingen met betrekking tot de instandhoudings- en controlemaatregelen niet naleeft, worden tegen de kapitein van dat vaartuig strafrechtelijke of administratieve stappen ondernomen.

3. Ten einde te waarborgen dat de inspectie zo doeltreffend mogelijk en met zo laag mogelijke kosten wordt uitgevoerd, cooerdineren de Lid-Staten hun controleactiviteiten en nemen zij maatregelen in het kader waarvan de bevoegde nationale autoriteiten en de Commissie elkaar regelmatig inlichten over de opgedane ervaring.

Artikel 2

1. De in artikel 1 bedoelde inspectie wordt door elke Lid-Staat voor eigen rekening uitgevoerd en wordt verricht door door deze Lid-Staat aangestelde inspecteurs.

Bij de uitvoering van deze taak moeten de Lid-Staten erop toezien dat de in artikel 1 bedoelde bepalingen en maatregelen worden nageleefd. Bovendien moeten zij daarbij zodanig tewerk gaan dat de normale visserijactiviteit niet nodeloos wordt gehinderd. Zij moeten er tevens voor zorgen dat bij de inspectie niet discriminerend wordt opgetreden ten aanzien van de verschillende sectoren en vaartuigen.

2. De personen die verantwoordelijk zijn voor de vissersvaartuigen die worden geïnspecteerd, verlenen hun medewerking aan inspecties overeenkomstig lid 1.

Artikel 3

1. Kapiteins van vissersvaartuigen die de vlag voeren van een Lid-Staat of daar zijn geregistreerd en die vissen op een bestand of groepen bestanden waarvoor een maximum toegestane vangst (TAC) is vastgesteld, houden een logboek bij waarin zij ten minste de gevangen hoeveelheden per soort die aan boord worden gehouden, de datum van de vangsten, de plaats van de vangsten onder verwijzing naar de kleinste zone waarvoor een TAC is vastgesteld en wordt beheerd en het gebruikte type vistuig vermelden.

2. Kapiteins van vissersvaartuigen die de vlag voeren van een Lid-Staat of in een Lid-Staat zijn geregistreerd en die een lengte over alles hebben:

a) van 10 meter of minder,

b) van meer dan 10 meter maar niet meer dan 17 meter wanneer zij een visreis maken van ten hoogste 24 uur, te rekenen vanaf het uur van vertrek uit de haven tot het uur van terugkomst in de haven, of

c) van 12 meter of minder wanneer zij in het Skagerrak of het Kattegat vissen,

zijn vrijgesteld van de in lid 1 omschreven verplichtingen.

Artikel 4

Volgens de procedure bedoeld in artikel 13 kunnen uitvoeringsbepalingen worden vastgesteld voor de toepassing van de artikelen 1 en 2, met name inzake:

a) de middelen voor identificatie van officieel aangestelde inspecteurs, van inspectievaartuigen of van andere soortgelijke hulpmiddelen die door een Lid-Saat voor inspectie kunnen worden gebruikt;

b) de door inspecteurs en kapiteins van vissersvaartuigen te volgen procedure wanneer een inspecteur aan boord van een vissersvaartuig wil gaan;

c) de door inspecteurs die aan boord van een vissersvaartuig zijn gegaan bij de inspectie van dat vaartuig, het vistuig of de vangsten te volgen procedure;

d) het door de inspecteurs na elke inspectie aan boord van een vissersvaartuig op te maken verslag, en

e) de merktekens en andere middelen voor identificatie van de vissersvaartuigen en het vistuig.

Artikel 5

De Lid-Staten verstrekken de Commissie regelmatig informatie over het aantal geïnspecteerde vissersvaartuigen, hun nationaliteit, de aard van de geconstateerde overtredingen en de naar aanleiding van deze overtredingen ondernomen stappen.

TITEL II

Controle op de vangsten

Artikel 6

1. Bij de aanlanding na iedere reis verstrekt de kapitein van een vissersvaartuig dat een lengte over alles heeft van meer dan 10 meter en dat de vlag van een Lid-Staat voert of in een Lid-Staat is geregistreerd, of diens gemachtigde, aan de autoriteiten van de Lid-Staat waarvan hij de losplaatsen gebruikt, een verklaring voor de juistheid waarvan uitsluitend de kapitein verantwoordelijk is en waarin hij ten minste voor ieder bestand of iedere groep bestanden waarvoor een TAC geldt de aangevoerde hoeveelheden vermeldt onder opgave van de vangstplaats met verwijzing naar de kleinste zone waarvoor een TAC is vastgesteld en wordt beheerd. Ingeval de vangsten hebben plaatsgevonden in wateren die onder de soevereiniteit of de jurisdictie van een derde land vallen, dient deze informatie afzonderlijk te worden opgenomen met verwijzing naar de wateren van elk van de betrokken derde landen.

2. De Lid-Staten treffen alle dienstige maatregelen om de juistheid van de krachtens lid 1 verstrekte verklaringen na te gaan. Artikel 7

Onverminderd artikel 6 doet de kapitein van een in artikel 1 bedoeld vissersvaartuig, die

- vangsten van een bestand of groepen bestanden waarvoor een TAC geldt overlaadt op een ander vaartuig, ongeacht de losplaats, of

- dergelijke vangsten rechtstreeks buiten het grondgebied van de Gemeenschap aan land brengt,

bij het overladen of het lossen aan de Lid-Staat waarvan zijn vaartuig de vlag voert of alwaar het is geregistreerd, mededeling van de betrokken soorten en hoeveelheden, alsmede van de datum van overladen of lossen en van de vangstplaats met verwijzing naar de kleinste zone waarvoor een TAC is vastgesteld en wordt beheerd. Ingeval de vangst heeft plaatsgevonden in wateren die onder de soevereiniteit of de jurisdictie van een derde land vallen, dient deze informatie afzonderlijk te worden opgenomen met verwijzing naar de wateren van elk van de betrokken derde landen.

Artikel 8

Indien de overlading of aanlanding meer dan 15 dagen na de vangst wordt verwacht, worden de in de artikelen 6 en 7 bedoelde gegevens uiterlijk 15 dagen na de vangst gemeld aan de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staat waarvan het vaartuig de vlag voert of waar het is geregistreerd.

Artikel 9

1. De Lid-Staten zien erop toe dat elke aanlanding van bestanden of groepen bestanden waarvoor een TAC geldt, wordt geregistreerd. Daartoe kunnen de Lid-Staten eisen dat de vangsten de eerste keer via de veiling op de markt worden gebracht.

Indien vangsten van bestanden of groepen bestanden waarvoor een TAC geldt, de eerste keer niet via de veiling op de markt worden gebracht, zien de Lid-Staten erop toe dat de betrokken hoeveelheden aan de visafslagen of aan de door de Lid-Staat aangewezen instellingen worden medegedeeld.

2. Voor de 15e van elke maand doet iedere Lid-Staat aan de Commissie mededeling van de in de voorafgaande maand aangelande hoeveelheden van elk bestand of elke groep bestanden, waarvoor een TAC geldt en van de op grond van de artikelen 7 en 8 ontvangen gegevens.

In de mededelingen aan de Commissie worden de plaats van de vangsten, zoals gespecificeerd in de artikelen 3 en 6, alsmede de nationaliteit van de betrokken vissersvaartuigen vermeld.

3. De Commissie brengt de Lid-Staten op de 25e van elke maand op de hoogte van de mededelingen die zij heeft ontvangen.

Artikel 10

1. Alle vangsten door vaartuigen die de vlag van een Lid-Staat voeren of die in een Lid-Staat zijn geregistreerd, uit een bestand of groep bestanden waarvoor quota gelden, worden, ongeacht de plaats van aanlanding, in mindering gebracht op het betrokken quotum.

2. Iedere Lid-Staat stelt de datum vast waarop, ten gevolge van de vangsten uit een aan quota onderworpen bestand of groep bestanden, verricht door vissersvaartuigen die de vlag van die Lid-Staat voeren of daar zijn geregistreerd, het voor deze Lid-Staat met betrekking tot dat bestand of die groep bestanden geldende quotum wordt geacht volledig te zijn gebruikt. Hij vaardigt met ingang van die datum een voorlopig verbod uit op het vangen van vis uit dat bestand of die groep bestanden door de bedoelde vaartuigen, alsmede op het aan boord houden, overladen en lossen voor zover de vangsten na die datum zijn gedaan en stelt een datum vast tot welke het overladen en het lossen of de laatste kennisgevingen over de vangsten zijn toegestaan. Deze maatregel wordt onverwijld medegedeeld aan de Commissie, die de overige Lid-Staten hiervan in kennis stelt.

3. Na ontvangst van een mededeling als bedoeld in lid 2, of op eigen initiatief, stelt de Commissie op basis van de beschikbare gegevens de datum vast waarop, voor een bestand of groep bestanden, het toegewezen quotum wordt geacht volledig te zijn gebruikt ten gevolge van de aan quota onderworpen vangsten, verricht door vissersvaartuigen die de vlag van een Lid-Staat voeren of daar zijn geregistreerd.

Vissersvaartuigen die de vlag van een Lid-Staat voeren of daar zijn geregistreerd, zetten het vissen op een bestand of groep bestanden waarvoor vangstquota gelden, stop op de datum waarop het aan die Lid-Staat toegewezen quotum voor de soort van het betrokken bestand of groep bestanden wordt geacht volledig te zijn gebruikt; deze vaartuigen zetten het aan boord houden, overladen, lossen of doen lossen van dergelijke vangsten stop voor zover deze na die datum zijn gedaan.

TITEL III

Gebruik van vistuig

Artikel 11

Indien wordt gevist op bepaalde soorten, in bepaalde zones of gedurende bepaalde periodes waarvoor het gebruik van netten met maaswijdten kleiner dan bij de geldende bepalingen is vastgesteld niet is toegestaan, moeten deze netten overeenkomstig de voorschriften van de bijlage zodanig worden opgeborgen dat zij niet direct kunnen worden gebruikt.

Artikel 12

1. De Lid-Staten verstrekken de Commissie desgevraagd alle inlichtingen omtrent de toepassing van deze verordening. Wanneer de Commissie om inlichtingen vraagt, stelt zij een termijn vast waarbinnen de inlichtingen moeten worden verstrekt.

2. Indien de Commissie van oordeel is dat onregelmatigheden zijn voorgekomen bij de toepassing van deze verordening, brengt zij dit ter kennis van de betrokken Lid-Staat of Lid-Staten, die daarop een administratief onderzoek instelt of instellen waaraan functionarissen van de Commissie kunnen deelnemen. De Commissie wordt door de betrokken Lid-Staat of Lid-Staten op de hoogte gehouden van de voortgang en de resultaten van het onderzoek.

3. Ten einde de naleving van deze verordening door de Lid-Staten te garanderen, kan de Commissie de toepassing ervan ter plaatse controleren in samenwerking met de bevoegde nationale instanties.

4. a) Te dien einde kunnen de door de Commissie gemachtigde ambtenaren, voor zover de Commissie zulks nodig acht, de inspectiewerkzaamheden van de nationale instanties bijwonen. De Commissie brengt passende contacten met de Lid-Staten tot stand, ten einde voor zover mogelijk een wederzijds aanvaardbaar inspectieprogramma op te stellen. De Lid-Staten werken met de Commissie samen om haar de uitoefening van haar taak te vergemakkelijken. Wanneer het inspecties ter zee of vanuit de lucht betreft, behouden de autoriteiten van de Lid-Staat evenwel, in naar behoren gemotiveerde gevallen waarin de bevoegde nationale instanties andere prioritaire taken dienen uit te voeren die met name betrekking hebben op de defensie, de veiligheid of de douanecontrole, het recht de inspectiewerkzaamheden die de Commssie wenst bij te wonen, uit te stellen of anders te richten: in dergelijke gevallen werkt de betrokken Lid-Staat met de Commissie samen om alternatieve regelingen te treffen.

b) Ingeval van inspecties ter zee of inspecties vanuit de lucht is alleen de gezagvoerder van het vaartuig of het vliegtuig verantwoordelijk voor de inspectiewerkzaamheden, met inachtneming van de verplichting van zijn autoriteiten om deze verordening toe te passen. De door de Commissie gemachtigde ambtenaren die aan deze inspectiewerkzaamheden deelnemen, voegen zich naar de door de gezagvoerder vastgestelde regels en gebruiken.

c) In geen geval, ongeacht of het inspecties ter zee, vanuit de lucht of te land betreft, hebben de door de Commissie gemachtigde ambtenaren het recht controles op particuliere personen uit te voeren, maar vergezellen zij de nationale inspecteurs, die te allen tijde verantwoordelijk blijven voor de verrichte inspectiewerkzaamheden.

Artikel 13

De uitvoeringsbepalingen van de artikelen 3 tot en met 10 van deze verordening worden vastgesteld volgens de procedure in artikel 33 van Verordening (EEG) nr. 3796/81 van de Raad van 29 december 1981 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector visserijprodukten (1).

Artikel 14

Het bepaalde in deze verordening doet geen afbreuk aan nationale controlevoorschriften die verder gaan dan de minimumeisen van deze verordening, mits ze in overeenstemming zijn met de communautaire bepalingen en met het gemeenschappelijk visserijbeleid.

De in de eerste alinea bedoelde nationale voorschriften worden aan de Commissie medegedeeld overeenkomstig artikel 2, lid 2, van Verordening (EEG) nr. 101/76 van de Raad van 19 januari 1976 houdende de totstandbrenging van een gemeenschappelijk structuurbeleid in de visserijsector (2).

Artikel 15

Verordening (EEG) nr. 753/80 van de Raad van 26 maart 1980 betreffende de wijze van opname en melding van de gegevens over de vangsten door vissersvaartuigen van de Lid-Staten (3) wordt ingetrokken.

Artikel 16

Deze verordening treedt in werking op de derde dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen.

Zij is van toepassing vanaf de datum van toepassing van een door de Raad aan te nemen verordening betreffende de vaststelling voor 1982 van het totaal van de toegestane vangsten en het deel van deze vangsten dat de Gemeenschap ter beschikking staat, de verdeling van dit deel over de Lid-Staten, alsmede van de voorwaarden die gelden voor de visserij van het totaal van de toegestane vangsten, voor bepaalde bestanden of groepen bestanden die zich bevinden in de visserijzone van de Gemeenschap, of uiterlijk vanaf 1 januari 1983.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke Lid-Staat.

Gedaan te Brussel, 29 juni 1982.

Voor de Raad

De Voorzitter

P. de KEERSMAEKER

(1) PB nr. C 14 van 18. 1. 1980, blz. 4.

(2) PB nr. C 6 van 9. 1. 1978, blz. 120.

(3) PB nr. C 181 van 31. 7. 1978, blz. 21.

(1) PB nr. L 379 van 31. 12. 1981, blz. 1.

(2) PB nr. L 20 van 28. 1. 1976, blz. 19.

(3) PB nr. L 84 van 28. 3. 1980, blz. 33.

Top